Al-Djaasi'jah

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

حٰمٓ ۚ﴿۱﴾

045.001 Ha-meem

1. Haa Miem. H[aa?] M[iem].

تَنۡزِیۡلُ الۡکِتٰبِ مِنَ اللّٰہِ الۡعَزِیۡزِ الۡحَکِیۡمِ ﴿۲﴾

045.002 Tanzeelu alkitabi mina Allahi alAAazeezi alhakeemi

2. De openbaring van dit Boek is van Allah, de Almachtige, de Alwijze. De neerzending van het boek is gebeurd door Allah, de machtige, de wijze.

اِنَّ فِی السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ لَاٰیٰتٍ لِّلۡمُؤۡمِنِیۡنَ ؕ﴿۳﴾

045.003 Inna fee alssamawati waal-ardi laayatin lilmu/mineena

3. Voorwaar, in de hemelen en op aarde zijn tekenen voor de gelovigen. In de hemelen en de aarde zijn zeker tekenen voor de gelovigen.

وَ فِیۡ خَلۡقِکُمۡ وَ مَا یَبُثُّ مِنۡ دَآبَّۃٍ اٰیٰتٌ لِّقَوۡمٍ یُّوۡقِنُوۡنَ ۙ﴿۴﴾

045.004 Wafee khalqikum wama yabuththu min dabbatin ayatun liqawmin yooqinoona

4. En in de schepping van uzelf en alle medeschepselen, die Hij verspreidt (over de aarde), zijn tekenen voor een volk dat zekerheid van geloof wil hebben. Ook in jullie schepping en de dieren die Hij heeft verspreid zijn tekenen voor mensen die vast overtuigd zijn.

وَ اخۡتِلَافِ الَّیۡلِ وَ النَّہَارِ وَ مَاۤ اَنۡزَلَ اللّٰہُ مِنَ السَّمَآءِ مِنۡ رِّزۡقٍ فَاَحۡیَا بِہِ الۡاَرۡضَ بَعۡدَ مَوۡتِہَا وَ تَصۡرِیۡفِ الرِّیٰحِ اٰیٰتٌ لِّقَوۡمٍ یَّعۡقِلُوۡنَ ﴿۵﴾

045.005 Waikhtilafi allayli waalnnahari wama anzala Allahu mina alssama-i min rizqin faahya bihi al-arda baAAda mawtiha watasreefi alrriyahi ayatun liqawmin yaAAqiloona

5. En in de wisseling van nacht en dag en de voorziening die Allah uit de hemel nederzendt waardoor Hij de aarde doet herleven na haar dood en in de verandering van de winden, zijn eveneens tekenen voor een volk, dat zijn verstand gebruikt. En in het verschil van nacht en dag en in wat Allah als levensonderhoud uit de hemel heeft laten neerdalen en waarmee Hij de aarde weer laat herleven nadat zij dood was en in het besturen van de winden zijn tekenen voor mensen die verstandig zijn.

تِلۡکَ اٰیٰتُ اللّٰہِ نَتۡلُوۡہَا عَلَیۡکَ بِالۡحَقِّ ۚ فَبِاَیِّ حَدِیۡثٍۭ بَعۡدَ اللّٰہِ وَ اٰیٰتِہٖ یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۶﴾

045.006 Tilka ayatu Allahi natlooha AAalayka bialhaqqi fabi-ayyi hadeethin baAAda Allahi waayatihi yu/minoona

6. Dit zijn de tekenen van Allah, die wij naar waarheid aan u voordragen. In welk woord buiten Allah en Zijn tekenen zullen zij dan geloven? Dat zijn Allah's tekenen. Wij lezen ze aan jou in waarheid voor. Aan welk bericht zullen zij dan na [dat van] Allah en Zijn tekenen nog geloven?

