Az-Zochrof

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

حٰمٓ ۚ﴿ۛ۱﴾

043.001 Ha-meem

1. Haa Miem. H[aa?] M[iem].

وَ الۡکِتٰبِ الۡمُبِیۡنِ ۙ﴿ۛ۲﴾

043.002 Waalkitabi almubeeni

2. Bij het duidelijke Boek; Bij het duidelijke boek!

اِنَّا جَعَلۡنٰہُ قُرۡءٰنًا عَرَبِیًّا لَّعَلَّکُمۡ تَعۡقِلُوۡنَ ۚ﴿۳﴾

043.003 Inna jaAAalnahu qur-anan AAarabiyyan laAAallakum taAAqiloona

3. Voorzeker, Wij hebben het tot een duidelijke verkondiging gemaakt, opdat u het moogt begrijpen. Wij hebben het tot een Arabische Koran gemaakt; misschien zullen jullie verstandig worden.

وَ اِنَّہٗ فِیۡۤ اُمِّ الۡکِتٰبِ لَدَیۡنَا لَعَلِیٌّ حَکِیۡمٌ ؕ﴿۴﴾

043.004 Wa-innahu fee ommi alkitabi ladayna laAAaliyyun hakeemun

4. En voorwaar, dit is in het Boek van de Boeken bij Ons, verheven, vol van wijsheid. En het is in het oorspronkelijke boek bij Ons, verheven en wijs.

اَفَنَضۡرِبُ عَنۡکُمُ الذِّکۡرَ صَفۡحًا اَنۡ کُنۡتُمۡ قَوۡمًا مُّسۡرِفِیۡنَ ﴿۵﴾

043.005 Afanadribu AAankumu alththikra safhan an kuntum qawman musrifeena

5. Zullen Wij u dit dan niet in herinnering brengen, omdat u een buitensporig volk bent? Zullen Wij de vermaning dan aan jullie voorbij laten gaan omdat jullie onmatig zijn?

وَ کَمۡ اَرۡسَلۡنَا مِنۡ نَّبِیٍّ فِی الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿۶﴾

043.006 Wakam arsalna min nabiyyin fee al-awwaleena

6. Hoevele profeten hebben Wij tot de vroegere geslachten gezonden! Hoeveel profeten hebben Wij al niet gezonden onder hen die er eertijds waren.

وَ مَا یَاۡتِیۡہِمۡ مِّنۡ نَّبِیٍّ اِلَّا کَانُوۡا بِہٖ یَسۡتَہۡزِءُوۡنَ ﴿۷﴾

043.007 Wama ya/teehim min nabiyyin illa kanoo bihi yastahzi-oona

7. En er kwam tot hen nooit een profeet of zij bespotten hem. En er kwam geen profeet tot hen of zij dreven de spot met hem.

فَاَہۡلَکۡنَاۤ اَشَدَّ مِنۡہُمۡ بَطۡشًا وَّ مَضٰی مَثَلُ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿۸﴾

043.008 Faahlakna ashadda minhum batshan wamada mathalu al-awwaleena

8. Daarom vernietigden Wij de sterksten onder hen ofschoon het voorbeeld van de vroegere volkeren reeds voorafgegaan was. Toch hebben Wij er die meer macht dan jullie bezaten vernietigd en het voorbeeld van hen die er eertijds waren is al eerder toegepast.

وَ لَئِنۡ سَاَلۡتَہُمۡ مَّنۡ خَلَقَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ لَیَقُوۡلُنَّ خَلَقَہُنَّ الۡعَزِیۡزُ الۡعَلِیۡمُ ﴿ۙ۹﴾

043.009 Wala-in saaltahum man khalaqa alssamawati waal-arda layaqoolunna khalaqahunna alAAazeezu alAAaleemu

9. En indien u hun vraagt: "Wie schiep de hemelen en de aarde?" zullen zij zeker zeggen: "De Machtige, de Alwetende." Als jij hun vraagt wie de hemelen en de aarde heeft geschapen zeggen zij: "De machtige, de wetende heeft ze geschapene

الَّذِیۡ جَعَلَ لَکُمُ الۡاَرۡضَ مَہۡدًا وَّ جَعَلَ لَکُمۡ فِیۡہَا سُبُلًا لَّعَلَّکُمۡ تَہۡتَدُوۡنَ ﴿ۚ۱۰﴾

043.010 Allathee jaAAala lakumu al-arda mahdan wajaAAala lakum feeha subulan laAAallakum tahtadoona

10. Die de aarde voor u als wieg heeft gemaakt en uw wegen daarop (aangaf), opdat u de goede weg moogt volgen. Hij is het die voor jullie de aarde tot een wiegenbed heeft gemaakt en die daarop wegen heeft gemaakt -- opdat jullie je misschien de goede richting zullen laten wijzen --

وَ الَّذِیۡ نَزَّلَ مِنَ السَّمَآءِ مَآءًۢ بِقَدَرٍ ۚ فَاَنۡشَرۡنَا بِہٖ بَلۡدَۃً مَّیۡتًا ۚ کَذٰلِکَ تُخۡرَجُوۡنَ ﴿۱۱﴾

043.011 Waallathee nazzala mina alssama-i maan biqadarin faansharna bihi baldatan maytan kathalika tukhrajoona

11. En Die water in juiste maat van de hemel nederzendt, waardoor Wij een dood land doen herleven. Zo zult ook u worden opgewekt. en die uit de hemel met mate water heeft laten neerdalen -- Wij wekken daarmee dan een dode streek weer tot leven. Zo zullen jullie tevoorschijn worden gebracht --

وَ الَّذِیۡ خَلَقَ الۡاَزۡوَاجَ کُلَّہَا وَ جَعَلَ لَکُمۡ مِّنَ الۡفُلۡکِ وَ الۡاَنۡعَامِ مَا تَرۡکَبُوۡنَ ﴿ۙ۱۲﴾

043.012 Waallathee khalaqa al-azwaja kullaha wajaAAala lakum mina alfulki waal-anAAami ma tarkaboona

12. En Die alles in paren schiep en u schepen heeft gegeven en dieren waarop u rijdt, en die alle paren geschapen heeft en die voor jullie schepen gemaakt heeft en vee waarop jullie kunnen rijden,

لِتَسۡتَوٗا عَلٰی ظُہُوۡرِہٖ ثُمَّ تَذۡکُرُوۡا نِعۡمَۃَ رَبِّکُمۡ اِذَا اسۡتَوَیۡتُمۡ عَلَیۡہِ وَ تَقُوۡلُوۡا سُبۡحٰنَ الَّذِیۡ سَخَّرَ لَنَا ہٰذَا وَ مَا کُنَّا لَہٗ مُقۡرِنِیۡنَ ﴿ۙ۱۳﴾

043.013 Litastawoo AAala thuhoorihi thumma tathkuroo niAAmata rabbikum itha istawaytum AAalayhi wataqooloo subhana allathee sakhkhara lana hatha wama kunna lahu muqrineena

13. Opdat u stevig op hun rug moogt zitten en dan, wanneer u er stevig op zit, de gunst van uw Heer moogt gedenken en zeggen: "Glorie zij Hem, Die dit in onze dienst heeft gesteld want wij konden die zelf niet onderwerpen. opdat jullie er boven op plaats nemen. Gedenkt dan de genade van jullie Heer, wanneer jullie erop hebben plaats genomen en zeggen: "Geprezen zij Hij die dit voor ons dienstbaar heeft gemaakt; wij waren daartoe niet in staat.

