|
الم
002.001 Alif-lam-meem
|
2:1 Alif Lam Mim.
|
| |
|
ذَلِكَ الْكِتَابُ لا رَيْبَ فِيهِ هُدًى لِلْمُتَّقِينَ
002.002 Thalika alkitabu la rayba feehi
hudan lilmuttaqeena
|
2:2 Dit is het Boek (de Kuran) waaraan
geen twijfel is, een leidraad voor de Moettaqoen.
|
| |
|
الَّذِينَ يُؤْمِنُونَ بِالْغَيْبِ وَيُقِيمُونَ الصَّلاةَ وَمِمَّا
رَزَقْنَاهُمْ يُنْفِقُونَ
002.003 Allatheena yu/minoona bialghaybi
wayuqeemoona alssalata wamimma razaqnahum
yunfiqoona
|
2:3 Degenen die in het onwaarneembare
geloven en de shalat onderhouden en die bijdragen geven van waar Wij hun
mee hebben voorzien.
|
| |
|
وَالَّذِينَ يُؤْمِنُونَ بِمَا أُنْزِلَ إِلَيْكَ وَمَا أُنْزِلَ مِنْ
قَبْلِكَ وَبِالآخِرَةِ هُمْ يُوقِنُونَ
002.004 Waallatheena yu/minoona bima onzila
ilayka wama onzila min qablika wabial-akhirati hum
yooqinoona
|
2:4 En degenen die geloven in wat aan jou
(O Mohammed) is neergezonden (de Kuran) en in wat voor jou is
neergezonden en die van het (bestaan van het) Hiernamaals overtuigd
zijn.
|
| |
|
أُولَئِكَ عَلَى هُدًى مِنْ رَبِّهِمْ وَأُولَئِكَ هُمُ الْمُفْلِحُونَ
002.005 Ola-ika AAala hudan min rabbihim waola-ika
humu almuflihoona
|
2:5 Zij zijn degenen die Leiding van hun
Heer ontvangen en zij zijn degenen die welslagen.
|
| |
|
إِنَّ الَّذِينَ كَفَرُوا سَوَاءٌ عَلَيْهِمْ ءَأَنْذَرْتَهُمْ أَمْ لَمْ
تُنْذِرْهُمْ لا يُؤْمِنُونَ
002.006 Inna allatheena kafaroo sawaon AAalayhim
aanthartahum am lam tunthirhum la yu/minoona
|
2:6 Voorwaar, voor degenen die niet
geloven, maakt het geen verschil of jij hen waarschuwt of dat jij hen
niet waarschuwt: zij zullen niet geloven.
|
| |
|
خَتَمَ اللَّهُ عَلَى قُلُوبِهِمْ وَعَلَى سَمْعِهِمْ وَعَلَى
أَبْصَارِهِمْ غِشَاوَةٌ وَلَهُمْ عَذَابٌ عَظِيمٌ
002.007 Khatama Allahu AAala quloobihim waAAala
samAAihim waAAala absarihim ghishawatun walahum
AAathabun AAatheemun
|
2:7 Allah heeft hun harten en hun gehoor
verzegeld en over hun ogen ligt een bedekking en voor hen is er een
geweldige bestraffing.
|
| |
|
وَمِنَ النَّاسِ مَنْ يَقُولُ آمَنَّا بِاللَّهِ وَبِالْيَوْمِ الآخِرِ
وَمَا هُمْ بِمُؤْمِنِينَ
002.008 Wamina alnnasi man yaqoolu amanna
biAllahi wabialyawmi al-akhiri wama hum
bimu/mineena
|
2:8 En er zijn er onder de mensen die
zeggen: "Wij geloven in Allah en in de Laatste Dag", terwijl zij geen
gelovigen zijn.
|
| |
|
يُخَادِعُونَ اللَّهَ وَالَّذِينَ آمَنُوا وَمَا يَخْدَعُونَ إِلا
أَنْفُسَهُمْ وَمَا يَشْعُرُونَ
002.009 YukhadiAAoona Allaha waallatheena
amanoo wama yakhdaAAoona illa anfusahum wama
yashAAuroona
|
2:9 Zij trachten Allah en degenen die
geloven te bedriegen, maar zij bedriegen niemand dan zichzelf, terwijl
zij het zniet beseffen.
|
| |
|
فِي قُلُوبِهِمْ مَرَضٌ فَزَادَهُمُ اللَّهُ مَرَضًا وَلَهُمْ عَذَابٌ
أَلِيمٌ بِمَا كَانُوا يَكْذِبُونَ
002.010 Fee quloobihim maradun fazadahumu Allahu
maradan walahum AAathabun aleemun bima kanoo
yakthiboona
|
2:10 In hun hart is een ziekte (twijfel
en huichelarij) en Allah heeft deze ziekte doen verergeren, en voor hen
is er een pijnlijke bestraffing vanwege wat zij plachten te loochenen.
|
| |
|
وَإِذَا قِيلَ لَهُمْ لا تُفْسِدُوا فِي الأرْضِ قَالُوا إِنَّمَا نَحْنُ
مُصْلِحُونَ
002.011 Wa-itha qeela lahum la tufsidoo fee al-ardi
qaloo innama nahnu muslihoona
|
2:11 En als er tot hen wordt gezegd:
"Zaait geen verderf op aarde", dan zeggen zij: "Voorwaar, wij zijn
slechts verbeteraars" (van de juiste normen en waarden).
|
| |
|
أَلا إِنَّهُمْ هُمُ الْمُفْسِدُونَ وَلَكِنْ لا يَشْعُرُونَ
002.012 Ala innahum humu almufsidoona walakin la
yashAAuroona
|
2:12 Weet: voorwaar, zij zijn de
verderfzaaiers, maar zij beseffen het niet.
|
| |
|
وَإِذَا قِيلَ لَهُمْ آمِنُوا كَمَا آمَنَ النَّاسُ قَالُوا أَنُؤْمِنُ
كَمَا آمَنَ السُّفَهَاءُ أَلا إِنَّهُمْ هُمُ السُّفَهَاءُ وَلَكِنْ لا
يَعْلَمُونَ
002.013 Wa-itha qeela lahum aminoo kama amana
alnnasu qaloo anu/minu kama amana alssufahao
ala innahum humu alssufahao walakin la
yaAAlamoona
|
2:13 En als er tot hen wordt gezegd:
"Gelooft zoals de mensen geloven", dan zeggen zij: "Zullen wij geloven
zoals de dwazen geloven"? Voorwaar, zij zijn de dwazen, maar zij weten
het niet.
|
| |
|
وَإِذَا لَقُوا الَّذِينَ آمَنُوا قَالُوا آمَنَّا وَإِذَا خَلَوْا إِلَى
شَيَاطِينِهِمْ قَالُوا إِنَّا مَعَكُمْ إِنَّمَا نَحْنُ مُسْتَهْزِئُونَ
002.014 Wa-itha laqoo allatheena amanoo qaloo
amanna wa-itha khalaw ila shayateenihim
qaloo inna maAAakum innama nahnu
mustahzi-oona
|
2:14 En als zij degenen die geloven
ontmoeten, dan zeggen zij: "Wij geloven". Maar wanneer zij terugkeren
naar hun Satans (die hun leiders zijn) dan zeggen zij: "Voorwaar, wij
staan aan jullie kant. Voorwaar, wij zijn slechts spotters".
|
| |
|
اللَّهُ يَسْتَهْزِئُ بِهِمْ وَيَمُدُّهُمْ فِي طُغْيَانِهِمْ يَعْمَهُونَ
002.015 Allahu yastahzi-o bihim wayamudduhum fee tughyanihim
yaAAmahoona
|
2:15 Allah spot met hen en laat hen
rusteloos in hun overtredingen verkeren.
|
| |
|
أُولَئِكَ الَّذِينَ اشْتَرَوُا الضَّلالَةَ بِالْهُدَى فَمَا رَبِحَتْ
تِجَارَتُهُمْ وَمَا كَانُوا مُهْتَدِينَ
002.016 Ola-ika allatheena ishtarawoo alddalalata
bialhuda fama rabihat tijaratuhum
wama kanoo muhtadeena
|
2:16 Zij zijn degenen die de Leiding voor
de dwaling hebben verruild, daarom levert hun handel geen winst op, en
zij zijn geen rechtgeleidenen.
|
| |
|
مَثَلُهُمْ كَمَثَلِ الَّذِي اسْتَوْقَدَ نَارًا فَلَمَّا أَضَاءَتْ مَا
حَوْلَهُ ذَهَبَ اللَّهُ بِنُورِهِمْ وَتَرَكَهُمْ فِي ظُلُمَاتٍ لا
يُبْصِرُونَ
002.017 Mathaluhum kamathali allathee istawqada naran
falamma adaat ma hawlahu thahaba Allahu
binoorihim watarakahum fee thulumatin la
yubsiroona
|
2:17 Hun gelijkenis is als de gelijkenis
van degene die een vuur ontsteekt: wanneer het (vuur) zijn omgeving
verlicht, dan neemt Allah hun licht weg en laat Hij hen in de
duisternissen achter. Zij zien niet.
|
| |
|
صُمٌّ بُكْمٌ عُمْيٌ فَهُمْ لا يَرْجِعُونَ
002.018 Summun bukmun AAumyun fahum la yarjiAAoona
|
2:18 (Zij zijn) doof, stom, en blind (van
hart), daarom keren zij niet terug.
|
| |
|
أَوْ كَصَيِّبٍ مِنَ السَّمَاءِ فِيهِ ظُلُمَاتٌ وَرَعْدٌ وَبَرْقٌ
يَجْعَلُونَ أَصَابِعَهُمْ فِي آذَانِهِمْ مِنَ الصَّوَاعِقِ حَذَرَ
الْمَوْتِ وَاللَّهُ مُحِيطٌ بِالْكَافِرِينَ
002.019 Aw kasayyibin mina alssama-i feehi thulumatun
waraAAdun wabarqun yajAAaloona asabiAAahum fee athanihim
mina alssawaAAiqi hathara almawti waAllahu
muheetun bialkafireena
|
2:19 Of als (de gelijkenis, met) een
regenstorm uit de hemel met daarin duisternissen, donder en bliksem. Zij
stoppen hun vingers in hun oren voor de donderslagen, uit doodsangst.
En Allah omvat de ongelovigen.
|
| |
|
يَكَادُ الْبَرْقُ يَخْطَفُ أَبْصَارَهُمْ كُلَّمَا أَضَاءَ لَهُمْ مَشَوْا
فِيهِ وَإِذَا أَظْلَمَ عَلَيْهِمْ قَامُوا وَلَوْ شَاءَ اللَّهُ لَذَهَبَ
بِسَمْعِهِمْ وَأَبْصَارِهِمْ إِنَّ اللَّهَ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ
002.020 Yakadu albarqu yakhtafu absarahum
kullama adaa lahum mashaw feehi wa-itha athlama
AAalayhim qamoo walaw shaa Allahu lathahaba
bisamAAihim waabsarihim inna Allaha AAala kulli
shay-in qadeerun
|
2:20 Bijna rukt de bliksem hun gezicht
weg. Telkens wanneer deze hen verlicht, dan lopen zij in (het licht),
maar wanneer hij hen in de duisternis laat, dan blijven ze staan. En als
Allah het had gewild, dan had Hij hun gehoor en hun gezicht weggenomen.
Voorwaar, Allah is Almachtig over alle zaken.
|
| |
|
يَا أَيُّهَا النَّاسُ اعْبُدُوا رَبَّكُمُ الَّذِي خَلَقَكُمْ وَالَّذِينَ
مِنْ قَبْلِكُمْ لَعَلَّكُمْ تَتَّقُونَ
002.021 Ya ayyuha alnnasu oAAbudoo
rabbakumu allathee khalaqakum waallatheena min
qablikum laAAallakum tattaqoona
|
2:21 O mensen, aanbid jullie Heer,
Degenen Die jullie heeft geschapen en degenen voor jullie. Hopelijk
zullen jullie (Allah) vrezen.
|
| |
|
الَّذِي جَعَلَ لَكُمُ الأرْضَ فِرَاشًا وَالسَّمَاءَ بِنَاءً وَأَنْزَلَ
مِنَ السَّمَاءِ مَاءً فَأَخْرَجَ بِهِ مِنَ الثَّمَرَاتِ رِزْقًا لَكُمْ
فَلا تَجْعَلُوا لِلَّهِ أَنْدَادًا وَأَنْتُمْ تَعْلَمُونَ
002.022 Allathee jaAAala lakumu al-arda firashan
waalssamaa binaan waanzala mina alssama-i
maan faakhraja bihi mina alththamarati rizqan
lakum fala tajAAaloo lillahi andadan waantum
taAAlamoona
|
2:22 Degene Die de aarde voor jullie
heeft gemaafkt tot een tapijt en de hemel tot een gewelf en Hij zendt
water uit de hemel neer, waarmee Hij vervolgens vruchten voortbrengt als
voorziening voor jullie. Ken daarom geen deelgenoten toe aan Allah,
terwijl jullie (het) weten.
|
| |
|
وَإِنْ كُنْتُمْ فِي رَيْبٍ مِمَّا نَزَّلْنَا عَلَى عَبْدِنَا فَأْتُوا
بِسُورَةٍ مِنْ مِثْلِهِ وَادْعُوا شُهَدَاءَكُمْ مِنْ دُونِ اللَّهِ إِنْ
كُنْتُمْ صَادِقِينَ
002.023 Wa-in kuntum fee raybin mimma nazzalna AAala
AAabdina fa/too bisooratin min mithlihi waodAAoo shuhadaakum
min dooni Allahi in kuntum sadiqeena
|
2:23 En als jullie in twijfel verkeren
over wat Wij hebben neergezonden aan Onze dienaar (Mohammed), brengt dan
een gelijkwaardige Soerah voort, en roept jullie getuigen buiten Allah
op, als jullie waarachtig zijn.
|
| |
|
فَإِنْ لَمْ تَفْعَلُوا وَلَنْ تَفْعَلُوا فَاتَّقُوا النَّارَ الَّتِي
وَقُودُهَا النَّاسُ وَالْحِجَارَةُ أُعِدَّتْ لِلْكَافِرِينَ
002.024 Fa-in lam tafAAaloo walan tafAAaloo faittaqoo alnnara
allatee waqooduha alnnasu waalhijaratu
oAAiddat lilkafireena
|
2:24 Als jullie dan daartoe niet in staat
zijn, en jullie zullen er nooit toe in staat zijn, vreest dan de Hel;
haar brandstof bestaat uit mensen en stenen, (zij is) gereedgemaakt voor
de ongelovigen.
|
| |
|
وَبَشِّرِ الَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ أَنَّ لَهُمْ
جَنَّاتٍ تَجْرِي مِنْ تَحْتِهَا الأنْهَارُ كُلَّمَا رُزِقُوا مِنْهَا
مِنْ ثَمَرَةٍ رِزْقًا قَالُوا هَذَا الَّذِي رُزِقْنَا مِنْ قَبْلُ
وَأُتُوا بِهِ مُتَشَابِهًا وَلَهُمْ فِيهَا أَزْوَاجٌ مُطَهَّرَةٌ وَهُمْ
فِيهَا خَالِدُونَ
002.025 Wabashshiri allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati
anna lahum jannatin tajree min tahtiha al-anharu
kullama ruziqoo minha min thamaratin rizqan qaloo hatha
allathee ruziqna min qablu waotoo bihi mutashabihan
walahum feeha azwajun mutahharatun wahum feeha
khalidoona
|
2:25 En geef (O Mohammed) goede tijdingen
aan degenen die geloven en goede werken verrichten: dat er voor hen
Tuinen (in het Paradijs) zijn waar onder door de rivieren stromen.
Telkens wanneer hun daaruit een vrucht wordt gegeven als voorziening,
zeggen zij: "Dit is waarmee wij vroeger zijn voorzien". En het
soortgelijke zal hun gegeven worden en er zijn daarin reine echtgenoten
voor hen, en zij zijn daarin eeuwig levenden.
|
| |
|
إِنَّ اللَّهَ لا يَسْتَحْيِي أَنْ يَضْرِبَ مَثَلا مَا بَعُوضَةً فَمَا
فَوْقَهَا فَأَمَّا الَّذِينَ آمَنُوا فَيَعْلَمُونَ أَنَّهُ الْحَقُّ مِنْ
رَبِّهِمْ وَأَمَّا الَّذِينَ كَفَرُوا فَيَقُولُونَ مَاذَا أَرَادَ
اللَّهُ بِهَذَا مَثَلا يُضِلُّ بِهِ كَثِيرًا وَيَهْدِي بِهِ كَثِيرًا
وَمَا يُضِلُّ بِهِ إِلا الْفَاسِقِينَ
002.026 Inna Allaha la yastahyee an yadriba
mathalan ma baAAoodatan fama fawqaha faamma
allatheena amanoo fayaAAlamoona annahu alhaqqu min
rabbihim waamma allatheena kafaroo fayaqooloona matha
arada Allahu bihatha mathalan yudillu bihi
katheeran wayahdee bihi katheeran wama yudillu bihi illa
alfasiqeena
|
2:26 Voorwaar, Allah acht het niet
beneden Zich om een mug tot gelijkenis te stellen, of iets dat nietiger
is dan dat. Wat betreft degenen die geloven, zij weten dat het de
Waarheid van hun Heer is. En wat degenen betreft die niet geloven, zij
zeggen: "Wat bedoelt Allah met deze gelijkenis"? Hij (Allah) doet er
velen mee dwalen en Hij leidt er velen mee, en Hij doet er niemand door
dwalen dan de grote zondaren.
|
| |
|
الَّذِينَ يَنْقُضُونَ عَهْدَ اللَّهِ مِنْ بَعْدِ مِيثَاقِهِ
وَيَقْطَعُونَ مَا أَمَرَ اللَّهُ بِهِ أَنْ يُوصَلَ وَيُفْسِدُونَ فِي
الأرْضِ أُولَئِكَ هُمُ الْخَاسِرُونَ
002.027 Allatheena yanqudoona AAahda Allahi
min baAAdi meethaqihi wayaqtaAAoona ma amara Allahu
bihi an yoosala wayufsidoona fee al-ardi ola-ika
humu alkhasiroona
|
2:27 (Zij zijn) degenen die het verbond
met Allah verbreken na de bekrachtiging ervan, en die verbreken wat
Allah bevolen heeft om te verbinden en die verderf op aarde zaaien. Zij
zijn degenen die de verliezers zijn.
|
| |
|
كَيْفَ تَكْفُرُونَ بِاللَّهِ وَكُنْتُمْ أَمْوَاتًا فَأَحْيَاكُمْ ثُمَّ
يُمِيتُكُمْ ثُمَّ يُحْيِيكُمْ ثُمَّ إِلَيْهِ تُرْجَعُونَ
002.028 Kayfa takfuroona biAllahi
wakuntum amwatan faahyakum thumma yumeetukum thumma
yuhyeekum thumma ilayhi turjaAAoona
|
2:28 Hoe kunnen jullie niet in Allah
geloven, terwijl jullie levenloos waren en Hij jullie toen tot leven
bracht; waarop Hij jullie deed sterven, daarna doet Hij jullie herleven,
en ten slotte zullen jullie tot hem terugkeren.
|
| |
|
هُوَ الَّذِي خَلَقَ لَكُمْ مَا فِي الأرْضِ جَمِيعًا ثُمَّ اسْتَوَى إِلَى
السَّمَاءِ فَسَوَّاهُنَّ سَبْعَ سَمَاوَاتٍ وَهُوَ بِكُلِّ شَيْءٍ
عَلِيمٌ
002.029 Huwa allathee khalaqa lakum ma fee al-ardi
jameeAAan thumma istawa ila alssama-i
fasawwahunna sabAAa samawatin wahuwa bikulli
shay-in AAaleemun
|
2:29 Hij is het Degene Die voor jullie
alles wat op aarde is geschapen heeft, daarna wendde Hij Zich tot de
hemel en vormde deze tot zeven hemelen. En Hij is Alwetend over alle
zaken.
|
| |
|
وَإِذْ قَالَ رَبُّكَ لِلْمَلائِكَةِ إِنِّي جَاعِلٌ فِي الأرْضِ خَلِيفَةً
قَالُوا أَتَجْعَلُ فِيهَا مَنْ يُفْسِدُ فِيهَا وَيَسْفِكُ الدِّمَاءَ
وَنَحْنُ نُسَبِّحُ بِحَمْدِكَ وَنُقَدِّسُ لَكَ قَالَ إِنِّي أَعْلَمُ مَا
لا تَعْلَمُونَ
002.030 Wa-ith qala rabbuka lilmala-ikati
innee jaAAilun fee al-ardi khaleefatan qaloo
atajAAalu feeha man yufsidu feeha wayasfiku alddimaa
wanahnu nusabbihu bihamdika wanuqaddisu laka qala
innee aAAlamu ma la taAAlamoona
|
2:30 En toen jouw Heer tot de Engelen
zei: "Voorwaar, Ik zal op aarde een gevolmachtigde aanstellen", zeiden
zij: "Gaat U daarop iemand aanstellen die verderf zal zaaien en bloed
zal vergieten, terwijl wij U roemen met de lofprijzing die U toekomt en
wij U heiligen"? Hij zei: "Voorwaar, Ik weet wat jullie niet weten".
|
| |
|
وَعَلَّمَ آدَمَ الأسْمَاءَ كُلَّهَا ثُمَّ عَرَضَهُمْ عَلَى الْمَلائِكَةِ
فَقَالَ أَنْبِئُونِي بِأَسْمَاءِ هَؤُلاءِ إِنْ كُنْتُمْ صَادِقِينَ
002.031 WaAAallama adama al-asmaa kullaha
thumma AAaradahum AAala almala-ikati faqala
anbi-oonee bi-asma-i haola-i in kuntum sadiqeena
|
2:31 En Hij onderwees Adam de namen van
alle dingen en vervolgens toonde Hij deze aan de Engelen en zei: "Noem
Mij de namen van deze (dingen), als jullie waarachtig zijn".
|
| |
|
قَالُوا سُبْحَانَكَ لا عِلْمَ لَنَا إِلا مَا عَلَّمْتَنَا إِنَّكَ أَنْتَ
الْعَلِيمُ الْحَكِيمُ
002.032 Qaloo subhanaka la AAilma lana
illa ma AAallamtana innaka anta alAAaleemu alhakeemu
|
2:32 Zij zeiden: "Heilig bent U, wij
hebben geen kennis, behalve wat U ons onderwezen hebt: voorwaar, U bent
de Alwetende, de Alwijze".
|
| |
|
قَالَ يَا آدَمُ أَنْبِئْهُمْ بِأَسْمَائِهِمْ فَلَمَّا أَنْبَأَهُمْ
بِأَسْمَائِهِمْ قَالَ أَلَمْ أَقُلْ لَكُمْ إِنِّي أَعْلَمُ غَيْبَ
السَّمَاوَاتِ وَالأرْضِ وَأَعْلَمُ مَا تُبْدُونَ وَمَا كُنْتُمْ
تَكْتُمُونَ
002.033 Qala ya adamu anbi/hum bi-asma-ihim
falamma anbaahum bi-asma-ihim qala alam aqul lakum
innee aAAlamu ghayba alssamawati waal-ardi
waaAAlamu ma tubdoona wama kuntum taktumoona
|
2:33 Hij zei: "O Adam, noem hun de namen
ervan". En toen hij hun de namen ervan had genoemd, zei Hij: "Zei Ik
jullie niet, dat Ik het onwaarneembare van de hemelen en de aarde ken,
en weet wat jullie openlijk doen en wat jullie plachten te verbergen"?
|
| |
|
وَإِذْ قُلْنَا لِلْمَلائِكَةِ اسْجُدُوا لآدَمَ فَسَجَدُوا إِلا إِبْلِيسَ
أَبَى وَاسْتَكْبَرَ وَكَانَ مِنَ الْكَافِرِينَ
002.034 Wa-ith qulna lilmala-ikati osjudoo
li-adama fasajadoo illa ibleesa aba waistakbara
wakana mina alkafireena
|
2:34 En toen Wij tot de Engelen zeiden:
"Buigt jullie voor Adam", toen bogen zij, behalve Iblis (de Satan). Hij
weigerde en was hooghartig en hij werd één van de ongelovigen.
|
| |
|
وَقُلْنَا يَا آدَمُ اسْكُنْ أَنْتَ وَزَوْجُكَ الْجَنَّةَ وَكُلا مِنْهَا
رَغَدًا حَيْثُ شِئْتُمَا وَلا تَقْرَبَا هَذِهِ الشَّجَرَةَ فَتَكُونَا
مِنَ الظَّالِمِينَ
002.035 Waqulna ya adamu oskun anta
wazawjuka aljannata wakula minha raghadan haythu
shi/tuma wala taqraba hathihi alshshajarata
fatakoona mina alththalimeena
|
2:35 En Wij zeiden: "O Adam, verblijft in
het Paradijs, jij en je vrouw, en eet daaruit overvloedig, zoals jullie
willen, maar nadert deze boom niet, anders zullen jullie tot de
onrechtplegers behoren".
|
| |
|
فَأَزَلَّهُمَا الشَّيْطَانُ عَنْهَا فَأَخْرَجَهُمَا مِمَّا كَانَا فِيهِ
وَقُلْنَا اهْبِطُوا بَعْضُكُمْ لِبَعْضٍ عَدُوٌّ وَلَكُمْ فِي الأرْضِ
مُسْتَقَرٌّ وَمَتَاعٌ إِلَى حِينٍ
002.036 Faazallahuma alshshaytanu AAanha
faakhrajahuma mimma kana feehi waqulna
ihbitoo baAAdukum libaAAdin AAaduwwun walakum fee
al-ardi mustaqarrun wamataAAun ila heenin
|
2:36 Satan deed hen misstappen begaan,
waardoor zij eruit geraakten en hij deed hen verdrijven van de plaats
waar zij zich bevonden. En Wij zeiden: "Daalt af, een deel van jullie
zal een vijand voor de ander zijn. En voor jullie zal een vijand voor de
ander zijn. En voor jullie is er op de aarde een verblijfplaats en een
genieting, tot een bepaald tijdstip (de dood)".
|
| |
|
فَتَلَقَّى آدَمُ مِنْ رَبِّهِ كَلِمَاتٍ فَتَابَ عَلَيْهِ إِنَّهُ هُوَ
التَّوَّابُ الرَّحِيمُ
002.037 Fatalaqqa adamu min rabbihi kalimatin
fataba AAalayhi innahu huwa alttawwabu alrraheemu
|
2:37 Toen ontving Adam van zijn Heer
Woorden. Daarop aanvaardde Hij zijn berouw. Voorwaar, Hij is de Meest
Berouwaanvaardende, de Meest Barmhartige.
|
| |
|
قُلْنَا اهْبِطُوا مِنْهَا جَمِيعًا فَإِمَّا يَأْتِيَنَّكُمْ مِنِّي هُدًى
فَمَنْ تَبِعَ هُدَايَ فَلا خَوْفٌ عَلَيْهِمْ وَلا هُمْ يَحْزَنُونَ
002.038 Qulna ihbitoo minha jameeAAan fa-imma
ya/tiyannakum minnee hudan faman tabiAAa hudaya fala
khawfun AAalayhim wala hum yahzanoona
|
2:38 Wij zeiden: "Daalt allen af uit haar
(het Paradijs). En zodra er van Mij Leiding tot jullie komt; wie dan
Mijn Leiding volgen: er zal geen vrees over hen komen en zij zullen niet
treuren".
|
| |
|
وَالَّذِينَ كَفَرُوا وَكَذَّبُوا بِآيَاتِنَا أُولَئِكَ أَصْحَابُ
النَّارِ هُمْ فِيهَا خَالِدُونَ
002.039 Waallatheena kafaroo wakaththaboo
bi-ayatina ola-ika as-habu alnnari
hum feeha khalidoona
|
2:39 Maar degenen die niet geloven en
Onze Verzen loochenen, diegenen zijn de bewoners van de hel, zij zijn
daarin eeuwig levenden.
|
| |
|
يَا بَنِي إِسْرَائِيلَ اذْكُرُوا نِعْمَتِيَ الَّتِي أَنْعَمْتُ
عَلَيْكُمْ وَأَوْفُوا بِعَهْدِي أُوفِ بِعَهْدِكُمْ وَإِيَّايَ
فَارْهَبُونِ
002.040 Ya banee isra-eela othkuroo
niAAmatiya allatee anAAamtu AAalaykum waawfoo biAAahdee oofi biAAahdikum
wa-iyyaya fairhabooni
|
2:40 O Kinderen van Israël! Gedenkt Mijn
gunst die Ik jullie geschonken heb en houdt jullie aan het verbond met
Mij, dan zal Ik Mij houden aan het verbond met jullie. En vreest daarom
alleen Mij.
|
| |
|
وَآمِنُوا بِمَا أَنْزَلْتُ مُصَدِّقًا لِمَا مَعَكُمْ وَلا تَكُونُوا
أَوَّلَ كَافِرٍ بِهِ وَلا تَشْتَرُوا بِآيَاتِي ثَمَنًا قَلِيلا
وَإِيَّايَ فَاتَّقُونِ
002.041 Waaminoo bima anzaltu musaddiqan lima
maAAakum wala takoonoo awwala kafirin bihi wala
tashtaroo bi-ayatee thamanan qaleelan wa-iyyaya faittaqooni
|
2:41 En gelooft in wat Ik aan jullie heb
neergezonden (de Kuran), als bevestiging van wat bij jullie is (de
Taurat en de Zaboer), en wees niet de eersten die daarin niet geloven.
