Al-Ahqaaf

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

حٰمٓ ۚ﴿۱﴾

046.001 Ha-meem

1. Haa Miem. H[aa?] M[iem].

تَنۡزِیۡلُ الۡکِتٰبِ مِنَ اللّٰہِ الۡعَزِیۡزِ الۡحَکِیۡمِ ﴿۲﴾

046.002 Tanzeelu alkitabi mina Allahi alAAazeezi alhakeemi

2. De openbaring van dit Boek is van Allah, de Machtige, de Alwijze. De neerzending van het boek is gebeurd door Allah, de machtige, de wijze.

مَا خَلَقۡنَا السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ وَ مَا بَیۡنَہُمَاۤ اِلَّا بِالۡحَقِّ وَ اَجَلٍ مُّسَمًّی ؕ وَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا عَمَّاۤ اُنۡذِرُوۡا مُعۡرِضُوۡنَ ﴿۳﴾

046.003 Ma khalaqna alssamawati waal-arda wama baynahuma illa bialhaqqi waajalin musamman waallatheena kafaroo AAamma onthiroo muAAridoona

3. Wij hebben de hemelen en de aarde en alles wat er tussen is niet anders dan in waarheid geschapen en voor een vastgestelde tijd; maar de ongelovigen wenden zich af van hetgeen, waardoor zij zijn gewaarschuwd. Wij hebben de hemelen en de aarde en wat er tussen beide is slechts in waarheid en voor een vastgestelde termijn geschapen, maar zij die ongelovig zijn wenden zich af van dat waarmee zij gewaarschuwd worden.

قُلۡ اَرَءَیۡتُمۡ مَّا تَدۡعُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ اَرُوۡنِیۡ مَاذَا خَلَقُوۡا مِنَ الۡاَرۡضِ اَمۡ لَہُمۡ شِرۡکٌ فِی السَّمٰوٰتِ ؕ اِیۡتُوۡنِیۡ بِکِتٰبٍ مِّنۡ قَبۡلِ ہٰذَاۤ اَوۡ اَثٰرَۃٍ مِّنۡ عِلۡمٍ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۴﴾

046.004 Qul araaytum ma tadAAoona min dooni Allahi aroonee matha khalaqoo mina al-ardi am lahum shirkun fee alssamawati eetoonee bikitabin min qabli hatha aw atharatin min AAilmin in kuntum sadiqeena

4. Zeg: "Weet u wat u naast Allah aanroept? Toont mij, welk deel zij van de aarde hebben geschapen. Of hebben zij aandeel aan de hemelen? Brengt mij een boek, dat vóór dit is geopenbaard of een spoor van kennis, indien u de waarheid spreekt." Zeg: "Hoe zien jullie wat jullie in plaats van Allah aanroepen? Laat mij dan zien wat zij van de aarde geschapen hebben. Hebben zij een aandeel in de hemelen? Brengt mij een boek dat er voor dit [boek] was of een spoor van kennis, als jullie gelijk hebben."

وَ مَنۡ اَضَلُّ مِمَّنۡ یَّدۡعُوۡا مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ مَنۡ لَّا یَسۡتَجِیۡبُ لَہٗۤ اِلٰی یَوۡمِ الۡقِیٰمَۃِ وَ ہُمۡ عَنۡ دُعَآئِہِمۡ غٰفِلُوۡنَ ﴿۵﴾

046.005 Waman adallu mimman yadAAoo min dooni Allahi man la yastajeebu lahu ila yawmi alqiyamati wahum AAan duAAa-ihim ghafiloona

5. Wie is verder afgedwaald dan hij die buiten Allah (afgoden) aanroept, die tot de Dag van de Opstanding hem nooit zullen kunnen antwoorden en die niet wet,en dat men hen aanroept? En wie dwaalt er meer dan hij die, in plaats van Allah, iemand aanroept die hem tot aan de opstandingsdag geen gehoor geeft? Zij schenken aan hun gebed geen aandacht

وَ اِذَا حُشِرَ النَّاسُ کَانُوۡا لَہُمۡ اَعۡدَآءً وَّ کَانُوۡا بِعِبَادَتِہِمۡ کٰفِرِیۡنَ ﴿۶﴾

046.006 Wa-itha hushira alnnasu kanoo lahum aAAdaan wakanoo biAAibadatihim kafireena

6. En wanneer de mensen worden verzameld zullen dezen (de afgoden) hun vijanden worden en hun aanbidding ontkennen. en wanneer de mensen verzameld worden zijn zij hun tot vijand en zij betonen zich ondankbaar over de dienst aan hen.