وَ اِنَّاۤ اِلٰی رَبِّنَا لَمُنۡقَلِبُوۡنَ ﴿۱۴﴾

043.014 Wa-inna ila rabbina lamunqaliboona

14. En voorzeker wij moeten tot onze Heer wederkeren." Wij zullen zeker tot onze Heer omkeren."

وَ جَعَلُوۡا لَہٗ مِنۡ عِبَادِہٖ جُزۡءًا ؕ اِنَّ الۡاِنۡسَانَ لَکَفُوۡرٌ مُّبِیۡنٌ ﴿ؕ٪۱۵﴾

043.015 WajaAAaloo lahu min AAibadihi juz-an inna al-insana lakafoorun mubeenun

15. En sommigen maken van Zijn dienaren gelijken aan Allah. Waarlijk de mens is klaarblijkelijk ondankbaar. Maar zij maakten sommigen van Zijn dienaren tot een deel van Hem. De mens is werkelijk duidelijk ondankbaar.

اَمِ اتَّخَذَ مِمَّا یَخۡلُقُ بَنٰتٍ وَّ اَصۡفٰکُمۡ بِالۡبَنِیۡنَ ﴿۱۶﴾

043.016 Ami ittakhatha mimma yakhluqu banatin waasfakum bialbaneena

16. Heeft Hij uit de wezens die Hij schiep dochters genomen en u met zonen geerd? Of heeft Hij zich uit wat Hij schept dochters genomen en voor jullie de zonen uitgekozen?

وَ اِذَا بُشِّرَ اَحَدُہُمۡ بِمَا ضَرَبَ لِلرَّحۡمٰنِ مَثَلًا ظَلَّ وَجۡہُہٗ مُسۡوَدًّا وَّ ہُوَ کَظِیۡمٌ ﴿۱۷﴾

043.017 Wa-itha bushshira ahaduhum bima daraba lilrrahmani mathalan thalla wajhuhu muswaddan wahuwa katheemun

17. Maar wanneer aan een hunner nieuws wordt gegeven van hetgeen hij over de Barmhartige vertelt, is hij toornig en wordt zijn gelaat donker. Wanneer een van hen het goede nieuws krijgt van wat voor de Erbarmer kenmerkend zou zijn, dan betrekt zijn gezicht en is hij vol ingehouden woede.

اَوَ مَنۡ یُّنَشَّؤُا فِی الۡحِلۡیَۃِ وَ ہُوَ فِی الۡخِصَامِ غَیۡرُ مُبِیۡنٍ ﴿۱۸﴾

043.018 Awaman yunashshao fee alhilyati wahuwa fee alkhisami ghayru mubeenin

18. (Schrijft u iemand aan God toe) die omhangen met sieraden wordt grootgebracht en die zich bij een twist moeilijk kan uiten? Of zulken die in weelde worden grootgebracht en die zich in twistgesprekken niet duidelijk kunnen uitdrukken?

وَ جَعَلُوا الۡمَلٰٓئِکَۃَ الَّذِیۡنَ ہُمۡ عِبٰدُ الرَّحۡمٰنِ اِنَاثًا ؕ اَشَہِدُوۡا خَلۡقَہُمۡ ؕ سَتُکۡتَبُ شَہَادَتُہُمۡ وَ یُسۡـَٔلُوۡنَ ﴿۱۹﴾

043.019 WajaAAaloo almala-ikata allatheena hum AAibadu alrrahmani inathan ashahidoo khalqahum satuktabu shahadatuhum wayus-aloona

19. En zij maakten de engelen, die dienaren zijn van de Barmhartige, tot vrouwelijke wezens. Waren zij dan van hun schepping getuige? Hun getuigenis zal worden opgetekend en zij zullen tot rekenschap worden geroepen. Zij maken de engelen die de dienaren van de Erbarmer zijn tot vrouwelijke wezens. Waren zij soms getuige van hun schepping? Hun getuigenis zal worden opgeschreven en zij zullen worden ondervraagd.

وَ قَالُوۡا لَوۡ شَآءَ الرَّحۡمٰنُ مَا عَبَدۡنٰہُمۡ ؕ مَا لَہُمۡ بِذٰلِکَ مِنۡ عِلۡمٍ ٭ اِنۡ ہُمۡ اِلَّا یَخۡرُصُوۡنَ ﴿ؕ۲۰﴾

043.020 Waqaloo law shaa alrrahmanu ma AAabadnahum ma lahum bithalika min AAilmin in hum illa yakhrusoona

20. Zij zeggen: "Indien de Barmhartige had gewild zouden wij hen niet hebben aanbeden." Zij hebben daar in het geheel geen kennis van, zij vermoeden slechts. En zij zeggen: "Als de Erbarmer gewild had hadden wij hen niet gediend." Daar hebben zij geen weet van; zij gissen slechts.

اَمۡ اٰتَیۡنٰہُمۡ کِتٰبًا مِّنۡ قَبۡلِہٖ فَہُمۡ بِہٖ مُسۡتَمۡسِکُوۡنَ ﴿۲۱﴾

043.021 Am ataynahum kitaban min qablihi fahum bihi mustamsikoona

21. Hebben Wij hun ooit te voren een Boek gegeven waar zij zich aan vasthouden? Of hadden Wij hun vroeger al een boek gegeven waaraan zij kunnen vasthouden?

بَلۡ قَالُوۡۤا اِنَّا وَجَدۡنَاۤ اٰبَآءَنَا عَلٰۤی اُمَّۃٍ وَّ اِنَّا عَلٰۤی اٰثٰرِہِمۡ مُّہۡتَدُوۡنَ ﴿۲۲﴾

043.022 Bal qaloo inna wajadna abaana AAala ommatin wa-inna AAala atharihim muhtadoona

22. Nee, zij zeggen: "Wij zagen onze vaderen een godsdienst volgen en wij richten ons naar hun voetstappen." Welnee, maar zij zeggen: "Wij hebben gemerkt dat onze vaderen tot een [geloofs]gemeenschap behoorden en in hun spoor gaan wij in de goede richting."

