Taa Haa

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

طٰہٰ ۚ﴿۱﴾

020.001 Ta-ha

20:1 Tha Ha. T[aa?] H[aa?].

مَاۤ اَنۡزَلۡنَا عَلَیۡکَ الۡقُرۡاٰنَ لِتَشۡقٰۤی ۙ﴿۲﴾

020.002 Ma anzalna AAalayka alqur-ana litashqa

20:2 Wij hebben de Kuran niet tot jou doen neerdalen om jou ongelukkig te maken. Wij hebben de Koran niet tot jou neergezonden opdat jij ongelukkig zou zijn,

اِلَّا تَذۡکِرَۃً لِّمَنۡ یَّخۡشٰی ۙ﴿۳﴾

020.003 Illa tathkiratan liman yakhsha

20:3 Maar slechts als een waarschuwing voor wie (Allah) vreest. maar slechts als een vermaning voor wie [Allah] vreest,

تَنۡزِیۡلًا مِّمَّنۡ خَلَقَ الۡاَرۡضَ وَ السَّمٰوٰتِ الۡعُلٰی ؕ﴿۴﴾

020.004 Tanzeelan mimman khalaqa al-arda waalssamawati alAAula

20:4 Als een openbaring van Hem Die de aarde en de hoge hemelen geschapen heeft. als een neerzending van Hem die de aarde en de hoge hemelen geschapen heeft,

اَلرَّحۡمٰنُ عَلَی الۡعَرۡشِ اسۡتَوٰی ﴿۵﴾

020.005 Alrrahmanu AAala alAAarshi istawa

20:5 De Barmhartige, Die op de Troon zetelt. de Erbarmer; Hij heeft zich op de troon gevestigd.

لَہٗ مَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ مَا فِی الۡاَرۡضِ وَ مَا بَیۡنَہُمَا وَ مَا تَحۡتَ الثَّرٰی ﴿۶﴾

020.006 Lahu ma fee alssamawati wama fee al-ardi wama baynahuma wama tahta alththara

20:6 Aan Hem behoort wat in de hemelen en op de aarde is en wat ertussen is en wat zich onder de grond bevindt. Hem behoort wat er in de hemelen, wat er op de aarde, wat er tussen beide en wat er onder de grond is.

وَ اِنۡ تَجۡہَرۡ بِالۡقَوۡلِ فَاِنَّہٗ یَعۡلَمُ السِّرَّ وَ اَخۡفٰی ﴿۷﴾

020.007 Wa-in tajhar bialqawli fa-innahu yaAAlamu alssirra waakhfa

20:7 Of jij niet luide stem spreekt (of niet): voorwaar, Hij kent het geheim en het meest verborgene. En al spreek jij met luide stem, Hij weet wat geheim is en wat nog verborgener is.

اَللّٰہُ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ ؕ لَہُ الۡاَسۡمَآءُ الۡحُسۡنٰی ﴿۸﴾

020.008 Allahu la ilaha illa huwa lahu al-asmao alhusna

20:8 Allah, er is geen god dan Hij, de Schone Namen (Asmaoelhoesna) behoren Hem toe. Allah, er is geen god dan Hij, Hem komen de mooiste namen toe.

وَ ہَلۡ اَتٰىکَ حَدِیۡثُ مُوۡسٰی ۘ﴿۹﴾

020.009 Wahal ataka hadeethu moosa

20:9 En heeft het verhaal van Mozes jou bereikt? Is het verhaal van Moesa tot jou gekomen?

اِذۡ رَاٰ نَارًا فَقَالَ لِاَہۡلِہِ امۡکُثُوۡۤا اِنِّیۡۤ اٰنَسۡتُ نَارًا لَّعَلِّیۡۤ اٰتِیۡکُمۡ مِّنۡہَا بِقَبَسٍ اَوۡ اَجِدُ عَلَی النَّارِ ہُدًی ﴿۱۰﴾

020.010 Ith raa naran faqala li-ahlihi omkuthoo innee anastu naran laAAallee ateekum minha biqabasin aw ajidu AAala alnnari hudan

20:10 Toen hij een vuur zag, en tot zij familie zei "Blijft hier, want ik zie een vuur. Misschien zal ik daarvan een fakkel bij jullie brengen of zal ik bij het vuur Leiding vinden." Toen hij een vuur zag en tot zijn mensen zei: "Blijft staan, ik heb een vuur waargenomen, misschien zal ik jullie er een fakkel van brengen of bij het vuur een aanduiding van de goede richting vinden."

فَلَمَّاۤ اَتٰىہَا نُوۡدِیَ یٰمُوۡسٰی ﴿ؕ۱۱﴾

020.011 Falamma ataha noodiya ya moosa

20:11 En toen hij daar aankwam, werd geroepen: "O Mozes!" Toen hij er kwam werd hem toegeroepen: O Moesa,

اِنِّیۡۤ اَنَا رَبُّکَ فَاخۡلَعۡ نَعۡلَیۡکَ ۚ اِنَّکَ بِالۡوَادِ الۡمُقَدَّسِ طُوًی ﴿ؕ۱۲﴾

020.012 Innee ana rabbuka faikhlaAA naAAlayka innaka bialwadi almuqaddasi tuwan

20:12 Voorwaar, Ik ben jouw Heer, dus trek jouw sandalen uit: voorwaar, jij bevindt je in de heilige vallei Thoewa. Ik ben het, jouw Heer. Trek dus jouw schoenen uit. Jij bent in de geheiligde vallei Toewa.

وَ اَنَا اخۡتَرۡتُکَ فَاسۡتَمِعۡ لِمَا یُوۡحٰی ﴿۱۳﴾

020.013 Waana ikhtartuka faistamiAA lima yooha

20:13 En ik heb jou uitverkoren, dus luister naar wat geopenbaard wordt. En Ik heb jou uitgekozen; luister dus naar wat geopenbaard zal worden.

اِنَّنِیۡۤ اَنَا اللّٰہُ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّاۤ اَنَا فَاعۡبُدۡنِیۡ ۙ وَ اَقِمِ الصَّلٰوۃَ لِذِکۡرِیۡ ﴿۱۴﴾

020.014 Innanee ana Allahu la ilaha illa ana faoAAbudnee waaqimi alssalata lithikree

20:14 Voorwaar, Ik ben Allah, er is geen god dan Ik. Aanbid mij daarom en onderhoud de shalat om Mij te gedenken. Ik ben Allah, er is geen god dan Ik. Dien Mij dus en verricht de salaat om Mij te gedenken.

اِنَّ السَّاعَۃَ اٰتِیَۃٌ اَکَادُ اُخۡفِیۡہَا لِتُجۡزٰی کُلُّ نَفۡسٍۭ بِمَا تَسۡعٰی ﴿۱۵﴾

020.015 Inna alssaAAata atiyatun akadu okhfeeha litujza kullu nafsin bima tasAAa

20:15 Voorwaar, het Uur zal komen. Ik sta op het punt om Zelf te onthullen dat iedere ziel beloond zal worden voor wat zij nastreeft. Het uur komt -- Ik houd het nauwelijks nog verborgen -- opdat aan elke ziel vergolden wordt wat zij nastreeft.

فَلَا یَصُدَّنَّکَ عَنۡہَا مَنۡ لَّا یُؤۡمِنُ بِہَا وَ اتَّبَعَ ہَوٰىہُ فَتَرۡدٰی ﴿۱۶﴾

020.016 Fala yasuddannaka AAanha man la yu/minu biha waittabaAAa hawahu fatarda

20:16 Laat je daarom er niet van afhouden door degene die er niet in gelooft en zijn begeerte volgt, zodat jij niet ten onder gaat. Laat wie er niet aan gelooft en zijn geneigdheid volgt jou er niet van afhouden, zodat jij ten onder gaat.

وَ مَا تِلۡکَ بِیَمِیۡنِکَ یٰمُوۡسٰی ﴿۱۷﴾

020.017 Wama tilka biyameenika ya moosa

20:17 Wat is dat daar in jouw rechterhand, O Mozes?" En wat is dat daar in je rechterhand?"

قَالَ ہِیَ عَصَایَ ۚ اَتَوَکَّؤُا عَلَیۡہَا وَ اَہُشُّ بِہَا عَلٰی غَنَمِیۡ وَ لِیَ فِیۡہَا مَاٰرِبُ اُخۡرٰی ﴿۱۸﴾

020.018 Qala hiya AAasaya atawakkao AAalayha waahushshu biha AAala ghanamee waliya feeha maaribu okhra

20:18 Hij (Mozes) zei: "Dat is mijn staf, waarop ik leun en waarmee ik bladeren afsla voor mijn schapen en die ik ook voor andere doelen gebruik." Hij zei: "Dat is mijn staf waarop ik leun en waarmee ik voor mijn schapen bladeren afsla en ik heb er ook nog andere toepassingen voor."

قَالَ اَلۡقِہَا یٰمُوۡسٰی ﴿۱۹﴾

020.019 Qala alqiha ya moosa

20:19 Hij (Allah) zei: "Werp hem neer, O Mozes!" Hij zei: "Werp hem neer, Moesa."

فَاَلۡقٰہَا فَاِذَا ہِیَ حَیَّۃٌ تَسۡعٰی ﴿۲۰﴾

020.020 Faalqaha fa-itha hiya hayyatun tasAAa

20:20 Toen wierp hij hem neer en hij word een slang die zich snel voortbewoog. En hij wierp hem neer en het was opeens een slang die voortbewoog.

قَالَ خُذۡہَا وَ لَا تَخَفۡ ٝ سَنُعِیۡدُہَا سِیۡرَتَہَا الۡاُوۡلٰی ﴿۲۱﴾

020.021 Qala khuthha wala takhaf sanuAAeeduha seerataha al-oola

20:21 Hij (Allah) zei: "Pak hem op en wees niet bang, Wij zullen hem weer in de oorspronkelijke toestand terugbrengen. Hij zei: "Pak hem en wees niet bang; Wij laten hem weer net zo worden als hij eerst was.

وَ اضۡمُمۡ یَدَکَ اِلٰی جَنَاحِکَ تَخۡرُجۡ بَیۡضَآءَ مِنۡ غَیۡرِ سُوۡٓءٍ اٰیَۃً اُخۡرٰی ﴿ۙ۲۲﴾

020.022 Waodmum yadaka ila janahika takhruj baydaa min ghayri soo-in ayatan okhra

20:22 En stop jouw hand onderjouw kraag, hij zal wit tevoorschijn komen, zonder ziekte, als een ander Teken. En houd je hand onder je arm dan zal zij wit, maar zonder iets slechts, tevoorschijn komen als nog een teken

لِنُرِیَکَ مِنۡ اٰیٰتِنَا الۡکُبۡرٰی ﴿ۚ۲۳﴾

020.023 Linuriyaka min ayatina alkubra

20:23 Zodat Wij jou iets te laten zien van Onze grote Tekenen. om jou iets van Onze grootse tekenen te laten zien.

اِذۡہَبۡ اِلٰی فِرۡعَوۡنَ اِنَّہٗ طَغٰی ﴿٪۲۴﴾

020.024 Ithhab ila firAAawna innahu tagha

20:24 Ga naar Farao: voorwaar, hij overtrad." Ga heen naar Fir'aun; hij is onbeschaamd."