En verruilt Mijn Verzen niet voor een geringe prijs. En vreest daarom
alleen Mij.
|
| |
|
وَلا تَلْبِسُوا الْحَقَّ بِالْبَاطِلِ وَتَكْتُمُوا الْحَقَّ وَأَنْتُمْ
تَعْلَمُونَ
002.042 Wala talbisoo alhaqqa bialbatili
wataktumoo alhaqqa waantum taAAlamoona
|
2:42 En vermengt de Waarheid niet met de
valsheid en verbergt de Waarheid niet terwijl jullie het weten.
|
| |
|
وَأَقِيمُوا الصَّلاةَ وَآتُوا الزَّكَاةَ وَارْكَعُوا مَعَ الرَّاكِعِينَ
002.043 Waaqeemoo alssalata waatoo alzzakata
wairkaAAoo maAAa alrrakiAAeena
|
2:43 En onderhoudt de shalat en geeft de
zakat en buigt samen met hen die buigen.
|
| |
|
أَتَأْمُرُونَ النَّاسَ بِالْبِرِّ وَتَنْسَوْنَ أَنْفُسَكُمْ وَأَنْتُمْ
تَتْلُونَ الْكِتَابَ أَفَلا تَعْقِلُونَ
002.044 Ata/muroona alnnasa bialbirri
watansawna anfusakum waantum tatloona alkitaba afala
taAAqiloona
|
2:44 Roepen jullie de mensen op tot
vroomheid en vergeten jullie jezelf, terwijl jullie de Schrift (Taurat)
voorlezen? Begrijpen jullie dan niet?
|
| |
|
وَاسْتَعِينُوا بِالصَّبْرِ وَالصَّلاةِ وَإِنَّهَا لَكَبِيرَةٌ إِلا عَلَى
الْخَاشِعِينَ
002.045 WaistaAAeenoo bialssabri waalssalati
wa-innaha lakabeeratun illa AAala alkhashiAAeena
|
2:45 En vraagt (Allah) om hulp door
middel ven geduld en de Shalat. En voorwaar, dat is zwaar, behalve voor
de ootmoedige.
|
| |
|
الَّذِينَ يَظُنُّونَ أَنَّهُمْ مُلاقُو رَبِّهِمْ وَأَنَّهُمْ إِلَيْهِ
رَاجِعُونَ
002.046 Allatheena yathunnoona annahum mulaqoo
rabbihim waannahum ilayhi rajiAAoona
|
2:46 (Zij zijn) degenen die ervan
overtuigd zijn dat zij hun Heer zullen ontmoeten en dat zij tot hem
zullen terugkeren.
|
| |
|
يَا بَنِي إِسْرَائِيلَ اذْكُرُوا نِعْمَتِيَ الَّتِي أَنْعَمْتُ
عَلَيْكُمْ وَأَنِّي فَضَّلْتُكُمْ عَلَى الْعَالَمِينَ
002.047 Ya banee isra-eela othkuroo
niAAmatiya allatee anAAamtu AAalaykum waannee faddaltukum AAala
alAAalameena
|
2:47 O Kinderen van Israël, gedenkt Mijn
gunst die Ik jullie heb geschonken, en dat Ik jullie heb bevoorrecht
boven de (andere) volkeren.
|
| |
|
وَاتَّقُوا يَوْمًا لا تَجْزِي نَفْسٌ عَنْ نَفْسٍ شَيْئًا وَلا يُقْبَلُ
مِنْهَا شَفَاعَةٌ وَلا يُؤْخَذُ مِنْهَا عَدْلٌ وَلا هُمْ يُنْصَرُونَ
002.048 Waittaqoo yawman la tajzee nafsun AAan
nafsin shay-an wala yuqbalu minha shafaAAatun wala
yu/khathu minha AAadlun wala hum yunsaroona
|
2:48 En vreest de Dag waarop geen ziel
een andere ziel ergens mee kan bijstaan, en er geen voorspraak van haar
aanvaard wordt en er geen losprijs van haar aangenomen wordt en zij niet
geholpen zullen worden.
|
| |
|
وَإِذْ نَجَّيْنَاكُمْ مِنْ آلِ فِرْعَوْنَ يَسُومُونَكُمْ سُوءَ
الْعَذَابِ يُذَبِّحُونَ أَبْنَاءَكُمْ وَيَسْتَحْيُونَ نِسَاءَكُمْ وَفِي
ذَلِكُمْ بَلاءٌ مِنْ رَبِّكُمْ عَظِيمٌ
002.049 Wa-ith najjaynakum min ali firAAawna
yasoomoonakum soo-a alAAathabi yuthabbihoona abnaakum
wayastahyoona nisaakum wafee thalikum balaon
min rabbikum AAatheemun
|
2:49 En (gedenkt) toen Wij jullie van
Farao's volgelingen redden, zij kwelden jullie met de zwaarste
foltering; zij slachtten jullie zonen af en lieten jullie dochters in
leven. Daarin was een geweldige beproeving van jullie Heer.
|
| |
|
وَإِذْ فَرَقْنَا بِكُمُ الْبَحْرَ فَأَنْجَيْنَاكُمْ وَأَغْرَقْنَا آلَ
فِرْعَوْنَ وَأَنْتُمْ تَنْظُرُونَ
002.050 Wa-ith faraqna bikumu albahra
faanjaynakum waaghraqna ala firAAawna waantum tanthuroona
|
2:50 En (gedenkt) toen Wij voor jullie de
zee kliefden waarmee Wij jullie redden en Farao's volgelingen deden
verdrinken, terwijl jullie toekeken.
|
| |
|
وَإِذْ وَاعَدْنَا مُوسَى أَرْبَعِينَ لَيْلَةً ثُمَّ اتَّخَذْتُمُ
الْعِجْلَ مِنْ بَعْدِهِ وَأَنْتُمْ ظَالِمُونَ
002.051 Wa-ith waAAadna moosa
arbaAAeena laylatan thumma ittakhathtumu alAAijla min baAAdihi
waantum thalimoona
|
2:51 En (gedenkt) toen Wij Mozes veertig
nachten beloofden, toen namen jullie het kalf aan (ter aanbidding) na
zijn vertrek, en jullie waren onrechtplegers.
|
| |
|
ثُمَّ عَفَوْنَا عَنْكُمْ مِنْ بَعْدِ ذَلِكَ لَعَلَّكُمْ تَشْكُرُونَ
002.052 Thumma AAafawna AAankum min baAAdi thalika
laAAallakum tashkuroona
|
2:52 Vervolgens vergaven Wij jullie
daarna, hopelijk zullen jullie dankbaar zijn.
|
| |
|
وَإِذْ آتَيْنَا مُوسَى الْكِتَابَ وَالْفُرْقَانَ لَعَلَّكُمْ تَهْتَدُونَ
002.053 Wa-ith atayna moosa alkitaba
waalfurqana laAAallakum tahtadoona
|
2:53 En (gedenkt) toen Wij Mozes dhae
Schrift (de Taurat) en de Foerqan gaven, hopelijk zullen jullie de
leiding volgen.
|
| |
|
وَإِذْ قَالَ مُوسَى لِقَوْمِهِ يَا قَوْمِ إِنَّكُمْ ظَلَمْتُمْ
أَنْفُسَكُمْ بِاتِّخَاذِكُمُ الْعِجْلَ فَتُوبُوا إِلَى بَارِئِكُمْ
فَاقْتُلُوا أَنْفُسَكُمْ ذَلِكُمْ خَيْرٌ لَكُمْ عِنْدَ بَارِئِكُمْ
فَتَابَ عَلَيْكُمْ إِنَّهُ هُوَ التَّوَّابُ الرَّحِيمُ
002.054 Wa-ith qala moosa liqawmihi ya
qawmi innakum thalamtum anfusakum biittikhathikumu
alAAijla fatooboo ila bari-ikum faoqtuloo
anfusakum thalikum khayrun lakum AAinda bari-ikum fataba
AAalaykum innahu huwa alttawwabu alrraheemu
|
2:54 En (gedenkt) toen Mozes tot zijn
volk zei: "O mijn volk! Voorwaar, jullie hebben jezelf onrecht aangedaan
doordat jullie het kalf (ter aanbidding) hebben genomen, wendt jullie
daarom in berouw tot jullie Schepper en doodt dan uzelf, dat is beter
voor jullie bij jullie Schepper". Toen aanvaardde Hij jullie berouw.
Voorwaar, Hij is de Meest Berouwaanvaardende, de Meest Barmhartige.
|
| |
|
وَإِذْ قُلْتُمْ يَا مُوسَى لَنْ نُؤْمِنَ لَكَ حَتَّى نَرَى اللَّهَ
جَهْرَةً فَأَخَذَتْكُمُ الصَّاعِقَةُ وَأَنْتُمْ تَنْظُرُونَ
002.055 Wa-ith qultum ya moosa lan nu/mina
laka hatta nara Allaha jahratan faakhathatkumu
alssaAAiqatu waantum tanthuroona
|
2:55 En (gedenkt) toen jullie zeiden: "O
Mozes, wij zullen jou niet geloven totdat wij Allah duidelijk (in Zijn
ware gestalte) zien", waarop de bliksem jullie greep, terwijl jullie
toekeken.
|
| |
|
ثُمَّ بَعَثْنَاكُمْ مِنْ بَعْدِ مَوْتِكُمْ لَعَلَّكُمْ تَشْكُرُونَ
002.056 Thumma baAAathnakum min baAAdi mawtikum
laAAallakum tashkuroona
|
2:56 Vervolgens wekken Wij jullie op na
jullie dood, hopelijk zullen jullie dankbaar zijn.
|
| |
|
وَظَلَّلْنَا عَلَيْكُمُ الْغَمَامَ وَأَنْزَلْنَا عَلَيْكُمُ الْمَنَّ
وَالسَّلْوَى كُلُوا مِنْ طَيِّبَاتِ مَا رَزَقْنَاكُمْ وَمَا ظَلَمُونَا
وَلَكِنْ كَانُوا أَنْفُسَهُمْ يَظْلِمُونَ
002.057 Wathallalna AAalaykumu alghamama
waanzalna AAalaykumu almanna waalssalwa kuloo min tayyibati
ma razaqnakum wama thalamoona
walakin kanoo anfusahum yathlimoona
|
2:57 En wij gaven jullie schaduw door
middel van de wolk en Wij deden Manna en kwartels voor jullie neerdalen.
Eet van de goede dingen waarmee Wij jullie hebben voorzien. Zij deden
Ons geen onrecht aan, maar zij deden zichzelf onrecht aan.
|
| |
|
وَإِذْ قُلْنَا ادْخُلُوا هَذِهِ الْقَرْيَةَ فَكُلُوا مِنْهَا حَيْثُ
شِئْتُمْ رَغَدًا وَادْخُلُوا الْبَابَ سُجَّدًا وَقُولُوا حِطَّةٌ
نَغْفِرْ لَكُمْ خَطَايَاكُمْ وَسَنَزِيدُ الْمُحْسِنِينَ
002.058 Wa-ith qulna odkhuloo hathihi
alqaryata fakuloo minha haythu shi/tum raghadan waodkhuloo
albaba sujjadan waqooloo hittatun naghfir lakum
khatayakum wasanazeedu almuhsineena
|
2:58 En (gedenkt) toen Wij zeiden: "Gaat
deze stad binnen en eet daarvan (het land) van de overvloed, zoveel als
jullie willen". Ga buigend de poort binnen en zegt: "Vergeving!" Wij
zullen jullie, jullie fouten vergeven, en Wij zullen vermeerden voor de
weldoeners".
|
| |
|
فَبَدَّلَ الَّذِينَ ظَلَمُوا قَوْلا غَيْرَ الَّذِي قِيلَ لَهُمْ
فَأَنْزَلْنَا عَلَى الَّذِينَ ظَلَمُوا رِجْزًا مِنَ السَّمَاءِ بِمَا
كَانُوا يَفْسُقُونَ
002.059 Fabaddala allatheena thalamoo qawlan
ghayra allathee qeela lahum faanzalna AAala allatheena
thalamoo rijzan mina alssama-i bima kanoo
yafsuqoona
|
2:59 Daarna verwisselden degenen die
onrecht pleegden het Woord met iets anders dan wat tot hen gezegd was en
daarom deden Wij op degenen die onrecht pleegden een plaag uit de hemel
neerkomen, vanwege de grote zonden die zij plachten te bedrijven.
|
| |
|
وَإِذِ اسْتَسْقَى مُوسَى لِقَوْمِهِ فَقُلْنَا اضْرِبْ بِعَصَاكَ
الْحَجَرَ فَانْفَجَرَتْ مِنْهُ اثْنَتَا عَشْرَةَ عَيْنًا قَدْ عَلِمَ
كُلُّ أُنَاسٍ مَشْرَبَهُمْ كُلُوا وَاشْرَبُوا مِنْ رِزْقِ اللَّهِ وَلا
تَعْثَوْا فِي الأرْضِ مُفْسِدِينَ
002.060 Wa-ithi istasqa moosa liqawmihi
faqulna idrib biAAasaka alhajara fainfajarat
minhu ithnata AAashrata AAaynan qad AAalima kullu onasin
mashrabahum kuloo waishraboo min rizqi Allahi wala
taAAthaw fee al-ardi mufsideena
|
2:60 En (gedenkt) toen Mozes water vroeg
voor zijn volk, waarop Wij zeiden: "Sla met je staf op de rots". Toen
ontsprongen daaruit twaalf bronnen. Waarlijk, elke stam kende zijn
drinkplaats. Eet en drinkt van Allah's voorzieningen. En doet geen kwaad
op aarde als verderfzaaiers.
|
| |
|
وَإِذْ قُلْتُمْ يَا مُوسَى لَنْ نَصْبِرَ عَلَى طَعَامٍ وَاحِدٍ فَادْعُ
لَنَا رَبَّكَ يُخْرِجْ لَنَا مِمَّا تُنْبِتُ الأرْضُ مِنْ بَقْلِهَا
وَقِثَّائِهَا وَفُومِهَا وَعَدَسِهَا وَبَصَلِهَا قَالَ أَتَسْتَبْدِلُونَ
الَّذِي هُوَ أَدْنَى بِالَّذِي هُوَ خَيْرٌ اهْبِطُوا مِصْرًا فَإِنَّ
لَكُمْ مَا سَأَلْتُمْ وَضُرِبَتْ عَلَيْهِمُ الذِّلَّةُ وَالْمَسْكَنَةُ
وَبَاءُوا بِغَضَبٍ مِنَ اللَّهِ ذَلِكَ بِأَنَّهُمْ كَانُوا يَكْفُرُونَ
بِآيَاتِ اللَّهِ وَيَقْتُلُونَ النَّبِيِّينَ بِغَيْرِ الْحَقِّ ذَلِكَ
بِمَا عَصَوْا وَكَانُوا يَعْتَدُونَ
002.061 Wa-ith qultum ya moosa lan nasbira
AAala taAAamin wahidin faodAAu lana
rabbaka yukhrij lana mimma tunbitu al-ardu min
baqliha waqiththa-iha wafoomiha waAAadasiha
wabasaliha qala atastabdiloona allathee
huwa adna biallathee huwa khayrun ihbitoo misran
fa-inna lakum ma saaltum waduribat AAalayhimu alththillatu
waalmaskanatu wabaoo bighadabin mina Allahi
thalika bi-annahum kanoo yakfuroona bi-ayati
Allahi wayaqtuloona alnnabiyyeena bighayri alhaqqi
thalika bima AAasaw wakanoo yaAAtadoona
|
2:61 En (gedenkt) toen jullie zeiden: "O
Mozes! Wij verdragen het niet om van één soort voedsel te leven, roep
daarom voor ons jouw Heer aan, opdat Hij voor ons voortbrengt van wat de
aarde doet groeien van haar groenten, haar komkommers, haar knoflook,
haar linzen en haar uien". Hij zei: "Willen jullie dat wat minderwaardig
is, nemen in plaats van het betere? Gaat naar een ander land, en
voorwaar, voor jullie zal er zijn wat jullie vroegen". En er werd over
hen vernedering en ellende gebracht en zij keerden terug onder de toorn
van Allah. Dat was omdat zij voortdurend Allah's Tekenen verwierpen en
de Profeten doodden, zonder het recht te hebben. Dit was omdat zij
opstandig waren en overtredingen plachten te begaan.
|
| |
|
إِنَّ الَّذِينَ آمَنُوا وَالَّذِينَ هَادُوا وَالنَّصَارَى
وَالصَّابِئِينَ مَنْ آمَنَ بِاللَّهِ وَالْيَوْمِ الآخِرِ وَعَمِلَ
صَالِحًا فَلَهُمْ أَجْرُهُمْ عِنْدَ رَبِّهِمْ وَلا خَوْفٌ عَلَيْهِمْ
وَلا هُمْ يَحْزَنُونَ
002.062 Inna allatheena amanoo waallatheena
hadoo waalnnasara waalssabi-eena
man amana biAllahi waalyawmi al-akhiri
waAAamila salihan falahum ajruhum AAinda rabbihim wala
khawfun AAalayhim wala hum yahzanoona
|
2:62 Voorwaar, degenen die geloven, en
degenen die het Jodendom belijden en de Christenen en de Sabiërs; (zij
allen) geloven in Allah en in de Laatste Dag, en zij verrichten goede
werken: voor hen is hun beloning bij hun Heer en geen vrees zal er over
hen zijn noch zullen zij treuren.
|
| |
|
وَإِذْ أَخَذْنَا مِيثَاقَكُمْ وَرَفَعْنَا فَوْقَكُمُ الطُّورَ خُذُوا مَا
آتَيْنَاكُمْ بِقُوَّةٍ وَاذْكُرُوا مَا فِيهِ لَعَلَّكُمْ تَتَّقُونَ
002.063 Wa-ith akhathna meethaqakum
warafaAAna fawqakumu alttoora khuthoo ma
ataynakum biquwwatin waothkuroo ma
feehi laAAallakum tattaqoona
|
2:63 En (gedenkt) toen Wij jullie belofte
aanvaardden en de (berg) Thoer boven jullie verhieven, (zeggend:)
"Houdt stevig vast aan wat Wij aan jullie gegeven hebben en gedenkt wat
er in staat, hopelijk zullen jullie (Allah) vrezen".
|
| |
|
ثُمَّ تَوَلَّيْتُمْ مِنْ بَعْدِ ذَلِكَ فَلَوْلا فَضْلُ اللَّهِ
عَلَيْكُمْ وَرَحْمَتُهُ لَكُنْتُمْ مِنَ الْخَاسِرِينَ
002.064 Thumma tawallaytum min baAAdi thalika falawla
fadlu Allahi AAalaykum warahmatuhu lakuntum mina
alkhasireena
|
2:64 Vervolgens wendden jullie je af, en
als er niet de gunst van Allah over jullie en Zijn Barmhartigheid was
geweest, dan zouden jullie zeker tot de verliezers behoren.
|
| |
|
وَلَقَدْ عَلِمْتُمُ الَّذِينَ اعْتَدَوْا مِنْكُمْ فِي السَّبْتِ
فَقُلْنَا لَهُمْ كُونُوا قِرَدَةً خَاسِئِينَ
002.065 Walaqad AAalimtumu allatheena iAAtadaw minkum fee alssabti
faqulna lahum koonoo qiradatan khasi-eena
|
2:65 En voorzeker, jullie kennen degenen
die in overtreding waren onder jullie (volk) betreffende de Sabbat, Wij
zeiden immers tot hen: "Wees verachte apen".
|
| |
|
فَجَعَلْنَاهَا نَكَالا لِمَا بَيْنَ يَدَيْهَا وَمَا خَلْفَهَا
وَمَوْعِظَةً لِلْمُتَّقِينَ
002.066 FajaAAalnaha nakalan lima
bayna yadayha wama khalfaha wamawAAithatan
lilmuttaqeena
|
2:66 Zo maakten Wij deze (bestraffing)
tot een waarschuwing voor die tijd en de tijd erna en een vermaning voor
de Moettaqoen.
|
| |
|
وَإِذْ قَالَ مُوسَى لِقَوْمِهِ إِنَّ اللَّهَ يَأْمُرُكُمْ أَنْ
تَذْبَحُوا بَقَرَةً قَالُوا أَتَتَّخِذُنَا هُزُوًا قَالَ أَعُوذُ
بِاللَّهِ أَنْ أَكُونَ مِنَ الْجَاهِلِينَ
002.067 Wa-ith qala moosa liqawmihi inna Allaha
ya/murukum an tathbahoo baqaratan qaloo atattakhithuna
huzuwan qala aAAoothu biAllahi an akoona mina aljahileena
|
2:67 En (gedenkt) toen Mozes tot zijn
volk zei: "Voorwaar, Allah beveelt jullie dat jullie een koe slachten".
Zij zeiden: "Maak jij ons tot (onderwerp van) bespotting"? Hij
antwoordde: "Ik zoek bescherming bij Allah dat ik tot de dommen zou
behoren".
|
| |
|
قَالُوا ادْعُ لَنَا رَبَّكَ يُبَيِّنْ لَنَا مَا هِيَ قَالَ إِنَّهُ
يَقُولُ إِنَّهَا بَقَرَةٌ لا فَارِضٌ وَلا بِكْرٌ عَوَانٌ بَيْنَ ذَلِكَ
فَافْعَلُوا مَا تُؤْمَرُونَ
002.068 Qaloo odAAu lana rabbaka yubayyin lana
ma hiya qala innahu yaqoolu innaha baqaratun la
faridun wala bikrun AAawanun bayna thalika
faifAAaloo ma tu/maroona
|
2:68 Zij zeiden: "Roep voor ons jouw Heer
aan, op dat Hij ons duidelijk maakt wat voor koe het moet zijn". Hij
zei: "Voorwaar, Hij zegt: Het is een koe die niet oud is en niet jong,
maar van een leeftijd daartussen'. Doe dan wat jullie bevolen is".
|
| |
|
قَالُوا ادْعُ لَنَا رَبَّكَ يُبَيِّنْ لَنَا مَا لَوْنُهَا قَالَ إِنَّهُ
يَقُولُ إِنَّهَا بَقَرَةٌ صَفْرَاءُ فَاقِعٌ لَوْنُهَا تَسُرُّ
النَّاظِرِينَ
002.069 Qaloo odAAu lana rabbaka yubayyin lana
ma lawnuha qala innahu yaqoolu innaha
baqaratun safrao faqiAAun lawnuha tasurru alnnathireena
|
2:69 Zij zeiden: "Roep voor ons jouw Heer
aan, opdat Hij ons duidelijk maakt wat haar kleur is. Hij zei: "Hij
zegt dat het een koe met een heldere gele kleur is, die de toeschouwers
verheugt".
|
| |
|
قَالُوا ادْعُ لَنَا رَبَّكَ يُبَيِّنْ لَنَا مَا هِيَ إِنَّ الْبَقَرَ
تَشَابَهَ عَلَيْنَا وَإِنَّا إِنْ شَاءَ اللَّهُ لَمُهْتَدُونَ
002.070 Qaloo odAAu lana rabbaka yubayyin lana
ma hiya inna albaqara tashabaha AAalayna wa-inna
in shaa Allahu lamuhtadoona
|
2:70 Zij zeiden: "Roep voor ons jouw Heer
aan, opdat Hij ons duidelijk maakt wat voor koe het moet zijn.
Voorwaar, voor ons lijken alle koeien op elkaar. En voorwaar, wij
zullen, als Allah het wil, tot de rechtgeleiden behoren".
|
| |
|
قَالَ إِنَّهُ يَقُولُ إِنَّهَا بَقَرَةٌ لا ذَلُولٌ تُثِيرُ الأرْضَ وَلا
تَسْقِي الْحَرْثَ مُسَلَّمَةٌ لا شِيَةَ فِيهَا قَالُوا الآنَ جِئْتَ
بِالْحَقِّ فَذَبَحُوهَا وَمَا كَادُوا يَفْعَلُونَ
002.071 Qala innahu yaqoolu innaha baqaratun la
thaloolun tutheeru al-arda wala tasqee alhartha
musallamatun la shiyata feeha qaloo al-ana
ji/ta bialhaqqi fathabahooha wama
kadoo yafAAaloona
|
2:71 Hij (Mozes) zei: "Hij zegt dat het
een koe is die niet bestemd is om de aarde om te ploegen of de akkers te
bevloeien, een gave, zonder vlek". Zij zeiden: "Nu ben je met de ware
beschrijving gekomen". Daarop slachtten zij haar, maar bijna hadden zij
het niet gedaan.
|
| |
|
وَإِذْ قَتَلْتُمْ نَفْسًا فَادَّارَأْتُمْ فِيهَا وَاللَّهُ مُخْرِجٌ مَا
كُنْتُمْ تَكْتُمُونَ
002.072 Wa-ith qataltum nafsan faiddara/tum
feeha waAllahu mukhrijun ma kuntum taktumoona
|
2:72 En (gedenkt) toen jullie een mens
doodden en met elkaar daarover redetwistten (over wie de moordenaar
was), en Allah is de Onthuller van wat jullie plachten te verbergen.
|
| |
|
فَقُلْنَا اضْرِبُوهُ بِبَعْضِهَا كَذَلِكَ يُحْيِي اللَّهُ الْمَوْتَى
وَيُرِيكُمْ آيَاتِهِ لَعَلَّكُمْ تَعْقِلُونَ
002.073 Faqulna idriboohu bibaAAdiha
kathalika yuhyee Allahu almawta wayureekum ayatihi
laAAallakum taAAqiloona
|
2:73 Toen zeiden Wij: "Slaat hem (de
dode) met een deel van haar (de koe)". Zo doet Allah de doden herleven
en toont Hij jullie Zijn Tekenen, hopelijk zullen jullie begrijpen.
|
| |
|
ثُمَّ قَسَتْ قُلُوبُكُمْ مِنْ بَعْدِ ذَلِكَ فَهِيَ كَالْحِجَارَةِ أَوْ
أَشَدُّ قَسْوَةً وَإِنَّ مِنَ الْحِجَارَةِ لَمَا يَتَفَجَّرُ مِنْهُ
الأنْهَارُ وَإِنَّ مِنْهَا لَمَا يَشَّقَّقُ فَيَخْرُجُ مِنْهُ الْمَاءُ
وَإِنَّ مِنْهَا لَمَا يَهْبِطُ مِنْ خَشْيَةِ اللَّهِ وَمَا اللَّهُ
بِغَافِلٍ عَمَّا تَعْمَلُونَ
002.074 Thumma qasat quloobukum min baAAdi thalika fahiya
kaalhijarati aw ashaddu qaswatan wa-inna mina alhijarati
lama yatafajjaru minhu al-anharu wa-inna minha lama
yashshaqqaqu fayakhruju minhu almao wa-inna minha lama
yahbitu min khashyati Allahi wama Allahu
bighafilin AAamma taAAmaloona
|
2:74 Toen verhardden jullie harten zich
daarna, zodat zij als steen werden of zelfs harder dan dat, want
voorwaar, er zijn stenen waaruit rivieren ontspringen en voorwaar, er
zijn stenen die splijten zodat er water uitstroomt, en er zijn er die
neervallen uit vrees voor Allah. En Allah is niet onachtzaam omtrent wat
jullie doen.
|
| |
|
أَفَتَطْمَعُونَ أَنْ يُؤْمِنُوا لَكُمْ وَقَدْ كَانَ فَرِيقٌ مِنْهُمْ
يَسْمَعُونَ كَلامَ اللَّهِ ثُمَّ يُحَرِّفُونَهُ مِنْ بَعْدِ مَا
عَقَلُوهُ وَهُمْ يَعْلَمُونَ
002.075 AfatatmaAAoona an yu/minoo lakum waqad kana
fareequn minhum yasmaAAoona kalama Allahi thumma yuharrifoonahu
min baAAdi ma AAaqaloohu wahum yaAAlamoona
|
2:75 Hopen jullie dan nog dat zij (de
Joden) in jullie (levensbeschouwing) zullen geloven, terwijl er waarlijk
een groep onder hen is, die het Woord van Allah heeft gehoord, en die
het verdraaiden nadat zij het begrepen hadden, terwijl zij het weten?
|
| |
|
وَإِذَا لَقُوا الَّذِينَ آمَنُوا قَالُوا آمَنَّا وَإِذَا خَلا بَعْضُهُمْ
إِلَى بَعْضٍ قَالُوا أَتُحَدِّثُونَهُمْ بِمَا فَتَحَ اللَّهُ عَلَيْكُمْ
لِيُحَاجُّوكُمْ بِهِ عِنْدَ رَبِّكُمْ أَفَلا تَعْقِلُونَ
002.076 Wa-itha laqoo allatheena amanoo qaloo
amanna wa-itha khala baAAduhum ila
baAAdin qaloo atuhaddithoonahum bima fataha
Allahu AAalaykum liyuhajjookum bihi AAinda rabbikum afala
taAAqiloona
|
2:76 En wanneer zij degenen die geloven
ontmoeten, zeggen zij: "Wij geloven", maar wanneer zij onder elkaar
zijn, dan zeggen zij: "Zullen jullie hun vertellen wat Allah aan jullie
openbaar heeft gemaakt, zodat zij het als argument tegen jullie zullen
gebruiken bij jullie Heer"? Begrijpen jullie dan niet?
|
| |
|
أَوَلا يَعْلَمُونَ أَنَّ اللَّهَ يَعْلَمُ مَا يُسِرُّونَ وَمَا
يُعْلِنُونَ
002.077 Awa la yaAAlamoona anna Allaha yaAAlamu ma
yusirroona wama yuAAlinoona
|
2:77 En weten zij niet dat Allah weet wat
zij verbergen en wat zij openlijk doen?
|
| |
|
وَمِنْهُمْ أُمِّيُّونَ لا يَعْلَمُونَ الْكِتَابَ إِلا أَمَانِيَّ وَإِنْ
هُمْ إِلا يَظُنُّونَ
002.078 Waminhum ommiyyoona la yaAAlamoona alkitaba
illa amaniyya wa-in hum illa yathunnoona
|
2:78 En er zijn ongeletterde onder hen
die de Schrift (de Taurat) niet kennen, behalve door kletspraat en zij
vermoeden slechts.
|
| |
|
فَوَيْلٌ لِلَّذِينَ يَكْتُبُونَ الْكِتَابَ بِأَيْدِيهِمْ ثُمَّ
يَقُولُونَ هَذَا مِنْ عِنْدِ اللَّهِ لِيَشْتَرُوا بِهِ ثَمَنًا قَلِيلا
فَوَيْلٌ لَهُمْ مِمَّا كَتَبَتْ أَيْدِيهِمْ وَوَيْلٌ لَهُمْ مِمَّا
يَكْسِبُونَ
002.079 Fawaylun lillatheena yaktuboona alkitaba
bi-aydeehim thumma yaqooloona hatha min AAindi Allahi
liyashtaroo bihi thamanan qaleelan fawaylun lahum mimma katabat
aydeehim wawaylun lahum mimma yaksiboona
|
2:79 Wee dan degenen die de Schrift met
hun eigen handen schrijven en vervolgens zeggen: "Dit komt van Allah".
