Al-Qasas

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

طٰسٓمّٓ ﴿۱﴾

028.001 Ta-seen-meem

Tha Sin Mim. T[aa?] S[ien] M[iem].

تِلۡکَ اٰیٰتُ الۡکِتٰبِ الۡمُبِیۡنِ ﴿۲﴾

028.002 Tilka ayatu alkitabi almubeeni

Dit zijn de Verzen van het duidelijke Boek. Dit zijn de tekenen van het duidelijke boek.

نَتۡلُوۡا عَلَیۡکَ مِنۡ نَّبَاِ مُوۡسٰی وَ فِرۡعَوۡنَ بِالۡحَقِّ لِقَوۡمٍ یُّؤۡمِنُوۡنَ ﴿۳﴾

028.003 Natloo AAalayka min naba-i moosa wafirAAawna bialhaqqi liqawmin yu/minoona

Wij dragen jou van de geschiedenissen van Moesa en Farao voor, volgens de Waarheid, voor een volk dat gelooft. Wij lezen jou naar waarheid mededelingen voor over Moesa en Fir'aun voor mensen die geloven.

اِنَّ فِرۡعَوۡنَ عَلَا فِی الۡاَرۡضِ وَ جَعَلَ اَہۡلَہَا شِیَعًا یَّسۡتَضۡعِفُ طَآئِفَۃً مِّنۡہُمۡ یُذَبِّحُ اَبۡنَآءَہُمۡ وَ یَسۡتَحۡیٖ نِسَآءَہُمۡ ؕ اِنَّہٗ کَانَ مِنَ الۡمُفۡسِدِیۡنَ ﴿۴﴾

028.004 Inna firAAawna AAala fee al-ardi wajaAAala ahlaha shiyaAAan yastadAAifu ta-ifatan minhum yuthabbihu abnaahum wayastahyee nisaahum innahu kana mina almufsideena

Voorwaar, Farao was hoogmoedig in het land en hij verdeelde haar mensen in partijen. Hij onderdrukte een groep van hen: hij slachtte hun zonen en hij het hun vrouwen leven. Voorwaar, hij behoorde tot de verderfzaaiers. Fir'aun had de overhand in het land en maakte de mensen ervan tot groeperingen, waarvan hij een groep onderdrukte doordat hij hun zonen afslachtte en alleen hun vrouwen in leven liet; hij behoorde tot de verderfbrengers.

وَ نُرِیۡدُ اَنۡ نَّمُنَّ عَلَی الَّذِیۡنَ اسۡتُضۡعِفُوۡا فِی الۡاَرۡضِ وَ نَجۡعَلَہُمۡ اَئِمَّۃً وَّ نَجۡعَلَہُمُ الۡوٰرِثِیۡنَ ۙ﴿۵﴾

028.005 Wanureedu an namunna AAala allatheena istudAAifoo fee al-ardi wanajAAalahum a-immatan wanajAAalahumu alwaritheena

En Wij wilden de onderdrukten in het land een gunst schenken. En Wij maakten hen tot leiders en Wij maakten hen tot erfgenamen. Maar Wij wensten hun die onderdrukt werden in het land een gunst te bewijzen, hen tot voorgangers te maken, hen tot erfgenamen te maken,

وَ نُمَکِّنَ لَہُمۡ فِی الۡاَرۡضِ وَ نُرِیَ فِرۡعَوۡنَ وَ ہَامٰنَ وَ جُنُوۡدَہُمَا مِنۡہُمۡ مَّا کَانُوۡا یَحۡذَرُوۡنَ ﴿۶﴾

028.006 Wanumakkina lahum fee al-ardi wanuriya firAAawna wahamana wajunoodahuma minhum ma kanoo yahtharoona

En Wij vestigden hen op aarde en Wij toonden Farao, en Haman en hun troepen onder hen, datgene waar zij bevreesd voor waren. hun macht op de aarde te geven en Fir'aun en Hamaan en hun troepen te tonen waar zij verontrust over waren.

وَ اَوۡحَیۡنَاۤ اِلٰۤی اُمِّ مُوۡسٰۤی اَنۡ اَرۡضِعِیۡہِ ۚ فَاِذَا خِفۡتِ عَلَیۡہِ فَاَلۡقِیۡہِ فِی الۡیَمِّ وَ لَا تَخَافِیۡ وَ لَا تَحۡزَنِیۡ ۚ اِنَّا رَآدُّوۡہُ اِلَیۡکِ وَ جَاعِلُوۡہُ مِنَ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۷﴾

028.007 Waawhayna ila ommi moosa an ardiAAeehi fa-itha khifti AAalayhi faalqeehi fee alyammi wala takhafee wala tahzanee inna raddoohu ilayki wajaAAiloohu mina almursaleena

En Wij inspireerden aan de moeder van Moesa: "Zoog hem", maar als jij voor hem vreest, werp hem dan in de rivier, en vrees niet en treur niet: voorwaar, Wij zullen hem bij jou terugbrengen en hem tot n van de Boodschappers maken. En Wij openbaarden aan de moeder van Moesa: "Zoog hem en wanneer jij bang voor hem bent, werp hem dan in de zee en wees niet bang en niet bedroefd; Wij brengen hem naar jou terug en Wij maken hem tot een van de gezondenen."

فَالۡتَقَطَہٗۤ اٰلُ فِرۡعَوۡنَ لِیَکُوۡنَ لَہُمۡ عَدُوًّا وَّ حَزَنًا ؕ اِنَّ فِرۡعَوۡنَ وَ ہَامٰنَ وَ جُنُوۡدَہُمَا کَانُوۡا خٰطِئِیۡنَ ﴿۸﴾

028.008 Failtaqatahu alu firAAawna liyakoona lahum AAaduwwan wahazanan inna firAAawna wahamana wajunoodahuma kanoo khati-eena

Toen pikten de mensen van Farao hem op (uit de rivier), zodat hij een vijand van hen zou worden en een bron van verdriet. Voorwaar, Farao, Haman en hun legers waren zondaren. Toen namen de mensen van Fir'aun hem op, opdat hij voor hen een vijand en [reden tot] droefheid zou worden. Fir'aun en Hamaan en hun legers waren immers zondaars.

وَ قَالَتِ امۡرَاَتُ فِرۡعَوۡنَ قُرَّتُ عَیۡنٍ لِّیۡ وَ لَکَ ؕ لَا تَقۡتُلُوۡہُ ٭ۖ عَسٰۤی اَنۡ یَّنۡفَعَنَاۤ اَوۡ نَتَّخِذَہٗ وَلَدًا وَّ ہُمۡ لَا یَشۡعُرُوۡنَ ﴿۹﴾

028.009 Waqalati imraatu firAAawna qurratu AAaynin lee walaka la taqtuloohu AAasa an yanfaAAana aw nattakhithahu waladan wahum la yashAAuroona

En de vrouw van Farao zei: "Hij is een verkoeling voor mijn en jouw oog. Doodt hem niet, moge hij ons baten, of kunnen wij hem als zoon aannemen," En zij beseften niet. En de vrouw van Fir'aun zei: "Jij en ik zullen vreugde aan hem beleven. Dood hem niet. Misschien dat hij ons tot nut is of dat wij hem als kind aannemen." Maar zij beseften het niet.

وَ اَصۡبَحَ فُؤَادُ اُمِّ مُوۡسٰی فٰرِغًا ؕ اِنۡ کَادَتۡ لَتُبۡدِیۡ بِہٖ لَوۡ لَاۤ اَنۡ رَّبَطۡنَا عَلٰی قَلۡبِہَا لِتَکُوۡنَ مِنَ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۰﴾

028.010 Waasbaha fu-adu ommi moosa farighan in kadat latubdee bihi lawla an rabatna AAala qalbiha litakoona mina almu/mineena

En het hart van de moeder van Moesa werd leeg, en zij had het (geheim) bijna onthuld, als Wij haar hart niet versterkt hadden, zodat zij tot de gelovigen behoorde. En het hart van Moesa's moeder werd ontroostbaar. Bijna had zij het van hem bekend gemaakt, als Wij haar hart niet versterkt hadden, opdat zij tot de gelovigen behoorde.

وَ قَالَتۡ لِاُخۡتِہٖ قُصِّیۡہِ ۫ فَبَصُرَتۡ بِہٖ عَنۡ جُنُبٍ وَّ ہُمۡ لَا یَشۡعُرُوۡنَ ﴿ۙ۱۱﴾

028.011 Waqalat li-okhtihi qusseehi fabasurat bihi AAan junubin wahum la yashAAuroona

En zij zei tegen zijn (Moesa) zuster: "Volg hem." En zo bekeek zij hem op een afstand, terwijl zij het niet beseften. En zij zei tot zijn zuster: "Ga achter hem aan." Zij hield dus van terzijde een oog op hem zonder dat zij het merkten. *

وَ حَرَّمۡنَا عَلَیۡہِ الۡمَرَاضِعَ مِنۡ قَبۡلُ فَقَالَتۡ ہَلۡ اَدُلُّکُمۡ عَلٰۤی اَہۡلِ بَیۡتٍ یَّکۡفُلُوۡنَہٗ لَکُمۡ وَ ہُمۡ لَہٗ نٰصِحُوۡنَ ﴿۱۲﴾

028.012 Waharramna AAalayhi almaradiAAa min qablu faqalat hal adullukum AAala ahli baytin yakfuloonahu lakum wahum lahu nasihoona

En Wij hebben hem daarvoor zoogmoeders verboden. En zij (zijn zuster) zei (tegen de familie van Farao): "Zal ik jullie een huisgezin wijzen dat hem voor jullie zal verzorgen en hem opvoeden?" Wij hadden namelijk van tevoren minnen voor hem verboden. En zij zei: "Zal ik jullie een familie wijzen die hem voor jullie kan verzorgen en die over hem waakt?"

فَرَدَدۡنٰہُ اِلٰۤی اُمِّہٖ کَیۡ تَقَرَّ عَیۡنُہَا وَ لَا تَحۡزَنَ وَ لِتَعۡلَمَ اَنَّ وَعۡدَ اللّٰہِ حَقٌّ وَّ لٰکِنَّ اَکۡثَرَہُمۡ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿٪۱۳﴾

028.013 Faradadnahu ila ommihi kay taqarra AAaynuha wala tahzana walitaAAlama anna waAAda Allahi haqqun walakinna aktharahum la yaAAlamoona

Toen deden Wij hem tot zijn moeder terugkeren, opdat haar oog verkoeld werd en zij niet bedroefd was, en opdat zij wist dat de belofte van Allah waar is. Maar de meesten van hen weten niet. Zo brachten Wij hem naar zijn moeder terug opdat zij vreugde aan hem zou beleven en niet bedroefd zou zijn en opdat zij zou weten dat de toezegging van Allah waar is; maar de meesten van hen weten het niet.

وَ لَمَّا بَلَغَ اَشُدَّہٗ وَ اسۡتَوٰۤی اٰتَیۡنٰہُ حُکۡمًا وَّ عِلۡمًا ؕ وَ کَذٰلِکَ نَجۡزِی الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۱۴﴾

028.014 Walamma balagha ashuddahu waistawa ataynahu hukman waAAilman wakathalika najzee almuhsineena

En toen hij zijn volle kracht had bereikt, en volgroeid was, gaven Wij hem wijsheid en kennis. En zo belonen Wij de weldoeners. Toen hij volgroeid en welgevormd was gaven Wij hem oordeelskracht en kennis. Zo belonen Wij hen die goed doen.