قَالَ رَبِّ اشۡرَحۡ لِیۡ صَدۡرِیۡ ﴿ۙ۲۵﴾

020.025 Qala rabbi ishrah lee sadree

20:25 Hij (Mozes) zei: "O Heer, verruim mijn borst. Hij zei: "Mijn Heer, stel bij mij mijn hart open,

وَ یَسِّرۡ لِیۡۤ اَمۡرِیۡ ﴿ۙ۲۶﴾

020.026 Wayassir lee amree

20:26 En maak mijn taak makkelijk voor mij. vergemakkelijk mijn taak voor mij

وَ احۡلُلۡ عُقۡدَۃً مِّنۡ لِّسَانِیۡ ﴿ۙ۲۷﴾

020.027 Waohlul AAuqdatan min lisanee

20:27 En verlos mij van het gebrek in mijn tong. en maak een knoop in mijn tong los,

یَفۡقَہُوۡا قَوۡلِیۡ ﴿۪۲۸﴾

020.028 Yafqahoo qawlee

20:28 Zodat zij mijn woorden zullen begrijpen. zodat zij begrijpen wat ik zeg.

وَ اجۡعَلۡ لِّیۡ وَزِیۡرًا مِّنۡ اَہۡلِیۡ ﴿ۙ۲۹﴾

020.029 WaijAAal lee wazeeran min ahlee

20:29 En stel voor mij een helper aan uit mijn familie. En stel voor mij een medewerker aan uit mijn familie,

ہٰرُوۡنَ اَخِی ﴿ۙ۳۰﴾

020.030 Haroona akhee

20:30 Haroen, mijn broeder. Haroen, mijn broer.

اشۡدُدۡ بِہٖۤ اَزۡرِیۡ ﴿ۙ۳۱﴾

020.031 Oshdud bihi azree

20:31 Versterk met hem mijn kracht. Geef mij door hem meer kracht

وَ اَشۡرِکۡہُ فِیۡۤ اَمۡرِیۡ ﴿ۙ۳۲﴾

020.032 Waashrik-hu fee amree

20:32 En laat hem delen in mijn taak. en laat hem in mijn taak delen,

کَیۡ نُسَبِّحَکَ کَثِیۡرًا ﴿ۙ۳۳﴾

020.033 Kay nusabbihaka katheeran

20:33 Zodat wij U veel kunnen prijzen. opdat wij U veelvuldig prijzen

وَّ نَذۡکُرَکَ کَثِیۡرًا ﴿ؕ۳۴﴾

020.034 Wanathkuraka katheeran

20:34 En U veel zullen gedenken. en U veelvuldig gedenken.

اِنَّکَ کُنۡتَ بِنَا بَصِیۡرًا ﴿۳۵﴾

020.035 Innaka kunta bina baseeran

20:35 Voorwaar, U bent Alziend over ons." U doorziet ons!"

قَالَ قَدۡ اُوۡتِیۡتَ سُؤۡلَکَ یٰمُوۡسٰی ﴿۳۶﴾

020.036 Qala qad ooteeta su/laka ya moosa

20:36 Hij (Allah) zei: "Waarlijk, jouw verzoek is ingewilligd, O Mozes. Hij zei: "Jouw verzoek is ingewilligd, Moesa!

وَ لَقَدۡ مَنَنَّا عَلَیۡکَ مَرَّۃً اُخۡرٰۤی ﴿ۙ۳۷﴾

020.037 Walaqad mananna AAalayka marratan okhra

20:37 En voorzeker, Wij hebben jou een andere keer begunstigd. En Wij hebben jou ook al een andere keer een gunst bewezen,

اِذۡ اَوۡحَیۡنَاۤ اِلٰۤی اُمِّکَ مَا یُوۡحٰۤی ﴿ۙ۳۸﴾

020.038 Ith awhayna ila ommika ma yooha

20:38 Toen Wij jouw moeder inspireerden met wat genspireerd werd. toen Wij aan jouw moeder openbaarden wat geopenbaard is:

اَنِ اقۡذِفِیۡہِ فِی التَّابُوۡتِ فَاقۡذِفِیۡہِ فِی الۡیَمِّ فَلۡیُلۡقِہِ الۡیَمُّ بِالسَّاحِلِ یَاۡخُذۡہُ عَدُوٌّ لِّیۡ وَ عَدُوٌّ لَّہٗ ؕ وَ اَلۡقَیۡتُ عَلَیۡکَ مَحَبَّۃً مِّنِّیۡ ۬ۚ وَ لِتُصۡنَعَ عَلٰی عَیۡنِیۡ ﴿ۘ۳۹﴾

020.039 Ani iqthifeehi fee alttabooti faiqthifeehi fee alyammi falyulqihi alyammu bialssahili ya/khuthhu AAaduwwun lee waAAaduwwun lahu waalqaytu AAalayka mahabbatan minnee walitusnaAAa AAala AAaynee

20:39 (Wij zeiden haar:) Leg hem in de kist en werp hem in de zee, zodat de zee hem op de kust zal werpen; een vijand van Mij en een vijand van hem zal hem opnemen. En ik heb Mijn liefde over jou uitgestort opdat jij onder Mijn toezicht grootgebracht werd. 'Werp hem in de kist en werp hem in de zee, dan zal de zee hem op de kust werpen, zodat een vijand van Mij en een vijand van hem hem zal opnemen.? En Ik heb over jou liefde van Mij uitgestort en jij moest onder Mijn ogen grootgebracht worden.

اِذۡ تَمۡشِیۡۤ اُخۡتُکَ فَتَقُوۡلُ ہَلۡ اَدُلُّکُمۡ عَلٰی مَنۡ یَّکۡفُلُہٗ ؕ فَرَجَعۡنٰکَ اِلٰۤی اُمِّکَ کَیۡ تَقَرَّ عَیۡنُہَا وَ لَا تَحۡزَنَ ۬ؕ وَ قَتَلۡتَ نَفۡسًا فَنَجَّیۡنٰکَ مِنَ الۡغَمِّ وَ فَتَنّٰکَ فُتُوۡنًا ۬۟ فَلَبِثۡتَ سِنِیۡنَ فِیۡۤ اَہۡلِ مَدۡیَنَ ۬ۙ ثُمَّ جِئۡتَ عَلٰی قَدَرٍ یّٰمُوۡسٰی ﴿۴۰﴾

020.040 Ith tamshee okhtuka fataqoolu hal adullukum AAala man yakfuluhu farajaAAnaka ila ommika kay taqarra AAaynuha wala tahzana waqatalta nafsan fanajjaynaka mina alghammi wafatannaka futoonan falabithta sineena fee ahli madyana thumma ji/ta AAala qadarin ya moosa

20:40 Toen jouw zuster heenging en (tegen de familie van Farao) zei : 'Zal ik hem naar iemand brengen, die voor hem kan zorgen? Zo brachten Wij jou bij jouw moeder terug, zodat haar ogen verblijdden en niet treurden. En jij hebt iemand gedood; daarop hebben Wij jou uit de moeilijkheden gered en Wij hebben jou aan veel beproevingen blootgesteld. Zo verbleef jij jaren onder het volk van Madyan, toen kwam jij, zoals bepaald, O Mozes. Toen jouw zuster heenging en zei: 'Zal ik jullie iemand aanwijzen die voor hem zal zorgen?? Zo brachten Wij jou terug naar jouw moeder opdat jij goedsmoeds en niet bedroefd zou zijn. En jij hebt een mens gedood, maar Wij hebben jou uit de nood gered en jou aan verzoeking blootgesteld. Zo bleef jij jaren bij de mensen van Madjan. Toen kwam jij, Moesa, [hierheen] als beschikt.

وَ اصۡطَنَعۡتُکَ لِنَفۡسِیۡ ﴿ۚ۴۱﴾

020.041 WaistanaAAtuka linafsee

20:41 En ik heb jou voor Mijzelf gekozen. En Ik heb jou voor Mijzelf uitgekozen.

اِذۡہَبۡ اَنۡتَ وَ اَخُوۡکَ بِاٰیٰتِیۡ وَ لَا تَنِیَا فِیۡ ذِکۡرِیۡ ﴿ۚ۴۲﴾

020.042 Ithhab anta waakhooka bi-ayatee wala taniya fee thikree

20:42 Gaat heen jij en je broeder en veronachtzaamt Mijn gedachtenis niet. Ga heen, jij en jouw broeder, met Mijn tekenen en wordt niet moe Mij te gedenken.

اِذۡہَبَاۤ اِلٰی فِرۡعَوۡنَ اِنَّہٗ طَغٰی ﴿ۚۖ۴۳﴾

020.043 Ithhaba ila firAAawna innahu tagha

20:43 Gaat naar Farao: voorwaar, hij overtrad. Gaat heen naar Fir'aun; hij is onbeschaamd.

فَقُوۡلَا لَہٗ قَوۡلًا لَّیِّنًا لَّعَلَّہٗ یَتَذَکَّرُ اَوۡ یَخۡشٰی ﴿۴۴﴾

020.044 Faqoola lahu qawlan layyinan laAAallahu yatathakkaru aw yakhsha

20:44 En spreekt mild tot hem, moge hij zich laten vermanen, of er bang van worden." En spreekt zachtmoedig tot hem; misschien laat hij zich vermanen of vreest hij."

قَالَا رَبَّنَاۤ اِنَّنَا نَخَافُ اَنۡ یَّفۡرُطَ عَلَیۡنَاۤ اَوۡ اَنۡ یَّطۡغٰی ﴿۴۵﴾

020.045 Qala rabbana innana nakhafu an yafruta AAalayna aw an yatgha

20:45 Zij zeiden: "Onze Heer, voorwaar, wij zijn bang dat hij gewelddadig zal zijn tegen ons, of zal overtreden." Zij zeiden: "Onze Heer, wij zijn bang dat hij zich aan ons vergrijpt of dat hij onbeschaamd zal zijn."

قَالَ لَا تَخَافَاۤ اِنَّنِیۡ مَعَکُمَاۤ اَسۡمَعُ وَ اَرٰی ﴿۴۶﴾

020.046 Qala la takhafa innanee maAAakuma asmaAAu waara

20:46 Hij zei: "Weest niet bang. Voorwaar, Ik ben met jullie beiden, Ik hoor en Ik zie. Hij zei: "Weest niet bang, Ik ben met jullie; Ik hoor en zie!

فَاۡتِیٰہُ فَقُوۡلَاۤ اِنَّا رَسُوۡلَا رَبِّکَ فَاَرۡسِلۡ مَعَنَا بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ ۬ۙ وَ لَا تُعَذِّبۡہُمۡ ؕ قَدۡ جِئۡنٰکَ بِاٰیَۃٍ مِّنۡ رَّبِّکَ ؕ وَ السَّلٰمُ عَلٰی مَنِ اتَّبَعَ الۡہُدٰی ﴿۴۷﴾

020.047 Fa/tiyahu faqoola inna rasoola rabbika faarsil maAAana banee isra-eela wala tuAAaththibhum qad ji/naka bi-ayatin min rabbika waalssalamu AAala mani ittabaAAa alhuda

20:47 Gaat daarom naar hem toe, en zegt: 'Voorwaar, wij zijn Boodschappers van jouw Heer, stuur de Kinderen van Isral met ons en bestraft hen niet. Wij zijn waarlijk tot jou gekomen met een Teken van jouw Heer, en vrede is met degene die de Leiding volgde. Gaat dus naar hem toe en zegt: 'Wij zijn gezanten van jouw Heer. Zend dan de Isralieten met ons weg en bestraf hen niet. Wij zijn tot jou gekomen met een teken van jouw Heer. En vrede zij met wie de leidraad volgt.

