بِسْمِ اللَّهِ الرَّحْمَنِ الرَّحِيمِ
|
026.001 Ta-seen-meem |
26:1 Tha Sin Mim. |
|
026.002 Tilka ayatu alkitabi almubeeni |
26:2 Dit zijn Verzen van het duidelijke Boek. |
|
026.003 LaAAallaka bakhiAAun nafsaka alla yakoonoo mu/mineena |
26:3 Misschien zou jij jezelf vernietigen van verdriet omdat zij geen gelovigen zijn. |
|
026.004 In nasha/ nunazzil AAalayhim mina alssama-i ayatan fathallat aAAnaquhum laha khadiAAeena |
26:4 Als Wij het gewenst hadden, hadden Wij een Teken uit de hemel tot hen doen neerdalen, zodat hun nekken ervoor gebogen bleven. |
|
026.005 Wama ya/teehim min thikrin mina alrrahmani muhdathin illa kanoo AAanhu muAArideena |
26:5 Er komt geen nieuwe Vemaning van de Erbarmer tot hen, of zij wenden zich eman af. |
|
026.006 Faqad kaththaboo fasaya/teehim anbao ma kanoo bihi yastahzi-oona |
26:6 Voorzeker, zij loochenden, maar berichten over wat zij plachten te bespotten zullen tot hen komen. |
|
026.007 Awa lam yaraw ila al-ardi kam anbatna feeha min kulli zawjin kareemin |
26:7 Kijken zij dan aiet naar de aarde, hoeveel Wij er van allerlei rijke soorten grwassen op doen groeien? |
|
026.008 Inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mu/mineena |
26:8 Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen zijn geen gelovigen. |
|
026.009 Wa-inna rabbaka lahuwa alAAazeezu alrraheemu |
26:9 En voorwaar, jouw Heer: Hij is zeker de Almachtige, Meest Barmhartige. |
|
026.010 Wa-ith nada rabbuka moosa ani i/ti alqawma alththalimeena |
26:10 Gedenk) toen jouw Heer Mozes opriep: "Ga naar het volk van de onrechtvaardigen. |
|
026.011 Qawma firAAawna ala yattaqoona |
26:11 Het volk van Farao, vrezen zij (Allah) niet? |
|
026.012 Qala rabbi innee akhafu an yukaththibooni |
26:12 Hij (Mozes) zei:"Mijn Heer, ik ben bang dat zij mij loochenen. |
|
026.013 Wayadeequ sadree wala yantaliqu lisanee faarsil ila haroona |
26:13 En dat mijn borst zich zal vernauwen en dat ik niet vloeiend zal spreken, zend daarom (de Engel) naar Haroen. |
|
026.014 Walahum AAalayya thanbun faakhafu an yaqtulooni |
26:14 En zij hebben (een beschuldiging van) een misdaad tegen mij en ik ben bang dat zij mij zullen doden." |
|
026.015 Qala kalla faithhaba bi-ayatina inna maAAakum mustamiAAoona |
26:15 Hij (Allah) zei: "Nee, gaat dus beiden met Onze Tekenen: voorwaar, Wij zijn met jullie, luisterend. |
|
026.016 Fa/tiya firAAawna faqoola inna rasoolu rabbi alAAalameena |
26:16 Gaat daarom naar Farao en zegt: "Voorwaar, wij zijn de Boodschappers van de Heer der Werelden. |
|
026.017 An arsil maAAana banee isra-eela |
26:17 Zend de Kinderen van Israël met ons." |
|
026.018 Qala alam nurabbika feena waleedan walabithta feena min AAumurika sineena |
26:18 Hij (Farao) zei: "Hebben wij jou niet als een kind onder ons opgevoed en verbleef jij geen jaren van jouw leven onder ons? |
|
026.019 WafaAAalta faAAlataka allatee faAAalta waanta mina alkafireena |
26:19 En jij deed wat jij deed en jij behooft tot de ondankbaren. |
|
026.020 Qala faAAaltuha ithan waana mina alddalleena |
26:20 Hij (Mozes) zei: "Ik heb dat gedaan toen ik tot de onnadenkenden behoorde. |
|
026.021 Fafarartu minkum lamma khiftukum fawahaba lee rabbee hukman wajaAAalanee mina almursaleena |
26:21 Dus vluchtte ik weg toen ik bang voor jullie was. Daarop heeft mijn Heer aan mij Wijsheid ij gegeven en gemaakt dat ik tot de Boodschappers behoorde. |
|
026.022 Watilka niAAmatun tamunnuha AAalayya an AAabbadta banee isra-eela |
26:22 En dit is de gunst die jij mij bewees: dat jij de Kinderen van Israël tot slaven gemaakt hebt." |
|
026.023 Qala firAAawnu wama rabbu alAAalameena |
26:23 Farao zei: "En wie is de Heer der Werelden?" |
|
026.024 Qala rabbu alssamawati waal-ardi wama baynahuma in kuntum mooqineena |
26:24 Hij (Mozes) zei: "De Heer van de hemelen en de aarde en wat tussen hen beide is, als jullie er maar van overtuigd waren." |
|
026.025 Qala liman hawlahu ala tastamiAAoona |
26:25 Hij (Farao) zei tot hen die rondom hem waren: "Luisteren jullie niet?" |
