بِسْمِ اللَّهِ الرَّحْمَنِ الرَّحِيمِ
|
036.001 Ya-seen |
1. Jaa Sien. |
|
036.002 Waalqur-ani alhakeemi |
2. Bij de Kuran, die vol van Wijsheid is, |
|
036.003 Innaka lamina almursaleena |
3. U bent inderdaad één der boodschappers |
|
036.004 AAala siratin mustaqeemin |
4. Op het rechte pad. |
|
036.005 Tanzeela alAAazeezi alrraheemi |
5. Dit is een openbaring van de Almachtige, de Genadevolle. |
|
036.006 Litunthira qawman ma onthira abaohum fahum ghafiloona |
6. Opdat u een volk moogt waarschuwen welks vaderen niet zijn gewaarschuwd en dat achteloos leeft. |
|
036.007 Laqad haqqa alqawlu AAala aktharihim fahum la yu/minoona |
7. Het Woord heeft zich reeds bewaarheid ten opzichte van de meesten hunner, want zij geloven niet. |
|
036.008 Inna jaAAalna fee aAAnaqihim aghlalan fahiya ila al-athqani fahum muqmahoona |
8. Wij hebben om hun hals ijzeren banden gelegd die tot aan hun kin reiken, zodat hun hoofd omhoog geheven blijft, |
|
036.009 WajaAAalna min bayni aydeehim saddan wamin khalfihim saddan faaghshaynahum fahum la yubsiroona |
9. En Wij hebben een hinderpaal voor hen en een hinderpaal achter hen geplaatst en Wij hebben hen gesluierd, zodat zij niet kunnen zien. |
|
036.010 Wasawaon AAalayhim aanthartahum am lam tunthirhum la yu/minoona |
10. En het is hun hetzelfde of u hen waarschuwt of niet; zij willen niet geloven. |
|
036.011 Innama tunthiru mani ittabaAAa alththikra wakhashiya alrrahmana bialghaybi fabashshirhu bimaghfiratin waajrin kareemin |
11. U kunt slechts hem waarschuwen die de vermaning zou willen volgen en de Barmhartige in het verborgene vrezen. Geef hem daarom blijde tijdingen van vergiffenis en een ruime beloning. |
|
036.012 Inna nahnu nuhyee almawta wanaktubu ma qaddamoo waatharahum wakulla shay-in ahsaynahu fee imamin mubeenin |
12. Voorzeker, Wij zijn het Die de doden doen herleven, en wat zij doen, optekenen evenals de sporen die zij nalaten en Wij hebben alle dingen in een duidelijk boek geschreven. |
|
036.013 Waidrib lahum mathalan as-haba alqaryati ith jaaha almursaloona |
13. Geef hun de gelijkenis van de bewoners ener stad , toen de boodschappers tot haar kwamen. |
|
036.014 Ith arsalna ilayhimu ithnayni fakaththaboohuma faAAazzazna bithalithin faqaloo inna ilaykum mursaloona |
14. Wij zonden tot hen twee boodschappers maar zij verloochenden dezen waarop wij hen met een derde versterkten en zij zeiden: "Waarlijk, wij zijn tot u gezonden." |
|
036.015 Qaloo ma antum illa basharun mithluna wama anzala alrrahmanu min shay-in in antum illa takthiboona |
15. Zij (de bewoners) antwoordden: "U bent slechts mensen zoals wij en de Barmhartige heeft u niets geopenbaard; u liegt slechts." |
|
036.016 Qaloo rabbuna yaAAlamu inna ilaykum lamursaloona |
16. Zij zeiden: "Onze Heer weet dat wij inderdaad tot u zijn gezonden. |
|
036.017 Wama AAalayna illa albalaghu almubeenu |
17. Op ons rust slechts de duidelijke verkondiging (der boodschap)." |
|
036.018 Qaloo inna tatayyarna bikum la-in lam tantahoo lanarjumannakum walayamassannakum minna AAathabun aleemun |
18. Het volk zei: "Waarlijk, wij beschouwen u als een slecht voorteken; als u niet ophoudt, zullen wij u gewis stenigen en een pijnlijke straf zal zeker onzerzijds over u komen." |