وَ اِذَا تُتۡلٰی عَلَیۡہِمۡ اٰیٰتُنَا بَیِّنٰتٍ قَالَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لِلۡحَقِّ لَمَّا جَآءَہُمۡ ۙ ہٰذَا سِحۡرٌ مُّبِیۡنٌ ؕ﴿۷﴾

046.007 Wa-itha tutla AAalayhim ayatuna bayyinatin qala allatheena kafaroo lilhaqqi lamma jaahum hatha sihrun mubeenun

7. En wanneer Onze duidelijke woorden aan hen worden medegedeeld, zeggen degenen, die de Waarheid, toen zij tot hen kwam, verwierpen: "Dit is klaarblijkelijk tovenarij." En wanneer Onze tekenen aan hen als duidelijke bewijzen worden voorgelezen zeggen zij die geen geloof hechten aan de waarheid, wanneer die tot hen komt: "Dit is duidelijk toverij."

اَمۡ یَقُوۡلُوۡنَ افۡتَرٰىہُ ؕ قُلۡ اِنِ افۡتَرَیۡتُہٗ فَلَا تَمۡلِکُوۡنَ لِیۡ مِنَ اللّٰہِ شَیۡئًا ؕ ہُوَ اَعۡلَمُ بِمَا تُفِیۡضُوۡنَ فِیۡہِ ؕ کَفٰی بِہٖ شَہِیۡدًۢا بَیۡنِیۡ وَ بَیۡنَکُمۡ ؕ وَ ہُوَ الۡغَفُوۡرُ الرَّحِیۡمُ ﴿۸﴾

046.008 Am yaqooloona iftarahu qul ini iftaraytuhu fala tamlikoona lee mina Allahi shay-an huwa aAAlamu bima tufeedoona feehi kafa bihi shaheedan baynee wabaynakum wahuwa alghafooru alrraheemu

8. Zeggen zij: "Hij heeft dit verzonnen," Zeg: "Als ik het heb verzonnen, kunt u mij tegen Allah niets baten. Hij weet het beste, wat u daaromtrent zegt. Hij is voldoende als Getuige tussen u en mij. Hij is de Vergevensgezinde, de Genadevolle." Of zij zeggen: "Hij heeft het verzonnen." Zeg: "Als ik het verzonnen heb, dan kunnen jullie voor mij tegen Allah niets uitrichten. Hij weet het best waarmee jullie aan de slag gaan. Hij is als getuige tussen mij en jullie goed genoeg. Hij is de vergevende, de barmhartige."

قُلۡ مَا کُنۡتُ بِدۡعًا مِّنَ الرُّسُلِ وَ مَاۤ اَدۡرِیۡ مَا یُفۡعَلُ بِیۡ وَ لَا بِکُمۡ ؕ اِنۡ اَتَّبِعُ اِلَّا مَا یُوۡحٰۤی اِلَیَّ وَ مَاۤ اَنَا اِلَّا نَذِیۡرٌ مُّبِیۡنٌ ﴿۹﴾

046.009 Qul ma kuntu bidAAan mina alrrusuli wama adree ma yufAAalu bee wala bikum in attabiAAu illa ma yooha ilayya wama ana illa natheerun mubeenun

9. Zeg: "Ik ben geen nieuwe boodschapper, noch weet ik wat met u of mij zal geschieden. Ik volg alleen hetgeen mij is geopenbaard; en ik ben slechts een duidelijke waarschuwer." Zeg: "Ik vertegenwoordig niet iets ongehoords onder de gezanten. Ik weet ook niet wat er met mij en met jullie zal gebeuren. Ik volg slechts wat aan mij geopenbaard wordt en ik ben alleen maar een duidelijke waarschuwer."

