Jaa Sien

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

یٰسٓ ۚ﴿۱﴾

036.001 Ya-seen

1. Jaa Sien. J[aa?] S[ien].

وَ الۡقُرۡاٰنِ الۡحَکِیۡمِ ۙ﴿۲﴾

036.002 Waalqur-ani alhakeemi

2. Bij de Kuran, die vol van Wijsheid is, Bij de wijze Koran!

اِنَّکَ لَمِنَ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ۙ﴿۳﴾

036.003 Innaka lamina almursaleena

3. U bent inderdaad n van de boodschappers Jij behoort tot de gezondenen,

عَلٰی صِرَاطٍ مُّسۡتَقِیۡمٍ ؕ﴿۴﴾

036.004 AAala siratin mustaqeemin

4. Op het rechte pad. op een juiste weg.

تَنۡزِیۡلَ الۡعَزِیۡزِ الرَّحِیۡمِ ۙ﴿۵﴾

036.005 Tanzeela alAAazeezi alrraheemi

5. Dit is een openbaring van de Almachtige, de Genadevolle. Het is de neerzending door de machtige, de barmhartige,

لِتُنۡذِرَ قَوۡمًا مَّاۤ اُنۡذِرَ اٰبَآؤُہُمۡ فَہُمۡ غٰفِلُوۡنَ ﴿۶﴾

036.006 Litunthira qawman ma onthira abaohum fahum ghafiloona

6. Opdat u een volk moogt waarschuwen welks vaderen niet zijn gewaarschuwd en dat achteloos leeft. opdat jij mensen waarschuwt van wie de voorvaderen niet gewaarschuwd waren, zodat zij onoplettend zijn.

لَقَدۡ حَقَّ الۡقَوۡلُ عَلٰۤی اَکۡثَرِہِمۡ فَہُمۡ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۷﴾

036.007 Laqad haqqa alqawlu AAala aktharihim fahum la yu/minoona

7. Het Woord heeft zich reeds bewaarheid ten opzichte van de meesten hunner, want zij geloven niet. De uitspraak over de meesten van hen is bewaarheid; toch geloven zij niet.

اِنَّا جَعَلۡنَا فِیۡۤ اَعۡنَاقِہِمۡ اَغۡلٰلًا فَہِیَ اِلَی الۡاَذۡقَانِ فَہُمۡ مُّقۡمَحُوۡنَ ﴿۸﴾

036.008 Inna jaAAalna fee aAAnaqihim aghlalan fahiya ila al-athqani fahum muqmahoona

8. Wij hebben om hun hals ijzeren banden gelegd die tot aan hun kin reiken, zodat hun hoofd omhoog geheven blijft, Wij hebben de halsketenen om hun nekken gelegd en die komen tot hun kinnen zodat zij omhoog moeten kijken.

وَ جَعَلۡنَا مِنۡۢ بَیۡنِ اَیۡدِیۡہِمۡ سَدًّا وَّ مِنۡ خَلۡفِہِمۡ سَدًّا فَاَغۡشَیۡنٰہُمۡ فَہُمۡ لَا یُبۡصِرُوۡنَ ﴿۹﴾

036.009 WajaAAalna min bayni aydeehim saddan wamin khalfihim saddan faaghshaynahum fahum la yubsiroona

9. En Wij hebben een hinderpaal vr hen en een hinderpaal achter hen geplaatst en Wij hebben hen gesluierd, zodat zij niet kunnen zien. En Wij hebben vr hen een barrire en achter hen een barrire gemaakt en hen met een sluier bedekt zodat zij dus niets kunnen zien.

وَ سَوَآءٌ عَلَیۡہِمۡ ءَاَنۡذَرۡتَہُمۡ اَمۡ لَمۡ تُنۡذِرۡہُمۡ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۱۰﴾

036.010 Wasawaon AAalayhim aanthartahum am lam tunthirhum la yu/minoona

10. En het is hun hetzelfde of u hen waarschuwt of niet; zij willen niet geloven. En het maakt voor hen niet uit of jij hen waarschuwt of niet; zij geloven niet.

اِنَّمَا تُنۡذِرُ مَنِ اتَّبَعَ الذِّکۡرَ وَ خَشِیَ الرَّحۡمٰنَ بِالۡغَیۡبِ ۚ فَبَشِّرۡہُ بِمَغۡفِرَۃٍ وَّ اَجۡرٍ کَرِیۡمٍ ﴿۱۱﴾

036.011 Innama tunthiru mani ittabaAAa alththikra wakhashiya alrrahmana bialghaybi fabashshirhu bimaghfiratin waajrin kareemin

11. U kunt slechts hem waarschuwen die de vermaning zou willen volgen en de Barmhartige in het verborgene vrezen. Geef hem daarom blijde tijdingen van vergiffenis en een ruime beloning. Jij kunt slechts hem waarschuwen die de vermaning volgt en de Erbarmer in het verborgen vreest. Verkondig hem dus vergeving en een voortreffelijk loon.

اِنَّا نَحۡنُ نُحۡیِ الۡمَوۡتٰی وَ نَکۡتُبُ مَا قَدَّمُوۡا وَ اٰثَارَہُمۡ ؕؑ وَ کُلَّ شَیۡءٍ اَحۡصَیۡنٰہُ فِیۡۤ اِمَامٍ مُّبِیۡنٍ ﴿٪۱۲﴾

036.012 Inna nahnu nuhyee almawta wanaktubu ma qaddamoo waatharahum wakulla shay-in ahsaynahu fee imamin mubeenin

12. Voorzeker, Wij zijn het Die de doden doen herleven, en wat zij doen, optekenen evenals de sporen die zij nalaten en Wij hebben alle dingen in een duidelijk boek geschreven. Wij maken de doden weer levend en Wij schrijven wat zij vroeger gedaan hebben op, ook de sporen die zij nalaten. Alles hebben Wij opgesomd in een duidelijk en voorbeeldig boek.