وَ دَخَلَ الۡمَدِیۡنَۃَ عَلٰی حِیۡنِ غَفۡلَۃٍ مِّنۡ اَہۡلِہَا فَوَجَدَ فِیۡہَا رَجُلَیۡنِ یَقۡتَتِلٰنِ ٭۫ ہٰذَا مِنۡ شِیۡعَتِہٖ وَ ہٰذَا مِنۡ عَدُوِّہٖ ۚ فَاسۡتَغَاثَہُ الَّذِیۡ مِنۡ شِیۡعَتِہٖ عَلَی الَّذِیۡ مِنۡ عَدُوِّہٖ ۙ فَوَکَزَہٗ مُوۡسٰی فَقَضٰی عَلَیۡہِ ٭۫ قَالَ ہٰذَا مِنۡ عَمَلِ الشَّیۡطٰنِ ؕ اِنَّہٗ عَدُوٌّ مُّضِلٌّ مُّبِیۡنٌ ﴿۱۵﴾

028.015 Wadakhala almadeenata AAala heeni ghaflatin min ahliha fawajada feeha rajulayni yaqtatilani hatha min sheeAAatihi wahatha min AAaduwwihi faistaghathahu allathee min sheeAAatihi AAala allathee min AAaduwwihi fawakazahu moosa faqada AAalayhi qala hatha min AAamali alshshaytani innahu AAaduwwun mudillun mubeenun

En hij kwam de stad binnen op een tijd dat haar mensen onachtzaam waren, en hij vond daar twee mannen die vochten: de n van zijn groep (de Kinderen van Isral) en de ander van zijn vijanden (de mensen van Farao). Daarop vroeg degene van zijn groep hem om hulp tegen degene van zijn vijand. Toen sloeg Moesa hem met zijn vuist en doodde hem (per ongeluk). Hij zei: "Dit behoort tot het werk van de Satan: voorwaar, hij is een vijand die duidelijk doet dwalen." En hij kwam de stad binnen op een tijd dat haar mensen er niet op letten en hij vond er twee mannen die aan het vechten waren; de een was van zijn groepering en de ander van zijn vijand en hij die van zijn groepering was riep hem te hulp tegen hem die van zijn vijand was. Moesa sloeg hem en bracht hem om. Hij zei: "Dit is werk van de satan; hij is een verklaarde vijand die tot dwaling brengt."

قَالَ رَبِّ اِنِّیۡ ظَلَمۡتُ نَفۡسِیۡ فَاغۡفِرۡ لِیۡ فَغَفَرَ لَہٗ ؕ اِنَّہٗ ہُوَ الۡغَفُوۡرُ الرَّحِیۡمُ ﴿۱۶﴾

028.016 Qala rabbi innee thalamtu nafsee faighfir lee faghafara lahu innahu huwa alghafooru alrraheemu

Hij zei: "Mijn Heer, voorwaar, ik heb mijzelf onrecht aangedaan, dus vergeef mij." Daarop vergaf Hij hem. Voorwaar, Hij is de Vergevensgezinde, de Meest Barmhartige. Hij zei: "Mijn Heer, ik heb mijzelf onrecht aangedaan. Vergeef mij dus." En Hij vergaf hem; Hij is de vergevende, de barmhartige.

قَالَ رَبِّ بِمَاۤ اَنۡعَمۡتَ عَلَیَّ فَلَنۡ اَکُوۡنَ ظَہِیۡرًا لِّلۡمُجۡرِمِیۡنَ ﴿۱۷﴾

028.017 Qala rabbi bima anAAamta AAalayya falan akoona thaheeran lilmujrimeena

Hij (Moesa) zei: "Mijn Heer, door de gunst die U mij geschonken heeft, zal ik nooit meer een helper zijn voor de misdadigers. Hij zei: "Mijn Heer, omdat U mij genade geschonken hebt, zal ik de boosdoeners geen bijstand meer verlenen."

فَاَصۡبَحَ فِی الۡمَدِیۡنَۃِ خَآئِفًا یَّتَرَقَّبُ فَاِذَا الَّذِی اسۡتَنۡصَرَہٗ بِالۡاَمۡسِ یَسۡتَصۡرِخُہٗ ؕ قَالَ لَہٗ مُوۡسٰۤی اِنَّکَ لَغَوِیٌّ مُّبِیۡنٌ ﴿۱۸﴾

028.018 Faasbaha fee almadeenati kha-ifan yataraqqabu fa-itha allathee istansarahu bial-amsi yastasrikhuhu qala lahu moosa innaka laghawiyyun mubeenun

Toen werd hij bang in de stad en was op zijn hoede, toen daar degene was die de vorige dag om zijn hulp gevraagd had. Hij vroeg hem (opnieuw) om hulp. Moesa zei tot hem: "Voorwaar, jij bent zeker een duidelijk dwalende." 's Morgens begon hij bang te worden en om zich heen te kijken. En daar was hij die hem de vorige dag om hulp had gevraagd die [weer] om hulp schreeuwde. Moesa zei tot hem: "Jij bent duidelijk misleid."

فَلَمَّاۤ اَنۡ اَرَادَ اَنۡ یَّبۡطِشَ بِالَّذِیۡ ہُوَ عَدُوٌّ لَّہُمَا ۙ قَالَ یٰمُوۡسٰۤی اَتُرِیۡدُ اَنۡ تَقۡتُلَنِیۡ کَمَا قَتَلۡتَ نَفۡسًۢا بِالۡاَمۡسِ ٭ۖ اِنۡ تُرِیۡدُ اِلَّاۤ اَنۡ تَکُوۡنَ جَبَّارًا فِی الۡاَرۡضِ وَ مَا تُرِیۡدُ اَنۡ تَکُوۡنَ مِنَ الۡمُصۡلِحِیۡنَ ﴿۱۹﴾

028.019 Falamma an arada an yabtisha biallathee huwa AAaduwwun lahuma qala ya moosa atureedu an taqtulanee kama qatalta nafsan bial-amsi in tureedu illa an takoona jabbaran fee al-ardi wama tureedu an takoona mina almusliheena

Maar toen hij (Moesa) degene wilde grijpen, die een vijand van hen beiden was, zei deze: "o Moesa, wil jij mij vermoorden, zoals jij gisteren een ziel gedood hebt? Jij wenst slechts een tiran te worden op de aarde en jij wenst niet tot de verzoeners te behoren." Maar toen hij wilde inslaan op hem die een vijand van hen beiden was zei hij: "O Moesa, wil jij mij ook doden zoals jij gisteren iemand gedood hebt? Jij wenst alleen maar een geweldenaar in het land te zijn en wenst niet bij hen die herstel brengen te behoren."

وَ جَآءَ رَجُلٌ مِّنۡ اَقۡصَا الۡمَدِیۡنَۃِ یَسۡعٰی ۫ قَالَ یٰمُوۡسٰۤی اِنَّ الۡمَلَاَ یَاۡتَمِرُوۡنَ بِکَ لِیَقۡتُلُوۡکَ فَاخۡرُجۡ اِنِّیۡ لَکَ مِنَ النّٰصِحِیۡنَ ﴿۲۰﴾

028.020 Wajaa rajulun min aqsa almadeenati yasAAa qala ya moosa inna almalaa ya/tamiroona bika liyaqtulooka faokhruj innee laka mina alnnasiheena

En een man kwam aanrennen van het andere einde van de stad, terwijl hij riep: "De vooraanstaanden beramen een list om jou te vermoorden. Vertrek daarom: voorwaar, ik behoor tot de raadgevers voor jou." En er kwam een man uit het verste deel van de stad aanrennen die zei: "O Moesa, de voornaamsten beraden zich over jou om jou te doden. Ga dus weg. Ik ben iemand die jou goede raad geeft."

فَخَرَجَ مِنۡہَا خَآئِفًا یَّتَرَقَّبُ ۫ قَالَ رَبِّ نَجِّنِیۡ مِنَ الۡقَوۡمِ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿٪۲۱﴾

028.021 Fakharaja minha kha-ifan yataraqqabu qala rabbi najjinee mina alqawmi alththalimeena

Daarom vertrok hij van daar, vrezend en op zijn hoede. Hij zei: "Mijn Heer, red mij van het onrechtvaardige volk." Hij ging er dus bang en om zich heen kijkend weg. Hij zei: "Mijn Heer, red mij van de mensen die onrecht plegen."

وَ لَمَّا تَوَجَّہَ تِلۡقَآءَ مَدۡیَنَ قَالَ عَسٰی رَبِّیۡۤ اَنۡ یَّہۡدِیَنِیۡ سَوَآءَ السَّبِیۡلِ ﴿۲۲﴾

028.022 Walamma tawajjaha tilqaa madyana qala AAasa rabbee an yahdiyanee sawaa alssabeeli

En toen hij in de richting van Madyan ging, zei hij: "Moge mijn Heer mij op de rechte Weg leiden." Toen hij in de richting van Madjan ging zei hij: "Misschien dat mijn Heer mij op de correcte weg zal brengen."

وَ لَمَّا وَرَدَ مَآءَ مَدۡیَنَ وَجَدَ عَلَیۡہِ اُمَّۃً مِّنَ النَّاسِ یَسۡقُوۡنَ ۬۫ وَ وَجَدَ مِنۡ دُوۡنِہِمُ امۡرَاَتَیۡنِ تَذُوۡدٰنِ ۚ قَالَ مَا خَطۡبُکُمَا ؕ قَالَتَا لَا نَسۡقِیۡ حَتّٰی یُصۡدِرَ الرِّعَآءُ ٜ وَ اَبُوۡنَا شَیۡخٌ کَبِیۡرٌ ﴿۲۳﴾

028.023 Walamma warada maa madyana wajada AAalayhi ommatan mina alnnasi yasqoona wawajada min doonihimu imraatayni tathoodani qala ma khatbukuma qalata la nasqee hatta yusdira alrriAAao waaboona shaykhun kabeerun

En toen hij het water van Madyan bereikte, vond hij daar een groep mensen die hun vee te drinken gaf. En Hij trof naast hen twee vrouwen aan die hun vee tegenhielden. Hij zei. "Wat is er met jullie aan de hand?" Zij zeiden: "Wij laten het vee pas drinken als de herders weggaan en onze vader is een zeer oude man." En toen hij bij het water van Madjan kwam vond hij daar een gemeenschap van mensen die [hun vee] te drinken gaven en hij vond naast hen twee vrouwen die [hun vee] terughielden. Hij zei: "Wat is er met jullie beiden?" Zij zeiden: "Wij kunnen [ons vee] pas te drinken geven als de herders weggaan. Onze vader is namelijk een zeer oude man."