اِنَّا قَدۡ اُوۡحِیَ اِلَیۡنَاۤ اَنَّ الۡعَذَابَ عَلٰی مَنۡ کَذَّبَ وَ تَوَلّٰی ﴿۴۸﴾

020.048 Inna qad oohiya ilayna anna alAAathaba AAala man kaththaba watawalla

20:48 Voorwaar, het is aan ons geopenbaard, dat de bestraffing over hem zal komen die (Allah) loochent en zich afwendt." Aan ons is immers geopenbaard dat de bestraffing komt over wie loochent en zich afkeert."

قَالَ فَمَنۡ رَّبُّکُمَا یٰمُوۡسٰی ﴿۴۹﴾

020.049 Qala faman rabbukuma ya moosa

20:49 Hij (Farao) zei: "Wie is jullie Heer, O Mozes?" Hij zei: "Wie is dan jullie Heer, Moesa?"

قَالَ رَبُّنَا الَّذِیۡۤ اَعۡطٰی کُلَّ شَیۡءٍ خَلۡقَہٗ ثُمَّ ہَدٰی ﴿۵۰﴾

020.050 Qala rabbuna allathee aAAta kulla shay-in khalqahu thumma hada

20:50 Hij (Mozes) zei: "Onze Heer is Degene Die aan ieder ding van Zijn schepping vorm gegeven heeft en (het) daarna geleid heeft." Deze zei: "Onze Heer is het die aan alles zijn aard heeft gegeven en dan de goede richting heeft gewezen."

قَالَ فَمَا بَالُ الۡقُرُوۡنِ الۡاُوۡلٰی ﴿۵۱﴾

020.051 Qala fama balu alqurooni al-oola

20:51 Hij (Farao) zei, "Hoe staat het dan met de vroegere generaties?" Hij zei: "Hoe is het gesteld met de eerdere generaties?"

قَالَ عِلۡمُہَا عِنۡدَ رَبِّیۡ فِیۡ کِتٰبٍ ۚ لَا یَضِلُّ رَبِّیۡ وَ لَا یَنۡسَی ﴿۫۵۲﴾

020.052 Qala AAilmuha AAinda rabbee fee kitabin la yadillu rabbee wala yansa

20:52 Hij (Mozes) zei: "De kennis over hen is bij mijn Heer, in een Boek. Mijn Heer maakt geen fouten en vergeet niet." Hij zei: "De kennis daarover is bij mijn Heer, in een boek. Mijn Heer dwaalt niet en vergeet niet."

الَّذِیۡ جَعَلَ لَکُمُ الۡاَرۡضَ مَہۡدًا وَّ سَلَکَ لَکُمۡ فِیۡہَا سُبُلًا وَّ اَنۡزَلَ مِنَ السَّمَآءِ مَآءً ؕ فَاَخۡرَجۡنَا بِہٖۤ اَزۡوَاجًا مِّنۡ نَّبَاتٍ شَتّٰی ﴿۵۳﴾

020.053 Allathee jaAAala lakumu al-arda mahdan wasalaka lakum feeha subulan waanzala mina alssama-i maan faakhrajna bihi azwajan min nabatin shatta

20:53 Degene Die de aarde voor jullie uitspreidde en er wegen voor jullie op aanlegde, en water uit de hemel deed neerdalen. Waarmee Wij paren van verschillende soorten planten hebben voortgebracht. Hij die voor jullie de aarde tot een wiegenbed gemaakt heeft en die voor jullie daarop wegen heeft getrokken en die uit de hemel water heeft laten neerdalen waarmee Wij dan velerlei soorten van plantengroei hebben voortgebracht.

کُلُوۡا وَ ارۡعَوۡا اَنۡعَامَکُمۡ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیٰتٍ لِّاُولِی النُّہٰی ﴿٪۵۴﴾

020.054 Kuloo wairAAaw anAAamakum inna fee thalika laayatin li-olee alnnuha

20:54 Eet en laat jullie vee grazen: voorwaar, daarin zijn Tekenen voor de bezitters van verstand. Eet en weidt jullie vee. Daarin zijn tekenen voor de schranderen. *

مِنۡہَا خَلَقۡنٰکُمۡ وَ فِیۡہَا نُعِیۡدُکُمۡ وَ مِنۡہَا نُخۡرِجُکُمۡ تَارَۃً اُخۡرٰی ﴿۵۵﴾

020.055 Minha khalaqnakum wafeeha nuAAeedukum waminha nukhrijukum taratan okhra

20:55 Uit haar hebben Wij jullie geschapen en daarin zullen Wij jullie terug doen keren en daaruit zullen Wij jullie een andere keer opwekken. Uit haar [nml. de aarde] hebben Wij jullie geschapen en in haar zullen Wij jullie terug laten keren en uit haar zullen Wij jullie een tweede maal tevoorschijn brengen.

وَ لَقَدۡ اَرَیۡنٰہُ اٰیٰتِنَا کُلَّہَا فَکَذَّبَ وَ اَبٰی ﴿۵۶﴾

020.056 Walaqad araynahu ayatina kullaha fakaththaba waaba

20:56 En voorzeker, Wij hebben hem (Farao) al Onze Tekenen laten zien, maar hij ontkende en weigerde. En Wij hebben hem al Onze tekenen laten zien, maar hij loochende en weigerde.

قَالَ اَجِئۡتَنَا لِتُخۡرِجَنَا مِنۡ اَرۡضِنَا بِسِحۡرِکَ یٰمُوۡسٰی ﴿۵۷﴾

020.057 Qala aji/tana litukhrijana min ardina bisihrika ya moosa

20:57 (Farao zei:) "Ben jij naar ons toegekomen om ons uit ons land te verdrijven met jouw tovenarij, O Mozes? Hij zei: "Ben jij tot ons gekomen om ons door jouw toverij uit ons land te verdrijven, Moesa?

فَلَنَاۡتِیَنَّکَ بِسِحۡرٍ مِّثۡلِہٖ فَاجۡعَلۡ بَیۡنَنَا وَ بَیۡنَکَ مَوۡعِدًا لَّا نُخۡلِفُہٗ نَحۡنُ وَ لَاۤ اَنۡتَ مَکَانًا سُوًی ﴿۵۸﴾

020.058 Falana/tiyannaka bisihrin mithlihi faijAAal baynana wabaynaka mawAAidan la nukhlifuhu nahnu wala anta makanan suwan

20:58 Dan zullen wij zeker met eenzelfde soort tovenarij voor jou komen, maak maar een afspraak tussen ons en jou, die wij niet verbreken en jij ook niet, op een plaats op gelijke afstand." Dan zullen wij wel met overeenkomstige toverij komen. Maak maar een afspraak tussen ons en jou, waaraan wij ons evenals jij moeten houden, op een effen plaats."

قَالَ مَوۡعِدُکُمۡ یَوۡمُ الزِّیۡنَۃِ وَ اَنۡ یُّحۡشَرَ النَّاسُ ضُحًی ﴿۵۹﴾

020.059 Qala mawAAidukum yawmu alzzeenati waan yuhshara alnnasu duhan

20:59 Hij (Mozes) zei: "Jullie afspraak zal op de feestdag zijn en laat de mensen in de ochtend verzameld worden." Deze zei: "De afspraak met jullie is op de feestdag en dat de mensen op de voormiddag verzameld worden."

فَتَوَلّٰی فِرۡعَوۡنُ فَجَمَعَ کَیۡدَہٗ ثُمَّ اَتٰی ﴿۶۰﴾

020.060 Fatawalla firAAawnu fajamaAAa kaydahu thumma ata

20:60 Toen ging Farao weg om zijn plannen te beramen en daarna kwam hij terug. Maar Fir'aun keerde zich af om zijn plan te beramen en toen kwam hij terug.

قَالَ لَہُمۡ مُّوۡسٰی وَیۡلَکُمۡ لَا تَفۡتَرُوۡا عَلَی اللّٰہِ کَذِبًا فَیُسۡحِتَکُمۡ بِعَذَابٍ ۚ وَ قَدۡ خَابَ مَنِ افۡتَرٰی ﴿۶۱﴾

020.061 Qala lahum moosa waylakum la taftaroo AAala Allahi kathiban fayushitakum biAAathabin waqad khaba mani iftara

20:61 Mozes zei tot hen: "Wee jullie, verzint geen leugens over Allah, want dan zal Hij jullie door een bestraffing vernietigen. En waarlijk, wie leugens verzint is degene die verliest." Moesa zei tot hen: "Wee jullie, verzint over Allah geen bedrog, want dan verdelgt Hij jullie door een bestraffing. Wie verzinsels vertelt wordt teleurgesteld."

فَتَنَازَعُوۡۤا اَمۡرَہُمۡ بَیۡنَہُمۡ وَ اَسَرُّوا النَّجۡوٰی ﴿۶۲﴾

020.062 FatanazaAAoo amrahum baynahum waasarroo alnnajwa

20:62 Zij (de Lieden van Farao) twistten met elkaar over hun zaak en hielden een geheim overleg. Toen twistten zij met elkaar over hun geval en hielden een vertrouwelijk gesprek.

قَالُوۡۤا اِنۡ ہٰذٰىنِ لَسٰحِرٰنِ یُرِیۡدٰنِ اَنۡ یُّخۡرِجٰکُمۡ مِّنۡ اَرۡضِکُمۡ بِسِحۡرِہِمَا وَ یَذۡہَبَا بِطَرِیۡقَتِکُمُ الۡمُثۡلٰی ﴿۶۳﴾

020.063 Qaloo in hathani lasahirani yureedani an yukhrijakum min ardikum bisihrihima wayathhaba bitareeqatikumu almuthla

20:63 Zij zeiden: "Waarlijk, dit zijn zeker twee tovenaars, die jullie met hun tovenarij uit jullie land willen verdrijven en zij gaan jullie navolgenswaardige levenswijze doen verdwijnen. Zij zeiden: "Deze twee zijn tovenaars. Zij willen jullie door hun toverij uit jullie land verdrijven en jullie voorbeeldige opvattingen afschaffen.

فَاَجۡمِعُوۡا کَیۡدَکُمۡ ثُمَّ ائۡتُوۡا صَفًّا ۚ وَ قَدۡ اَفۡلَحَ الۡیَوۡمَ مَنِ اسۡتَعۡلٰی ﴿۶۴﴾

020.064 FaajmiAAoo kaydakum thumma i/too saffan waqad aflaha alyawma mani istaAAla

20:64 Stelt daaarom jullie plan op en komt dan in rijen. En waarlijk, hij die vandaag Wint zal de overhand krijgen." Beraamt dan jullie plan en komt dan in een rij. Heden zal het hem welgaan die de overhand krijgt."