وَ اضۡرِبۡ لَہُمۡ مَّثَلًا اَصۡحٰبَ الۡقَرۡیَۃِ ۘ اِذۡ جَآءَہَا الۡمُرۡسَلُوۡنَ ﴿ۚ۱۳﴾

036.013 Waidrib lahum mathalan as-haba alqaryati ith jaaha almursaloona

13. Geef hun de gelijkenis van de bewoners ener stad , toen de boodschappers tot haar kwamen. Maak voor hen een vergelijking met de bewoners van de stad toen de gezondenen tot hen kwamen.

اِذۡ اَرۡسَلۡنَاۤ اِلَیۡہِمُ اثۡنَیۡنِ فَکَذَّبُوۡہُمَا فَعَزَّزۡنَا بِثَالِثٍ فَقَالُوۡۤا اِنَّاۤ اِلَیۡکُمۡ مُّرۡسَلُوۡنَ ﴿۱۴﴾

036.014 Ith arsalna ilayhimu ithnayni fakaththaboohuma faAAazzazna bithalithin faqaloo inna ilaykum mursaloona

14. Wij zonden tot hen twee boodschappers maar zij verloochenden dezen waarop wij hen met een derde versterkten en zij zeiden: "Waarlijk, wij zijn tot u gezonden." Toen Wij er twee tot hen zonden en zij die beiden van leugens betichtten. Toen lieten Wij als versterking een derde komen. Zij zeiden dus: "Wij zijn tot jullie gezonden."

قَالُوۡا مَاۤ اَنۡتُمۡ اِلَّا بَشَرٌ مِّثۡلُنَا ۙ وَ مَاۤ اَنۡزَلَ الرَّحۡمٰنُ مِنۡ شَیۡءٍ ۙ اِنۡ اَنۡتُمۡ اِلَّا تَکۡذِبُوۡنَ ﴿۱۵﴾

036.015 Qaloo ma antum illa basharun mithluna wama anzala alrrahmanu min shay-in in antum illa takthiboona

15. Zij (de bewoners) antwoordden: "U bent slechts mensen zoals wij en de Barmhartige heeft u niets geopenbaard; u liegt slechts." Zij zeiden: "Jullie zijn slechts mensen zoals wij. De Erbarmer heeft niets neergezonden; jullie liegen alleen maar."

قَالُوۡا رَبُّنَا یَعۡلَمُ اِنَّاۤ اِلَیۡکُمۡ لَمُرۡسَلُوۡنَ ﴿۱۶﴾

036.016 Qaloo rabbuna yaAAlamu inna ilaykum lamursaloona

16. Zij zeiden: "Onze Heer weet dat wij inderdaad tot u zijn gezonden. Zij zeiden: "Onze Heer weet dat wij echt tot jullie zijn gezonden.

وَ مَا عَلَیۡنَاۤ اِلَّا الۡبَلٰغُ الۡمُبِیۡنُ ﴿۱۷﴾

036.017 Wama AAalayna illa albalaghu almubeenu

17. Op ons rust slechts de duidelijke verkondiging (der boodschap)." Wij hebben alleen maar de plicht van de duidelijke verkondiging."

قَالُوۡۤا اِنَّا تَطَیَّرۡنَا بِکُمۡ ۚ لَئِنۡ لَّمۡ تَنۡتَہُوۡا لَنَرۡجُمَنَّکُمۡ وَ لَیَمَسَّنَّکُمۡ مِّنَّا عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿۱۸﴾

036.018 Qaloo inna tatayyarna bikum la-in lam tantahoo lanarjumannakum walayamassannakum minna AAathabun aleemun

18. Het volk zei: "Waarlijk, wij beschouwen u als een slecht voorteken; als u niet ophoudt, zullen wij u gewis stenigen en een pijnlijke straf zal zeker onzerzijds over u komen." Zij zeiden: "Wij zien in jullie een slecht voorteken. Als jullie niet ophouden zullen wij jullie stenigen en dan zal jullie van onze kant een pijnlijke bestraffing treffen."

قَالُوۡا طَآئِرُکُمۡ مَّعَکُمۡ ؕ اَئِنۡ ذُکِّرۡتُمۡ ؕ بَلۡ اَنۡتُمۡ قَوۡمٌ مُّسۡرِفُوۡنَ ﴿۱۹﴾

036.019 Qaloo ta-irukum maAAakum a-in thukkirtum bal antum qawmun musrifoona

19. Zij antwoordden: "Uw onheil is bij u. Zegt u dit omdat u vermaand bent? Nee, u bent een volk dat alle perken te buiten gaat." Zij zeiden: "Jullie slechte voorteken hangt met jullie zelf samen. Hebben jullie je laten vermanen? Welnee, jullie zijn overmatige mensen."

وَ جَآءَ مِنۡ اَقۡصَا الۡمَدِیۡنَۃِ رَجُلٌ یَّسۡعٰی قَالَ یٰقَوۡمِ اتَّبِعُوا الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿ۙ۲۰﴾

036.020 Wajaa min aqsa almadeenati rajulun yasAAa qala ya qawmi ittabiAAoo almursaleena

20. En er kwam een man aanhollen van het verste gedeelte van de stad; hij zei: "O mijn volk, volg de boodschappers; En er kwam uit het verste deel van de stad een man aanrennen die tot hen zei: "Mijn volk! Volgt de gezondenen.

اتَّبِعُوۡا مَنۡ لَّا یَسۡـَٔلُکُمۡ اَجۡرًا وَّ ہُمۡ مُّہۡتَدُوۡنَ ﴿۲۱﴾

036.021 IttabiAAoo man la yas-alukum ajran wahum muhtadoona

21. Volg hen, die van u geen beloning vragen en die goed geleid zijn. Volgt hen die jullie geen loon vragen en die het goede pad volgen.

وَ مَا لِیَ لَاۤ اَعۡبُدُ الَّذِیۡ فَطَرَنِیۡ وَ اِلَیۡہِ تُرۡجَعُوۡنَ ﴿۲۲﴾

036.022 Wama liya la aAAbudu allathee fataranee wa-ilayhi turjaAAoona

22. En welke reden heb ik, dat ik Hem, Die mij schiep en tot Wie u zult worden teruggebracht, niet zou aanbidden? En waarom zou ik niet Hem dienen die mij geschapen heeft en tot wie jullie teruggebracht zullen worden?