فَسَقٰی لَہُمَا ثُمَّ تَوَلّٰۤی اِلَی الظِّلِّ فَقَالَ رَبِّ اِنِّیۡ لِمَاۤ اَنۡزَلۡتَ اِلَیَّ مِنۡ خَیۡرٍ فَقِیۡرٌ ﴿۲۴﴾

028.024 Fasaqa lahuma thumma tawalla ila alththilli faqala rabbi innee lima anzalta ilayya min khayrin faqeerun

Toen gaf hij hun vee voor hen te drinken. Toen trok hij zich terug in de schaduw, en zei: "Mijn Heer, ik heb behoefte aan het goede dat U tot mij neerzendt." Toen gaf hij [hun vee] te drinken en ging terug in de schaduw en zei: "Mijn Heer, ik heb behoefte aan het goede dat U tot mij neerzendt."

فَجَآءَتۡہُ اِحۡدٰىہُمَا تَمۡشِیۡ عَلَی اسۡتِحۡیَآءٍ ۫ قَالَتۡ اِنَّ اَبِیۡ یَدۡعُوۡکَ لِیَجۡزِیَکَ اَجۡرَ مَا سَقَیۡتَ لَنَا ؕ فَلَمَّا جَآءَہٗ وَ قَصَّ عَلَیۡہِ الۡقَصَصَ ۙ قَالَ لَا تَخَفۡ ٝ۟ نَجَوۡتَ مِنَ الۡقَوۡمِ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۲۵﴾

028.025 Fajaat-hu ihdahuma tamshee AAala istihya-in qalat inna abee yadAAooka liyajziyaka ajra ma saqayta lana falamma jaahu waqassa AAalayhi alqasasa qala la takhaf najawta mina alqawmi alththalimeena

Toen kwam een van de twee (vrouwen) verlegen naar heen toelopen, en zei: "Voorwaar, mijn vader roept jou om te komen, om jou te belonen, omdat jij ons vee te drinken hebt gegeven." En toen hij bij hem kwam en hem het verhaal vertelde, zei hij: "Wees niet bang, jij hebt je gered van het onrechtvaardige volk." Toen kwam een van hen beiden bedeesd naar hem toe. Zij zei: "Mijn vader nodigt je uit om je ervoor te belonen dat jij ons [vee] te drinken gegeven hebt." Toen hij bij hem kwam en hem het verhaal vertelde zei deze: "Wees niet bang, je bent aan mensen die onrecht plegen ontkomen."

قَالَتۡ اِحۡدٰىہُمَا یٰۤاَبَتِ اسۡتَاۡجِرۡہُ ۫ اِنَّ خَیۡرَ مَنِ اسۡتَاۡجَرۡتَ الۡقَوِیُّ الۡاَمِیۡنُ ﴿۲۶﴾

028.026 Qalat ihdahuma ya abati ista/jirhu inna khayra mani ista/jarta alqawiyyu al-ameenu

Een van de twee (vrouwen) zei: "o vader, neem hem toch in dienst. Voorwaar, de beste die je in dienst kan nemen is de betrouwbare sterke. Een van de twee vrouwen zei: "Mijn vader, neem hem toch in dienst. Je kunt het best iemand in dienst nemen die sterk en betrouwbaar is."

قَالَ اِنِّیۡۤ اُرِیۡدُ اَنۡ اُنۡکِحَکَ اِحۡدَی ابۡنَتَیَّ ہٰتَیۡنِ عَلٰۤی اَنۡ تَاۡجُرَنِیۡ ثَمٰنِیَ حِجَجٍ ۚ فَاِنۡ اَتۡمَمۡتَ عَشۡرًا فَمِنۡ عِنۡدِکَ ۚ وَ مَاۤ اُرِیۡدُ اَنۡ اَشُقَّ عَلَیۡکَ ؕ سَتَجِدُنِیۡۤ اِنۡ شَآءَ اللّٰہُ مِنَ الصّٰلِحِیۡنَ ﴿۲۷﴾

028.027 Qala innee oreedu an onkihaka ihda ibnatayya hatayni AAala an ta/juranee thamaniya hijajin fa-in atmamta AAashran famin AAindika wama oreedu an ashuqqa AAalayka satajidunee in shaa Allahu mina alssaliheena

Hij zei: "Voorwaar, ik wens dat jij met een van deze dochters van mij trouwt, op voorwaarde dat jij achtjaar bij mij in dienst komt. Maar als jij er tien vervult, dan is dat aan jou. Ik wil het jou niet moeilijk maken, jij zult bevinden dat ik, als Allah het wil, tot de oprechten behoor." Hij zei: "Ik wil je graag met een van mijn beide dochters hier laten trouwen op voorwaarde dat jij acht jaar bij mij in dienst komt. En als je er tien vol maakt dan is dat je eigen zaak; ik wil het jou niet te moeilijk maken. Als Allah het wil zul je merken dat ik tot de rechtschapenen behoor."

قَالَ ذٰلِکَ بَیۡنِیۡ وَ بَیۡنَکَ ؕ اَیَّمَا الۡاَجَلَیۡنِ قَضَیۡتُ فَلَا عُدۡوَانَ عَلَیَّ ؕ وَ اللّٰہُ عَلٰی مَا نَقُوۡلُ وَکِیۡلٌ ﴿٪۲۸﴾

028.028 Qala thalika baynee wabaynaka ayyama al-ajalayni qadaytu fala AAudwana AAalayya waAllahu AAala ma naqoolu wakeelun

Hij (Moesa) zei: "Laat dit zo zijn tussen mij en jou. Welke van de twee termijnen ik ook vervul, laat er geen onvrede tegen mij zijn en Allah is Beschermer over wat wij zeggen." Hij zei: "Dat is dan een afspraak tussen mij en jou. Welke van de twee termijnen ik ook vol maak, ik kan er niet op aangesproken worden. En Allah staat garant voor wat wij zeggen."

فَلَمَّا قَضٰی مُوۡسَی الۡاَجَلَ وَ سَارَ بِاَہۡلِہٖۤ اٰنَسَ مِنۡ جَانِبِ الطُّوۡرِ نَارًا ۚ قَالَ لِاَہۡلِہِ امۡکُثُوۡۤا اِنِّیۡۤ اٰنَسۡتُ نَارًا لَّعَلِّیۡۤ اٰتِیۡکُمۡ مِّنۡہَا بِخَبَرٍ اَوۡ جَذۡوَۃٍ مِّنَ النَّارِ لَعَلَّکُمۡ تَصۡطَلُوۡنَ ﴿۲۹﴾

028.029 Falamma qada moosa al-ajala wasara bi-ahlihi anasa min janibi alttoori naran qala li-ahlihi omkuthoo innee anastu naran laAAallee ateekum minha bikhabarin aw jathwatin mina alnnari laAAallakum tastaloona

En toen Moesa de termijn vervuld had, en niet zijn familie reisde, zag hij aan de zijkant van (de berg) Thoer vuur. Hij zei tot zijn familie: "Blijft, want ik heb een vuur gezien. Moge ik jullie daarover nieuws brengen of een fakkel van het vuur meenemen, hopelijk verwarmen jullie (je ermee)." Toen Moesa de termijn vol gemaakt had en met zijn huisgenoten wegtrok nam hij op de zijkant van de berg een vuur waar en hij zei tot zijn mensen: "Blijft staan, ik heb een vuur waargenomen, misschien zal ik jullie er een bericht van brengen of een toorts van vuur; misschien zullen jullie [erdoor] verwarmd worden."

فَلَمَّاۤ اَتٰىہَا نُوۡدِیَ مِنۡ شَاطِیَٔ الۡوَادِ الۡاَیۡمَنِ فِی الۡبُقۡعَۃِ الۡمُبٰرَکَۃِ مِنَ الشَّجَرَۃِ اَنۡ یّٰمُوۡسٰۤی اِنِّیۡۤ اَنَا اللّٰہُ رَبُّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿ۙ۳۰﴾

028.030 Falamma ataha noodiya min shati-i alwadi al-aymani fee albuqAAati almubarakati mina alshshajarati an ya moosa innee ana Allahu rabbu alAAalameena

Maar toen hij daar aankwam, werd hij geroepen vanaf de rechterzijde van de vallei, op de gezegende plaats, van bij een boom: "o Moesa, voorwaar, Ik ben Allah, Heer van de Werelden! Toen hij daar kwam werd hem van de rechterkant van de vallei op het door Allah gezegende veld vanuit de boom toegeroepen: "O Moesa, Ik ben het, Allah, de Heer van de wereldbewoners."

وَ اَنۡ اَلۡقِ عَصَاکَ ؕ فَلَمَّا رَاٰہَا تَہۡتَزُّ کَاَنَّہَا جَآنٌّ وَّلّٰی مُدۡبِرًا وَّ لَمۡ یُعَقِّبۡ ؕ یٰمُوۡسٰۤی اَقۡبِلۡ وَ لَا تَخَفۡ ۟ اِنَّکَ مِنَ الۡاٰمِنِیۡنَ ﴿۳۱﴾

028.031 Waan alqi AAasaka falamma raaha tahtazzu kaannaha jannun walla mudbiran walam yuAAaqqib ya moosa aqbil wala takhaf innaka mina al-amineena

En werp jouw staf neer!" Toen hij deze zag, bewoog die alsof zij een slang was, toen keerde hij zich haastig om, en koek niet om. (Allah zei:) "o Moesa, kom naderbij, en wees niet bang: voorwaar, jij behoort tot hen die veilig zijn. En: "Werp je staf." Maar toen hij zag dat die zich bewoog als een slang keerde hij hem de rug toe en draaide zich niet meer om. "O Moesa, kom dichterbij en wees niet bang; jij behoort bij hen die in veiligheid zijn.

اُسۡلُکۡ یَدَکَ فِیۡ جَیۡبِکَ تَخۡرُجۡ بَیۡضَآءَ مِنۡ غَیۡرِ سُوۡٓءٍ ۫ وَّ اضۡمُمۡ اِلَیۡکَ جَنَاحَکَ مِنَ الرَّہۡبِ فَذٰنِکَ بُرۡہَانٰنِ مِنۡ رَّبِّکَ اِلٰی فِرۡعَوۡنَ وَ مَلَا۠ئِہٖ ؕ اِنَّہُمۡ کَانُوۡا قَوۡمًا فٰسِقِیۡنَ ﴿۳۲﴾

028.032 Osluk yadaka fee jaybika takhruj baydaa min ghayri soo-in waodmum ilayka janahaka mina alrrahbi fathanika burhanani min rabbika ila firAAawna wamala-ihi innahum kanoo qawman fasiqeena

Stop jouw hand onder jouw kraag, en hij zal wit schijnen, zonder ziek te zijn. En hou jouw arm tegen jouw zijde tegen de angst. Dit zijn twee Tekenen van jouw Heer tegen Farao en zijn vooraanstande. Voorwaar, zij zijn een zwaar zondig volk." Stop je hand in je boezem dan zal zij wit, maar zonder iets slechts, tevoorschijn komen en trek je van schrik uitgestrekte arm weer naar je toe. Het zijn namelijk twee bewijzen van jouw Heer bestemd voor Fir'aun en zijn raad van voornaamsten. Zij zijn verdorven mensen."

قَالَ رَبِّ اِنِّیۡ قَتَلۡتُ مِنۡہُمۡ نَفۡسًا فَاَخَافُ اَنۡ یَّقۡتُلُوۡنِ ﴿۳۳﴾

028.033 Qala rabbi innee qataltu minhum nafsan faakhafu an yaqtulooni

Hij (Moesa) zei: "Mijn Heer, voorwaar, ik heb iemand van hen doodgeslagen en Ik ben bang dat zij mij doden. Hij zei: "Mijn Heer, ik heb iemand van hen gedood en ben dus bang dat zij mij doden.