وَ کَذٰلِکَ مَاۤ اَرۡسَلۡنَا مِنۡ قَبۡلِکَ فِیۡ قَرۡیَۃٍ مِّنۡ نَّذِیۡرٍ اِلَّا قَالَ مُتۡرَفُوۡہَاۤ ۙ اِنَّا وَجَدۡنَاۤ اٰبَآءَنَا عَلٰۤی اُمَّۃٍ وَّ اِنَّا عَلٰۤی اٰثٰرِہِمۡ مُّقۡتَدُوۡنَ ﴿۲۳﴾

043.023 Wakathalika ma arsalna min qablika fee qaryatin min natheerin illa qala mutrafooha inna wajadna abaana AAala ommatin wa-inna AAala atharihim muqtadoona

23. En evenzo zonden Wij geen waarschuwer naar een stad vr u of de rijken hiervan zeiden: "Wij zagen onze vaderen een godsdienst volgen, en wij treden in hun voetstappen." En zo hebben Wij vr jouw tijd geen waarschuwer naar een stad gezonden zonder dat haar inwoners die een luxeleven leidden zeiden: "Wij hebben gemerkt dat onze vaderen tot een [geloofs]gemeenschap behoorden en in hun spoor gaan wij verder." *

قٰلَ اَوَ لَوۡ جِئۡتُکُمۡ بِاَہۡدٰی مِمَّا وَجَدۡتُّمۡ عَلَیۡہِ اٰبَآءَکُمۡ ؕ قَالُوۡۤا اِنَّا بِمَاۤ اُرۡسِلۡتُمۡ بِہٖ کٰفِرُوۡنَ ﴿۲۴﴾

043.024 Qala awa law ji/tukum bi-ahda mimma wajadtum AAalayhi abaakum qaloo inna bima orsiltum bihi kafiroona

24. Zij (de boodschappers) zeiden: "Hoewel wij u een betere leiding brengen dan hetgeen u uw vaderen heeft zien volgen?" Zij zeiden: "Waarlijk, wij verwerpen datgene waarmede u gezonden bent." Hij zei: "En als ik dan tot jullie kom met een betere leidraad dan die waarvan jullie gemerkt hebben dat jullie vaderen zich eraan hielden?" Zij zeiden: "Waarmee jullie gezonden zijn, daaraan hechten wij geen geloof."

فَانۡتَقَمۡنَا مِنۡہُمۡ فَانۡظُرۡ کَیۡفَ کَانَ عَاقِبَۃُ الۡمُکَذِّبِیۡنَ ﴿٪۲۵﴾

043.025 Faintaqamna minhum faonthur kayfa kana AAaqibatu almukaththibeena

25. Daarom straften Wij hen; ziet dan hoe het einde van de loochenaars was, Dus namen Wij wraak op hen. En kijk dan hoe het einde was van de loochenaars!

وَ اِذۡ قَالَ اِبۡرٰہِیۡمُ لِاَبِیۡہِ وَ قَوۡمِہٖۤ اِنَّنِیۡ بَرَآءٌ مِّمَّا تَعۡبُدُوۡنَ ﴿ۙ۲۶﴾

043.026 Wa-ith qala ibraheemu li-abeehi waqawmihi innanee baraon mimma taAAbudoona

26. En (gedenkt) hoe Abraham tot zijn vader en zijn volk zei: "Ik heb voorzeker iets uitstaande met hetgeen u aanbidt, En toen Ibrahiem tot zijn vader en zijn volk zei: "Ik heb niets te maken met wat jullie dienen,

اِلَّا الَّذِیۡ فَطَرَنِیۡ فَاِنَّہٗ سَیَہۡدِیۡنِ ﴿۲۷﴾

043.027 Illa allathee fataranee fa-innahu sayahdeeni

27. MaarHij, Die mij schiep zal mij zeker leiden." maar alleen met Hem die mij geschapen heeft; Hij zal mij op het goede pad brengen."

وَ جَعَلَہَا کَلِمَۃًۢ بَاقِیَۃً فِیۡ عَقِبِہٖ لَعَلَّہُمۡ یَرۡجِعُوۡنَ ﴿۲۸﴾

043.028 WajaAAalaha kalimatan baqiyatan fee AAaqibihi laAAallahum yarjiAAoona

28. En Hij maakte dit een blijvende leer voor zijn nakomelingen, opdat zij zich mochten bekeren. Dat maakte hij tot een blijvende uitspraak in zijn nageslacht. Misschien zullen zij terugkeren.

بَلۡ مَتَّعۡتُ ہٰۤؤُلَآءِ وَ اٰبَآءَہُمۡ حَتّٰی جَآءَہُمُ الۡحَقُّ وَ رَسُوۡلٌ مُّبِیۡنٌ ﴿۲۹﴾

043.029 Bal mattaAAtu haola-i waabaahum hatta jaahumu alhaqqu warasoolun mubeenun

29. Waarlijk, Ik liet dezen en hun vaderen in welvaart leven totdat de Waarheid en een welsprekende boodschapper, die alles verduidelijkte, tot hen kwam. Maar Ik heb dezen daar en hun vaderen nog laten genieten totdat de waarheid en een duidelijke gezant tot hen kwamen.

وَ لَمَّا جَآءَہُمُ الۡحَقُّ قَالُوۡا ہٰذَا سِحۡرٌ وَّ اِنَّا بِہٖ کٰفِرُوۡنَ ﴿۳۰﴾

043.030 Walamma jaahumu alhaqqu qaloo hatha sihrun wa-inna bihi kafiroona

30. Maar nu de Waarheid tot hen is gekomen, zeggen zij: "Dit is tovenarij en wij zullen er niet in geloven." En toen de waarheid tot hen kwam zeiden zij: "Dit is toverij en wij hechten er geen geloof aan."

وَ قَالُوۡا لَوۡ لَا نُزِّلَ ہٰذَا الۡقُرۡاٰنُ عَلٰی رَجُلٍ مِّنَ الۡقَرۡیَتَیۡنِ عَظِیۡمٍ ﴿۳۱﴾

043.031 Waqaloo lawla nuzzila hatha alqur-anu AAala rajulin mina alqaryatayni AAatheemun

31. En men zegt: "Waarom is deze Kuran niet aan een groot man uit de twee steden geopenbaard?" En zij zeiden: "Had deze Koran niet tot een aanzienlijk man uit de beide steden neergezonden kunnen worden?"

اَہُمۡ یَقۡسِمُوۡنَ رَحۡمَتَ رَبِّکَ ؕ نَحۡنُ قَسَمۡنَا بَیۡنَہُمۡ مَّعِیۡشَتَہُمۡ فِی الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا وَ رَفَعۡنَا بَعۡضَہُمۡ فَوۡقَ بَعۡضٍ دَرَجٰتٍ لِّیَتَّخِذَ بَعۡضُہُمۡ بَعۡضًا سُخۡرِیًّا ؕ وَ رَحۡمَتُ رَبِّکَ خَیۡرٌ مِّمَّا یَجۡمَعُوۡنَ ﴿۳۲﴾

043.032 Ahum yaqsimoona rahmata rabbika nahnu qasamna baynahum maAAeeshatahum fee alhayati alddunya warafaAAna baAAdahum fawqa baAAdin darajatin liyattakhitha baAAduhum baAAdan sukhriyyan warahmatu rabbika khayrun mimma yajmaAAoona

32. Delen deze de barmhartigheid van uw Heer uit? Wij zijn het, Die in het tegenwoordige leven middelen van bestaan onder hen uitdelen en Wij verheffen sommigen hunner boven anderen in graden, opdat sommigen hunner anderen te werk mogen stellen. En de barmhartigheid van uw Heer is beter dan hetgeen zij vergaren. Verdelen zij soms de barmhartigheid van hun Heer? Wij zijn het die onder hen hun levensbehoeften in het tegenwoordige leven hebben verdeeld en wij hebben sommigen van hen hogere rangen dan anderen gegeven opdat de een de ander in dienst neemt. Maar de barmhartigheid van jouw Heer is beter dan wat zij bijeenbrengen.