ءَاَتَّخِذُ مِنۡ دُوۡنِہٖۤ اٰلِہَۃً اِنۡ یُّرِدۡنِ الرَّحۡمٰنُ بِضُرٍّ لَّا تُغۡنِ عَنِّیۡ شَفَاعَتُہُمۡ شَیۡئًا وَّ لَا یُنۡقِذُوۡنِ ﴿ۚ۲۳﴾

036.023 Aattakhithu min doonihi alihatan in yuridni alrrahmanu bidurrin la tughni AAannee shafaAAatuhum shay-an wala yunqithooni

23. Zal ik anderen tot goden nemen naast Hem? Indien de Barmhartige kwaad met mij zou voorhebben, zou hun bemiddeling mij niets baten noch kunnen zij mij redden. Zal ik mij in plaats van de Erbarmer andere goden nemen? Als de Erbarmer voor mij tegenspoed wenst baat hun voorspraak mij niets en kunnen zij mij ook niet redden.

اِنِّیۡۤ اِذًا لَّفِیۡ ضَلٰلٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۲۴﴾

036.024 Innee ithan lafee dalalin mubeenin

24. Dan zou ik inderdaad in openlijke dwaling verkeren. Dan zou ik werkelijk in duidelijke dwaling verkeren.

اِنِّیۡۤ اٰمَنۡتُ بِرَبِّکُمۡ فَاسۡمَعُوۡنِ ﴿ؕ۲۵﴾

036.025 Innee amantu birabbikum faismaAAooni

25. Ik geloof in uw Heer, luistert daarom naar mij." Ik geloof in jullie Heer; luistert dus naar mij."

قِیۡلَ ادۡخُلِ الۡجَنَّۃَ ؕ قَالَ یٰلَیۡتَ قَوۡمِیۡ یَعۡلَمُوۡنَ ﴿ۙ۲۶﴾

036.026 Qeela odkhuli aljannata qala ya layta qawmee yaAAlamoona

26. Er werd gezegd: "Ga het paradijs binnen." Hij riep uit: "O, als mijn volk slechts wist, Tot hem werd gezegd: "Ga de tuin binnen!" Hij zei: "Ach had mijn volk maar geweten,

بِمَا غَفَرَ لِیۡ رَبِّیۡ وَ جَعَلَنِیۡ مِنَ الۡمُکۡرَمِیۡنَ ﴿۲۷﴾

036.027 Bima ghafara lee rabbee wajaAAalanee mina almukrameena

27. Hoe mijn Heer mij vergiffenis heeft geschonken en mij tot een van de geerden heeft gemaakt!" dat mijn Heer mij vergeven en tot een van de geerden gemaakt heeft." *

وَ مَاۤ اَنۡزَلۡنَا عَلٰی قَوۡمِہٖ مِنۡۢ بَعۡدِہٖ مِنۡ جُنۡدٍ مِّنَ السَّمَآءِ وَ مَا کُنَّا مُنۡزِلِیۡنَ ﴿۲۸﴾

036.028 Wama anzalna AAala qawmihi min baAAdihi min jundin mina alssama-i wama kunna munzileena

28. En Wij zonden na hem geen schare (van engelen) uit de hemel neder (tot zijn volk) noch zenden Wij die ooit (op die wijze) neder. Maar na zijn tijd zonden Wij geen troepenmacht tot zijn volk, Wij zonden ook niets neer.

اِنۡ کَانَتۡ اِلَّا صَیۡحَۃً وَّاحِدَۃً فَاِذَا ہُمۡ خٰمِدُوۡنَ ﴿۲۹﴾

036.029 In kanat illa sayhatan wahidatan fa-itha hum khamidoona

29. Het was slechts een enkele kreet en ziet; zij waren als uitgeblust. Het was slechts n schreeuw en zij waren uitgeblust!

یٰحَسۡرَۃً عَلَی الۡعِبَادِ ۚؑ مَا یَاۡتِیۡہِمۡ مِّنۡ رَّسُوۡلٍ اِلَّا کَانُوۡا بِہٖ یَسۡتَہۡزِءُوۡنَ ﴿۳۰﴾

036.030 Ya hasratan AAala alAAibadi ma ya/teehim min rasoolin illa kanoo bihi yastahzi-oona

30. Wee, over de mensen: er komt geen boodschapper tot hen of zij bespotten hem. Wee de dienaren! Er komt geen gezant tot hen of zij drijven de spot met hem.

اَلَمۡ یَرَوۡا کَمۡ اَہۡلَکۡنَا قَبۡلَہُمۡ مِّنَ الۡقُرُوۡنِ اَنَّہُمۡ اِلَیۡہِمۡ لَا یَرۡجِعُوۡنَ ﴿ؕ۳۱﴾

036.031 Alam yaraw kam ahlakna qablahum mina alqurooni annahum ilayhim la yarjiAAoona

31. Hebben zij niet gezien, hoeveel geslachten Wij vr hen hebben vernietigd, die niet tot hen terugkeren? Hebben zij niet gezien hoeveel generaties Wij voor hun tijd vernietigd hebben en dat zij niet tot hen terugkeren?

وَ اِنۡ کُلٌّ لَّمَّا جَمِیۡعٌ لَّدَیۡنَا مُحۡضَرُوۡنَ ﴿٪۳۲﴾

036.032 Wa-in kullun lamma jameeAAun ladayna muhdaroona

32. Maar gewis, allen zullen tezamen voor Ons worden gebracht. En zij zullen allen tezamen bij Ons worden voorgeleid.

وَ اٰیَۃٌ لَّہُمُ الۡاَرۡضُ الۡمَیۡتَۃُ ۚۖ اَحۡیَیۡنٰہَا وَ اَخۡرَجۡنَا مِنۡہَا حَبًّا فَمِنۡہُ یَاۡکُلُوۡنَ ﴿۳۳﴾

036.033 Waayatun lahumu al-ardu almaytatu ahyaynaha waakhrajna minha habban faminhu ya/kuloona

33. En de dorre aarde is voor hen een teken; Wij doen deze herleven en brengen graan uit haar voort, waarvan zij eten. En een teken voor hen is de dode aarde die Wij tot leven brengen en waaruit Wij zaadkorrels voortbrengen zodat zij ervan eten.