Om het te verruilen voor iets van geringe waarde. Wee dan hen vanwege
wat hun handen geschreven hebben en wee hen vanwege wat zij verrichtten.
|
| |
|
وَقَالُوا لَنْ تَمَسَّنَا النَّارُ إِلا أَيَّامًا مَعْدُودَةً قُلْ
أَتَّخَذْتُمْ عِنْدَ اللَّهِ عَهْدًا فَلَنْ يُخْلِفَ اللَّهُ عَهْدَهُ
أَمْ تَقُولُونَ عَلَى اللَّهِ مَا لا تَعْلَمُونَ
002.080 Waqaloo lan tamassana alnnaru
illa ayyaman maAAdoodatan qul attakhathtum AAinda
Allahi AAahdan falan yukhlifa Allahu AAahdahu am
taqooloona AAala Allahi ma la taAAlamoona
|
2:80 En zij zeiden: "De Hel zal ons niet
aankraken, behalve een beperkt aantal dagen", Zeg (O Mohammed): "Hebben
jullie een belofte van Allah ontvangen"? Dan zal Allah Zijn belofte niet
verbreken. Of zeggen jullie over Allah iets wat jullie niet weten"?
|
| |
|
بَلَى مَنْ كَسَبَ سَيِّئَةً وَأَحَاطَتْ بِهِ خَطِيئَتُهُ فَأُولَئِكَ
أَصْحَابُ النَّارِ هُمْ فِيهَا خَالِدُونَ
002.081 Bala man kasaba sayyi-atan waahatat bihi
khatee-atuhu faola-ika as-habu alnnari
hum feeha khalidoona
|
2:81 Welzeker, degenen die slechte daden
verrichten, en door hun zonden omsloten zijn, diegenen dan, zijn de
bewoners van de Hel. Zij zijn daarin eeuwig levenden.
|
| |
|
وَالَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ أُولَئِكَ أَصْحَابُ
الْجَنَّةِ هُمْ فِيهَا خَالِدُونَ
002.082 Waallatheena amanoo waAAamiloo alssalihati
ola-ika as-habu aljannati hum feeha khalidoona
|
2:82 Maar degenen die geloven en goede
werken verrichten, zij zijn degenen die de bewoners van het Paradijs
zijn. Zij zijn daarin eeuwig levenden.
|
| |
|
وَإِذْ أَخَذْنَا مِيثَاقَ بَنِي إِسْرَائِيلَ لا تَعْبُدُونَ إِلا اللَّهَ
وَبِالْوَالِدَيْنِ إِحْسَانًا وَذِي الْقُرْبَى وَالْيَتَامَى
وَالْمَسَاكِينِ وَقُولُوا لِلنَّاسِ حُسْنًا وَأَقِيمُوا الصَّلاةَ
وَآتُوا الزَّكَاةَ ثُمَّ تَوَلَّيْتُمْ إِلا قَلِيلا مِنْكُمْ وَأَنْتُمْ
مُعْرِضُونَ
002.083 Wa-ith akhathna meethaqa
banee isra-eela la taAAbudoona illa Allaha
wabialwalidayni ihsanan wathee alqurba
waalyatama waalmasakeeni waqooloo lilnnasi
husnan waaqeemoo alssalata waatoo alzzakata
thumma tawallaytum illa qaleelan minkum waantum muAAridoona
|
2:83 En (gedenkt) toen Wij het verbond
van de Kinderen van Israël aanvaardden (zeggent): "Aanbidt niets dan
Allah, en betracht goedheid jegens de ouders, en de verwant, en de wees,
en de behoeftige, en spreekt het goede tot de mensen en onderhoudt de
shalat en geeft de zakat". Vervolgens ontrokken jullie je er aan,
behalve een klein aantal van jullie, terwijl jullie je afwendden.
|
| |
|
وَإِذْ أَخَذْنَا مِيثَاقَكُمْ لا تَسْفِكُونَ دِمَاءَكُمْ وَلا
تُخْرِجُونَ أَنْفُسَكُمْ مِنْ دِيَارِكُمْ ثُمَّ أَقْرَرْتُمْ وَأَنْتُمْ
تَشْهَدُونَ
002.084 Wa-ith akhathna meethaqakum la
tasfikoona dimaakum wala tukhrijoona anfusakum min diyarikum
thumma aqrartum waantum tashhadoona
|
2:84 En (gedenkt) toen Wij jullie verbond
aanvaardden: "Vergiet elkaars bloed niet en verdrijft elkaar niet uit
jullie woonplaatsen". Daarop bevestigden jullie (dat) en jullie
getuigden (daarvan).
|
| |
|
ثُمَّ أَنْتُمْ هَؤُلاءِ تَقْتُلُونَ أَنْفُسَكُمْ وَتُخْرِجُونَ فَرِيقًا
مِنْكُمْ مِنْ دِيَارِهِمْ تَظَاهَرُونَ عَلَيْهِمْ بِالإثْمِ
وَالْعُدْوَانِ وَإِنْ يَأْتُوكُمْ أُسَارَى تُفَادُوهُمْ وَهُوَ مُحَرَّمٌ
عَلَيْكُمْ إِخْرَاجُهُمْ أَفَتُؤْمِنُونَ بِبَعْضِ الْكِتَابِ
وَتَكْفُرُونَ بِبَعْضٍ فَمَا جَزَاءُ مَنْ يَفْعَلُ ذَلِكَ مِنْكُمْ إِلا
خِزْيٌ فِي الْحَيَاةِ الدُّنْيَا وَيَوْمَ الْقِيَامَةِ يُرَدُّونَ إِلَى
أَشَدِّ الْعَذَابِ وَمَا اللَّهُ بِغَافِلٍ عَمَّا تَعْمَلُونَ
002.085 Thumma antum haola-i taqtuloona anfusakum
watukhrijoona fareeqan minkum min diyarihim tathaharoona
AAalayhim bial-ithmi waalAAudwani wa-in ya/tookum
osara tufadoohum wahuwa muharramun AAalaykum
ikhrajuhum afatu/minoona bibaAAdi alkitabi
watakfuroona bibaAAdin fama jazao man yafAAalu thalika
minkum illa khizyun fee alhayati alddunya
wayawma alqiyamati yuraddoona ila ashaddi alAAathabi
wama Allahu bighafilin AAamma taAAmaloona
|
2:85 Daarna zijn jullie (Joden) degenen
geworden die elkaar doden en een deel van jullie eigen volk uit hun
woonplaatsen verdrijven, jullie steunen elkaar in zondigheid en
vijandschap. En wanneer zij (andere Joden) tot jullie komen als
gevangenen, dan kopen jullie hen vrij, terwijl het jullie verboden is
hen te verdrijven. Geloven jullie in een gedeelte van de Schrift en in
een ander gedeelte niet? Er is geen beloning voor wie van jullie zo
handelen, maar vernedering in het aardse leven en op de Dag der
Opstanding zullen zij worden teruggevoerd tot de zwaarste bestraffing.
En Allah is niet onachtzaam omtrent wat jullie doen.
|
| |
|
أُولَئِكَ الَّذِينَ اشْتَرَوُا الْحَيَاةَ الدُّنْيَا بِالآخِرَةِ فَلا
يُخَفَّفُ عَنْهُمُ الْعَذَابُ وَلا هُمْ يُنْصَرُونَ
002.086 Ola-ika allatheena ishtarawoo alhayata
alddunya bial-akhirati fala
yukhaffafu AAanhumu alAAathabu wala hum yunsaroona
|
2:86 Zij zijn degenen die het aardse
leven voor het Hiernamaals hebben verruild. De bestraffing zal voor hen
niet verlichts worden en zij zullen niet geholpen worden.
|
| |
|
وَلَقَدْ آتَيْنَا مُوسَى الْكِتَابَ وَقَفَّيْنَا مِنْ بَعْدِهِ
بِالرُّسُلِ وَآتَيْنَا عِيسَى ابْنَ مَرْيَمَ الْبَيِّنَاتِ
وَأَيَّدْنَاهُ بِرُوحِ الْقُدُسِ أَفَكُلَّمَا جَاءَكُمْ رَسُولٌ بِمَا لا
تَهْوَى أَنْفُسُكُمُ اسْتَكْبَرْتُمْ فَفَرِيقًا كَذَّبْتُمْ وَفَرِيقًا
تَقْتُلُونَ
002.087 Walaqad atayna moosa alkitaba
waqaffayna min baAAdihi bialrrusuli waatayna
AAeesa ibna maryama albayyinati waayyadnahu biroohi
alqudusi afakullama jaakum rasoolun bima la
tahwa anfusukumu istakbartum fafareeqan kaththabtum
wafareeqan taqtuloona
|
2:87 En Wij hebben Mozes voorzeker het
Boek gegeven en Wij deden na hem de Boodschappers volgen. En Wij gaven
isa, de zoon van Maryam, de duidelijke bewijzen. En Wij versterkten hem
met de heilige Geest (Djibril). Is het dan zo dat telkens wanneer er een
Boodschapper tot jullie kwam met wat niet in overeenstemming was met
jullie begeerten, jullie hooghartig werden en jullie een aantal van hen
loochenden en anderen doodden?
|
| |
|
وَقَالُوا قُلُوبُنَا غُلْفٌ بَلْ لَعَنَهُمُ اللَّهُ بِكُفْرِهِمْ
فَقَلِيلا مَا يُؤْمِنُونَ
002.088 Waqaloo quloobuna ghulfun bal laAAanahumu
Allahu bikufrihim faqaleelan ma yu/minoona
|
2:88 En zij zeggen: "Onze harten zijn
bedekt". Nee! Allah heeft hen vervloekt vanwege hun ongeloof. Weinigen
zijn het daarom die geloven.
|
| |
|
وَلَمَّا جَاءَهُمْ كِتَابٌ مِنْ عِنْدِ اللَّهِ مُصَدِّقٌ لِمَا مَعَهُمْ
وَكَانُوا مِنْ قَبْلُ يَسْتَفْتِحُونَ عَلَى الَّذِينَ كَفَرُوا فَلَمَّا
جَاءَهُمْ مَا عَرَفُوا كَفَرُوا بِهِ فَلَعْنَةُ اللَّهِ عَلَى
الْكَافِرِينَ
002.089 Walamma jaahum kitabun min AAindi
Allahi musaddiqun lima maAAahum wakanoo min
qablu yastaftihoona AAala allatheena kafaroo falamma
jaahum ma AAarafoo kafaroo bihi falaAAnatu Allahi
AAala alkafireena
|
2:89 En wanneer er een boek tot hen komt
van Allah, bevestigend wat zich bij hen bevindt, terwijl zij daarvoor om
hulp hadden gevraagd tegen degenen die niet geloven: toen dan tot hen
kwam wat zij al wisten, geloofden zij er niet in. De vloek van Allah
vloek rust daarom op de ongelovigen.
|
| |
|
بِئْسَمَا اشْتَرَوْا بِهِ أَنْفُسَهُمْ أَنْ يَكْفُرُوا بِمَا أَنْزَلَ
اللَّهُ بَغْيًا أَنْ يُنَزِّلَ اللَّهُ مِنْ فَضْلِهِ عَلَى مَنْ يَشَاءُ
مِنْ عِبَادِهِ فَبَاءُوا بِغَضَبٍ عَلَى غَضَبٍ وَلِلْكَافِرِينَ عَذَابٌ
مُهِينٌ
002.090 Bi/sama ishtaraw bihi anfusahum an yakfuroo bima
anzala Allahu baghyan an yunazzila Allahu min fadlihi
AAala man yashao min AAibadihi fabaoo bighadabin
AAala ghadabin walilkafireena AAathabun
muheenun
|
2:90 Slecht is het, waarvoor zij hun
zielen verkocht hebben; dat zij niet geloven in wat Allah heeft
neergezonden; uit afgunst, dat Allah zijn gunst neerzendt tot wie hij
wil van zijn dienaren. Zo wenden zij zich van toorn tot toorn. En voor
de ongelovigen is er een vernederende bestraffing.
|
| |
|
وَإِذَا قِيلَ لَهُمْ آمِنُوا بِمَا أَنْزَلَ اللَّهُ قَالُوا نُؤْمِنُ
بِمَا أُنْزِلَ عَلَيْنَا وَيَكْفُرُونَ بِمَا وَرَاءَهُ وَهُوَ الْحَقُّ
مُصَدِّقًا لِمَا مَعَهُمْ قُلْ فَلِمَ تَقْتُلُونَ أَنْبِيَاءَ اللَّهِ
مِنْ قَبْلُ إِنْ كُنْتُمْ مُؤْمِنِينَ
002.091 Wa-itha qeela lahum aminoo bima
anzala Allahu qaloo nu/minu bima onzila AAalayna
wayakfuroona bima waraahu wahuwa alhaqqu musaddiqan
lima maAAahum qul falima taqtuloona anbiyaa Allahi
min qablu in kuntum mu/mineena
|
2:91 En als er tot hen gezegd wordt:
"Gelooft in wat Allah heeft neergezonden", zeggen zij: "Wij geloven in
wat aan ons is neergezonden". En zij geloven niet in wat erna is
(neergezonden), terwijl het de waarheid is, bevestigend wat zich bij hen
bevindt. Zeg (O Mohammed): "Waarom hebben jullie dan vroeger de
profeten van Allah gedood, als jullie gelovigen zijn"?
|
| |
|
وَلَقَدْ جَاءَكُمْ مُوسَى بِالْبَيِّنَاتِ ثُمَّ اتَّخَذْتُمُ الْعِجْلَ
مِنْ بَعْدِهِ وَأَنْتُمْ ظَالِمُونَ
002.092 Walaqad jaakum moosa bialbayyinati
thumma ittakhathtumu alAAijla min baAAdihi waantum thalimoona
|
2:92 en voorzeker, Mozes is tot jullie
gekomen met de duidelijk bewijzen, waarop jullie het kalf (ter
aanbidding) namen nadat hij was weggegaan. En jullie waren
onrechtplegers.
|
| |
|
وَإِذْ أَخَذْنَا مِيثَاقَكُمْ وَرَفَعْنَا فَوْقَكُمُ الطُّورَ خُذُوا مَا
آتَيْنَاكُمْ بِقُوَّةٍ وَاسْمَعُوا قَالُوا سَمِعْنَا وَعَصَيْنَا
وَأُشْرِبُوا فِي قُلُوبِهِمُ الْعِجْلَ بِكُفْرِهِمْ قُلْ بِئْسَمَا
يَأْمُرُكُمْ بِهِ إِيمَانُكُمْ إِنْ كُنْتُمْ مُؤْمِنِينَ
002.093 Wa-ith akhathna meethaqakum
warafaAAna fawqakumu alttoora khuthoo ma
ataynakum biquwwatin waismaAAoo qaloo
samiAAna waAAasayna waoshriboo fee quloobihimu
alAAijla bikufrihim qul bi/sama ya/murukum bihi eemanukum
in kuntum mu/mineena
|
2:93 En (gedenkt) toen Wij jullie verbond
aanvaardden den Wij de (berg) Thoer boven jullie verhieven, (zeggend:)
"Houdt jullie stevig vast aan wat Wij jullie gegeven hebben en
luistert". Zij zeiden: "Wij hebben geluisterd, maar wij gehoorzamen
niet". En hun harten waren doordrenkt met (liefde voor) het kalf vanwege
hun ongeloof. Zeg (O Mohammed): "Slecht is het waartoe jullie
(vervalste) geloof jullie oproept, als jullie gelovigen zijn (in de
Taurat geloven)".
|
| |
|
قُلْ إِنْ كَانَتْ لَكُمُ الدَّارُ الآخِرَةُ عِنْدَ اللَّهِ خَالِصَةً
مِنْ دُونِ النَّاسِ فَتَمَنَّوُا الْمَوْتَ إِنْ كُنْتُمْ صَادِقِينَ
002.094 Qul in kanat lakumu alddaru al-akhiratu
AAinda Allahi khalisatan min dooni alnnasi
fatamannawoo almawta in kuntum sadiqeena
|
2:94 Zeg: "Als het Huis van het
Hiernamaals zij Allah alleen maar voor jullie is, met uitzondering van
de andere mensen: wenst dan de dood, als jullie waarachtig zijn".
|
| |
|
وَلَنْ يَتَمَنَّوْهُ أَبَدًا بِمَا قَدَّمَتْ أَيْدِيهِمْ وَاللَّهُ
عَلِيمٌ بِالظَّالِمِينَ
002.095 Walan yatamannawhu abadan bima qaddamat aydeehim
waAllahu AAaleemun bialththalimeena
|
2:95 Maar zij zullen hem (de dood) nooit
wensen, vanwege wat hun handen (aan zonden) hebben voortgebracht. En
Allah kent de onrechtplegers.
|
| |
|
وَلَتَجِدَنَّهُمْ أَحْرَصَ النَّاسِ عَلَى حَيَاةٍ وَمِنَ الَّذِينَ
أَشْرَكُوا يَوَدُّ أَحَدُهُمْ لَوْ يُعَمَّرُ أَلْفَ سَنَةٍ وَمَا هُوَ
بِمُزَحْزِحِهِ مِنَ الْعَذَابِ أَنْ يُعَمَّرَ وَاللَّهُ بَصِيرٌ بِمَا
يَعْمَلُونَ
002.096 Walatajidannahum ahrasa alnnasi
AAala hayatin wamina allatheena ashrakoo
yawaddu ahaduhum law yuAAammaru alfa sanatin wama huwa
bimuzahzihihi mina alAAathabi an yuAAammara waAllahu
baseerun bima yaAAmaloona
|
2:96 En jij zult hen zeker bevinden als
de mensen die het meest begerig zijn naar het (wereldse) leven, meer nog
dan degenen die deelgenoten (aan Allah) toekennen. Elk van hen zou wel
een leeftijd van duizend jaren gegeven willen worden. Maar hij zou
daardoor niet (kunnen) vluchten voor de bestraffing, door de verlenging
van zijn leeftijd. En Allah ziet toe op wat zij doen.
|
| |
|
قُلْ مَنْ كَانَ عَدُوًّا لِجِبْرِيلَ فَإِنَّهُ نَزَّلَهُ عَلَى قَلْبِكَ
بِإِذْنِ اللَّهِ مُصَدِّقًا لِمَا بَيْنَ يَدَيْهِ وَهُدًى وَبُشْرَى
لِلْمُؤْمِنِينَ
002.097 Qul man kana AAaduwwan lijibreela fa-innahu
nazzalahu AAala qalbika bi-ithni Allahi musaddiqan
lima bayna yadayhi wahudan wabushra lilmu/mineena
|
2:97 Zeg (O Mohammed): "Wie een vijand
van Djibril is: voorwaar, hij heeft hem (de Kuran) in jouw hart
neergezonden, met toestemming van Allah, als een bevestiging van wat er
voor (geopenbaard) was, en als Leiding en als een verheugende tijding
voor de gelovigen".
|
| |
|
مَنْ كَانَ عَدُوًّا لِلَّهِ وَمَلائِكَتِهِ وَرُسُلِهِ وَجِبْرِيلَ
وَمِيكَالَ فَإِنَّ اللَّهَ عَدُوٌّ لِلْكَافِرِينَ
002.098 Man kana AAaduwwan lillahi wamala-ikatihi
warusulihi wajibreela wameekala fa-inna Allaha AAaduwwun
lilkafireena
|
2:98 En wie een vijand van Allah is en
van zijn Engelen en van zijn boodschappers en van Djibril en van
Mika'il: voorwaar, Allah is een vijand van de ongelovigen.
|
| |
|
وَلَقَدْ أَنْزَلْنَا إِلَيْكَ آيَاتٍ بَيِّنَاتٍ وَمَا يَكْفُرُ بِهَا
إِلا الْفَاسِقُونَ
002.099 Walaqad anzalna ilayka ayatin bayyinatin
wama yakfuru biha illa alfasiqoona
|
2:99 En voorzeker, wij hebben duidelijke
verzen tot jou neergezonden. En alleen de zwaar zondigen geloven er niet
in.
|
| |
|
أَوَكُلَّمَا عَاهَدُوا عَهْدًا نَبَذَهُ فَرِيقٌ مِنْهُمْ بَلْ
أَكْثَرُهُمْ لا يُؤْمِنُونَ
002.100 Awa kullama AAahadoo AAahdan nabathahu
fareequn minhum bal aktharuhum la yu/minoona
|
2:100 Is het niet zo dat telkens wanneer
zij (de ongelovigen) een verbintenis aangingen, zij die (later) van zich
afwierpen? Maar de meeste van hen geloven niet.
|
| |
|
وَلَمَّا جَاءَهُمْ رَسُولٌ مِنْ عِنْدِ اللَّهِ مُصَدِّقٌ لِمَا مَعَهُمْ
نَبَذَ فَرِيقٌ مِنَ الَّذِينَ أُوتُوا الْكِتَابَ كِتَابَ اللَّهِ وَرَاءَ
ظُهُورِهِمْ كَأَنَّهُمْ لا يَعْلَمُونَ
002.101 Walamma jaahum rasoolun min AAindi Allahi
musaddiqun lima maAAahum nabatha fareequn mina
allatheena ootoo alkitaba kitaba Allahi waraa
thuhoorihim kaannahum la yaAAlamoona
|
2:101 En toen er tot hen een boodschapper
van Allah was gekomen, bevestigend wat bij hen bevond, wierp een groep
van degenen aan wie de Schrift(de Taurat) gegeven was, het boek van
Allah achter hun ruggen, alsof zij niet wisten.
|
| |
|
وَاتَّبَعُوا مَا تَتْلُو الشَّيَاطِينُ عَلَى مُلْكِ سُلَيْمَانَ وَمَا
كَفَرَ سُلَيْمَانُ وَلَكِنَّ الشَّيَاطِينَ كَفَرُوا يُعَلِّمُونَ
النَّاسَ السِّحْرَ وَمَا أُنْزِلَ عَلَى الْمَلَكَيْنِ بِبَابِلَ هَارُوتَ
وَمَارُوتَ وَمَا يُعَلِّمَانِ مِنْ أَحَدٍ حَتَّى يَقُولا إِنَّمَا
نَحْنُ فِتْنَةٌ فَلا تَكْفُرْ فَيَتَعَلَّمُونَ مِنْهُمَا مَا
يُفَرِّقُونَ بِهِ بَيْنَ الْمَرْءِ وَزَوْجِهِ وَمَا هُمْ بِضَارِّينَ
بِهِ مِنْ أَحَدٍ إِلا بِإِذْنِ اللَّهِ وَيَتَعَلَّمُونَ مَا يَضُرُّهُمْ
وَلا يَنْفَعُهُمْ وَلَقَدْ عَلِمُوا لَمَنِ اشْتَرَاهُ مَا لَهُ فِي
الآخِرَةِ مِنْ خَلاقٍ وَلَبِئْسَ مَا شَرَوْا بِهِ أَنْفُسَهُمْ لَوْ
كَانُوا يَعْلَمُونَ
002.102 WaittabaAAoo ma tatloo alshshayateenu
AAala mulki sulaymana wama kafara sulaymanu
walakinna alshshayateena kafaroo yuAAallimoona alnnasa
alssihra wama onzila AAala almalakayni bibabila
haroota wamaroota wama yuAAallimani min ahadin
hatta yaqoola innama nahnu fitnatun
fala takfur fayataAAallamoona minhuma ma
yufarriqoona bihi bayna almar-i wazawjihi wama hum bidarreena
bihi min ahadin illa bi-ithni Allahi
wayataAAallamoona ma yadurruhum wala yanfaAAuhum
walaqad AAalimoo lamani ishtarahu ma lahu fee al-akhirati
min khalaqin walabi/sa ma sharaw bihi anfusahum law kanoo
yaAAlamoona
|
2:102 En zij volgden wat de satans
voorlazen ten tijde van Soelaiman 's koninkrijk en Soelaiman was niet
ongelovig, maar de satans waren ongelovig, zij onderwezen de mensen
tovenarij (Sihr) en wat was neergezonden te Babel aan de twee Engelen
Haroet en Maroet. En geen van beiden gaven onderricht, zonder dat zij
zeiden: "Voorwaar, wij zijn slechts een beproeving, wees daarom niet
ongelovig". Zo onderwezen zij hen(tovenarij), waardoor zij een scheiding
veroorzaakten tussen een man en zijn echtgenote. En zij schaadden
daarmee niemand, behalve met toestemming van Allah. En zij (de mensen)
leerden wat hen schaadde en hen niet baatte. En voorzeker, zij wisten
dat, wie dat(tovenarij) koopt, geen aandeel zal hebben in het
Hiernamaals. En slecht is het waarvoor zij hun zielen verkochten, als
zij het maar wisten.
|
| |
|
وَلَوْ أَنَّهُمْ آمَنُوا وَاتَّقَوْا لَمَثُوبَةٌ مِنْ عِنْدِ اللَّهِ
خَيْرٌ لَوْ كَانُوا يَعْلَمُونَ
002.103 Walaw annahum amanoo waittaqaw
lamathoobatun min AAindi Allahi khayrun law kanoo
yaAAlamoona
|
2:103 En als zij hadden geloofd en Allah
hadden gevreesd, dan zou (hun) beloning van bij Allah beter geweest
zijn. Als zij het maar wisten.
|
| |
|
يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لا تَقُولُوا رَاعِنَا وَقُولُوا
انْظُرْنَا وَاسْمَعُوا وَلِلْكَافِرِينَ عَذَابٌ أَلِيمٌ
002.104 Ya ayyuha allatheena amanoo la
taqooloo raAAina waqooloo onthurna
waismaAAoo walilkafireena AAathabun aleemun
|
2:104 O jullie die geloven, zeg niet:
"ra'ina", maar zegt: "Oenzhoerna", en luistert. En voor de ongelovigen
is er een pijnlijke bestraffing.
|
| |
|
مَا يَوَدُّ الَّذِينَ كَفَرُوا مِنْ أَهْلِ الْكِتَابِ وَلا
الْمُشْرِكِينَ أَنْ يُنَزَّلَ عَلَيْكُمْ مِنْ خَيْرٍ مِنْ رَبِّكُمْ
وَاللَّهُ يَخْتَصُّ بِرَحْمَتِهِ مَنْ يَشَاءُ وَاللَّهُ ذُو الْفَضْلِ
الْعَظِيمِ
002.105 Ma yawaddu allatheena kafaroo min ahli
alkitabi wala almushrikeena an yunazzala AAalaykum min
khayrin min rabbikum waAllahu yakhtassu birahmatihi
man yashao waAllahu thoo alfadli
alAAatheemi
|
2:105 Degenen die ongelovig zijn onder de
Lieden van het schrift (de Joden en de christenen) en de
veelgodenaanbidders, wensen niet dat er iets goeds aan jullie wordt
neergezonden van jullie Heer. Maar Allah verkiest voor Zijn
Barmhartigheid wie Hij wil en Allah is de bezitter van de Geweldige Gunst.
|
| |
|
مَا نَنْسَخْ مِنْ آيَةٍ أَوْ نُنْسِهَا نَأْتِ بِخَيْرٍ مِنْهَا أَوْ
مِثْلِهَا أَلَمْ تَعْلَمْ أَنَّ اللَّهَ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ
002.106 Ma nansakh min ayatin aw nunsiha
na/ti bikhayrin minha aw mithliha alam taAAlam anna Allaha
AAala kulli shay-in qadeerun
|
2:106 Welk vers Wij ook afschaffen of
doen vergeten; Wij brengen er iets beters voor in de plaats, of iets wat
daaraan gelijk is. Weet jij niet dat Allah macht heeft over alle
dingen?
|
| |
|
أَلَمْ تَعْلَمْ أَنَّ اللَّهَ لَهُ مُلْكُ السَّمَاوَاتِ وَالأرْضِ وَمَا
لَكُمْ مِنْ دُونِ اللَّهِ مِنْ وَلِيٍّ وَلا نَصِيرٍ
002.107 Alam taAAlam anna Allaha lahu mulku alssamawati
waal-ardi wama lakum min dooni Allahi min
waliyyin wala naseerin
|
2:107 Weet jij niet dat aan Allah de
heerschappij van de hemelen en de aarde behoort? En er is voor jullie
buiten Allah geen helper en geen beschermer.
|
| |
|
أَمْ تُرِيدُونَ أَنْ تَسْأَلُوا رَسُولَكُمْ كَمَا سُئِلَ مُوسَى مِنْ
قَبْلُ وَمَنْ يَتَبَدَّلِ الْكُفْرَ بِالإيمَانِ فَقَدْ ضَلَّ سَوَاءَ
السَّبِيلِ
002.108 Am tureedoona an tas-aloo rasoolakum kama su-ila
moosa min qablu waman yatabaddali alkufra bial-eemani
faqad dalla sawaa alssabeeli
|
2:108 Of willen jullie je Boodschapper
ondervragen zoals Mozes vroeger (werd ondervraagd)? En wie ongeloof in
ruil neemt voor geloof, die is afgedwaald van het juiste pad.