قُلۡ اَرَءَیۡتُمۡ اِنۡ کَانَ مِنۡ عِنۡدِ اللّٰہِ وَ کَفَرۡتُمۡ بِہٖ وَ شَہِدَ شَاہِدٌ مِّنۡۢ بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ عَلٰی مِثۡلِہٖ فَاٰمَنَ وَ اسۡتَکۡبَرۡتُمۡ ؕ اِنَّ اللّٰہَ لَا یَہۡدِی الۡقَوۡمَ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿٪۱۰﴾

046.010 Qul araaytum in kana min AAindi Allahi wakafartum bihi washahida shahidun min banee isra-eela AAala mithlihi faamana waistakbartum inna Allaha la yahdee alqawma alththalimeena

10. "Ziet, indien hij van Allah is en u hem verwerpt, hoewel een getuige vanuit de kinderen Israëls (Mozes) heeft getuigd van een aan hem gelijke en hij geloofde (in hem) maar u bent hoovaardig? Voorwaar Allah leidt het onrechtvaardige volk niet. Zeg: "Hoe zien jullie het? Als het toch van Allah komt, terwijl jullie er geen geloof aan hechten, hoewel iemand van de Israëlieten getuigenis aflegt over dat wat eraan gelijk is en dus gelooft? Maar jullie zijn hoogmoedig. Allah wijst de mensen die onrecht plegen de goede richting niet."

وَ قَالَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لِلَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا لَوۡ کَانَ خَیۡرًا مَّا سَبَقُوۡنَاۤ اِلَیۡہِ ؕ وَ اِذۡ لَمۡ یَہۡتَدُوۡا بِہٖ فَسَیَقُوۡلُوۡنَ ہٰذَاۤ اِفۡکٌ قَدِیۡمٌ ﴿۱۱﴾

046.011 Waqala allatheena kafaroo lillatheena amanoo law kana khayran ma sabaqoona ilayhi wa-ith lam yahtadoo bihi fasayaqooloona hatha ifkun qadeemun

11. En de ongelovigen zeggen over de gelovigen: "Indien dit goed was, zouden zij ons daarin niet voorgegaan zijn. " En omdat zij de rechte weg niet hebben gevolgd, zeggen zij: "Dit is een oude leugen." Zij die ongelovig zijn zeggen tegen hen die geloven: "Als het iets goeds was hadden zij het niet eerder dan wij gekregen." Omdat zij zich er niet de goede richting door laten wijzen zullen zij dus zeggen: "Oude laster."

وَ مِنۡ قَبۡلِہٖ کِتٰبُ مُوۡسٰۤی اِمَامًا وَّ رَحۡمَۃً ؕ وَ ہٰذَا کِتٰبٌ مُّصَدِّقٌ لِّسَانًا عَرَبِیًّا لِّیُنۡذِرَ الَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡا ٭ۖ وَ بُشۡرٰی لِلۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿ۚ۱۲﴾

046.012 Wamin qablihi kitabu moosa imaman warahmatan wahatha kitabun musaddiqun lisanan AAarabiyyan liyunthira allatheena thalamoo wabushra lilmuhsineena

12. En voordien was het Boek van Mozes een leiding en een barmhartigheid: en dit Boek (de Kuran) is bevestigend in duidelijke taal, om de onrechtvaardigen te waarschuwen en als verblijdend nieuws voor de goeden. Eraan voorafgegaan is het boek van Moesa als voorbeeld en barmhartigheid. En dit is een boek dat in de Arabische taal een bevestiging geeft, om hen die onrecht plegen te waarschuwen en als goed nieuws voor hen die goed doen.

اِنَّ الَّذِیۡنَ قَالُوۡا رَبُّنَا اللّٰہُ ثُمَّ اسۡتَقَامُوۡا فَلَا خَوۡفٌ عَلَیۡہِمۡ وَ لَا ہُمۡ یَحۡزَنُوۡنَ ﴿ۚ۱۳﴾

046.013 Inna allatheena qaloo rabbuna Allahu thumma istaqamoo fala khawfun AAalayhim wala hum yahzanoona

13. Voorwaar, zij, die zeggen: "Onze Heer is Allah ", en dan standvastig blijven - over hen zal geen vrees komen, noch zullen zij treuren. Zij die zeggen: "Onze Heer is Allah" en die dan correct handelen hebben niets te vrezen noch zullen zij bedroefd zijn.