|
026.026 Qala rabbukum warabbu aba-ikumu al-awwaleena |
26:26 Hij (Mozes) zei: "Juitie Heer en de Heer van jullie voorvaderen." |
|
026.027 Qala inna rasoolakumu allathee orsila ilaykum lamajnoonun |
26:27 Hij (Farao) zei: "Voorwaar, jullie Boodschapper die tot jullie gezonden is, is zeker bezeten." |
|
026.028 Qala rabbu almashriqi waalmaghribi wama baynahuma in kuntum taAAqiloona |
26:28 Hij (Mozes) zei: "De Heer van het Oosten en het Westen en wat tussen hen beide is, als jullie begrijpen." |
|
026.029 Qala la-ini ittakhathta ilahan ghayree laajAAalannaka mina almasjooneena |
26:29 Hij (Farao) zei: "Als jij een andere god dan mij hebt aangenomen, dan zal ik jou zeker tot een van de gevangenen maken." |
|
026.030 Qala awa law ji/tuka bishay-in mubeenin |
26:30 Hij (Mozes) zei: "Zelfs als ik jou iets duidelijks kan laten zien?" |
|
026.031 Qala fa/ti bihi in kunta mina alssadiqeena |
26:31 Hij (Farao) zei: "Breng het maar, als jij tot de waarachtigen behoort." |
|
026.032 Faalqa AAasahu fa-itha hiya thuAAbanun mubeenun |
26:32 Toen wierp hij zijn staf neer en daarop werd het een duidelijke slang. |
|
026.033 WanazaAAa yadahu fa-itha hiya baydao lilnnathireena |
26:33 En hij strekte zijn hand uit en die werd wit voor de toeschouwers. |
|
026.034 Qala lilmala-i hawlahu inna hatha lasahirun AAaleemun |
26:34 Hij (Farao) zei tegen de vooraanstaanden rondom hem: "Voorwaar, dit is zeker een bekwame tovenaar. |
|
026.035 Yureedu an yukhrijakum min ardikum bisihrihi famatha ta/muroona |
26:35 Hij wil jullie uit jullie land verdrijven met zijn tovenarij. Dus wat adviseren jullie?" |
|
026.036 Qaloo arjih waakhahu waibAAath fee almada-ini hashireena |
26:36 Zij zeiden: "Stel (de zaak van) hem en zijn broeder uit en stuur bijeenroepers naar de steden. |
|
026.037 Ya/tooka bikulli sahharin AAaleemin |
26:37 Zij zullen elke bekwame tovenaar bij jou brengen. |
|
026.038 FajumiAAa alssaharatu limeeqati yawmin maAAloomin |
26:38 Zo werden de tovenaars verzameld op een afgesprokem lijd op een aangewezen dag. |
|
026.039 Waqeela lilnnasi hal antum mujtamiAAoona |
26:39 En tot de mensen werd gezegd: "Zijn jullie nu bijeengekomen? |
|
026.040 LaAAallana nattabiAAu alssaharata in kanoo humu alghalibeena |
26:40 Moge wij de tovenaars volgen als zij de overwinnaars zijn." |
|
026.041 Falamma jaa alssaharatu qaloo lifirAAawna a-inna lana laajran in kunna nahnu alghalibeena |
26:41 Toen de tovenaars kwamen, zeiden zij tot Farao: "Krijgen we zeker een beloning, als wij de overwinnaars zijn?" |
|
026.042 Qala naAAam wa-innakum ithan lamina almuqarrabeena |
26:42 Hij zei: "Ja, jullie zullen dan tot de (mij) nabijen behoren." |
|
026.043 Qala lahum moosa alqoo ma antum mulqoona |
26:43 Mozes zei tot hen: "Werpt maar wat jullie te werpen hebben." |
|
026.044 Faalqaw hibalahum waAAisiyyahum waqaloo biAAizzati firAAawna inna lanahnu alghaliboona |
26:44 Toen wierpen zij hun touwen en staven neer, terwijl zij zeiden: "Bij de eer van Farao: voorwaar, wij zullen zeker de overwinnaars zijn." |
|
026.045 Faalqa moosa AAasahu fa-itha hiya talqafu ma ya/fikoona |
26:45 Toen wierp Mozes zijn staf neer, en toen verslond zij wat zij met hun bedrog hadden gemaakt. |
|
026.046 Faolqiya alssaharatu sajideena |
26:46 Toen wierpen de tovenaan zich neer, knielend. |
|
026.047 Qaloo amanna birabbi alAAalameena |
26:47 Zij zeiden: "Wij geloven in de Heer der Werelden. |
|
026.048 Rabbi moosa waharoona |
26:48 De Heer van Mozes en Haroen." |
|
026.049 Qala amantum lahu qabla an athana lakum innahu lakabeerukumu allathee AAallamakumu alssihra falasawfa taAAlamoona laoqattiAAanna aydiyakum waarjulakum min khilafin walaosallibannakum ajmaAAeena |
26:49 Hij (Farao) zei: "Geloven jullie hem voordat ik jullie toestemming geef? Voorwaar, hij is zeker jullie meerdere die jullie de tovenarij onderwees. En spoedig zullen jullie het weten: ik zal jullie handen en jullie voeten aan tegenovergestelde kanten afhakken en ik zal jullie allen kruisigen." |