|
| |
|
وَدَّ كَثِيرٌ مِنْ أَهْلِ الْكِتَابِ لَوْ يَرُدُّونَكُمْ مِنْ بَعْدِ
إِيمَانِكُمْ كُفَّارًا حَسَدًا مِنْ عِنْدِ أَنْفُسِهِمْ مِنْ بَعْدِ مَا
تَبَيَّنَ لَهُمُ الْحَقُّ فَاعْفُوا وَاصْفَحُوا حَتَّى يَأْتِيَ اللَّهُ
بِأَمْرِهِ إِنَّ اللَّهَ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ
002.109 Wadda katheerun min ahli alkitabi law
yaruddoonakum min baAAdi eemanikum kuffaran hasadan
min AAindi anfusihim min baAAdi ma tabayyana lahumu alhaqqu
faoAAfoo waisfahoo hatta
ya/tiya Allahu bi-amrihi inna Allaha AAala kulli
shay-in qadeerun
|
2:109 Velen onder de lieden van het
schrift wensen dat zij jullie, nadat jullie tot geloof zijn gekomen,
weer tot ongelovigen zouden kunnen maken, uit afgunst die onder hen
leeft, nadat voor hen de waarheid duidelijk was geworden. Maar vergeeft
hen en laat hen maar begaan, totdat Allah komt met zijn bevel. Voorwaar,
Allah is Almachtig over alle zaken.
|
| |
|
وَأَقِيمُوا الصَّلاةَ وَآتُوا الزَّكَاةَ وَمَا تُقَدِّمُوا لأنْفُسِكُمْ
مِنْ خَيْرٍ تَجِدُوهُ عِنْدَ اللَّهِ إِنَّ اللَّهَ بِمَا تَعْمَلُونَ
بَصِيرٌ
002.110 Waaqeemoo alssalata waatoo alzzakata
wama tuqaddimoo li-anfusikum min khayrin tajidoohu AAinda Allahi
inna Allaha bima taAAmaloona baseerun
|
2:110 En onderhoudt de shalat en geeft de
zakat en wat jullie hebben vooruit gezonden aan goede daden voor
jezelf, jullie zullen het bij Allah aantreffen. Voorwaar, Allah is
Alziende over was jullie doen.
|
| |
|
وَقَالُوا لَنْ يَدْخُلَ الْجَنَّةَ إِلا مَنْ كَانَ هُودًا أَوْ نَصَارَى
تِلْكَ أَمَانِيُّهُمْ قُلْ هَاتُوا بُرْهَانَكُمْ إِنْ كُنْتُمْ
صَادِقِينَ
002.111 Waqaloo lan yadkhula aljannata illa man kana
hoodan aw nasara tilka amaniyyuhum qul hatoo
burhanakum in kuntum sadiqeena
|
2:111 En zij(de joden en de Christenen)
zeiden: "Niemand zal het Paradijs binnengaan, behalve wie jood of
christen was". Dat zijn hun eigen wensen. Zeg: " Brengt jullie bewijzen,
als jullie waarachtig zijn".
|
| |
|
بَلَى مَنْ أَسْلَمَ وَجْهَهُ لِلَّهِ وَهُوَ مُحْسِنٌ فَلَهُ أَجْرُهُ
عِنْدَ رَبِّهِ وَلا خَوْفٌ عَلَيْهِمْ وَلا هُمْ يَحْزَنُونَ
002.112 Bala man aslama wajhahu lillahi wahuwa muhsinun
falahu ajruhu AAinda rabbihi wala khawfun AAalayhim wala
hum yahzanoona
|
2:112 Welzeker! Wie zich volledig in
overgave wendt tot Allah en die een weldoener is, voor hem is zijn
beloning bij zijn Heer. Green vrees zal over hen komen en zij zullen
niet treuren.
|
| |
|
وَقَالَتِ الْيَهُودُ لَيْسَتِ النَّصَارَى عَلَى شَيْءٍ وَقَالَتِ
النَّصَارَى لَيْسَتِ الْيَهُودُ عَلَى شَيْءٍ وَهُمْ يَتْلُونَ الْكِتَابَ
كَذَلِكَ قَالَ الَّذِينَ لا يَعْلَمُونَ مِثْلَ قَوْلِهِمْ فَاللَّهُ
يَحْكُمُ بَيْنَهُمْ يَوْمَ الْقِيَامَةِ فِيمَا كَانُوا فِيهِ
يَخْتَلِفُونَ
002.113 Waqalati alyahoodu laysati alnnasara
AAala shay-in waqalati alnnasara
laysati alyahoodu AAala shay-in wahum yatloona alkitaba kathalika
qala allatheena la yaAAlamoona mithla qawlihim faAllahu
yahkumu baynahum yawma alqiyamati feema kanoo
feehi yakhtalifoona
|
2:113 En de Joden zeiden: "De christenen
hebben geen grondslag" (voor hun beweringen). En de Christenen zeiden:
"De Joden hebben geen grondslag. "Terwijl zij de Schrift voorlezen.
Degenen die niet weten (de veelgodenaanbidders), spreken het zelfde
woord als zij. En Allah zal tussen hen oordelen op de Dag der Opstanding
omtrent dat waarover zij van mening verschillen.
|
| |
|
وَمَنْ أَظْلَمُ مِمَّنْ مَنَعَ مَسَاجِدَ اللَّهِ أَنْ يُذْكَرَ فِيهَا
اسْمُهُ وَسَعَى فِي خَرَابِهَا أُولَئِكَ مَا كَانَ لَهُمْ أَنْ
يَدْخُلُوهَا إِلا خَائِفِينَ لَهُمْ فِي الدُّنْيَا خِزْيٌ وَلَهُمْ فِي
الآخِرَةِ عَذَابٌ عَظِيمٌ
002.114 Waman athlamu mimman manaAAa masajida
Allahi an yuthkara feeha ismuhu wasaAAa fee
kharabiha ola-ika ma kana lahum an
yadkhulooha illa kha-ifeena lahum fee alddunya
khizyun walahum fee al-akhirati AAathabun AAatheemun
|
2:114 En wie is er zondiger dan degene
die verhindert dat in de Moskeeën van Allah Zijn Naam genoemd wordt en
die zich beijverd om deze te verwoesten? Zij behoren deze niet binnen te
gaan, behalve als vrezende. Voor hen is er op de wereld een vernedering
en in het Hiernamaals is er een geweldige bestraffing.
|
| |
|
وَلِلَّهِ الْمَشْرِقُ وَالْمَغْرِبُ فَأَيْنَمَا تُوَلُّوا فَثَمَّ وَجْهُ
اللَّهِ إِنَّ اللَّهَ وَاسِعٌ عَلِيمٌ
002.115 Walillahi almashriqu waalmaghribu faaynama
tuwalloo fathamma wajhu Allahi inna Allaha wasiAAun
AAaleemun
|
2:115 En aan Allah behoren het Oosten en
het Westen. Waarheen jullie je ook wenden, daar is het aangezicht van
Allah. Voorwar, Allah is Alomvattend en Alwetend.
|
| |
|
وَقَالُوا اتَّخَذَ اللَّهُ وَلَدًا سُبْحَانَهُ بَلْ لَهُ مَا فِي
السَّمَاوَاتِ وَالأرْضِ كُلٌّ لَهُ قَانِتُونَ
002.116 Waqaloo itakhatha Allahu waladan subhanahu
bal lahu ma fee alssamawati waal-ardi
kullun lahu qanitoona
|
2:116 En zij (de Christenen) zeiden:
"Allah heeft Zich een zoon genomen". Heilig is Hij! Nee! Aan Hem behoort
wat er in de hemelen en (op) de aarde is. Allen gehoorzamen Hem
ootmoedig.
|
| |
|
بَدِيعُ السَّمَاوَاتِ وَالأرْضِ وَإِذَا قَضَى أَمْرًا فَإِنَّمَا يَقُولُ
لَهُ كُنْ فَيَكُونُ
002.117 BadeeAAu alssamawati waal-ardi
wa-itha qada amran fa-innama yaqoolu lahu kun
fayakoonu
|
2:117 (Hij is) de Voortbrenger van de
hemelen en de aarde. En wanner Hij een besluit over een zaak heeft
genomen, dan zegt Hij er slechts tegen: "Wees", en het is.
|
| |
|
وَقَالَ الَّذِينَ لا يَعْلَمُونَ لَوْلا يُكَلِّمُنَا اللَّهُ أَوْ
تَأْتِينَا آيَةٌ كَذَلِكَ قَالَ الَّذِينَ مِنْ قَبْلِهِمْ مِثْلَ
قَوْلِهِمْ تَشَابَهَتْ قُلُوبُهُمْ قَدْ بَيَّنَّا الآيَاتِ لِقَوْمٍ
يُوقِنُونَ
002.118 Waqala allatheena la yaAAlamoona
lawla yukallimuna Allahu aw ta/teena ayatun
kathalika qala allatheena min qablihim mithla
qawlihim tashabahat quloobuhum qad bayyanna al-ayati
liqawmin yooqinoona
|
2:118 En degenen die niet weten, zeiden:
Waarom spreekt Allah niet tot ons en waarom komt er geen Teken tot ons"?
Zo spraken ook degenen die voor hen waren. Hun harten lijken op elkaar.
Waarlijk, wij hebben de Tekenen duidelijk gemaakt aan een overtuigd
volk.
|
| |
|
إِنَّا أَرْسَلْنَاكَ بِالْحَقِّ بَشِيرًا وَنَذِيرًا وَلا تُسْأَلُ عَنْ
أَصْحَابِ الْجَحِيمِ
002.119 Inna arsalnaka bialhaqqi
basheeran wanatheeran wala tus-alu Aaan as-habi
aljaheemi
|
2:119 Voorwaar, Wij hebben jou (Mohammed)
met de Waarheid gezonden, als een brenger van een verheugende tijding
en als een waarschuwer, en jij zult niet worden ondervraagd over de
bewoners van de Djahim (de Hel).
|
| |
|
وَلَنْ تَرْضَى عَنْكَ الْيَهُودُ وَلا النَّصَارَى حَتَّى تَتَّبِعَ
مِلَّتَهُمْ قُلْ إِنَّ هُدَى اللَّهِ هُوَ الْهُدَى وَلَئِنِ اتَّبَعْتَ
أَهْوَاءَهُمْ بَعْدَ الَّذِي جَاءَكَ مِنَ الْعِلْمِ مَا لَكَ مِنَ
اللَّهِ مِنْ وَلِيٍّ وَلا نَصِيرٍ
002.120 Walan tarda AAanka alyahoodu wala alnnasara
hatta tattabiAAa millatahum qul inna huda Allahi
huwa alhuda wala-ini ittabaAAta ahwaahum baAAda allathee
jaaka mina alAAilmi ma laka mina Allahi min
waliyyin wala naseerin
|
2:120 En de Joden en de Christenen zullen
nooit behagen in jou vinden, totdat jij hun godsdienst volgt. Zeg (O
Mohammed): "Voorwaar, de Leiding van Allah: dat is Leiding". En als jij
hun begeerten volgt, nadat de kennis tot jou is gekomen, dan zal er voor
jou tegen Allah geen beschermer en geen helper zijn.
|
| |
|
الَّذِينَ آتَيْنَاهُمُ الْكِتَابَ يَتْلُونَهُ حَقَّ تِلاوَتِهِ أُولَئِكَ
يُؤْمِنُونَ بِهِ وَمَنْ يَكْفُرْ بِهِ فَأُولَئِكَ هُمُ الْخَاسِرُونَ
002.121 Allatheena ataynahumu alkitaba
yatloonahu haqqa tilawatihi ola-ika yu/minoona
bihi waman yakfur bihi faola-ika humu alkhasiroona
|
2:121 Degenen aan wie Wij de Schrift
hebben gegeven lezen het op de juiste manier voor, zij zijn degenen die
erin geloven. En degenen die er niet in geloven: zij zijn de verliezers.
|
| |
|
يَا بَنِي إِسْرَائِيلَ اذْكُرُوا نِعْمَتِيَ الَّتِي أَنْعَمْتُ
عَلَيْكُمْ وَأَنِّي فَضَّلْتُكُمْ عَلَى الْعَالَمِينَ
002.122 Ya banee isra-eela othkuroo
niAAmatiya allatee anAAamtu AAalaykum waannee faddaltukum AAala
alAAalameena
|
2:122 O Kinderen van Israël, gedenkt Mijn
gunst die Ik jullie heb geschonken en dat Ik jullie heb bevoorrecht
boven de (andere) volken.
|
| |
|
وَاتَّقُوا يَوْمًا لا تَجْزِي نَفْسٌ عَنْ نَفْسٍ شَيْئًا وَلا يُقْبَلُ
مِنْهَا عَدْلٌ وَلا تَنْفَعُهَا شَفَاعَةٌ وَلا هُمْ يُنْصَرُونَ
002.123 Waittaqoo yawman la tajzee nafsun AAan
nafsin shay-an wala yuqbalu minha AAadlun wala
tanfaAAuha shafaAAatun wala hum yunsaroona
|
2:123 En vreest een Dag waarop de ene
ziel niets voor een andere ziel kan doen en er geen losprijs van haar
aanvaard zal worden, geen voorspraak zal haar baten. En zij zullen niet
geholpen worden.
|
| |
|
وَإِذِ ابْتَلَى إِبْرَاهِيمَ رَبُّهُ بِكَلِمَاتٍ فَأَتَمَّهُنَّ قَالَ
إِنِّي جَاعِلُكَ لِلنَّاسِ إِمَامًا قَالَ وَمِنْ ذُرِّيَّتِي قَالَ لا
يَنَالُ عَهْدِي الظَّالِمِينَ
002.124 Wa-ithi ibtala ibraheema rabbuhu
bikalimatin faatammahunna qala innee jaAAiluka lilnnasi
imaman qala wamin thurriyyatee qala la
yanalu AAahdee alththalimeena
|
2:124 En (gedenkt) toen Abraham door zijn
Heer beproefd werd met enkele woorden (geboden en verboden) die hij
daarop in acht nam. Hij (Allah) zei: "Voorwaar, Ik zal jou voor de
mensheid tot een leider maken". Hij (Abraham zei: "En ook van mijn
nageslacht"? Hij (Allah) antwoordde: "Mijn verbond omvat de
onrechtplegers niet".
|
| |
|
وَإِذْ جَعَلْنَا الْبَيْتَ مَثَابَةً لِلنَّاسِ وَأَمْنًا وَاتَّخِذُوا
مِنْ مَقَامِ إِبْرَاهِيمَ مُصَلًّى وَعَهِدْنَا إِلَى إِبْرَاهِيمَ
وَإِسْمَاعِيلَ أَنْ طَهِّرَا بَيْتِيَ لِلطَّائِفِينَ وَالْعَاكِفِينَ
وَالرُّكَّعِ السُّجُودِ
002.125 Wa-ith jaAAalna albayta mathabatan
lilnnasi waamnan waittakhithoo min maqami
ibraheema musallan waAAahidna ila ibraheema
wa-ismaAAeela an tahhira baytiya liltta-ifeena
waalAAakifeena waalrrukkaAAi alssujoodi
|
2:125 En (gedenkt) toen Wij het Huis (de
Ka'bah) tot een plaats van verzameling voor de mensheid maakten en een
plaats van veiligheid. En neemt de standplaats van Abraham tot een
plaats voor de shalat. En Wij legden de plicht op aan Abraham en
Isma'il: "Reinigt Mijn Huis voor degenen die de ommegang (thawaf) maken,
voor hen die er de I'tikaf verrichten en voor hen die zich buigen en
die knielen (de shalat)".
|
| |
|
وَإِذْ قَالَ إِبْرَاهِيمُ رَبِّ اجْعَلْ هَذَا بَلَدًا آمِنًا وَارْزُقْ
أَهْلَهُ مِنَ الثَّمَرَاتِ مَنْ آمَنَ مِنْهُمْ بِاللَّهِ وَالْيَوْمِ
الآخِرِ قَالَ وَمَنْ كَفَرَ فَأُمَتِّعُهُ قَلِيلا ثُمَّ أَضْطَرُّهُ
إِلَى عَذَابِ النَّارِ وَبِئْسَ الْمَصِيرُ
002.126 Wa-ith qala ibraheemu rabbi ijAAal hatha
baladan aminan waorzuq ahlahu mina alththamarati
man amana minhum biAllahi waalyawmi al-akhiri
qala waman kafara faomattiAAuhu qaleelan thumma adtarruhu
ila AAathabi alnnari wabi/sa almaseeru
|
2:126 En (gedenkt) toen Abraham smeekte:
"Mijn Heer, maak dit gebied tot een veilige plaats en voorzie haar
bewoners met vruchten, degenen van hen die geloven in Allah en in het
Hiernamaals". Hij (Allah) zei: "En (ook) degene die ongelovig is, zal ik
genietingen schenken, voor een korte tijd, daarna zal Ik hen naar de
bestraffing van de Hel drijven. En dat is de slechtste plaats van
terugkeer.
|
| |
|
وَإِذْ يَرْفَعُ إِبْرَاهِيمُ الْقَوَاعِدَ مِنَ الْبَيْتِ وَإِسْمَاعِيلُ
رَبَّنَا تَقَبَّلْ مِنَّا إِنَّكَ أَنْتَ السَّمِيعُ الْعَلِيمُ
002.127 Wa-ith yarfaAAu ibraheemu alqawaAAida
mina albayti wa-ismaAAeelu rabbana taqabbal minna
innaka anta alssameeAAu alAAaleemu
|
2:127 En (gedenkt) toen Abraham de
grondvesten van het Huis legde, samen met Isma'il (biddend): "Onze Heer,
aanvaard het van ons: voorwaar, U bent de Alhorende, de Alwetende.
|
| |
|
رَبَّنَا وَاجْعَلْنَا مُسْلِمَيْنِ لَكَ وَمِنْ ذُرِّيَّتِنَا أُمَّةً
مُسْلِمَةً لَكَ وَأَرِنَا مَنَاسِكَنَا وَتُبْ عَلَيْنَا إِنَّكَ أَنْتَ
التَّوَّابُ الرَّحِيمُ
002.128 Rabbana waijAAalna muslimayni laka
wamin thurriyyatina ommatan muslimatan laka waarina
manasikana watub AAalayna innaka anta alttawwabu
alrraheemu
|
2:128 Onze Heer, maak ons beiden tot
mensen die zich overgeven aan U en (maak) onze nakomelingen tot een volk
dat zich overgeeft aan U en onderwijs ons de gebruiken (van o.a. de
Hadj) en aanvaard ons berouw, voorwaar, U bent de Meest
Berouwaanvaardende, de Meest Barmhartige.
|
| |
|
رَبَّنَا وَابْعَثْ فِيهِمْ رَسُولا مِنْهُمْ يَتْلُو عَلَيْهِمْ آيَاتِكَ
وَيُعَلِّمُهُمُ الْكِتَابَ وَالْحِكْمَةَ وَيُزَكِّيهِمْ إِنَّكَ أَنْتَ
الْعَزِيزُ الْحَكِيمُ
002.129 Rabbana waibAAath feehim rasoolan minhum
yatloo AAalayhim ayatika wayuAAallimuhumu alkitaba
waalhikmata wayuzakkeehim innaka anta alAAazeezu alhakeemu
|
2:129 Onze Heer! En zend tot hen een
Boodschapper van hun eigen volk, die hen Uw Verzen voordraagt en die hen
het Boek (de Kuran) en de Wijsheid onderwijst en die hen reinigt.
Voorwar, U bent de Almachtige, de Alwijze".
|
| |
|
وَمَنْ يَرْغَبُ عَنْ مِلَّةِ إِبْرَاهِيمَ إِلا مَنْ سَفِهَ نَفْسَهُ
وَلَقَدِ اصْطَفَيْنَاهُ فِي الدُّنْيَا وَإِنَّهُ فِي الآخِرَةِ لَمِنَ
الصَّالِحِينَ
002.130 Waman yarghabu AAan millati ibraheema illa
man safiha nafsahu walaqadi istafaynahu fee alddunya
wa-innahu fee al-akhirati lamina alssaliheena
|
2:130 En wie keert zich af van de
levensbeschouwing van Abraham, anders dan wie zichzelf voor de gek
houdt? En voorzeker hebben Wij hem uitverkoren in de wereld, en
voorwaar, hij behoort in het Hiernamaals tot de oprechten.
|
| |
|
إِذْ قَالَ لَهُ رَبُّهُ أَسْلِمْ قَالَ أَسْلَمْتُ لِرَبِّ الْعَالَمِينَ
002.131 Ith qala lahu rabbuhu aslim qala
aslamtu lirabbi alAAalameena
|
2:131 En (gedenkt) toen zijn Heer tot hem
zei: "Onderwerp jezelf (aan Mij)". Hij zei: "Ik onderwerp mij aan de
Heer der Werelden".
|
| |
|
وَوَصَّى بِهَا إِبْرَاهِيمُ بَنِيهِ وَيَعْقُوبُ يَا بَنِيَّ إِنَّ
اللَّهَ اصْطَفَى لَكُمُ الدِّينَ فَلا تَمُوتُنَّ إِلا وَأَنْتُمْ
مُسْلِمُونَ
002.132 Wawassa biha ibraheemu baneehi
wayaAAqoobu ya baniyya inna Allaha istafa
lakumu alddeena fala tamootunna illa waantum
muslimoona
|
2:132 En Abraham droeg aan zijn kinderen
en aan Jakob op: "O mijn kinderen, voorwaar, Allah heeft de levenswijze
voor jullie gekozen, sterft daarom niet, behalve als jullie
overgegevenen zijn".
|
| |
|
أَمْ كُنْتُمْ شُهَدَاءَ إِذْ حَضَرَ يَعْقُوبَ الْمَوْتُ إِذْ قَالَ
لِبَنِيهِ مَا تَعْبُدُونَ مِنْ بَعْدِي قَالُوا نَعْبُدُ إِلَهَكَ
وَإِلَهَ آبَائِكَ إِبْرَاهِيمَ وَإِسْمَاعِيلَ وَإِسْحَاقَ إِلَهًا
وَاحِدًا وَنَحْنُ لَهُ مُسْلِمُونَ
002.133 Am kuntum shuhadaa ith hadara
yaAAqooba almawtu ith qala libaneehi ma
taAAbudoona min baAAdee qaloo naAAbudu ilahaka wa-ilaha
aba-ika ibraheema wa-ismaAAeela wa-ishaqa
ilahan wahidan wanahnu lahu muslimoona
|
2:133 Of waren jullie getuigen toen Jakob
de dood nabij was (en) hij tot zijn kinderen zei: "Wat zullen jullie
aanbidden na mij"? Zij zeiden: "Wij zullen uw God aanbidden, de God van
uw vaderen, Abraham, en Isma'il en Izaak, als de Ene God, en wij hebben
ons aan Hem overgegeven".
|
| |
|
تِلْكَ أُمَّةٌ قَدْ خَلَتْ لَهَا مَا كَسَبَتْ وَلَكُمْ مَا كَسَبْتُمْ
وَلا تُسْأَلُونَ عَمَّا كَانُوا يَعْمَلُونَ
002.134 Tilka ommatun qad khalat laha ma kasabat
walakum ma kasabtum wala tus-aloona AAamma kano
yaAAmaloona
|
2:134 Dat was een gemeenschap die
waarlijk heen is gegaan. Voor haar is wat zij heeft verworven en voor
jullie is wat jullie hebben verworven en jullie zullen niet worden
ondervraagd over wat zij plachten te bedrijven.
|
| |
|
وَقَالُوا كُونُوا هُودًا أَوْ نَصَارَى تَهْتَدُوا قُلْ بَلْ مِلَّةَ
إِبْرَاهِيمَ حَنِيفًا وَمَا كَانَ مِنَ الْمُشْرِكِينَ
002.135 Waqaloo koonoo hoodan aw nasara
tahtadoo qul bal millata ibraheema haneefan wama kana
mina almushrikeena
|
2:135 En zij zeiden: "Wordt Jood of
Christen, dan volgen jullie de leiding". Zeg: "Nee! (Wij volgen) de
levensbeschouwing van Abraham, die Hanif was en hij behoorde niet tot de
veelgodenaanbidders".
|
| |
|
قُولُوا آمَنَّا بِاللَّهِ وَمَا أُنْزِلَ إِلَيْنَا وَمَا أُنْزِلَ إِلَى
إِبْرَاهِيمَ وَإِسْمَاعِيلَ وَإِسْحَاقَ وَيَعْقُوبَ وَالأسْبَاطِ وَمَا
أُوتِيَ مُوسَى وَعِيسَى وَمَا أُوتِيَ النَّبِيُّونَ مِنْ رَبِّهِمْ لا
نُفَرِّقُ بَيْنَ أَحَدٍ مِنْهُمْ وَنَحْنُ لَهُ مُسْلِمُونَ
002.136 Qooloo amanna biAllahi wama
onzila ilayna wama onzila ila ibraheema
wa-ismaAAeela wa-ishaqa wayaAAqooba waal-asbati
wama ootiya moosa waAAeesa wama ootiya alnnabiyyoona
min rabbihim la nufarriqu bayna ahadin minhum wanahnu
lahu muslimoona
|
2:136 Zeg (O Mohammed): "Wij geloven in
Allah en wat er aan ons is neergezonden en wat er is neergezonden aan
Abraham en Ismail en Izaak en Jakob en de kinderen van Jakob en wat er
is gegeven aan Mozes en Isa en wat er is gegeven van hun Heer aan de
Profeten, wij maken geen onderscheid tussen één van hen en wij
onderwerpen ons aan Hem".
|
| |
|
فَإِنْ آمَنُوا بِمِثْلِ مَا آمَنْتُمْ بِهِ فَقَدِ اهْتَدَوْا وَإِنْ
تَوَلَّوْا فَإِنَّمَا هُمْ فِي شِقَاقٍ فَسَيَكْفِيكَهُمُ اللَّهُ وَهُوَ
السَّمِيعُ الْعَلِيمُ
002.137 Fa-in amanoo bimithli ma amantum
bihi faqadi ihtadaw wa-in tawallaw fa-innama hum fee shiqaqin
fasayakfeekahumu Allahu wahuwa alssameeAAu alAAaleemu
|
2:137 Als zij dan geloven in het gelijke
van waarin jullie geloven, dan volgen zij waarlijk de Leiding. En als
zij zich afwenden: voorwaar, dan zijn zij het die in vijandschap (jegens
jullie) verkeren. Allah zal jou (O Mohammed) dan beschermen tegen hen.
En Hij is de Alhorende, de Alwetende.
|
| |
|
صِبْغَةَ اللَّهِ وَمَنْ أَحْسَنُ مِنَ اللَّهِ صِبْغَةً وَنَحْنُ لَهُ
عَابِدُونَ
002.138 Sibghata Allahi waman ahsanu mina
Allahi sibghatan wanahnu lahu AAabidoona
|
2:138 (Neemt) de Shibghah van Allah. En
wie heeft er een betere Shibghah dan Allah? En wij zijn aanbidders van
Hem.
|
| |
|
قُلْ أَتُحَاجُّونَنَا فِي اللَّهِ وَهُوَ رَبُّنَا وَرَبُّكُمْ وَلَنَا
أَعْمَالُنَا وَلَكُمْ أَعْمَالُكُمْ وَنَحْنُ لَهُ مُخْلِصُونَ
002.139 Qul atuhajjoonana fee Allahi wahuwa
rabbuna warabbukum walana aAAmaluna walakum
aAAmalukum wanahnu lahu mukhlisoona
|
2:139 Zeg (O Mohammed): "Redetwisten
jullie met ons over Allah? Terwijl Hij onze Heer en jullie Heer is? Voor
ons onze werken, en voor jullie, jullie werken. En Wij zijn Hem zuiver
toegewijd".
|
| |
|
أَمْ تَقُولُونَ إِنَّ إِبْرَاهِيمَ وَإِسْمَاعِيلَ وَإِسْحَاقَ
وَيَعْقُوبَ وَالأسْبَاطَ كَانُوا هُودًا أَوْ نَصَارَى قُلْ أَأَنْتُمْ
أَعْلَمُ أَمِ اللَّهُ وَمَنْ أَظْلَمُ مِمَّنْ كَتَمَ شَهَادَةً عِنْدَهُ
مِنَ اللَّهِ وَمَا اللَّهُ بِغَافِلٍ عَمَّا تَعْمَلُونَ
002.140 Am taqooloona inna ibraheema wa-ismaAAeela
wa-ishaqa wayaAAqooba waal-asbata kanoo
hoodan aw nasara qul aantum aAAlamu ami Allahu
waman athlamu mimman katama shahadatan AAindahu
mina Allahi wama Allahu bighafilin AAamma
taAAmaloona
|
2:140 Of zeggen jullie (Joden en
Christenen): "Voorwaar, Abraham en Isma'il en Izaak en Jakob en zijn
kinderen waren Joden of Christenen"? Zeg: "Weten jullie beter of Allah?