وَ لَوۡ لَاۤ اَنۡ یَّکُوۡنَ النَّاسُ اُمَّۃً وَّاحِدَۃً لَّجَعَلۡنَا لِمَنۡ یَّکۡفُرُ بِالرَّحۡمٰنِ لِبُیُوۡتِہِمۡ سُقُفًا مِّنۡ فِضَّۃٍ وَّ مَعَارِجَ عَلَیۡہَا یَظۡہَرُوۡنَ ﴿ۙ۳۳﴾

043.033 Walawla an yakoona alnnasu ommatan wahidatan lajaAAalna liman yakfuru bialrrahmani libuyootihim suqufan min fiddatin wamaAAarija AAalayha yathharoona

33. Ware er niet (het gevaar) dat alle mensen n groep zouden vormen, Wij zouden voor degenen die de Barmhartige verwerpen, daken voor hun huizen en trappen waarop zij naar boven konden lopen van zilver hebben gemaakt, En als de mensen niet n gemeenschap waren geweest, dan hadden Wij aan hen die aan de Erbarmer geen geloof hechten voor hun huizen daken van zilver gegeven en trappen om omhoog te gaan,

وَ لِبُیُوۡتِہِمۡ اَبۡوَابًا وَّ سُرُرًا عَلَیۡہَا یَتَّکِـُٔوۡنَ ﴿ۙ۳۴﴾

043.034 Walibuyootihim abwaban wasururan AAalayha yattaki-oona

34. En deuren voor hun huizen; en rustbanken, waarop zij konden rusten, en deuren voor hun huizen en rustbanken waarop zij achteroverleunen,

وَ زُخۡرُفًا ؕ وَ اِنۡ کُلُّ ذٰلِکَ لَمَّا مَتَاعُ الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا ؕ وَ الۡاٰخِرَۃُ عِنۡدَ رَبِّکَ لِلۡمُتَّقِیۡنَ ﴿٪۳۵﴾

043.035 Wazukhrufan wa-in kullu thalika lamma mataAAu alhayati alddunya waal-akhiratu AAinda rabbika lilmuttaqeena

35. En versieringen. Maar dat alles is niets dan een voorziening voor het tegenwoordige leven, maar het Hiernamaals bij uw Heer is voor de godvruchtigen. en pracht en praal. Dat alles is slechts het vruchtgebruik van het tegenwoordige leven, maar het hiernamaals is bij jouw Heer voor de godvrezenden.

وَ مَنۡ یَّعۡشُ عَنۡ ذِکۡرِ الرَّحۡمٰنِ نُقَیِّضۡ لَہٗ شَیۡطٰنًا فَہُوَ لَہٗ قَرِیۡنٌ ﴿۳۶﴾

043.036 Waman yaAAshu AAan thikri alrrahmani nuqayyid lahu shaytanan fahuwa lahu qareenun

36. En wie zich van de aanbidding van de Barmhartige afkeert, achter hem zetten Wij een satan, die zijn metgezel wordt. En wie zich voor de vermaning van de Erbarmer blind houdt, voor hem maken Wij een satan die dan een kameraad voor hem is --

وَ اِنَّہُمۡ لَیَصُدُّوۡنَہُمۡ عَنِ السَّبِیۡلِ وَ یَحۡسَبُوۡنَ اَنَّہُمۡ مُّہۡتَدُوۡنَ ﴿۳۷﴾

043.037 Wa-innahum layasuddoonahum AAani alssabeeli wayahsaboona annahum muhtadoona

37. En voorwaar, deze leidt hem van de rechte weg af, en toch denkt hij dat hij juist geleid wordt. die zullen hun dan de weg versperren, maar zij denken dat zij op het goede pad zijn --

حَتّٰۤی اِذَا جَآءَنَا قَالَ یٰلَیۡتَ بَیۡنِیۡ وَ بَیۡنَکَ بُعۡدَ الۡمَشۡرِقَیۡنِ فَبِئۡسَ الۡقَرِیۡنُ ﴿۳۸﴾

043.038 Hatta itha jaana qala ya layta baynee wabaynaka buAAda almashriqayni fabi/sa alqareenu

38. Wanneer zo iemand bij Ons komt, zegt hij tegen zijn metgezel: "O, ware er tussen u en mij een afstand van het Oosten naar het Westen geweest. Wat is dit een boze metgezel!" en wanneer hij dan tot Ons komt, zegt hij: "Ach, was er tussen mij en U een afstand als tussen oost en west!" Dat is dus pas een slechte kameraad.

وَ لَنۡ یَّنۡفَعَکُمُ الۡیَوۡمَ اِذۡ ظَّلَمۡتُمۡ اَنَّکُمۡ فِی الۡعَذَابِ مُشۡتَرِکُوۡنَ ﴿۳۹﴾

043.039 Walan yanfaAAakumu alyawma ith thalamtum annakum fee alAAathabi mushtarikoona

39. Indien u onrechtvaardig handelde, zal het u heden niet baten dat u samen dezelfde straf ondergaat. Het zal jullie vandaag, omdat jullie onrecht gepleegd hebben, niet baten dat jullie deelgenoten in de bestraffing zijn.

اَفَاَنۡتَ تُسۡمِعُ الصُّمَّ اَوۡ تَہۡدِی الۡعُمۡیَ وَ مَنۡ کَانَ فِیۡ ضَلٰلٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۴۰﴾

043.040 Afaanta tusmiAAu alssumma aw tahdee alAAumya waman kana fee dalalin mubeenin

40. Kunt u dan de doven doen horen en de blinden en degenen die klaarblijkelijk dwalen, leiden? Kun jij dan de doven laten horen of de blinden en wie in duidelijke dwaling verkeren de goede richting wijzen?

فَاِمَّا نَذۡہَبَنَّ بِکَ فَاِنَّا مِنۡہُمۡ مُّنۡتَقِمُوۡنَ ﴿ۙ۴۱﴾

043.041 Fa-imma nathhabanna bika fa-inna minhum muntaqimoona

41. En indien Wij u wegnemen (uit hun midden) zullen Wij hen gewis bestraffen. Als Wij jou wegnemen, dan zullen Wij wraak op hen nemen,

اَوۡ نُرِیَنَّکَ الَّذِیۡ وَعَدۡنٰہُمۡ فَاِنَّا عَلَیۡہِمۡ مُّقۡتَدِرُوۡنَ ﴿۴۲﴾

043.042 Aw nuriyannaka allathee waAAadnahum fa-inna AAalayhim muqtadiroona

42. En indien Wij u datgene tonen waarmede Wij hen bedreigen dan voorzeker hebben Wij macht over hen. of Wij zullen jou wat Wij hun hebben aangezegd laten zien, want Wij hebben de macht over hen.

فَاسۡتَمۡسِکۡ بِالَّذِیۡۤ اُوۡحِیَ اِلَیۡکَ ۚ اِنَّکَ عَلٰی صِرَاطٍ مُّسۡتَقِیۡمٍ ﴿۴۳﴾

043.043 Faistamsik biallathee oohiya ilayka innaka AAala siratin mustaqeemin

43. Houd u daarom vast aan hetgeen u is geopenbaard; u bent voorzeker op het rechte pad. Houd vast aan wat aan jou is geopenbaard; jij bent op een juiste weg.