|
026.050 Qaloo la dayra inna ila rabbina munqaliboona |
26:50 Zij (de tovenaars) zeiden: "Het deert (ons) niet. Voorwaar, wij zullen naar onze Heer terugkeren. |
|
026.051 Inna natmaAAu an yaghfira lana rabbuna khatayana an kunna awwala almu/mineena |
26:51 Voorwaar, wij verlangen dat Hij onze fouten vergeeft, omdat wij de eersten van de gelovigen zijn." |
|
026.052 Waawhayna ila moosa an asri biAAibadee innakum muttabaAAoona |
26:52 En wij openbaarden aan Mozes: "Reis in de nacht met Mijn dienaren: voorwaar, jullie zullen achtervolgd worden." |
|
026.053 Faarsala firAAawnu fee almada-ini hashireena |
26:53 Toen stuurde Farao bijeenroepers de steden in. |
|
026.054 Inna haola-i lashirthimatun qaleeloona |
26:54 Diegenen zijn zeker een kleine groep. |
|
026.055 Wa-innahum lana lagha-ithoona |
26:55 En voorwaar, zij hebben ons woedend gemaakt. |
|
026.056 Wa-inna lajameeAAun hathiroona |
26:56 En voorwaar, wij zijn zeker allen voorzichtig." |
|
026.057 Faakhrajnahum min jannatin waAAuyoonin |
26:57 Toen verdreven Wij hen van de tuinen en bronnen. |
|
026.058 Wakunoozin wamaqamin kareemin |
26:58 En de schatten en eervolle plaatsen. |
|
026.059 Kathalika waawrathnaha banee isra-eela |
26:59 Zo was het; en Wij deden de Kinderen van Israël het erven. |
|
026.060 FaatbaAAoohum mushriqeena |
26:60 Toen achtervolgden zij hen bij zonsopgang. |
|
026.061 Falamma taraa aljamAAani qala as-habu moosa inna lamudrakoona |
26:61 En toen de twee groepen elkaar zagen, zeiden de metgezellen van Mozes: "Voorwaar, wij worden zeker bereikt!" |
|
026.062 Qala kalla inna maAAiya rabbee sayahdeeni |
26:62 Hij (Mozes) zei: "Zeker niet voorwaar, mijn Heer is met mij, Hij zal mij lieden." |
|
026.063 Faawhayna ila moosa ani idrib biAAasaka albahra fainfalaqa fakana kullu firqin kaalttawdi alAAatheemi |
26:63 Toen openbaarden Wij aan Mozes: "Sla de zee met jouw staf." Toen spleet de zee en elk gedeelte was als een geweldige berg. |
|
026.064 Waazlafna thamma al-akhareena |
26:64 En Wij deden de anderen daar dichtbij komen. |
|
026.065 Waanjayna moosa waman maAAahu ajmaAAeena |
26:65 En wij redden Mozes en allen die bij hem waren. |
|
026.066 Thumma aghraqna al-akhareena |
26:66 Vervolgens verdronken Wij de anderen. |
|
026.067 Inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mu/mineena |
26:67 Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen zijn geen gelovigen. |
|
026.068 Wa-inna rabbaka lahuwa alAAazeezu alrraheemu |
26:68 En voorwaar, jouw Heer (O Mohammed) is zeker Hij, de Almachtige, de Meest Barmhartige. |
|
026.069 Waotlu AAalayhim nabaa ibraheema |
26:69 En lees hun de geschiedenis van Abraham voor. |
|
026.070 Ith qala li-abeehi waqawmihi ma taAAbudoona |
26:70 (Gedenk) toen hij tot zijn vader en zijn volk zei: "Wat aanbidden jullie?" |
|
026.071 Qaloo naAAbudu asnaman fanathallu laha AAakifeena |
26:71 Zij zeiden: "Wij aanbidden afgoden en wij zullen hen blijven aanbidden." |
|
026.072 Qala hal yasmaAAoonakum ith tadAAoona |
26:72 Hij (Abraham) zei: "Horen zij jullie, wanneer jullie hen aanroepen? |
|
026.073 Aw yanfaAAoonakum aw yadurroona |
26:73 Of brengen zij jullie voordeel of berokkenen zij jullie nadeel? |
|
026.074 Qaloo bal wajadna abaana kathalika yafAAaloona |
26:74 Zij zeiden. "Wij vonden dat zelfs onze vaderen zo deden." |
|
026.075 Qala afaraaytum ma kuntum taAAbudoona |
26:75 Hij (Abraham) zei: "Hebben jullie dan gezien wat jullie plegen te aanbidden? |
|
026.076 Antum waabaokumu al-aqdamoona |
26:76 Jullie en jullie vaderen die voorafgingen? |
|
026.077 Fa-innahum AAaduwwun lee illa rabba alAAalameena |
26:77 Voorwaar, zij zijn een vijand voor mij, (ik aanbid niemand) behalve de Heer der Werelden. |
|
026.078 Allathee khalaqanee fahuwa yahdeeni |
26:78 Degene Die mij geschapen heeft, Hij leidt mij. |
|
026.079 Waallathee huwa yutAAimunee wayasqeeni |
26:79 En Hij is Degene Die mij voedt en Die mij te drinken geeft. |
|
026.080 Wa-itha maridtu fahuwa yashfeeni |