وَ جَعَلۡنَا فِیۡہَا جَنّٰتٍ مِّنۡ نَّخِیۡلٍ وَّ اَعۡنَابٍ وَّ فَجَّرۡنَا فِیۡہَا مِنَ الۡعُیُوۡنِ ﴿ۙ۳۴﴾

036.034 WajaAAalna feeha jannatin min nakheelin waaAAnabin wafajjarna feeha mina alAAuyooni

34. En Wij hebben er tuinen van dadelpalmen en druiven aangelegd en Wij deden er bronnen ontspringen, En Wij hebben erop tuinen van palmen en wijnstokken gemaakt en bronnen laten ontspringen,

لِیَاۡکُلُوۡا مِنۡ ثَمَرِہٖ ۙ وَ مَا عَمِلَتۡہُ اَیۡدِیۡہِمۡ ؕ اَفَلَا یَشۡکُرُوۡنَ ﴿۳۵﴾

036.035 Liya/kuloo min thamarihi wama AAamilat-hu aydeehim afala yashkuroona

35. Opdat zij van de vruchten daarvan mogen eten, en genieten van hetgeen hun handen toebereiden. Willen zij dan niet dankbaar zijn? opdat zij van de vruchten daarvan en van wat hun handen maken kunnen eten. Zullen zij dan geen dank betuigen?

سُبۡحٰنَ الَّذِیۡ خَلَقَ الۡاَزۡوَاجَ کُلَّہَا مِمَّا تُنۡۢبِتُ الۡاَرۡضُ وَ مِنۡ اَنۡفُسِہِمۡ وَ مِمَّا لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۳۶﴾

036.036 Subhana allathee khalaqa al-azwaja kullaha mimma tunbitu al-ardu wamin anfusihim wamimma la yaAAlamoona

36. Glorie zij Hem, Die alles in paren schiep van hetgeen op aarde groeit en van hen zelf en van hetgeen zijn nog niet kennen. Geprezen zij Hij die alles geschapen heeft wat paarsgewijze voorkomt bij wat de aarde voortbrengt, bij hen zelf en bij wat zij niet weten.

وَ اٰیَۃٌ لَّہُمُ الَّیۡلُ ۚۖ نَسۡلَخُ مِنۡہُ النَّہَارَ فَاِذَا ہُمۡ مُّظۡلِمُوۡنَ ﴿ۙ۳۷﴾

036.037 Waayatun lahumu allaylu naslakhu minhu alnnahara fa-itha hum muthlimoona

37. En voor hen is de nacht een teken. Wij nemen de dag weg en ziet! zij zijn in duisternis. En een teken voor hen is de nacht. Wij stropen de dag ervan af en dan zijn zij in het duister!

وَ الشَّمۡسُ تَجۡرِیۡ لِمُسۡتَقَرٍّ لَّہَا ؕ ذٰلِکَ تَقۡدِیۡرُ الۡعَزِیۡزِ الۡعَلِیۡمِ ﴿ؕ۳۸﴾

036.038 Waalshshamsu tajree limustaqarrin laha thalika taqdeeru alAAazeezi alAAaleemi

38. En de zon beweegt zich naar haar bestemming. Dat is het gebod van de Almachtige, de Alwetende. En de zon loopt tot haar verblijfplaats. Dat is de verordening van de machtige, de wetende.

وَ الۡقَمَرَ قَدَّرۡنٰہُ مَنَازِلَ حَتّٰی عَادَ کَالۡعُرۡجُوۡنِ الۡقَدِیۡمِ ﴿۳۹﴾

036.039 Waalqamara qaddarnahu manazila hatta AAada kaalAAurjooni alqadeemi

39. En voor de maan hebben Wij fasen bepaald tot zij als een oude tak van een palmboom wordt. En voor de maan hebben Wij standen verordend zodat zij er ten slotte uitziet als een oude verschrompelde dadelstengel.

لَا الشَّمۡسُ یَنۡۢبَغِیۡ لَہَاۤ اَنۡ تُدۡرِکَ الۡقَمَرَ وَ لَا الَّیۡلُ سَابِقُ النَّہَارِ ؕ وَ کُلٌّ فِیۡ فَلَکٍ یَّسۡبَحُوۡنَ ﴿۴۰﴾

036.040 La alshshamsu yanbaghee laha an tudrika alqamara wala allaylu sabiqu alnnahari wakullun fee falakin yasbahoona

40. De zon mag de maan niet achterhalen noch kan de nacht de dag voorbijstreven. Zij zweven elk in hun eigen baan. Het past de zon niet de maan te bereiken en de nacht niet dat hij de dag inhaalt. Alle zweven zij in een hemelbaan.

وَ اٰیَۃٌ لَّہُمۡ اَنَّا حَمَلۡنَا ذُرِّیَّتَہُمۡ فِی الۡفُلۡکِ الۡمَشۡحُوۡنِ ﴿ۙ۴۱﴾

036.041 Waayatun lahum anna hamalna thurriyyatahum fee alfulki almashhooni

41. En het is voor hen een teken, dat Wij hun nakomelingen in het geladen schip dragen. En een teken is het voor hen dat Wij hun nakomelingen op het volbeladen schip gedragen hebben.

وَ خَلَقۡنَا لَہُمۡ مِّنۡ مِّثۡلِہٖ مَا یَرۡکَبُوۡنَ ﴿۴۲﴾

036.042 Wakhalaqna lahum min mithlihi ma yarkaboona

42. En Wij zullen voor hen nog iets dergelijks scheppen, waarop zij zullen varen. En Wij hebben voor hen iets overeenkomstigs geschapen waar zij op kunnen gaan.

وَ اِنۡ نَّشَاۡ نُغۡرِقۡہُمۡ فَلَا صَرِیۡخَ لَہُمۡ وَ لَا ہُمۡ یُنۡقَذُوۡنَ ﴿ۙ۴۳﴾

036.043 Wa-in nasha/ nughriqhum fala sareekha lahum wala hum yunqathoona

43. En indien Wij willen, zullen Wij hen doen verdrinken, er zal dan voor hen geen helper zijn noch kunnen zij gered worden, En als Wij willen laten Wij hen verdrinken; dan helpt om hulp roepen niet en worden zij niet gered.