قَالُوۡا یٰمُوۡسٰۤی اِمَّاۤ اَنۡ تُلۡقِیَ وَ اِمَّاۤ اَنۡ نَّکُوۡنَ اَوَّلَ مَنۡ اَلۡقٰی ﴿۶۵﴾

020.065 Qaloo ya moosa imma an tulqiya wa-imma an nakoona awwala man alqa

20:65 Zij zeiden: "O Mozes, of jij werpt, of zijn wij het die het eerst werpen?" Zij zeiden: "O Moesa, of jij werpt of wij zijn het die het eerst zullen werpen."

قَالَ بَلۡ اَلۡقُوۡا ۚ فَاِذَا حِبَالُہُمۡ وَ عِصِیُّہُمۡ یُخَیَّلُ اِلَیۡہِ مِنۡ سِحۡرِہِمۡ اَنَّہَا تَسۡعٰی ﴿۶۶﴾

020.066 Qala bal alqoo fa-itha hibaluhum waAAisiyyuhum yukhayyalu ilayhi min sihrihim annaha tasAAa

20:66 Hij zei: "Werpt maar." En toen scheen het hem toe dat hun touwen en hun staven zich door hun tovenarij voortbewogen. Hij zei: "Werpt maar." En plotseling werd hem door hun toverij de indruk gegeven dat hun touwen en staven voortbewogen.

فَاَوۡجَسَ فِیۡ نَفۡسِہٖ خِیۡفَۃً مُّوۡسٰی ﴿۶۷﴾

020.067 Faawjasa fee nafsihi kheefatan moosa

20:67 Toen voelde Mozes vrees in zich opkomen. Toen werd Moesa in zijn binnenste door vrees bevangen.

قُلۡنَا لَا تَخَفۡ اِنَّکَ اَنۡتَ الۡاَعۡلٰی ﴿۶۸﴾

020.068 Qulna la takhaf innaka anta al-aAAla

20:68 Wij (Allah) zeiden: "Vrees niet! Voorwaar, jij zult de overhand krijgen. Wij zeiden: "Weest niet bang, jij houdt de overhand.

وَ اَلۡقِ مَا فِیۡ یَمِیۡنِکَ تَلۡقَفۡ مَا صَنَعُوۡا ؕ اِنَّمَا صَنَعُوۡا کَیۡدُ سٰحِرٍ ؕ وَ لَا یُفۡلِحُ السَّاحِرُ حَیۡثُ اَتٰی ﴿۶۹﴾

020.069 Waalqi ma fee yameenika talqaf ma sanaAAoo innama sanaAAoo kaydu sahirin wala yuflihu alssahiru haythu ata

20:69 Werp neer wat in jouw rechterhand is, het zal wat zij wrochtten verslinden. Voorwaar, wat zij wrochtten is slechts een list van een tovenaar. En de tovenaar wint niet, hoe hij het ook doet." Werp wat in je rechterhand is, dan zal het wat zij gemaakt hebben verslinden. Wat zij gemaakt hebben is slechts een tovenaarslist en de tovenaar zal het niet welgaan waar hij ook komt."

فَاُلۡقِیَ السَّحَرَۃُ سُجَّدًا قَالُوۡۤا اٰمَنَّا بِرَبِّ ہٰرُوۡنَ وَ مُوۡسٰی ﴿۷۰﴾

020.070 Faolqiya alssaharatu sujjadan qaloo amanna birabbi haroona wamoosa

20:70 Toen werden de tovenaars op hun knien neergeworpen, zij zeiden: "Wij geloven in de Heer van Haroen en Mozes," En de tovenaars werden neergeworpen om zich eerbiedig neer te buigen en zij zeiden: "Wij geloven in de Heer van Haroen en Moesa."

قَالَ اٰمَنۡتُمۡ لَہٗ قَبۡلَ اَنۡ اٰذَنَ لَکُمۡ ؕ اِنَّہٗ لَکَبِیۡرُکُمُ الَّذِیۡ عَلَّمَکُمُ السِّحۡرَ ۚ فَلَاُقَطِّعَنَّ اَیۡدِیَکُمۡ وَ اَرۡجُلَکُمۡ مِّنۡ خِلَافٍ وَّ لَاُصَلِّبَنَّکُمۡ فِیۡ جُذُوۡعِ النَّخۡلِ ۫ وَ لَتَعۡلَمُنَّ اَیُّنَاۤ اَشَدُّ عَذَابًا وَّ اَبۡقٰی ﴿۷۱﴾

020.071 Qala amantum lahu qabla an athana lakum innahu lakabeerukumu allathee AAallamakumu alssihra falaoqattiAAanna aydiyakum waarjulakum min khilafin walaosallibannakum fee juthooAAi alnnakhli walataAAlamunna ayyuna ashaddu AAathaban waabqa

20:71 Hij (Farao) zei: "Geloven jullie hem voordat ik jullie toestemming gegeven heb? Voorwaar, hij is zeker jullie meester die jullie tovenarij onderwezen heeft. Ik zal zeker jullie handen en voeten aan tegenovergestelde kanten afhakken en ik zal jullie zeker kruisigen aan de stammen van palmbomen! En jullie zullen zeker weten wie van ons strenger en blijvender is wat betreft bestraffing." Hij zei: "Jullie geloven aan hem voordat ik jullie toestemming gegeven heb. Hij is zeker jullie meester die jullie heeft leren toveren. Ik zal jullie de handen en de voeten aan tegenovergestelde kanten afhouwen en ik zal jullie aan palmstammen kruisigen. Dan zullen jullie weten wie van ons strenger in het bestraffen en onvergankelijker is."

قَالُوۡا لَنۡ نُّؤۡثِرَکَ عَلٰی مَا جَآءَنَا مِنَ الۡبَیِّنٰتِ وَ الَّذِیۡ فَطَرَنَا فَاقۡضِ مَاۤ اَنۡتَ قَاضٍ ؕ اِنَّمَا تَقۡضِیۡ ہٰذِہِ الۡحَیٰوۃَ الدُّنۡیَا ﴿ؕ۷۲﴾

020.072 Qaloo lan nu/thiraka AAala ma jaana mina albayyinati waallathee fatarana faiqdi ma anta qadin innama taqdee hathihi alhayata alddunya

20:72 Zij zeiden: "Wij zullen jou nooit verkiezen boven de duidelijke Tekenen die tot ons gekomen zijn en Degene Die ons geschapen heeft. Besluit daarom wat je besluit is: voorwaar, wat jij ook besluit, dat is van het wereldse leven. Zij zeiden: "Wij verkiezen jou niet boven de duidelijke tekenen die tot ons gekomen zijn en boven Hem die ons geschapen heeft. Beslis dus maar wat je wilt; jij beslist slechts over het tegenwoordige leven.

اِنَّـاۤ اٰمَنَّا بِرَبِّنَا لِیَغۡفِرَ لَنَا خَطٰیٰنَا وَ مَاۤ اَکۡرَہۡتَنَا عَلَیۡہِ مِنَ السِّحۡرِ ؕ وَ اللّٰہُ خَیۡرٌ وَّ اَبۡقٰی ﴿۷۳﴾

020.073 Inna amanna birabbina liyaghfira lana khatayana wama akrahtana AAalayhi mina alssihri waAllahu khayrun waabqa

20:73 Voorwaar, wij geloven in onze Heer, opdat Hij onze zonden zal vergeven en (ook) de tovenarij, waartoe jij ons gedwongen hebt. En Allah is beter (in het belonen) en blijvender (in de bestraffing)." Wij geloven in onze Heer opdat Hij ons onze fouten vergeven zal en de toverij waartoe jij ons gedwongen hebt. Allah is beter en onvergankelijker."

اِنَّہٗ مَنۡ یَّاۡتِ رَبَّہٗ مُجۡرِمًا فَاِنَّ لَہٗ جَہَنَّمَ ؕ لَا یَمُوۡتُ فِیۡہَا وَ لَا یَحۡیٰی ﴿۷۴﴾

020.074 Innahu man ya/ti rabbahu mujriman fa-inna lahu jahannama la yamootu feeha wala yahya

20:74 Voorwaar, wie als een zondaar war zijn Heer komt, voor hem is zeker de Hel, waarin hij noch leeft noch sterft. Hij die tot zijn Heer komt als boosdoener, voor hem is de hel waarin hij niet zal sterven en niet zal leven.

وَ مَنۡ یَّاۡتِہٖ مُؤۡمِنًا قَدۡ عَمِلَ الصّٰلِحٰتِ فَاُولٰٓئِکَ لَہُمُ الدَّرَجٰتُ الۡعُلٰی ﴿ۙ۷۵﴾

020.075 Waman ya/tihi mu/minan qad AAamila alssalihati faola-ika lahumu alddarajatu alAAula

20:75 En zij die als gelovigen naar Hem komen en waarlijk goede daden verrichten: zij zijn degenen die de hoge rangen krijgen. Maar wie tot Hem komen als gelovigen die de deugdelijke daden gedaan hebben, zij zijn het voor wie de hoogste rangen zijn:

جَنّٰتُ عَدۡنٍ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا ؕ وَ ذٰلِکَ جَزٰٓؤُا مَنۡ تَزَکّٰی ﴿٪۷۶﴾

020.076 Jannatu AAadnin tajree min tahtiha al-anharu khalideena feeha wathalika jazao man tazakka

20:76 De Tuinen van 'Adn ( het Paradijs), waar onder door de rivieren stromen, zij zijn eeuwig levenden daarin. Dat is de beloning voor wie zich reinigt. de tuinen van 'Adn waar de rivieren onderdoor stromen; zij zullen altijd daarin blijven. Dat is de beloning voor wie gelouterd zijn.

وَ لَقَدۡ اَوۡحَیۡنَاۤ اِلٰی مُوۡسٰۤی ۬ۙ اَنۡ اَسۡرِ بِعِبَادِیۡ فَاضۡرِبۡ لَہُمۡ طَرِیۡقًا فِی الۡبَحۡرِ یَبَسًا ۙ لَّا تَخٰفُ دَرَکًا وَّ لَا تَخۡشٰی ﴿۷۷﴾

020.077 Walaqad awhayna ila moosa an asri biAAibadee faidrib lahum tareeqan fee albahri yabasan la takhafu darakan wala takhsha

20:77 En voorzeker, Wij hebben aan Mozes geopenbaard: "Reis in de nacht met Mijn dienaren en sla (met je staf) voor hen een droge weg door de zee. Wees niet bang om bereikt te worden en wees niet angstig." En Wij hebben aan Moesa geopenbaard: "Vertrek 's nachts met Mijn dienaren en baan voor hen een droge weg in de zee zonder bang te zijn ingehaald te worden en zonder te vrezen."

فَاَتۡبَعَہُمۡ فِرۡعَوۡنُ بِجُنُوۡدِہٖ فَغَشِیَہُمۡ مِّنَ الۡیَمِّ مَا غَشِیَہُمۡ ﴿ؕ۷۸﴾

020.078 FaatbaAAahum firAAawnu bijunoodihi faghashiyahum mina alyammi ma ghashiyahum

20:78 Toen volgde Farao hen met zijn legers, daarop werden zij bedekt door de vloedgolf die over hen kwam. Toen volgde Fir'aun hen met zijn troepen, maar zij werden door de zee verzwolgen.