وَیۡلٌ لِّکُلِّ اَفَّاکٍ اَثِیۡمٍ ۙ﴿۷﴾

045.007 Waylun likulli affakin atheemin

7. Wee elke zondige leugenaar, Wee elke zondige lasteraar,

یَّسۡمَعُ اٰیٰتِ اللّٰہِ تُتۡلٰی عَلَیۡہِ ثُمَّ یُصِرُّ مُسۡتَکۡبِرًا کَاَنۡ لَّمۡ یَسۡمَعۡہَا ۚ فَبَشِّرۡہُ بِعَذَابٍ اَلِیۡمٍ ﴿۸﴾

045.008 YasmaAAu ayati Allahi tutla AAalayhi thumma yusirru mustakbiran kaan lam yasmaAAha fabashshirhu biAAathabin aleemin

8. Die de woorden van Allah, die hem worden voorgedragen, hoort en niettemin minachtend ze trotseert alsof hij ze niet hoorde. - Geef hem tijding van een pijnlijke straf. - die Allah's tekenen die Wij aan hem voorlezen hoort en dan in zijn hoogmoed volhardt alsof hij het niet gehoord had. Verkondig hem dus een pijnlijke bestraffing.

وَ اِذَا عَلِمَ مِنۡ اٰیٰتِنَا شَیۡئَۨا اتَّخَذَہَا ہُزُوًا ؕ اُولٰٓئِکَ لَہُمۡ عَذَابٌ مُّہِیۡنٌ ؕ﴿۹﴾

045.009 Wa-itha AAalima min ayatina shay-an ittakhathaha huzuwan ola-ika lahum AAathabun muheenun

9. En die, wanneer hij van Onze tekenen kennis krijgt ermee spot. Voor dezulken is er een vernederende straf. En wanneer hij iets van Onze tekenen weet dan drijft hij de spot ermee. Zij zijn het voor wie er een vernederende bestraffing is.

مِنۡ وَّرَآئِہِمۡ جَہَنَّمُ ۚ وَ لَا یُغۡنِیۡ عَنۡہُمۡ مَّا کَسَبُوۡا شَیۡئًا وَّ لَا مَا اتَّخَذُوۡا مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ اَوۡلِیَآءَ ۚ وَ لَہُمۡ عَذَابٌ عَظِیۡمٌ ﴿ؕ۱۰﴾

045.010 Min wara-ihim jahannamu wala yughnee AAanhum ma kasaboo shay-an wala ma ittakhathoo min dooni Allahi awliyaa walahum AAathabun AAatheemun

10. Zij hebben de hel in het vooruitzicht; hetgeen zij verwierven zal hen niet baten noch de afgoden die zij buiten Allah tot beschermers namen, terwijl zij een grote straf zullen ontvangen. Achter hen is de hel en wat zij zich verworven hebben baat hun niets, noch wat zij zich in plaats van Allah als beschermers genomen hebben; voor hen is er een geweldige bestraffing.

ہٰذَا ہُدًی ۚ وَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا بِاٰیٰتِ رَبِّہِمۡ لَہُمۡ عَذَابٌ مِّنۡ رِّجۡزٍ اَلِیۡمٌ ﴿٪۱۱﴾

045.011 Hatha hudan waallatheena kafaroo bi-ayati rabbihim lahum AAathabun min rijzin aleemin

11. Dit is de leiding. En voor degenen die de tekenen van hun Heer verwerpen, is de kwelling van een pijnlijke straf gereed. Dit is een leidraad en voor hen die geen geloof hechten aan de tekenen van hun Heer is er een bestraffing door een pijnlijke plaag.

