Al-Mominun

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

قَدۡ اَفۡلَحَ الۡمُؤۡمِنُوۡنَ ۙ﴿۱﴾

023.001 Qad aflaha almu/minoona

23:1 Waarlijk, de gelovigen slagen. Het zal de gelovigen welgaan,

الَّذِیۡنَ ہُمۡ فِیۡ صَلَاتِہِمۡ خٰشِعُوۡنَ ۙ﴿۲﴾

023.002 Allatheena hum fee salatihim khashiAAoona

23:2 Degenen die nederig zijn in hun shalat. die in hun salaat deemoedig zijn,

وَ الَّذِیۡنَ ہُمۡ عَنِ اللَّغۡوِ مُعۡرِضُوۡنَ ﴿ۙ۳﴾

023.003 Waallatheena hum AAani allaghwi muAAridoona

23:3 En degenen die nutteloos gepraat vemijden. die geklets mijden,

وَ الَّذِیۡنَ ہُمۡ لِلزَّکٰوۃِ فٰعِلُوۡنَ ۙ﴿۴﴾

023.004 Waallatheena hum lilzzakati faAAiloona

23:4 En degenen die hun plicht tot zakat nakomen. die de zakaat opbrengen

وَ الَّذِیۡنَ ہُمۡ لِفُرُوۡجِہِمۡ حٰفِظُوۡنَ ۙ﴿۵﴾

023.005 Waallatheena hum lifuroojihim hafithoona

23:5 En degenen die hun kuisheid bewaken. en die hun schaamstreek kuis bewaren,

اِلَّا عَلٰۤی اَزۡوَاجِہِمۡ اَوۡ مَا مَلَکَتۡ اَیۡمَانُہُمۡ فَاِنَّہُمۡ غَیۡرُ مَلُوۡمِیۡنَ ۚ﴿۶﴾

023.006 Illa AAala azwajihim aw ma malakat aymanuhum fa-innahum ghayru maloomeena

23:6 Behalve tegenover hun echtgenotes en hun slavinnen, dan worden zij niet verweten. behalve bij hun echtgenotes of slavinnen waarover zij beschikken, dan valt hun niets te verwijten,

فَمَنِ ابۡتَغٰی وَرَآءَ ذٰلِکَ فَاُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡعٰدُوۡنَ ۚ﴿۷﴾

023.007 Famani ibtagha waraa thalika faola-ika humu alAAadoona

23:7 Maar wie meer dan dat wensen: zij zijn degenen die de overtreders zijn. maar zij die meer dan dat begeren, zij zijn het die overtreden.

وَ الَّذِیۡنَ ہُمۡ لِاَمٰنٰتِہِمۡ وَ عَہۡدِہِمۡ رٰعُوۡنَ ۙ﴿۸﴾

023.008 Waallatheena hum li-amanatihim waAAahdihim raAAoona

23:8 En degenen die goed zorgen voor wat hen is toevertrouwd en voor hun beloften. Die ook goed toezicht houden op hun onderpanden en hun verbintenis

وَ الَّذِیۡنَ ہُمۡ عَلٰی صَلَوٰتِہِمۡ یُحَافِظُوۡنَ ۘ﴿۹﴾

023.009 Waallatheena hum AAala salawatihim yuhafithoona

23:9 En degenen die hun shalat onderhouden. en die zich aan hun salaats houden.

اُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡوٰرِثُوۡنَ ﴿ۙ۱۰﴾

023.010 Ola-ika humu alwarithoona

23:10 Zij zijn degenen die de erfgenamen zijn Zij zijn het die de erfgenamen zijn,

الَّذِیۡنَ یَرِثُوۡنَ الۡفِرۡدَوۡسَ ؕ ہُمۡ فِیۡہَا خٰلِدُوۡنَ ﴿۱۱﴾

023.011 Allatheena yarithoona alfirdawsa hum feeha khalidoona

23:11 Degenen die Firdaus (het Paradijs) zullen erven, zij zijn daarin eeuwig levenden. die het paradijs zullen beërven, zij zullen daarin altijd blijven.

وَ لَقَدۡ خَلَقۡنَا الۡاِنۡسَانَ مِنۡ سُلٰلَۃٍ مِّنۡ طِیۡنٍ ﴿ۚ۱۲﴾

023.012 Walaqad khalaqna al-insana min sulalatin min teenin

23:12 En voorzeker, Wij hebben de mens uit een uittreksel van klei geschapen. Wij hebben de mens toch uit een extract van klei geschapen.

ثُمَّ جَعَلۡنٰہُ نُطۡفَۃً فِیۡ قَرَارٍ مَّکِیۡنٍ ﴿۪۱۳﴾

023.013 Thumma jaAAalnahu nutfatan fee qararin makeenin

23:13 Vervolgens maakten Wij hem tot een druppel in een stevige bewaarplaats. Daarna maakten Wij hem tot een druppel in een solide verblijfplaats.

ثُمَّ خَلَقۡنَا النُّطۡفَۃَ عَلَقَۃً فَخَلَقۡنَا الۡعَلَقَۃَ مُضۡغَۃً فَخَلَقۡنَا الۡمُضۡغَۃَ عِظٰمًا فَکَسَوۡنَا الۡعِظٰمَ لَحۡمًا ٭ ثُمَّ اَنۡشَاۡنٰہُ خَلۡقًا اٰخَرَ ؕ فَتَبٰرَکَ اللّٰہُ اَحۡسَنُ الۡخٰلِقِیۡنَ ﴿ؕ۱۴﴾

023.014 Thumma khalaqna alnnutfata AAalaqatan fakhalaqna alAAalaqata mudghatan fakhalaqna almudghata AAithaman fakasawna alAAithama lahman thumma ansha/nahu khalqan akhara fatabaraka Allahu ahsanu alkhaliqeena

23:14 Vervolgens schiepen Wij de druppel tot een bloedklonter, toen vormden Wij de bloedklonter tot een vleesklomp, waarna Wij de vleesklomp voorzagen van beenderen, die Wij vervolgens met vlees bekleedden. Later scheppen Wij een andere schepping. Gezegend is daarom Allah, de Beste van de Scheppers. Daarna schiepen Wij de druppel tot een bloedklonter, dan schiepen Wij de bloedklonter tot een vleesklomp, dan schiepen Wij de vleesklomp tot gebeente en dan bedekten Wij het gebeente met vlees. Daarna lieten Wij het als een nieuwe schepping ontstaan. Gezegend zij Allah, de beste schepper.

ثُمَّ اِنَّکُمۡ بَعۡدَ ذٰلِکَ لَمَیِّتُوۡنَ ﴿ؕ۱۵﴾

023.015 Thumma innakum baAAda thalika lamayyitoona

23:15 Vervolgens zullen jullie zeker daarna sterven. Daarna zullen jullie, nadat dat gebeurd is, sterven.

ثُمَّ اِنَّکُمۡ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ تُبۡعَثُوۡنَ ﴿۱۶﴾

023.016 Thumma innakum yawma alqiyamati tubAAathoona

23:16 Daarna zullen jullie op de Dag van de Opstanding worden opgewekt. Daarna zullen jullie op de opstandingsdag opgewekt worden.

وَ لَقَدۡ خَلَقۡنَا فَوۡقَکُمۡ سَبۡعَ طَرَآئِقَ ٭ۖ وَ مَا کُنَّا عَنِ الۡخَلۡقِ غٰفِلِیۡنَ ﴿۱۷﴾

023.017 Walaqad khalaqna fawqakum sabAAa tara-iqa wama kunna AAani alkhalqi ghafileena

23:17 En voorzeker, Wij schiepen boven jullie zeven hemelen en Wij veronachtzamen de schepping niet En boven jullie hebben Wij zeven lagen geschapen en Wij letten goed op de schepping.

وَ اَنۡزَلۡنَا مِنَ السَّمَآءِ مَآءًۢ بِقَدَرٍ فَاَسۡکَنّٰہُ فِی الۡاَرۡضِ ٭ۖ وَ اِنَّا عَلٰی ذَہَابٍۭ بِہٖ لَقٰدِرُوۡنَ ﴿ۚ۱۸﴾

023.018 Waanzalna mina alssama-i maan biqadarin faaskannahu fee al-ardi wa-inna AAala thahabin bihi laqadiroona

23:18 En Wij stuurden een afgepaste hoeveelheid water neer waarna Wij het blijvend in de grond vasthouden. En voorwaar, Wij zijn in staat het weer weg te nemen. En Wij hebben met mate water uit de hemel neer laten dalen en het in de aarde laten rusten -- Wij zijn ook in staat het weg te nemen --

فَاَنۡشَاۡنَا لَکُمۡ بِہٖ جَنّٰتٍ مِّنۡ نَّخِیۡلٍ وَّ اَعۡنَابٍ ۘ لَکُمۡ فِیۡہَا فَوَاکِہُ کَثِیۡرَۃٌ وَّ مِنۡہَا تَاۡکُلُوۡنَ ﴿ۙ۱۹﴾

023.019 Faansha/na lakum bihi jannatin min nakheelin waaAAnabin lakum feeha fawakihu katheeratun waminha ta/kuloona

23:19 Toen legden Wij daarmee voor jullie tuinen met palmen en druivenstruiken aan, met daaraan veel vruchten. En jullie eten daarvan. en Wij hebben voor jullie daarmee tuinen van palmen en wijnstokken laten ontstaan waarin jullie veel vruchten hebben en waarvan jullie kunnen eten

وَ شَجَرَۃً تَخۡرُجُ مِنۡ طُوۡرِ سَیۡنَآءَ تَنۡۢبُتُ بِالدُّہۡنِ وَ صِبۡغٍ لِّلۡاٰکِلِیۡنَ ﴿۲۰﴾

023.020 Washajaratan takhruju min toori saynaa tanbutu bialdduhni wasibghin lilakileena

23:20 En (van) een boom die groeit op de berg Sinai, die olie en een gerecht voor hen die eten levert. en een boom die uit de berg Sinaa? voortkomt die olie voortbrengt en saus voor hen die eten.