26:80 En wanneer ik ziek ben, is Hij het Die mij geneest. |
|
026.081 Waallathee yumeetunee thumma yuhyeeni |
26:81 Degene Die mij doet sterven en mi vervolgens doet leven. |
|
026.082 Waallathee atmaAAu an yaghfira lee khatee-atee yawma alddeeni |
26:82 En Degene van Wie ik hevig verlang dat Hij mijn zonden zal vergeven op de Dag des Oordeels. |
|
026.083 Rabbi hab lee hukman waalhiqnee bialssaliheena |
26:83 Mijn Heer, schenk mij wijsheid en verenig mij met de rechtschapenen. |
|
026.084 WaijAAal lee lisana sidqin fee al-akhireena |
26:84 En maak mijn naam vermaard onder de lateren. |
|
026.085 WaijAAalnee min warathati jannati alnnaAAeemi |
26:85 En maak mij één van de erfgenamen van de Tuin van de gelukzaligheid (het Paradijs). |
|
026.086 Waighfir li-abee innahu kana mina alddalleena |
26:86 En vergeef mijn vader, waal bij behoorde tot de dwalenden. |
|
026.087 Wala tukhzinee yawma yubAAathoona |
26:87 En verneder mij niet op de Dag waarop er wordt opgewekt. |
|
026.088 Yawma la yanfaAAu malun wala banoona |
26:88 Op de Dag, waarop rijkdom en zonen niet zullen baten. |
|
026.089 Illa man ata Allaha biqalbin saleemin |
26:89 Alleen bij (zal gebaat zijn), die naar Allah komt met een zuiver hart |
|
026.090 Waozlifati aljannatu lilmuttaqeena |
26:90 En de Tuin wordt dichtbij de Moettaqoen gebracht. |
|
026.091 Waburrizati aljaheemu lilghaweena |
26:91 En Djahim (de Hel) wordt tentoongesteld aan de dwalenden. |
|
026.092 Waqeela lahum ayna ma kuntum taAAbudoona |
26:92 En tot hen wordt gezegd: "Waar is het, wat jullie plachten te aanbidden? |
|
026.093 Min dooni Allahi hal yansuroonakum aw yantasiroona |
26:93 Naast Allah? Kunnen zij jullie helpen of zichzelf helpen? |
|
026.094 Fakubkiboo feeha hum waalghawoona |
26:94 Dan worden zij hals over kop daarin geslingerd, zij en de dwalenden. |
|
026.095 Wajunoodu ibleesa ajmaAAoona |
26:95 En de troepen van Iblis (de Satan), allemaal. |
|
026.096 Qaloo wahum feeha yakhtasimoona |
26:96 Zij zeggen, terwijl zij met elkaar redetwisten: |
|
026.097 TaAllahi in kunna lafee dalalin mubeenin |
26:97 Bij Allah, wij verkeerden zeker in een duidelijke dwaling. |
|
026.098 Ith nusawweekum birabbi alAAalameena |
26:98 Dat wij jullie (de afgoden) gelijkstelden met de Heer der Werelden. |
|
026.099 Wama adallana illa almujrimoona |
26:99 En alleen de misdadigers hebben ons doen afdwalen. |
|
026.100 Fama lana min shafiAAeena |
26:100 En wij hebben geen voorsprekers, |
|
026.101 Wala sadeeqin hameemin |
26:101 En geen boezemvriend. |
|
026.102 Falaw anna lana karratan fanakoona mina almu/mineena |
26:102 Was er voor ons maar een weg terug, dan zouden wij tot de gelovigen behoren." |
|
026.103 Inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mu/mineena |
26:103 Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen zijn ongelovigen. |
|
026.104 Wa-inna rabbaka lahuwa alAAazeezu alrraheemu |
26:104 En voorwaar, jouw Heer (O Mohammed) is zeker Hij, de Almachtige, de Meest Barmhartige. |
|
026.105 Kaththabat qawmu noohin almursaleena |
26:105 Het volk van Noach loochende de Boodschappers. |
|
026.106 Ith qala lahum akhoohum noohun ala tattaqoona |
26:106 (Gedenk) toen hun broeder Noach tot hen zei: "Vrezen jullie (Allah) niet? |
|
026.107 Innee lakum rasoolun ameenun |
26:107 Voorwaar, ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper. |
|
026.108 Faittaqoo Allaha waateeAAooni |
26:108 Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij. |
|
026.109 Wama as-alukum AAalayhi min ajrin in ajriya illa AAala rabbi alAAalameena |
26:109 Ik vraag jullie er geen beloning voor, mijn beloning berust alleen bij de Heer der Werelden. |
|
026.110 Faittaqoo Allaha waateeAAooni |
26:110 Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij. |
|
026.111 Qaloo anu/minu laka waittabaAAaka al-arthaloona |
26:111 Zij zeiden: "Zouden wij jou volgen, terwijl de meest nederigen jou volgen?" |
|
026.112 Qala wama AAilmee bima kanoo yaAAmaloona |