اُولٰٓئِکَ اَصۡحٰبُ الۡجَنَّۃِ خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا ۚ جَزَآءًۢ بِمَا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۱۴﴾

046.014 Ola-ika as-habu aljannati khalideena feeha jazaan bima kanoo yaAAmaloona

14. Dezen zijn de bewoners van het paradijs: zij zullen daarin vertoeven als beloning voor hetgeen zij plachten te doen. Zij zijn het die in de tuin thuishoren, waarin zij altijd zullen blijven, als een beloning voor wat zij hebben gedaan.

وَ وَصَّیۡنَا الۡاِنۡسَانَ بِوَالِدَیۡہِ اِحۡسٰنًا ؕ حَمَلَتۡہُ اُمُّہٗ کُرۡہًا وَّ وَضَعَتۡہُ کُرۡہًا ؕ وَ حَمۡلُہٗ وَ فِصٰلُہٗ ثَلٰثُوۡنَ شَہۡرًا ؕ حَتّٰۤی اِذَا بَلَغَ اَشُدَّہٗ وَ بَلَغَ اَرۡبَعِیۡنَ سَنَۃً ۙ قَالَ رَبِّ اَوۡزِعۡنِیۡۤ اَنۡ اَشۡکُرَ نِعۡمَتَکَ الَّتِیۡۤ اَنۡعَمۡتَ عَلَیَّ وَ عَلٰی وَالِدَیَّ وَ اَنۡ اَعۡمَلَ صَالِحًا تَرۡضٰہُ وَ اَصۡلِحۡ لِیۡ فِیۡ ذُرِّیَّتِیۡ ۚؕ اِنِّیۡ تُبۡتُ اِلَیۡکَ وَ اِنِّیۡ مِنَ الۡمُسۡلِمِیۡنَ ﴿۱۵﴾

046.015 Wawassayna al-insana biwalidayhi ihsanan hamalat-hu ommuhu kurhan wawadaAAat-hu kurhan wahamluhu wafisaluhu thalathoona shahran hatta itha balagha ashuddahu wabalagha arbaAAeena sanatan qala rabbi awziAAnee an ashkura niAAmataka allatee anAAamta AAalayya waAAala walidayya waan aAAmala salihan tardahu waaslih lee fee thurriyyatee innee tubtu ilayka wa-innee mina almuslimeena

15. En Wij hebben de mens vriendelijkheid jegens zijn ouders geboden. Zijn moeder draagt hem met ongemak en baart hem met smart. En zijn dragen en spenen nemen dertig maanden in beslag totdat, wanneer hij zijn volle kracht bereikt heeft en veertig jaren wordt, hij zegt: "Mijn Heer, stel mij in staat, dat ik dankbaar moge zijn voor de gunsten die U mij en mijn ouders heeft bewezen en dat ik het goede moge doen, dat U behaagt. En laat mijn nakomelingen rechtvaardig zijn. Ik wend mij tot U: en waarlijk, ik behoor tot de Moslims. En Wij hebben de mens opgedragen zijn ouders goed te behandelen -- zijn moeder heeft hem immers moeizaam gedragen en moeizaam gebaard. De zwangerschap en [de tijd erna] totdat hij gespeend wordt is dertig maanden. En wanneer hij dan volgroeid is en veertig jaar wordt zegt hij: "Mijn Heer, spoor mij aan dat ik voor Uw genade, die U mij en mijn ouders geschonken hebt, dank betuig en dat ik iets deugdelijks doe wat U bevalt. En maak voor mij dat mijn nageslacht deugdzaam is. Ik wend mij berouwvol tot U en ik behoor bij hen die zich [aan Allah] overgeven."

اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ نَتَقَبَّلُ عَنۡہُمۡ اَحۡسَنَ مَا عَمِلُوۡا وَ نَتَجَاوَزُ عَنۡ سَیِّاٰتِہِمۡ فِیۡۤ اَصۡحٰبِ الۡجَنَّۃِ ؕ وَعۡدَ الصِّدۡقِ الَّذِیۡ کَانُوۡا یُوۡعَدُوۡنَ ﴿۱۶﴾

046.016 Ola-ika allatheena nataqabbalu AAanhum ahsana ma AAamiloo wanatajawazu AAan sayyi-atihim fee as-habi aljannati waAAda alssidqi allathee kanoo yooAAadoona

16. Van dezulken aanvaarden Wij de goede werken die zij verrichten en Wij zien hun slechte daden over het hoofd. Zij behoren tot de bewoners van het paradijs, volgens de ware belofte die hun was toegezegd. Zij zijn het van wie Wij het beste dat zij deden aannemen en van wie Wij de slechte daden overslaan; zij zijn bij hen die in de tuin thuishoren. Dat is de betrouwbare toezegging die aan hen gedaan is.