|
036.019 Qaloo ta-irukum maAAakum a-in thukkirtum bal antum qawmun musrifoona |
19. Zij antwoordden: "Uw onheil is bij u. Zegt u dit omdat u vermaand bent? Nee, u bent een volk dat alle perken te buiten gaat." |
|
036.020 Wajaa min aqsa almadeenati rajulun yasAAa qala ya qawmi ittabiAAoo almursaleena |
20. En er kwam een man aanhollen van het verste gedeelte der stad; hij zei: "O mijn volk, volg de boodschappers; |
|
036.021 IttabiAAoo man la yas-alukum ajran wahum muhtadoona |
21. Volg hen, die van u geen beloning vragen en die goed geleid zijn. |
|
036.022 Wama liya la aAAbudu allathee fataranee wa-ilayhi turjaAAoona |
22. En welke reden heb ik, dat ik Hem, Die mij schiep en tot Wie u zult worden teruggebracht, niet zou aanbidden? |
|
036.023 Aattakhithu min doonihi alihatan in yuridni alrrahmanu bidurrin la tughni AAannee shafaAAatuhum shay-an wala yunqithooni |
23. Zal ik anderen tot goden nemen naast Hem? Indien de Barmhartige kwaad met mij zou voorhebben, zou hun bemiddeling mij niets baten noch kunnen zij mij redden. |
|
036.024 Innee ithan lafee dalalin mubeenin |
24. Dan zou ik inderdaad in openlijke dwaling verkeren. |
|
036.025 Innee amantu birabbikum faismaAAooni |
25. Ik geloof in uw Heer, luistert daarom naar mij." |
|
036.026 Qeela odkhuli aljannata qala ya layta qawmee yaAAlamoona |
26. Er werd gezegd: "Ga het paradijs binnen." Hij riep uit: "O, als mijn volk slechts wist, |
|
036.027 Bima ghafara lee rabbee wajaAAalanee mina almukrameena |
27. Hoe mijn Heer mij vergiffenis heeft geschonken en mij tot een der geerden heeft gemaakt!" |
|
036.028 Wama anzalna AAala qawmihi min baAAdihi min jundin mina alssama-i wama kunna munzileena |
28. En Wij zonden na hem geen schare (van engelen) uit de hemel neder (tot zijn volk) noch zenden Wij die ooit (op die wijze) neder. |
|
036.029 In kanat illa sayhatan wahidatan fa-itha hum khamidoona |
29. Het was slechts een enkele kreet en ziet; zij waren als uitgeblust. |
|
036.030 Ya hasratan AAala alAAibadi ma ya/teehim min rasoolin illa kanoo bihi yastahzi-oona |
30. Wee, over de mensen: er komt geen boodschapper tot hen of zij bespotten hem. |
|
036.031 Alam yaraw kam ahlakna qablahum mina alqurooni annahum ilayhim la yarjiAAoona |
31. Hebben zij niet gezien, hoeveel geslachten Wij voor hen hebben vernietigd, die niet tot hen terugkeren? |
|
036.032 Wa-in kullun lamma jameeAAun ladayna muhdaroona |
32. Maar gewis, allen zullen tezamen voor Ons worden gebracht. |
|
036.033 Waayatun lahumu al-ardu almaytatu ahyaynaha waakhrajna minha habban faminhu ya/kuloona |
33. En de dorre aarde is voor hen een teken; Wij doen deze herleven en brengen graan uit haar voort, waarvan zij eten. |
|
036.034 WajaAAalna feeha jannatin min nakheelin waaAAnabin wafajjarna feeha mina alAAuyooni |
34. En Wij hebben er tuinen van dadelpalmen en druiven aangelegd en Wij deden er bronnen ontspringen, |
|
036.035 Liya/kuloo min thamarihi wama AAamilat-hu aydeehim afala yashkuroona |
35. Opdat zij van de vruchten daarvan mogen eten, en genieten van hetgeen hun handen toebereiden. Willen zij dan niet dankbaar zijn? |