En wie is onrechtvaardiger dan hij die een getuigenis van Allah, die hij
bezit, verbergt"? En Allah is niet onachtzaam omtrent wat jullie doen.
|
| |
|
تِلْكَ أُمَّةٌ قَدْ خَلَتْ لَهَا مَا كَسَبَتْ وَلَكُمْ مَا كَسَبْتُمْ
وَلا تُسْأَلُونَ عَمَّا كَانُوا يَعْمَلُونَ
002.141 Tilka ommatun qad khalat laha ma kasabat
walakum ma kasabtum wala tus-aloona AAamma kanoo
yaAAmaloona
|
2:141 Dat was een gemeenschap die
waarlijk heen is gegaan. Voor haar is wat zij heeft verworven, en voor
jullie is wat jullie hebben verworven en jullie zullen niet worden
ondervraagd over wat zij plachten te bedrijven.
|
| |
|
سَيَقُولُ السُّفَهَاءُ مِنَ النَّاسِ مَا وَلاهُمْ عَنْ قِبْلَتِهِمُ
الَّتِي كَانُوا عَلَيْهَا قُلْ لِلَّهِ الْمَشْرِقُ وَالْمَغْرِبُ يَهْدِي
مَنْ يَشَاءُ إِلَى صِرَاطٍ مُسْتَقِيمٍ
002.142 Sayaqoolu alssufahao mina alnnasi
ma wallahum AAan qiblatihimu allatee kanoo AAalayha
qul lillahi almashriqu waalmaghribu yahdee man yashao
ila siratin mustaqeemin
|
2:142 De dwazen onder de mensen zullen
zeggen: "Wat heeft hen zich doen afwenden van hun Qiblah
(gebedsrichting) die zij gewoonlijk in acht namen"? Zeg: Aan Allah
behoort het Oosten en het Westen Hij leidt wie Hij wil op een recht
Pad".
|
| |
|
وَكَذَلِكَ جَعَلْنَاكُمْ أُمَّةً وَسَطًا لِتَكُونُوا شُهَدَاءَ عَلَى
النَّاسِ وَيَكُونَ الرَّسُولُ عَلَيْكُمْ شَهِيدًا وَمَا جَعَلْنَا
الْقِبْلَةَ الَّتِي كُنْتَ عَلَيْهَا إِلا لِنَعْلَمَ مَنْ يَتَّبِعُ
الرَّسُولَ مِمَّنْ يَنْقَلِبُ عَلَى عَقِبَيْهِ وَإِنْ كَانَتْ
لَكَبِيرَةً إِلا عَلَى الَّذِينَ هَدَى اللَّهُ وَمَا كَانَ اللَّهُ
لِيُضِيعَ إِيمَانَكُمْ إِنَّ اللَّهَ بِالنَّاسِ لَرَءُوفٌ رَحِيمٌ
002.143 Wakathalika jaAAalnakum ommatan wasatan
litakoonoo shuhadaa AAala alnnasi wayakoona
alrrasoolu AAalaykum shaheedan wama jaAAalna
alqiblata allatee kunta AAalayha illa linaAAlama man
yattabiAAu alrrasoola mimman yanqalibu AAala AAaqibayhi
wa-in kanat lakabeeratan illa AAala allatheena
hada Allahu wama kana Allahu liyudeeAAa
eemanakum inna Allaha bialnnasi laraoofun
raheemun
|
2:143 Zo maakten Wij jullie tot een
gematigd volk, opdat jullie getuigen zullen zijn voor de mensen en opdat
de Boodschapper (Moehammed) een getuige zal zijn voor jullie. En Wij
hebben de Qiblah die jullie gewend waren slechts aangewezen om degenen
die de Boodschapper volgen onder degenen die zich op hun hielen
omdraaien te beproeven. En zeker, dit (de verandering van de Qiblah) was
zwaar, behalve voor degenen die Allah leiding gaf. En Allah is niet zo
dat Hij jullie geloof (shalat) verloren zou doen gaan. Voorwaar, Allah
is zeker genadig, meest barmhartig voor de mensen.
|
| |
|
قَدْ نَرَى تَقَلُّبَ وَجْهِكَ فِي السَّمَاءِ فَلَنُوَلِّيَنَّكَ قِبْلَةً
تَرْضَاهَا فَوَلِّ وَجْهَكَ شَطْرَ الْمَسْجِدِ الْحَرَامِ وَحَيْثُمَا
كُنْتُمْ فَوَلُّوا وُجُوهَكُمْ شَطْرَهُ وَإِنَّ الَّذِينَ أُوتُوا
الْكِتَابَ لَيَعْلَمُونَ أَنَّهُ الْحَقُّ مِنْ رَبِّهِمْ وَمَا اللَّهُ
بِغَافِلٍ عَمَّا يَعْمَلُونَ
002.144 Qad nara taqalluba wajhika fee alssama-i
falanuwalliyannaka qiblatan tardaha fawalli wajhaka shatra
almasjidi alharami wahaythu ma kuntum
fawalloo wujoohakum shatrahu wa-inna allatheena ootoo
alkitaba layaAAlamoona annahu alhaqqu min rabbihim wama
Allahu bighafilin AAamma yaAAmaloona
|
2:144 Waarlijk, Wij hebben gezien hoe
jouw gezicht voortdurend tot de hemel wendde, daarom wenden Wij jou (nu)
naar een Qiblah die jou welgevallig is. Wend jouw gezicht in de
richting van de Masdjid al Haram (de Gewijde Moskee te Mekka). En waar
jullie je ook bevinden (en de shalat gaan verrichten), wendt jullie
gezichten in die richting. En voorwaar, degenen aan wie de Schrift is
gegeven, weten zeker dat het de Waarheid van jullie heer is. En Allah is
niet onachtzaam omtrent wat zij doen.
|
| |
|
وَلَئِنْ أَتَيْتَ الَّذِينَ أُوتُوا الْكِتَابَ بِكُلِّ آيَةٍ مَا
تَبِعُوا قِبْلَتَكَ وَمَا أَنْتَ بِتَابِعٍ قِبْلَتَهُمْ وَمَا بَعْضُهُمْ
بِتَابِعٍ قِبْلَةَ بَعْضٍ وَلَئِنِ اتَّبَعْتَ أَهْوَاءَهُمْ مِنْ بَعْدِ
مَا جَاءَكَ مِنَ الْعِلْمِ إِنَّكَ إِذًا لَمِنَ الظَّالِمِينَ
002.145 Wala-in atayta allatheena ootoo alkitaba
bikulli ayatin ma tabiAAoo qiblataka wama anta bitabiAAin
qiblatahum wama baAAduhum bitabiAAin qiblata baAAdin
wala-ini ittabaAAta ahwaahum min baAAdi ma jaaka
mina alAAilmi innaka ithan lamina alththalimeena
|
2:145 En als jij aan degenen aan wie de
Schrift is gegeven alle Tekenen brengt, dan nog zullen zij jouw Qiblah
niet volgen. En jij zult hun Qiblah nooit volgen. En evenmin zal een
gedeelte van hen ooit de Qiblah van anderen volgen. En als jij hun
begeerten had gevolgd, nadat de kennis tot jou was gekomen, dan zou zij
zeker tot de onrechtplegers behoren.
|
| |
|
الَّذِينَ آتَيْنَاهُمُ الْكِتَابَ يَعْرِفُونَهُ كَمَا يَعْرِفُونَ
أَبْنَاءَهُمْ وَإِنَّ فَرِيقًا مِنْهُمْ لَيَكْتُمُونَ الْحَقَّ وَهُمْ
يَعْلَمُونَ
002.146 Allatheena ataynahumu alkitaba
yaAArifoonahu kama yaAArifoona abnaahum wa-inna fareeqan
minhum layaktumoona alhaqqa wahum yaAAlamoona
|
2:146 Degenen aan wie Wij de Schrift
hebben gegeven, kennen hem (Mohammed) zoals zij hun zonen kennen, en
voorwaar, een groep onder hen verbergt zeker de Waarheid, terwijl zij
(die) kennen.
|
| |
|
الْحَقُّ مِنْ رَبِّكَ فَلا تَكُونَنَّ مِنَ الْمُمْتَرِينَ
002.147 Alhaqqu min rabbika fala takoonanna mina
almumtareena
|
2:147 De Waarheid komt van jouw Heer,
behoor daarom niet tot de twijfelaars.
|
| |
|
وَلِكُلٍّ وِجْهَةٌ هُوَ مُوَلِّيهَا فَاسْتَبِقُوا الْخَيْرَاتِ أَيْنَمَا
تَكُونُوا يَأْتِ بِكُمُ اللَّهُ جَمِيعًا إِنَّ اللَّهَ عَلَى كُلِّ
شَيْءٍ قَدِيرٌ
002.148 Walikullin wijhatun huwa muwalleeha faistabiqoo
alkhayrati aynama takoonoo ya/ti bikumu Allahu
jameeAAan inna Allaha AAala kulli shay-in qadeerun
|
2:148 En voor iedere gemeenschap is er
een Qiblah. Wedijvert daarom met elkaar in goede daden. Waar jullie ook
zijn, Allah zal jullie samen brengen. Voorwaar, Allah is Almachtig over
alle dingen.
|
| |
|
وَمِنْ حَيْثُ خَرَجْتَ فَوَلِّ وَجْهَكَ شَطْرَ الْمَسْجِدِ الْحَرَامِ
وَإِنَّهُ لَلْحَقُّ مِنْ رَبِّكَ وَمَا اللَّهُ بِغَافِلٍ عَمَّا
تَعْمَلُونَ
002.149 Wamin haythu kharajta fawalli wajhaka shatra
almasjidi alharami wa-innahu lalhaqqu min rabbika
wama Allahu bighafilin AAamma taAAmaloona
|
2:149 En waar jij ook vandaan vertrekt,
wend jouw gezicht in de richting van de Masdjid al Haram (de Gewijde
Moskee te Mekka) en voorwaar, het is zeker de Waarheid van jouw Heer, en
Allah is niet onachtzaam omtrent wat jullie doen.
|
| |
|
وَمِنْ حَيْثُ خَرَجْتَ فَوَلِّ وَجْهَكَ شَطْرَ الْمَسْجِدِ الْحَرَامِ
وَحَيْثُمَا كُنْتُمْ فَوَلُّوا وُجُوهَكُمْ شَطْرَهُ لِئَلا يَكُونَ
لِلنَّاسِ عَلَيْكُمْ حُجَّةٌ إِلا الَّذِينَ ظَلَمُوا مِنْهُمْ فَلا
تَخْشَوْهُمْ وَاخْشَوْنِي وَلأتِمَّ نِعْمَتِي عَلَيْكُمْ وَلَعَلَّكُمْ
تَهْتَدُونَ
002.150 Wamin haythu kharajta fawalli wajhaka shatra
almasjidi alharami wahaythu ma kuntum
fawalloo wujoohakum shatrahu li-alla yakoona lilnnasi
AAalaykum hujjatun illa allatheena thalamoo
minhum fala takhshawhum waikhshawnee wali-otimma
niAAmatee AAalaykum walaAAallakum tahtadoona
|
2:150 En waar jij ook vandaan vertrekt,
wend jouw gezicht in de richting van de Masdjid al Haram, en waar jullie
je ook bevinden, wendt dan jullie gezichten in haar richting, zodat de
mensen geen argument tegen jullie hebben, behalve de onrechtvaardigen
onder hen, en vreest daarom niet hen, maar vreest Mij, opdat Ik Mijn
gunst aan jullie zal vervolmaken. En hopelijk zullen jullie rechte
Leiding volgen.
|
| |
|
كَمَا أَرْسَلْنَا فِيكُمْ رَسُولا مِنْكُمْ يَتْلُو عَلَيْكُمْ آيَاتِنَا
وَيُزَكِّيكُمْ وَيُعَلِّمُكُمُ الْكِتَابَ وَالْحِكْمَةَ وَيُعَلِّمُكُمْ
مَا لَمْ تَكُونُوا تَعْلَمُونَ
002.151 Kama arsalna feekum rasoolan minkum yatloo
AAalaykum ayatina wayuzakkeekum wayuAAallimukumu
alkitaba waalhikmata wayuAAallimukum ma lam
takoonoo taAAlamoona
|
2:151 Zoals Wij een Boodschapper uit
jullie midden zonden, die aan jullie Onze Verzen voorleest, die jullie
reinigt, die jullie het Boek (de Kuran) en de Wijsheid onderwijst en die
jullie onderwijst wat jullie niet weten.
|
| |
|
فَاذْكُرُونِي أَذْكُرْكُمْ وَاشْكُرُوا لِي وَلا تَكْفُرُونِ
002.152 Faothkuroonee athkurkum waoshkuroo
lee wala takfurooni
|
2:152 Gedenkt Mij daarom, dan zal Ik
jullie gedenken en weest Mij dankbaar en weest Mij niet ondankbaar.
|
| |
|
يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا اسْتَعِينُوا بِالصَّبْرِ وَالصَّلاةِ
إِنَّ اللَّهَ مَعَ الصَّابِرِينَ
002.153 Ya ayyuha allatheena amanoo
istaAAeenoo bialssabri waalssalati
inna Allaha maAAa alssabireena
|
2:153 O jullie die geloven, zoekt hulp
door middel van geduld en de shalat. Voorwaar, Allah is met de
geduldigen.
|
| |
|
وَلا تَقُولُوا لِمَنْ يُقْتَلُ فِي سَبِيلِ اللَّهِ أَمْوَاتٌ بَلْ
أَحْيَاءٌ وَلَكِنْ لا تَشْعُرُونَ
002.154 Wala taqooloo liman yuqtalu fee sabeeli Allahi
amwatun bal ahyaon walakin la
tashAAuroona
|
2:154 En zegt niet over degenen die zijn
gedood (gesneuveld) op de Weg van Allah, dat zij dood zijn. Nee, zij
leven, maar jullie beseffen het niet.
|
| |
|
وَلَنَبْلُوَنَّكُمْ بِشَيْءٍ مِنَ الْخَوْفِ وَالْجُوعِ وَنَقْصٍ مِنَ
الأمْوَالِ وَالأنْفُسِ وَالثَّمَرَاتِ وَبَشِّرِ الصَّابِرِينَ
002.155 Walanabluwannakum bishay-in mina alkhawfi waaljooAAi
wanaqsin mina al-amwali waal-anfusi waalththamarati
wabashshiri alssabireena
|
2:155 En Wij zullen jullie zeker
beproeven met iets van vrees, honger, vermindering van bezittingen,
levens en vruchten. Maar geeft verheugende tijdingen aan de geduldigen.
|
| |
|
الَّذِينَ إِذَا أَصَابَتْهُمْ مُصِيبَةٌ قَالُوا إِنَّا لِلَّهِ وَإِنَّا
إِلَيْهِ رَاجِعُونَ
002.156 Allatheena itha asabat-hum museebatun
qaloo inna lillahi wa-inna ilayhi rajiAAoona
|
2:156 Degenen die wanneer een ramp hen
treft, zeggen: (Inna lillahi wa inna ilaihi radji'oen) "Voorwaar, aan
Allah behoren Wij, en voorwaar, tot Hem zullen Wij terugkeren".
|
| |
|
أُولَئِكَ عَلَيْهِمْ صَلَوَاتٌ مِنْ رَبِّهِمْ وَرَحْمَةٌ وَأُولَئِكَ
هُمُ الْمُهْتَدُونَ
002.157 Ola-ika AAalayhim salawatun min
rabbihim warahmatun waola-ika humu almuhtadoona
|
2:157 Zij zijn degenen op wie de
zegeningen van hun Heer neerdalen, en Barmhartigheid, en zij zijn
degenen die de rechte Leiding ontvangen.
|
| |
|
إِنَّ الصَّفَا وَالْمَرْوَةَ مِنْ شَعَائِرِ اللَّهِ فَمَنْ حَجَّ
الْبَيْتَ أَوِ اعْتَمَرَ فَلا جُنَاحَ عَلَيْهِ أَنْ يَطَّوَّفَ بِهِمَا
وَمَنْ تَطَوَّعَ خَيْرًا فَإِنَّ اللَّهَ شَاكِرٌ عَلِيمٌ
002.158 Inna alssafa waalmarwata min
shaAAa-iri Allahi faman hajja albayta awi iAAtamara
fala junaha AAalayhi an yattawwafa bihima
waman tatawwaAAa khayran fa-inna Allaha shakirun
AAaleemun
|
2:158 Voorwaar, Shafa en Marwah behoren
tot de aan Allah gewijde Tekenen. Wie dan de Hadj of de Oemrah verricht
naar het Huis (de Ka'bah): het is geen zonde als hij om beide (Shafa en
Marwah) loopt (tijdens de Sa'i). En wie vrijwillig goede daden verricht:
voorwaar, Allah is Waarderend en Alwetend.
|
| |
|
إِنَّ الَّذِينَ يَكْتُمُونَ مَا أَنْزَلْنَا مِنَ الْبَيِّنَاتِ
وَالْهُدَى مِنْ بَعْدِ مَا بَيَّنَّاهُ لِلنَّاسِ فِي الْكِتَابِ
أُولَئِكَ يَلْعَنُهُمُ اللَّهُ وَيَلْعَنُهُمُ اللاعِنُونَ
002.159 Inna allatheena yaktumoona ma anzalna
mina albayyinati waalhuda min baAAdi ma
bayyannahu lilnnasi fee alkitabi ola-ika
yalAAanuhumu Allahu wayalAAanuhumu allaAAinoona
|
2:159 Voorwaar, zij die verbergen wat Wij
hebben neergezonden van de duidelijke bewijzen en de Leiding, nadat Wij
die aan de mensen hebben duidelijk gemaakt in de Schrift: zij zijn
degenen die Allah vervloekt en die vervloekers vervloeken.
|
| |
|
إِلا الَّذِينَ تَابُوا وَأَصْلَحُوا وَبَيَّنُوا فَأُولَئِكَ أَتُوبُ
عَلَيْهِمْ وَأَنَا التَّوَّابُ الرَّحِيمُ
002.160 Illa allatheena taboo waaslahoo
wabayyanoo faola-ika atoobu AAalayhim waana alttawwabu
alrraheemu
|
2:160 Behalve degenen die berouw hebben
getoond, zich gebeterd hebben en (de Waarheid) duidelijk hebben gemaakt.
Diegenen zijn het van wie Ik berouw aanvaard. En Ik ben de Meest
Berouwaanvaardende, de meest Barmhartige.
|
| |
|
إِنَّ الَّذِينَ كَفَرُوا وَمَاتُوا وَهُمْ كُفَّارٌ أُولَئِكَ عَلَيْهِمْ
لَعْنَةُ اللَّهِ وَالْمَلائِكَةِ وَالنَّاسِ أَجْمَعِينَ
002.161 Inna allatheena kafaroo wamatoo wahum kuffarun
ola-ika AAalayhim laAAnatu Allahi waalmala-ikati
waalnnasi ajmaAAeena
|
2:161 Voorwaar, degenen die ongelovig
waren en stierven terwijl zij ongelovig waren, op hen rust de vloek van
Allah en van de Engelen en de mensen tezamen.
|
| |
|
خَالِدِينَ فِيهَا لا يُخَفَّفُ عَنْهُمُ الْعَذَابُ وَلا هُمْ يُنْظَرُونَ
002.162 Khalideena feeha la yukhaffafu
AAanhumu alAAathabu wala hum yuntharoona
|
2:162 Eeuwig levenden zijn zij daarin (de
Hel). En voor hen zal de bestraffing niet verlicht worden, noch zal hen
uitstel gegeven worden.
|
| |
|
وَإِلَهُكُمْ إِلَهٌ وَاحِدٌ لا إِلَهَ إِلا هُوَ الرَّحْمَنُ الرَّحِيمُ
002.163 Wa-ilahukum ilahun wahidun la
ilaha illa huwa alrrahmanu alrraheemu
|
2:163 En jullie god is één God. Geen god
is er dan Hij, de Erbarmer, de Meest Barmhartige.
|
| |
|
إِنَّ فِي خَلْقِ السَّمَاوَاتِ وَالأرْضِ وَاخْتِلافِ اللَّيْلِ
وَالنَّهَارِ وَالْفُلْكِ الَّتِي تَجْرِي فِي الْبَحْرِ بِمَا يَنْفَعُ
النَّاسَ وَمَا أَنْزَلَ اللَّهُ مِنَ السَّمَاءِ مِنْ مَاءٍ فَأَحْيَا
بِهِ الأرْضَ بَعْدَ مَوْتِهَا وَبَثَّ فِيهَا مِنْ كُلِّ دَابَّةٍ
وَتَصْرِيفِ الرِّيَاحِ وَالسَّحَابِ الْمُسَخَّرِ بَيْنَ السَّمَاءِ
وَالأرْضِ لآيَاتٍ لِقَوْمٍ يَعْقِلُونَ
002.164 Inna fee khalqi alssamawati waal-ardi
waikhtilafi allayli waalnnahari waalfulki
allatee tajree fee albahri bima yanfaAAu alnnasa
wama anzala Allahu mina alssama-i min ma-in
faahya bihi al-arda baAAda mawtiha
wabaththa feeha min kulli dabbatin watasreefi alrriyahi
waalssahabi almusakhkhari bayna alssama-i
waal-ardi laayatin liqawmin yaAAqiloona
|
2:164 Voorwaar, in de schepping van de
hemelen en de aarde en de afwisseling van de nacht en de dag en de
schepen die over de zee varen met wat de mensen voordeel geeft, en het
water dat Allah uit de hemel neerzendt, waarmee Hij de aarde tot leven
brengt na haardood, en dat hij daarop allerlei dieren verspreidde, en de
besturing van de winden en de wolken die tussen de hemel en de aarde
dienstbaar zijn gemaakt, zijn zeker Tekenen voor een volk dat verstandig
is.
|
| |
|
وَمِنَ النَّاسِ مَنْ يَتَّخِذُ مِنْ دُونِ اللَّهِ أَنْدَادًا
يُحِبُّونَهُمْ كَحُبِّ اللَّهِ وَالَّذِينَ آمَنُوا أَشَدُّ حُبًّا
لِلَّهِ وَلَوْ يَرَى الَّذِينَ ظَلَمُوا إِذْ يَرَوْنَ الْعَذَابَ أَنَّ
الْقُوَّةَ لِلَّهِ جَمِيعًا وَأَنَّ اللَّهَ شَدِيدُ الْعَذَابِ
002.165 Wamina alnnasi man yattakhithu min
dooni Allahi andadan yuhibboonahum kahubbi
Allahi waallatheena amanoo ashaddu hubban
lillahi walaw yara allatheena thalamoo
ith yarawna alAAathaba anna alquwwata lillahi
jameeAAan waanna Allaha shadeedu alAAathabi
|
2:165 En er zijn er onder de mensen die
naast Allah deelgenoten toekennen, die zij liefhebben met de liefde als
(die) voor Allah, maar degenen die geloven zijn sterker in liefde voor
Allah. En als degenen die onrecht pleegden zouden weten wanneer zij de
bestraffing zien, (dan zouden zij weten) dat alle macht aan Allah
behoort en dat Allah hard is in de bestraffing.
|
| |
|
إِذْ تَبَرَّأَ الَّذِينَ اتُّبِعُوا مِنَ الَّذِينَ اتَّبَعُوا وَرَأَوُا
الْعَذَابَ وَتَقَطَّعَتْ بِهِمُ الأسْبَابُ
002.166 Ith tabarraa allatheena ittubiAAoo mina
allatheena ittabaAAoo waraawoo alAAathaba wataqattaAAat
bihimu al-asbabu
|
2:166 Wanneer degenen die gevolgd werden
zich los verklaren aan degenen die hen volgen: en zij zagen de
bestraffing en (dat) de banden met hen verbroken waren.
|
| |
|
وَقَالَ الَّذِينَ اتَّبَعُوا لَوْ أَنَّ لَنَا كَرَّةً فَنَتَبَرَّأَ
مِنْهُمْ كَمَا تَبَرَّءُوا مِنَّا كَذَلِكَ يُرِيهِمُ اللَّهُ
أَعْمَالَهُمْ حَسَرَاتٍ عَلَيْهِمْ وَمَا هُمْ بِخَارِجِينَ مِنَ النَّارِ
002.167 Waqala allatheena ittabaAAoo law anna lana
karratan fanatabarraa minhum kama tabarraoo minna kathalika
yureehimu Allahu aAAmalahum hasaratin
AAalayhim wama hum bikharijeena mina alnnari
|
2:167 En degenen die volgden zeiden: "Was
er voor ons nog maar één keer (de gelegenheid om naar de aarde terug te
keren), dan zouden wij ons onschuldig verklaren aan hen, zoals zij zich
aan ons onschuldig verklaarden". Zo laat Allah hen hun daden zien, als
(een bron) van spijt voor hen. En zij zullen de Hel niet verlaten.
|
| |
|
يَا أَيُّهَا النَّاسُ كُلُوا مِمَّا فِي الأرْضِ حَلالا طَيِّبًا وَلا
تَتَّبِعُوا خُطُوَاتِ الشَّيْطَانِ إِنَّهُ لَكُمْ عَدُوٌّ مُبِينٌ
002.168 Ya ayyuha alnnasu kuloo mimma
fee al-ardi halalan tayyiban wala
tattabiAAoo khutuwati alshshaytani innahu
lakum AAaduwwun mubeenun
|
2:168 O mensen, eet van wat op de aarde
is het toegestane en het goede, en volgt niet in de voetstappen van de
Satan. Voorwaar, hij is voor jullie een duidelijke vijand.
|
| |
|
ِنَّمَا يَأْمُرُكُمْ بِالسُّوءِ وَالْفَحْشَاءِ وَأَنْ تَقُولُوا عَلَى
اللَّهِ مَا لا تَعْلَمُونَ
002.169 Innama ya/murukum bialssoo-i waalfahsha-i
waan taqooloo AAala Allahi ma la taAAlamoona
|
2:169 Voorwaar, hij roept jullie op tot
het kwade en zedeloosheid en (wil) dat jullie over Allah zeggen wat
jullie niet weten.
|
| |
|
وَإِذَا قِيلَ لَهُمُ اتَّبِعُوا مَا أَنْزَلَ اللَّهُ قَالُوا بَلْ
نَتَّبِعُ مَا أَلْفَيْنَا عَلَيْهِ آبَاءَنَا أَوَلَوْ كَانَ آبَاؤُهُمْ
لا يَعْقِلُونَ شَيْئًا وَلا يَهْتَدُونَ
002.170 Wa-itha qeela lahumu ittabiAAoo ma anzala
Allahu qaloo bal nattabiAAu ma alfayna
AAalayhi abaana awa law kana abaohum
la yaAAqiloona shay-an wala yahtadoona
|
2:170 En wanneer tot hen gezegd wordt:
"Volgt wat Allah heeft neergezonden", dan zeggen zij: "Maar wij volgen
dat (pad van afgoderij) waarop wij onze vaderen aantroffen". Ook als hun
vaderen niets begrepen en niet de rechte Leiding volgden?
|
| |
|
وَمَثَلُ الَّذِينَ كَفَرُوا كَمَثَلِ الَّذِي يَنْعِقُ بِمَا لا يَسْمَعُ
إِلا دُعَاءً وَنِدَاءً صُمٌّ بُكْمٌ عُمْيٌ فَهُمْ لا يَعْقِلُونَ
002.171 Wamathalu allatheena kafaroo kamathali allathee
yanAAiqu bima la yasmaAAu illa duAAaan
wanidaan summun bukmun AAumyun fahum la yaAAqiloona
|
2:171 En de gelijkenis van degenen die
ongelovig zijn, is als de gelijkenis met iemand (een herder) die roept
naar iets wat niet luistert, behalve naar een roep of een schreeuw. Zij
zijn doof, stom en blind (van hart), daarom begrijpen zij niet.
|
| |
|
يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا كُلُوا مِنْ طَيِّبَاتِ مَا رَزَقْنَاكُمْ
وَاشْكُرُوا لِلَّهِ إِنْ كُنْتُمْ إِيَّاهُ تَعْبُدُونَ
002.172 Ya ayyuha allatheena amanoo
kuloo min tayyibati ma razaqnakum waoshkuroo
lillahi in kuntum iyyahu taAAbudoona
|
2:172 O jullie die geloven, eet van de
goede dingen waarmee Wij jullie hebben voorzien en weest Allah dankbaar
als Hij alleen het is die jullie aanbidden.
|
| |
|
إِنَّمَا حَرَّمَ عَلَيْكُمُ الْمَيْتَةَ وَالدَّمَ وَلَحْمَ الْخِنْزِيرِ
وَمَا أُهِلَّ بِهِ لِغَيْرِ اللَّهِ فَمَنِ اضْطُرَّ غَيْرَ بَاغٍ وَلا
عَادٍ فَلا إِثْمَ عَلَيْهِ إِنَّ اللَّهَ غَفُورٌ رَحِيمٌ
002.173 Innama harrama AAalaykumu almaytata waalddama
walahma alkhinzeeri wama ohilla bihi lighayri Allahi
famani idturra ghayra baghin wala AAadin
fala ithma AAalayhi inna Allaha ghafoorun raheemun
|
2:173 Voorwaar, Hij heeft voor jullie
verboden het gestorvene (het niet ritueel geslachte), bloed,
varkensvlees, en dat waarover (bij het slachten) een andere naam dan die
van Allah is uitgesproken. Maar wie door nood gedwongen is, zonder dat
hij het wenst en niet overdrijft, dan is het voor hem geen zonde.
Voorwaar, Allah is Meest Vergevensgezind, Meest Barmhartig.
|
| |
|
إِنَّ الَّذِينَ يَكْتُمُونَ مَا أَنْزَلَ اللَّهُ مِنَ الْكِتَابِ
وَيَشْتَرُونَ بِهِ ثَمَنًا قَلِيلا أُولَئِكَ مَا يَأْكُلُونَ فِي
بُطُونِهِمْ إِلا النَّارَ وَلا يُكَلِّمُهُمُ اللَّهُ يَوْمَ الْقِيَامَةِ
وَلا يُزَكِّيهِمْ وَلَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ
002.174 Inna allatheena yaktumoona ma anzala Allahu
mina alkitabi wayashtaroona bihi thamanan qaleelan ola-ika
ma ya/kuloona fee butoonihim illa alnnara
wala yukallimuhumu Allahu yawma alqiyamati wala
yuzakkeehim walahum AAathabun aleemun
|
2:174 Voorwaar, degenen die verbergen wat
Allah heeft neergezonden van de Schrift en die het verruilen voor een
geringe prijs, zij zijn degenen die in hun buiken niets dan vuur
verteren. En Allah zal niet tot hen spreken op de Dag der Opstanding en
Hij zal hen niet reinigen en voor hen is er een pijnlijke bestraffing.
|
| |
|
أُولَئِكَ الَّذِينَ اشْتَرَوُا الضَّلالَةَ بِالْهُدَى وَالْعَذَابَ
بِالْمَغْفِرَةِ فَمَا أَصْبَرَهُمْ عَلَى النَّارِ
002.175 Ola-ika allatheena ishtarawoo alddalalata
bialhuda waalAAathaba bialmaghfirati
fama asbarahum AAala alnnari
|
2:175 Zij zijn diegenen die de Leiding
hebben verruild voor de dwaling en de vergiffenis voor de bestraffing.