وَ الَّذِیۡ قَالَ لِوَالِدَیۡہِ اُفٍّ لَّکُمَاۤ اَتَعِدٰنِنِیۡۤ اَنۡ اُخۡرَجَ وَ قَدۡ خَلَتِ الۡقُرُوۡنُ مِنۡ قَبۡلِیۡ ۚ وَ ہُمَا یَسۡتَغِیۡثٰنِ اللّٰہَ وَیۡلَکَ اٰمِنۡ ٭ۖ اِنَّ وَعۡدَ اللّٰہِ حَقٌّ ۚۖ فَیَقُوۡلُ مَا ہٰذَاۤ اِلَّاۤ اَسَاطِیۡرُ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿۱۷﴾

046.017 Waallathee qala liwalidayhi offin lakuma ataAAidaninee an okhraja waqad khalati alquroonu min qablee wahuma yastagheethani Allaha waylaka amin inna waAAda Allahi haqqun fayaqoolu ma hatha illa asateeru al-awwaleena

17. - Maar degene, die tot zijn ouders zegt: "Foei u beiden! Dreigt u mij dat ik opgewekt zal worden, terwijl geslachten reeds vóór mij zijn vergaan" En beiden roepen tot Allah om hulp: "Wee u! Geloof: want de belofte van Allah is waar." Maar hij (de zoon) zegt: "Dit zijn slechts fabelen van de ouden." Maar hij die tegen zijn ouders zegt: "Foei jullie beiden, willen jullie mij aanzeggen dat ik tevoorschijn gebracht zal worden terwijl er voor mijn tijd al generaties zijn heengegaan?" En zij vragen Allah om hulp [en zeggen]: "Wee jou, geloof toch, de aanzegging van Allah is waar!" Maar hij zegt: "Dit zijn slechts fabels van hen die er eertijds waren."

اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ حَقَّ عَلَیۡہِمُ الۡقَوۡلُ فِیۡۤ اُمَمٍ قَدۡ خَلَتۡ مِنۡ قَبۡلِہِمۡ مِّنَ الۡجِنِّ وَ الۡاِنۡسِ ؕ اِنَّہُمۡ کَانُوۡا خٰسِرِیۡنَ ﴿۱۸﴾

046.018 Ola-ika allatheena haqqa AAalayhimu alqawlu fee umamin qad khalat min qablihim mina aljinni waal-insi innahum kanoo khasireena

18. Dezulken zijn het tegen wie het woord van kracht is geworden, tezamen met de volkeren van de djinn en de mensen die vóór hen zijn heengegaan, dat zij zeker de verliezers zullen zijn. Zij zijn het tegen wie het woord bewaarheid wordt, te midden van gemeenschappen van de djinn en de mensen die al voor hun tijd voorbijgegaan waren; zij waren verliezers.

وَ لِکُلٍّ دَرَجٰتٌ مِّمَّا عَمِلُوۡا ۚ وَ لِیُوَفِّیَہُمۡ اَعۡمَالَہُمۡ وَ ہُمۡ لَا یُظۡلَمُوۡنَ ﴿۱۹﴾

046.019 Walikullin darajatun mimma AAamiloo waliyuwaffiyahum aAAmalahum wahum la yuthlamoona

19. En voor allen zijn er graden overeenkomstig hetgeen zij doen, opdat Allah hun daden volledig moge belonen en hun zal geen onrecht worden aangedaan. Voor een ieder zijn er rangen voor wat zij gedaan hebben en opdat Hij hun hun daden volledig zal vergoeden; hun zal geen onrecht worden gedaan.