|
036.036 Subhana allathee khalaqa al-azwaja kullaha mimma tunbitu al-ardu wamin anfusihim wamimma la yaAAlamoona |
36. Glorie zij Hem, Die alles in paren schiep van hetgeen op aarde groeit en van hen zelf en van hetgeen zijn nog niet kennen. |
|
036.037 Waayatun lahumu allaylu naslakhu minhu alnnahara fa-itha hum muthlimoona |
37. En voor hen is de nacht een teken. Wij nemen de dag weg en ziet! zij zijn in duisternis. |
|
036.038 Waalshshamsu tajree limustaqarrin laha thalika taqdeeru alAAazeezi alAAaleemi |
38. En de zon beweegt zich naar haar bestemming. Dat is het gebod van de Almachtige, de Alwetende. |
|
036.039 Waalqamara qaddarnahu manazila hatta AAada kaalAAurjooni alqadeemi |
39. En voor de maan hebben Wij fasen bepaald tot zij als een oude tak van een palmboom wordt. |
|
036.040 La alshshamsu yanbaghee laha an tudrika alqamara wala allaylu sabiqu alnnahari wakullun fee falakin yasbahoona |
40. De zon mag de maan niet achterhalen noch kan de nacht de dag voorbijstreven. Zij zweven elk in hun eigen baan. |
|
036.041 Waayatun lahum anna hamalna thurriyyatahum fee alfulki almashhooni |
41. En het is voor hen een teken, dat Wij hun nakomelingen in het geladen schip dragen. |
|
036.042 Wakhalaqna lahum min mithlihi ma yarkaboona |
42. En Wij zullen voor hen nog iets dergelijks scheppen, waarop zij zullen varen. |
|
036.043 Wa-in nasha/ nughriqhum fala sareekha lahum wala hum yunqathoona |
43. En indien Wij willen, zullen Wij hen doen verdrinken, er zal dan voor hen geen helper zijn noch kunnen zij gered worden, |
|
036.044 Illa rahmatan minna wamataAAan ila heenin |
44. Dan door Onze barmhartigheid en als tijdelijk genot (voor hen op aarde). |
|
036.045 Wa-itha qeela lahumu ittaqoo ma bayna aydeekum wama khalfakum laAAallakum turhamoona |
45. En wanneer er tot hen wordt gezegd: "Behoedt u tegen hetgeen voor u is en hetgeen achter u is, opdat u barmhartigheid moge worden betoond." |
|
036.046 Wama ta/teehim min ayatin min ayati rabbihim illa kanoo AAanha muAArideena |
46. Maar er komt geen teken tot hen van de tekenen van hun Heer, of zij wenden er zich van af. |
|
036.047 Wa-itha qeela lahum anfiqoo mimma razaqakumu Allahu qala allatheena kafaroo lillatheena amanoo anutAAimu man law yashao Allahu atAAamahu in antum illa fee dalalin mubeenin |
47. En wanneer er tot hen wordt gezegd: "Besteedt van hetgeen Allah u heeft geschonken," zeggen de ongelovigen tot de gelovigen, "Moeten wij hem voeden? Indien het Allah behaagde zou Hij hem hebben kunnen voeden. U verkeert slechts in een klaarblijkelijke dwaling." |
|
036.048 Wayaqooloona mata hatha alwaAAdu in kuntum sadiqeena |
48. En zij zeggen: "Wanneer zal deze Belofte worden vervuld, als u de waarheid spreekt?" |
|
036.049 Ma yanthuroona illa sayhatan wahidatan ta/khuthuhum wahum yakhissimoona |
49. Zij wachten slechts op een plotselinge straf die hen zal overkomen terwijl zij nog aan het redetwisten zijn. |
|
036.050 Fala yastateeAAoona tawsiyatan wala ila ahlihim yarjiAAoona |
50. En zij zullen geen testament meer kunnen maken noch zullen zij tot hun families terugkeren. |
|