وَ اَضَلَّ فِرۡعَوۡنُ قَوۡمَہٗ وَ مَا ہَدٰی ﴿۷۹﴾

020.079 Waadalla firAAawnu qawmahu wama hada

20:79 En Farao deed zijn volk dwalen en leidde hen niet. Fir'aun bracht zijn volk tot dwaling en wees hun niet de goede richting.

یٰبَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ قَدۡ اَنۡجَیۡنٰکُمۡ مِّنۡ عَدُوِّکُمۡ وَ وٰعَدۡنٰکُمۡ جَانِبَ الطُّوۡرِ الۡاَیۡمَنَ وَ نَزَّلۡنَا عَلَیۡکُمُ الۡمَنَّ وَ السَّلۡوٰی ﴿۸۰﴾

020.080 Ya banee isra-eela qad anjaynakum min AAaduwwikum wawaAAadnakum janiba alttoori al-aymana wanazzalna AAalaykumu almanna waalssalwa

20:80 O Kinderen van Isral, Wij hebben jullie waarlijk van jullie vijand gered en Wij sloten een verbond met jullie bij de rechterzijde van (de berg) Thoer en Wij deden Manna en kwartels voor jullie neerdalen. O Isralieten, Wij hebben jullie van jullie vijand gered en Wij spraken met jullie aan de rechterkant van de berg af en Wij zonden het manna en de kwartels tot jullie neer.

کُلُوۡا مِنۡ طَیِّبٰتِ مَا رَزَقۡنٰکُمۡ وَ لَا تَطۡغَوۡا فِیۡہِ فَیَحِلَّ عَلَیۡکُمۡ غَضَبِیۡ ۚ وَ مَنۡ یَّحۡلِلۡ عَلَیۡہِ غَضَبِیۡ فَقَدۡ ہَوٰی ﴿۸۱﴾

020.081 Kuloo min tayyibati ma razaqnakum wala tatghaw feehi fayahilla AAalaykum ghadabee waman yahlil AAalayhi ghadabee faqad hawa

20:81 Eet van de goede dingen, waarmee Wij jullie hebben voorzien en overdrijft niet zodat Mijn woede jullie niet treft. En wie door Mijn woede getroffen wordt zal waarlijk ten onder gaan. Eet van de goede dingen waarmee Wij in jullie levensonderhoud voorzien, maar overdrijft daarbij niet zodat Mijn toorn over jullie losbarst; over wie Mijn toorn losbarst, die komt ten val.

وَ اِنِّیۡ لَغَفَّارٌ لِّمَنۡ تَابَ وَ اٰمَنَ وَ عَمِلَ صَالِحًا ثُمَّ اہۡتَدٰی ﴿۸۲﴾

020.082 Wa-innee laghaffarun liman taba waamana waAAamila salihan thumma ihtada

20:82 En voorwaar, Ik ben zeker een Vergevensgezinde voor degene die berouw toonde en geloofde en goede daden verrichtte en vervolgens Leiding volgde. Maar Ik ben een vergever voor wie berouw toont, gelooft en deugdelijk handelt en zich dan op het goede pad laat brengen.

وَ مَاۤ اَعۡجَلَکَ عَنۡ قَوۡمِکَ یٰمُوۡسٰی ﴿۸۳﴾

020.083 Wama aAAjalaka AAan qawmika ya moosa

20:83 (Allah zei:) "En wat heeft jou je van jouw volk doen weghaasten, O Mozes?" "En wat brengt jou zo haastig bij je volk vandaan, Moesa?"

قَالَ ہُمۡ اُولَآءِ عَلٰۤی اَثَرِیۡ وَ عَجِلۡتُ اِلَیۡکَ رَبِّ لِتَرۡضٰی ﴿۸۴﴾

020.084 Qala hum ola-i AAala atharee waAAajiltu ilayka rabbi litarda

20:84 Hij zei: "Zij volgen in mijn voetstappen en ik haastte mij naar U, O mijn Heer, om door U behaagd te worden." Hij zei: "Zij zijn het die achter mij aan zijn en ik heb mij naar U gehaast, mijn Heer, opdat U tevreden zou zijn."

قَالَ فَاِنَّا قَدۡ فَتَنَّا قَوۡمَکَ مِنۡۢ بَعۡدِکَ وَ اَضَلَّہُمُ السَّامِرِیُّ ﴿۸۵﴾

020.085 Qala fa-inna qad fatanna qawmaka min baAAdika waadallahumu alssamiriyyu

20:85 Hij (Allah) zei: "Wij hebben jou op de proef gesteld nadat jij (vertrok) en de Samiri bracht hen tot dwaling." Hij zei: "Wij hebben jouw volk in verzoeking gebracht nadat jij weggegaan was en de Samiriet heeft hen tot dwaling gebracht."

فَرَجَعَ مُوۡسٰۤی اِلٰی قَوۡمِہٖ غَضۡبَانَ اَسِفًا ۬ۚ قَالَ یٰقَوۡمِ اَلَمۡ یَعِدۡکُمۡ رَبُّکُمۡ وَعۡدًا حَسَنًا ۬ؕ اَفَطَالَ عَلَیۡکُمُ الۡعَہۡدُ اَمۡ اَرَدۡتُّمۡ اَنۡ یَّحِلَّ عَلَیۡکُمۡ غَضَبٌ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ فَاَخۡلَفۡتُمۡ مَّوۡعِدِیۡ ﴿۸۶﴾

020.086 FarajaAAa moosa ila qawmihi ghadbana asifan qala ya qawmi alam yaAAidkum rabbukum waAAdan hasanan afatala AAalaykumu alAAahdu am aradtum an yahilla AAalaykum ghadabun min rabbikum faakhlaftum mawAAidee

20:86 Toen keerde Mozes terug naar zijn volk, woedend en vol spijt, en zei. "O mijn volk, heeft jullie Heer jullie geen goede belofte gedaan? Duurde (de vervulling van) de belofte te lang of wilden jullie dat de woede van jullie Heer jullie trof, zodat jullie mijn afspraak (met jullie) afzegden?" Toen keerde Moesa toornig en vol spijt tot zijn volk terug. Hij zei: "Mijn volk! Heeft jullie Heer jullie niet een goede toezegging gedaan? Duurde de tijd jullie te lang of wensten jullie dat er toorn van jullie Heer over jullie los zou barsten, zodat jullie de afspraak met mij niet nakwamen?"

قَالُوۡا مَاۤ اَخۡلَفۡنَا مَوۡعِدَکَ بِمَلۡکِنَا وَ لٰکِنَّا حُمِّلۡنَاۤ اَوۡزَارًا مِّنۡ زِیۡنَۃِ الۡقَوۡمِ فَقَذَفۡنٰہَا فَکَذٰلِکَ اَلۡقَی السَّامِرِیُّ ﴿ۙ۸۷﴾

020.087 Qaloo ma akhlafna mawAAidaka bimalkina walakinna hummilna awzaran min zeenati alqawmi faqathafnaha fakathalika alqa alssamiriyyu

20:87 Zij zeiden: "Wij hebben de afspraak met jou niet uit vrije wil afgezegd, maar wij werden belast met ladingen sieraden van het volk. Toen gooiden wij die (in het vuur), net zoals de Samiri (ze in het vuur) wierp. Zij zeiden: "Wij zijn niet uit eigen beweging de afspraak met jou niet nagekomen, maar wij werden overladen met hele ladingen sieraden van de mensen. Die hebben wij toen [in het vuur] gegooid en de Samiriet deed dat ook.

فَاَخۡرَجَ لَہُمۡ عِجۡلًا جَسَدًا لَّہٗ خُوَارٌ فَقَالُوۡا ہٰذَاۤ اِلٰـہُکُمۡ وَ اِلٰہُ مُوۡسٰی ۬ فَنَسِیَ ﴿ؕ۸۸﴾

020.088 Faakhraja lahum AAijlan jasadan lahu khuwarun faqaloo hatha ilahukum wa-ilahu moosa fanasiya

20:88 Toen haalde de Samiri voor hen een beeld van een kalf (uit het vuur), met geloei. En zij zeiden: "Dit is jullie god en de god van Mozes, maar hij vergat (hem)." Hij bracht toen voor hen een kalf tevoorschijn, als een lichaam met geloei. En zij zeiden: "Dit is jullie god en de god van Moesa, maar hij was het vergeten."

اَفَلَا یَرَوۡنَ اَلَّا یَرۡجِعُ اِلَیۡہِمۡ قَوۡلًا ۬ۙ وَّ لَا یَمۡلِکُ لَہُمۡ ضَرًّا وَّ لَا نَفۡعًا ﴿٪۸۹﴾

020.089 Afala yarawna alla yarjiAAu ilayhim qawlan wala yamliku lahum darran wala nafAAan

20:89 Zien zij niet dat het geen woord aan hen terug gaf en het ook geen kracht had om voor hen schade (te voorkomen) of te baten? Zien zij dan niet dat het niets tot hen terugzegt en dat het voor hen niets schadelijks en niets nuttigs kan uitrichten?

وَ لَقَدۡ قَالَ لَہُمۡ ہٰرُوۡنُ مِنۡ قَبۡلُ یٰقَوۡمِ اِنَّمَا فُتِنۡتُمۡ بِہٖ ۚ وَ اِنَّ رَبَّکُمُ الرَّحۡمٰنُ فَاتَّبِعُوۡنِیۡ وَ اَطِیۡعُوۡۤا اَمۡرِیۡ ﴿۹۰﴾

020.090 Walaqad qala lahum haroonu min qablu ya qawmi innama futintum bihi wa-inna rabbakumu alrrahmanu faittabiAAoonee waateeAAoo amree

20:90 En voorzeker, Haroen had tevoren gezegd: "O mijn volk, jullie worden daarmee op de proef gesteld. En voorwaar, jullie Heer is de Barmhartige. Volgt mij daarom en gehoorzaamt mijn bevel." En Haroen had al van tevoren tot hen gezegd: "O mijn volk! Jullie worden daarmee in verzoeking gebracht. Jullie Heer is toch de Erbarmer! Volgt mij dus en gehoorzaamt mijn bevel."

قَالُوۡا لَنۡ نَّبۡرَحَ عَلَیۡہِ عٰکِفِیۡنَ حَتّٰی یَرۡجِعَ اِلَیۡنَا مُوۡسٰی ﴿۹۱﴾

020.091 Qaloo lan nabraha AAalayhi AAakifeena hatta yarjiAAa ilayna moosa

20:91 Zij (de aanbidders van het kalf) zeiden: "Wij zullen nooit ophouden hun (te aanbidden), totdat Mozes tot ons terugkeert." Zij zeiden: "Wij zullen niet ophouden het eer te bewijzen zolang Moesa niet tot ons terugkomt."