Hoe geduldig zijn zij met de Hel!
|
| |
|
ذَلِكَ بِأَنَّ اللَّهَ نَزَّلَ الْكِتَابَ بِالْحَقِّ وَإِنَّ الَّذِينَ
اخْتَلَفُوا فِي الْكِتَابِ لَفِي شِقَاقٍ بَعِيدٍ
002.176 Thalika bi-anna Allaha nazzala alkitaba
bialhaqqi wa-inna allatheena ikhtalafoo fee alkitabi
lafee shiqaqin baAAeedin
|
2:176 Dat is zo omdat Allah het schrift
met de Waarheid heeft neergezonden. En voorwaar, degenen die van mening
verschillen over het schrift verkeren in vergaande verdeeldheid.
|
| |
|
لَيْسَ الْبِرَّ أَنْ تُوَلُّوا وُجُوهَكُمْ قِبَلَ الْمَشْرِقِ
وَالْمَغْرِبِ وَلَكِنَّ الْبِرَّ مَنْ آمَنَ بِاللَّهِ وَالْيَوْمِ
الآخِرِ وَالْمَلائِكَةِ وَالْكِتَابِ وَالنَّبِيِّينَ وَآتَى الْمَالَ
عَلَى حُبِّهِ ذَوِي الْقُرْبَى وَالْيَتَامَى وَالْمَسَاكِينَ وَابْنَ
السَّبِيلِ وَالسَّائِلِينَ وَفِي الرِّقَابِ وَأَقَامَ الصَّلاةَ وَآتَى
الزَّكَاةَ وَالْمُوفُونَ بِعَهْدِهِمْ إِذَا عَاهَدُوا وَالصَّابِرِينَ
فِي الْبَأْسَاءِ وَالضَّرَّاءِ وَحِينَ الْبَأْسِ أُولَئِكَ الَّذِينَ
صَدَقُوا وَأُولَئِكَ هُمُ الْمُتَّقُونَ
002.177 Laysa albirra an tuwalloo wujoohakum qibala almashriqi waalmaghribi
walakinna albirra man amana biAllahi waalyawmi
al-akhiri waalmala-ikati waalkitabi
waalnnabiyyeena waata almala AAala hubbihi
thawee alqurba waalyatama waalmasakeena
waibna alssabeeli waalssa-ileena wafee alrriqabi
waaqama alssalata waata alzzakata
waalmoofoona biAAahdihim itha AAahadoo waalssabireena
fee alba/sa-i waalddarra-i waheena
alba/si ola-ika allatheena sadaqoo waola-ika
humu almuttaqoona
|
2:177 Het is geen vroomheid dat jullie je
gezichten naar het Oosten en het Westen wenden, maar vroom is wie
gelooft in Allah en het Hiernamaals en de Engelen en de Schrift en de
Profeten en die het bezit dat hij liefheeft weggeeft aan de verwanten en
de wezen en de behoeftigen en de reiziger (zonder proviand) en de
bedelaars en (het gebruikt) voor het vrijkopen van slaven, en die de
shalat onderhoudt, de zakat geeft. En die trouw zijn aan hun belofte
wanneer zij een belofte hebben gedaan en de geduldigen in tegenspoed, in
rampspoed en in oorlogstijd. Zij zijn diegenen die Moettaqoen zijn, en
zij zijn het die de godvrezenden zijn.
|
| |
|
يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا كُتِبَ عَلَيْكُمُ الْقِصَاصُ فِي
الْقَتْلَى الْحُرُّ بِالْحُرِّ وَالْعَبْدُ بِالْعَبْدِ وَالأنْثَى
بِالأنْثَى فَمَنْ عُفِيَ لَهُ مِنْ أَخِيهِ شَيْءٌ فَاتِّبَاعٌ
بِالْمَعْرُوفِ وَأَدَاءٌ إِلَيْهِ بِإِحْسَانٍ ذَلِكَ تَخْفِيفٌ مِنْ
رَبِّكُمْ وَرَحْمَةٌ فَمَنِ اعْتَدَى بَعْدَ ذَلِكَ فَلَهُ عَذَابٌ
أَلِيمٌ
002.178 Ya ayyuha allatheena amanoo
kutiba AAalaykumu alqisasu fee alqatla alhurru bialhurri
waalAAabdu bialAAabdi waalontha bialontha
faman AAufiya lahu min akheehi shay-on faittibaAAun bialmaAAroofi
waadaon ilayhi bi-ihsanin thalika
takhfeefun min rabbikum warahmatun famani iAAtada baAAda thalika
falahu AAathabun aleemun
|
2:178 O jullie die geloven, de Qishash
inzake doodslag is jullie verplicht: de vrije (mens) voor de vrije
(mens), de slaaf voor de slaaf, de vrouw voor de vrouw. En degene die
dan kwijtschelding van zijn broeder ontvangt, laat het dan gevolgd
worden door een redelijke (eis van de eiser) en genoegdoening voor hem
op een goede (manier, van de schuldige). Dat is een verlichting van
jullie Heer en een Barmhartigheid en degene die dan daarna nog
overtreedt, voor hem is er dan een pijnlijke bestraffing.
|
| |
|
وَلَكُمْ فِي الْقِصَاصِ حَيَاةٌ يَا أُولِي الألْبَابِ لَعَلَّكُمْ
تَتَّقُونَ
002.179 Walakum fee alqisasi hayatun ya
olee al-albabi laAAallakum tattaqoona
|
2:179 En voor jullie zijn er in de
Qishash leven, O bezitters van verstand, hopelijk zullen jullie (Allah)
vrezen.
|
| |
|
كُتِبَ عَلَيْكُمْ إِذَا حَضَرَ أَحَدَكُمُ الْمَوْتُ إِنْ تَرَكَ خَيْرًا
الْوَصِيَّةُ لِلْوَالِدَيْنِ وَالأقْرَبِينَ بِالْمَعْرُوفِ حَقًّا عَلَى
الْمُتَّقِينَ
002.180 Kutiba AAalaykum itha hadara ahadakumu
almawtu in taraka khayran alwasiyyatu lilwalidayni waal-aqrabeena
bialmaAAroofi haqqan AAala almuttaqeena
|
2:180 Het is jullie verplicht wanneer de
dood één van jullie nabij is, als hij bezit nalaat, een testament te
maken voor de ouders en de verwanten, volgens wat redelijk is (dit is)
een plicht voor de Moettaqoen.
|
| |
|
فَمَنْ بَدَّلَهُ بَعْدَمَا سَمِعَهُ فَإِنَّمَا إِثْمُهُ عَلَى الَّذِينَ
يُبَدِّلُونَهُ إِنَّ اللَّهَ سَمِيعٌ عَلِيمٌ
002.181 Faman baddalahu baAAda ma samiAAahu fa-innama
ithmuhu AAala allatheena yubaddiloonahu inna Allaha
sameeAAun AAaleemun
|
2:181 Wie den het testament verandert
nadat hij het heeft gehoord: voorwaar, dan rust de zonde op hen die het
veranderd hebben. Voorwaar, Allah is Alhorend, Alwetend.
|
| |
|
فَمَنْ خَافَ مِنْ مُوصٍ جَنَفًا أَوْ إِثْمًا فَأَصْلَحَ بَيْنَهُمْ فَلا
إِثْمَ عَلَيْهِ إِنَّ اللَّهَ غَفُورٌ رَحِيمٌ
002.182 Faman khafa min moosin janafan aw ithman
faaslaha baynahum fala ithma AAalayhi inna Allaha
ghafoorun raheemun
|
2:182 Maar degene die dan van de erflater
partijdigheid of zonde vreest, en daarna verzoening tussen hen teweeg
bracht, dan rust er geen zonde op hem. Voorwaar, Allah is Meest
Vergevensgezind, Meest Barmhartig.
|
| |
|
يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا كُتِبَ عَلَيْكُمُ الصِّيَامُ كَمَا كُتِبَ
عَلَى الَّذِينَ مِنْ قَبْلِكُمْ لَعَلَّكُمْ تَتَّقُونَ
002.183 Ya ayyuha allatheena amanoo
kutiba AAalaykumu alssiyamu kama kutiba AAala
allatheena min qablikum laAAallakum tattaqoona
|
2:183 O jullie die geloven, het vasten is
jullie verplicht, zoals het ook verplicht was voor hen voor jullie,
hopelijk zullen jullie (Allah) vrezen.
|
| |
|
أَيَّامًا مَعْدُودَاتٍ فَمَنْ كَانَ مِنْكُمْ مَرِيضًا أَوْ عَلَى سَفَرٍ
فَعِدَّةٌ مِنْ أَيَّامٍ أُخَرَ وَعَلَى الَّذِينَ يُطِيقُونَهُ فِدْيَةٌ
طَعَامُ مِسْكِينٍ فَمَنْ تَطَوَّعَ خَيْرًا فَهُوَ خَيْرٌ لَهُ وَأَنْ
تَصُومُوا خَيْرٌ لَكُمْ إِنْ كُنْتُمْ تَعْلَمُونَ
002.184 Ayyaman maAAdoodatin faman kana
minkum mareedan aw AAala safarin faAAiddatun min ayyamin
okhara waAAala allatheena yuteeqoonahu fidyatun taAAamu
miskeenin faman tatawwaAAa khayran fahuwa khayrun lahu waan tasoomoo
khayrun lakum in kuntum taAAlamoona
|
2:184 (Vast) en vastgesteld aantal dagen.
Maar degene die dan van jullie ziek is, of op reis, dan een aantal
andere dagen. En op degenen (van hen) die het (slechts met grote moeite)
kunnen volbrengen, rust de plicht van Fidyah: het voeden van een arme.
Maar degene die vrijwillig meer (dan verplicht is) geeft: dat is beter
voor hem. En dat jullie vasten is beter voor jullie, als jullie dat maar
weten.
|
| |
|
شَهْرُ رَمَضَانَ الَّذِي أُنْزِلَ فِيهِ الْقُرْآنُ هُدًى لِلنَّاسِ
وَبَيِّنَاتٍ مِنَ الْهُدَى وَالْفُرْقَانِ فَمَنْ شَهِدَ مِنْكُمُ
الشَّهْرَ فَلْيَصُمْهُ وَمَنْ كَانَ مَرِيضًا أَوْ عَلَى سَفَرٍ فَعِدَّةٌ
مِنْ أَيَّامٍ أُخَرَ يُرِيدُ اللَّهُ بِكُمُ الْيُسْرَ وَلا يُرِيدُ
بِكُمُ الْعُسْرَ وَلِتُكْمِلُوا الْعِدَّةَ وَلِتُكَبِّرُوا اللَّهَ عَلَى
مَا هَدَاكُمْ وَلَعَلَّكُمْ تَشْكُرُونَ
002.185 Shahru ramadana allathee onzila feehi
alqur-anu hudan lilnnasi wabayyinatin mina
alhuda waalfurqani faman shahida minkumu alshshahra
falyasumhu waman kana mareedan aw AAala
safarin faAAiddatun min ayyamin okhara yureedu Allahu
bikumu alyusra wala yureedu bikumu alAAusra walitukmiloo
alAAiddata walitukabbiroo Allaha AAala ma hadakum
walaAAallakum tashkuroona
|
2:185 De maand Ramadan is het waarin de
Kuran is neergezonden, als Leiding voor de mensheid en als duidelijke
bewijzen van de Leiding en de Foerqan. Wie van jullie aanwezig is in de
maand, laat die dan vasten, maar wie ziek is of op reis, dan is er een
aantal andere dagen (om de vasten in te halen). Allah wenst voor jullie
het gemakkelijke en Hij wenst niet voor jullie het ongemak. En maakt het
aantal (dagen) vol en prijst Allah's Grootheid omdat Hij jullie leiding
schonk, hopelijk zullen jullie dankbaar zijn.
|
| |
|
وَإِذَا سَأَلَكَ عِبَادِي عَنِّي فَإِنِّي قَرِيبٌ أُجِيبُ دَعْوَةَ
الدَّاعِ إِذَا دَعَانِ فَلْيَسْتَجِيبُوا لِي وَلْيُؤْمِنُوا بِي
لَعَلَّهُمْ يَرْشُدُونَ
002.186 Wa-itha saalaka AAibadee AAannee fa-innee
qareebun ojeebu daAAwata alddaAAi itha daAAani
falyastajeeboo lee walyu/minoo bee laAAallahum yarshudoona
|
2:186 En wanneer Mijn dienaren jou (O
Mohammed) vragen stellen over Mij: voorwaar, Ik ben nabij, Ik verhoor de
smeekbede van de smekende wanneer hij tot Mij smeek. Laten zij aan Mij
gehoor geven en in Mij geloven. Hopelijk zullen zij de juiste leiding
volgen.
|
| |
|
أُحِلَّ لَكُمْ لَيْلَةَ الصِّيَامِ الرَّفَثُ إِلَى نِسَائِكُمْ هُنَّ
لِبَاسٌ لَكُمْ وَأَنْتُمْ لِبَاسٌ لَهُنَّ عَلِمَ اللَّهُ أَنَّكُمْ
كُنْتُمْ تَخْتَانُونَ أَنْفُسَكُمْ فَتَابَ عَلَيْكُمْ وَعَفَا عَنْكُمْ
فَالآنَ بَاشِرُوهُنَّ وَابْتَغُوا مَا كَتَبَ اللَّهُ لَكُمْ وَكُلُوا
وَاشْرَبُوا حَتَّى يَتَبَيَّنَ لَكُمُ الْخَيْطُ الأبْيَضُ مِنَ الْخَيْطِ
الأسْوَدِ مِنَ الْفَجْرِ ثُمَّ أَتِمُّوا الصِّيَامَ إِلَى اللَّيْلِ
وَلا تُبَاشِرُوهُنَّ وَأَنْتُمْ عَاكِفُونَ فِي الْمَسَاجِدِ تِلْكَ
حُدُودُ اللَّهِ فَلا تَقْرَبُوهَا كَذَلِكَ يُبَيِّنُ اللَّهُ آيَاتِهِ
لِلنَّاسِ لَعَلَّهُمْ يَتَّقُونَ
002.187 Ohilla lakum laylata alssiyami
alrrafathu ila nisa-ikum hunna libasun
lakum waantum libasun lahunna AAalima Allahu annakum
kuntum takhtanoona anfusakum fataba AAalaykum waAAafa
AAankum faal-ana bashiroohunna waibtaghoo ma
kataba Allahu lakum wakuloo waishraboo hatta
yatabayyana lakumu alkhaytu al-abyadu mina alkhayti
al-aswadi mina alfajri thumma atimmoo alssiyama ila
allayli wala tubashiroohunna waantum AAakifoona
fee almasajidi tilka hudoodu Allahi fala
taqrabooha kathalika yubayyinu Allahu ayatihi
lilnnasi laAAallahum yattaqoona
|
2:187 Het is jullie in de nachten van het
vasten toegestaan omgang te hebben met jullie vrouwen. Zij zijn (als)
kleding voor jullie en jullie zijn (als) kleding voor hen. Allah wist
dat jullie jezelf bedrogen, Hij aanvaardde jullie berouw en vergaf
jullie. Nu mogen jullie dan omgang met hen hebben. En streeft naar wat
Allah voor jullie bepaald heeft. En eet en drinkt tot de witte draad en
de zwarte draad voor jullie te onderscheiden is, het is Fadjr
(ochtendschemering). Maakt daarna het vasten vol tot zonsondergang. En
hebt geen omgang met hen, terwijl jullie I'tikaf in de Moskeeën
verrichten. Dat zijn de greenzen van Allah, nadert deze daarom niet. Zo
maakt Allah Zijn Tekenen duidelijk voor de mensen, hopelijk zullen zij
(Allah) vrezen.
|
| |
|
وَلا تَأْكُلُوا أَمْوَالَكُمْ بَيْنَكُمْ بِالْبَاطِلِ وَتُدْلُوا بِهَا
إِلَى الْحُكَّامِ لِتَأْكُلُوا فَرِيقًا مِنْ أَمْوَالِ النَّاسِ
بِالإثْمِ وَأَنْتُمْ تَعْلَمُونَ
002.188 Wala ta/kuloo amwalakum baynakum bialbatili
watudloo biha ila alhukkami lita/kuloo
fareeqan min amwali alnnasi bial-ithmi
waantum taAAlamoona
|
2:188 En eet niet onderling van jullie
bezittingen op onwettige wijze door deze (bezittingen op misleidend
wijze) voor de rechters te brengen, zodra jullie op zondige wijze van
een gedeelte van de bezittingen van de mensen kunnen eten, terwijl
jullie het weten.
|
| |
|
يَسْأَلُونَكَ عَنِ الأهِلَّةِ قُلْ هِيَ مَوَاقِيتُ لِلنَّاسِ وَالْحَجِّ
وَلَيْسَ الْبِرُّ بِأَنْ تَأْتُوا الْبُيُوتَ مِنْ ظُهُورِهَا وَلَكِنَّ
الْبِرَّ مَنِ اتَّقَى وَأْتُوا الْبُيُوتَ مِنْ أَبْوَابِهَا وَاتَّقُوا
اللَّهَ لَعَلَّكُمْ تُفْلِحُونَ
002.189 Yas-aloonaka AAani al-ahillati qul hiya mawaqeetu
lilnnasi waalhajji walaysa albirru bi-an
ta/too albuyoota min thuhooriha walakinna
albirra mani ittaqa wa/too albuyoota min abwabiha
waittaqoo Allaha laAAallakum tuflihoona
|
2:189 Zij vragen jou (Mohammed) over de
nieuwe manen. Zeg: "Zij zijn tijdsaanduidingen voor de mensen en (voor
het vaststellen van) de Hadj. En het is geen vroomheid dat jullie de
huizen binnengaan aan de achterzijden, vroom zijn zij (Allah) vrezen en
die de huizen binnengaan door hun deuren. En vreest Allah, hopelijk
zullen jullie welslagen.
|
| |
|
وَقَاتِلُوا فِي سَبِيلِ اللَّهِ الَّذِينَ يُقَاتِلُونَكُمْ وَلا
تَعْتَدُوا إِنَّ اللَّهَ لا يُحِبُّ الْمُعْتَدِينَ
002.190 Waqatiloo fee sabeeli Allahi allatheena
yuqatiloonakum wala taAAtadoo inna Allaha la
yuhibbu almuAAtadeena
|
2:190 En strijdt op de Weg van Allah
tegen degenen die tegen jullie strijden en overtreedt niet. Voorwaar,
Allah heeft de overtreders niet lief.
|
| |
|
وَاقْتُلُوهُمْ حَيْثُ ثَقِفْتُمُوهُمْ وَأَخْرِجُوهُمْ مِنْ حَيْثُ
أَخْرَجُوكُمْ وَالْفِتْنَةُ أَشَدُّ مِنَ الْقَتْلِ وَلا تُقَاتِلُوهُمْ
عِنْدَ الْمَسْجِدِ الْحَرَامِ حَتَّى يُقَاتِلُوكُمْ فِيهِ فَإِنْ
قَاتَلُوكُمْ فَاقْتُلُوهُمْ كَذَلِكَ جَزَاءُ الْكَافِرِينَ
002.191 Waoqtuloohum haythu thaqiftumoohum
waakhrijoohum min haythu akhrajookum waalfitnatu ashaddu
mina alqatli wala tuqatiloohum AAinda almasjidi alharami
hatta yuqatilookum feehi fa-in qatalookum
faoqtuloohum kathalika jazao alkafireena
|
2:191 En doodt hen waar jullie hen ook
aantreffen en verdrijft hen zoals zij jullie hebben verdreven. En Fitnah
is erger dan doodslag. En bestrijdt hen niet bij de Masdjid al Haram
(de Gewijde Moskee te Mekka) totdat zij jullie daar bestrijden; als zij
jullie dan bestrijden: doodt hen dan. Zo is de vergelding voor de
ongelovigen.
|
| |
|
فَإِنِ انْتَهَوْا فَإِنَّ اللَّهَ غَفُورٌ رَحِيمٌ
002.192 Fa-ini intahaw fa-inna Allaha ghafoorun raheemun
|
2:192 Maar als zij ophouden, voorwaar,
dan is Allah Meest Vergevensgezind, Meest Barmhartig.
|
| |
|
وَقَاتِلُوهُمْ حَتَّى لا تَكُونَ فِتْنَةٌ وَيَكُونَ الدِّينُ لِلَّهِ
فَإِنِ انْتَهَوْا فَلا عُدْوَانَ إِلا عَلَى الظَّالِمِينَ
002.193 Waqatiloohum hatta la takoona
fitnatun wayakoona alddeenu lillahi fa-ini intahaw fala
AAudwana illa AAala alththalimeena
|
2:193 En bestrijdt hen tot er geen Fitnah
(meer) is en de levenswijze tot Allah behoort, maar zij dan ophouden,
dan is er geen vijandschap, behalve tegen de onrechtplegers.
|
| |
|
الشَّهْرُ الْحَرَامُ بِالشَّهْرِ الْحَرَامِ وَالْحُرُمَاتُ قِصَاصٌ
فَمَنِ اعْتَدَى عَلَيْكُمْ فَاعْتَدُوا عَلَيْهِ بِمِثْلِ مَا اعْتَدَى
عَلَيْكُمْ وَاتَّقُوا اللَّهَ وَاعْلَمُوا أَنَّ اللَّهَ مَعَ
الْمُتَّقِينَ
002.194 Alshshahru alharamu bialshshahri
alharami waalhurumatu qisasun
famani iAAtada AAalaykum faiAAtadoo AAalayhi bimithli ma
iAAtada AAalaykum waittaqoo Allaha waiAAlamoo
anna Allaha maAAa almuttaqeena
|
2:194 De gewijde maand om de gewijde
maand, (in) de gewijde (plaatsen en maanden) geldt de Qishash. Wie dan
tegen jullie overtreedt, overtreedt dan tegen hem dan en dezelfde mate
waarin hij tegen jullie overtreedt. En vreest Allah en weet dat Allah
met de Moettaqoen is.
|
| |
|
وَأَنْفِقُوا فِي سَبِيلِ اللَّهِ وَلا تُلْقُوا بِأَيْدِيكُمْ إِلَى
التَّهْلُكَةِ وَأَحْسِنُوا إِنَّ اللَّهَ يُحِبُّ الْمُحْسِنِينَ
002.195 Waanfiqoo fee sabeeli Allahi wala tulqoo
bi-aydeekum ila alttahlukati waahsinoo inna Allaha
yuhibbu almuhsineena
|
2:195 En geeft bijdragen op de Weg van
Allah, en stort jullie niet door eigen toedoen in de ondergang, en doet
goed. Voorwaar, Allah heeft de weldoeners lief.
|
| |
|
وَأَتِمُّوا الْحَجَّ وَالْعُمْرَةَ لِلَّهِ فَإِنْ أُحْصِرْتُمْ فَمَا
اسْتَيْسَرَ مِنَ الْهَدْيِ وَلا تَحْلِقُوا رُءُوسَكُمْ حَتَّى يَبْلُغَ
الْهَدْيُ مَحِلَّهُ فَمَنْ كَانَ مِنْكُمْ مَرِيضًا أَوْ بِهِ أَذًى مِنْ
رَأْسِهِ فَفِدْيَةٌ مِنْ صِيَامٍ أَوْ صَدَقَةٍ أَوْ نُسُكٍ فَإِذَا
أَمِنْتُمْ فَمَنْ تَمَتَّعَ بِالْعُمْرَةِ إِلَى الْحَجِّ فَمَا
اسْتَيْسَرَ مِنَ الْهَدْيِ فَمَنْ لَمْ يَجِدْ فَصِيَامُ ثَلاثَةِ
أَيَّامٍ فِي الْحَجِّ وَسَبْعَةٍ إِذَا رَجَعْتُمْ تِلْكَ عَشَرَةٌ
كَامِلَةٌ ذَلِكَ لِمَنْ لَمْ يَكُنْ أَهْلُهُ حَاضِرِي الْمَسْجِدِ
الْحَرَامِ وَاتَّقُوا اللَّهَ وَاعْلَمُوا أَنَّ اللَّهَ شَدِيدُ
الْعِقَابِ
002.196 Waatimmoo alhajja waalAAumrata lillahi
fa-in ohsirtum fama istaysara mina alhadyi wala tahliqoo
ruoosakum hatta yablugha alhadyu mahillahu faman kana
minkum mareedan aw bihi athan min ra/sihi fafidyatun min siyamin
aw sadaqatin aw nusukin fa-itha amintum faman tamattaAAa
bialAAumrati ila alhajji fama istaysara mina
alhadyi faman lam yajid fasiyamu thalathati ayyamin
fee alhajji wasabAAatin itha rajaAAtum tilka AAasharatun kamilatun
thalika liman lam yakun ahluhu hadiree almasjidi alharami
waittaqoo Allaha waiAAlamoo anna Allaha
shadeedu alAAiqabi
|
2:196 En verricht de Hadj en de 'Oemrah
voor Allah. En indien iemand dan verhinderd is, laat die dan een
offerdier (slachten) dat makkelijk vinden is, en scheert jullie hoofden
niet tot het offerdier zijn slachtplaats heeft bereikt. (Voor) wie van
jullie ziek is of iets aan zijn hoofd heeft, dat hem last bezorgt (en
waardoor scheren noodzakelijk is) is er Fidyah (een vervangende plicht):
het vasten of het voeden (van armen) of het slachten van een offerdier.
En wanneer jullie in veiligheid zijn en (het betreft) degene die de
Hadj op de Tamattoe'-wijze verricht, laat hem dan offeren wat makkelijk
te vinden is. Maar degene die niets vindt, (voor hem geldt) dan het
vasten: drie dagen gedurende de Hadj en zeven (dagen) wanneer jullie
teruggekeerd, dat is tien bijelkaar. Dat geldt voor degenen wiens
gezinsleden niet bij de Masdjid al Haram (de Gewijde Moskee te Mekka)
wonen. En vreest Allah en weet dat Allah hard is in de bestraffing.
|
| |
|
الْحَجُّ أَشْهُرٌ مَعْلُومَاتٌ فَمَنْ فَرَضَ فِيهِنَّ الْحَجَّ فَلا
رَفَثَ وَلا فُسُوقَ وَلا جِدَالَ فِي الْحَجِّ وَمَا تَفْعَلُوا مِنْ
خَيْرٍ يَعْلَمْهُ اللَّهُ وَتَزَوَّدُوا فَإِنَّ خَيْرَ الزَّادِ
التَّقْوَى وَاتَّقُونِ يَا أُولِي الألْبَابِ
002.197 Alhajju ashhurun maAAloomatun faman farada
feehinna alhajja fala rafatha wala fusooqa wala
jidala fee alhajji wama tafAAaloo min khayrin
yaAAlamhu Allahu watazawwadoo fa-inna khayra alzzadi
alttaqwa waittaqooni ya olee al-albabi
|
2:197 De Hadj vindt zich plaats in de
bekende maanden. Degene die zich dan tot het verrichten van de Hadj
daarin heeft verplicht, (voor hem is er) geen geslachtsgemeenschap, geen
zondigheid en geen twist tijdens de Hadj. En wat jullie aan goeds doen.