26:112 Hij (Noach) zei: "En ik heb geen kennis over wat zij deden. |
|
026.113 In hisabuhum illa AAala rabbee law tashAAuroona |
26:113 Hun afrekening is slechts bij mijn Heer, als jullie het maar zouden beseffen. |
|
026.114 Wama ana bitaridi almu/mineena |
26:114 Ik zal de gelovigen zeker niet wegjagen. |
|
026.115 In ana illa natheerun mubeenun |
26:115 Ik ben slechts een duidelijke waarschuwer." |
|
026.116 Qaloo la-in lam tantahi ya noohu latakoonanna mina almarjoomeena |
26:116 Zij zeiden: "Als jij er niet mee ophoudt, O Noach, dan behoor jij tot degenen die gestenigd worden!" |
|
026.117 Qala rabbi inna qawmee kaththabooni |
26:117 Hij (Noach) zei: "Mijn Heer, voorwaar mijn volk loochent mij. |
|
026.118 Faiftah baynee wabaynahum fathan wanajjinee waman maAAiya mina almu/mineena |
26:118 Spreek daarom een oordeel uit tussen mij en hen. En red mij en de gelovigen die met mij zijn." |
|
026.119 Faanjaynahu waman maAAahu fee alfulki almashhooni |
26:119 Toen redden Wij hem en degenen die met hem in het beladen schip waren. |
|
026.120 Thumma aghraqna baAAdu albaqeena |
26:120 En vervolgens verdronken Wij degenen die achterbleven (in de zondvloed). |
|
026.121 Inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mu/mineena |
26:121 Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen zijn geen gelovigen. |
|
026.122 Wa-inna rabbaka lahuwa alAAazeezu alrraheemu |
26:122 En voorwaar, jouw Heer (O Mohammed) is zeker Hij, de Almachtige, de Meest Barmhartige. |
|
026.123 Kaththabat AAadun almursaleena |
26:123 Het volk van de 'ad loochende de Boodschappers. |
|
026.124 Ith qala lahum akhoohum hoodun ala tattaqoona |
26:124 (Gedenk) toen hun broeder Hoed tot hen zei: "Vrezen jullie Allah niet? |
|
026.125 Innee lakum rasoolun ameenun |
26:125 Voorwaar, ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper. |
|
026.126 Faittaqoo Allaha waateeAAooni |
26:126 Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij. |
|
026.127 Wama as-alukum AAalayhi min ajrin in ajriya illa AAala rabbi alAAalameena |
26:127 En ik vraag jullie er geen beloning voor, want mijn beloning berust alleen bij de Heer der Werelden. |
|
026.128 Atabnoona bikulli reeAAin ayatan taAAbathoona |
26:128 Zouden jullie op elke heuvel een gebouw bouwen om jullie te vermaken? |
|
026.129 Watattakhithoona masaniAAa laAAallakum takhludoona |
26:129 En bouwen jullie paleizen in de hoop dat jullie eeuwig leven? |
|
026.130 Wa-itha batashtum batashtum jabbareena |
26:130 En als jullie toeslaan, slaan jullie toe als geweldenaars. |
|
026.131 Faittaqoo Allaha waateeAAooni |
26:131 Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij. |
|
026.132 Waittaqoo allathee amaddakum bima taAAlamoona |
26:132 En vreest Hem Die jullie dat geschonken heeft waarover jullie weten. |
|
026.133 Amaddakum bi-anAAamin wabaneena |
26:133 En Hij Die jullie vee en zonen schenkt. |
|
026.134 Wajannatin waAAuyoonin |
26:134 En tuinen en bronnen. |
|
026.135 Innee akhafu AAalaykum AAathaba yawmin AAatheemin |
26:135 Voorwaar, ik vrees voor jullie een bestraffing op de geweldige Dag." |
|
026.136 Qaloo sawaon AAalayna awaAAathta am lam takun mina alwaAAitheena |
26:136 Zij zeiden: "Voor ons is het hetzelfde of jij ons waarschuwt of dat jij niet tot de waarschuwers behoort. |
|
026.137 In hatha illa khuluqu al-awwaleena |
26:137 Dit is slechts een gewoonte van de vroegeren. |
|
026.138 Wama nahnu bimuAAaththabeena |
26:138 En wij zullen niet behoren tot hen die gestraft worden." |
|
026.139 Fakaththaboohu faahlaknahum inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mu/mineena |
26:139 Maar zij loochenden hem, dus vernietigden Wij hen. Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen waren gelovigen. |
|
026.140 Wa-inna rabbaka lahuwa alAAazeezu alrraheemu |
26:140 En voorwaar, jouw Heer (O Mohammed) is zeker Hij, de Almachtige, de Meest Barmhartige. |
|
026.141 Kaththabat thamoodu almursaleena |
26:141 Het volk van de Tsamoed loochende de Boodschappers. |