وَ اِنَّ لَکُمۡ فِی الۡاَنۡعَامِ لَعِبۡرَۃً ؕ نُسۡقِیۡکُمۡ مِّمَّا فِیۡ بُطُوۡنِہَا وَ لَکُمۡ فِیۡہَا مَنَافِعُ کَثِیۡرَۃٌ وَّ مِنۡہَا تَاۡکُلُوۡنَ ﴿ۙ۲۱﴾

023.021 Wa-inna lakum fee al-anAAami laAAibratan nusqeekum mimma fee butooniha walakum feeha manafiAAu katheeratun waminha ta/kuloona

23:21 En voorwaar, in het vee is een lering voor jullie. Wij geven jullie te drinken uit hun buiken en voor jullie zijn daarin vele nuttige zaken en jullie eten daarvan. In het vee is er voor jullie ook een les; van wat er in hun buiken is geven Wij te drinken. Jullie hebben daarvan ook veel nut en jullie eten ervan.

وَ عَلَیۡہَا وَ عَلَی الۡفُلۡکِ تُحۡمَلُوۡنَ ﴿٪۲۲﴾

023.022 WaAAalayha waAAala alfulki tuhmaloona

23:22 Op hen en op de schepen worden jullie vervoerd. En op hen en op de schepen worden jullie voortgedragen.

وَ لَقَدۡ اَرۡسَلۡنَا نُوۡحًا اِلٰی قَوۡمِہٖ فَقَالَ یٰقَوۡمِ اعۡبُدُوا اللّٰہَ مَا لَکُمۡ مِّنۡ اِلٰہٍ غَیۡرُہٗ ؕ اَفَلَا تَتَّقُوۡنَ ﴿۲۳﴾

023.023 Walaqad arsalna noohan ila qawmihi faqala ya qawmi oAAbudoo Allaha ma lakum min ilahin ghayruhu afala tattaqoona

23:23 En voorzeker, Wij hebben Noach tot zijn volk gezonden. Toen zei hij: "O mijn volk, aanbidt Allah, er is geen andere god voor jullie dan Hij. Waarom vrezen jullie (Allah) niet?" Wij hebben Noeh tot zijn volk gezonden en hij zei: "Mijn volk! Dient Allah; jullie hebben geen andere god dan Hem. Zullen jullie niet godvrezend worden?"

فَقَالَ الۡمَلَؤُا الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا مِنۡ قَوۡمِہٖ مَا ہٰذَاۤ اِلَّا بَشَرٌ مِّثۡلُکُمۡ ۙ یُرِیۡدُ اَنۡ یَّتَفَضَّلَ عَلَیۡکُمۡ ؕ وَ لَوۡ شَآءَ اللّٰہُ لَاَنۡزَلَ مَلٰٓئِکَۃً ۚۖ مَّا سَمِعۡنَا بِہٰذَا فِیۡۤ اٰبَآئِنَا الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿ۚ۲۴﴾

023.024 Faqala almalao allatheena kafaroo min qawmihi ma hatha illa basharun mithlukum yureedu an yatafaddala AAalaykum walaw shaa Allahu laanzala mala-ikatan ma samiAAna bihatha fee aba-ina al-awwaleena

23:24 Toen zeiden de vooraanstanden, die niet geloofden, van zijn volk: "Deze (man) is slechts een mens zoals jullie. Hij wenst uit te blinken boven jullie. En als Allah het gewild had, zou Hij Engelen hebben gestuurd. Wij hebben hierover van onze voorouders nog nooit gehoord. En de raad van voornaamsten, zij van zijn volk die ongelovig waren, zei toen: "Dit is slechts een mens zoals jullie, die boven jullie wil uitblinken. Als Allah het namelijk gewild had, dan had Hij wel engelen neergezonden. Wij hebben hiervan bij onze vaderen die er eertijds waren niet gehoord.

اِنۡ ہُوَ اِلَّا رَجُلٌۢ بِہٖ جِنَّۃٌ فَتَرَبَّصُوۡا بِہٖ حَتّٰی حِیۡنٍ ﴿۲۵﴾

023.025 In huwa illa rajulun bihi jinnatun fatarabbasoo bihi hatta heenin

23:25 Hij is slechts een man die bezeten is, wacht daarom op hem tot een bepaald moment." Hij is slechts een man die last heeft van bezetenheid. Wacht maar enige tijd af."

قَالَ رَبِّ انۡصُرۡنِیۡ بِمَا کَذَّبُوۡنِ ﴿۲۶﴾

023.026 Qala rabbi onsurnee bima kaththabooni

23:26 Hij (Noach) zei: "O mijn Heer, help mij vanwege wat zij loochenen." Hij zei: "Mijn Heer, help mij want zij betichten mij van leugens."

فَاَوۡحَیۡنَاۤ اِلَیۡہِ اَنِ اصۡنَعِ الۡفُلۡکَ بِاَعۡیُنِنَا وَ وَحۡیِنَا فَاِذَا جَآءَ اَمۡرُنَا وَ فَارَ التَّنُّوۡرُ ۙ فَاسۡلُکۡ فِیۡہَا مِنۡ کُلٍّ زَوۡجَیۡنِ اثۡنَیۡنِ وَ اَہۡلَکَ اِلَّا مَنۡ سَبَقَ عَلَیۡہِ الۡقَوۡلُ مِنۡہُمۡ ۚ وَ لَا تُخَاطِبۡنِیۡ فِی الَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡا ۚ اِنَّہُمۡ مُّغۡرَقُوۡنَ ﴿۲۷﴾

023.027 Faawhayna ilayhi ani isnaAAi alfulka bi-aAAyunina wawahyina fa-itha jaa amruna wafara alttannooru faosluk feeha min kullin zawjayni ithnayni waahlaka illa man sabaqa AAalayhi alqawlu minhum wala tukhatibnee fee allatheena thalamoo innahum mughraqoona

23:27 Toen openbaarden Wij aan hem: "Bouw onder Ons toezicht en (volgens) Onze aanwijzing een schip. En als Ons bevel komt en de oven overkookt, ga dan aan boord, met van ieder (dier) twee, paarsgewijs, en jouw familie, behalve degene van hen tegen wie het Woord (van bestraffing) er eerder was. En spreek Mij niet aan over degenen die onrecht pleegden. Voorwaar, zij zullen verdronken worden. Toen openbaarden Wij aan hem: "Bouw het schip onder Onze ogen en volgens Onze openbaring. Wanneer dan Onze beschikking komt en de oven overkookt, laat er dan van alles twee stuks, paarsgewijs in gaan en jouw familie, behalve hem uit hun midden over wie al sprake is geweest, maar spreek Ons niet aan over hen die onrecht plegen; zij zullen verdronken worden.

فَاِذَا اسۡتَوَیۡتَ اَنۡتَ وَ مَنۡ مَّعَکَ عَلَی الۡفُلۡکِ فَقُلِ الۡحَمۡدُ لِلّٰہِ الَّذِیۡ نَجّٰنَا مِنَ الۡقَوۡمِ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۲۸﴾

023.028 Fa-itha istawayta anta waman maAAaka AAala alfulki faquli alhamdu lillahi allathee najjana mina alqawmi alththalimeena

23:28 Dus wanneer jij en de mensen met jou aan boord van het schip zullen gaan, zeg dan: "Alle lof zij Allah, Die ons gered heeft van het onrechtvaardige volk." En wanneer jij met hen die bij jou zijn op de boot plaats genomen hebt, zeg dan: 'Lof zij Allah die ons van de mensen die onrecht plegen gered heeft.?

وَ قُلۡ رَّبِّ اَنۡزِلۡنِیۡ مُنۡزَلًا مُّبٰرَکًا وَّ اَنۡتَ خَیۡرُ الۡمُنۡزِلِیۡنَ ﴿۲۹﴾

023.029 Waqul rabbi anzilnee munzalan mubarakan waanta khayru almunzileena

23:29 En zeg: "O mijn Heer, plaats mij op een gezegende plaats. En U bent het die de beste plaatsen geeft." En zeg: 'Mijn Heer, geef mij een gezegend onderkomen; U bent de beste van hen die een onderkomen geven.?"

اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیٰتٍ وَّ اِنۡ کُنَّا لَمُبۡتَلِیۡنَ ﴿۳۰﴾

023.030 Inna fee thalika laayatin wa-in kunna lamubtaleena

23:30 Voorwaar, daarin zijn zeker Tekenen en Wij hebben hen zeker beproefd. Daarin zijn zeker tekenen en Wij hebben

ثُمَّ اَنۡشَاۡنَا مِنۡۢ بَعۡدِہِمۡ قَرۡنًا اٰخَرِیۡنَ ﴿ۚ۳۱﴾

023.031 Thumma ansha/na min baAAdihim qarnan akhareena

23:31 Vervolgens brengen Wij na hen een andere generatie voort. Toen lieten Wij na hen een andere generatie ontstaan.

فَاَرۡسَلۡنَا فِیۡہِمۡ رَسُوۡلًا مِّنۡہُمۡ اَنِ اعۡبُدُوا اللّٰہَ مَا لَکُمۡ مِّنۡ اِلٰہٍ غَیۡرُہٗ ؕ اَفَلَا تَتَّقُوۡنَ ﴿٪۳۲﴾

023.032 Faarsalna feehim rasoolan minhum ani oAAbudoo Allaha ma lakum min ilahin ghayruhu afala tattaqoona

23:32 En Wij stuurden hun een Boodschapper van onder hen (die zei:) "Aanbidt Allah. Er is geen god voor jullie dan Hem, waarom vrezen jullie (Allah) niet?" En Wij zonden een gezant uit hun midden tot hen [met de oproep]: "Dient Allah; jullie hebben geen andere god dan Hem. Zullen jullie niet godvrezend worden?"

وَ قَالَ الۡمَلَاُ مِنۡ قَوۡمِہِ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا وَ کَذَّبُوۡا بِلِقَآءِ الۡاٰخِرَۃِ وَ اَتۡرَفۡنٰہُمۡ فِی الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا ۙ مَا ہٰذَاۤ اِلَّا بَشَرٌ مِّثۡلُکُمۡ ۙ یَاۡکُلُ مِمَّا تَاۡکُلُوۡنَ مِنۡہُ وَ یَشۡرَبُ مِمَّا تَشۡرَبُوۡنَ ﴿۪ۙ۳۳﴾

023.033 Waqala almalao min qawmihi allatheena kafaroo wakaththaboo biliqa-i al-akhirati waatrafnahum fee alhayati alddunya ma hatha illa basharun mithlukum ya/kulu mimma ta/kuloona minhu wayashrabu mimma tashraboona

23:33 En de vooraanstanden, die niet geloofden, van zijn volk en die de ontmoeting in het Hiernamaals loochenden en die Wij de weelde van het wereldse leven gaven, zeiden: "Deze (man) is slechts een mens zoals jullie, hij eet van wat jullie eten en hij drinkt van wat jullie drinken. En de raad van voornaamsten van zijn volk, zij die ongelovig waren en de ontmoeting van het hiernamaals loochenden en die Wij in het tegenwoordige leven in luxe lieten leven, zei: "Dit is slechts een mens zoals jullie, die eet wat jullie eten en drinkt wat jullie drinken.

وَ لَئِنۡ اَطَعۡتُمۡ بَشَرًا مِّثۡلَکُمۡ اِنَّکُمۡ اِذًا لَّخٰسِرُوۡنَ ﴿ۙ۳۴﴾

023.034 Wala-in ataAAtum basharan mithlakum innakum ithan lakhasiroona

23:34 En als jullie rnensen volgen die zoals jullie zijn: voorwaar, dan behoren jullie zeker tot de verliezers. En als jullie een mens zoals jullie zelf gehoorzamen dan zijn jullie werkelijk verliezers!

اَیَعِدُکُمۡ اَنَّکُمۡ اِذَا مِتُّمۡ وَ کُنۡتُمۡ تُرَابًا وَّ عِظَامًا اَنَّکُمۡ مُّخۡرَجُوۡنَ ﴿۪ۙ۳۵﴾

023.035 AyaAAidukum annakum itha mittum wakuntum turaban waAAithaman annakum mukhrajoona

23:35 Belooft hij jullie dat wanneer jullie dood zijn en tot stof en beenderen zijn geworden, dat jullie dan opgewekt worden? Zegt hij jullie werkelijk aan dat jullie, wanneer jullie gestorven zijn en stof en gebeente geworden zijn, dat jullie dan weer tevoorschijn gebracht zullen worden? *

ہَیۡہَاتَ ہَیۡہَاتَ لِمَا تُوۡعَدُوۡنَ ﴿۪ۙ۳۶﴾

023.036 Hayhata hayhata lima tooAAadoona

23:36 Ver, ver weg is wat aan jullie beloofd is. Ver, ver ernaast is wat jullie aangezegd wordt.

اِنۡ ہِیَ اِلَّا حَیَاتُنَا الدُّنۡیَا نَمُوۡتُ وَ نَحۡیَا وَ مَا نَحۡنُ بِمَبۡعُوۡثِیۡنَ ﴿۪ۙ۳۷﴾

023.037 In hiya illa hayatuna alddunya namootu wanahya wama nahnu bimabAAootheena

23:37 Ons leven is slechts op de wereld, wij gaan dood en wij leven en wij zullen niet opgewekt worden. Er bestaat alleen ons tegenwoordige leven; wij sterven en wij leven en wij worden niet opgewekt.

اِنۡ ہُوَ اِلَّا رَجُلُۨ افۡتَرٰی عَلَی اللّٰہِ کَذِبًا وَّ مَا نَحۡنُ لَہٗ بِمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۳۸﴾

023.038 In huwa illa rajulun iftara AAala Allahi kathiban wama nahnu lahu bimu/mineena

23:38 Hij is slechts een man die leugens over Allah heeft verzonnen. En Wij geloven hem niet." Hij is slechts een man die over Allah een leugen verzonnen heeft en wij zullen aan hem geen geloof hechten."

قَالَ رَبِّ انۡصُرۡنِیۡ بِمَا کَذَّبُوۡنِ ﴿۳۹﴾

023.039 Qala rabbi onsurnee bima kaththabooni

23:39 Hij (Hoed) zei: "O mijn Heer, help mij tegen wat zij loochenen." Hij zei: "Mijn Heer, help mij want zij betichten mij van leugens."

قَالَ عَمَّا قَلِیۡلٍ لَّیُصۡبِحُنَّ نٰدِمِیۡنَ ﴿ۚ۴۰﴾

023.040 Qala AAamma qaleelin layusbihunna nadimeena

23:40 Hij (Allah) zei: "Binnenkort zullen zij zeker spijt krijgen." Hij zei: "Binnenkort zullen zij wroeging gaan krijgen."

فَاَخَذَتۡہُمُ الصَّیۡحَۃُ بِالۡحَقِّ فَجَعَلۡنٰہُمۡ غُثَآءً ۚ فَبُعۡدًا لِّلۡقَوۡمِ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۴۱﴾

023.041 Faakhathat-humu alssayhatu bialhaqqi fajaAAalnahum ghuthaan fabuAAdan lilqawmi alththalimeena

23:41 Terecht trof de bliksemslag hen toen, en Wij maakten hen als schuim. Ten onder gaat het onrechtvaardige volk! Toen greep de schreeuw hen met recht en Wij maakten hen tot rommel. Weg dus met de mensen die onrecht plegen.

ثُمَّ اَنۡشَاۡنَا مِنۡۢ بَعۡدِہِمۡ قُرُوۡنًا اٰخَرِیۡنَ ﴿ؕ۴۲﴾

023.042 Thumma ansha/na min baAAdihim quroonan akhareena

23:42 Vervolgens brachten Wij na hen andere generaties voort. Toen lieten Wij na hen andere generaties ontstaan.

مَا تَسۡبِقُ مِنۡ اُمَّۃٍ اَجَلَہَا وَ مَا یَسۡتَاۡخِرُوۡنَ ﴿ؕ۴۳﴾

023.043 Ma tasbiqu min ommatin ajalaha wama yasta/khiroona

23:43 Geen gemeenschap is in staat om haar vastgestelde tijdstip te vervroegen of uit te stellen. Geen gemeenschap kan te vroeg haar termijn bereiken en ook niet te laat.