Allah kent het. En neemt proviand mee, en de beste proviand is Taqwa,
vreest Mij daarom, O jullie bezitters van verstand.
|
| |
|
لَيْسَ عَلَيْكُمْ جُنَاحٌ أَنْ تَبْتَغُوا فَضْلا مِنْ رَبِّكُمْ فَإِذَا
أَفَضْتُمْ مِنْ عَرَفَاتٍ فَاذْكُرُوا اللَّهَ عِنْدَ الْمَشْعَرِ
الْحَرَامِ وَاذْكُرُوهُ كَمَا هَدَاكُمْ وَإِنْ كُنْتُمْ مِنْ قَبْلِهِ
لَمِنَ الضَّالِّينَ
002.198 Laysa AAalaykum junahun an tabtaghoo fadlan
min rabbikum fa-itha afadtum min AAarafatin faothkuroo
Allaha AAinda almashAAari alharami waothkuroohu
kama hadakum wa-in kuntum min qablihi lamina alddalleena
|
2:198 Er rust op jullie geen zonde als
jullie (tijdens de Hadj) een gunst van jullie Heer zoeken. Wanneer
jullie dan 'Arafah verlaten, gedenkt dan Allah bij het Gewijde Teken (te
Moedzdalifah) en gedenkt Hem omdat Hij jullie geleid heeft, terwijl
jullie daarvoor tot de dwalende behoorden.
|
| |
|
ثُمَّ أَفِيضُوا مِنْ حَيْثُ أَفَاضَ النَّاسُ وَاسْتَغْفِرُوا اللَّهَ
إِنَّ اللَّهَ غَفُورٌ رَحِيمٌ
002.199 Thumma afeedoo min haythu afada alnnasu
waistaghfiroo Allaha inna Allaha ghafoorun raheemun
|
2:199 Vertrekt daarna van waar de andere
mensen vertrekken ('Arafah) en zoekt vergeving bij Allah. Voorwaar,
Allah is Vergevensgezind, Meest Barmhartig.
|
| |
|
فَإِذَا قَضَيْتُمْ مَنَاسِكَكُمْ فَاذْكُرُوا اللَّهَ كَذِكْرِكُمْ
آبَاءَكُمْ أَوْ أَشَدَّ ذِكْرًا فَمِنَ النَّاسِ مَنْ يَقُولُ رَبَّنَا
آتِنَا فِي الدُّنْيَا وَمَا لَهُ فِي الآخِرَةِ مِنْ خَلاقٍ
002.200 Fa-itha qadaytum manasikakum faothkuroo
Allaha kathikrikum abaakum aw ashadda thikran
famina alnnasi man yaqoolu rabbana atina
fee alddunya wama lahu fee al-akhirati min
khalaqin
|
2:200 Wanneer jullie dan jullie
(Hadj)rituelen hebben voltooid, gedenkt dan Allah zoals jullie je
vaderen gedenken, of nog intenser. Er zijn mensen die smeken: "Onze
Heer, geef ons in de wereld". Maar er is voor hen in het Hiernamaals
geen aandeel,
|
| |
|
وَمِنْهُمْ مَنْ يَقُولُ رَبَّنَا آتِنَا فِي الدُّنْيَا حَسَنَةً وَفِي
الآخِرَةِ حَسَنَةً وَقِنَا عَذَابَ النَّارِ
002.201 Waminhum man yaqoolu rabbana atina
fee alddunya hasanatan wafee al-akhirati hasanatan
waqina AAathaba alnnari
|
2:201 En er zijn er onder hen die smeken:
"Onze Heer, geef ons in de wereld wat goed is en het Hiernamaals wat
goed is en bescherm ons tegen de bestraffing van de Hel".
|
| |
|
أُولَئِكَ لَهُمْ نَصِيبٌ مِمَّا كَسَبُوا وَاللَّهُ سَرِيعُ الْحِسَابِ
002.202 Ola-ika lahum naseebun mimma kasaboo
waAllahu sareeAAu alhisabi
|
2:202 Zij zijn degenen voor wie er een
beloning is voor wat zij hebben verricht. En Allah is snel in de
afrekening.
|
| |
|
وَاذْكُرُوا اللَّهَ فِي أَيَّامٍ مَعْدُودَاتٍ فَمَنْ تَعَجَّلَ فِي
يَوْمَيْنِ فَلا إِثْمَ عَلَيْهِ وَمَنْ تَأَخَّرَ فَلا إِثْمَ عَلَيْهِ
لِمَنِ اتَّقَى وَاتَّقُوا اللَّهَ وَاعْلَمُوا أَنَّكُمْ إِلَيْهِ
تُحْشَرُونَ
002.203 Waothkuroo Allaha fee ayyamin
maAAdoodatin faman taAAajjala fee yawmayni fala ithma
AAalayhi waman taakhkhara fala ithma AAalayhi limani ittaqa
waittaqoo Allaha waiAAlamoo annakum ilayhi tuhsharoona
|
2:203 En gedenkt Allah gedurende een
vastgesteld aantal dagen. Maar wie haast heeft om na twee dagen te
vertrekken, en rust dan geen zonde op hem; en wie (het vertrek nog een
dag) uitstelt, er rust dan (ook) geen zonde op hem, voor wie Allah
vreest. En vreest Allah en weet dat jullie tot Hem verzameld zullen
worden.
|
| |
|
وَمِنَ النَّاسِ مَنْ يُعْجِبُكَ قَوْلُهُ فِي الْحَيَاةِ الدُّنْيَا
وَيُشْهِدُ اللَّهَ عَلَى مَا فِي قَلْبِهِ وَهُوَ أَلَدُّ الْخِصَامِ
002.204 Wamina alnnasi man yuAAjibuka qawluhu fee
alhayati alddunya wayushhidu Allaha
AAala ma fee qalbihi wahuwa aladdu alkhisami
|
2:204 En onder de mensen is er degene
wiens woorden over het wereldse leven jullie verbazen en hij roept Allah
om te getuigen over wat zich in zijn hart bevindt, terwijl hij de
ergste opstandeling is.
|
| |
|
وَإِذَا تَوَلَّى سَعَى فِي الأرْضِ لِيُفْسِدَ فِيهَا وَيُهْلِكَ
الْحَرْثَ وَالنَّسْلَ وَاللَّهُ لا يُحِبُّ الْفَسَادَ
002.205 Wa-itha tawalla saAAa fee al-ardi
liyufsida feeha wayuhlika alhartha waalnnasla waAllahu
la yuhibbu alfasada
|
2:205 En wanneer hij zich afwendt, (dan)
gaat hij op de aarde rond om er verderf te zaaien en het gewas en het
vee te vernietigen. En Allah houdt niet van het verderf.
|
| |
|
وَإِذَا قِيلَ لَهُ اتَّقِ اللَّهَ أَخَذَتْهُ الْعِزَّةُ بِالإثْمِ
فَحَسْبُهُ جَهَنَّمُ وَلَبِئْسَ الْمِهَادُ
002.206 Wa-itha qeela lahu ittaqi Allaha akhathat-hu
alAAizzatu bial-ithmi fahasbuhu jahannamu walabi/sa almihadu
|
2:206 En wanneer tot hem wordt gezegd:
"Vreest Allah," dan maakt de trots op zijn zonde zich van hem meester.
De Hel is voor hem voldoende, en dat is de slechtste verblijfplaats!
|
| |
|
وَمِنَ النَّاسِ مَنْ يَشْرِي نَفْسَهُ ابْتِغَاءَ مَرْضَاةِ اللَّهِ
وَاللَّهُ رَءُوفٌ بِالْعِبَادِ
002.207 Wamina alnnasi man yashree nafsahu ibtighaa
mardati Allahi waAllahu raoofun bialAAibadi
|
2:207 En er is er een onder de mensen die
zichzelf verkoopt, het welbehagen van Allah zoekend. En Allah is Meest
Genadig voor de dienaren.
|
| |
|
يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا ادْخُلُوا فِي السِّلْمِ كَافَّةً وَلا
تَتَّبِعُوا خُطُوَاتِ الشَّيْطَانِ إِنَّهُ لَكُمْ عَدُوٌّ مُبِينٌ
002.208 Ya ayyuha allatheena amanoo
odkhuloo fee alssilmi kaffatan wala tattabiAAoo khutuwati
alshshaytani innahu lakum AAaduwwun mubeenun
|
2:208 O jullie die geloven, treedt de
Islam binnen, volledig, en volgt niet de voetstappen van de Satan.
Voorwaar, hij is voor jullie een duidelijke vijand.
|
| |
|
فَإِنْ زَلَلْتُمْ مِنْ بَعْدِ مَا جَاءَتْكُمُ الْبَيِّنَاتُ فَاعْلَمُوا
أَنَّ اللَّهَ عَزِيزٌ حَكِيمٌ
002.209 Fa-in zalaltum min baAAdi ma jaatkumu
albayyinatu faiAAlamoo anna Allaha AAazeezun hakeemun
|
2:209 Wanneer jullie dan afwijken (van de
Weg van Allah), nadat de duidelijke bewijzen tot jullie zijn gekomen,
weet dan dat Allah Almachtig, Alwijs is.
|
| |
|
هَلْ يَنْظُرُونَ إِلا أَنْ يَأْتِيَهُمُ اللَّهُ فِي ظُلَلٍ مِنَ
الْغَمَامِ وَالْمَلائِكَةُ وَقُضِيَ الأمْرُ وَإِلَى اللَّهِ تُرْجَعُ
الأمُورُ
002.210 Hal yanthuroona illa an ya/tiyahumu
Allahu fee thulalin mina alghamami waalmala-ikatu
waqudiya al-amru wa-ila Allahi turjaAAu al-omooru
|
2:210 Wat zij afwachten, is niets anders
dan dat (de bestraffing van) Allah tot hen komt, in de schaduwen van de
wolken, en de Engelen, en dat de zaak (hun ondergang) wordt beslist. En
tot Allah worden alle zaken teruggevoerd.
|
| |
|
سَلْ بَنِي إِسْرَائِيلَ كَمْ آتَيْنَاهُمْ مِنْ آيَةٍ بَيِّنَةٍ وَمَنْ
يُبَدِّلْ نِعْمَةَ اللَّهِ مِنْ بَعْدِ مَا جَاءَتْهُ فَإِنَّ اللَّهَ
شَدِيدُ الْعِقَابِ
002.211 Sal banee isra-eela kam ataynahum
min ayatin bayyinatin waman yubaddil niAAmata Allahi min
baAAdi ma jaat-hu fa-inna Allaha shadeedu alAAiqabi
|
2:211 Vraag aan de Kinderen van Israël
hoeveel duidelijke bewijzen Wij hun hebben gegeven. En wie de genieting
van Allah vervangt nadat deze tot hem is gekomen: voorwaar, Allah is
hard in de bestraffing.
|
| |
|
زُيِّنَ لِلَّذِينَ كَفَرُوا الْحَيَاةُ الدُّنْيَا وَيَسْخَرُونَ مِنَ
الَّذِينَ آمَنُوا وَالَّذِينَ اتَّقَوْا فَوْقَهُمْ يَوْمَ الْقِيَامَةِ
وَاللَّهُ يَرْزُقُ مَنْ يَشَاءُ بِغَيْرِ حِسَابٍ
002.212 Zuyyina lillatheena kafaroo alhayatu
alddunya wayaskharoona mina allatheena amanoo
waallatheena ittaqaw fawqahum yawma alqiyamati waAllahu
yarzuqu man yashao bighayri hisabin
|
2:212 Voor degenen die ongelovig zijn, is
het wereldse leven schoonschijnend gemaakt en zij bespotten degenen die
geloven. Maar degenen die (Allah) vrezen, zullen zich op de Dag der
Opstanding boven hen bevinden. En Allah schenkt voorzieningen zonder
berekening aan wil.
|
| |
|
كَانَ النَّاسُ أُمَّةً وَاحِدَةً فَبَعَثَ اللَّهُ النَّبِيِّينَ
مُبَشِّرِينَ وَمُنْذِرِينَ وَأَنْزَلَ مَعَهُمُ الْكِتَابَ بِالْحَقِّ
لِيَحْكُمَ بَيْنَ النَّاسِ فِيمَا اخْتَلَفُوا فِيهِ وَمَا اخْتَلَفَ
فِيهِ إِلا الَّذِينَ أُوتُوهُ مِنْ بَعْدِ مَا جَاءَتْهُمُ الْبَيِّنَاتُ
بَغْيًا بَيْنَهُمْ فَهَدَى اللَّهُ الَّذِينَ آمَنُوا لِمَا اخْتَلَفُوا
فِيهِ مِنَ الْحَقِّ بِإِذْنِهِ وَاللَّهُ يَهْدِي مَنْ يَشَاءُ إِلَى
صِرَاطٍ مُسْتَقِيمٍ
002.213 Kana alnnasu ommatan wahidatan
fabaAAatha Allahu alnnabiyyeena mubashshireena wamunthireena
waanzala maAAahumu alkitaba bialhaqqi liyahkuma
bayna alnnasi feema ikhtalafoo feehi wama
ikhtalafa feehi illa allatheena ootoohu min baAAdi ma
jaat-humu albayyinatu baghyan baynahum fahada Allahu
allatheena amanoo lima ikhtalafoo feehi mina alhaqqi
bi-ithnihi waAllahu yahdee man yashao ila
siratin mustaqeemin
|
2:213 De mensheid is een godsdienst
(toegedaan, maar er ontstond onenigheid) waarop Allah de Profeten zond
als verkondigers van verheugende tijdingen en als waarschuwers. En Hij
zond met hen de Schrift neer met de Waarheid om te oordelen tussen de
mensen over hetgeen waarover zij van mening verschilden. En niemand
verschilde van mening daarover dan degenen aan wie het gegeven was,
nadat de duidelijke bewijzen tot hen waren gekomen, uit onderlinge
afgunst. Allah leidde degenen die geloven met de Waarheid, met Zijn
toestemming, (weg van degenen die) van mening verschilden. En Allah
leidt wie Hij wil op een recht Pad.
|
| |
|
أَمْ حَسِبْتُمْ أَنْ تَدْخُلُوا الْجَنَّةَ وَلَمَّا يَأْتِكُمْ مَثَلُ
الَّذِينَ خَلَوْا مِنْ قَبْلِكُمْ مَسَّتْهُمُ الْبَأْسَاءُ وَالضَّرَّاءُ
وَزُلْزِلُوا حَتَّى يَقُولَ الرَّسُولُ وَالَّذِينَ آمَنُوا مَعَهُ مَتَى
نَصْرُ اللَّهِ أَلا إِنَّ نَصْرَ اللَّهِ قَرِيبٌ
002.214 Am hasibtum an tadkhuloo aljannata walamma
ya/tikum mathalu allatheena khalaw min qablikum massat-humu
alba/sao waalddarrao wazulziloo hatta
yaqoola alrrasoolu waallatheena amanoo
maAAahu mata nasru Allahi ala inna nasra
Allahi qareebun
|
2:214 Denken jullie dat jullie het
Paradijs zullen binnengaan, terwijl het gelijke dat tot degenen kwam die
voor jullie zijn heengegaan, nog niet tot jullie is gekomen? Rampen en
tegenspoed troggen hen en zij werden zodanig geschokt dat de
Boodschapper en degenen die met hem geloofden, zeiden: "Wanneer komt de
hulp van Allah"? Weet: voorwaar, de hulp van Allah is nabij.
|
| |
|
يَسْأَلُونَكَ مَاذَا يُنْفِقُونَ قُلْ مَا أَنْفَقْتُمْ مِنْ خَيْرٍ
فَلِلْوَالِدَيْنِ وَالأقْرَبِينَ وَالْيَتَامَى وَالْمَسَاكِينِ وَابْنِ
السَّبِيلِ وَمَا تَفْعَلُوا مِنْ خَيْرٍ فَإِنَّ اللَّهَ بِهِ عَلِيمٌ
002.215 Yas-aloonaka matha yunfiqoona qul ma
anfaqtum min khayrin falilwalidayni waal-aqrabeena waalyatama
waalmasakeeni waibni alssabeeli wama
tafAAaloo min khayrin fa-inna Allaha bihi AAaleemun
|
2:215 Zij vragen jou wat zij als bijdrage
moeten geven. Zeg: "Wat jullie aan goeds geven als bijdrage, is bestemd
voor de ouders en de verwanten en de wezen en de armen en de reiziger
zonder proviand". En wat jullie aan goeds doen: voorwaar, Allah is
daarover Alwetend.
|
| |
|
كُتِبَ عَلَيْكُمُ الْقِتَالُ وَهُوَ كُرْهٌ لَكُمْ وَعَسَى أَنْ
تَكْرَهُوا شَيْئًا وَهُوَ خَيْرٌ لَكُمْ وَعَسَى أَنْ تُحِبُّوا شَيْئًا
وَهُوَ شَرٌّ لَكُمْ وَاللَّهُ يَعْلَمُ وَأَنْتُمْ لا تَعْلَمُونَ
002.216 Kutiba AAalaykumu alqitalu wahuwa kurhun lakum
waAAasa an takrahoo shay-an wahuwa khayrun lakum waAAasa
an tuhibboo shay-an wahuwa sharrun lakum waAllahu
yaAAlamu waantum la taAAlamoona
|
2:216 De strijd is jullie verplicht,
terwijl jullie er een afkeer van hebben. Maar het kan zijn dat jullie
afkeer van iets hebben, terwijl het goed is voor jullie; en het kan zijn
dat jullie van iets houden, terwijl het slecht is voor jullie. En Allah
weet, terwijl jullie niet weten.
|
| |
|
يَسْأَلُونَكَ عَنِ الشَّهْرِ الْحَرَامِ قِتَالٍ فِيهِ قُلْ قِتَالٌ فِيهِ
كَبِيرٌ وَصَدٌّ عَنْ سَبِيلِ اللَّهِ وَكُفْرٌ بِهِ وَالْمَسْجِدِ
الْحَرَامِ وَإِخْرَاجُ أَهْلِهِ مِنْهُ أَكْبَرُ عِنْدَ اللَّهِ
وَالْفِتْنَةُ أَكْبَرُ مِنَ الْقَتْلِ وَلا يَزَالُونَ يُقَاتِلُونَكُمْ
حَتَّى يَرُدُّوكُمْ عَنْ دِينِكُمْ إِنِ اسْتَطَاعُوا وَمَنْ يَرْتَدِدْ
مِنْكُمْ عَنْ دِينِهِ فَيَمُتْ وَهُوَ كَافِرٌ فَأُولَئِكَ حَبِطَتْ
أَعْمَالُهُمْ فِي الدُّنْيَا وَالآخِرَةِ وَأُولَئِكَ أَصْحَابُ النَّارِ
هُمْ فِيهَا خَالِدُونَ
002.217 Yas-aloonaka AAani alshshahri alharami
qitalin feehi qul qitalun feehi kabeerun wasaddun
AAan sabeeli Allahi wakufrun bihi waalmasjidi alharami
wa-ikhraju ahlihi minhu akbaru AAinda Allahi waalfitnatu
akbaru mina alqatli wala yazaloona yuqatiloonakum hatta
yaruddookum AAan deenikum ini istataAAoo waman yartadid minkum
AAan deenihi fayamut wahuwa kafirun faola-ika habitat
aAAmaluhum fee alddunya waal-akhirati
waola-ika as-habu alnnari hum feeha
khalidoona
|
2:217 Zij vragen jou over de strijd in de
Gewijde maanden. Zeg (O Mohammed): "De strijd daarin is een grote
zonde. En het afhouden van het Pad van Allah en ongeloof aan Hem en het
versperren van de toegang tot de Masdjid al Haram" (de Gewijde Moskee te
Mekka) en het verdrijven van de bewoners er omheen, (dit alles) is nog
erger bij Allah. En Fitnah (hier: afgoderij) is erger dan het doden. En
zij zullen niet ophouden jullie te bestrijden totdat zij jullie van
jullie levenswijze hebben afgebracht en afvalligen hebben gemaakt, als
zij daartoe in staat zouden zijn. En wie van jullie afvallig is aan zijn
levensbeschouwing en dan sterft, terwijl hij een ongelovige is,
diegenen zijn het wier daden vruchteloos zijn, op aarde en het
Hiernamaals, diegenen zijn de bewoners van de Hel. Zij zijn daarin
eeuwig levenden.
|
| |
|
إِنَّ الَّذِينَ آمَنُوا وَالَّذِينَ هَاجَرُوا وَجَاهَدُوا فِي سَبِيلِ
اللَّهِ أُولَئِكَ يَرْجُونَ رَحْمَةَ اللَّهِ وَاللَّهُ غَفُورٌ رَحِيمٌ
002.218 Inna allatheena amanoo waallatheena
hajaroo wajahadoo fee sabeeli Allahi ola-ika
yarjoona rahmata Allahi waAllahu ghafoorun
raheemun
|
2:218 Voorwaar, degenen die geloven en
degenen die uitgeweken zijn en degenen die strijden op de Web van Allah,
zij zijn degenen die hopen op de Barmhartigheid van Allah. En Allah is
Vergevensgezind, Meest Barmhartig.
|
| |
|
يَسْأَلُونَكَ عَنِ الْخَمْرِ وَالْمَيْسِرِ قُلْ فِيهِمَا إِثْمٌ كَبِيرٌ
وَمَنَافِعُ لِلنَّاسِ وَإِثْمُهُمَا أَكْبَرُ مِنْ نَفْعِهِمَا
وَيَسْأَلُونَكَ مَاذَا يُنْفِقُونَ قُلِ الْعَفْوَ كَذَلِكَ يُبَيِّنُ
اللَّهُ لَكُمُ الآيَاتِ لَعَلَّكُمْ تَتَفَكَّرُونَ
002.219 Yas-aloonaka AAani alkhamri waalmaysiri qul feehima
ithmun kabeerun wamanafiAAu lilnnasi wa-ithmuhuma
akbaru min nafAAihima wayas-aloonaka matha yunfiqoona
quli alAAafwa kathalika yubayyinu Allahu lakumu al-ayati
laAAallakum tatafakkaroona
|
2:219 Zij vragen jou over de wijn en het
kansspel. Zeg: "In beide is grote zonde en nut voor de mensen, maar de
zonde in beide is groter dan hun nut". En zij vragen jou wat zij aan
bijdragen moeten geven. Zeg: "Wat jullie kunnen missen". Zo maakt Hij
voor jullie Zijn Tekenen duidelijk, hopelijk zullen jullie nadenken.
|
| |
|
فِي الدُّنْيَا وَالآخِرَةِ وَيَسْأَلُونَكَ عَنِ الْيَتَامَى قُلْ
إِصْلاحٌ لَهُمْ خَيْرٌ وَإِنْ تُخَالِطُوهُمْ فَإِخْوَانُكُمْ وَاللَّهُ
يَعْلَمُ الْمُفْسِدَ مِنَ الْمُصْلِحِ وَلَوْ شَاءَ اللَّهُ لأعْنَتَكُمْ
إِنَّ اللَّهَ عَزِيزٌ حَكِيمٌ
002.220 Fee alddunya waal-akhirati
wayas-aloonaka AAani alyatama qul islahun
lahum khayrun wa-in tukhalitoohum fa-ikhwanukum waAllahu
yaAAlamu almufsida mina almuslihi walaw shaa Allahu
laaAAnatakum inna Allaha AAazeezun hakeemun
|
2:220 Over de wereld en het Hiernamaals.
En zij vragen jou over de wezen. Zeg: "Het juiste beheer van hun zaken
is een goede daad, en als jullie je bezittingen met die can hen
vermengen, dan zijn zij jullie broeders. An Allah weet de verderfzaaier
van de goede beheerder te onderscheiden. En als Allah het wilde, zou Hij
jullie in moeilijkheden gebracht hebben. Voorwaar, Allah is Almachtig,
Alwetend.
|
| |
|
وَلا تَنْكِحُوا الْمُشْرِكَاتِ حَتَّى يُؤْمِنَّ وَلأمَةٌ مُؤْمِنَةٌ
خَيْرٌ مِنْ مُشْرِكَةٍ وَلَوْ أَعْجَبَتْكُمْ وَلا تُنْكِحُوا
الْمُشْرِكِينَ حَتَّى يُؤْمِنُوا وَلَعَبْدٌ مُؤْمِنٌ خَيْرٌ مِنْ
مُشْرِكٍ وَلَوْ أَعْجَبَكُمْ أُولَئِكَ يَدْعُونَ إِلَى النَّارِ
وَاللَّهُ يَدْعُو إِلَى الْجَنَّةِ وَالْمَغْفِرَةِ بِإِذْنِهِ
وَيُبَيِّنُ آيَاتِهِ لِلنَّاسِ لَعَلَّهُمْ يَتَذَكَّرُونَ
002.221 Wala tankihoo almushrikati hatta
yu/minna walaamatun mu/minatun khayrun min mushrikatin walaw
aAAjabatkum wala tunkihoo almushrikeena hatta
yu/minoo walaAAabdun mu/minun khayrun min mushrikin walaw aAAjabakum ola-ika
yadAAoona ila alnnari waAllahu
yadAAoo ila aljannati waalmaghfirati bi-ithnihi
wayubayyinu ayatihi lilnnasi laAAallahum
yatathakkaroona
|
2:221 En huwt niet met de
veelgodenaanbidsters totdat zij gelovigen zijn geworden, en een gelovige
slavin is zeker beter dan een veelgodenaanbidster, ook al is zij
aantrekkelijk voor jullie. En huwelijkt (de gelovige vrouwen) niet uit
aan de veelgodenaanbidders, totdat zij gelovigen zijn geworden. En een
gelovige slaaf is zeker beter dan een veelgodenaanbidder, ook al bevalt
hij jullie. Zij nodigen uit tot de Hel, terwijl Allah tot het Paradijs
en tot de vergeving uitnodigt, met Zijn verlof. Hij maakt Zijn Verzen
duidelijk aan de mensen, hopelijk zullen zij (de vermaning) ter harte
nemen.
|
| |
|
وَيَسْأَلُونَكَ عَنِ الْمَحِيضِ قُلْ هُوَ أَذًى فَاعْتَزِلُوا النِّسَاءَ
فِي الْمَحِيضِ وَلا تَقْرَبُوهُنَّ حَتَّى يَطْهُرْنَ فَإِذَا
تَطَهَّرْنَ فَأْتُوهُنَّ مِنْ حَيْثُ أَمَرَكُمُ اللَّهُ إِنَّ اللَّهَ
يُحِبُّ التَّوَّابِينَ وَيُحِبُّ الْمُتَطَهِّرِينَ
002.222 Wayas-aloonaka AAani almaheedi qul huwa athan
faiAAtaziloo alnnisaa fee almaheedi
wala taqraboohunna hatta yathurna fa-itha
tatahharna fa/toohunna min haythu amarakumu Allahu
inna Allaha yuhibbu alttawwabeena wayuhibbu
almutatahhireena
|
2:222 En zij vragen jou over de
menstruatie (Haid). Zeg: "Dat is een onreinheid, vermijdt daarom
(seksueel contact met) de vrouwen gedurende de ongesteldheid. En nadert
hen niet totdat zij rein zijn. Wanneer zij zich dan gereinigd hebben,
dan mogen jullie tot hen komen, zoals Allah jullie bevolen heeft.
Voorwaar, Allah heeft de berouwvollen lief en Hij heeft hen lief die
zich reinigen.
|
| |
|
نِسَاؤُكُمْ حَرْثٌ لَكُمْ فَأْتُوا حَرْثَكُمْ أَنَّى شِئْتُمْ
وَقَدِّمُوا لأنْفُسِكُمْ وَاتَّقُوا اللَّهَ وَاعْلَمُوا أَنَّكُمْ
مُلاقُوهُ وَبَشِّرِ الْمُؤْمِنِينَ
002.223 Nisaokum harthun lakum fa/too harthakum
anna shi/tum waqaddimoo li-anfusikum waittaqoo Allaha
waiAAlamoo annakum mulaqoohu wabashshiri almu/mineena
|
2:223 Jullie vrouwen zijn (als) akkers
voor jullie, komt dan tot jullie akkers zoals jullie wensen. En stuurt
voor jullie zelf (goede werken) vooruit en vreest Allah en weet dat
jullie Hem zeker zullen ontmoeten. En geeft verheugende tijdingen aan de
gelovigen.
|
| |
|
وَلا تَجْعَلُوا اللَّهَ عُرْضَةً لأيْمَانِكُمْ أَنْ تَبَرُّوا
وَتَتَّقُوا وَتُصْلِحُوا بَيْنَ النَّاسِ وَاللَّهُ سَمِيعٌ عَلِيمٌ
002.224 Wala tajAAaloo Allaha AAurdatan
li-aymanikum an tabarroo watattaqoo watuslihoo
bayna alnnasi waAllahu sameeAAun AAaleemun
|
2:224 En maakt (de Naam van) Allah niet
tot een belemmering in jullie eden (zwerende) dat jullie geen goedheid
zullen bedrijven en (Allah) niet zullen vrezen en geen verzoening tussen
de mensen tot stand zullen brengen. En Allah is Alhorend, Alwetend.
|
| |
|
لا يُؤَاخِذُكُمُ اللَّهُ بِاللَّغْوِ فِي أَيْمَانِكُمْ وَلَكِنْ
يُؤَاخِذُكُمْ بِمَا كَسَبَتْ قُلُوبُكُمْ وَاللَّهُ غَفُورٌ حَلِيمٌ
002.225 La yu-akhithukumu Allahu biallaghwi
fee aymanikum walakin yu-akhithukum bima
kasabat quloobukum waAllahu ghafoorun haleemun
|
2:225 Allah rekent jullie onnadenkendheid
in jullie eden niet aan. Maar Hij beoordeelt jullie naar wat jullie
harten verworven hebben (door jullie intenties). En Allah is
Vergevensgezind, Zachtmoedig.
|
| |
|
لِلَّذِينَ يُؤْلُونَ مِنْ نِسَائِهِمْ تَرَبُّصُ أَرْبَعَةِ أَشْهُرٍ
فَإِنْ فَاءُوا فَإِنَّ اللَّهَ غَفُورٌ رَحِيمٌ
002.226 Lillatheena yu/loona min nisa-ihim tarabbusu
arbaAAati ashhurin fa-in faoo fa-inna Allaha ghafoorun raheemun
|
2:226 Voor degenen die zweren zich te
zullen onthouden van hun vrouwen is een termijn van vier maanden
vastgesteld. Als zij dan terugkeren (naar hun vrouwen): voorwaar, Allah
is Vergevensgezind, Meest Barmhartig.
|
| |
|
وَإِنْ عَزَمُوا الطَّلاقَ فَإِنَّ اللَّهَ سَمِيعٌ عَلِيمٌ
002.227 Wa-in AAazamoo alttalaqa fa-inna Allaha
sameeAAun AAaleemun
|
2:227 Maar als zij vastbesloten zijn tot
echtscheiding: voorwaar, Allah is Alhorend, Alwetend.
|
| |
|
وَالْمُطَلَّقَاتُ يَتَرَبَّصْنَ بِأَنْفُسِهِنَّ ثَلاثَةَ قُرُوءٍ وَلا
يَحِلُّ لَهُنَّ أَنْ يَكْتُمْنَ مَا خَلَقَ اللَّهُ فِي أَرْحَامِهِنَّ
إِنْ كُنَّ يُؤْمِنَّ بِاللَّهِ وَالْيَوْمِ الآخِرِ وَبُعُولَتُهُنَّ
أَحَقُّ بِرَدِّهِنَّ فِي ذَلِكَ إِنْ أَرَادُوا إِصْلاحًا وَلَهُنَّ
مِثْلُ الَّذِي عَلَيْهِنَّ بِالْمَعْرُوفِ وَلِلرِّجَالِ عَلَيْهِنَّ
دَرَجَةٌ وَاللَّهُ عَزِيزٌ حَكِيمٌ
002.228 Waalmutallaqatu yatarabbasna
bi-anfusihinna thalathata quroo-in wala yahillu
lahunna an yaktumna ma khalaqa Allahu fee arhamihinna
in kunna yu/minna biAllahi waalyawmi al-akhiri
wabuAAoolatuhunna ahaqqu biraddihinna fee thalika in aradoo
islahan walahunna mithlu allathee AAalayhinna bialmaAAroofi
walilrrijali AAalayhinna darajatun waAllahu
AAazeezun hakeemun
|
2:228 En de gescheiden vrouwen moeten
voor zichzelf een Wachttijd ('Iddah) van drie maandelijkse perioden
(maandstonden) in acht nemen. En het is hen niet toegestaan te verbergen
wat Allah in hun schoten heeft geschapen, als jullie geloven in Allah
en in de Laatste Dag. En hun echtgenoten hebben het recht om hen terug
te nemen binnen die wachttijd, als zij verzoening wensen. En voor de
vrouwen zijn er rechten overeenkomstig hun plichten, volgens wat
redelijk is. Maar voor de mannen is er een rang boven hen (de vrouwen).