|
026.142 Ith qala lahum akhoohum salihun ala tattaqoona |
26:142 (Gedenk) toen hun broeder Shalih tot hen zei: "Vrezen jullie (Allah) niet? |
|
026.143 Innee lakum rasoolun ameenun |
26:143 Voorwaar, ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper. |
|
026.144 Faittaqoo Allaha waateeAAooni |
26:144 Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij. |
|
026.145 Wama as-alukum AAalayhi min ajrin in ajriya illa AAala rabbi alAAalameena |
26:145 En ik vraag jullie er geen beloning voor, mijn beloning berust alleen bij de Heer der Werelden. |
|
026.146 Atutrakoona fee ma hahuna amineena |
26:146 Zullen jullie in veiligheid gelaten worden temidden van wat hier is? |
|
026.147 Fee jannatin waAAuyoonin |
26:147 Temidden van tuinen en bronnen. |
|
026.148 WazurooAAin wanakhlin talAAuha hadeemun |
26:148 En akkerland en dadelpalmen met tere trossen. |
|
026.149 Watanhitoona mina aljibali buyootan fariheena |
26:149 En jullie houwen vaardig huizen uit in de bergen. |
|
026.150 Faittaqoo Allaha waateeAAooni |
26:150 Vreest dan Allah en gehoorzaamt mij. |
|
026.151 Wala tuteeAAoo amra almusrifeena |
26:151 En geeft geen gehoor aan het bevel van de buitensporigen. |
|
026.152 Allatheena yufsidoona fee al-ardi wala yuslihoona |
26:152 Degenen die verderf zaaien op de aarde en zich niet beteren." |
|
026.153 Qaloo innama anta mina almusahhareena |
26:153 Zij zeiden: "Voorwaar, jij behoort slechts tot de betoverden. |
|
026.154 Ma anta illa basharun mithluna fa/ti bi-ayatin in kunta mina alssadiqeena |
26:154 Jij bent slechts een mens zoals wij. Breng daarom een Teken als jij tot de waarachtigen behoort." |
|
026.155 Qala hathihi naqatun laha shirbun walakum shirbu yawmin maAAloomin |
26:155 Hij (Shalih) zei: "Dit is een vrouwtjeskameel, zij heeft recht om te drinken en jullie hebben recht om te drinken, (ieder) op een vastgestelde dag. |
|
026.156 Wala tamassooha bisoo-in faya/khuthakum AAathabu yawmin AAatheemin |
26:156 En treft haar niet met kwaad, want dan zal de straf van een Geweldige Dag jullie treffen. |
|
026.157 FaAAaqarooha faasbahoo nadimeena |
26:157 Toen slachtten zij haar, daarna werden zij berouwvollen. |
|
026.158 Faakhathahumu alAAathabu inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mu/mineena |
26:158 Toen trof de bestraffing hen. Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen zijn geen gelovigen. |
|
026.159 Wa-inna rabbaka lahuwa alAAazeezu alrraheemu |
26:159 En voorwaar, jouw Heer (O Mohammed) is zeker Hij, de Almachtige, de Meest Barmhartige. |
|
026.160 Kaththabat qawmu lootin almursaleena |
26:160 Het volk van Loeth loochende de Boodschappers. |
|
026.161 Ith qala lahum akhoohum lootun ala tattaqoona |
26:161 (Gedenk) toen hun broeder Loeth tot hen zei: "Vrezen jullie (Allah) niet? |
|
026.162 Innee lakum rasoolun ameenun |
26:162 Voorwaar, ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper. |
|
026.163 Faittaqoo Allaha waateeAAooni |
26:163 Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij. |
|
026.164 Wama as-alukum AAalayhi min ajrin in ajriya illa AAala rabbi alAAalameena |
26:164 En ik vraag jullie er geen beloning voor, want mijn beloning berust alleen bij de Heer der Werelden. |
|
026.165 Ata/toona alththukrana mina alAAalameena |
26:165 Waarom benaderen jullie van de wereldbcwoners de mannen? |
|
026.166 Watatharoona ma khalaqa lakum rabbukum min azwajikum bal antum qawmun AAadoona |
26:166 En verlaten jullie hen die jullie Heer als echtgenotes geschapen heeft? Jullie zijn beslist een overtredend volk!" |
|
026.167 Qaloo la-in lam tantahi ya lootu latakoonanna mina almukhrajeena |
26:167 Zij zeiden: "O Loeth, als jij er niet mee ophoudt, behoor jij tot de verdrevenen." |
|
026.168 Qala innee liAAamalikum mina alqaleena |
26:168 Hij in zei: "Voorwaar, ik behoor tot hen die jullie daden verachten. |
|
026.169 Rabbi najjinee waahlee mimma yaAAmaloona |
26:169 Mijn Heer, red mij en mijn familie van wat zij doen." |
|