قَالَ یٰہٰرُوۡنُ مَا مَنَعَکَ اِذۡ رَاَیۡتَہُمۡ ضَلُّوۡۤا ﴿ۙ۹۲﴾

020.092 Qala ya haroonu ma manaAAaka ith raaytahum dalloo

20:92 Hij (Mozes) zei: "O Haroen, wat hield jou tegen toen jij hen zag dwalen? Hij zei: "O Haroen, wat weerhield jou toen jij zag dat zij dwaalden,

اَلَّا تَتَّبِعَنِ ؕ اَفَعَصَیۡتَ اَمۡرِیۡ ﴿۹۳﴾

020.093 Alla tattabiAAani afaAAasayta amree

20:93 Om mij te volgen? Ben jij dan ongehoorzaam aan mijn bevel geweest?" dat jij mij niet gevolgd bent? Was jij ongehoorzaam aan mijn bevel?"

قَالَ یَبۡنَؤُمَّ لَا تَاۡخُذۡ بِلِحۡیَتِیۡ وَ لَا بِرَاۡسِیۡ ۚ اِنِّیۡ خَشِیۡتُ اَنۡ تَقُوۡلَ فَرَّقۡتَ بَیۡنَ بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ وَ لَمۡ تَرۡقُبۡ قَوۡلِیۡ ﴿۹۴﴾

020.094 Qala yabnaomma la ta/khuth bilihyatee wala bira/see innee khasheetu an taqoola farraqta bayna banee isra-eela walam tarqub qawlee

20:94 Hij (Haroen) zei: "Zoon van mijn moeder, grijp mij niet bij mijn baard of bij mijn hoofd. Ik was bang dat jij zou zeggen: 'Jij hebt de Kinderen van Isral verdeeld en jij hebt mijn woorden niet in acht genomen." Hij zei: "Zoon van mijn moeder, grijp mij niet bij mijn baard en bij mijn hoofd. Ik vreesde dat jij zou zeggen: 'Jij hebt de Isralieten opgesplitst en je niet gehouden aan wat ik zei.?"

قَالَ فَمَا خَطۡبُکَ یٰسَامِرِیُّ ﴿۹۵﴾

020.095 Qala fama khatbuka ya samiriyyu

20:95 Hij (Mozes) zei: "Wat was jouw geval, O samiri?" Hij zei: "En hoe is het met jou, o Samiriet?"

قَالَ بَصُرۡتُ بِمَا لَمۡ یَبۡصُرُوۡا بِہٖ فَقَبَضۡتُ قَبۡضَۃً مِّنۡ اَثَرِ الرَّسُوۡلِ فَنَبَذۡتُہَا وَ کَذٰلِکَ سَوَّلَتۡ لِیۡ نَفۡسِیۡ ﴿۹۶﴾

020.096 Qala basurtu bima lam yabsuroo bihi faqabadtu qabdatan min athari alrrasooli fanabathtuha wakathalika sawwalat lee nafsee

20:96 Hij (de Samiri) zei: "Ik doorzag wat zij niet doorzagen en ik nam een handvol uit het spoor van de gezant en ik strooide het (over het kalf). En zo verblijdde ik mijzelf" Hij zei: "Ik had inzicht in iets waarin zij dat niet hadden en ik nam een handvol van het spoor van de gezant en heb het [over het kalf] geworpen. Dat had ik mijzelf zo wijsgemaakt."

قَالَ فَاذۡہَبۡ فَاِنَّ لَکَ فِی الۡحَیٰوۃِ اَنۡ تَقُوۡلَ لَا مِسَاسَ ۪ وَ اِنَّ لَکَ مَوۡعِدًا لَّنۡ تُخۡلَفَہٗ ۚ وَ انۡظُرۡ اِلٰۤی اِلٰـہِکَ الَّذِیۡ ظَلۡتَ عَلَیۡہِ عَاکِفًا ؕ لَنُحَرِّقَنَّہٗ ثُمَّ لَنَنۡسِفَنَّہٗ فِی الۡیَمِّ نَسۡفًا ﴿۹۷﴾

020.097 Qala faithhab fa-inna laka fee alhayati an taqoola la misasa wa-inna laka mawAAidan lan tukhlafahu waonthur ila ilahika allathee thalta AAalayhi AAakifan lanuharriqannahu thumma lanansifannahu fee alyammi nasfan

20:97 Hij (Mozes) zei: "Ga dan maar heen. Voorwaar, voor jou is er in het leven, dat jij slechts kan zeggen: 'Niet aanraken,' voorwaar voor jou is er een afspraak (in het Hiernamaals), die nooit afgezegd kan worden. En kijk naar jouw god die jij voortdurend aan het aanbidden was: wij zullen hem zeker verbranden. En vervolgens werpen wij hem zeker als as in de zee!" Hij zei: "Ga weg, jouw lot in het leven zal zijn dat je moet zeggen: 'Niet aanraken!? En voor jou is er een afspraak waaraan jij je niet kunt onttrekken. En kijk dan naar jouw god, die jij eer bleef bewijzen. Wij zullen hem zeker verbranden en dan in de zee verstrooien.

اِنَّمَاۤ اِلٰـہُکُمُ اللّٰہُ الَّذِیۡ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ ؕ وَسِعَ کُلَّ شَیۡءٍ عِلۡمًا ﴿۹۸﴾

020.098 Innama ilahukumu Allahu allathee la ilaha illa huwa wasiAAa kulla shay-in AAilman

20:98 Voorwaar, jullie god is slechts Allah, er is geen god dan Hij. Hij omvat alle zaken met (Zijn) kennis. Jullie god is Allah alleen, buiten wie er geen andere god is. Hij omvat alles met Zijn kennis."

کَذٰلِکَ نَقُصُّ عَلَیۡکَ مِنۡ اَنۡۢبَآءِ مَا قَدۡ سَبَقَ ۚ وَ قَدۡ اٰتَیۡنٰکَ مِنۡ لَّدُنَّا ذِکۡرًا ﴿ۖۚ۹۹﴾

020.099 Kathalika naqussu AAalayka min anba-i ma qad sabaqa waqad ataynaka min ladunna thikran

20:99 Zo verhalen Wij jou van de geschiedenissen van wat voorafgegaan is. En waarlijk, Wij hebben jou van Onze Zijde de Vermaning gegeven. Zo vertellen Wij jou berichten over wat vroeger gebeurde en Wij hebben tot jou van Onze kant een vermaning laten komen.

مَنۡ اَعۡرَضَ عَنۡہُ فَاِنَّہٗ یَحۡمِلُ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ وِزۡرًا ﴿۱۰۰﴾ۙ

020.100 Man aAArada AAanhu fa-innahu yahmilu yawma alqiyamati wizran

20:100 Hij, die zich ervan afwendt: voorwaar, hij zal op de Dag van de Opstanding een zonde dragen. Wie zich daarvan afwenden, die zullen op de opstandingsdag een last te dragen hebben;

خٰلِدِیۡنَ فِیۡہِ ؕ وَ سَآءَ لَہُمۡ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ حِمۡلًا ﴿۱۰۱﴾ۙ

020.101 Khalideena feehi wasaa lahum yawma alqiyamati himlan

20:101 Zij zullen daarin eeuwig levenden zijn. Slecht zal de last voor hen zijn op de Dag van de Opstanding! zij zullen er altijd in blijven en op de opstandingsdag zal het voor hen slecht te dragen zijn.

یَّوۡمَ یُنۡفَخُ فِی الصُّوۡرِ وَ نَحۡشُرُ الۡمُجۡرِمِیۡنَ یَوۡمَئِذٍ زُرۡقًا ﴿۱۰۲﴾ۚۖ

020.102 Yawma yunfakhu fee alssoori wanahshuru almujrimeena yawma-ithin zurqan

20:102 Op de Dag, waarop op de bazuin wordt geblazen en Wij de zondaren verzamelen, met hun afschrikwekkende gezichten. Op de dag dat op de bazuin geblazen wordt! Wij zullen op die dag de boosdoeners, verblind en verschrikt als zij zijn, verzamelen,

یَّتَخَافَتُوۡنَ بَیۡنَہُمۡ اِنۡ لَّبِثۡتُمۡ اِلَّا عَشۡرًا ﴿۱۰۳﴾

020.103 Yatakhafatoona baynahum in labithtum illa AAashran

20:103 Fluisterend onder elkaar zeggen ze: "Jullie hebben slechts tien dagen op aarde verbleven." terwijl zij onder elkaar fluisteren: "Het heeft voor jullie slechts tien [dagen] geduurd."

نَحۡنُ اَعۡلَمُ بِمَا یَقُوۡلُوۡنَ اِذۡ یَقُوۡلُ اَمۡثَلُہُمۡ طَرِیۡقَۃً اِنۡ لَّبِثۡتُمۡ اِلَّا یَوۡمًا ﴿۱۰۴﴾٪

020.104 Nahnu aAAlamu bima yaqooloona ith yaqoolu amthaluhum tareeqatan in labithtum illa yawman

20:104 Wij weten het beste wat zij zeggen wanneer degene die het meest voorbeeldig de Weg volgde onder hen zegt. "Jullie hebben er slechts n dag verbleven." Wij weten het best wat zij zeggen, wanneer de voorbeeldigste van hen in levenswandel zegt: "Het heeft voor jullie slechts een dag geduurd."

وَ یَسۡـَٔلُوۡنَکَ عَنِ الۡجِبَالِ فَقُلۡ یَنۡسِفُہَا رَبِّیۡ نَسۡفًا ﴿۱۰۵﴾ۙ

020.105 Wayas-aloonaka AAani aljibali faqul yansifuha rabbee nasfan

20:105 En zij vragen jou over de bergen. Zeg dan: "Mijn Heer zal ze als pulver doen uiteenvallen. En zij vragen jou naar de bergen. Zeg: "Mijn Heer zal ze geheel verstrooien

فَیَذَرُہَا قَاعًا صَفۡصَفًا ﴿۱۰۶﴾ۙ

020.106 Fayatharuha qaAAan safsafan

20:106 En Hij laat hen achter als een kale vlakte. en ze als een kale vlakte achterlaten,

لَّا تَرٰی فِیۡہَا عِوَجًا وَّ لَاۤ اَمۡتًا ﴿۱۰۷﴾ؕ

020.107 La tara feeha AAiwajan wala amtan

20:107 Waarop je geen lage en hoge (plaatsen) ziet." waarin je geen kronkels en geen hobbels ziet."

یَوۡمَئِذٍ یَّتَّبِعُوۡنَ الدَّاعِیَ لَا عِوَجَ لَہٗ ۚ وَ خَشَعَتِ الۡاَصۡوَاتُ لِلرَّحۡمٰنِ فَلَا تَسۡمَعُ اِلَّا ہَمۡسًا ﴿۱۰۸﴾

020.108 Yawma-ithin yattabiAAoona alddaAAiya la AAiwaja lahu wakhashaAAati al-aswatu lilrrahmani fala tasmaAAu illa hamsan

20:108 Op die dag zullen zij de Oproeper volgen; er is geen (mogelijkheid) om aan hem te ontsnappen. En stemmen zullen zacht klinken tegenover de Barmhartige, zodat je niets dan gefluister hoort. Op die dag zullen zij de oproeper volgen tot wie er geen kronkelweg is en de stemmen zullen deemoedig tot de Erbarmer opklinken en je zult slechts geschuifel horen.