وَ اِنَّہٗ لَذِکۡرٌ لَّکَ وَ لِقَوۡمِکَ ۚ وَ سَوۡفَ تُسۡـَٔلُوۡنَ ﴿۴۴﴾

043.044 Wa-innahu lathikrun laka waliqawmika wasawfa tus-aloona

44. Waarlijk, het is een eer voor u en voor uw volk en u zult weldra (daarover) worden ondervraagd. Het is namelijk een vermaning voor jou en jouw volk en jullie zullen verantwoording moeten afleggen.

وَ سۡـَٔلۡ مَنۡ اَرۡسَلۡنَا مِنۡ قَبۡلِکَ مِنۡ رُّسُلِنَاۤ اَجَعَلۡنَا مِنۡ دُوۡنِ الرَّحۡمٰنِ اٰلِـہَۃً یُّعۡبَدُوۡنَ ﴿٪۴۵﴾

043.045 Wais-al man arsalna min qablika min rusulina ajaAAalna min dooni alrrahmani alihatan yuAAbadoona

45. En vraagt aan Onze boodschappers die Wij vr u zonden: "Stelden wij naast de Barmhartige andere goden om te worden aanbeden?" En vraag aan gezanten die Wij voor jouw tijd gezonden hebben of Wij in plaats van de Erbarmer goden gemaakt hebben die zij moeten dienen.

وَ لَقَدۡ اَرۡسَلۡنَا مُوۡسٰی بِاٰیٰتِنَاۤ اِلٰی فِرۡعَوۡنَ وَ مَلَا۠ئِہٖ فَقَالَ اِنِّیۡ رَسُوۡلُ رَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۴۶﴾

043.046 Walaqad arsalna moosa bi-ayatina ila firAAawna wamala-ihi faqala innee rasoolu rabbi alAAalameena

46. Wij zonden Mozes met Onze tekenen naar Pharao en zijn leiders, en hij zei: "Ik ben waarlijk een boodschapper van de Heer van de Werelden." Wij hebben Moesa met Onze tekenen naar Fir'aun en zijn raad van voornaamsten gezonden en hij zei: "Ik ben de gezant van de Heer van de wereldbewoners."

فَلَمَّا جَآءَہُمۡ بِاٰیٰتِنَاۤ اِذَا ہُمۡ مِّنۡہَا یَضۡحَکُوۡنَ ﴿۴۷﴾

043.047 Falamma jaahum bi-ayatina itha hum minha yadhakoona

47. Maar toen hij met Onze tekenen tot hen kwam, ziet, bespotten zij hem. Maar toen hij met Onze tekenen tot hen kwam, toen begonnen zij er meteen om te lachen.

وَ مَا نُرِیۡہِمۡ مِّنۡ اٰیَۃٍ اِلَّا ہِیَ اَکۡبَرُ مِنۡ اُخۡتِہَا ۫ وَ اَخَذۡنٰہُمۡ بِالۡعَذَابِ لَعَلَّہُمۡ یَرۡجِعُوۡنَ ﴿۴۸﴾

043.048 Wama nureehim min ayatin illa hiya akbaru min okhtiha waakhathnahum bialAAathabi laAAallahum yarjiAAoona

48. En Wij toonden hun geen teken of het ene was groter dan het andere en Wij deden hen een straf ondergaan opdat zij zich mochten bekeren. Toch lieten Wij hun alleen maar tekenen zien waarvan het ene nog groter was dan het andere. En Wij grepen hen met de bestraffing, opdat zij misschien terug zouden keren.

وَ قَالُوۡا یٰۤاَیُّہَ السّٰحِرُ ادۡعُ لَنَا رَبَّکَ بِمَا عَہِدَ عِنۡدَکَ ۚ اِنَّنَا لَمُہۡتَدُوۡنَ ﴿۴۹﴾

043.049 Waqaloo ya ayyuha alsahiru odAAu lana rabbaka bima AAahida AAindaka innana lamuhtadoona

49. En zij zeiden (tot Mozes): "O, u tovenaar, bid voor ons tot uw Heer overeenkomstig het verdrag dat Hij met u heeft gesloten, wij zullen zeker de leiding volgen. En zij zeiden: "O tovenaar, bid voor ons tot jouw Heer op grond van wat Hij jou opgedragen heeft, dan zullen wij het goede pad volgen."

فَلَمَّا کَشَفۡنَا عَنۡہُمُ الۡعَذَابَ اِذَا ہُمۡ یَنۡکُثُوۡنَ ﴿۵۰﴾

043.050 Falamma kashafna AAanhumu alAAathaba itha hum yankuthoona

50. Maar toen Wij de straf van hen wegnamen, ziet, zij braken hun woord. Maar toen Wij de bestraffing voor hen ophieven, braken zij meteen hun woord.

وَ نَادٰی فِرۡعَوۡنُ فِیۡ قَوۡمِہٖ قَالَ یٰقَوۡمِ اَلَیۡسَ لِیۡ مُلۡکُ مِصۡرَ وَ ہٰذِہِ الۡاَنۡہٰرُ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِیۡ ۚ اَفَلَا تُبۡصِرُوۡنَ ﴿ؕ۵۱﴾

043.051 Wanada firAAawnu fee qawmihi qala ya qawmi alaysa lee mulku misra wahathihi al-anharu tajree min tahtee afala tubsiroona

51. En Pharao riep tot zijn volk: "O, mijn volk! Behoort het koninkrijk van Egypte niet aan mij toe? En stromen deze rivieren niet op mijn bevel? Kunt, u dat niet inzien? En Fir'aun liet onder zijn volk omroepen: "Mijn volk, heb ik niet de heerschappij over Egypte en deze rivieren die beneden mij langsstromen? Hebben jullie dan geen inzicht?

اَمۡ اَنَا خَیۡرٌ مِّنۡ ہٰذَا الَّذِیۡ ہُوَ مَہِیۡنٌ ۬ۙ وَّ لَا یَکَادُ یُبِیۡنُ ﴿۵۲﴾

043.052 Am ana khayrun min hatha allathee huwa maheenun wala yakadu yubeenu

52. Of ben ik niet beter dan deze onaanzienlijke man die zich nauwelijks kan uitdrukken? Is het niet zo dat ik beter ben dan deze hier die verachtelijk is en die zich nauwelijks kan uitdrukken?

فَلَوۡ لَاۤ اُلۡقِیَ عَلَیۡہِ اَسۡوِرَۃٌ مِّنۡ ذَہَبٍ اَوۡ جَآءَ مَعَہُ الۡمَلٰٓئِکَۃُ مُقۡتَرِنِیۡنَ ﴿۵۳﴾

043.053 Falawla olqiya AAalayhi aswiratun min thahabin aw jaa maAAahu almala-ikatu muqtarineena

53. Waarom zijn hem dan geen armbanden van goud geschonken of komen engelen niet in processie met hem?" Als hem nu armbanden van goud waren omgehangen of de engelen als begeleiding met hem waren meegekomen?"