ثُمَّ اَرۡسَلۡنَا رُسُلَنَا تَتۡرَا ؕ کُلَّمَا جَآءَ اُمَّۃً رَّسُوۡلُہَا کَذَّبُوۡہُ فَاَتۡبَعۡنَا بَعۡضَہُمۡ بَعۡضًا وَّ جَعَلۡنٰہُمۡ اَحَادِیۡثَ ۚ فَبُعۡدًا لِّقَوۡمٍ لَّا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۴۴﴾

023.044 Thumma arsalna rusulana tatra kulla ma jaa ommatan rasooluha kaththaboohu faatbaAAna baAAdahum baAAdan wajaAAalnahum ahadeetha fabuAAdan liqawmin la yu/minoona

23:44 Vervolgens stuurden Wij Onze Boodschappers, elkaar opvolgend. Telkens wanneer hun Boodschapper naar een gemeenschap kwam, loochenden zij hem. Toen deden Wij hen elkaar opvolgen (in de ondergang) en Wij maakten hen tot onderwerp van verhalen. Ten onder gaat het volk dat niet gelooft! Toen zonden Wij Onze gezanten, de een na de ander. Telkens als tot een gemeenschap haar gezant kwam betichtten zij hem van leugens. Dus lieten Wij hen elkaar opvolgen en maakten hen tot [het onderwerp van] verhalen. Weg dus met mensen die niet geloven.

ثُمَّ اَرۡسَلۡنَا مُوۡسٰی وَ اَخَاہُ ہٰرُوۡنَ ۬ۙ بِاٰیٰتِنَا وَ سُلۡطٰنٍ مُّبِیۡنٍ ﴿ۙ۴۵﴾

023.045 Thumma arsalna moosa waakhahu haroona bi-ayatina wasultanin mubeenin

23:45 Daarna zonden Wij Mozes en zijn broeder Haroen met Onze Tekenen en een duidelijk Bewijs. Toen zonden Wij Moesa en zijn broer Haroen met Onze tekenen en een duidelijke machtiging

اِلٰی فِرۡعَوۡنَ وَ مَلَا۠ئِہٖ فَاسۡتَکۡبَرُوۡا وَ کَانُوۡا قَوۡمًا عَالِیۡنَ ﴿ۚ۴۶﴾

023.046 Ila firAAawna wamala-ihi faistakbaroo wakanoo qawman AAaleena

23:46 Naar Fir`aun en zijn vooraanstaanden. En zij waren hoogmoedig en zij waren een hooghartig volk. naar Fir'aun en zijn raad van voornaamsten, maar zij waren hoogmoedig; zij waren mensen die de overhand hadden.

فَقَالُوۡۤا اَنُؤۡمِنُ لِبَشَرَیۡنِ مِثۡلِنَا وَ قَوۡمُہُمَا لَنَا عٰبِدُوۡنَ ﴿ۚ۴۷﴾

023.047 Faqaloo anu/minu libasharayni mithlina waqawmuhuma lana AAabidoona

23:47 En zij zeiden: "Zouden wij die twee mensen, die zijn zoals wij, geloven, terwijl hun volk voor ons dienaren is?" En zij zeiden: "Zullen wij aan twee die mensen zijn zoals wij geloof hechten en dat terwijl hun volk aan ons onderhorig is?"

فَکَذَّبُوۡہُمَا فَکَانُوۡا مِنَ الۡمُہۡلَکِیۡنَ ﴿۴۸﴾

023.048 Fakaththaboohuma fakanoo mina almuhlakeena

23:48 Daarom loochenden zij hen beiden en behoorden toen tot de vernietigden. Dus betichtten zij hen van leugens. Zo behoorden zij tot hen die vernietigd werden.

وَ لَقَدۡ اٰتَیۡنَا مُوۡسَی الۡکِتٰبَ لَعَلَّہُمۡ یَہۡتَدُوۡنَ ﴿۴۹﴾

023.049 Walaqad atayna moosa alkitaba laAAallahum yahtadoona

23:49 En voorzeker, wij hebben aan Mozes het Schrift (de Taurat) gegeven. Hopelijk zullen zij Leiding volgen. En Wij hebben aan Moesa toch het boek gegeven; misschien zullen zij zich de goede richting laten wijzen.

وَ جَعَلۡنَا ابۡنَ مَرۡیَمَ وَ اُمَّہٗۤ اٰیَۃً وَّ اٰوَیۡنٰہُمَاۤ اِلٰی رَبۡوَۃٍ ذَاتِ قَرَارٍ وَّ مَعِیۡنٍ ﴿٪۵۰﴾

023.050 WajaAAalna ibna maryama waommahu ayatan waawaynahuma ila rabwatin thati qararin wamaAAeenin

23:50 En Wij maakten de zoon van Maryam en zijn moeder tot een Teken en Wij gaven hun een onderkomen op een hoogplegen plaats, bewoonbaar met stromend water. En Wij hebben de zoon van Marjam en zijn moeder tot een teken gemaakt en Wij gaven hun een onderkomen op een heuvel met een stevige bodem en bronwater.

یٰۤاَیُّہَا الرُّسُلُ کُلُوۡا مِنَ الطَّیِّبٰتِ وَ اعۡمَلُوۡا صَالِحًا ؕ اِنِّیۡ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ عَلِیۡمٌ ﴿ؕ۵۱﴾

023.051 Ya ayyuha alrrusulu kuloo mina alttayyibati waiAAmaloo salihan innee bima taAAmaloona AAaleemun

23:51 O Boodschappers, eet van de goede zaken en verricht goede daden. Voorwaar, Ik ben Alwetend over wat jullie doen. "Jullie gezanten! Eet van de goede dingen en handelt deugdelijk. Ik weet wat jullie doen.

وَ اِنَّ ہٰذِہٖۤ اُمَّتُکُمۡ اُمَّۃً وَّاحِدَۃً وَّ اَنَا رَبُّکُمۡ فَاتَّقُوۡنِ ﴿۵۲﴾

023.052 Wa-inna hathihi ommatukum ommatan wahidatan waana rabbukum faittaqooni

23:52 En voorwaar, deze godsdienst (de Islam) is jullie godsdienst, de enigste. En Ik ben jullie Heer, vreest Mij daarom. Deze gemeenschap van jullie is één gemeenschap en Ik ben jullie Heer; vreest Mij dus."

فَتَقَطَّعُوۡۤا اَمۡرَہُمۡ بَیۡنَہُمۡ زُبُرًا ؕ کُلُّ حِزۡبٍۭ بِمَا لَدَیۡہِمۡ فَرِحُوۡنَ ﴿۵۳﴾

023.053 FataqattaAAoo amrahum baynahum zuburan kullu hizbin bima ladayhim farihoona

23:53 Toen raakten zij onderling verdeeld in verschilende groepen over hun zaak (van hun godsdienst). Elke groep was blij met wat zij hadden. Maar zij splitsten zich onderling op in groepen; elke partij was blij over wat zij hadden.

فَذَرۡہُمۡ فِیۡ غَمۡرَتِہِمۡ حَتّٰی حِیۡنٍ ﴿۵۴﴾

023.054 Fatharhum fee ghamratihim hatta heenin

23:54 Laat hen daarom in hun dwaling tot een bepaald tijdstip. Laat hen nog maar enige tijd in hun waan.

اَیَحۡسَبُوۡنَ اَنَّمَا نُمِدُّہُمۡ بِہٖ مِنۡ مَّالٍ وَّ بَنِیۡنَ ﴿ۙ۵۵﴾

023.055 Ayahsaboona annama numidduhum bihi min malin wabaneena

23:55 Denken zij dat omdat Wij hen rijkdom en kinderen gegeven hebben. Rekenen zij er dan bij het bezit en de zonen die Wij hun verlenen op dat

نُسَارِعُ لَہُمۡ فِی الۡخَیۡرٰتِ ؕ بَلۡ لَّا یَشۡعُرُوۡنَ ﴿۵۶﴾

023.056 NusariAAu lahum fee alkhayrati bal la yashAAuroona

23:56 Wij Om voor hen haasten in (het schenken van) de goede zaken? Nee, maar zij beseffen het niet. Wij voor hen wedijveren in goede daden? Integendeel, maar zij beseffen het niet.