یَوۡمَئِذٍ لَّا تَنۡفَعُ الشَّفَاعَۃُ اِلَّا مَنۡ اَذِنَ لَہُ الرَّحۡمٰنُ وَ رَضِیَ لَہٗ قَوۡلًا ﴿۱۰۹﴾

020.109 Yawma-ithin la tanfaAAu alshshafaAAatu illa man athina lahu alrrahmanu waradiya lahu qawlan

20:109 Op de Dag is bemiddeling niet van nut, behalve voor hem, aan wie de Barmhartige toestemming geeft en wiens woorden Hem welgevallen. Op die dag heeft voorspraak alleen maar nut voor hem aan wie de Erbarmer het heeft toegestaan en wiens woorden Hem welgevallig zijn.

یَعۡلَمُ مَا بَیۡنَ اَیۡدِیۡہِمۡ وَ مَا خَلۡفَہُمۡ وَ لَا یُحِیۡطُوۡنَ بِہٖ عِلۡمًا ﴿۱۱۰﴾

020.110 YaAAlamu ma bayna aydeehim wama khalfahum wala yuheetoona bihi AAilman

20:110 Hij weet wat voor hen is en wat achter hen is, en zij kunnen Hem met kennis niet omvatten. Hij weet wat vr hen is en wat achter hen is terwijl zij Hem met hun kennis niet bevatten. *

وَ عَنَتِ الۡوُجُوۡہُ لِلۡحَیِّ الۡقَیُّوۡمِ ؕ وَ قَدۡ خَابَ مَنۡ حَمَلَ ظُلۡمًا ﴿۱۱۱﴾

020.111 WaAAanati alwujoohu lilhayyi alqayyoomi waqad khaba man hamala thulman

20:111 En alle gezichten zullen eerbiedig neerbuigen voor de Levende, de Zelfstandige. En waarlijk, hij die onrecht pleegde zal teleurgesteld worden. En de gezichten zwichten voor de Levende, de Standvastige en teleurgesteld wordt hij wiens last onrecht is.

وَ مَنۡ یَّعۡمَلۡ مِنَ الصّٰلِحٰتِ وَ ہُوَ مُؤۡمِنٌ فَلَا یَخٰفُ ظُلۡمًا وَّ لَا ہَضۡمًا ﴿۱۱۲﴾

020.112 Waman yaAAmal mina alssalihati wahuwa mu/minun fala yakhafu thulman wala hadman

20:112 En hij die goede daden verrichtte en een gelovige was, hoeft niet bang te zijn voor onrecht of verlies. Maar wie deugdelijke daden doet, terwijl hij gelovig is, die zal voor onrecht niet bang zijn en ook niet dat hem tekort gedaan wordt.

وَ کَذٰلِکَ اَنۡزَلۡنٰہُ قُرۡاٰنًا عَرَبِیًّا وَّ صَرَّفۡنَا فِیۡہِ مِنَ الۡوَعِیۡدِ لَعَلَّہُمۡ یَتَّقُوۡنَ اَوۡ یُحۡدِثُ لَہُمۡ ذِکۡرًا ﴿۱۱۳﴾

020.113 Wakathalika anzalnahu qur-anan AAarabiyyan wasarrafna feehi mina alwaAAeedi laAAallahum yattaqoona aw yuhdithu lahum thikran

20:113 En zo hebben Wij hem neergezonden als een Arabische Kuran en Wij hebben daarin waarschuwingen uiteengezet. Hopelijk zullen zij (Allah) vrezen of zal hij (de Kuran) hen lering brengen. En zo hebben Wij het neergezonden als een Arabische Koran en Wij hebben er uiteenzettingen van dreigementen in gegeven; misschien zullen zij godvrezend worden of brengt hij voor hen een nieuwe vermaning.

فَتَعٰلَی اللّٰہُ الۡمَلِکُ الۡحَقُّ ۚ وَ لَا تَعۡجَلۡ بِالۡقُرۡاٰنِ مِنۡ قَبۡلِ اَنۡ یُّقۡضٰۤی اِلَیۡکَ وَحۡیُہٗ ۫ وَ قُلۡ رَّبِّ زِدۡنِیۡ عِلۡمًا ﴿۱۱۴﴾

020.114 FataAAala Allahu almaliku alhaqqu wala taAAjal bialqur-ani min qabli an yuqda ilayka wahyuhu waqul rabbi zidnee AAilman

20:114 En Verheven is Allah, de Ware Koning. En haast je niet met de Kuran (O Mohammed), voordat zijn openbaring an jou voltooid is. En zeg: "'Mijn Heer, vermeerder voor mijn kennis." Hoogverheven is Allah, de ware koning. En haast je niet met de Koran voordat de openbaring ervan aan jou geheel is geschied en zeg: "Mijn Heer, geef mij meer kennis."

وَ لَقَدۡ عَہِدۡنَاۤ اِلٰۤی اٰدَمَ مِنۡ قَبۡلُ فَنَسِیَ وَ لَمۡ نَجِدۡ لَہٗ عَزۡمًا ﴿۱۱۵﴾٪

020.115 Walaqad AAahidna ila adama min qablu fanasiya walam najid lahu AAazman

20:115 En Wij hadden vroeger met Adam een verbond gesloten, maar hij vergat het. Wij vonden bij hem geen vastberadenheid. En Wij hadden vroeger aan Adam opdracht gegeven maar hij vergat het; Wij vonden bij hem geen vastbeslotenheid.

وَ اِذۡ قُلۡنَا لِلۡمَلٰٓئِکَۃِ اسۡجُدُوۡا لِاٰدَمَ فَسَجَدُوۡۤا اِلَّاۤ اِبۡلِیۡسَ ؕ اَبٰی ﴿۱۱۶﴾

020.116 Wa-ith qulna lilmala-ikati osjudoo li-adama fasajadoo illa ibleesa aba

20:116 En toen Wij tegen de Engelen Zeiden: "Werpt jullie neer voor Adam," wierpen zij zich neer, behalve lblis, hij weigerde. Toen Wij tot de engelen zeiden: "Buigt eerbiedig neer voor Adam", bogen zij eerbiedig neer, behalve Iblies; hij weigerde.

فَقُلۡنَا یٰۤـاٰدَمُ اِنَّ ہٰذَا عَدُوٌّ لَّکَ وَ لِزَوۡجِکَ فَلَا یُخۡرِجَنَّکُمَا مِنَ الۡجَنَّۃِ فَتَشۡقٰی ﴿۱۱۷﴾

020.117 Faqulna ya adamu inna hatha AAaduwwun laka walizawjika fala yukhrijannakuma mina aljannati fatashqa

20:117 Daarop zeiden Wij: "O Adam, voorwaar, dit is zeker een vijand van jou en jouw vrouw. Laat hem daarom jullie niet uit het Paradijs verdrijven, want dan zal jij zeker ongelukkig worden. Wij zeiden dus tot Adam: "Dit is een vijand van jou en je echtgenote; laat hij jullie dus niet uit de tuin verdrijven want dan zul je ongelukkig zijn.

اِنَّ لَکَ اَلَّا تَجُوۡعَ فِیۡہَا وَ لَا تَعۡرٰی ﴿۱۱۸﴾ۙ

020.118 Inna laka alla tajooAAa feeha wala taAAra

20:118 Voorwaar, daarin is voor jou geen honger en jij bent er niet naakt. Het is jou gegund dat jij er geen honger hebt noch naakt bent

وَ اَنَّکَ لَا تَظۡمَؤُا فِیۡہَا وَ لَا تَضۡحٰی ﴿۱۱۹﴾

020.119 Waannaka la tathmao feeha wala tadha

20:119 Jij hebt er zeker geen dorst en jij wordt er niet blootgesteld aan hitte." en dat jij er geen dorst hebt noch onder de hitte lijdt."

فَوَسۡوَسَ اِلَیۡہِ الشَّیۡطٰنُ قَالَ یٰۤـاٰدَمُ ہَلۡ اَدُلُّکَ عَلٰی شَجَرَۃِ الۡخُلۡدِ وَ مُلۡکٍ لَّا یَبۡلٰی ﴿۱۲۰﴾

020.120 Fawaswasa ilayhi alshshaytanu qala ya adamu hal adulluka AAala shajarati alkhuldi wamulkin la yabla

20:120 Maar de Satan fluisterde hem in, en zei: "O Adam, zal ik jou de eeuwige boom wijzen en een koninkrijk dat niet vergaat?" Maar de satan fluisterde hem in en zei: "O Adam zal ik jou de boom van het eeuwige leven wijzen en een heerschappij die niet vergaat?"

فَاَکَلَا مِنۡہَا فَبَدَتۡ لَہُمَا سَوۡاٰتُہُمَا وَ طَفِقَا یَخۡصِفٰنِ عَلَیۡہِمَا مِنۡ وَّرَقِ الۡجَنَّۃِ ۫ وَ عَصٰۤی اٰدَمُ رَبَّہٗ فَغَوٰی ﴿۱۲۱﴾۪ۖ

020.121 Faakala minha fabadat lahuma saw-atuhuma watafiqa yakhsifani AAalayhima min waraqi aljannati waAAasa adamu rabbahu faghawa

20:121 Vervolgens aten zij ervan, zodat hun schaamte zichtbaar werd en zij begonnen zich te bedekken met bladeren van het Paradijs; en zo was Adam zijn Heer ongehoorzaam en dwaalde hij. Toen aten zij er beiden van en hun schaamte werd voor hen zichtbaar en zij begonnen zich te bedekken met aaneengehechte bladeren uit de tuin. Adam was ongehoorzaam aan zijn Heer en misleid.

ثُمَّ اجۡتَبٰہُ رَبُّہٗ فَتَابَ عَلَیۡہِ وَ ہَدٰی ﴿۱۲۲﴾

020.122 Thumma ijtabahu rabbuhu fataba AAalayhi wahada

20:122 Daarna koos zijn Heer hem uit en Hij aanvaardde zijn berouw en leidde (hem). Daarna verkoos zijn Heer hem, wendde zich genadig tot hem en bracht hem op het goede pad.

قَالَ اہۡبِطَا مِنۡہَا جَمِیۡعًۢا بَعۡضُکُمۡ لِبَعۡضٍ عَدُوٌّ ۚ فَاِمَّا یَاۡتِیَنَّکُمۡ مِّنِّیۡ ہُدًی ۬ۙ فَمَنِ اتَّبَعَ ہُدَایَ فَلَا یَضِلُّ وَ لَا یَشۡقٰی ﴿۱۲۳﴾

020.123 Qala ihbita minha jameeAAan baAAdukum libaAAdin AAaduwwun fa-imma ya/tiyannakum minnee hudan famani ittabaAAa hudaya fala yadillu wala yashqa

20:123 Hij (Allah) zei: "Daalt hieruit af, tezamen, onder jullie zal de n de vijand zijn van de ander. Maar als van Mij Leiding tot jullie komt: wie Mijn Leiding volgt dwaalt niet en is niet ongelukkig. Hij zei: "Daalt beiden er tezamen uit af -- elkaar tot vijand. Als er dan van Mij een leidraad komt, dan zal wie Mijn leidraad navolgt niet dwalen en niet ongelukkig zijn.