اِلَّا رَحۡمَۃً مِّنَّا وَ مَتَاعًا اِلٰی حِیۡنٍ ﴿۴۴﴾

036.044 Illa rahmatan minna wamataAAan ila heenin

44. Dan door Onze barmhartigheid en als tijdelijk genot (voor hen op aarde). Behalve uit barmhartigheid van Ons en als een tijdelijk genot.

وَ اِذَا قِیۡلَ لَہُمُ اتَّقُوۡا مَا بَیۡنَ اَیۡدِیۡکُمۡ وَ مَا خَلۡفَکُمۡ لَعَلَّکُمۡ تُرۡحَمُوۡنَ ﴿۴۵﴾

036.045 Wa-itha qeela lahumu ittaqoo ma bayna aydeekum wama khalfakum laAAallakum turhamoona

45. En wanneer er tot hen wordt gezegd: "Behoedt u tegen hetgeen vr u is en hetgeen achter u is, opdat u barmhartigheid moge worden betoond." En wanneer tot hen gezegd wordt: "Vreest wat er vr jullie is en wat er achter jullie is; misschien zal aan jullie barmhartigheid bewezen worden."

وَ مَا تَاۡتِیۡہِمۡ مِّنۡ اٰیَۃٍ مِّنۡ اٰیٰتِ رَبِّہِمۡ اِلَّا کَانُوۡا عَنۡہَا مُعۡرِضِیۡنَ ﴿۴۶﴾

036.046 Wama ta/teehim min ayatin min ayati rabbihim illa kanoo AAanha muAArideena

46. Maar er komt geen teken tot hen van de tekenen van hun Heer, of zij wenden er zich van af. Maar er komt geen enkel teken van hun Heer tot hen of zij keren zich ervan af.

وَ اِذَا قِیۡلَ لَہُمۡ اَنۡفِقُوۡا مِمَّا رَزَقَکُمُ اللّٰہُ ۙ قَالَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لِلَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اَنُطۡعِمُ مَنۡ لَّوۡ یَشَآءُ اللّٰہُ اَطۡعَمَہٗۤ ٭ۖ اِنۡ اَنۡتُمۡ اِلَّا فِیۡ ضَلٰلٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۴۷﴾

036.047 Wa-itha qeela lahum anfiqoo mimma razaqakumu Allahu qala allatheena kafaroo lillatheena amanoo anutAAimu man law yashao Allahu atAAamahu in antum illa fee dalalin mubeenin

47. En wanneer er tot hen wordt gezegd: "Besteedt van hetgeen Allah u heeft geschonken," zeggen de ongelovigen tot de gelovigen, "Moeten wij hem voeden? Indien het Allah behaagde zou Hij hem hebben kunnen voeden. U verkeert slechts in een klaarblijkelijke dwaling." En wanneer tot hen gezegd wordt: "Geeft bijdragen van wat Allah jullie voor je levensonderhoud gegeven heeft" dan zeggen zij die ongelovig zijn tegen hen die gelovig zijn: "Zullen wij voedsel geven aan wie Allah het kan geven als Hij wil? Jullie verkeren in duidelijke dwaling."

وَ یَقُوۡلُوۡنَ مَتٰی ہٰذَا الۡوَعۡدُ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۴۸﴾

036.048 Wayaqooloona mata hatha alwaAAdu in kuntum sadiqeena

48. En zij zeggen: "Wanneer zal deze Belofte worden vervuld, als u de waarheid spreekt?" En zij zeggen: "Wanneer zal deze aanzegging zich voordoen, als jullie gelijk hebben?"

مَا یَنۡظُرُوۡنَ اِلَّا صَیۡحَۃً وَّاحِدَۃً تَاۡخُذُہُمۡ وَ ہُمۡ یَخِصِّمُوۡنَ ﴿۴۹﴾

036.049 Ma yanthuroona illa sayhatan wahidatan ta/khuthuhum wahum yakhissimoona

49. Zij wachten slechts op een plotselinge straf die hen zal overkomen terwijl zij nog aan het redetwisten zijn. Zij wachten slechts op n schreeuw die hen zal grijpen terwijl zij aan het twisten zijn.

فَلَا یَسۡتَطِیۡعُوۡنَ تَوۡصِیَۃً وَّ لَاۤ اِلٰۤی اَہۡلِہِمۡ یَرۡجِعُوۡنَ ﴿٪۵۰﴾

036.050 Fala yastateeAAoona tawsiyatan wala ila ahlihim yarjiAAoona

50. En zij zullen geen testament meer kunnen maken noch zullen zij tot hun families terugkeren. Dan zullen zij geen testament maken en ook niet meer tot hun familie terugkeren.

وَ نُفِخَ فِی الصُّوۡرِ فَاِذَا ہُمۡ مِّنَ الۡاَجۡدَاثِ اِلٰی رَبِّہِمۡ یَنۡسِلُوۡنَ ﴿۵۱﴾

036.051 Wanufikha fee alssoori fa-itha hum mina al-ajdathi ila rabbihim yansiloona

51. En de bazuin zal worden geblazen, en ziet! zij zullen zich vanuit hun graven naar hun Heer haasten. Er wordt op de bazuin geblazen en dan komen zij uit de graven naar hun Heer aangesneld.

قَالُوۡا یٰوَیۡلَنَا مَنۡۢ بَعَثَنَا مِنۡ مَّرۡقَدِنَا ٜۘؐ ہٰذَا مَا وَعَدَ الرَّحۡمٰنُ وَ صَدَقَ الۡمُرۡسَلُوۡنَ ﴿۵۲﴾

036.052 Qaloo ya waylana man baAAathana min marqadina hatha ma waAAada alrrahmanu wasadaqa almursaloona

52. Zij zullen zeggen: "O wee ons, wie heeft ons van onze slaapplaatsen gewekt? Dit is hetgeen de Barmhartige heeft beloofd, en de boodschappers spraken de waarheid." Zij zeggen: "Wee ons! Wie heeft ons uit deze rustplaats van ons laten opstaan? Dit is wat de Erbarmer ons aangezegd had; de gezondenen hadden gelijk."