وَ اَخِیۡ ہٰرُوۡنُ ہُوَ اَفۡصَحُ مِنِّیۡ لِسَانًا فَاَرۡسِلۡہُ مَعِیَ رِدۡاً یُّصَدِّقُنِیۡۤ ۫ اِنِّیۡۤ اَخَافُ اَنۡ یُّکَذِّبُوۡنِ ﴿۳۴﴾

028.034 Waakhee haroonu huwa afsahu minnee lisanan faarsilhu maAAiya rid-an yusaddiqunee innee akhafu an yukaththibooni

Mijn broeder Haroen kan beter spreken dan ik. Stuur hem daarom met mij als een helper die mij bevestigt: voorwaar, Ik ben bang dat zij mij loochenen." En mijn broer Haroen is welsprekender dan ik; zend hem als hulp met mij mee om wat ik zeg te bevestigen, want ik ben bang dat zij mij van leugens zullen betichten."

قَالَ سَنَشُدُّ عَضُدَکَ بِاَخِیۡکَ وَ نَجۡعَلُ لَکُمَا سُلۡطٰنًا فَلَا یَصِلُوۡنَ اِلَیۡکُمَا ۚۛ بِاٰیٰتِنَاۤ ۚۛ اَنۡتُمَا وَ مَنِ اتَّبَعَکُمَا الۡغٰلِبُوۡنَ ﴿۳۵﴾

028.035 Qala sanashuddu AAadudaka bi-akheeka wanajAAalu lakuma sultanan fala yasiloona ilaykuma bi-ayatina antuma wamani ittabaAAakuma alghaliboona

Hij (Allah) zei: "Wij zullen jou versterken met jouw broeder en Wij zullen jullie beiden gezag geven, zodat zij jullie niet kunnen bereiken. (Vertrek) met onze Tekenen, jullie beiden en degenen die jullie volgen zullen overwinnaars zijn." Hij zei: "Wij zullen jou door jouw broer kracht verlenen en Wij zullen jullie beiden machtiging geven. Zij zullen jullie dus niet te na kunnen komen. Met Onze tekenen zullen jullie beiden en zij die jullie volgen de overwinnaars zijn."

فَلَمَّا جَآءَہُمۡ مُّوۡسٰی بِاٰیٰتِنَا بَیِّنٰتٍ قَالُوۡا مَا ہٰذَاۤ اِلَّا سِحۡرٌ مُّفۡتَرًی وَّ مَا سَمِعۡنَا بِہٰذَا فِیۡۤ اٰبَآئِنَا الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿۳۶﴾

028.036 Falamma jaahum moosa bi-ayatina bayyinatin qaloo ma hatha illa sihrun muftaran wama samiAAna bihatha fee aba-ina al-awwaleena

En toen Moesa tot hen kwam met onze duidelijke Tekenen, zeiden zei: "Dit is slechts verzonnen tovenarij, wij hebben dit niet gehoord van onze voorvaderen." Toen Moesa met Onze duidelijke tekenen tot hen kwam zeiden zij: "Dit is slechts toverij die verzonnen is. Zo iets hebben wij niet gehoord bij onze vaderen die er eertijds waren."

وَ قَالَ مُوۡسٰی رَبِّیۡۤ اَعۡلَمُ بِمَنۡ جَآءَ بِالۡہُدٰی مِنۡ عِنۡدِہٖ وَ مَنۡ تَکُوۡنُ لَہٗ عَاقِبَۃُ الدَّارِ ؕ اِنَّہٗ لَا یُفۡلِحُ الظّٰلِمُوۡنَ ﴿۳۷﴾

028.037 Waqala moosa rabbee aAAlamu biman jaa bialhuda min AAindihi waman takoonu lahu AAaqibatu alddari innahu la yuflihu alththalimoona

En Moesa zei: "Mijn Heer weet het beste wie met de Leiding van Zijn Zijde kwam en voor wie (het Paradijs) het einde van het huis (van deze wereld) is. Voorwaar, de onrechtvaardigen zullen niet welslagen." Maar Moesa zei: "Mijn Heer weet het best wie er met de leidraad van Zijn kant komt en voor wie de uiteindelijke woning zal zijn. Het zal de onrechtplegers niet welgaan."

وَ قَالَ فِرۡعَوۡنُ یٰۤاَیُّہَا الۡمَلَاُ مَا عَلِمۡتُ لَکُمۡ مِّنۡ اِلٰہٍ غَیۡرِیۡ ۚ فَاَوۡقِدۡ لِیۡ یٰہَامٰنُ عَلَی الطِّیۡنِ فَاجۡعَلۡ لِّیۡ صَرۡحًا لَّعَلِّیۡۤ اَطَّلِعُ اِلٰۤی اِلٰہِ مُوۡسٰی ۙ وَ اِنِّیۡ لَاَظُنُّہٗ مِنَ الۡکٰذِبِیۡنَ ﴿۳۸﴾

028.038 Waqala firAAawnu ya ayyuha almalao ma AAalimtu lakum min ilahin ghayree faawqid lee ya hamanu AAala altteeni faijAAal lee sarhan laAAallee attaliAAu ila ilahi moosa wa-innee laathunnuhu mina alkathibeena

En Farao zei: "o vooraanstaanden, ik weet geen andere god dan ikzelf voor jullie. Steek daarom voor mij, O Haman, een vuur aan (van een oven om) klei (te bakken voor de stenen van) een toren voor mij, moge ik opstijgen naar de god van Moesa. En voorwaar, ik veronderstel zeker dat hij tot de leugenaars behoort." En Fir'aun zei: "Raad van voornaamsten, ik ken voor jullie geen god buiten mij. Hamaan, stel dus leem bloot aan vuur en maak voor mij een toren; misschien kan ik dan opklimmen naar de god van Moesa. Maar ik vermoed dat hij tot de leugenaars behoort."

وَ اسۡتَکۡبَرَ ہُوَ وَ جُنُوۡدُہٗ فِی الۡاَرۡضِ بِغَیۡرِ الۡحَقِّ وَ ظَنُّوۡۤا اَنَّہُمۡ اِلَیۡنَا لَا یُرۡجَعُوۡنَ ﴿۳۹﴾

028.039 Waistakbara huwa wajunooduhu fee al-ardi bighayri alhaqqi wathannoo annahum ilayna la yurjaAAoona

En hij en zijn troepen warm hoogmoedig op aarde, zonder het recht te hebben, en zij veronderstelden dat zij niet tot ons zouden worden teruggekeerd. En hij en zijn troepen waren onterecht hoogmoedig op de aarde en zij dachten dat zij niet tot Ons teruggebracht zouden worden.

فَاَخَذۡنٰہُ وَ جُنُوۡدَہٗ فَنَبَذۡنٰہُمۡ فِی الۡیَمِّ ۚ فَانۡظُرۡ کَیۡفَ کَانَ عَاقِبَۃُ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۴۰﴾

028.040 Faakhathnahu wajunoodahu fanabathnahum fee alyammi faonthur kayfa kana AAaqibatu alththalimeena

Wij grepen daarom hem en zijn troepen, toen wierpen Wij hen in de zee. Zie hoe het einde was van de onrechtvaardigen. En wij grepen hem en zijn troepen en wierpen hen in de zee. Kijk dan hoe het einde was van de onrechtplegers.

وَ جَعَلۡنٰہُمۡ اَئِمَّۃً یَّدۡعُوۡنَ اِلَی النَّارِ ۚ وَ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ لَا یُنۡصَرُوۡنَ ﴿۴۱﴾

028.041 WajaAAalnahum a-immatan yadAAoona ila alnnari wayawma alqiyamati la yunsaroona

En Wij maakten hem leiders, die oproepen tot de Hel. En op de Dag van de opstanding zullen zij niet geholpen worden. En Wij maakten hen tot voorgangers die oproepen tot het vuur. En op de opstandingsdag zullen zij geen hulp krijgen.

وَ اَتۡبَعۡنٰہُمۡ فِیۡ ہٰذِہِ الدُّنۡیَا لَعۡنَۃً ۚ وَ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ ہُمۡ مِّنَ الۡمَقۡبُوۡحِیۡنَ ﴿٪۴۲﴾

028.042 WaatbaAAnahum fee hathihi alddunya laAAnatan wayawma alqiyamati hum mina almaqbooheena

En Wij vervolgden hen in dit leven met een vloek. En op de Dag van de opstanding zullen zij tot de verachten behoren. En Wij hebben hen in dit tegenwoordige leven door een vloek laten achtervolgen en op de opstandingsdag zullen zij tot de verafschuwden behoren.

وَ لَقَدۡ اٰتَیۡنَا مُوۡسَی الۡکِتٰبَ مِنۡۢ بَعۡدِ مَاۤ اَہۡلَکۡنَا الۡقُرُوۡنَ الۡاُوۡلٰی بَصَآئِرَ لِلنَّاسِ وَ ہُدًی وَّ رَحۡمَۃً لَّعَلَّہُمۡ یَتَذَکَّرُوۡنَ ﴿۴۳﴾

028.043 Walaqad atayna moosa alkitaba min baAAdi ma ahlakna alquroona al-oola basa-ira lilnnasi wahudan warahmatan laAAallahum yatathakkaroona

En voorzeker, Wij gaven Moesa het schrift (de Taurat), nadat Wij de eerdere generaties vernietigd hadden, als een verheldering voor de mensen en als Leiding en Barmhartigheid. Hopelijk zullen zij zich laten vermanen. Wij hebben aan Moesa, nadat Wij de eerdere generaties vernietigd hadden, het boek gegeven als inzichtelijke bewijzen voor de mensen en als leidraad en als barmhartigheid. Misschien zullen zij zich laten vermanen.

وَ مَا کُنۡتَ بِجَانِبِ الۡغَرۡبِیِّ اِذۡ قَضَیۡنَاۤ اِلٰی مُوۡسَی الۡاَمۡرَ وَ مَا کُنۡتَ مِنَ الشّٰہِدِیۡنَ ﴿ۙ۴۴﴾

028.044 Wama kunta bijanibi algharbiyyi ith qadayna ila moosa al-amra wama kunta mina alshshahideena

En jij (o Moehammad) was niet op de westkant van (de berg) "Thoer, toen Wij aan Moesa het bevel openbaarden, en jij behoorde niet tot de getuigen. En jij was niet op de westkant toen Wij de beschikking aan Moesa uitvaardigden en jij behoorde niet tot de getuigen.

وَ لٰکِنَّاۤ اَنۡشَاۡنَا قُرُوۡنًا فَتَطَاوَلَ عَلَیۡہِمُ الۡعُمُرُ ۚ وَ مَا کُنۡتَ ثَاوِیًا فِیۡۤ اَہۡلِ مَدۡیَنَ تَتۡلُوۡا عَلَیۡہِمۡ اٰیٰتِنَا ۙ وَ لٰکِنَّا کُنَّا مُرۡسِلِیۡنَ ﴿۴۵﴾

028.045 Walakinna ansha-na quroonan fatatawala AAalayhimu alAAumuru wama kunta thawiyan fee ahli madyana tatloo AAalayhim ayatina walakinna kunna mursileena

Maar Wij brachten nieuwe generaties voort en hun levens werden verlengd. En jij woonde niet bij de bewoners van Madyan om onze Verzen aan hen voor te dragen. En Wij zijn het Die (Boodschappers) zouden. Maar Wij hebben generaties laten ontstaan en hun leven duurde lang. En jij verbleef niet bij de mensen van Madjan om Onze tekenen aan hen voor te lezen, maar Wij waren het die [gezanten] uitzonden.