اَللّٰہُ الَّذِیۡ سَخَّرَ لَکُمُ الۡبَحۡرَ لِتَجۡرِیَ الۡفُلۡکُ فِیۡہِ بِاَمۡرِہٖ وَ لِتَبۡتَغُوۡا مِنۡ فَضۡلِہٖ وَ لَعَلَّکُمۡ تَشۡکُرُوۡنَ ﴿ۚ۱۲﴾

045.012 Allahu allathee sakhkhara lakumu albahra litajriya alfulku feehi bi-amrihi walitabtaghoo min fadlihi walaAAallakum tashkuroona

12. Allah is Hij, Die de zee in uw dienst heeft gesteld, zodat schepen er op varen door Zijn gebod opdat u naar Zijn overvloed zult zoeken en dat u dankbaar moogt zijn. Allah is het die de zee aan jullie dienstbaar heeft gemaakt, opdat de schepen op Zijn bevel varen en opdat jullie naar een gunst van Hem streven; misschien zullen jullie dank betuigen.

وَ سَخَّرَ لَکُمۡ مَّا فِی السَّمٰوٰتِ وَ مَا فِی الۡاَرۡضِ جَمِیۡعًا مِّنۡہُ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیٰتٍ لِّقَوۡمٍ یَّتَفَکَّرُوۡنَ ﴿۱۳﴾

045.013 Wasakhkhara lakum ma fee alssamawati wama fee al-ardi jameeAAan minhu inna fee thalika laayatin liqawmin yatafakkaroona

13. En Hij heeft alles van Hem afkomstig in de hemelen en op aarde aan u onderworpen. Daarin zijn zeker tekenen voor een volk, dat nadenkt. En Hij heeft wat er in de hemelen en wat er op de aarde is aan jullie dienstbaar gemaakt. Het komt alles van Hem. Daarin zijn tekenen voor mensen die nadenken.

قُلۡ لِّلَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا یَغۡفِرُوۡا لِلَّذِیۡنَ لَا یَرۡجُوۡنَ اَیَّامَ اللّٰہِ لِیَجۡزِیَ قَوۡمًۢا بِمَا کَانُوۡا یَکۡسِبُوۡنَ ﴿۱۴﴾

045.014 Qul lillatheena amanoo yaghfiroo lillatheena la yarjoona ayyama Allahi liyajziya qawman bima kanoo yaksiboona

14. Zeg tegen de gelovigen, dat zij diegenen, die de dagen van Allah niet vrezen, moeten vergeven, zodat Hij Zelf het volk moge vergelden voor hetgeen zij verrichten. Zeg aan hen die geloven dat zij hun die Allah's dagen niet verwachten moeten vergeven, opdat Hij aan mensen vergeldt voor wat zij begaan hebben.

مَنۡ عَمِلَ صَالِحًا فَلِنَفۡسِہٖ ۚ وَ مَنۡ اَسَآءَ فَعَلَیۡہَا ۫ ثُمَّ اِلٰی رَبِّکُمۡ تُرۡجَعُوۡنَ ﴿۱۵﴾

045.015 Man AAamila salihan falinafsihi waman asaa faAAalayha thumma ila rabbikum turjaAAoona

15. Wie goed doet, doet dat ten voordele van zijn eigen ziel: en wie kwaad doet, doet dat tegen zijn eigen ziel. Ten slotte zult u tot uw Heer worden teruggebracht. Als iemand deugdelijk handelt is het in zijn eigen voordeel, maar als iemand verkeerd doet dan is het in zijn nadeel. Voorts zullen jullie tot jullie Heer worden teruggebracht.

وَ لَقَدۡ اٰتَیۡنَا بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ الۡکِتٰبَ وَ الۡحُکۡمَ وَ النُّبُوَّۃَ وَ رَزَقۡنٰہُمۡ مِّنَ الطَّیِّبٰتِ وَ فَضَّلۡنٰہُمۡ عَلَی الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿ۚ۱۶﴾

045.016 Walaqad atayna banee isra-eela alkitaba waalhukma waalnnubuwwata warazaqnahum mina alttayyibati wafaddalnahum AAala alAAalameena

16. Wij gaven het Boek en de heerschappij en het profetenambt aan de kinderen van IsraŽl en Wij hadden hen van goede dingen voorzien: Wij begunstigden hen boven de andere volkeren. Wij hebben aan de IsraŽlieten het boek, de oordeelskracht en het profeetschap gegeven, Wij hebben met goede dingen in hun onderhoud voorzien en Wij hebben hen boven de wereldbewoners verkozen.