اِنَّ الَّذِیۡنَ ہُمۡ مِّنۡ خَشۡیَۃِ رَبِّہِمۡ مُّشۡفِقُوۡنَ ﴿ۙ۵۷﴾

023.057 Inna allatheena hum min khashyati rabbihim mushfiqoona

23:57 Voorwaar, degenen van hen die bedachtzaam zijn vanwege hun ontzag voor Allah. Zij die door de vrees voor hun Heer ontzag hebben,

وَ الَّذِیۡنَ ہُمۡ بِاٰیٰتِ رَبِّہِمۡ یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿ۙ۵۸﴾

023.058 Waallatheena hum bi-ayati rabbihim yu/minoona

23:58 En degenen die in de Verzen van hun Heer geloven. zij die in de tekenen van hun Heer geloven,

وَ الَّذِیۡنَ ہُمۡ بِرَبِّہِمۡ لَا یُشۡرِکُوۡنَ ﴿ۙ۵۹﴾

023.059 Waallatheena hum birabbihim la yushrikoona

23:59 En degenen die hun Heer geen deelgenoten toekennen. zij die aan hun Heer geen metgezel toevoegen

وَ الَّذِیۡنَ یُؤۡتُوۡنَ مَاۤ اٰتَوۡا وَّ قُلُوۡبُہُمۡ وَجِلَۃٌ اَنَّہُمۡ اِلٰی رَبِّہِمۡ رٰجِعُوۡنَ ﴿ۙ۶۰﴾

023.060 Waallatheena yu/toona ma ataw waquloobuhum wajilatun annahum ila rabbihim rajiAAoona

23:60 En degenen die hun giften gaven terwijl hun harten vol ontzag zijn omdat zij tot hun Heer zullen terugkeren. en zij die geven wat zij geven terwijl hun harten vol ontzag zijn omdat zij tot hun Heer terug zullen keren,

اُولٰٓئِکَ یُسٰرِعُوۡنَ فِی الۡخَیۡرٰتِ وَ ہُمۡ لَہَا سٰبِقُوۡنَ ﴿۶۱﴾

023.061 Ola-ika yusariAAoona fee alkhayrati wahum laha sabiqoona

23:61 Zij zijn degenen die zich haasten om goede daden te verrichten en zij zijn daarbij de eersten. zij wedijveren in goede daden en zij zullen daarbij de eersten zijn.

وَ لَا نُکَلِّفُ نَفۡسًا اِلَّا وُسۡعَہَا وَ لَدَیۡنَا کِتٰبٌ یَّنۡطِقُ بِالۡحَقِّ وَ ہُمۡ لَا یُظۡلَمُوۡنَ ﴿۶۲﴾

023.062 Wala nukallifu nafsan illa wusAAaha waladayna kitabun yantiqu bialhaqqi wahum la yuthlamoona

23:62 Wij belasten niemand dan volgens zijn vermogen en Wij hebben een boek dat volgens de Waarheid spreekt. En zij worden niet onrechtvaardig behandeld. Maar Wij leggen niemand meer op dan hij kan dragen en Wij hebben een boek dat de waarheid spreekt; en hun zal geen onrecht worden gedaan.

بَلۡ قُلُوۡبُہُمۡ فِیۡ غَمۡرَۃٍ مِّنۡ ہٰذَا وَ لَہُمۡ اَعۡمَالٌ مِّنۡ دُوۡنِ ذٰلِکَ ہُمۡ لَہَا عٰمِلُوۡنَ ﴿۶۳﴾

023.063 Bal quloobuhum fee ghamratin min hatha walahum aAAmalun min dooni thalika hum laha AAamiloona

23:63 Maar hun harten verkeren hierover in dwaling. Zij hebben daarnaast (slechte) werken die zij verrichten. Maar nee, hun harten verkeren wat dit aangaat in een waan en zij hebben afgezien daarvan nog andere daden die zij blijven doen.

حَتّٰۤی اِذَاۤ اَخَذۡنَا مُتۡرَفِیۡہِمۡ بِالۡعَذَابِ اِذَا ہُمۡ یَجۡـَٔرُوۡنَ ﴿ؕ۶۴﴾

023.064 Hatta itha akhathna mutrafeehim bialAAathabi itha hum yaj-aroona

23:64 Totdat, wanneer Wij degenen onder hen die in weelde leven met de bestraffing treffen; zij (om hulp) schreeuwen. Wanneer Wij dan hen die onder hen in luxe leven met de bestraffing te pakken nemen, dan schreeuwen zij opeens om hulp.

لَا تَجۡـَٔرُوا الۡیَوۡمَ ۟ اِنَّکُمۡ مِّنَّا لَا تُنۡصَرُوۡنَ ﴿۶۵﴾

023.065 La taj-aroo alyawma innakum minna la tunsaroona

23:65 Schreeuw die Dag niet (om hulp): voorwaar, er zal jullie geen hulp van Ons verleend worden. "Schreeuwt vandaag maar niet om hulp; jullie zullen tegen Ons geen hulp krijgen.

قَدۡ کَانَتۡ اٰیٰتِیۡ تُتۡلٰی عَلَیۡکُمۡ فَکُنۡتُمۡ عَلٰۤی اَعۡقَابِکُمۡ تَنۡکِصُوۡنَ ﴿ۙ۶۶﴾

023.066 Qad kanat ayatee tutla AAalaykum fakuntum AAala aAAqabikum tankisoona

23:66 Waarlijk, Mijn Verzen zijn al aan jullie voorgedragen, maar jullie keerden je op jullie hielen om. Mijn tekenen zijn aan jullie voorgelezen, maar jullie hebben je hielen gelicht,

مُسۡتَکۡبِرِیۡنَ ٭ۖ بِہٖ سٰمِرًا تَہۡجُرُوۡنَ ﴿۶۷﴾

023.067 Mustakbireena bihi samiran tahjuroona

23:67 Hoogmoedig tegen over hem (de Kuran), kletsend in de nacht: jullie verlieten hem. in jullie hoogmoed erover terwijl jullie 's nachts onzin uitkraamden."

اَفَلَمۡ یَدَّبَّرُوا الۡقَوۡلَ اَمۡ جَآءَہُمۡ مَّا لَمۡ یَاۡتِ اٰبَآءَہُمُ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿۫۶۸﴾

023.068 Afalam yaddabbaroo alqawla am jaahum ma lam ya/ti abaahumu al-awwaleena

23:68 Denken zij niet na over het Woord (de Kuran)? Of is er iets tot hen gekomen dat niet eerder tot hun voorouders gekomen was? Overpeinzen zij dan niet wat gezegd is? Of is er tot hen iets gekomen, wat niet tot hun vaderen die er eertijds waren gekomen was?

اَمۡ لَمۡ یَعۡرِفُوۡا رَسُوۡلَہُمۡ فَہُمۡ لَہٗ مُنۡکِرُوۡنَ ﴿۫۶۹﴾

023.069 Am lam yaAArifoo rasoolahum fahum lahu munkiroona

23:69 Of erkennen zij hun Boodschapper niet? Zodat zij het verwerpen? Of erkennen zij hun gezant niet zodat zij hem verwerpen?

اَمۡ یَقُوۡلُوۡنَ بِہٖ جِنَّۃٌ ؕ بَلۡ جَآءَہُمۡ بِالۡحَقِّ وَ اَکۡثَرُہُمۡ لِلۡحَقِّ کٰرِہُوۡنَ ﴿۷۰﴾

023.070 Am yaqooloona bihi jinnatun bal jaahum bialhaqqi waaktharuhum lilhaqqi karihoona

23:70 Of zeggen zij., "Hij (Mohammed) is bezeten." Integendeel, hij kwam tot hen met de Waarheid, maar de meesten van hen haten de Waarheid. Of zeggen zij: "Hij heeft last van bezetenheid)? Welnee, hij is met de waarheid tot hen gekomen, maar de meesten van hen verafschuwen de waarheid.

وَ لَوِ اتَّبَعَ الۡحَقُّ اَہۡوَآءَہُمۡ لَفَسَدَتِ السَّمٰوٰتُ وَ الۡاَرۡضُ وَ مَنۡ فِیۡہِنَّ ؕ بَلۡ اَتَیۡنٰہُمۡ بِذِکۡرِہِمۡ فَہُمۡ عَنۡ ذِکۡرِہِمۡ مُّعۡرِضُوۡنَ ﴿ؕ۷۱﴾

023.071 Walawi ittabaAAa alhaqqu ahwaahum lafasadati alssamawatu waal-ardu waman feehinna bal ataynahum bithikrihim fahum AAan thikrihim muAAridoona

23:71 Als de Waarheid hun begeerten zou volgen zouden de hemelen en de aarde en alles wat er op hen is ten onder gaan. Wij hebben echter hun Eer (de Kuran) gegeven, maar zij wenden zich van hun Eer af. Maar als de waarheid hun grillen zou volgen, dan zouden de hemelen, de aarde en wie zich daar bevinden verdorven raken. Nee, Wij zijn met hun vermaning tot hen gekomen, maar zij wenden zich van hun vermaning af.

اَمۡ تَسۡـَٔلُہُمۡ خَرۡجًا فَخَرَاجُ رَبِّکَ خَیۡرٌ ٭ۖ وَّ ہُوَ خَیۡرُ الرّٰزِقِیۡنَ ﴿۷۲﴾

023.072 Am tas-aluhum kharjan fakharaju rabbika khayrun wahuwa khayru alrraziqeena

23:72 Of vraag jij (O Mohammed) een beloning van hen? De beloning van jouw Heer is beter, want Hij is de Beste van de Voorzieners, Of vraag jij hun een vergoeding? De vergoeding van jouw Heer is beter; Hij is de beste voorziener.

وَ اِنَّکَ لَتَدۡعُوۡہُمۡ اِلٰی صِرَاطٍ مُّسۡتَقِیۡمٍ ﴿۷۳﴾

023.073 Wa-innaka latadAAoohum ila siratin mustaqeemin

23:73 Voorwaar, jij roept hen op tot een Recht Pad. En jij roept hen echt op tot een juiste weg.