وَ مَا کُنۡتَ بِجَانِبِ الطُّوۡرِ اِذۡ نَادَیۡنَا وَ لٰکِنۡ رَّحۡمَۃً مِّنۡ رَّبِّکَ لِتُنۡذِرَ قَوۡمًا مَّاۤ اَتٰىہُمۡ مِّنۡ نَّذِیۡرٍ مِّنۡ قَبۡلِکَ لَعَلَّہُمۡ یَتَذَکَّرُوۡنَ ﴿۴۶﴾

028.046 Wama kunta bijanibi alttoori ith nadayna walakin rahmatan min rabbika litunthira qawman ma atahum min natheerin min qablika laAAallahum yatathakkaroona

En jij was niet op de zijkant van Thoer toen Wij riepen. Maar het is dank zij de Barmhartigheid van jouw Heer dat jij er bent om een volk, waartoe vr jou geen waarschuwer kwam, te waarschuwen. Hopelijk zullen zij zich laten vermanen. En jij was niet op de zijkant van de berg toen Wij riepen. Maar het is uit barmhartigheid van jouw Heer dat jij er bent om mensen te waarschuwen tot wie voor jouw tijd geen waarschuwer gekomen was; misschien zullen zij zich laten vermanen.

وَ لَوۡ لَاۤ اَنۡ تُصِیۡبَہُمۡ مُّصِیۡبَۃٌۢ بِمَا قَدَّمَتۡ اَیۡدِیۡہِمۡ فَیَقُوۡلُوۡا رَبَّنَا لَوۡ لَاۤ اَرۡسَلۡتَ اِلَیۡنَا رَسُوۡلًا فَنَتَّبِعَ اٰیٰتِکَ وَ نَکُوۡنَ مِنَ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۴۷﴾

028.047 Walawla an tuseebahum museebatun bima qaddamat aydeehim fayaqooloo rabbana lawla arsalta ilayna rasoolan fanattabiAAa ayatika wanakoona mina almu/mineena

Opdat, wanneer een ramp door wat hun handen eerder verricht hebben hen treft, zij niet zouden zeggen: "onze Heer, had U maar een Boodschapper gestuurd, dan zouden Wij Uw Tekenen gevolgd hebben en wij zouden tot de gelovigen behoren." En het is alleen maar opdat zij, als hen onheil treft voor wat hun handen eerder gedaan hebben, niet kunnen zeggen: "Onze Heer, had U niet een gezant tot ons kunnen zenden, zodat wij Uw tekenen hadden kunnen volgen en bij de gelovigen hadden behoord?"

فَلَمَّا جَآءَہُمُ الۡحَقُّ مِنۡ عِنۡدِنَا قَالُوۡا لَوۡ لَاۤ اُوۡتِیَ مِثۡلَ مَاۤ اُوۡتِیَ مُوۡسٰی ؕ اَوَ لَمۡ یَکۡفُرُوۡا بِمَاۤ اُوۡتِیَ مُوۡسٰی مِنۡ قَبۡلُ ۚ قَالُوۡا سِحۡرٰنِ تَظٰہَرَا ۟ٝ وَ قَالُوۡۤا اِنَّا بِکُلٍّ کٰفِرُوۡنَ ﴿۴۸﴾

028.048 Falamma jaahumu alhaqqu min AAindina qaloo lawla ootiya mithla ma ootiya moosa awa lam yakfuroo bima ootiya moosa min qablu qaloo sihrani tathahara waqaloo inna bikullin kafiroona

Toen dan de Waarheid van onze Zijde tot hen kwam, zeiden zij: "Was hem (Moehammad) maar hetzelfde gegeven als wat Moesa gegeven was! Maar loochenden zij dan niet eerder wat Moesa gegeven was? Zij zeiden: "Dit zijn twee tovenaars, die elkaar helpen." En zij zeiden: "Wij geloven geen van allen!" Toen dan de waarheid van Ons tot hen kwam zeiden zij: "Had hem niet hetzelfde gegeven kunnen worden als wat aan Moesa gegeven is?" Waren zij dan niet ongelovig aan wat vroeger aan Moesa gegeven was? Zij zeiden: "Twee tovenaars die elkaar bijstaan." En zij zeiden: "Wij hechten aan niets geloof."

قُلۡ فَاۡتُوۡا بِکِتٰبٍ مِّنۡ عِنۡدِ اللّٰہِ ہُوَ اَہۡدٰی مِنۡہُمَاۤ اَتَّبِعۡہُ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۴۹﴾

028.049 Qul fa/too bikitabin min AAindi Allahi huwa ahda minhuma attabiAAhu in kuntum sadiqeena

Zeg (o Moehammad): "Breng dan een Boek van Allah dat een betere Leiding geeft dan deze twee, dan zal ik het volgen, als jullie waarachtig zijn!" Zeg: "Komt dan met een boek dat van Allah komt en dat beter de goede richting wijst dan die beiden. Dan zal ik het volgen, als jullie gelijk hebben."

فَاِنۡ لَّمۡ یَسۡتَجِیۡبُوۡا لَکَ فَاعۡلَمۡ اَنَّمَا یَتَّبِعُوۡنَ اَہۡوَآءَہُمۡ ؕ وَ مَنۡ اَضَلُّ مِمَّنِ اتَّبَعَ ہَوٰىہُ بِغَیۡرِ ہُدًی مِّنَ اللّٰہِ ؕ اِنَّ اللّٰہَ لَا یَہۡدِی الۡقَوۡمَ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿٪۵۰﴾

028.050 Fa-in lam yastajeeboo laka faiAAlam annama yattabiAAoona ahwaahum waman adallu mimmani ittabaAAa hawahu bighayri hudan mina Allahi inna Allaha la yahdee alqawma alththalimeena

Als zij jou dan geen antwoord geven, weet dan dat zij slechts hun begeerten volgen. En wie dwaalt er meer dan wie er zonder Leiding van Allah zijn begeerten volgt? Voorwaar, Allah leidt het onrechtvaardige volk niet. Maar als zij jullie geen gehoor geven, weet dan dat zij slechts hun neigingen volgen. En wie dwaalt er meer dan hij die zonder een leidraad van Allah zijn neiging volgt; Allah brengt de mensen die onrecht plegen niet op het goede pad. *

وَ لَقَدۡ وَصَّلۡنَا لَہُمُ الۡقَوۡلَ لَعَلَّہُمۡ یَتَذَکَّرُوۡنَ ﴿ؕ۵۱﴾

028.051 Walaqad wassalna lahumu alqawla laAAallahum yatathakkaroona

En voorzeker, Wij openbaarden hun achtereenvolgens het Woord, hopelijk zullen zij zich laten vermanen. En Wij hebben hun het woord in opeenvolging doen toekomen; misschien laten zij zich vermanen.

اَلَّذِیۡنَ اٰتَیۡنٰہُمُ الۡکِتٰبَ مِنۡ قَبۡلِہٖ ہُمۡ بِہٖ یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۵۲﴾

028.052 Allatheena ataynahumu alkitaba min qablihi hum bihi yu/minoona

Degenen die Wij daarvoor (vr de Kuran) het schrift gegeven hebben: zij geloven erin. Zij aan wie Wij hiervoor het boek gegeven hebben geloven erin.

وَ اِذَا یُتۡلٰی عَلَیۡہِمۡ قَالُوۡۤا اٰمَنَّا بِہٖۤ اِنَّہُ الۡحَقُّ مِنۡ رَّبِّنَاۤ اِنَّا کُنَّا مِنۡ قَبۡلِہٖ مُسۡلِمِیۡنَ ﴿۵۳﴾

028.053 Wa-itha yutla AAalayhim qaloo amanna bihi innahu alhaqqu min rabbina inna kunna min qablihi muslimeena

En wanneer hij (de Kuran) aan hen voorgedragen wordt, zeggen zij: "Wij geloven erin. Voorwaar, het is de Waarheid van onze Heer. Voorwaar, wij hadden ons ervoor al overgegeven (aan Allah)." En welke dingen jullie ook gegeven werden: zij zijn de genietingen van het wereldse leven en haar versiering. Maar wat van de Zijde van Allah komt is beter en blijvender. Begrijpen jullie dan niet? En als het aan hen wordt voorgelezen zeggen zij: "Wij geloven erin. Het is de waarheid van onze Heer; wij hadden ons hiervoor reeds [aan Allah] overgegeven."

اُولٰٓئِکَ یُؤۡتَوۡنَ اَجۡرَہُمۡ مَّرَّتَیۡنِ بِمَا صَبَرُوۡا وَ یَدۡرَءُوۡنَ بِالۡحَسَنَۃِ السَّیِّئَۃَ وَ مِمَّا رَزَقۡنٰہُمۡ یُنۡفِقُوۡنَ ﴿۵۴﴾

028.054 Ola-ika yu/tawna ajrahum marratayni bima sabaroo wayadraoona bialhasanati alssayyi-ata wamimma razaqnahum yunfiqoona

Diegenen zal tweemaal hun beloning gegeven worden: omdat zij geduldig waren en zij met het goede het kwade afwendden; en omdat zij uitgeven van dat waar Wij hen mee voorzien hebben. Zij zijn het aan wie hun loon tweemaal gegeven zal worden, omdat zij geduldig hebben volhard. En met het goede weren zij het kwade af en van wat Wij hun voor hun levensonderhoud gegeven hebben geven zij bijdragen.

وَ اِذَا سَمِعُوا اللَّغۡوَ اَعۡرَضُوۡا عَنۡہُ وَ قَالُوۡا لَنَاۤ اَعۡمَالُنَا وَ لَکُمۡ اَعۡمَالُکُمۡ ۫ سَلٰمٌ عَلَیۡکُمۡ ۫ لَا نَبۡتَغِی الۡجٰہِلِیۡنَ ﴿۵۵﴾

028.055 Wa-itha samiAAoo allaghwa aAAradoo AAanhu waqaloo lana aAAmaluna walakum aAAmalukum salamun AAalaykum la nabtaghee aljahileena

En wanneer zij nutteloos gepraat hoorden, wendden zij zich af, en zeiden: "Voor ons onze daden en voor jullie, jullie daden, vrede zij met jullie, wij zoeken de onwetenden niet op." En wanneer zij geklets horen dan mijden zij het en zij zeggen: "Wij hebben onze daden en jullie hebben jullie daden. Vrede zij met jullie! Wij zoeken geen omgang met de onwetenden."

اِنَّکَ لَا تَہۡدِیۡ مَنۡ اَحۡبَبۡتَ وَ لٰکِنَّ اللّٰہَ یَہۡدِیۡ مَنۡ یَّشَآءُ ۚ وَ ہُوَ اَعۡلَمُ بِالۡمُہۡتَدِیۡنَ ﴿۵۶﴾

028.056 Innaka la tahdee man ahbabta walakinna Allaha yahdee man yashao wahuwa aAAlamu bialmuhtadeena

Voorwaar, jij kunt degene die jij liefhebt geen leiding geven. Maar Allah leidt wie Hij wil, en Hij kent degenen die leiding volgen het best. Jij kunt wie jij lief hebt niet op het goede pad brengen, maar Allah brengt wie Hij wil op het goede pad en Hij kent hen die het goede pad volgen het best.