اِنۡ کَانَتۡ اِلَّا صَیۡحَۃً وَّاحِدَۃً فَاِذَا ہُمۡ جَمِیۡعٌ لَّدَیۡنَا مُحۡضَرُوۡنَ ﴿۵۳﴾

036.053 In kanat illa sayhatan wahidatan fa-itha hum jameeAAun ladayna muhdaroona

53. Het zal slechts een kreet zijn en ziet! zij zullen allen voor Ons worden gebracht. Het is slechts n schreeuw en zij worden gezamenlijk bij Ons voorgeleid.

فَالۡیَوۡمَ لَا تُظۡلَمُ نَفۡسٌ شَیۡئًا وَّ لَا تُجۡزَوۡنَ اِلَّا مَا کُنۡتُمۡ تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۵۴﴾

036.054 Faalyawma la tuthlamu nafsun shay-an wala tujzawna illa ma kuntum taAAmaloona

54. En op die Dag zal geen ziel onrecht worden aangedaan, noch zult u worden beloond, behalve overeenkomstig uw daden. "Vandaag zal niemand in iets onrecht worden aangedaan. En aan jullie wordt slechts vergolden voor wat jullie hebben gedaan."

اِنَّ اَصۡحٰبَ الۡجَنَّۃِ الۡیَوۡمَ فِیۡ شُغُلٍ فٰکِہُوۡنَ ﴿ۚ۵۵﴾

036.055 Inna as-haba aljannati alyawma fee shughulin fakihoona

55. Voorwaar, op die Dag zullen de bewoners van de Hemel in (een groot) werk hun geluk vinden. Zij die in de tuin thuis zijn houden zich vandaag blij bezig.

ہُمۡ وَ اَزۡوَاجُہُمۡ فِیۡ ظِلٰلٍ عَلَی الۡاَرَآئِکِ مُتَّکِـُٔوۡنَ ﴿۵۶﴾

036.056 Hum waazwajuhum fee thilalin AAala al-ara-iki muttaki-oona

56. Zij en hun echtgenoten zullen zich in de schaduw op tronen nedervlijen. Zij en hun echtgenotes zijn in een schaduwrijke omgeving terwijl zij er op ligbanken achteroverleunen.

لَہُمۡ فِیۡہَا فَاکِہَۃٌ وَّ لَہُمۡ مَّا یَدَّعُوۡنَ ﴿ۚۖ۵۷﴾

036.057 Lahum feeha fakihatun walahum ma yaddaAAoona

57. Zij zullen daar vruchten hebben en alles waar zij om vragen ontvangen. Zij hebben er vruchten en wat zij maar verlangen.

سَلٰمٌ ۟ قَوۡلًا مِّنۡ رَّبٍّ رَّحِیۡمٍ ﴿۵۸﴾

036.058 Salamun qawlan min rabbin raheemin

58. Het woord van de Genadevolle Heer zal (klinken) "Vrede (vrede)." "Vrede!"is [voor hen] een [welkomst]woord dat van een barmhartige Heer komt.

وَ امۡتَازُوا الۡیَوۡمَ اَیُّہَا الۡمُجۡرِمُوۡنَ ﴿۵۹﴾

036.059 Waimtazoo alyawma ayyuha almujrimoona

59. (En Hij zal zeggen): "Houdt u op deze dag terzijde, o u schuldigen." "Zondert jullie vandaag van hen af, jullie boosdoeners! *

اَلَمۡ اَعۡہَدۡ اِلَیۡکُمۡ یٰبَنِیۡۤ اٰدَمَ اَنۡ لَّا تَعۡبُدُوا الشَّیۡطٰنَ ۚ اِنَّہٗ لَکُمۡ عَدُوٌّ مُّبِیۡنٌ ﴿ۙ۶۰﴾

036.060 Alam aAAhad ilaykum ya banee adama an la taAAbudoo alshshaytana innahu lakum AAaduwwun mubeenun

60. "Gelastte Ik u niet, o u kinderen van Adam, dat u Satan niet zult dienen, daar hij een openlijke vijand van u is, Heb Ik jullie, kinderen van Adam, niet opgedragen dat jullie de satan niet moeten dienen -- hij is een verklaarde vijand voor jullie --

وَّ اَنِ اعۡبُدُوۡنِیۡ ؕؔ ہٰذَا صِرَاطٌ مُّسۡتَقِیۡمٌ ﴿۶۱﴾

036.061 Waani oAAbudoonee hatha siratun mustaqeemun

61. Maar dat u Mij zult dienen?" Dat was het rechte pad. en dat jullie Mij moeten dienen? Dat is een juiste weg.

وَ لَقَدۡ اَضَلَّ مِنۡکُمۡ جِبِلًّا کَثِیۡرًا ؕ اَفَلَمۡ تَکُوۡنُوۡا تَعۡقِلُوۡنَ ﴿۶۲﴾

036.062 Walaqad adalla minkum jibillan katheeran afalam takoonoo taAAqiloona

62. Toch deed hij een groot gedeelte uwer dwalen. Hadt u dan geen verstand? Hij heeft uit jullie midden vele schepselen tot dwaling gebracht. Hadden jullie dan geen verstand?

ہٰذِہٖ جَہَنَّمُ الَّتِیۡ کُنۡتُمۡ تُوۡعَدُوۡنَ ﴿۶۳﴾

036.063 Hathihi jahannamu allatee kuntum tooAAadoona

63. "Dit is de hel waarmede u werdt bedreigd." Dat is de hel die jullie was aangezegd.