026.170 Fanajjaynahu waahlahu ajmaAAeena |
26:170 En Wij hebben hem en zijn familie allen gered. |
|
026.171 Illa AAajoozan fee alghabireena |
26:171 Behalve een oude vrouw onder de achterblijvers. |
|
026.172 Thumma dammarna al-akhareena |
26:172 Toen vernietigden Wij de anderen. |
|
026.173 Waamtarna AAalayhim mataran fasaa mataru almunthareena |
26:173 En Wij deden een (vulkanische) regen op hen neerstromen, hoe slecht was de regen voor de gewaarschuwden! |
|
026.174 Inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mu/mineena |
26:174 Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen zijn geen gelovigen. |
|
026.175 Wa-inna rabbaka lahuwa alAAazeezu alrraheemu |
26:175 En voorwaar, jouw Heer (O Mohammed), is zeker Hij, de Almachtige, de Meest Bamhartige. |
|
026.176 Kaththaba as-habu al-aykati almursaleena |
26:176 De bewoners van Aikah loochenden de Boodschappers. |
|
026.177 Ith qala lahum shuAAaybun ala tattaqoona |
26:177 (Gedenk) toen Sjoeaib tot hen zei: "Vrezen jullie (Allah) niet? |
|
026.178 Innee lakum rasoolun ameenun |
26:178 Voorwaar, ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper. |
|
026.179 Faittaqoo Allaha waateeAAooni |
26:179 Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij. |
|
026.180 Wama as-alukum AAalayhi min ajrin in ajriya illa AAala rabbi alAAalameena |
26:180 En ik vraag jullie er geen beloning voor, mijn beloning berust slechts bij de Heer der Werelden. |
|
026.181 Awfoo alkayla wala takoonoo mina almukhsireena |
26:181 En geeft de volle maat een behoort niet tot hen die tekort doen. |
|
026.182 Wazinoo bialqistasi almustaqeemi |
26:182 En weegt met juiste weegschalen. |
|
026.183 Wala tabkhasoo alnnasa ashyaahum wala taAAthaw fee al-ardi mufsideena |
26:183 En benadeelt niet de mensen in hun zaken en verricht geen kwaad op aarde, als verderfzaaiers. |
|
026.184 Waittaqoo allathee khalaqakum waaljibillata al-awwaleena |
26:184 En vreest Degene Die jullie en de vroegere generaties geschapen heeft." |
|
026.185 Qaloo innama anta mina almusahhareena |
26:185 Zij zeiden: "Voorwaar, jij behoort slechts tot de betoverden. |
|
026.186 Wama anta illa basharun mithluna wa-in nathunnuka lamina alkathibeena |
26:186 En jij bent slechts een mens als wij ein wij vinden dat jij zeker tot de leugenaars behoort. |
|
026.187 Faasqit AAalayna kisafan mina alssama-i in kunta mina alssadiqeena |
26:187 Laat dan eens een stuk van de hemel op ons vallen, als jij tot de waarachtigen behoort." |
|
026.188 Qala rabbee aAAlamu bima taAAmaloona |
26:188 Hij zei: "Mijn Heer weet het beste wat jullie doen." |
|
026.189 Fakaththaboohu faakhathahum AAathabu yawmi alththullati innahu kana AAathaba yawmin AAatheemin |
26:189 Maar zij loochenden hem, waarop een bestraffing hen trofop een zwaarbewolkte dag. Voorwaar, het was een bestraffing van een geweldige dag. |
|
026.190 Inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mu/mineena |
26:190 Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van ben zijn geen gelovigen. |
|
026.191 Wa-inna rabbaka lahuwa alAAazeezu alrraheemu |
26:191 En voorwaar, jouw Heer (O Mohammed) is zeker Hij, de Almachtige, de Meest Bamhartige. |
|
026.192 Wa-innahu latanzeelu rabbi alAAalameena |
26:192 En voorwaar, hij (de Kuran) is zeker een neerzending van de Heer der Werelden. |
|
026.193 Nazala bihi alrroohu al-ameenu |
26:193 Met hem (de Kuran) daalde de getrouwe Geest (Djibril) neer. |
|
026.194 AAala qalbika litakoona mina almunthireena |
26:194 Op jouw hart (O Mohammed), opdat jij tot de waarschuwers behoort. |
|
026.195 Bilisanin AAarabiyyin mubeenin |
26:195 In een duidelijke Arabische taal. |
|
026.196 Wa-innahu lafee zuburi al-awwaleena |
26:196 En voorwaar, hij (de Kuran) is zeker (aangekondigd) in de Schriften van de vroegeren. |
|
026.197 Awa lam yakun lahum ayatan an yaAAlamahu AAulamao banee isra-eela |
26:197 Is het voor hen dan geen teken dat de geleerden van de Kinderen van Israël hem kennen? |
|