وَ قَالُوۡۤا اِنۡ نَّتَّبِعِ الۡہُدٰی مَعَکَ نُتَخَطَّفۡ مِنۡ اَرۡضِنَا ؕ اَوَ لَمۡ نُمَکِّنۡ لَّہُمۡ حَرَمًا اٰمِنًا یُّجۡبٰۤی اِلَیۡہِ ثَمَرٰتُ کُلِّ شَیۡءٍ رِّزۡقًا مِّنۡ لَّدُنَّا وَ لٰکِنَّ اَکۡثَرَہُمۡ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۵۷﴾

028.057 Waqaloo in nattabiAAi alhuda maAAaka nutakhattaf min ardina awa lam numakkin lahum haraman aminan yujba ilayhi thamaratu kulli shay-in rizqan min ladunna walakinna aktharahum la yaAAlamoona

En zij zeiden: "Als wij de leiding met jou volgen, dan worden wij uit ons land gedreven." Hebben Wij hen dan niet op een gewijde en een veilige plaats doen vestigen, waarheen allerlei soorten vruchten worden gebracht, als een levensvoorziening van onze zijde? Maar de meesten van hen weten het niet. En zij zeggen: "Als wij met jou de leidraad volgen dan worden wij uit ons land weggerukt." Hebben Wij hun dan niet over een heilige en veilige plaats macht gegeven waar van Onze kant allerlei vruchten als levensonderhoud bijeengebracht worden? Maar de meesten van hen weten het niet.

وَ کَمۡ اَہۡلَکۡنَا مِنۡ قَرۡیَۃٍۭ بَطِرَتۡ مَعِیۡشَتَہَا ۚ فَتِلۡکَ مَسٰکِنُہُمۡ لَمۡ تُسۡکَنۡ مِّنۡۢ بَعۡدِہِمۡ اِلَّا قَلِیۡلًا ؕ وَ کُنَّا نَحۡنُ الۡوٰرِثِیۡنَ ﴿۵۸﴾

028.058 Wakam ahlakna min qaryatin batirat maAAeeshataha fatilka masakinuhum lam tuskan min baAAdihim illa qaleelan wakunna nahnu alwaritheena

En hoeveel steden hebben Wij niet vernietigd die overdreven met hun genietingen? En dat zijn hun woningen, er wonen na hen slechts weinigen. En Wij waren de erfgenamen. En hoeveel steden die prat gingen op hun manier van leven hebben Wij al niet vernietigd! Daar zijn dan hun woonhuizen, waarin na hen slechts weinigen wonen. En Wij waren het die erfden.

وَ مَا کَانَ رَبُّکَ مُہۡلِکَ الۡقُرٰی حَتّٰی یَبۡعَثَ فِیۡۤ اُمِّہَا رَسُوۡلًا یَّتۡلُوۡا عَلَیۡہِمۡ اٰیٰتِنَا ۚ وَ مَا کُنَّا مُہۡلِکِی الۡقُرٰۤی اِلَّا وَ اَہۡلُہَا ظٰلِمُوۡنَ ﴿۵۹﴾

028.059 Wama kana rabbuka muhlika alqura hatta yabAAatha fee ommiha rasoolan yatloo AAalayhim ayatina wama kunna muhlikee alqura illa waahluha thalimoona

En jouw Heer was geen vernietiger van de steden voordat Hij tot hun hoofdstad een boodschapper had gestuurd die hen onze verzen voordroeg. En Wij waren geen vernietiger van de stad, tenzij haar bewoners onrechtvaardig waren. Maar jouw Heer heeft de steden niet vernietigd voordat Hij in hun hoofdstad een gezant opgeroepen had, die aan hen Onze tekenen voorlas. En Wij hebben de steden slechts vernietigd als hun bewoners onrechtplegers waren.

وَ مَاۤ اُوۡتِیۡتُمۡ مِّنۡ شَیۡءٍ فَمَتَاعُ الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا وَ زِیۡنَتُہَا ۚ وَ مَا عِنۡدَ اللّٰہِ خَیۡرٌ وَّ اَبۡقٰی ؕ اَفَلَا تَعۡقِلُوۡنَ ﴿٪۶۰﴾

028.060 Wama ooteetum min shay-in famataAAu alhayati alddunya wazeenatuha wama AAinda Allahi khayrun waabqa afala taAAqiloona

En welke dingen jullie ook gegeven werden: zij zijn de genietingen van het wereldse leven en haar versiering. Maar wat van de zijde van Allah komt is beter en blijvender. Begrijpen jullie dat dan niet? Wat aan jullie ook gegeven is, het is het genot van het tegenwoordige leven en de praal ervan, maar wat van Allah komt is beter en onvergankelijker. Zullen jullie dan niet tot verstand komen?

اَفَمَنۡ وَّعَدۡنٰہُ وَعۡدًا حَسَنًا فَہُوَ لَاقِیۡہِ کَمَنۡ مَّتَّعۡنٰہُ مَتَاعَ الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا ثُمَّ ہُوَ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ مِنَ الۡمُحۡضَرِیۡنَ ﴿۶۱﴾

028.061 Afaman waAAadnahu waAAdan hasanan fahuwa laqeehi kaman mattaAAnahu mataAAa alhayati alddunya thumma huwa yawma alqiyamati mina almuhdareena

Is iemand aait wie Wij een goede belofte hebben gedaan en die (de vervulling) ervan krijgt, als iemand die Wij hebben doen genieten van de genietingen van het wereldse leven en die dan op de Dag van de opstanding tot de voorgeleiden (voor de bestraffing) behoort? Is dan iemand aan wie Wij een goede toezegging gedaan hebben en die haar ook zal ontvangen, als iemand die Wij het vruchtgebruik van het tegenwoordige leven hebben laten genieten en die dan op de opstandingsdag bij de voorgeleiden behoort?

وَ یَوۡمَ یُنَادِیۡہِمۡ فَیَقُوۡلُ اَیۡنَ شُرَکَآءِیَ الَّذِیۡنَ کُنۡتُمۡ تَزۡعُمُوۡنَ ﴿۶۲﴾

028.062 Wayawma yunadeehim fayaqoolu ayna shuraka-iya allatheena kuntum tazAAumoona

En op de Dag dat Hij hen zal roepen, zal Hij zeggen: "Waar zijn Mijn deelgenoten, degenen die jullie veronderstelden (te bestaan)?" En op de dag dat Hij hen roept en zegt: "Waar zijn dan Mijn [zogenaamd goddelijke] metgezellen waarvan jullie het bestaan beweerden?"

قَالَ الَّذِیۡنَ حَقَّ عَلَیۡہِمُ الۡقَوۡلُ رَبَّنَا ہٰۤؤُلَآءِ الَّذِیۡنَ اَغۡوَیۡنَا ۚ اَغۡوَیۡنٰہُمۡ کَمَا غَوَیۡنَا ۚ تَبَرَّاۡنَاۤ اِلَیۡکَ ۫ مَا کَانُوۡۤا اِیَّانَا یَعۡبُدُوۡنَ ﴿۶۳﴾

028.063 Qala allatheena haqqa AAalayhimu alqawlu rabbana haola-i allatheena aghwayna aghwaynahum kama ghawayna tabarra/na ilayka ma kanoo iyyana yaAAbudoona

Degenen voor wie het Woord bewaarheid wordt, zullen zeggen: "onze Heer, zij zijn degenen die wij deden dwalen. Wij hebben hen doen dwalen zoals wij zelf dwaalden. Wij verontschuldigen ons bij U. Zij aanbaden ons niet." zeggen zij tegen wie de uitspraak zich bewaarheid heeft: "Onze Heer, diegenen die wij misleid hebben, hebben wij misleid zoals wijzelf misleid waren. Wij wijzen [hen] ten overstaan van U af. Zij hebben niet ons gediend."

وَ قِیۡلَ ادۡعُوۡا شُرَکَآءَکُمۡ فَدَعَوۡہُمۡ فَلَمۡ یَسۡتَجِیۡبُوۡا لَہُمۡ وَ رَاَوُا الۡعَذَابَ ۚ لَوۡ اَنَّہُمۡ کَانُوۡا یَہۡتَدُوۡنَ ﴿۶۴﴾

028.064 Waqeela odAAoo shurakaakum fadaAAawhum falam yastajeeboo lahum waraawoo alAAathaba law annahum kanoo yahtadoona

En er wordt gezegd: "Roept jullie deelgenoten aan!" Zij zullen hen aanroepen, maar zij zullen geen gehoor aan hen geven en zij zullen de bestraffing zien. Hadden zij man Leiding gevolgd! En er wordt gezegd: "Roept jullie [zogenaamd goddelijke] metgezellen aan." Dan roepen zij hen aan, maar zij worden door hen niet verhoord. En zij zien de bestraffing. Hadden zij het goede pad maar gevolgd.

وَ یَوۡمَ یُنَادِیۡہِمۡ فَیَقُوۡلُ مَاذَاۤ اَجَبۡتُمُ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۶۵﴾

028.065 Wayawma yunadeehim fayaqoolu matha ajabtumu almursaleena

En op die Dag zal Hij hen roepen, terwijl Hij zegt: "Wat is het dat jullie de Boodschappers hebben geantwoord?" En op de dag dat Hij hen roept en zegt: "Wat hebben jullie de gezondenen geantwoord?"

فَعَمِیَتۡ عَلَیۡہِمُ الۡاَنۡۢبَآءُ یَوۡمَئِذٍ فَہُمۡ لَا یَتَسَآءَلُوۡنَ ﴿۶۶﴾

028.066 FaAAamiyat AAalayhimu al-anbao yawma-ithin fahum la yatasaaloona

Maar op die Dag zullen voor hen de argumenten duister blijven en zij zullen het niet aan elkaar (kunnen) vragen. Dan zijn hun op die dag de mededelingen ontschoten en zij vragen elkaar er ook niet naar.

فَاَمَّا مَنۡ تَابَ وَ اٰمَنَ وَ عَمِلَ صَالِحًا فَعَسٰۤی اَنۡ یَّکُوۡنَ مِنَ الۡمُفۡلِحِیۡنَ ﴿۶۷﴾

028.067 Faamma man taba waamana waAAamila salihan faAAasa an yakoona mina almufliheena

Maar wie berouw had en geloofde en goede daden verrichtte: moge hij dan tot de welslagenden behoren. Maar wat hem betreft die berouw toont, gelooft en deugdelijk handelt, die zal misschien behoren tot hen die het welgaat.