وَ اٰتَیۡنٰہُمۡ بَیِّنٰتٍ مِّنَ الۡاَمۡرِ ۚ فَمَا اخۡتَلَفُوۡۤا اِلَّا مِنۡۢ بَعۡدِ مَا جَآءَہُمُ الۡعِلۡمُ ۙ بَغۡیًۢا بَیۡنَہُمۡ ؕ اِنَّ رَبَّکَ یَقۡضِیۡ بَیۡنَہُمۡ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ فِیۡمَا کَانُوۡا فِیۡہِ یَخۡتَلِفُوۡنَ ﴿۱۷﴾

045.017 Waataynahum bayyinatin mina al-amri fama ikhtalafoo illa min baAAdi ma jaahumu alAAilmu baghyan baynahum inna rabbaka yaqdee baynahum yawma alqiyamati feema kanoo feehi yakhtalifoona

17. En Wij gaven hun duidelijke uitleg over de godsdienst. En zij werden onenig slechts nadat kennis tot hen was gekomen door onderlinge afgunst. Voorwaar, uw Heer zal op de Dag van de Opstanding over hen uitspraak doen omtrent datgene waarover zij het met elkaar oneens waren. En Wij hebben hun duidelijke bewijzen van de ordening gegeven. Zij werden het er slechts uit onderlinge nijd over oneens nadat de kennis tot hen gekomen was. Jouw Heer zal op de opstandingsdag tussen hen oordelen over dat waarover zij het oneens waren.

ثُمَّ جَعَلۡنٰکَ عَلٰی شَرِیۡعَۃٍ مِّنَ الۡاَمۡرِ فَاتَّبِعۡہَا وَ لَا تَتَّبِعۡ اَہۡوَآءَ الَّذِیۡنَ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۱۸﴾

045.018 Thumma jaAAalnaka AAala shareeAAatin mina al-amri faittabiAAha wala tattabiAA ahwaa allatheena la yaAAlamoona

18. Dan hebben Wij u (o Mohammed) een duidelijke weg gewezen; volg die daarom, maar volg de begeerten van de onwetenden niet. Daarna hebben Wij voor jou een normatieve richting van de ordening bepaald. Volg die dus en volg niet de grillen van hen die geen kennis hebben.

اِنَّہُمۡ لَنۡ یُّغۡنُوۡا عَنۡکَ مِنَ اللّٰہِ شَیۡئًا ؕ وَ اِنَّ الظّٰلِمِیۡنَ بَعۡضُہُمۡ اَوۡلِیَآءُ بَعۡضٍ ۚ وَ اللّٰہُ وَلِیُّ الۡمُتَّقِیۡنَ ﴿۱۹﴾

045.019 Innahum lan yughnoo AAanka mina Allahi shay-an wa-inna alththalimeena baAAduhum awliyao baAAdin waAllahu waliyyu almuttaqeena

19. Voorwaar, zij zullen u niets tegen Allah baten. En voorzeker, de onrechtvaardigen zijn vrienden onder elkander, maar Allah is de Vriend van de godvruchtigen. Zij zullen jou tegen Allah helemaal niet baten. De onrechtplegers zijn elkaars beschermers, maar Allah is de beschermer van de godvrezenden.

ہٰذَا بَصَآئِرُ لِلنَّاسِ وَ ہُدًی وَّ رَحۡمَۃٌ لِّقَوۡمٍ یُّوۡقِنُوۡنَ ﴿۲۰﴾

045.020 Hatha basa-iru lilnnasi wahudan warahmatun liqawmin yooqinoona

20. Dit zijn de duidelijke bewijzen voor de mensen en een richtsnoer en barmhartigheid aan een volk dat zekerheid van geloof heeft. Dit zijn inzichtelijke bewijzen voor de mensen en een leidraad en barmhartigheid voor mensen die vast overtuigd zijn.