036.051 Wanufikha fee alssoori fa-itha hum mina al-ajdathi ila rabbihim yansiloona |
51. En de bazuin zal worden geblazen, en ziet! zij zullen zich vanuit hun graven naar hun Heer haasten. |
|
036.052 Qaloo ya waylana man baAAathana min marqadina hatha ma waAAada alrrahmanu wasadaqa almursaloona |
52. Zij zullen zeggen: "O wee ons, wie heeft ons van onze slaapplaatsen gewekt? Dit is hetgeen de Barmhartige heeft beloofd, en de boodschappers spraken de waarheid." |
|
036.053 In kanat illa sayhatan wahidatan fa-itha hum jameeAAun ladayna muhdaroona |
53. Het zal slechts een kreet zijn en ziet! zij zullen allen voor Ons worden gebracht. |
|
036.054 Faalyawma la tuthlamu nafsun shay-an wala tujzawna illa ma kuntum taAAmaloona |
54. En op die Dag zal geen ziel onrecht worden aangedaan, noch zult u worden beloond, behalve overeenkomstig uw daden. |
|
036.055 Inna as-haba aljannati alyawma fee shughulin fakihoona |
55. Voorwaar, op die Dag zullen de bewoners van de Hemel in (een groot) werk hun geluk vinden. |
|
036.056 Hum waazwajuhum fee thilalin AAala al-ara-iki muttaki-oona |
56. Zij en hun echtgenoten zullen zich in de schaduw op tronen nedervlijen. |
|
036.057 Lahum feeha fakihatun walahum ma yaddaAAoona |
57. Zij zullen daar vruchten hebben en alles waar zij om vragen ontvangen. |
|
036.058 Salamun qawlan min rabbin raheemin |
58. Het woord van de Genadevolle Heer zal (klinken) "Vrede (vrede)." |
|
036.059 Waimtazoo alyawma ayyuha almujrimoona |
59. (En Hij zal zeggen): "Houdt u op deze dag terzijde, o u schuldigen." |
|
036.060 Alam aAAhad ilaykum ya banee adama an la taAAbudoo alshshaytana innahu lakum AAaduwwun mubeenun |
60. "Gelastte Ik u niet, o u kinderen van Adam, dat u Satan niet zult dienen, daar hij een openlijke vijand van u is, |
|
036.061 Waani oAAbudoonee hatha siratun mustaqeemun |
61. Maar dat u Mij zult dienen?" Dat was het rechte pad. |
|
036.062 Walaqad adalla minkum jibillan katheeran afalam takoonoo taAAqiloona |
62. Toch deed hij een groot gedeelte uwer dwalen. Hadt u dan geen verstand? |
|
036.063 Hathihi jahannamu allatee kuntum tooAAadoona |
63. "Dit is de hel waarmede u werdt bedreigd." |
|
036.064 Islawha alyawma bima kuntum takfuroona |
64. Gaat daar thans binnen, omdat u haar placht te loochenen. |
|
036.065 Alyawma nakhtimu AAala afwahihim watukallimuna aydeehim watashhadu arjuluhum bima kanoo yaksiboona |
65. Op die Dag zullen Wij hun mond verzegelen, maar hun handen zullen tot ons spreken en hun voeten zullen getuigenis afleggen van alles wat zij hebben bedreven. |
|
036.066 Walaw nashao latamasna AAala aAAyunihim faistabaqoo alssirata faanna yubsiroona |
66. En als Wij het hadden gewild, konden Wij het licht in hun ogen hebben gedoofd; dan zouden zij zich naar het pad hebben willen haasten. Maar hoe konden zij zien? |
|
036.067 Walaw nashao lamasakhnahum AAala makanatihim fama istataAAoo mudiyyan wala yarjiAAoona |
67. En indien Wij wilden, zouden Wij hen op hun plaatsen hebben doen verstijven zodat zij noch vr- noch achteruit konden. |
|
036.068 Waman nuAAammirhu nunakkis-hu fee alkhalqi afala yaAAqiloona |