وَ اِنَّ الَّذِیۡنَ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ بِالۡاٰخِرَۃِ عَنِ الصِّرَاطِ لَنٰکِبُوۡنَ ﴿۷۴﴾

023.074 Wa-inna allatheena la yu/minoona bial-akhirati AAani alssirati lanakiboona

23:74 En voorwaar, degenen die niet geloven in het Hiernamaals zijn zeker van het Rechte Pad afgeweken. Maar zij die in het hiernamaals niet geloven wijken van de weg af. *

وَ لَوۡ رَحِمۡنٰہُمۡ وَ کَشَفۡنَا مَا بِہِمۡ مِّنۡ ضُرٍّ لَّلَجُّوۡا فِیۡ طُغۡیَانِہِمۡ یَعۡمَہُوۡنَ ﴿۷۵﴾

023.075 Walaw rahimnahum wakashafna ma bihim min durrin lalajjoo fee tughyanihim yaAAmahoona

23:75 En als Wij hen zouden begenadigen en Wij zouden opheffen wat er aan tegenspoed bij hen is: dan zouden zij blijven doorgaan met hun dwalingen. En al zouden Wij erbarmen met hen hebben en de tegenspoed waarin zij verkeren opheffen, dan zouden zij in hun onbeschaamdheid toch doorgaan met dwalen.

وَ لَقَدۡ اَخَذۡنٰہُمۡ بِالۡعَذَابِ فَمَا اسۡتَکَانُوۡا لِرَبِّہِمۡ وَ مَا یَتَضَرَّعُوۡنَ ﴿۷۶﴾

023.076 Walaqad akhathnahum bialAAathabi fama istakanoo lirabbihim wama yatadarraAAoona

23:76 En voorzeker, Wij hebben hen met de bestraffing getroffen, toch werden zij niet ootmoedig tegenover hun Heer en zij werden niet nederig. En Wij hebben hen met de bestraffing gegrepen, maar zij hebben zich niet aan hun Heer overgegeven en zij vernederen zich niet.

حَتّٰۤی اِذَا فَتَحۡنَا عَلَیۡہِمۡ بَابًا ذَا عَذَابٍ شَدِیۡدٍ اِذَا ہُمۡ فِیۡہِ مُبۡلِسُوۡنَ ﴿٪۷۷﴾

023.077 Hatta itha fatahna AAalayhim baban tha AAathabin shadeedin itha hum feehi mublisoona

23:77 Totdat, wanneer Wij voor hen de deur van een zware bestraffing openden, zij in wanhoop verkeerden. Wanneer Wij dan voor hen een deur tot een strenge bestraffing openen, dan zijn zij opeens in wanhoop terneergeslagen.

وَ ہُوَ الَّذِیۡۤ اَنۡشَاَ لَکُمُ السَّمۡعَ وَ الۡاَبۡصَارَ وَ الۡاَفۡـِٕدَۃَ ؕ قَلِیۡلًا مَّا تَشۡکُرُوۡنَ ﴿۷۸﴾

023.078 Wahuwa allathee anshaa lakumu alssamAAa waal-absara waal-af-idata qaleelan ma tashkuroona

23:78 En Hij is Degene Die voor jullie het gehoor en gezichtsvermogen en de harten geschapen heeft. Weinig dankbaarheid tonen jullie! Hij is het die voor jullie gehoor, gezichtsvermogen en harten heeft laten ontstaan; gering is de dank die jullie betuigen.

وَ ہُوَ الَّذِیۡ ذَرَاَکُمۡ فِی الۡاَرۡضِ وَ اِلَیۡہِ تُحۡشَرُوۡنَ ﴿۷۹﴾

023.079 Wahuwa allathee tharaakum fee al-ardi wa-ilayhi tuhsharoona

23:79 En Hij is Degene Die jullie deed groeien op de aarde en tot Hem worden jullie verzameld. En Hij is het die jullie op de aarde geschapen heeft en tot Hem zullen jullie verzameld worden.

وَ ہُوَ الَّذِیۡ یُحۡیٖ وَ یُمِیۡتُ وَ لَہُ اخۡتِلَافُ الَّیۡلِ وَ النَّہَارِ ؕ اَفَلَا تَعۡقِلُوۡنَ ﴿۸۰﴾

023.080 Wahuwa allathee yuhyee wayumeetu walahu ikhtilafu allayli waalnnahari afala taAAqiloona

23:80 En Hij is Degene Die doet leven en doet sterven. En aan Hem behoort het afwisselen van de dag en de nacht Begrijpen jullie dan niet? En Hij is het die leven geeft en laat sterven en van Hem is het verschil van nacht en dag; zullen jullie dan niet tot verstand komen?

بَلۡ قَالُوۡا مِثۡلَ مَا قَالَ الۡاَوَّلُوۡنَ ﴿۸۱﴾

023.081 Bal qaloo mithla ma qala al-awwaloona

23:81 Integendeel, zij zeggen hetzelfde als de vroegeren zeiden. Welnee, zij zeggen hetzelfde als zij die er eertijds waren.

قَالُوۡۤا ءَ اِذَا مِتۡنَا وَ کُنَّا تُرَابًا وَّ عِظَامًا ءَ اِنَّا لَمَبۡعُوۡثُوۡنَ ﴿۸۲﴾

023.082 Qaloo a-itha mitna wakunna turaban waAAithaman a-inna lamabAAoothoona

23:82 Zij zeiden: "Wanneer wij dood zijn en tot aarde en beenderen geworden zijn, zullen wij dan zeker worden opgewekt? Zij zeggen: "Zullen wij, wanneer wij gestorven zijn en stof en gebeente geworden zijn, dan weer opgewekt worden?

لَقَدۡ وُعِدۡنَا نَحۡنُ وَ اٰبَآؤُنَا ہٰذَا مِنۡ قَبۡلُ اِنۡ ہٰذَاۤ اِلَّاۤ اَسَاطِیۡرُ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿۸۳﴾

023.083 Laqad wuAAidna nahnu waabaona hatha min qablu in hatha illa asateeru al-awwaleena

23:83 Voorzeker, dit werd vroeger aan ons en onze vaderen beloofd: dit zijn slechts fabels van de vroegeren." Dat was ons en onze vaderen vroeger ook al toegezegd, maar dit zijn slechts fabels van hen die er eertijds waren."

قُلۡ لِّمَنِ الۡاَرۡضُ وَ مَنۡ فِیۡہَاۤ اِنۡ کُنۡتُمۡ تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۸۴﴾

023.084 Qul limani al-ardu waman feeha in kuntum taAAlamoona

23:84 Zeg: "Aan wie behoort de aarde en alles wat zich daarop bevindt, als jullie het weten?" Zeg: "Van wie is de aarde en wat erop is, als jullie het weten?"

سَیَقُوۡلُوۡنَ لِلّٰہِ ؕ قُلۡ اَفَلَا تَذَکَّرُوۡنَ ﴿۸۵﴾

023.085 Sayaqooloona lillahi qul afala tathakkaroona

23:85 Zij zullen zeggen: "Aan Allah." Zeg: "Waarom laten jullie je dan niet vermanen?" Zij zullen zeggen: "Van Allah." Zeg: "Zullen jullie je dan niet laten vermanen?"

قُلۡ مَنۡ رَّبُّ السَّمٰوٰتِ السَّبۡعِ وَ رَبُّ الۡعَرۡشِ الۡعَظِیۡمِ ﴿۸۶﴾

023.086 Qul man rabbu alssamawati alssabAAi warabbu alAAarshi alAAatheemi

23:86 Zeg: "Wie is de Heer van de zeven hemelen en de Heer van de Geweldige Troon? Zeg: "Wie is de Heer van de zeven hemelen en de Heer van de geweldige troon?"

سَیَقُوۡلُوۡنَ لِلّٰہِ ؕ قُلۡ اَفَلَا تَتَّقُوۡنَ ﴿۸۷﴾

023.087 Sayaqooloona lillahi qul afala tattaqoona

23:87 Zij zullen zeggen: "Aan Allah." Zeg: "Waarom vrezen jullie (Allah) dan niet?" Zij zullen zeggen: "Van Allah." Zeg: "Zullen jullie dan niet godvrezend worden?"

قُلۡ مَنۡۢ بِیَدِہٖ مَلَکُوۡتُ کُلِّ شَیۡءٍ وَّ ہُوَ یُجِیۡرُ وَ لَا یُجَارُ عَلَیۡہِ اِنۡ کُنۡتُمۡ تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۸۸﴾

023.088 Qul man biyadihi malakootu kulli shay-in wahuwa yujeeru wala yujaru AAalayhi in kuntum taAAlamoona

23:88 Zeg: "In Wiens handen is de heerschappij over alles? En Hij beschermt en Hij wordt niet beschermt, als jullie het weten." Zeg: "In wiens hand is de heerschappij over alles zodat hij bescherming geeft terwijl er tegen hem geen bescherming gegeven kan worden, als jullie het weten?"