اَمۡ حَسِبَ الَّذِیۡنَ اجۡتَرَحُوا السَّیِّاٰتِ اَنۡ نَّجۡعَلَہُمۡ کَالَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ ۙ سَوَآءً مَّحۡیَاہُمۡ وَ مَمَاتُہُمۡ ؕ سَآءَ مَا یَحۡکُمُوۡنَ ﴿٪۲۱﴾

045.021 Am hasiba allatheena ijtarahoo alssayyi-ati an najAAalahum kaallatheena amanoo waAAamiloo alssalihati sawaan mahyahum wamamatuhum saa ma yahkumoona

21. Verbeelden diegenen die slechte daden doen, dat Wij hen zullen behandelen zoals hen, die geloven en goede werken verrichten, zodat hun leven en hun dood gelijk zullen zijn? Verkeerd is hun oordeel. Of rekenen zij die misdaden begaan erop dat Wij hen in hun leven en hun sterven gelijk zullen behandelen als hen die geloven en de deugdelijke daden doen? Slecht is het wat zij oordelen.

وَ خَلَقَ اللّٰہُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ بِالۡحَقِّ وَ لِتُجۡزٰی کُلُّ نَفۡسٍۭ بِمَا کَسَبَتۡ وَ ہُمۡ لَا یُظۡلَمُوۡنَ ﴿۲۲﴾

045.022 Wakhalaqa Allahu alssamawati waal-arda bialhaqqi walitujza kullu nafsin bima kasabat wahum la yuthlamoona

22. Allah heeft de hemelen en de aarde in waarheid geschapen, zo dat elke ziel voor hetgeen zij verdient vergolden moge worden en hun zal geen onrecht worden aangedaan. Allah heeft de hemelen en de aarde in waarheid geschapen en aan iedereen zal vergolden worden wat hij begaan heeft en hun zal geen onrecht worden aangedaan.

اَفَرَءَیۡتَ مَنِ اتَّخَذَ اِلٰـہَہٗ ہَوٰىہُ وَ اَضَلَّہُ اللّٰہُ عَلٰی عِلۡمٍ وَّ خَتَمَ عَلٰی سَمۡعِہٖ وَ قَلۡبِہٖ وَ جَعَلَ عَلٰی بَصَرِہٖ غِشٰوَۃً ؕ فَمَنۡ یَّہۡدِیۡہِ مِنۡۢ بَعۡدِ اللّٰہِ ؕ اَفَلَا تَذَکَّرُوۡنَ ﴿۲۳﴾

045.023 Afaraayta mani ittakhatha ilahahu hawahu waadallahu Allahu AAala AAilmin wakhatama AAala samAAihi waqalbihi wajaAAala AAala basarihi ghishawatan faman yahdeehi min baAAdi Allahi afala tathakkaroona

23. Heeft u hem gezien, die zijn eigen begeerte tot zijn God maakt, en die Allah liet dwalen, ondanks zijn kennis, en wiens oren en wiens hart Hij heeft verzegeld en op wiens ogen Hij een sluier heeft gelegd? Wie zal hem buiten Allah kunnen leiden? Wilt u dan geen lering hieruit trekken? Heb je gezien naar hem die zijn grillen tot zijn god maakt? Allah heeft hem bewust tot dwaling gebracht en zijn gehoor en zijn hart verzegeld en over zijn ogen is een sluier. Wie zou hem na Allah nog de weg kunnen wijzen? Zullen jullie je niet laten vermanen?