وَ یَوۡمَ یُعۡرَضُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا عَلَی النَّارِ ؕ اَذۡہَبۡتُمۡ طَیِّبٰتِکُمۡ فِیۡ حَیَاتِکُمُ الدُّنۡیَا وَ اسۡتَمۡتَعۡتُمۡ بِہَا ۚ فَالۡیَوۡمَ تُجۡزَوۡنَ عَذَابَ الۡہُوۡنِ بِمَا کُنۡتُمۡ تَسۡتَکۡبِرُوۡنَ فِی الۡاَرۡضِ بِغَیۡرِ الۡحَقِّ وَ بِمَا کُنۡتُمۡ تَفۡسُقُوۡنَ ﴿٪۲۰﴾

046.020 Wayawma yuAAradu allatheena kafaroo AAala alnnari athhabtum tayyibatikum fee hayatikumu alddunya waistamtaAAtum biha faalyawma tujzawna AAathaba alhooni bima kuntum tastakbiroona fee al-ardi bighayri alhaqqi wabima kuntum tafsuqoona

20. De Dag, waarop de ongelovigen aan het Vuur zullen worden blootgesteld, zal er tot hen worden gezegd: "U buitte uw goede dingen in het leven van de wereld uit en u had het genoten. Deze Dag zult u met de straf van de vernedering worden vergolden omdat u ten onrechte op aarde hoogmoedig en opstandig was." En op de dag dat zij die ongelovig zijn naar het vuur worden voorgeleid [wordt gezegd]: "Jullie hebben jullie goede dingen in jullie aardse leven verbruikt en genoten. Vandaag krijgen jullie de bestraffing van de schande als vergelding, omdat jullie onterecht hoogmoedig op de aarde waren en voor het schandelijke dat jullie deden."

وَ اذۡکُرۡ اَخَا عَادٍ ؕ اِذۡ اَنۡذَرَ قَوۡمَہٗ بِالۡاَحۡقَافِ وَ قَدۡ خَلَتِ النُّذُرُ مِنۡۢ بَیۡنِ یَدَیۡہِ وَ مِنۡ خَلۡفِہٖۤ اَلَّا تَعۡبُدُوۡۤا اِلَّا اللّٰہَ ؕ اِنِّیۡۤ اَخَافُ عَلَیۡکُمۡ عَذَابَ یَوۡمٍ عَظِیۡمٍ ﴿۲۱﴾

046.021 Waothkur akha AAadin ith anthara qawmahu bial-ahqafi waqad khalati alnnuthuru min bayni yadayhi wamin khalfihi alla taAAbudoo illa Allaha innee akhafu AAalaykum AAathaba yawmin AAatheemin

21. En gedenk de broeder van Aad, toen hij zijn volk in de zandheuvels waarschuwde - en er zijn waarschuwers vóór en na hem geweest - "Dient Allah alleen, want ik vrees de straf van een grote Dag voor u." En vermeld de broeder van de 'Aad toen hij zijn volk in de zandduinen waarschuwde -- waarschuwers zijn er voor hem en na hem geweest --: "Jullie moeten alleen Allah dienen. Ik vrees voor jullie de bestraffing van een geweldige dag."

قَالُوۡۤا اَجِئۡتَنَا لِتَاۡفِکَنَا عَنۡ اٰلِہَتِنَا ۚ فَاۡتِنَا بِمَا تَعِدُنَاۤ اِنۡ کُنۡتَ مِنَ الصّٰدِقِیۡنَ ﴿۲۲﴾

046.022 Qaloo aji/tana lita/fikana AAan alihatina fa/tina bima taAAiduna in kunta mina alssadiqeena

22. Toen zeiden zij: "Bent u tot ons gekomen om ons van onze goden afvallig te maken? Breng hetgeen waarmee u ons bedreigt dan over ons, als u waarachtig bent." Zij zeiden: "Ben jij tot ons gekomen om ons van onze goden af te brengen? Breng maar wat jij ons aanzegt, als jij gelijk hebt."

قَالَ اِنَّمَا الۡعِلۡمُ عِنۡدَ اللّٰہِ ۫ۖ وَ اُبَلِّغُکُمۡ مَّاۤ اُرۡسِلۡتُ بِہٖ وَ لٰکِنِّیۡۤ اَرٰىکُمۡ قَوۡمًا تَجۡہَلُوۡنَ ﴿۲۳﴾

046.023 Qala innama alAAilmu AAinda Allahi waoballighukum ma orsiltu bihi walakinnee arakum qawman tajhaloona

23. Hij zei: "De kennis daarvan is slechts bij Allah, ik breng waarmede ik ben gezonden aan u over, maar ik zie dat u een onwetend volk bent." Hij zei: "De kennis [daarover] is bij Allah. Ik verkondig jullie dat waarmee ik gezonden ben, maar ik zie dat jullie mensen zijn die niets weten."