سَیَقُوۡلُوۡنَ لِلّٰہِ ؕ قُلۡ فَاَنّٰی تُسۡحَرُوۡنَ ﴿۸۹﴾

023.089 Sayaqooloona lillahi qul faanna tusharoona

23:89 Zij zullen zeggen: "Aan Allah." Zeg: "Waarom zijn jullie dan misleid?" Zij zullen zeggen: "Van Allah." Zeg: "Hoe zijn jullie dan zo betoverd?"

بَلۡ اَتَیۡنٰہُمۡ بِالۡحَقِّ وَ اِنَّہُمۡ لَکٰذِبُوۡنَ ﴿۹۰﴾

023.090 Bal ataynahum bialhaqqi wa-innahum lakathiboona

23:90 Maar Wij hebben de Waarheid gegeven, zij zijn zeker leugenaars. Ja zeker, Wij zijn met de waarheid tot hen gekomen en zij zijn het die liegen.

مَا اتَّخَذَ اللّٰہُ مِنۡ وَّلَدٍ وَّ مَا کَانَ مَعَہٗ مِنۡ اِلٰہٍ اِذًا لَّذَہَبَ کُلُّ اِلٰہٍۭ بِمَا خَلَقَ وَ لَعَلَا بَعۡضُہُمۡ عَلٰی بَعۡضٍ ؕ سُبۡحٰنَ اللّٰہِ عَمَّا یَصِفُوۡنَ ﴿ۙ۹۱﴾

023.091 Ma ittakhatha Allahu min waladin wama kana maAAahu min ilahin ithan lathahaba kullu ilahin bima khalaqa walaAAala baAAduhum AAala baAAdin subhana Allahi AAamma yasifoona

23:91 Allah heeft zich geen kind genomen en er is geen god naast Hem! Dan zou iedere god weggaan met wat hij schiep en zouden zij elkaar overweldigen. Heilig is Allah boven wat zij (Hem) toeschrijven. Allah heeft zich geen kind genomen en er is naast Hem geen andere god; dan zou elke god met wat hij geschapen heeft weggaan en zou de een de ander overweldigen. Allah zij geprezen, verheven als Hij is boven wat zij [Hem] toeschrijven,

عٰلِمِ الۡغَیۡبِ وَ الشَّہَادَۃِ فَتَعٰلٰی عَمَّا یُشۡرِکُوۡنَ ﴿٪۹۲﴾

023.092 AAalimi alghaybi waalshshahadati fataAAala AAamma yushrikoona

23:92 De Kenner van het onwaarneembare en het waarneembare: verheven is Hij boven wat zij (Hem) toekennen. de kenner van het verborgene en het waarneembare; ver verheven is Hij boven wat zij aan Hem als metgezellen toeschrijven!

قُلۡ رَّبِّ اِمَّا تُرِیَنِّیۡ مَا یُوۡعَدُوۡنَ ﴿ۙ۹۳﴾

023.093 Qul rabbi imma turiyannee ma yooAAadoona

23:93 Zeg: "Mijn Heer, indien U mij zou laten zien wat hun aangezegd is. Zeg: "Mijn Heer, als U mij wilt laten zien wat hun aangezegd wordt,

رَبِّ فَلَا تَجۡعَلۡنِیۡ فِی الۡقَوۡمِ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۹۴﴾

023.094 Rabbi fala tajAAalnee fee alqawmi alththalimeena

23:94 Mijn Heer, breng mij niet onder het onrechtvaardige volk!" mijn Heer, zet mij dan niet bij de mensen die onrecht plegen."

وَ اِنَّا عَلٰۤی اَنۡ نُّرِیَکَ مَا نَعِدُہُمۡ لَقٰدِرُوۡنَ ﴿۹۵﴾

023.095 Wa-inna AAala an nuriyaka ma naAAiduhum laqadiroona

23:95 En voorwaar, Wij zijn zeker in staat om jou te laten zien wat Wij hun toezeggen. Wij hebben zeker de macht om jou te laten zien wat Wij hun aanzeggen.

اِدۡفَعۡ بِالَّتِیۡ ہِیَ اَحۡسَنُ السَّیِّئَۃَ ؕ نَحۡنُ اَعۡلَمُ بِمَا یَصِفُوۡنَ ﴿۹۶﴾

023.096 IdfaAA biallatee hiya ahsanu alssayyi-ata nahnu aAAlamu bima yasifoona

23:96 Weer het slechte af met het beste. Wij weten het beste wat zij toeschrijven. Weer de slechte daad af met iets wat beter is. Wij weten het best wat zij beschrijven.

وَ قُلۡ رَّبِّ اَعُوۡذُ بِکَ مِنۡ ہَمَزٰتِ الشَّیٰطِیۡنِ ﴿ۙ۹۷﴾

023.097 Waqul rabbi aAAoothu bika min hamazati alshshayateeni

23:97 En zeg: "Mijn Heer, ik zoek mijn toevlucht tot U tegen de influisteringen van de Satans. En zeg: "Mijn Heer, ik zoek bij U bescherming tegen de ophitsingen van de satans,

وَ اَعُوۡذُ بِکَ رَبِّ اَنۡ یَّحۡضُرُوۡنِ ﴿۹۸﴾

023.098 WaaAAoothu bika rabbi an yahdurooni

23:98 En ik zoek mijn toevlucht tot U zodat zij niet bij mij komen." en ik zoek er bij U bescherming voor, mijn Heer, dat zij bij mij komen."

حَتّٰۤی اِذَا جَآءَ اَحَدَہُمُ الۡمَوۡتُ قَالَ رَبِّ ارۡجِعُوۡنِ ﴿ۙ۹۹﴾

023.099 Hatta itha jaa ahadahumu almawtu qala rabbi irjiAAooni

23:99 Totdat, wanneer de dood tot een van hen komt, hij zal zeggen: "O mijn Heer, laat mij terugkeren. En wanneer dan tot een van hen de dood komt, zegt hij: "Mijn Heer, laat mij teruggaan,

لَعَلِّیۡۤ اَعۡمَلُ صَالِحًا فِیۡمَا تَرَکۡتُ کَلَّا ؕ اِنَّہَا کَلِمَۃٌ ہُوَ قَآئِلُہَا ؕ وَ مِنۡ وَّرَآئِہِمۡ بَرۡزَخٌ اِلٰی یَوۡمِ یُبۡعَثُوۡنَ ﴿۱۰۰﴾

023.100 LaAAallee aAAmalu salihan feema taraktu kalla innaha kalimatun huwa qa-iluha wamin wara-ihim barzakhun ila yawmi yubAAathoona

23:100 Hopelijk kan ik goede werken verrichten voor wat ik nagelaten heb." Zeker niet! Voorwaar, dit zijn slechts woorden die hij spreekt en voor hen is een scheiding tot de Dag waarop zij opgewekt worden. opdat ik dan misschien wel deugdelijk zal handelen in wat ik [nu] achtergelaten heb." Nee! Dat is zomaar een woord dat hij zegt, maar achter hen is een versperring tot aan de dag waarop zij opgewekt worden.

فَاِذَا نُفِخَ فِی الصُّوۡرِ فَلَاۤ اَنۡسَابَ بَیۡنَہُمۡ یَوۡمَئِذٍ وَّ لَا یَتَسَآءَلُوۡنَ ﴿۱۰۱﴾

023.101 Fa-itha nufikha fee alssoori fala ansaba baynahum yawma-ithin wala yatasaaloona

23:101 Wanneer er op de bazuin geblazen wordt, op die Dag is er geen verwantschap tussen hen en zij kunnen elkaar geen vragen stellen. Wanneer op de bazuin geblazen wordt, dan bestaan er op die dag tussen hen geen verwantschapsbetrekkingen meer en zullen zij elkaar niet ondervragen.

فَمَنۡ ثَقُلَتۡ مَوَازِیۡنُہٗ فَاُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡمُفۡلِحُوۡنَ ﴿۱۰۲﴾

023.102 Faman thaqulat mawazeenuhu faola-ika humu almuflihoona

23:102 Degenen wiens weegschalen zwaar wegen: Zij zijn degenen die de welslagenden zijn. En zij van wie de weegschalen zwaar wegen, zij zijn het die het welgaat.

وَ مَنۡ خَفَّتۡ مَوَازِیۡنُہٗ فَاُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ خَسِرُوۡۤا اَنۡفُسَہُمۡ فِیۡ جَہَنَّمَ خٰلِدُوۡنَ ﴿۱۰۳﴾ۚ

023.103 Waman khaffat mawazeenuhu faola-ika allatheena khasiroo anfusahum fee jahannama khalidoona

23:103 Degene wiens weegschalen licht wegen: zij zijn degenen die zichzelf verloren hebben, zij zullen in de Hel eeuwig levenden zijn. Maar zij van wie de weegschalen licht zijn, zij zijn het die zichzelf verloren hebben; in de hel zullen zij altijd blijven.