وَ قَالُوۡا مَا ہِیَ اِلَّا حَیَاتُنَا الدُّنۡیَا نَمُوۡتُ وَ نَحۡیَا وَ مَا یُہۡلِکُنَاۤ اِلَّا الدَّہۡرُ ۚ وَ مَا لَہُمۡ بِذٰلِکَ مِنۡ عِلۡمٍ ۚ اِنۡ ہُمۡ اِلَّا یَظُنُّوۡنَ ﴿۲۴﴾

045.024 Waqaloo ma hiya illa hayatuna alddunya namootu wanahya wama yuhlikuna illa alddahru wama lahum bithalika min AAilmin in hum illa yathunnoona

24. En zij zeggen: "Er is niets dan dit tegenwoordige leven, wij leven en sterven; alleen de tijd vernietigt ons." Maar zij hebben daaromtrent geen kennis, zij vermoeden slechts. Zij zeggen: "Er is alleen maar ons tegenwoordige leven; wij sterven en wij leven en alleen door de tijd worden wij omgebracht." Zij hebben daarvan geen kennis. Zij hebben alleen maar vermoedens.

وَ اِذَا تُتۡلٰی عَلَیۡہِمۡ اٰیٰتُنَا بَیِّنٰتٍ مَّا کَانَ حُجَّتَہُمۡ اِلَّاۤ اَنۡ قَالُوا ائۡتُوۡا بِاٰبَآئِنَاۤ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۲۵﴾

045.025 Wa-itha tutla AAalayhim ayatuna bayyinatin ma kana hujjatahum illa an qaloo i/too bi-aba-ina in kuntum sadiqeena

25. En wanneer Onze duidelijke woorden aan hen worden voorgedragen, is hun enige tegenwerping: "Brengt onze vaderen terug, als u de waarheid spreekt." En wanneer Onze duidelijke tekenen aan hen worden voorgelezen, dan is hun argument slechts dat zij zeggen: "Brengt onze vaderen, als jullie gelijk hebben."

قُلِ اللّٰہُ یُحۡیِیۡکُمۡ ثُمَّ یُمِیۡتُکُمۡ ثُمَّ یَجۡمَعُکُمۡ اِلٰی یَوۡمِ الۡقِیٰمَۃِ لَا رَیۡبَ فِیۡہِ وَ لٰکِنَّ اَکۡثَرَ النَّاسِ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿٪۲۶﴾

045.026 Quli Allahu yuhyeekum thumma yumeetukum thumma yajmaAAukum ila yawmi alqiyamati la rayba feehi walakinna akthara alnnasi la yaAAlamoona

26. Zeg: "Het is Allah, Die u leven geeft en u daarna doet sterven, daarna zal Hij u tezamen verzamelen op de Dag van de Opstanding waarover geen twijfel is. Maar de meeste mensen begrijpen het niet. Zeg: "Allah geeft jullie leven. Dan laat Hij jullie sterven en dan brengt Hij jullie bijeen voor de opstandingsdag waaraan geen twijfel is, maar de meeste mensen weten het niet."

وَ لِلّٰہِ مُلۡکُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ وَ یَوۡمَ تَقُوۡمُ السَّاعَۃُ یَوۡمَئِذٍ یَّخۡسَرُ الۡمُبۡطِلُوۡنَ ﴿۲۷﴾

045.027 Walillahi mulku alssamawati waal-ardi wayawma taqoomu alssaAAatu yawma-ithin yakhsaru almubtiloona

27. Aan Allah behoort de heerschappij van de hemelen en van de aarde; de Dag waarop het Uur aanbreekt, zullen zij die leugens volgen, vergaan. Allah heeft de heerschappij over de hemelen en de aarde en op de dag dat het uur aanbreekt, op die dag zullen zij die zeggen dat het niet waar is verloren zijn.