اِصۡلَوۡہَا الۡیَوۡمَ بِمَا کُنۡتُمۡ تَکۡفُرُوۡنَ ﴿۶۴﴾

036.064 Islawha alyawma bima kuntum takfuroona

64. Gaat daar thans binnen, omdat u haar placht te loochenen. Braadt er vandaag in omdat jullie ongelovig waren."

اَلۡیَوۡمَ نَخۡتِمُ عَلٰۤی اَفۡوَاہِہِمۡ وَ تُکَلِّمُنَاۤ اَیۡدِیۡہِمۡ وَ تَشۡہَدُ اَرۡجُلُہُمۡ بِمَا کَانُوۡا یَکۡسِبُوۡنَ ﴿۶۵﴾

036.065 Alyawma nakhtimu AAala afwahihim watukallimuna aydeehim watashhadu arjuluhum bima kanoo yaksiboona

65. Op die Dag zullen Wij hun mond verzegelen, maar hun handen zullen tot ons spreken en hun voeten zullen getuigenis afleggen van alles wat zij hebben bedreven. Vandaag verzegelen Wij hun monden, maar hun handen spreken tot Ons en hun voeten getuigen van wat zij begaan hebben.

وَ لَوۡ نَشَآءُ لَطَمَسۡنَا عَلٰۤی اَعۡیُنِہِمۡ فَاسۡتَبَقُوا الصِّرَاطَ فَاَنّٰی یُبۡصِرُوۡنَ ﴿۶۶﴾

036.066 Walaw nashao latamasna AAala aAAyunihim faistabaqoo alssirata faanna yubsiroona

66. En als Wij het hadden gewild, konden Wij het licht in hun ogen hebben gedoofd; dan zouden zij zich naar het pad hebben willen haasten. Maar hoe konden zij zien? En als Wij wilden, dan zouden Wij hun ogen het gezichtsvermogen ontnemen. Dan zouden zij naar de weg rennen, maar hoe zouden zij dan zien?

وَ لَوۡ نَشَآءُ لَمَسَخۡنٰہُمۡ عَلٰی مَکَانَتِہِمۡ فَمَا اسۡتَطَاعُوۡا مُضِیًّا وَّ لَا یَرۡجِعُوۡنَ ﴿٪۶۷﴾

036.067 Walaw nashao lamasakhnahum AAala makanatihim fama istataAAoo mudiyyan wala yarjiAAoona

67. En indien Wij wilden, zouden Wij hen op hun plaatsen hebben doen verstijven zodat zij noch vr- noch achteruit konden. En als Wij wilden, dan zouden Wij hen ter plekke van gedaante veranderen. Dan zouden zij niet vooruit kunnen gaan noch terugkeren.

وَ مَنۡ نُّعَمِّرۡہُ نُنَکِّسۡہُ فِی الۡخَلۡقِ ؕ اَفَلَا یَعۡقِلُوۡنَ ﴿۶۸﴾

036.068 Waman nuAAammirhu nunakkis-hu fee alkhalqi afala yaAAqiloona

68. En wie Wij een lang leven schenken, doen Wij achteruitgaan in kracht. Willen zij dan niet begrijpen? En als Wij iemand een lang leven geven, dan laten Wij zijn gestel slechter worden. Hebben zij dan geen verstand?

وَ مَا عَلَّمۡنٰہُ الشِّعۡرَ وَ مَا یَنۡۢبَغِیۡ لَہٗ ؕ اِنۡ ہُوَ اِلَّا ذِکۡرٌ وَّ قُرۡاٰنٌ مُّبِیۡنٌ ﴿ۙ۶۹﴾

036.069 Wama AAallamnahu alshshiAAra wama yanbaghee lahu in huwa illa thikrun waqur-anun mubeenun

69. En Wij hebben hem (de profeet) het dichten niet geleerd, noch is het voor hem passend, dit is slechts een vermaning en een duidelijke verkondiging; Wij hebben hem de dichtkunst niet geleerd, zij betaamt hem ook niet. Het is niets anders dan een vermaning en een duidelijke Koran

لِّیُنۡذِرَ مَنۡ کَانَ حَیًّا وَّ یَحِقَّ الۡقَوۡلُ عَلَی الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۷۰﴾

036.070 Liyunthira man kana hayyan wayahiqqa alqawlu AAala alkafireena

70. Opdat de levenden mogen worden gewaarschuwd en opdat het oordeel tegen de ongelovigen gerechtvaardigd moge zijn. om wie er leven te waarschuwen en opdat de uitspraak aan de ongelovigen bewaarheid wordt.

اَوَ لَمۡ یَرَوۡا اَنَّا خَلَقۡنَا لَہُمۡ مِّمَّا عَمِلَتۡ اَیۡدِیۡنَاۤ اَنۡعَامًا فَہُمۡ لَہَا مٰلِکُوۡنَ ﴿۷۱﴾

036.071 Awa lam yaraw anna khalaqna lahum mimma AAamilat aydeena anAAaman fahum laha malikoona

71. Hebben zij niet gezien, dat onder de dingen die Onze handen gemaakt hebben, Wij vee hebben geschapen, waar zij meesters over zijn? Hebben zij dan niet gezien dat Wij als een van de dingen die Onze handen gemaakt hebben voor hen vee hebben geschapen, waarover zij dan de beschikking hebben?

وَ ذَلَّلۡنٰہَا لَہُمۡ فَمِنۡہَا رَکُوۡبُہُمۡ وَ مِنۡہَا یَاۡکُلُوۡنَ ﴿۷۲﴾

036.072 Wathallalnaha lahum faminha rakoobuhum waminha ya/kuloona

72. En Wij hebben het aan hen dienstbaar gemaakt, zodat sommige rijdieren zijn, en sommige tot voedsel strekken. En Wij hebben ze aan hen onderworpen: sommige kunnen zij berijden en andere, daar eten zij van.

وَ لَہُمۡ فِیۡہَا مَنَافِعُ وَ مَشَارِبُ ؕ اَفَلَا یَشۡکُرُوۡنَ ﴿۷۳﴾

036.073 Walahum feeha manafiAAu wamasharibu afala yashkuroona

73. En zij hebben er voordelen van en dranken. Willen zij dan niet dankbaar zijn? Zij hebben daarmee veel nuttigheden en soorten drank. Zullen zij dan niet dank betuigen?

وَ اتَّخَذُوۡا مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ اٰلِہَۃً لَّعَلَّہُمۡ یُنۡصَرُوۡنَ ﴿ؕ۷۴﴾

036.074 Waittakhathoo min dooni Allahi alihatan laAAallahum yunsaroona

74. En zij hebben andere goden naast Allah genomen, hopende dat zij mogen worden geholpen. Maar zij hebben zich in plaats van Allah andere goden genomen opdat zij misschien hulp zullen krijgen.