وَ رَبُّکَ یَخۡلُقُ مَا یَشَآءُ وَ یَخۡتَارُ ؕ مَا کَانَ لَہُمُ الۡخِیَرَۃُ ؕ سُبۡحٰنَ اللّٰہِ وَ تَعٰلٰی عَمَّا یُشۡرِکُوۡنَ ﴿۶۸﴾

028.068 Warabbuka yakhluqu ma yashao wayakhtaru ma kana lahumu alkhiyaratu subhana Allahi wataAAala AAamma yushrikoona

En jouw Heer schept wat Hij wil en Hij verkiest (wie Hij wil). Het is niet aan hen om te kiezen. Heilig is Allah en Verheven boven wat zij aan deelgenoten (aan Hem) toekennen. En jouw Heer schept wat Hij wil en Hij kiest uit. De keuze komt hun niet toe. Allah zij geprezen! En verheven is Hij boven wat zij aan Hem als metgezellen toevoegen.

وَ رَبُّکَ یَعۡلَمُ مَا تُکِنُّ صُدُوۡرُہُمۡ وَ مَا یُعۡلِنُوۡنَ ﴿۶۹﴾

028.069 Warabbuka yaAAlamu ma tukinnu sudooruhum wama yuAAlinoona

En jouw Heer wed wat hun harten verbergen en wat zij openlijk doen. En jouw Heer weet wat hun harten verbergen en wat zij openlijk doen.

وَ ہُوَ اللّٰہُ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ ؕ لَہُ الۡحَمۡدُ فِی الۡاُوۡلٰی وَ الۡاٰخِرَۃِ ۫ وَ لَہُ الۡحُکۡمُ وَ اِلَیۡہِ تُرۡجَعُوۡنَ ﴿۷۰﴾

028.070 Wahuwa Allahu la ilaha illa huwa lahu alhamdu fee al-oola waal-akhirati walahu alhukmu wa-ilayhi turjaAAoona

En Hij is Allah, er is geen god dan Hij. Aan Hem behoort alle lof, op deze wereld en in het Hiernamaals, en aan Hem behoort het oordeel en tot Hem zullen jullie teruggekeerd worden. En Hij is Allah. Er is geen god dan Hij. Hem zij lof in het tegenwoordige bestaan en het hiernamaals. Hem komt het oordeel toe en tot Hem worden jullie teruggebracht.

قُلۡ اَرَءَیۡتُمۡ اِنۡ جَعَلَ اللّٰہُ عَلَیۡکُمُ الَّیۡلَ سَرۡمَدًا اِلٰی یَوۡمِ الۡقِیٰمَۃِ مَنۡ اِلٰہٌ غَیۡرُ اللّٰہِ یَاۡتِیۡکُمۡ بِضِیَآءٍ ؕ اَفَلَا تَسۡمَعُوۡنَ ﴿۷۱﴾

028.071 Qul araaytum in jaAAala Allahu AAalaykumu allayla sarmadan ila yawmi alqiyamati man ilahun ghayru Allahi ya/teekum bidiya-in afala tasmaAAoona

Zeg (o Moehammad): "Wat dachten jullie: als Allah de nacht zou doen voortduren tot aan de Dag van de opstanding; welke god, anders dan Allah, zou er zijn die jullie licht brengt? Luisteren jullie dan niet?" Zeg: "Hoe zien jullie het? Als Allah voor jullie de nacht permanent zou maken tot aan de opstandingsdag, welke god is er dan, anders dan Allah, die jullie licht zal brengen? Horen jullie dan niet?"

قُلۡ اَرَءَیۡتُمۡ اِنۡ جَعَلَ اللّٰہُ عَلَیۡکُمُ النَّہَارَ سَرۡمَدًا اِلٰی یَوۡمِ الۡقِیٰمَۃِ مَنۡ اِلٰہٌ غَیۡرُ اللّٰہِ یَاۡتِیۡکُمۡ بِلَیۡلٍ تَسۡکُنُوۡنَ فِیۡہِ ؕ اَفَلَا تُبۡصِرُوۡنَ ﴿۷۲﴾

028.072 Qul araaytum in jaAAala Allahu AAalaykumu alnnahara sarmadan ila yawmi alqiyamati man ilahun ghayru Allahi ya/teekum bilaylin taskunoona feehi afala tubsiroona

Zeg: "Wat dachten jullie: als Allah de dag zou doen voortduren tot de Dag van de opstanding, welke god, anders dan Allah, zou er zijn die jullie een nacht geeft om in uit te rusten? Zien jullie dan niet? Zeg: "Hoe zien jullie het? Als Allah voor jullie de dag permanent zou maken tot aan de opstandingsdag, welke god is er dan, anders dan Allah, die jullie een nacht zal brengen waarin jullie kunnen rusten? Hebben jullie dan geen inzicht?"

وَ مِنۡ رَّحۡمَتِہٖ جَعَلَ لَکُمُ الَّیۡلَ وَ النَّہَارَ لِتَسۡکُنُوۡا فِیۡہِ وَ لِتَبۡتَغُوۡا مِنۡ فَضۡلِہٖ وَ لَعَلَّکُمۡ تَشۡکُرُوۡنَ ﴿۷۳﴾

028.073 Wamin rahmatihi jaAAala lakumu allayla waalnnahara litaskunoo feehi walitabtaghoo min fadlihi walaAAallakum tashkuroona

En het behoort tot Zijn Barmhartigheid dat Hij voor jullie de nacht en de dag gemaakt heeft om in uit te rusten en Zijn gunsten te zoeken. Hopelijk zullen jullie dankbaar zijn. Door Zijn barmhartigheid heeft Hij voor jullie de nacht en de dag gemaakt om er in te rusten en om een gunst van Hem na te streven. En misschien zullen jullie dank betuigen.

وَ یَوۡمَ یُنَادِیۡہِمۡ فَیَقُوۡلُ اَیۡنَ شُرَکَآءِیَ الَّذِیۡنَ کُنۡتُمۡ تَزۡعُمُوۡنَ ﴿۷۴﴾

028.074 Wayawma yunadeehim fayaqoolu ayna shuraka-iya allatheena kuntum tazAAumoona

En op die Dag slaat Hij hen, en zegt: "Waar zijn Mijn deelgenoten, degenen die jullie veronderstelden (te bestaan)?" En op de dag dat Hij hen roept en zegt: "Waar zijn dan Mijn [zogenaamd goddelijke] metgezellen waarvan jullie het bestaan beweerden?"

وَ نَزَعۡنَا مِنۡ کُلِّ اُمَّۃٍ شَہِیۡدًا فَقُلۡنَا ہَاتُوۡا بُرۡہَانَکُمۡ فَعَلِمُوۡۤا اَنَّ الۡحَقَّ لِلّٰہِ وَ ضَلَّ عَنۡہُمۡ مَّا کَانُوۡا یَفۡتَرُوۡنَ ﴿٪۷۵﴾

028.075 WanazaAAna min kulli ommatin shaheedan faqulna hatoo burhanakum faAAalimoo anna alhaqqa lillahi wadalla AAanhum ma kanoo yaftaroona

En Wij brengen uit iedere gemeenschap een getuige (een Profeet) naar voren en Wij zeggen: "Brengt jullie bewijzen!" Dan zullen zij weten dat de Waarheid aan Allah toebehoort. En wat zij plachten te verzinnen is van hen verdwenen. En Wij nemen uit iedere gemeenschap een getuige en dan zeggen Wij: "Levert jullie bewijs maar." Dan weten zij dat de waarheid Allah toebehoort en dat zij kwijt zijn geraakt wat zij verzonnen hebben.

اِنَّ قَارُوۡنَ کَانَ مِنۡ قَوۡمِ مُوۡسٰی فَبَغٰی عَلَیۡہِمۡ ۪ وَ اٰتَیۡنٰہُ مِنَ الۡکُنُوۡزِ مَاۤ اِنَّ مَفَاتِحَہٗ لَتَنُوۡٓاُ بِالۡعُصۡبَۃِ اُولِی الۡقُوَّۃِ ٭ اِذۡ قَالَ لَہٗ قَوۡمُہٗ لَا تَفۡرَحۡ اِنَّ اللّٰہَ لَا یُحِبُّ الۡفَرِحِیۡنَ ﴿۷۶﴾

028.076 Inna qaroona kana min qawmi moosa fabagha AAalayhim waataynahu mina alkunoozi ma inna mafatihahu latanoo-o bialAAusbati olee alquwwati ith qala lahu qawmuhu la tafrah inna Allaha la yuhibbu alfariheena

Voorwaar, Qaroen behoorde tot het volk van Moesa, maar Hij bedroog hen. En Wij schonken hem zoveel schatten dat hun sleutels met moeite door een groep sterke mannen gedragen zouden kunnen worden. (Gedenkt) toen zijn volk tot hem zei: "Wees niet hoogmoedig: voorwaar, Allah houdt niet van de hoogmoedige. Karoen behoorde tot het volk van Moesa en hij gedroeg zich onrechtmatig tegenover hen. En Wij hadden hem zoveel schatten gegeven dat zijn sleutels met moeite door een groep sterke mannen gedragen zouden kunnen worden. Toen zijn volk tot hem zei: "Verheug je niet zo. Allah bemint hen niet die zich [ongegrond] verheugen.

وَ ابۡتَغِ فِیۡمَاۤ اٰتٰىکَ اللّٰہُ الدَّارَ الۡاٰخِرَۃَ وَ لَا تَنۡسَ نَصِیۡبَکَ مِنَ الدُّنۡیَا وَ اَحۡسِنۡ کَمَاۤ اَحۡسَنَ اللّٰہُ اِلَیۡکَ وَ لَا تَبۡغِ الۡفَسَادَ فِی الۡاَرۡضِ ؕ اِنَّ اللّٰہَ لَا یُحِبُّ الۡمُفۡسِدِیۡنَ ﴿۷۷﴾

028.077 Waibtaghi feema ataka Allahu alddara al-akhirata wala tansa naseebaka mina alddunya waahsin kama ahsana Allahu ilayka wala tabghi alfasada fee al-ardi inna Allaha la yuhibbu almufsideena

En zoek met wat Allah jou gegeven heeft het Huis van het Hiernamaals en vergeet niet jouw deel in de wereld. En doe goed zoals Allah jou goed heeft gedaan en zoek geen verderf op de aarde. Voorwaar. Allah houdt niet van de verderfzaaiers." En streef met wat Allah jou gegeven heeft naar de laatste woning en vergeet jouw aandeel aan de tegenwoordige wereld niet. Doe goed zoals Allah aan jou goed heeft gedaan en streef niet naar verderf op de aarde. Allah bemint de verderfzaaiers niet."

قَالَ اِنَّمَاۤ اُوۡتِیۡتُہٗ عَلٰی عِلۡمٍ عِنۡدِیۡ ؕ اَوَ لَمۡ یَعۡلَمۡ اَنَّ اللّٰہَ قَدۡ اَہۡلَکَ مِنۡ قَبۡلِہٖ مِنَ الۡقُرُوۡنِ مَنۡ ہُوَ اَشَدُّ مِنۡہُ قُوَّۃً وَّ اَکۡثَرُ جَمۡعًا ؕ وَ لَا یُسۡـَٔلُ عَنۡ ذُنُوۡبِہِمُ الۡمُجۡرِمُوۡنَ ﴿۷۸﴾

028.078 Qala innama ooteetuhu AAala AAilmin AAindee awa lam yaAAlam anna Allaha qad ahlaka min qablihi mina alqurooni man huwa ashaddu minhu quwwatan waaktharu jamAAan wala yus-alu AAan thunoobihimu almujrimoona

Hij (Qaroen) zei: "Voorwaar, dat wat aan mij gegeven is, berust op kennis die ik bezit." Wist hij dan niet dat Allah vr zijn tijd generaties heeft vernietigd die veel sterker waren dan hij en meer (rijkdom) verzameld hadden? En de misdadigers hoeven niet over hun zonden ondervraagd te werden (want Allah kent hun zonden al). Hij zei: "Het is mij gegeven op grond van kennis die ik heb." Wist hij dan niet dat Allah voor zijn tijd generaties heeft vernietigd die sterker waren dan hij en die meer bijeengebracht hadden? Maar de boosdoeners worden niet langdurig over hun zonden ondervraagd.