وَ تَرٰی کُلَّ اُمَّۃٍ جَاثِیَۃً ۟ کُلُّ اُمَّۃٍ تُدۡعٰۤی اِلٰی کِتٰبِہَا ؕ اَلۡیَوۡمَ تُجۡزَوۡنَ مَا کُنۡتُمۡ تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۲۸﴾

045.028 Watara kulla ommatin jathiyatan kullu ommatin tudAAa ila kitabiha alyawma tujzawna ma kuntum taAAmaloona

28. En u zult ieder volk zien knielen. Elk volk zal tot zijn boek worden geroepen en er zal tot hen worden gezegd: "Heden zult u voor hetgeen u deedt worden beloond. En dan zie jij iedere gemeenschap neergeknield. Iedere gemeenschap wordt tot haar boek geroepen: "Vandaag wordt aan jullie vergolden wat jullie gedaan hebben.

ہٰذَا کِتٰبُنَا یَنۡطِقُ عَلَیۡکُمۡ بِالۡحَقِّ ؕ اِنَّا کُنَّا نَسۡتَنۡسِخُ مَا کُنۡتُمۡ تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۲۹﴾

045.029 Hatha kitabuna yantiqu AAalaykum bialhaqqi inna kunna nastansikhu ma kuntum taAAmaloona

29. "Dit is Ons Boek: het spreekt tot u; met waarheid. Wij hebben opgetekend, wat u deedt." Dit is Ons boek, het spreekt de waarheid over jullie uit. Wij hebben wat jullie deden genoteerd."

فَاَمَّا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ فَیُدۡخِلُہُمۡ رَبُّہُمۡ فِیۡ رَحۡمَتِہٖ ؕ ذٰلِکَ ہُوَ الۡفَوۡزُ الۡمُبِیۡنُ ﴿۳۰﴾

045.030 Faamma allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati fayudkhiluhum rabbuhum fee rahmatihi thalika huwa alfawzu almubeenu

30. Maar wat hen betreft, die geloofden en goede daden verrichtten, hun Heer zal hen in Zijn barmhartigheid toelaten. Dat is de openlijke zegepraal. Wat hen betreft die geloven en de deugdelijke daden doen, hen zal hun Heer in Zijn barmhartigheid laten binnengaan. Dat is de duidelijke triomf!

وَ اَمَّا الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا ۟ اَفَلَمۡ تَکُنۡ اٰیٰتِیۡ تُتۡلٰی عَلَیۡکُمۡ فَاسۡتَکۡبَرۡتُمۡ وَ کُنۡتُمۡ قَوۡمًا مُّجۡرِمِیۡنَ ﴿۳۱﴾

045.031 Waamma allatheena kafaroo afalam takun ayatee tutla AAalaykum faistakbartum wakuntum qawman mujrimeena

31. Maar tot de ongelovigen (zal gezegd worden): "Werden Mijn woorden niet aan u voorgedragen? Doch u was hoogmoedig en werdt een schuldig volk." Maar wat hen betreft die ongelovig zijn: "Waren Mijn tekenen jullie niet voorgelezen? Maar jullie waren hoogmoedige en misdadige mensen."

وَ اِذَا قِیۡلَ اِنَّ وَعۡدَ اللّٰہِ حَقٌّ وَّ السَّاعَۃُ لَا رَیۡبَ فِیۡہَا قُلۡتُمۡ مَّا نَدۡرِیۡ مَا السَّاعَۃُ ۙ اِنۡ نَّظُنُّ اِلَّا ظَنًّا وَّ مَا نَحۡنُ بِمُسۡتَیۡقِنِیۡنَ ﴿۳۲﴾

045.032 Wa-itha qeela inna waAAda Allahi haqqun waalssaAAatu la rayba feeha qultum ma nadree ma alssaAAatu in nathunnu illa thannan wama nahnu bimustayqineena

32. En toen er werd gezegd: "De belofte van Allah is zeker waar en aan het Uur is geen twijfel," zei u: "Wij weten niet wat het Uur is: wij vermoeden het slechts en zijn er niet zeker van." En wanneer gezegd werd: "Allah's aanzegging is waar en het uur, daaraan is geen twijfel", zeiden jullie: "Wij weten niet wat het uur is. Wij hebben alleen maar een vermoeden, maar wij zijn niet overtuigd."