فَاسۡتَخَفَّ قَوۡمَہٗ فَاَطَاعُوۡہُ ؕ اِنَّہُمۡ کَانُوۡا قَوۡمًا فٰسِقِیۡنَ ﴿۵۴﴾

043.054 Faistakhaffa qawmahu faataAAoohu innahum kanoo qawman fasiqeena

54. Zo maakte hij zijn volk tot dwazen en zij gehoorzaamden hem. Zij waren inderdaad een overtredend volk. Zo bracht hij zijn volk aan het weifelen en zij gehoorzaamden hem; zij waren verdorven mensen.

فَلَمَّاۤ اٰسَفُوۡنَا انۡتَقَمۡنَا مِنۡہُمۡ فَاَغۡرَقۡنٰہُمۡ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿ۙ۵۵﴾

043.055 Falamma asafoona intaqamna minhum faaghraqnahum ajmaAAeena

55. Toen zij Ons vertoornden, straften Wij hen en verdronken hen allen. Toen zij Ons dan kwaad gemaakt hadden namen Wij wraak op hen en verdronken hen allen tezamen.

فَجَعَلۡنٰہُمۡ سَلَفًا وَّ مَثَلًا لِّلۡاٰخِرِیۡنَ ﴿٪۵۶﴾

043.056 FajaAAalnahum salafan wamathalan lil-akhireena

56. Wij deden hen vergaan en maakten dit tot een voorbeeld voor de komende (geslachten). Zo maakten Wij hen tot voorlopers en voorbeeld voor de lateren.

وَ لَمَّا ضُرِبَ ابۡنُ مَرۡیَمَ مَثَلًا اِذَا قَوۡمُکَ مِنۡہُ یَصِدُّوۡنَ ﴿۵۷﴾

043.057 Walamma duriba ibnu maryama mathalan itha qawmuka minhu yasiddoona

57. En wanneer de zoon van Maria als voorbeeld wordt genoemd, ziet, uw volk rijst op en keerde zich of in ofschuw. En toen de zoon van Marjam als voorbeeld werd aangehaald, begon jouw volk daarover meteen te schreeuwen.

وَ قَالُوۡۤاءَ اٰلِہَتُنَا خَیۡرٌ اَمۡ ہُوَ ؕ مَا ضَرَبُوۡہُ لَکَ اِلَّا جَدَلًا ؕ بَلۡ ہُمۡ قَوۡمٌ خَصِمُوۡنَ ﴿۵۸﴾

043.058 Waqaloo aalihatuna khayrun am huwa ma daraboohu laka illa jadalan bal hum qawmun khasimoona

58. En zij roepen: "Zijn onze goden beter of is hij beter?" Zij zeggen dit tot u alleen om te twisten. Waarlijk zij zijn een twistziek volk. En zij zeiden: "Zijn onze goden beter of hij?" Maar zij haalden hem alleen maar als voorbeeld aan om te twisten. Ja zeker, zij zijn twistzieke mensen.

اِنۡ ہُوَ اِلَّا عَبۡدٌ اَنۡعَمۡنَا عَلَیۡہِ وَ جَعَلۡنٰہُ مَثَلًا لِّبَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ ﴿ؕ۵۹﴾

043.059 In huwa illa AAabdun anAAamna AAalayhi wajaAAalnahu mathalan libanee isra-eela

59. Hij (Jezus) is niets dan een dienaar wie Wij Onze gunst schonken en Wij stelden hem tot voorbeeld voor de kinderen van Isral. Hij is slechts een dienaar aan wie Wij genade geschonken hebben en die Wij tot een voorbeeld voor de Isralieten hebben gemaakt.

وَ لَوۡ نَشَآءُ لَجَعَلۡنَا مِنۡکُمۡ مَّلٰٓئِکَۃً فِی الۡاَرۡضِ یَخۡلُفُوۡنَ ﴿۶۰﴾

043.060 Walaw nashao lajaAAalna minkum mala-ikatan fee al-ardi yakhlufoona

60. En indien Wij het wilden, konden Wij engelen uit uw midden tot opvolgers op aarde maken. En als Wij wilden hadden Wij uit jullie midden engelen gemaakt die jullie op de aarde hadden opgevolgd.

وَ اِنَّہٗ لَعِلۡمٌ لِّلسَّاعَۃِ فَلَا تَمۡتَرُنَّ بِہَا وَ اتَّبِعُوۡنِ ؕ ہٰذَا صِرَاطٌ مُّسۡتَقِیۡمٌ ﴿۶۱﴾

043.061 Wa-innahu laAAilmun lilssaAAati fala tamtarunna biha waittabiAAooni hatha siratun mustaqeemun

61. Maar dit is een teken van het Uur. Twijfelt er daarom niet aan, maar volgt Mij. Dit is het rechte pad. En hij is een kenteken voor het uur. Twijfelt er dus niet aan en volgt mij; dat is een juiste weg.

وَ لَا یَصُدَّنَّکُمُ الشَّیۡطٰنُ ۚ اِنَّہٗ لَکُمۡ عَدُوٌّ مُّبِیۡنٌ ﴿۶۲﴾

043.062 Wala yasuddannakumu alshshaytanu innahu lakum AAaduwwun mubeenun

62. En laat Satan u niet verleiden. Voorzeker, hij is voor u een openlijke vijand. En laat de satan jullie er niet van afhouden; hij is voor jullie een verklaarde vijand.

وَ لَمَّا جَآءَ عِیۡسٰی بِالۡبَیِّنٰتِ قَالَ قَدۡ جِئۡتُکُمۡ بِالۡحِکۡمَۃِ وَ لِاُبَیِّنَ لَکُمۡ بَعۡضَ الَّذِیۡ تَخۡتَلِفُوۡنَ فِیۡہِ ۚ فَاتَّقُوا اللّٰہَ وَ اَطِیۡعُوۡنِ ﴿۶۳﴾

043.063 Walamma jaa AAeesa bialbayyinati qala qad ji/tukum bialhikmati wali-obayyina lakum baAAda allathee takhtalifoona feehi faittaqoo Allaha waateeAAooni

63. Toen Jezus met duidelijke bewijzen kwam, zei hij: "Waarlijk ik ben met wijsheid tot u gekomen opdat ik u iets van hetgeen waarover u onderling verschilt duidelijk moge maken. Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij. Toen 'Isa met de duidelijke bewijzen kwam zei hij: "Ik ben met de wijsheid tot jullie gekomen en ik zal jullie enige van de dingen waarover jullie het oneens zijn duidelijk maken. En vreest Allah en gehoorzaamt mij.

اِنَّ اللّٰہَ ہُوَ رَبِّیۡ وَ رَبُّکُمۡ فَاعۡبُدُوۡہُ ؕ ہٰذَا صِرَاطٌ مُّسۡتَقِیۡمٌ ﴿۶۴﴾

043.064 Inna Allaha huwa rabbee warabbukum faoAAbudoohu hatha siratun mustaqeemun

64. Voorwaar, Allah is mijn Heer en uw Heer. Dient Hem daarom. Dit is het rechte pad." Allah is mijn Heer en Hij is jullie Heer. Dient Hem dus, dat is een juiste weg."