وَ مَنۡ اَعۡرَضَ عَنۡ ذِکۡرِیۡ فَاِنَّ لَہٗ مَعِیۡشَۃً ضَنۡکًا وَّ نَحۡشُرُہٗ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ اَعۡمٰی ﴿۱۲۴﴾

020.124 Waman aAArada AAan thikree fa-inna lahu maAAeeshatan dankan wanahshuruhu yawma alqiyamati aAAman

20:124 En hij die zich afwendt van Mijn Vermaning: voorwaar, er zal dan voor hem een benauwd leven zijn. En Wij zullen hen verzamelen op de Dag van de Opstanding, in blinde toestand. Maar wie zich van Mijn vermaning afwendt die zal een benauwd leven leiden en Wij zullen hem op de opstandingsdag blind ter verzameling opbrengen.

قَالَ رَبِّ لِمَ حَشَرۡتَنِیۡۤ اَعۡمٰی وَ قَدۡ کُنۡتُ بَصِیۡرًا ﴿۱۲۵﴾

020.125 Qala rabbi lima hashartanee aAAma waqad kuntu baseeran

20:125 Hij zal zeggen: "Mijn Heer, waarom verzamelt U mij in blinde toestand, terwijl ik vroeger in staat was om te zien?" Hij zal zeggen: "Mijn Heer, waarom hebt U mij blind ter verzameling opgebracht, terwijl ik toch kon zien?"

قَالَ کَذٰلِکَ اَتَتۡکَ اٰیٰتُنَا فَنَسِیۡتَہَا ۚ وَکَذٰلِکَ الۡیَوۡمَ تُنۡسٰی ﴿۱۲۶﴾

020.126 Qala kathalika atatka ayatuna fanaseetaha wakathalika alyawma tunsa

20:126 Hij (Allah) zei zeggen: "Zo is het. Onze Tekenen zijn tot jou gekomen, maar jij verwerpt ze, en daarin wordt jij vandaag vergeten." Hij zegt: "Zo is het, Onze tekenen zijn tot jou gekomen, maar jij hebt ze vergeten, evenzo word jij vandaag dus vergeten."

وَ کَذٰلِکَ نَجۡزِیۡ مَنۡ اَسۡرَفَ وَ لَمۡ یُؤۡمِنۡۢ بِاٰیٰتِ رَبِّہٖ ؕ وَ لَعَذَابُ الۡاٰخِرَۃِ اَشَدُّ وَ اَبۡقٰی ﴿۱۲۷﴾

020.127 Wakathalika najzee man asrafa walam yu/min bi-ayati rabbihi walaAAathabu al-akhirati ashaddu waabqa

20:127 En zo vergelden Wij wie overschrijdt en niet in de Tekenen van zijn Heer gelooft. En de bestraffing in het Hiernamaals is zeker strenger en blijvender. Zo zullen Wij ook aan hem die onmatig is en die niet in de tekenen van zijn Heer gelooft vergelden. De bestraffing van het hiernamaals is strenger en onvergankelijker.

اَفَلَمۡ یَہۡدِ لَہُمۡ کَمۡ اَہۡلَکۡنَا قَبۡلَہُمۡ مِّنَ الۡقُرُوۡنِ یَمۡشُوۡنَ فِیۡ مَسٰکِنِہِمۡ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیٰتٍ لِّاُولِی النُّہٰی ﴿۱۲۸﴾٪

020.128 Afalam yahdi lahum kam ahlakna qablahum mina alqurooni yamshoona fee masakinihim inna fee thalika laayatin li-olee alnnuha

20:128 Is er voor hen dan geen Leiding in hoeveel generaties vr hen Wij vernietigd hebben, en over wiens (vernietigde) woningen zij rondwandelde? Voorwaar, daarin zijn zeker Tekenen voor de bezitten van verstand. Is het hun dan niet duidelijk hoeveel generaties van wie in de woningen wandelen Wij al vr hun tijd vernietigd hebben? Daarin zijn tekenen voor de schranderen.

وَ لَوۡ لَا کَلِمَۃٌ سَبَقَتۡ مِنۡ رَّبِّکَ لَکَانَ لِزَامًا وَّ اَجَلٌ مُّسَمًّی ﴿۱۲۹﴾ؕ

020.129 Walawla kalimatun sabaqat min rabbika lakana lizaman waajalun musamman

20:129 En als er geen Woord van jouw Heer voorafgegaan was, en het tijdstip niet vastgesteld was, dan zou (de bestraffing) hen zeker treffen. En als er al niet eerder een woord van jouw Heer gekomen was en een vastgestelde termijn, dan was het onafwendbaar geweest.

فَاصۡبِرۡ عَلٰی مَا یَقُوۡلُوۡنَ وَ سَبِّحۡ بِحَمۡدِ رَبِّکَ قَبۡلَ طُلُوۡعِ الشَّمۡسِ وَ قَبۡلَ غُرُوۡبِہَا ۚ وَ مِنۡ اٰنَآیِٔ الَّیۡلِ فَسَبِّحۡ وَ اَطۡرَافَ النَّہَارِ لَعَلَّکَ تَرۡضٰی ﴿۱۳۰﴾

020.130 Faisbir AAala ma yaqooloona wasabbih bihamdi rabbika qabla tulooAAi alshshamsi waqabla ghuroobiha wamin ana-i allayli fasabbih waatrafa alnnahari laAAallaka tarda

20:130 Wees daarom geduldig (O Mohammed) met wat zij zeggen en prijs de lof van jouw Heer vr de zonsopgang en vr haar ondergang en tijdens de nacht en prijs (Hem) op de uiteinden van de dag. Hopelijk ben jij tevreden. Verdraag wat zij zeggen dus geduldig en prijs de lof van jouw Heer voor zonsopgang en voor haar ondergang en lofprijst gedurende de nacht en op de uiteinden van de dag; misschien ben jij dan tevreden.

وَ لَا تَمُدَّنَّ عَیۡنَیۡکَ اِلٰی مَا مَتَّعۡنَا بِہٖۤ اَزۡوَاجًا مِّنۡہُمۡ زَہۡرَۃَ الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا ۬ۙ لِنَفۡتِنَہُمۡ فِیۡہِ ؕ وَ رِزۡقُ رَبِّکَ خَیۡرٌ وَّ اَبۡقٰی ﴿۱۳۱﴾

020.131 Wala tamuddanna AAaynayka ila ma mattaAAna bihi azwajan minhum zahrata alhayati alddunya linaftinahum feehi warizqu rabbika khayrun waabqa

20:131 En kijk niet met uitpuilende ogen naar wat Wij sommigen van hen aan genietingen hebben geschonken, (het is slechts) de versiering van het wereldse leven, om hen ermee op de proef te stellen. En de voorziening van jouw Heer is beter en blijvender. En kijk niet met uitpuilende ogen naar wat Wij sommigen van hen als vruchtgebruik gegeven hebben, de schittering van het tegenwoordige leven, om hen daarmee in verzoeking te brengen. En het levensonderhoud van jouw Heer is beter en onvergankelijker.

وَ اۡمُرۡ اَہۡلَکَ بِالصَّلٰوۃِ وَ اصۡطَبِرۡ عَلَیۡہَا ؕ لَا نَسۡـَٔلُکَ رِزۡقًا ؕ نَحۡنُ نَرۡزُقُکَ ؕ وَ الۡعَاقِبَۃُ لِلتَّقۡوٰی ﴿۱۳۲﴾

020.132 Wa/mur ahlaka bialssalati waistabir AAalayha la nas-aluka rizqan nahnu narzuquka waalAAaqibatu lilttaqwa

20:132 En beveel jouw familie de shalat te verrichten en volhard daarin. Wij vragen van jou geen voorziening (te geven), Wij geven jou voorziening. Het (goede) einde is voor degene die (Allah) vreest. En leg jouw mensen de salaat op. Volhard jij er ook in. Wij vragen van jou geen levensonderhoud. Wij zijn het die jou levensonderhoud geven en het [goede] uiteinde komt de godvrezendheid toe.

وَ قَالُوۡا لَوۡ لَا یَاۡتِیۡنَا بِاٰیَۃٍ مِّنۡ رَّبِّہٖ ؕ اَوَ لَمۡ تَاۡتِہِمۡ بَیِّنَۃُ مَا فِی الصُّحُفِ الۡاُوۡلٰی ﴿۱۳۳﴾

020.133 Waqaloo lawla ya/teena bi-ayatin min rabbihi awa lam ta/tihim bayyinatu ma fee alssuhufi al-oola

20:133 En zij (de ongelovigen) zeggen: "Waarom is hij niet met een Teken van Zijn Heer tot ons gekomen?" Is er dan geen duidelijk Teken tot hen gekomen in de voorafgaande Geschriften? En zij zeiden: "Had hij ons geen teken van zijn Heer kunnen brengen?" Is tot hen dan niet als duidelijk bewijs gekomen wat er in de eerdere bladen staat?

وَ لَوۡ اَنَّـاۤ اَہۡلَکۡنٰہُمۡ بِعَذَابٍ مِّنۡ قَبۡلِہٖ لَقَالُوۡا رَبَّنَا لَوۡ لَاۤ اَرۡسَلۡتَ اِلَیۡنَا رَسُوۡلًا فَنَتَّبِعَ اٰیٰتِکَ مِنۡ قَبۡلِ اَنۡ نَّذِلَّ وَ نَخۡزٰی ﴿۱۳۴﴾

020.134 Walaw anna ahlaknahum biAAathabin min qablihi laqaloo rabbana lawla arsalta ilayna rasoolan fanattabiAAa ayatika min qabli an nathilla wanakhza

20:134 En als Wij hen vernietigd hadden door een bestraffing voor hem (de Kuran), dan zouden zij zeker zeggen: "Onze Heer, had U maar een Boodschapper naar ons gestuurd, dan zouden wij Uw Tekenen hebben gevolgd, voordat wij vernederd en te schande gemaakt werden!" En als Wij hen vernietigd hadden door een bestraffing vr zijn komst, dan hadden zij gezegd: "Onze Heer, had U tot ons niet een gezant kunnen zenden, zodat wij Uw tekenen hadden kunnen volgen voordat wij vernederd en te schande gemaakt werden?"

قُلۡ کُلٌّ مُّتَرَبِّصٌ فَتَرَبَّصُوۡا ۚ فَسَتَعۡلَمُوۡنَ مَنۡ اَصۡحٰبُ الصِّرَاطِ السَّوِیِّ وَ مَنِ اہۡتَدٰی ﴿۱۳۵﴾٪

020.135 Qul kullun mutarabbisun fatarabbasoo fasataAAlamoona man as-habu alssirati alssawiyyi wamani ihtada

20:135 Zeg: "Allen wachten af, wacht dus af. Jullie zullen te weten komen wie de volgers van het rechte Pad zijn en wie Leiding volgden." Zeg: "Iedereen wacht af; wacht dus maar af. Dan zullen jullie weten wie de mensen van de effen weg zijn en wie het goede pad volgen."


www.kuran.nl