وَ بَدَا لَہُمۡ سَیِّاٰتُ مَا عَمِلُوۡا وَ حَاقَ بِہِمۡ مَّا کَانُوۡا بِہٖ یَسۡتَہۡزِءُوۡنَ ﴿۳۳﴾

045.033 Wabada lahum sayyi-atu ma AAamiloo wahaqa bihim ma kanoo bihi yastahzi-oona

33. En het boze hunner daden zal hun duidelijk worden en hetgeen zij plachten te bespotten zal hen omringen. De slechte daden die zij begaan hebben worden dan voor hen zichtbaar en zij worden door datgene waarmee zij de spot dreven ingesloten.

وَ قِیۡلَ الۡیَوۡمَ نَنۡسٰکُمۡ کَمَا نَسِیۡتُمۡ لِقَآءَ یَوۡمِکُمۡ ہٰذَا وَ مَاۡوٰىکُمُ النَّارُ وَ مَا لَکُمۡ مِّنۡ نّٰصِرِیۡنَ ﴿۳۴﴾

045.034 Waqeela alyawma nansakum kama naseetum liqaa yawmikum hatha wama/wakumu alnnaru wama lakum min nasireena

34. En er zal worden gezegd: "Deze Dag zullen Wij u vergeten zoals u de ontmoeting met deze Dag vergeten hebt. Uw toevlucht is (slechts) het Vuur en u hebt daar geen helpers." En er wordt gezegd: "Vandaag vergeten Wij jullie zoals jullie deze dag van jullie vergeten hebben, jullie verblijfplaats is het vuur en jullie hebben geen helpers.

ذٰلِکُمۡ بِاَنَّکُمُ اتَّخَذۡتُمۡ اٰیٰتِ اللّٰہِ ہُزُوًا وَّ غَرَّتۡکُمُ الۡحَیٰوۃُ الدُّنۡیَا ۚ فَالۡیَوۡمَ لَا یُخۡرَجُوۡنَ مِنۡہَا وَ لَا ہُمۡ یُسۡتَعۡتَبُوۡنَ ﴿۳۵﴾

045.035 Thalikum bi-annakumu ittakhathtum ayati Allahi huzuwan wagharratkumu alhayatu alddunya faalyawma la yukhrajoona minha wala hum yustaAAtaboona

35. "Dit is omdat u de tekenen van Allah bespotte, daardoor heeft het leven van de wereld u misleid." Daarom zullen zij op die Dag niet uit het Vuur worden genomen, noch zal hun verontschuldiging worden toegestaan. Dat is zo omdat jullie met de tekenen van Allah de spot gedreven hebben en omdat het tegenwoordige leven jullie begoocheld heeft." Vandaag zullen zij er dus niet uitgehaald worden, noch zullen zij een kans krijgen om het goed te maken.

فَلِلّٰہِ الۡحَمۡدُ رَبِّ السَّمٰوٰتِ وَ رَبِّ الۡاَرۡضِ رَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۳۶﴾

045.036 Falillahi alhamdu rabbi alssamawati warabbi al-ardi rabbi alAAalameena

36. Alle lof komt Allah toe, de Heer van de hemelen en van de aarde; de Heer van de Werelden. Maar lof zij Allah de Heer van de hemelen, de Heer van de aarde en de Heer van de wereldbewoners.

وَ لَہُ الۡکِبۡرِیَآءُ فِی السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ۪ وَ ہُوَ الۡعَزِیۡزُ الۡحَکِیۡمُ ﴿٪۳۷﴾

045.037 Walahu alkibriyao fee alssamawati waal-ardi wahuwa alAAazeezu alhakeemu

37. Hem behoort de Grootheid in de hemelen en op aarde: en Hij is de Machtige, de Alwijze. En Hij heeft de hoogste macht in de hemelen en op de aarde en Hij is de machtige, de wijze.


www.kuran.nl