En Allah is Almachtig Alwijs.
|
| |
|
الطَّلاقُ مَرَّتَانِ فَإِمْسَاكٌ بِمَعْرُوفٍ أَوْ تَسْرِيحٌ بِإِحْسَانٍ
وَلا يَحِلُّ لَكُمْ أَنْ تَأْخُذُوا مِمَّا آتَيْتُمُوهُنَّ شَيْئًا إِلا
أَنْ يَخَافَا أَلا يُقِيمَا حُدُودَ اللَّهِ فَإِنْ خِفْتُمْ أَلا
يُقِيمَا حُدُودَ اللَّهِ فَلا جُنَاحَ عَلَيْهِمَا فِيمَا افْتَدَتْ بِهِ
تِلْكَ حُدُودُ اللَّهِ فَلا تَعْتَدُوهَا وَمَنْ يَتَعَدَّ حُدُودَ
اللَّهِ فَأُولَئِكَ هُمُ الظَّالِمُونَ
002.229 Alttalaqu marratani fa-imsakun
bimaAAroofin aw tasreehun bi-ihsanin wala
yahillu lakum an ta/khuthoo mimma ataytumoohunna
shay-an illa an yakhafa alla yuqeema
hudooda Allahi fa-in khiftum alla yuqeema hudooda
Allahi fala junaha AAalayhima feema
iftadat bihi tilka hudoodu Allahi fala taAAtadooha
waman yataAAadda hudooda Allahi faola-ika humu alththalimoona
|
2:229 De verstoting is twee maal
(mogelijk). Daarna is er (de keus tussen) terugname volgens de
voorschriften of scheiding op een goede manier. En het is jullie niet
toegestaan om iets terug te nemen van wat jullie hen (de vrouwen gegeven
hebben, behalve wanneer beiden vrezen dat ze niet de voorschriften van
Allah in acht kunnen nemen. Als jullie dan vrezen dat zij beiden de
voorschriften van Allah niet in acht nemen dan is het geen zonde voor
wanneer zij zich ermee vrijkoopt. Dat zijn de voorschriften van Allah,
overtreedt die daarom niet. En degenen de voorschriften van Allah over
treden: diegenen zijn de onrechtplegers.
|
| |
|
فَإِنْ طَلَّقَهَا فَلا تَحِلُّ لَهُ مِنْ بَعْدُ حَتَّى تَنْكِحَ زَوْجًا
غَيْرَهُ فَإِنْ طَلَّقَهَا فَلا جُنَاحَ عَلَيْهِمَا أَنْ يَتَرَاجَعَا
إِنْ ظَنَّا أَنْ يُقِيمَا حُدُودَ اللَّهِ وَتِلْكَ حُدُودُ اللَّهِ
يُبَيِّنُهَا لِقَوْمٍ يَعْلَمُونَ
002.230 Fa-in tallaqaha fala tahillu
lahu min baAAdu hatta tankiha zawjan ghayrahu fa-in
tallaqaha fala junaha AAalayhima an
yatarajaAAa in thanna an yuqeema
hudooda Allahi watilka hudoodu Allahi
yubayyinuha liqawmin yaAAlamoona
|
2:230 En wanneer hij haar de scheiding
heeft gegeven dan is zij hem daarna niet (als echtgenote) toegestaan,
totdat zij niet een andere man gehuwd geweest is. En als hij dan van
haar gescheiden is, dan rust er geen zonde op hen als zij weer bij
elkaar terugkomen, wanneer zij menen dat zij de voorschriften van Allah
in acht kunnen nemen. En dat zijn de voorschriften van Allah die Hij
duidelijk maak, voor een volk dat weet.
|
| |
|
وَإِذَا طَلَّقْتُمُ النِّسَاءَ فَبَلَغْنَ أَجَلَهُنَّ فَأَمْسِكُوهُنَّ
بِمَعْرُوفٍ أَوْ سَرِّحُوهُنَّ بِمَعْرُوفٍ وَلا تُمْسِكُوهُنَّ ضِرَارًا
لِتَعْتَدُوا وَمَنْ يَفْعَلْ ذَلِكَ فَقَدْ ظَلَمَ نَفْسَهُ وَلا
تَتَّخِذُوا آيَاتِ اللَّهِ هُزُوًا وَاذْكُرُوا نِعْمَةَ اللَّهِ
عَلَيْكُمْ وَمَا أَنْزَلَ عَلَيْكُمْ مِنَ الْكِتَابِ وَالْحِكْمَةِ
يَعِظُكُمْ بِهِ وَاتَّقُوا اللَّهَ وَاعْلَمُوا أَنَّ اللَّهَ بِكُلِّ
شَيْءٍ عَلِيمٌ
002.231 Wa-itha tallaqtumu alnnisaa
fabalaghna ajalahunna faamsikoohunna bimaAAroofin aw sarrihoohunna
bimaAAroofin wala tumsikoohunna diraran
litaAAtadoo waman yafAAal thalika faqad thalama
nafsahu wala tattakhithoo ayati Allahi
huzuwan waothkuroo niAAmata Allahi AAalaykum wama
anzala AAalaykum mina alkitabi waalhikmati yaAAithukum
bihi waittaqoo Allaha waiAAlamoo anna Allaha
bikulli shay-in AAaleemun
|
2:231 Wanneer de vrouwen scheiding
(aankondigen) en zij hebben hun termijn (de wachttijd van drie maanden)
bereikt, neemt hen dan terug volgens de voorschriften of scheidt volgens
de voorschriften. En houdt hen niet vast met de bedoeling hen te
kwellen waarmee jullie zouden overtreden. En degene die dat zou doen,
die heeft voorzeker zichzelf onrecht aangedaan. En maakt de Verzen van
Allah niet tot onderwerp van bespotting. En gedenkt de gunst van Allah
aan jullie en wat Hij aan jullie heeft neergezonden van het Boek (de
Kuran) en de Wijsheid waarmee Hij jullie onderwijst. En vreest Allah en
weet dat Allah over alle zaken Alwetend is.
|
| |
|
وَإِذَا طَلَّقْتُمُ النِّسَاءَ فَبَلَغْنَ أَجَلَهُنَّ فَلا
تَعْضُلُوهُنَّ أَنْ يَنْكِحْنَ أَزْوَاجَهُنَّ إِذَا تَرَاضَوْا
بَيْنَهُمْ بِالْمَعْرُوفِ ذَلِكَ يُوعَظُ بِهِ مَنْ كَانَ مِنْكُمْ
يُؤْمِنُ بِاللَّهِ وَالْيَوْمِ الآخِرِ ذَلِكُمْ أَزْكَى لَكُمْ
وَأَطْهَرُ وَاللَّهُ يَعْلَمُ وَأَنْتُمْ لا تَعْلَمُونَ
002.232 Wa-itha tallaqtumu alnnisaa
fabalaghna ajalahunna fala taAAduloohunna an yankihna
azwajahunna itha taradaw baynahum bialmaAAroofi
thalika yooAAathu bihi man kana minkum
yu/minu biAllahi waalyawmi al-akhiri thalikum
azka lakum waatharu waAllahu yaAAlamu
waantum la taAAlamoona
|
2:232 En wanneer jullie de vrouwen
scheiding hebben gegeven en zij hun termijn hebben bereikt verhindert
hen dan niet om te huwen met hun aanstaande echtgenoten als zij met
elkaar overeenstemming hebben bereikt, volgens de voorschriften. Dat is
waartoe jullie vermaand worden, (voor) wie van jullie in Allah gelooft
en in de Laatste Dag. Dat is deugdzamer en reiner voor jullie. En Allah
weet, terwijl jullie niet weten.
|
| |
|
وَالْوَالِدَاتُ يُرْضِعْنَ أَوْلادَهُنَّ حَوْلَيْنِ كَامِلَيْنِ لِمَنْ
أَرَادَ أَنْ يُتِمَّ الرَّضَاعَةَ وَعَلَى الْمَوْلُودِ لَهُ رِزْقُهُنَّ
وَكِسْوَتُهُنَّ بِالْمَعْرُوفِ لا تُكَلَّفُ نَفْسٌ إِلا وُسْعَهَا لا
تُضَارَّ وَالِدَةٌ بِوَلَدِهَا وَلا مَوْلُودٌ لَهُ بِوَلَدِهِ وَعَلَى
الْوَارِثِ مِثْلُ ذَلِكَ فَإِنْ أَرَادَا فِصَالا عَنْ تَرَاضٍ مِنْهُمَا
وَتَشَاوُرٍ فَلا جُنَاحَ عَلَيْهِمَا وَإِنْ أَرَدْتُمْ أَنْ
تَسْتَرْضِعُوا أَوْلادَكُمْ فَلا جُنَاحَ عَلَيْكُمْ إِذَا سَلَّمْتُمْ
مَا آتَيْتُمْ بِالْمَعْرُوفِ وَاتَّقُوا اللَّهَ وَاعْلَمُوا أَنَّ
اللَّهَ بِمَا تَعْمَلُونَ بَصِيرٌ
002.233 Waalwalidatu yurdiAAna awladahunna
hawlayni kamilayni liman arada an yutimma alrradaAAata
waAAala almawloodi lahu rizquhunna wakiswatuhunna bialmaAAroofi
la tukallafu nafsun illa wusAAaha la tudarra
walidatun biwaladiha wala mawloodun lahu
biwaladihi waAAala alwarithi mithlu thalika fa-in
arada fisalan AAan taradin minhuma
watashawurin fala junaha AAalayhima wa-in
aradtum an tastardiAAoo awladakum fala junaha
AAalaykum itha sallamtum ma ataytum bialmaAAroofi
waittaqoo Allaha waiAAlamoo anna Allaha bima
taAAmaloona baseerun
|
2:233 De moeders dienen hun kinderen twee
volle jaren te zogen, voor wie die de zogingsperiode wil volmaken. En
op de vader rust de plicht van het voorzien in hun voedsel en hun
kleding, volgens de voorschriften. Niemand wordt belast dan volgens zijn
vermogen. Laat de moeders niet geschaad worden vanwege haar kind, noch
de vader vanwege zijn kind. En op de erfgenamen rust dezelfde plicht.
Maar wanneer beiden spening wensen met wederzijds goedvinden en overleg,
dan rust er geen zonde op hen. En wanneer jullie je kinderen door
zoogmoeders wilt laten zogen, dan rust er geen zonde op jullie, als
jullie er een redelijke vergoeding voor geven. En vreest Allah en weet
dat Allah Alziende is over wat jullie doen.
|
| |
|
وَالَّذِينَ يُتَوَفَّوْنَ مِنْكُمْ وَيَذَرُونَ أَزْوَاجًا يَتَرَبَّصْنَ
بِأَنْفُسِهِنَّ أَرْبَعَةَ أَشْهُرٍ وَعَشْرًا فَإِذَا بَلَغْنَ
أَجَلَهُنَّ فَلا جُنَاحَ عَلَيْكُمْ فِيمَا فَعَلْنَ فِي أَنْفُسِهِنَّ
بِالْمَعْرُوفِ وَاللَّهُ بِمَا تَعْمَلُونَ خَبِيرٌ
002.234 Waallatheena yutawaffawna minkum wayatharoona
azwajan yatarabbasna bi-anfusihinna arbaAAata ashhurin
waAAashran fa-itha balaghna ajalahunna fala junaha
AAalaykum feema faAAalna fee anfusihinna bialmaAAroofi waAllahu
bima taAAmaloona khabeerun
|
2:234 En degenen van jullie die worden
weggenomen (overlijden) en echtgenoten achterlaten, zij moeten dan voor
zichzelf een termijn in acht nemen van vier maanden en tien dagen. En
wanneer zij hun termijn hebben bereikt, dan rust er geen zonde op hen
ten aanzien van wat zij met zichzelf doen, volgens de voorschriften. En
Allah is Alwetend over wat jullie doen.
|
| |
|
وَلا جُنَاحَ عَلَيْكُمْ فِيمَا عَرَّضْتُمْ بِهِ مِنْ خِطْبَةِ النِّسَاءِ
أَوْ أَكْنَنْتُمْ فِي أَنْفُسِكُمْ عَلِمَ اللَّهُ أَنَّكُمْ
سَتَذْكُرُونَهُنَّ وَلَكِنْ لا تُوَاعِدُوهُنَّ سِرًّا إِلا أَنْ
تَقُولُوا قَوْلا مَعْرُوفًا وَلا تَعْزِمُوا عُقْدَةَ النِّكَاحِ حَتَّى
يَبْلُغَ الْكِتَابُ أَجَلَهُ وَاعْلَمُوا أَنَّ اللَّهَ يَعْلَمُ مَا فِي
أَنْفُسِكُمْ فَاحْذَرُوهُ وَاعْلَمُوا أَنَّ اللَّهَ غَفُورٌ حَلِيمٌ
002.235 Wala junaha AAalaykum feema AAarradtum
bihi min khitbati alnnisa-i aw aknantum fee
anfusikum AAalima Allahu annakum satathkuroonahunna walakin
la tuwaAAidoohunna sirran illa an taqooloo qawlan
maAAroofan wala taAAzimoo AAuqdata alnnikahi hatta
yablugha alkitabu ajalahu waiAAlamoo anna Allaha
yaAAlamu ma fee anfusikum faihtharoohu waiAAlamoo
anna Allaha ghafoorun haleemun
|
2:235 En er rust geen zonde op jullie
wanneer jullie de vrouwen indirect huwelijksaanzoeken doen, of jullie
het verbergen in jullie harten. Allah weet dat jullie hen zuilen noemen,
maar doet hen geen beloften in het geheim, behalve om een behoorlijk
woord te spreken. En besluit niet tot de huwelijksvoltrekking totdat de
voorgeschreven termijn is bereikt. En weet dat Allah weet wat zich in
jullie harten bevindt. Hoedt jullie daarom voor Hem en weet dat Allah
Vergevensgezind, Zachtmoedig is.
|
| |
|
لا جُنَاحَ عَلَيْكُمْ إِنْ طَلَّقْتُمُ النِّسَاءَ مَا لَمْ تَمَسُّوهُنَّ
أَوْ تَفْرِضُوا لَهُنَّ فَرِيضَةً وَمَتِّعُوهُنَّ عَلَى الْمُوسِعِ
قَدَرُهُ وَعَلَى الْمُقْتِرِ قَدَرُهُ مَتَاعًا بِالْمَعْرُوفِ حَقًّا
عَلَى الْمُحْسِنِينَ
002.236 La junaha AAalaykum in tallaqtumu alnnisaa
ma lam tamassoohunna aw tafridoo lahunna fareedatan
wamattiAAoohunna AAala almoosiAAi qadaruhu waAAala
almuqtiri qadaruhu mataAAan bialmaAAroofi haqqan
AAala almuhsineena
|
2:236 Er rust geen zonde op jullie
wanneer jullie de vrouwen scheiding geven voordat jullie hen hebben
aangeraakt (geslachtsgemeenschap) of jullie voor hen een bruidschat
hebben vastgesteld, En geeft hun een geschenk, de rijke volgens zijn
vermogen en de arme volgens zijn vermogen. Een redelijk geschenk: als
een plicht voor de weldoeners.
|
| |
|
وَإِنْ طَلَّقْتُمُوهُنَّ مِنْ قَبْلِ أَنْ تَمَسُّوهُنَّ وَقَدْ
فَرَضْتُمْ لَهُنَّ فَرِيضَةً فَنِصْفُ مَا فَرَضْتُمْ إِلا أَنْ يَعْفُونَ
أَوْ يَعْفُوَ الَّذِي بِيَدِهِ عُقْدَةُ النِّكَاحِ وَأَنْ تَعْفُوا
أَقْرَبُ لِلتَّقْوَى وَلا تَنْسَوُا الْفَضْلَ بَيْنَكُمْ إِنَّ اللَّهَ
بِمَا تَعْمَلُونَ بَصِيرٌ
002.237 Wa-in tallaqtumoohunna min qabli an tamassoohunna
waqad faradtum lahunna fareedatan fanisfu ma
faradtum illa an yaAAfoona aw yaAAfuwa allathee
biyadihi AAuqdatu alnnikahi waan taAAfoo aqrabu lilttaqwa
wala tansawoo alfadla baynakum inna Allaha bima
taAAmaloona baseerun
|
2:237 En wanneer jullie hun scheiding
geven voordat jullie hen hebben aangeraakt en terwijl jullie voor hen
een bruidschat hebben vastgesteld: (geeft dan) de helft van wat jullie
hebben vastgesteld behalve wanneer zij kwijtschelding geven of degene in
wiens hand de huwelijksvoltrekking rust. En dat jullie kwijtschelding
geven is dichter bij Taqwa. En vergeet niet elkaars goede eigenschappen.
Voorwaar, Allah is Alziende over wat jullie doen.
|
| |
|
حَافِظُوا عَلَى الصَّلَوَاتِ وَالصَّلاةِ الْوُسْطَى وَقُومُوا لِلَّهِ
قَانِتِينَ
002.238 Hafithoo AAala alssalawati
waalssalati alwusta waqoomoo lillahi
qaniteena
|
2:238 Waakt over de shalat en (in het
bijzonder) over de middelste shalat ('Asr). En staat voor Allah in
ootmoed.
|
| |
|
فَإِنْ خِفْتُمْ فَرِجَالا أَوْ رُكْبَانًا فَإِذَا أَمِنْتُمْ فَاذْكُرُوا
اللَّهَ كَمَا عَلَّمَكُمْ مَا لَمْ تَكُونُوا تَعْلَمُونَ
002.239 Fa-in khiftum farijalan aw rukbanan fa-itha
amintum faothkuroo Allaha kama AAallamakum ma
lam takoonoo taAAlamoona
|
2:239 En als jullie (een aanval) vrezen,
(verricht de shalat dan) lopende of rijdende en als jullie dan in
veiligheid zijn, gedenkt dan Allah omdat Hij jullie heeft onderwezen wat
jullie voorheen niet wisten.
|
| |
|
وَالَّذِينَ يُتَوَفَّوْنَ مِنْكُمْ وَيَذَرُونَ أَزْوَاجًا وَصِيَّةً
لأزْوَاجِهِمْ مَتَاعًا إِلَى الْحَوْلِ غَيْرَ إِخْرَاجٍ فَإِنْ خَرَجْنَ
فَلا جُنَاحَ عَلَيْكُمْ فِي مَا فَعَلْنَ فِي أَنْفُسِهِنَّ مِنْ
مَعْرُوفٍ وَاللَّهُ عَزِيزٌ حَكِيمٌ
002.240 Waallatheena yutawaffawna minkum wayatharoona
azwajan wasiyyatan li-azwajihim mataAAan ila
alhawli ghayra ikhrajin fa-in kharajna fala junaha
AAalaykum fee ma faAAalna fee anfusihinna min maAAroofin waAllahu
AAazeezun hakeemun
|
2:240 En degenen onder jullie die
weggenomen worden en echtgenotes achterlaten, moeten een testament maken
voor hun echtgenotes, een voorziening voor een jaar, zonder uitzetting,
maar als zij (de huizen) uit vrije wil verlaten, dan rust er geen zonde
op jullie ten aanzien van wat zij voor zichzelf doen, volgens de
voorschriften. En Allah is Almachtig, Alwijs.
|
| |
|
وَلِلْمُطَلَّقَاتِ مَتَاعٌ بِالْمَعْرُوفِ حَقًّا عَلَى الْمُتَّقِينَ
002.241 Walilmutallaqati mataAAun bialmaAAroofi
haqqan AAala almuttaqeena
|
2:241 En voor de gescheiden vrouwen, is
er een gift naar redelijkheid, als een plicht voor de Moettaqoen.
|
| |
|
كَذَلِكَ يُبَيِّنُ اللَّهُ لَكُمْ آيَاتِهِ لَعَلَّكُمْ تَعْقِلُونَ
002.242 Kathalika yubayyinu Allahu lakum ayatihi
laAAallakum taAAqiloona
|
2:242 Zo maakt Allah voor jullie zijn
Verzen duidelijk hopelijk zullen jullie begrijpen.
|
| |
|
أَلَمْ تَرَ إِلَى الَّذِينَ خَرَجُوا مِنْ دِيَارِهِمْ وَهُمْ أُلُوفٌ
حَذَرَ الْمَوْتِ فَقَالَ لَهُمُ اللَّهُ مُوتُوا ثُمَّ أَحْيَاهُمْ إِنَّ
اللَّهَ لَذُو فَضْلٍ عَلَى النَّاسِ وَلَكِنَّ أَكْثَرَ النَّاسِ لا
يَشْكُرُونَ
002.243 Alam tara ila allatheena kharajoo min diyarihim
wahum oloofun hathara almawti faqala lahumu Allahu
mootoo thumma ahyahum inna Allaha lathoo fadlin
AAala alnnasi walakinna akthara alnnasi
la yashkuroona
|
2:243 Heb jij degenen niet gezien die uit
hun huizen vluchtten terwijl zij met duizenden waren, uit angst voor de
dood? Allah zei toen tot hen: "Sterft!" Daarna bracht Hij hen weer tot
leven. Voorwaar, Allah is de Bezitter van Gunsten voor de mensen, maar
de meeste mensen zijn niet dankbaar.
|
| |
|
وَقَاتِلُوا فِي سَبِيلِ اللَّهِ وَاعْلَمُوا أَنَّ اللَّهَ سَمِيعٌ
عَلِيمٌ
002.244 Waqatiloo fee sabeeli Allahi waiAAlamoo
anna Allaha sameeAAun AAaleemun
|
2:244 En strijdt op de Weg van Allah en
weet dat Allah Alhorend, Alwetend is.
|
| |
|
مَنْ ذَا الَّذِي يُقْرِضُ اللَّهَ قَرْضًا حَسَنًا فَيُضَاعِفَهُ لَهُ
أَضْعَافًا كَثِيرَةً وَاللَّهُ يَقْبِضُ وَيَبْسُطُ وَإِلَيْهِ
تُرْجَعُونَ
002.245 Man tha allathee yuqridu Allaha
qardan hasanan fayudaAAifahu lahu adAAafan
katheeratan waAllahu yaqbidu wayabsutu
wa-ilayhi turjaAAoona
|
2:245 Wie is degene die aan Allah een
goede lening geeft? Hij zal die vele malen vermenigvuldigen. En Allah
beperkt en verruimt (Zijn voorzieningen) en tot Hem worden jullie
teruggebracht.
|
| |
|
أَلَمْ تَرَ إِلَى الْمَلإ مِنْ بَنِي إِسْرَائِيلَ مِنْ بَعْدِ مُوسَى
إِذْ قَالُوا لِنَبِيٍّ لَهُمُ ابْعَثْ لَنَا مَلِكًا نُقَاتِلْ فِي
سَبِيلِ اللَّهِ قَالَ هَلْ عَسَيْتُمْ إِنْ كُتِبَ عَلَيْكُمُ الْقِتَالُ
أَلا تُقَاتِلُوا قَالُوا وَمَا لَنَا أَلا نُقَاتِلَ فِي سَبِيلِ اللَّهِ
وَقَدْ أُخْرِجْنَا مِنْ دِيَارِنَا وَأَبْنَائِنَا فَلَمَّا كُتِبَ
عَلَيْهِمُ الْقِتَالُ تَوَلَّوْا إِلا قَلِيلا مِنْهُمْ وَاللَّهُ عَلِيمٌ
بِالظَّالِمِينَ
002.246 Alam tara ila almala-i min banee isra-eela
min baAAdi moosa ith qaloo linabiyyin lahumu
ibAAath lana malikan nuqatil fee sabeeli Allahi qala
hal AAasaytum in kutiba AAalaykumu alqitalu alla tuqatiloo
qaloo wama lana alla nuqatila fee
sabeeli Allahi waqad okhrijna min diyarina
waabna-ina falamma kutiba AAalayhimu alqitalu
tawallaw illa qaleelan minhum waAllahu AAaleemun
bialththalimeena
|
2:246 Heb jij niet gezien, (hoe het einde
was van) de vooraanstaanden van de Kinderen van Israël I na (het
heengaan van) Mozes? Toen zij tot een Profeet van hen zeiden: "Wijs voor
ons een koning aan, dan zullen wij strijden op de Weg van Allah". Hij
zei: "Is het mogelijk dat als jullie de strijd wordt verplicht, jullie
niet zullen strijden"? Zij zeiden: "Waarom zouden wij niet op de Weg van
Allah strijden, terwijl wij uit onze woonplaatsen zijn verdreven en van
onze zonen"? En toen dan hun de strijd werd verplicht, wendden zij zich
af, met uitzondering van een klein aantal van hen. En Allah kent de
onrechtplegers.
|
| |
|
وَقَالَ لَهُمْ نَبِيُّهُمْ إِنَّ اللَّهَ قَدْ بَعَثَ لَكُمْ طَالُوتَ
مَلِكًا قَالُوا أَنَّى يَكُونُ لَهُ الْمُلْكُ عَلَيْنَا وَنَحْنُ أَحَقُّ
بِالْمُلْكِ مِنْهُ وَلَمْ يُؤْتَ سَعَةً مِنَ الْمَالِ قَالَ إِنَّ
اللَّهَ اصْطَفَاهُ عَلَيْكُمْ وَزَادَهُ بَسْطَةً فِي الْعِلْمِ
وَالْجِسْمِ وَاللَّهُ يُؤْتِي مُلْكَهُ مَنْ يَشَاءُ وَاللَّهُ وَاسِعٌ
عَلِيمٌ
002.247 Waqala lahum nabiyyuhum inna Allaha qad
baAAatha lakum taloota malikan qaloo anna yakoonu
lahu almulku AAalayna wanahnu ahaqqu bialmulki
minhu walam yu/ta saAAatan mina almali qala inna Allaha
istafahu AAalaykum wazadahu bastatan fee
alAAilmi waaljismi waAllahu yu/tee mulkahu man yashao
waAllahu wasiAAun AAaleemun
|
2:247 En hun Profeet zei tot hen:
"Voorwaar, Allah heeft voor jullie Thaloet aangewezen als koning". Zij
zeiden: "Hoe kan het zijn dat hem het koningschap over ons gegeven
wordt, terwijl wij meer recht hebben op het koningschap dan hij, en hem
geen overvloed aan bezittingen is gegeven"? Hij zei: "Voorwaar, Allah
heeft hem boven jullie verkozen en hem rijkelijk voorzien van kennis en
lichaamskracht. En Allah geeft het koningschap aan wie Hij wil en Allah
is Allesomvattend, Alwetend.
|
| |
|
وَقَالَ لَهُمْ نَبِيُّهُمْ إِنَّ آيَةَ مُلْكِهِ أَنْ يَأْتِيَكُمُ
التَّابُوتُ فِيهِ سَكِينَةٌ مِنْ رَبِّكُمْ وَبَقِيَّةٌ مِمَّا تَرَكَ آلُ
مُوسَى وَآلُ هَارُونَ تَحْمِلُهُ الْمَلائِكَةُ إِنَّ فِي ذَلِكَ لآيَةً
لَكُمْ إِنْ كُنْتُمْ مُؤْمِنِينَ
002.248 Waqala lahum nabiyyuhum inna ayata mulkihi
an ya/tiyakumu alttabootu feehi sakeenatun min rabbikum
wabaqiyyatun mimma taraka alu moosa waalu haroona
tahmiluhu almala-ikatu inna fee thalika laayatan
lakum in kuntum mu/mineena
|
2:248 En hun Profeet zei tot hen:
"Voorwaar, een teken van zijn koningschap is dat de Taboet (ark) tot
jullie zal komen waarin geruststelling van jullie Heer is, (en) waarin
zich een nalatenschap bevindt van wat is nagelaten door de familie van
Mozes en de familie van Haroen. De Engelen zullen hem (de ark) dragen.
Voorwaar, daarin zijn zeker Tekenen voor jullie, als jullie gelovigen
zouden zijn.
|
| |
|
فَلَمَّا فَصَلَ طَالُوتُ بِالْجُنُودِ قَالَ إِنَّ اللَّهَ مُبْتَلِيكُمْ
بِنَهَرٍ فَمَنْ شَرِبَ مِنْهُ فَلَيْسَ مِنِّي وَمَنْ لَمْ يَطْعَمْهُ
فَإِنَّهُ مِنِّي إِلا مَنِ اغْتَرَفَ غُرْفَةً بِيَدِهِ فَشَرِبُوا مِنْهُ
إِلا قَلِيلا مِنْهُمْ فَلَمَّا جَاوَزَهُ هُوَ وَالَّذِينَ آمَنُوا
مَعَهُ قَالُوا لا طَاقَةَ لَنَا الْيَوْمَ بِجَالُوتَ وَجُنُودِهِ قَالَ
الَّذِينَ يَظُنُّونَ أَنَّهُمْ مُلاقُو اللَّهِ كَمْ مِنْ فِئَةٍ
قَلِيلَةٍ غَلَبَتْ فِئَةً كَثِيرَةً بِإِذْنِ اللَّهِ وَاللَّهُ م |