فَخَرَجَ عَلٰی قَوۡمِہٖ فِیۡ زِیۡنَتِہٖ ؕ قَالَ الَّذِیۡنَ یُرِیۡدُوۡنَ الۡحَیٰوۃَ الدُّنۡیَا یٰلَیۡتَ لَنَا مِثۡلَ مَاۤ اُوۡتِیَ قَارُوۡنُ ۙ اِنَّہٗ لَذُوۡ حَظٍّ عَظِیۡمٍ ﴿۷۹﴾

028.079 Fakharaja AAala qawmihi fee zeenatihi qala allatheena yureedoona alhayata alddunya ya layta lana mithla ma ootiya qaroonu innahu lathoo haththin AAatheemin

Toen begaf hij zich onder zijn volk, in vol ornaat. Degenen die het wereldse leven wensten, zeiden: "Hadden wij maar zoveel als Qaroen gegeven is. Voorwaar, hij is zeker een man die geweldig geluk heeft." Hij kwam toen in zijn praalkleding naar buiten, naar zijn volk. Zij die het tegenwoordige leven wensten zeiden: "Ach hadden wij toch hetzelfde als wat aan Karoen gegeven is. Hij is wel iemand met geweldig geluk."

وَ قَالَ الَّذِیۡنَ اُوۡتُوا الۡعِلۡمَ وَیۡلَکُمۡ ثَوَابُ اللّٰہِ خَیۡرٌ لِّمَنۡ اٰمَنَ وَ عَمِلَ صَالِحًا ۚ وَ لَا یُلَقّٰہَاۤ اِلَّا الصّٰبِرُوۡنَ ﴿۸۰﴾

028.080 Waqala allatheena ootoo alAAilma waylakum thawabu Allahi khayrun liman amana waAAamila salihan wala yulaqqaha illa alssabiroona

En degenen aan wie de kennis gegeven was, zeiden: "Wee jullie, de beloning van Allah is beter voor wie gelooft en goede daden verricht. En zij wordt niet bereikt, behalve door de geduldige." Maar zij aan wie kennis gegeven was zeiden: "Wee jullie! Allah's beloning is beter voor wie gelooft en deugdelijk handelt. En het wordt slechts aan hen die geduldig volharden aangeboden."

فَخَسَفۡنَا بِہٖ وَ بِدَارِہِ الۡاَرۡضَ ۟ فَمَا کَانَ لَہٗ مِنۡ فِئَۃٍ یَّنۡصُرُوۡنَہٗ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ ٭ وَ مَا کَانَ مِنَ الۡمُنۡتَصِرِیۡنَ ﴿۸۱﴾

028.081 Fakhasafna bihi wabidarihi al-arda fama kana lahu min fi-atin yansuroonahu min dooni Allahi wama kana mina almuntasireena

Daarom deden wij hem en zijn woning in de aarde wegzinken. En voor hem was er geen groep die hem kon helpen, behalve Allah. En hij behoorde niet tot de weerbaren. Toen lieten Wij de aarde met hem en zijn huis wegzinken en er was voor hem geen groep [mensen] die hem in plaats van Allah konden helpen; hij behoorde niet tot hen aan wie hulp geboden werd.

وَ اَصۡبَحَ الَّذِیۡنَ تَمَنَّوۡا مَکَانَہٗ بِالۡاَمۡسِ یَقُوۡلُوۡنَ وَیۡکَاَنَّ اللّٰہَ یَبۡسُطُ الرِّزۡقَ لِمَنۡ یَّشَآءُ مِنۡ عِبَادِہٖ وَ یَقۡدِرُ ۚ لَوۡ لَاۤ اَنۡ مَّنَّ اللّٰہُ عَلَیۡنَا لَخَسَفَ بِنَا ؕ وَیۡکَاَنَّہٗ لَا یُفۡلِحُ الۡکٰفِرُوۡنَ ﴿٪۸۲﴾

028.082 Waasbaha allatheena tamannaw makanahu bial-amsi yaqooloona waykaanna Allaha yabsutu alrrizqa liman yashao min AAibadihi wayaqdiru lawla an manna Allahu AAalayna lakhasafa bina waykaannahu la yuflihu alkafiroona

En degenen die de vorige dag zijn positie wensten gingen zeggen: "o wee, het is Allah Die het onderhoud verruimt en beperkt voor wie Hij wil van Zijn dienaren. Als Allah ons niet begunstigd had, had Hij ons zeker doen wegzinken. O wee, de ongelovigen welslagen niet." En zij die de vorige dag nog zijn plaats gewenst hadden zeiden 's morgens: "O wee, Allah voorziet ruimschoots in het levensonderhoud van wie van Zijn dienaren Hij wil en ook met mate. Als Allah ons niet een gunst had bewezen, dan had Hij ons laten wegzinken. O wee, het gaat de ongelovigen niet wel."

تِلۡکَ الدَّارُ الۡاٰخِرَۃُ نَجۡعَلُہَا لِلَّذِیۡنَ لَا یُرِیۡدُوۡنَ عُلُوًّا فِی الۡاَرۡضِ وَ لَا فَسَادًا ؕ وَ الۡعَاقِبَۃُ لِلۡمُتَّقِیۡنَ ﴿۸۳﴾

028.083 Tilka alddaru al-akhiratu najAAaluha lillatheena la yureedoona AAuluwwan fee al-ardi wala fasadan waalAAaqibatu lilmuttaqeena

Dat Huis van het Hiernamaals (het Paradijs) schenken Wij aan hen, die niet hoogmoedig wensen te zijn op aarde en geen verderf (zaaien) en het (goede) einde is voor de Moettaqoen. Dat is de laatste woning. Wij geven haar aan hen die geen hovaardij op de aarde wensen en geen verdorvenheid. En het [goede] uiteinde komt de godvrezenden toe.

مَنۡ جَآءَ بِالۡحَسَنَۃِ فَلَہٗ خَیۡرٌ مِّنۡہَا ۚ وَ مَنۡ جَآءَ بِالسَّیِّئَۃِ فَلَا یُجۡزَی الَّذِیۡنَ عَمِلُوا السَّیِّاٰتِ اِلَّا مَا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۸۴﴾

028.084 Man jaa bialhasanati falahu khayrun minha waman jaa bialssayyi-ati fala yujza allatheena AAamiloo alssayyi-ati illa ma kanoo yaAAmaloona

Wie met het goede kwam, voor hem is er iets beters dan dat; en wie die met het slechte kwam: degenen die slechte daden verrichtten worden slechts vergolden voor wat zij plachten te doen. Voor hem die met een goede daad komt is er iets beters dan dat. Voor hem die met een slechte daad komt? aan hen die slechte daden begaan hebben wordt slechts vergolden wat zij gedaan hebben.

اِنَّ الَّذِیۡ فَرَضَ عَلَیۡکَ الۡقُرۡاٰنَ لَرَآدُّکَ اِلٰی مَعَادٍ ؕ قُلۡ رَّبِّیۡۤ اَعۡلَمُ مَنۡ جَآءَ بِالۡہُدٰی وَ مَنۡ ہُوَ فِیۡ ضَلٰلٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۸۵﴾

028.085 Inna allathee farada AAalayka alqur-ana laradduka ila maAAadin qul rabbee aAAlamu man jaa bialhuda waman huwa fee dalalin mubeenin

Voorwaar, Degene Die de Kuran voor jou tot een verplichting heeft gemaakt, zal jou zeker terugbrengen naar de plaats van de terugkeer. Zeg (o Moehammad): "Mijn Heer weet het beste wie met de Leiding is gekomen en wie degene is die in duidelijke dwaling verkeert." Hij die deze Koran voor jou tot een verplichting gemaakt heeft brengt jou terug naar een plaats van terugkomst. Zeg: "Mijn Heer weet het best wie er met de leidraad komt en wie er in duidelijke dwaling verkeert."

وَ مَا کُنۡتَ تَرۡجُوۡۤا اَنۡ یُّلۡقٰۤی اِلَیۡکَ الۡکِتٰبُ اِلَّا رَحۡمَۃً مِّنۡ رَّبِّکَ فَلَا تَکُوۡنَنَّ ظَہِیۡرًا لِّلۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۫۸۶﴾

028.086 Wama kunta tarjoo an yulqa ilayka alkitabu illa rahmatan min rabbika fala takoonanna thaheeran lilkafireena

En jij had niet gehoopt dat het Boek tot jou neergezonden zou worden, behalve als Barmhartigheid van jouw Heer. Wees dus zeker geen medestander van de ongelovigen. Jij had niet verwacht dat het boek aan jou overgebracht zou worden. Het is enkel uit barmhartigheid van jouw Heer. Wees dus niet iemand die de ongelovigen bijstand verleent.

وَ لَا یَصُدُّنَّکَ عَنۡ اٰیٰتِ اللّٰہِ بَعۡدَ اِذۡ اُنۡزِلَتۡ اِلَیۡکَ وَ ادۡعُ اِلٰی رَبِّکَ وَ لَا تَکُوۡنَنَّ مِنَ الۡمُشۡرِکِیۡنَ ﴿ۚ۸۷﴾

028.087 Wala yasuddunnaka AAan ayati Allahi baAAda ith onzilat ilayka waodAAu ila rabbika wala takoonanna mina almushrikeena

En laat jou niet weghouden van de Verzen van Allah nadat zij tot jou neergezonden zijn en roep jouw Heer aan. En behoor zeker niet tot de veelgodenaanbidders. En zij moeten jou niet van Allah's tekenen afhouden nadat zij naar jou zijn neergezonden. En roep op tot jouw Heer en behoor zeker niet tot de veelgodendienaars.

وَ لَا تَدۡعُ مَعَ اللّٰہِ اِلٰـہًا اٰخَرَ ۘ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ ۟ کُلُّ شَیۡءٍ ہَالِکٌ اِلَّا وَجۡہَہٗ ؕ لَہُ الۡحُکۡمُ وَ اِلَیۡہِ تُرۡجَعُوۡنَ ﴿٪۸۸﴾

028.088 Wala tadAAu maAAa Allahi ilahan akhara la ilaha illa huwa kullu shay-in halikun illa wajhahu lahu alhukmu wa-ilayhi turjaAAoona

En roep geen andere god aan naad Allah. Er is geen god dan Hij. Alle dingen zullen vergaan, behalve Allah. Aan Hem is het oordeel en tot Ham worden jullie teruggebracht. Roep dus naast Allah geen andere god aan. Er is geen god dan Hij. Alles gaat teniet, maar Zijn aangezicht niet. Hem komt het oordeel toe en tot Hem worden jullie teruggebracht.


www.kuran.nl