68. En wie Wij een lang leven schenken, doen Wij achteruitgaan in kracht. Willen zij dan niet begrijpen? |
|
036.069 Wama AAallamnahu alshshiAAra wama yanbaghee lahu in huwa illa thikrun waqur-anun mubeenun |
69. En Wij hebben hem (de profeet) het dichten niet geleerd, noch is het voor hem passend, dit is slechts een vermaning en een duidelijke verkondiging; |
|
036.070 Liyunthira man kana hayyan wayahiqqa alqawlu AAala alkafireena |
70. Opdat de levenden mogen worden gewaarschuwd en opdat het oordeel tegen de ongelovigen gerechtvaardigd moge zijn. |
|
036.071 Awa lam yaraw anna khalaqna lahum mimma AAamilat aydeena anAAaman fahum laha malikoona |
71. Hebben zij niet gezien, dat onder de dingen die Onze handen gemaakt hebben, Wij vee hebben geschapen, waar zij meesters over zijn? |
|
036.072 Wathallalnaha lahum faminha rakoobuhum waminha ya/kuloona |
72. En Wij hebben het aan hen dienstbaar gemaakt, zodat sommige rijdieren zijn, en sommige tot voedsel strekken. |
|
036.073 Walahum feeha manafiAAu wamasharibu afala yashkuroona |
73. En zij hebben er voordelen van en dranken. Willen zij dan niet dankbaar zijn? |
|
036.074 Waittakhathoo min dooni Allahi alihatan laAAallahum yunsaroona |
74. En zij hebben andere goden naast Allah genomen, hopende dat zij mogen worden geholpen. |
|
036.075 La yastateeAAoona nasrahum wahum lahum jundun muhdaroona |
75. Dezen kunnen hen niet helpen maar zij zullen als een schare tegen hen worden gebracht. |
|
036.076 Fala yahzunka qawluhum inna naAAlamu ma yusirroona wama yuAAlinoona |
76. Laat daarom hun spraak u niet verdrieten. Voorwaar, Wij weten wat zij verbergen en wat zij tonen. |
|
036.077 Awa lam yara al-insanu anna khalaqnahu min nutfatin fa-itha huwa khaseemun mubeenun |
77. Heeft de mens niet begrepen dat Wij hem hebben geschapen uit een levenskiem? Maar zie, hij is klaarblijkelijk een redetwister! |
|
036.078 Wadaraba lana mathalan wanasiya khalqahu qala man yuhyee alAAithama wahiya rameemun |
78. En hij zet Ons verhalen voor en vergeet zijn eigen ontstaan. Hij zegt: "Wie kan de beenderen doen herleven als zij vergaan zijn?" |
|
036.079 Qul yuhyeeha allathee anshaaha awwala marratin wahuwa bikulli khalqin AAaleemun |
79. Zeg: "Hij, Die hen voor de eerste keer schiep zal hen doen herleven; Hij heeft kennis van de gehele schepping. |
|
036.080 Allathee jaAAala lakum mina alshshajari al-akhdari naran fa-itha antum minhu tooqidoona |
80. Hij is het, Die uit een groene boom voor u vuur voortbrengt, en ziet, u steekt er (uw brandstof) van aan." |
|
036.081 Awa laysa allathee khalaqa alssamawati waal-arda biqadirin AAala an yakhluqa mithlahum bala wahuwa alkhallaqu alAAaleemu |
81. "Is Hij, Die de hemelen en de aarde schiep, niet in staat hun gelijken te scheppen?" Ja, inderdaad Hij is de Schepper, de Alwetende. |
|
036.082 Innama amruhu itha arada shay-an an yaqoola lahu kun fayakoonu |
82. Voorwaar, wanneer Hij Zich iets voorneemt is Zijn gebod slechts: "Wees", en het wordt. |
|
036.083 Fasubhana allathee biyadihi malakootu kulli shay-in wa-ilayhi turjaAAoona |
83. Glorie zij daarom Hem, in wiens hand de oppermacht over alle dingen is! En tot Hem zult u worden teruggebracht. |
www.kuran.nl