فَاخۡتَلَفَ الۡاَحۡزَابُ مِنۡۢ بَیۡنِہِمۡ ۚ فَوَیۡلٌ لِّلَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡا مِنۡ عَذَابِ یَوۡمٍ اَلِیۡمٍ ﴿۶۵﴾

043.065 Faikhtalafa al-ahzabu min baynihim fawaylun lillatheena thalamoo min AAathabi yawmin aleemin

65. Maar vele groepen uit hun midden werden onenig. Wee de onrechtvaardigen wegens de straf van een smartelijke Dag! Maar de partijen waren het onderling oneens. Wee dus hen die onrecht plegen wegens de bestraffing op een pijnlijke dag.

ہَلۡ یَنۡظُرُوۡنَ اِلَّا السَّاعَۃَ اَنۡ تَاۡتِیَہُمۡ بَغۡتَۃً وَّ ہُمۡ لَا یَشۡعُرُوۡنَ ﴿۶۶﴾

043.066 Hal yanthuroona illa alssaAAata an ta/tiyahum baghtatan wahum la yashAAuroona

66. Zij wachten slechts tot het Uur plotseling over hen komt, terwijl zij het niet voorzien. Verwachten zij dan iets anders dan dat het uur onverwachts tot hen komt zonder dat zij het beseffen?

اَلۡاَخِلَّآءُ یَوۡمَئِذٍۭ بَعۡضُہُمۡ لِبَعۡضٍ عَدُوٌّ اِلَّا الۡمُتَّقِیۡنَ ﴿ؕ٪۶۷﴾

043.067 Al-akhillao yawma-ithin baAAduhum libaAAdin AAaduwwun illa almuttaqeena

67. Vrienden zullen op die Dag elkanders vijanden zijn. Maar de godvruchtigen: Vrienden zullen op die dag elkaar tot vijand zijn, alleen de godvrezenden niet.

یٰعِبَادِ لَا خَوۡفٌ عَلَیۡکُمُ الۡیَوۡمَ وَ لَاۤ اَنۡتُمۡ تَحۡزَنُوۡنَ ﴿ۚ۶۸﴾

043.068 Ya AAibadi la khawfun AAalaykumu alyawma wala antum tahzanoona

68. "O Mijn dienaren, geen vrees zal op deze Dag over u komen noch zult u treuren. "Mijn dienaren! Jullie hebben niets te vrezen noch zullen jullie bedroefd zijn.

اَلَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا بِاٰیٰتِنَا وَ کَانُوۡا مُسۡلِمِیۡنَ ﴿ۚ۶۹﴾

043.069 Allatheena amanoo bi-ayatina wakanoo muslimeena

69. Die in Onze tekenen geloofde en onderdanig was. Jullie die in Onze tekenen geloofden en zich [aan Allah] hadden overgegeven,

اُدۡخُلُوا الۡجَنَّۃَ اَنۡتُمۡ وَ اَزۡوَاجُکُمۡ تُحۡبَرُوۡنَ ﴿۷۰﴾

043.070 Odkhuloo aljannata antum waazwajukum tuhbaroona

70. Gaat het paradijs binnen, u en uw echtgenoten, gelukkig zijnde. gaat de tuin binnen, jullie en jullie echtgenotes, om verblijd te worden."

یُطَافُ عَلَیۡہِمۡ بِصِحَافٍ مِّنۡ ذَہَبٍ وَّ اَکۡوَابٍ ۚ وَ فِیۡہَا مَا تَشۡتَہِیۡہِ الۡاَنۡفُسُ وَ تَلَذُّ الۡاَعۡیُنُ ۚ وَ اَنۡتُمۡ فِیۡہَا خٰلِدُوۡنَ ﴿ۚ۷۱﴾

043.071 Yutafu AAalayhim bisihafin min thahabin waakwabin wafeeha ma tashtaheehi al-anfusu watalaththu al-aAAyunu waantum feeha khalidoona

71. Er zullen gouden schalen en bekers worden rondgereikt en er zal daarin alles zijn wat de zielen zich wensen en waar de ogen van genieten. En u zult daarin vertoeven. Bij hen worden schotels van goud en bekers rondgegeven. En daarin is wat de zielen begeren en wat aangenaam voor de ogen is. "En jullie zullen daarin altijd blijven.

وَ تِلۡکَ الۡجَنَّۃُ الَّتِیۡۤ اُوۡرِثۡتُمُوۡہَا بِمَا کُنۡتُمۡ تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۷۲﴾

043.072 Watilka aljannatu allatee oorithtumooha bima kuntum taAAmaloona

72. Dit is de Tuin, die u is gegeven (als beloning) voor hetgeen u deedt. Dat is de tuin die jullie berfd hebben voor wat jullie hebben gedaan.

لَکُمۡ فِیۡہَا فَاکِہَۃٌ کَثِیۡرَۃٌ مِّنۡہَا تَاۡکُلُوۡنَ ﴿۷۳﴾

043.073 Lakum feeha fakihatun katheeratun minha ta/kuloona

73. Er is daarin een overvloed van fruit voor u waarvan u kunt eten." Jullie hebben daarin veel vruchten waarvan jullie kunnen eten."

اِنَّ الۡمُجۡرِمِیۡنَ فِیۡ عَذَابِ جَہَنَّمَ خٰلِدُوۡنَ ﴿ۚۖ۷۴﴾

043.074 Inna almujrimeena fee AAathabi jahannama khalidoona

74. De schuldigen zullen gewis de kastijding van de hel blijven ondergaan. De boosdoeners zullen altijd in de bestraffing van de hel blijven.

لَا یُفَتَّرُ عَنۡہُمۡ وَ ہُمۡ فِیۡہِ مُبۡلِسُوۡنَ ﴿ۚ۷۵﴾

043.075 La yufattaru AAanhum wahum feehi mublisoona

75. En deze zal voor hen niet verlicht worden en zij zullen daarin vertwijfelen. Zij zal voor hen niet getemperd worden en zij zullen in wanhoop terneergeslagen zijn.

وَ مَا ظَلَمۡنٰہُمۡ وَ لٰکِنۡ کَانُوۡا ہُمُ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۷۶﴾

043.076 Wama thalamnahum walakin kanoo humu alththalimeena

76. Wij deden hun geen onrecht, maar zij waren het die zichzelf onrecht plachten te doen. En Wij hebben hun geen onrecht aangedaan, maar zij waren het die onrecht pleegden.

وَ نَادَوۡا یٰمٰلِکُ لِیَقۡضِ عَلَیۡنَا رَبُّکَ ؕ قَالَ اِنَّکُمۡ مّٰکِثُوۡنَ ﴿۷۷﴾

043.077 Wanadaw ya maliku liyaqdi AAalayna rabbuka qala innakum makithoona

77. En zij zullen schreeuwen: "O, Malik, laat uw Heer een einde aan ons maken." Deze zal antwoorden: "U moet blijven." En zij roepen: "O Malik, laat jouw Heer een einde aan ons maken." Hij zegt: "Jullie blijven hier."