لَا یَسۡتَطِیۡعُوۡنَ نَصۡرَہُمۡ ۙ وَ ہُمۡ لَہُمۡ جُنۡدٌ مُّحۡضَرُوۡنَ ﴿۷۵﴾

036.075 La yastateeAAoona nasrahum wahum lahum jundun muhdaroona

75. Dezen kunnen hen niet helpen maar zij zullen als een schare tegen hen worden gebracht. Zij kunnen hen niet helpen, zij zijn voor hen een troepenmacht die zelf wordt voorgeleid.

فَلَا یَحۡزُنۡکَ قَوۡلُہُمۡ ۘ اِنَّا نَعۡلَمُ مَا یُسِرُّوۡنَ وَ مَا یُعۡلِنُوۡنَ ﴿۷۶﴾

036.076 Fala yahzunka qawluhum inna naAAlamu ma yusirroona wama yuAAlinoona

76. Laat daarom hun spraak u niet verdrieten. Voorwaar, Wij weten wat zij verbergen en wat zij tonen. Laat wat zij zeggen jou niet bedroefd maken. Wij weten wat zij in het geheim en wat zij openlijk doen.

اَوَ لَمۡ یَرَ الۡاِنۡسَانُ اَنَّا خَلَقۡنٰہُ مِنۡ نُّطۡفَۃٍ فَاِذَا ہُوَ خَصِیۡمٌ مُّبِیۡنٌ ﴿۷۷﴾

036.077 Awa lam yara al-insanu anna khalaqnahu min nutfatin fa-itha huwa khaseemun mubeenun

77. Heeft de mens niet begrepen dat Wij hem hebben geschapen uit een levenskiem? Maar zie, hij is klaarblijkelijk een redetwister! Heeft de mens dan niet gezien dat Wij hem uit een druppel geschapen hebben? Toch is hij een duidelijke tegenstander.

وَ ضَرَبَ لَنَا مَثَلًا وَّ نَسِیَ خَلۡقَہٗ ؕ قَالَ مَنۡ یُّحۡیِ الۡعِظَامَ وَ ہِیَ رَمِیۡمٌ ﴿۷۸﴾

036.078 Wadaraba lana mathalan wanasiya khalqahu qala man yuhyee alAAithama wahiya rameemun

78. En hij zet Ons verhalen voor en vergeet zijn eigen ontstaan. Hij zegt: "Wie kan de beenderen doen herleven als zij vergaan zijn?" Hij maakt een vergelijking met Ons en vergeet hoe hij geschapen is. Hij zegt: "Wie maakt de beenderen weer levend als zij gruis zijn?"

قُلۡ یُحۡیِیۡہَا الَّذِیۡۤ اَنۡشَاَہَاۤ اَوَّلَ مَرَّۃٍ ؕ وَ ہُوَ بِکُلِّ خَلۡقٍ عَلِیۡمُۨ ﴿ۙ۷۹﴾

036.079 Qul yuhyeeha allathee anshaaha awwala marratin wahuwa bikulli khalqin AAaleemun

79. Zeg: "Hij, Die hen voor de eerste keer schiep zal hen doen herleven; Hij heeft kennis van de gehele schepping. Zeg: "Hij die ze de eerste maal heeft laten ontstaan zal ze weer levend maken. En Hij kent alles wat geschapen is,

الَّذِیۡ جَعَلَ لَکُمۡ مِّنَ الشَّجَرِ الۡاَخۡضَرِ نَارًا فَاِذَاۤ اَنۡتُمۡ مِّنۡہُ تُوۡقِدُوۡنَ ﴿۸۰﴾

036.080 Allathee jaAAala lakum mina alshshajari al-akhdari naran fa-itha antum minhu tooqidoona

80. Hij is het, Die uit een groene boom voor u vuur voortbrengt, en ziet, u steekt er (uw brandstof) van aan." Hij die voor jullie uit groene bomen vuur gemaakt heeft zodat jullie er meteen een vuur mee kunnen ontsteken."

اَوَ لَیۡسَ الَّذِیۡ خَلَقَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ بِقٰدِرٍ عَلٰۤی اَنۡ یَّخۡلُقَ مِثۡلَہُمۡ ؕ؃ بَلٰی ٭ وَ ہُوَ الۡخَلّٰقُ الۡعَلِیۡمُ ﴿۸۱﴾

036.081 Awa laysa allathee khalaqa alssamawati waal-arda biqadirin AAala an yakhluqa mithlahum bala wahuwa alkhallaqu alAAaleemu

81. "Is Hij, Die de hemelen en de aarde schiep, niet in staat hun gelijken te scheppen?" Ja, inderdaad Hij is de Schepper, de Alwetende. Is Hij die de hemelen en de aarde geschapen heeft niet bij machte iets te scheppen wat aan hen gelijk is? Ja zeker, Hij is de schepper, de wetende.

اِنَّمَاۤ اَمۡرُہٗۤ اِذَاۤ اَرَادَ شَیۡئًا اَنۡ یَّقُوۡلَ لَہٗ کُنۡ فَیَکُوۡنُ ﴿۸۲﴾

036.082 Innama amruhu itha arada shay-an an yaqoola lahu kun fayakoonu

82. Voorwaar, wanneer Hij Zich iets voorneemt is Zijn gebod slechts: "Wees", en het wordt. Wanneer Hij iets wenst, is zijn bevel dat Hij ertegen zegt: "Wees" en het is.

فَسُبۡحٰنَ الَّذِیۡ بِیَدِہٖ مَلَکُوۡتُ کُلِّ شَیۡءٍ وَّ اِلَیۡہِ تُرۡجَعُوۡنَ ﴿٪۸۳﴾

036.083 Fasubhana allathee biyadihi malakootu kulli shay-in wa-ilayhi turjaAAoona

83. Glorie zij daarom Hem, in wiens hand de oppermacht over alle dingen is! En tot Hem zult u worden teruggebracht. Geprezen zij dus Hij in wiens hand de heerschappij over alles is en tot wie jullie worden teruggebracht.


www.kuran.nl