تَلۡفَحُ وُجُوۡہَہُمُ النَّارُ وَ ہُمۡ فِیۡہَا کٰلِحُوۡنَ ﴿۱۰۴﴾

023.104 Talfahu wujoohahumu alnnaru wahum feeha kalihoona

23:104 Het Vuur verbrandt hun gezichten terwijl zij daarin venminkt worden. Het vuur zal hun gezichten verzengen waarbij zij hun mond vertrekken.

اَلَمۡ تَکُنۡ اٰیٰتِیۡ تُتۡلٰی عَلَیۡکُمۡ فَکُنۡتُمۡ بِہَا تُکَذِّبُوۡنَ ﴿۱۰۵﴾

023.105 Alam takun ayatee tutla AAalaykum fakuntum biha tukaththiboona

23:105 Zijn Mijn Verzen dan niet aan jullie voorgedragen? Toen plachten jullie ze te loochenen. "Zijn Mijn tekenen niet aan jullie voorgelezen en loochenden jullie ze dan niet?"

قَالُوۡا رَبَّنَا غَلَبَتۡ عَلَیۡنَا شِقۡوَتُنَا وَ کُنَّا قَوۡمًا ضَآلِّیۡنَ ﴿۱۰۶﴾

023.106 Qaloo rabbana ghalabat AAalayna shiqwatuna wakunna qawman dalleena

23:106 Zij zelden: "Onze Heer, wij zijn overwonnen door ons ongeluk en wij waren een dwalend volk. Zij zeggen: "Onze Heer, onze ellendigheid heeft ons overwonnen; wij waren mensen die dwaalden.

رَبَّنَاۤ اَخۡرِجۡنَا مِنۡہَا فَاِنۡ عُدۡنَا فَاِنَّا ظٰلِمُوۡنَ ﴿۱۰۷﴾

023.107 Rabbana akhrijna minha fa-in AAudna fa-inna thalimoona

23:107 Onze Heer, haal ons hieruit! Als wij het herhalen: voorwaar, dan zijn wij onrechtvaardigen." Onze Heer, breng ons hieruit en als wij dan terugvallen, dan plegen wij echt onrecht."

قَالَ اخۡسَـُٔوۡا فِیۡہَا وَ لَا تُکَلِّمُوۡنِ ﴿۱۰۸﴾

023.108 Qala ikhsaoo feeha wala tukallimooni

23:108 Hij zei: "Blijft daarin en lijdt. En spreekt niet tot Mij." Hij zegt: "Weest weg, [blijft] erin en spreekt niet tot mij.

اِنَّہٗ کَانَ فَرِیۡقٌ مِّنۡ عِبَادِیۡ یَقُوۡلُوۡنَ رَبَّنَاۤ اٰمَنَّا فَاغۡفِرۡ لَنَا وَ ارۡحَمۡنَا وَ اَنۡتَ خَیۡرُ الرّٰحِمِیۡنَ ﴿۱۰۹﴾ۚۖ

023.109 Innahu kana fareequn min AAibadee yaqooloona rabbana amanna faighfir lana wairhamna waanta khayru alrrahimeena

23:109 Voorwaar, er is een groep onder Mijn dienaren die zegt: "Onze Heer, wij geloofden, vergeef ons daarom en schenk ons Barmhartigheid en U bent de Beste van de Bamhartigen." Er was een groep van Mijn dienaren die gewoonlijk zeiden: 'Onze Heer, wij geloven, vergeef ons dan en heb erbarmen met ons; U bent de beste van de barmhartigen.?

فَاتَّخَذۡتُمُوۡہُمۡ سِخۡرِیًّا حَتّٰۤی اَنۡسَوۡکُمۡ ذِکۡرِیۡ وَ کُنۡتُمۡ مِّنۡہُمۡ تَضۡحَکُوۡنَ ﴿۱۱۰﴾

023.110 Faittakhathtumoohum sikhriyyan hatta ansawkum thikree wakuntum minhum tadhakoona

23:110 Toen maakten jullie hen tot een onderwerp van bespotting, totdat jullie vergaten Mij te gedenken. En jullie plachten hen uit te lachen. Maar jullie maakten hen belachelijk, totdat zij jullie daardoor lieten vergeten aan Mij te denken. En jullie lachten hen uit.

اِنِّیۡ جَزَیۡتُہُمُ الۡیَوۡمَ بِمَا صَبَرُوۡۤا ۙ اَنَّہُمۡ ہُمُ الۡفَآئِزُوۡنَ ﴿۱۱۱﴾

023.111 Innee jazaytuhumu alyawma bima sabaroo annahum humu alfa-izoona

23:111 Voorwaar, Ik gaf hun op die Dag een beloning omdat zij geduldig waren: en voorwaar, zij zijn de winnaars. Ik beloon hen vandaag, omdat zij geduldig hebben volhard, zodat zij het zijn die triomferen."

قٰلَ کَمۡ لَبِثۡتُمۡ فِی الۡاَرۡضِ عَدَدَ سِنِیۡنَ ﴿۱۱۲﴾

023.112 Qala kam labithtum fee al-ardi AAadada sineena

23:112 Hij (Allah) zei: "Hoeveel jaren verbleven jullie op de aarde?" Hij zegt: "Hoe lang heeft het voor jullie in de aarde geduurd, hoeveel jaar?"

قَالُوۡا لَبِثۡنَا یَوۡمًا اَوۡ بَعۡضَ یَوۡمٍ فَسۡـَٔلِ الۡعَآدِّیۡنَ ﴿۱۱۳﴾

023.113 Qaloo labithna yawman aw baAAda yawmin fais-ali alAAaddeena

23:113 Zij zeiden: "Wij verbleven daar een dag of een gedeelte van een dag, vraag het aan de rekenaars." Zij zeggen: "Het heeft voor ons een dag of een paar dagen geduurd, vraag maar aan hen die kunnen tellen."

قٰلَ اِنۡ لَّبِثۡتُمۡ اِلَّا قَلِیۡلًا لَّوۡ اَنَّکُمۡ کُنۡتُمۡ تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۱۱۴﴾

023.114 Qala in labithtum illa qaleelan law annakum kuntum taAAlamoona

23:114 Hij (Allah) zei: "Jullie verbleven er maar kort, als jullie het weten. Hij zegt: "Het heeft voor jullie inderdaad slechts kort geduurd. Als jullie het maar wisten.

اَفَحَسِبۡتُمۡ اَنَّمَا خَلَقۡنٰکُمۡ عَبَثًا وَّ اَنَّکُمۡ اِلَیۡنَا لَا تُرۡجَعُوۡنَ ﴿۱۱۵﴾

023.115 Afahasibtum annama khalaqnakum AAabathan waannakum ilayna la turjaAAoona

23:115 Dachten jullie dat Wij jullie zo maar geschapen hebben? En dat jullie niet tot Ons terugkeren?" Of dachten jullie dan dat Wij jullie als een spel geschapen hebben en dat jullie niet tot Ons terug worden gebracht?"

فَتَعٰلَی اللّٰہُ الۡمَلِکُ الۡحَقُّ ۚ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ ۚ رَبُّ الۡعَرۡشِ الۡکَرِیۡمِ ﴿۱۱۶﴾

023.116 FataAAala Allahu almaliku alhaqqu la ilaha illa huwa rabbu alAAarshi alkareemi

23:116 Verheven is Allah, de Ware Koning er is geen god dan Hij, Heer van de Edele Troon. Hoogverheven is Allah, de ware koning. Er is geen god dan Hij, de Heer van de edele troon.

وَ مَنۡ یَّدۡعُ مَعَ اللّٰہِ اِلٰـہًا اٰخَرَ ۙ لَا بُرۡہَانَ لَہٗ بِہٖ ۙ فَاِنَّمَا حِسَابُہٗ عِنۡدَ رَبِّہٖ ؕ اِنَّہٗ لَا یُفۡلِحُ الۡکٰفِرُوۡنَ ﴿۱۱۷﴾

023.117 Waman yadAAu maAAa Allahi ilahan akhara la burhana lahu bihi fa-innama hisabuhu AAinda rabbihi innahu la yuflihu alkafiroona

23:117 En wie een andere god aanroept naast Allah, waarvoor hij geen bewijs heeft: voorwaar, zijn afrekening is bij zijn Heer. Voorwaar, de ongelovigen zullen niet welslagen. En als iemand naast Allah een andere god aanroept, waarvoor hij geen bewijs heeft, dan is zijn afrekening bij zijn Heer; het zal de ongelovigen niet welgaan.

وَ قُلۡ رَّبِّ اغۡفِرۡ وَ ارۡحَمۡ وَ اَنۡتَ خَیۡرُ الرّٰحِمِیۡنَ ﴿٪۱۱۸﴾

023.118 Waqul rabbi ighfir wairham waanta khayru alrrahimeena

23:118 En zeg: "Vergeef en begenadig, en U bent de Beste van de Bamhartigen." En zeg: "Mijn Heer, vergeef mij en heb erbarmen; U bent de beste van de barmhartigen."


www.kuran.nl