لَقَدۡ جِئۡنٰکُمۡ بِالۡحَقِّ وَ لٰکِنَّ اَکۡثَرَکُمۡ لِلۡحَقِّ کٰرِہُوۡنَ ﴿۷۸﴾

043.078 Laqad ji/nakum bialhaqqi walakinna aktharakum lilhaqqi karihoona

78. Wij brachten u zeker de Waarheid maar de meesten uwer waren er afkerig van. Wij hebben jullie de waarheid gebracht, maar de meesten van jullie verafschuwen de waarheid.

اَمۡ اَبۡرَمُوۡۤا اَمۡرًا فَاِنَّا مُبۡرِمُوۡنَ ﴿ۚ۷۹﴾

043.079 Am abramoo amran fa-inna mubrimoona

79. Hebben zij een richting bepaald? Dan doen Wij dat ook. Of hebben zij een of ander plan gemaakt? Wij kunnen ook plannen maken.

اَمۡ یَحۡسَبُوۡنَ اَنَّا لَا نَسۡمَعُ سِرَّہُمۡ وَ نَجۡوٰىہُمۡ ؕ بَلٰی وَ رُسُلُنَا لَدَیۡہِمۡ یَکۡتُبُوۡنَ ﴿۸۰﴾

043.080 Am yahsaboona anna la nasmaAAu sirrahum wanajwahum bala warusuluna ladayhim yaktuboona

80. Denken zij dat Wij hun heimelijk overleg en hun beraadslaging niet horen? Ja zeker! Onze boodschappers bij hen schrijven alles op. Of rekenen zij erop dat Wij hun geheime en vertrouwelijke gesprekken niet horen? Zeker wel, en Onze gezanten schrijven het bij hen op.

قُلۡ اِنۡ کَانَ لِلرَّحۡمٰنِ وَلَدٌ ٭ۖ فَاَنَا اَوَّلُ الۡعٰبِدِیۡنَ ﴿۸۱﴾

043.081 Qul in kana lilrrahmani waladun faana awwalu alAAabideena

81. Indien de Barmhartige een zoon had, dan zou ik de eerste van de aanbidders zijn. Zeg: "Als de Erbarmer een kind had zou ik de eerste van de aanbidders zijn.

سُبۡحٰنَ رَبِّ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ رَبِّ الۡعَرۡشِ عَمَّا یَصِفُوۡنَ ﴿۸۲﴾

043.082 Subhana rabbi alssamawati waal-ardi rabbi alAAarshi AAamma yasifoona

82. Verheven is de Heer van de hemelen en van de aarde, de Heer van de Troon, boven al hetgeen zij vertellen. Geprezen zij de Heer van de hemelen en de aarde, de Heer van de troon, en verheven is Hij boven wat zij toeschrijven."

فَذَرۡہُمۡ یَخُوۡضُوۡا وَ یَلۡعَبُوۡا حَتّٰی یُلٰقُوۡا یَوۡمَہُمُ الَّذِیۡ یُوۡعَدُوۡنَ ﴿۸۳﴾

043.083 Fatharhum yakhoodoo wayalAAaboo hatta yulaqoo yawmahumu allathee yooAAadoona

83. Laat hen praten en zich vermaken totdat de Dag komt die hun is beloofd. Laat hen maar kletsen en schertsen totdat zij hun dag tegenkomen die hun wordt aangezegd.

وَ ہُوَ الَّذِیۡ فِی السَّمَآءِ اِلٰہٌ وَّ فِی الۡاَرۡضِ اِلٰہٌ ؕ وَ ہُوَ الۡحَکِیۡمُ الۡعَلِیۡمُ ﴿۸۴﴾

043.084 Wahuwa allathee fee alssama-i ilahun wafee al-ardi ilahun wahuwa alhakeemu alAAaleemu

84. En Hij is God in de hemel en op aarde en Hij is de Alwijze, de Alwetende, En Hij is het die in de hemel god is en die op de aarde god is; Hij is de wijze, de wetende.

وَ تَبٰرَکَ الَّذِیۡ لَہٗ مُلۡکُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ وَ مَا بَیۡنَہُمَا ۚ وَ عِنۡدَہٗ عِلۡمُ السَّاعَۃِ ۚ وَ اِلَیۡہِ تُرۡجَعُوۡنَ ﴿۸۵﴾

043.085 Watabaraka allathee lahu mulku alssamawati waal-ardi wama baynahuma waAAindahu AAilmu alssaAAati wa-ilayhi turjaAAoona

85. En zalig is Hij, Wie het Koninkrijk van de hemelen en van de aarde en alles, wat er tussen is, toebehoort, en bij Hem is de kennis van het Uur, en tot Hem zult u worden teruggebracht. Gezegend zij Hij die de heerschappij heeft over de hemelen en de aarde en wat er tussen beide is. En bij Hem is de kennis over het uur en tot Hem worden jullie teruggebracht.

وَ لَا یَمۡلِکُ الَّذِیۡنَ یَدۡعُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِہِ الشَّفَاعَۃَ اِلَّا مَنۡ شَہِدَ بِالۡحَقِّ وَ ہُمۡ یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۸۶﴾

043.086 Wala yamliku allatheena yadAAoona min doonihi alshshafaAAata illa man shahida bialhaqqi wahum yaAAlamoona

86. En degenen die zij naast Allah aanroepen bezitten geen macht tot bemiddeling, behalve hij, die de Waarheid getuigt; en dat weten zij. Zij die jullie in plaats van Hem aanroepen beschikken niet over voorspraak, behalve zij die van de waarheid getuigen en die kennis hebben.

وَ لَئِنۡ سَاَلۡتَہُمۡ مَّنۡ خَلَقَہُمۡ لَیَقُوۡلُنَّ اللّٰہُ فَاَنّٰی یُؤۡفَکُوۡنَ ﴿ۙ۸۷﴾

043.087 Wala-in saaltahum man khalaqahum layaqoolunna Allahu faanna yu/fakoona

87. En indien u hun vraagt: "Wie schiep hen?", zullen zij zeker zeggen: "Allah ". Waarheen worden zij dan afgewend? En als jij hun vraagt wie hen geschapen heeft zeggen zij: "Allah." Hoe kunnen zij dan zo zijn afgeleid?

وَ قِیۡلِہٖ یٰرَبِّ اِنَّ ہٰۤؤُلَآءِ قَوۡمٌ لَّا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿ۘ۸۸﴾

043.088 Waqeelihi ya rabbi inna haola-i qawmun la yu/minoona

88. En zijn (des Profeten) gezegde: "O, mijn Heer, dit is een volk dat niet gelooft." En [bij Hem is de kennis ] erover dat hij zegt: "Mijn Heer, dezen hier zijn mensen die niet geloven."

فَاصۡفَحۡ عَنۡہُمۡ وَ قُلۡ سَلٰمٌ ؕ فَسَوۡفَ یَعۡلَمُوۡنَ ﴿٪۸۹﴾

043.089 Faisfah AAanhum waqul salamun fasawfa yaAAlamoona

89. Wend u dan van hen af en zeg: "Vrede": en weldra zullen zij (hun dwaijling) te weten komen. Schenk maar geen aandacht aan hen en zeg: "Vrede". Zij zullen het weten!


www.kuran.nl