026.198 Walaw nazzalnahu AAala baAAdi al-aAAjameena |
26:198 En als Wij hem aan de niet-Arabieren hadden doen neerdalen. |
|
026.199 Faqaraahu AAalayhim ma kanoo bihi mu/mineena |
26:199 (En als) hij hem dan aan ben voorgedragen had, dan hadden zij er niet in geloofd. |
|
026.200 Kathalika salaknahu fee quloobi almujrimeena |
26:200 Op deze wijze deden Wij hem binnendringen in de barten van de misdadigers. |
|
026.201 La yu/minoona bihi hatta yarawoo alAAathaba al-aleema |
26:201 Zij zullen er niet in geloven totdat zij de pijnlijke bestraffing zien. |
|
026.202 Faya/tiyahum baghtatan wahum la yashAAuroona |
26:202 Die plotseling tot ben zal komen, terwijl zij het niet beseffen. |
|
026.203 Fayaqooloo hal nahnu muntharoona |
26:203 Dan zeggen zij: "Krijgen wij uitstel?" |
|
026.204 AfabiAAathabina yastaAAjiloona |
26:204 Vragen zij dan dat Onze bestraffing bespoedigd wordt? |
|
026.205 Afaraayta in mattaAAnahum sineena |
26:205 Wat denk jij dan, als Wij hun (enige) jaren laten genieten? |
|
026.206 Thumma jaahum ma kanoo yooAAadoona |
26:206 En daarop tot hen komt wat beloofd was? |
|
026.207 Ma aghna AAanhum ma kanoo yumattaAAoona |
26:207 Het zal hun niet baten, wat hun aan genot gegeven was. |
|
026.208 Wama ahlakna min qaryatin illa laha munthiroona |
26:208 En Wij hebben geen stad vernietigd zonder dat er voor haar waarschuwers waren geweest. |
|
026.209 Thikra wama kunna thalimeena |
26:209 Als een waarschuwing: en Wij weren geen onrechtvaardigen. |
|
026.210 Wama tanazzalat bihi alshshayateenu |
26:210 En hij (de Kuran) is niet door de Satans neergedaald. |
|
026.211 Wama yanbaghee lahum wama yastateeAAoona |
26:211 Het past hun niet en zij zijn er niet toe in staat. |
|
026.212 Innahum AAani alssamAAi lamaAAzooloona |
26:212 Voorwaar, van het horen (ervan) zijn zij zeker buitengesloten. |
|
026.213 Fala tadAAu maAAa Allahi ilahan akhara fatakoona mina almuAAaththabeena |
26:213 Roept dus geen andere goden naast Allah aan, anders zal jij tot de bestraften behoren. |
|
026.214 Waanthir AAasheerataka al-aqrabeena |
26:214 En waarschuw jouw naaste familieleden. |
|
026.215 Waikhfid janahaka limani ittabaAAaka mina almu/mineena |
26:215 En wees bescheiden en nederig tegenover de gelovigen die jou volgen. |
|
026.216 Fa-in AAasawka faqul innee baree-on mimma taAAmaloona |
26:216 En als zij jou dan ongehoorzaam zijn, zeg dan: "Ik ben onschuldig aan wat jullie doen." |
|
026.217 Watawakkal AAala alAAazeezi alrraheemi |
26:217 En vertrouw op de Almachtige, de Meest Barmhartige. |
|
026.218 Allathee yaraka heena taqoomu |
26:218 Degene Die jou ziet als jij staat (te bidden). |
|
026.219 Wataqallubaka fee alssajideena |
26:219 En jouw bewegingen (ziet) onder de knielenden. |
|
026.220 Innahu huwa alssameeAAu alAAaleemu |
26:220 Voorwaar, Hij is de Alhorende, de Alwetende. |
|
026.221 Hal onabbi-okum AAala man tanazzalu alshshayateenu |
26:221 Zal ik jou vertellen tot wie de Satans neerdalen? |
|
026.222 Tanazzalu AAala kulli affakin atheemin |
26:222 Zij dalen neer tot elke zondige leugenaar. |
|
026.223 Yulqoona alssamAAa waaktharuhum kathiboona |
26:223 Zij luisteren nam het gesprokene en de meesten van hen zijn leugenaars. |
|
026.224 WaalshshuAAarao yattabiAAuhumu alghawoona |
26:224 En de dichters; de dwalenden volgen hen. |
|
026.225 Alam tara annahum fee kulli wadin yaheemoona |
26:225 Zie jij niet dat zij rusteloos ronddwalen in iedere vallei? |
|
026.226 Waannahum yaqooloona ma la yafAAaloona |
26:226 En dat zij zeker zeggen wat zij niet doen? |
|
026.227 Illa allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati wathakaroo Allaha katheeran waintasaroo min baAAdi ma thulimoo wasayaAAlamu allatheena thalamoo ayya munqalabin yanqaliboona |
26:227 Behalve degenen die geloven en goede daden verrichten en Allah vaak gedenken. En zij overwinnen nadat hun onrecht is aangedaan. En degenen die onrecht pleegden zullen spoedig weten tot welke plaats van terugkeer zij zullen terugkeren! |
www.kuran.nl