فَلَمَّا رَاَوۡہُ عَارِضًا مُّسۡتَقۡبِلَ اَوۡدِیَتِہِمۡ ۙ قَالُوۡا ہٰذَا عَارِضٌ مُّمۡطِرُنَا ؕ بَلۡ ہُوَ مَا اسۡتَعۡجَلۡتُمۡ بِہٖ ؕ رِیۡحٌ فِیۡہَا عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿ۙ۲۴﴾

046.024 Falamma raawhu AAaridan mustaqbila awdiyatihim qaloo hatha AAaridun mumtiruna bal huwa ma istaAAjaltum bihi reehun feeha AAathabun aleemun

24. Toen zij een wolk naar hun valleien zagen komen, zeiden zij: "Dit is een wolk, die ons regen zal geven. "Nee, dat is hetgeen u zocht te verhaasten, een wind, die een smartelijke straf bevat. Toen zij het als een dikke bewolking zagen opkomen die hun valleien naderde zeiden zij: "Dat is een opkomende bewolking die ons regen brengt." "Welnee, het is wat jullie wilden verhaasten, een wind waarin een pijnlijke bestraffing is,

تُدَمِّرُ کُلَّ شَیۡءٍۭ بِاَمۡرِ رَبِّہَا فَاَصۡبَحُوۡا لَا یُرٰۤی اِلَّا مَسٰکِنُہُمۡ ؕ کَذٰلِکَ نَجۡزِی الۡقَوۡمَ الۡمُجۡرِمِیۡنَ ﴿۲۵﴾

046.025 Tudammiru kulla shay-in bi-amri rabbiha faasbahoo la yura illa masakinuhum kathalika najzee alqawma almujrimeena

25. Deze zal alles door het gebod van zijn Heer vernietigen. En het kwam met hen zó ver dat slechts hun lege woningen waren te zien. Zo straffen Wij het schuldige volk. die alles op bevel van zijn Heer vernietigt." 's Morgens was het zo dat slechts hun huizen gezien werden. Zo vergelden Wij aan de misdadige mensen.

وَ لَقَدۡ مَکَّنّٰہُمۡ فِیۡمَاۤ اِنۡ مَّکَّنّٰکُمۡ فِیۡہِ وَ جَعَلۡنَا لَہُمۡ سَمۡعًا وَّ اَبۡصَارًا وَّ اَفۡـِٕدَۃً ۫ۖ فَمَاۤ اَغۡنٰی عَنۡہُمۡ سَمۡعُہُمۡ وَ لَاۤ اَبۡصَارُہُمۡ وَ لَاۤ اَفۡـِٕدَتُہُمۡ مِّنۡ شَیۡءٍ اِذۡ کَانُوۡا یَجۡحَدُوۡنَ ۙ بِاٰیٰتِ اللّٰہِ وَ حَاقَ بِہِمۡ مَّا کَانُوۡا بِہٖ یَسۡتَہۡزِءُوۡنَ ﴿٪۲۶﴾

046.026 Walaqad makkannahum feema in makkannakum feehi wajaAAalna lahum samAAan waabsaran waaf-idatan fama aghna AAanhum samAAuhum wala absaruhum wala af-idatuhum min shay-in ith kanoo yajhadoona bi-ayati Allahi wahaqa bihim ma kanoo bihi yastahzi-oona

26. En Wij hadden hen stevig gevestigd in hetgeen waarin Wij u niet hebben gevestigd en Wij hadden hun oren, ogen en een hart gegeven. Maar hun oren, noch hun ogen noch hun hart baatten hen iets, daar zij de tekenen van Allah verwierpen en hetgeen waarover zij plachten te spotten, (de straf) omringde hen. Wij hadden hun zoveel macht gegeven als Wij aan jullie niet hebben gegeven. En Wij hadden hun gehoor, gezichtsvermogen en harten gegeven, maar hun gehoor, hun gezichtsvermogen en hun harten baatten hun niets toen zij Allah's tekenen ontkenden en zij werden ingesloten door dat waarmee zij de spot dreven.

وَ لَقَدۡ اَہۡلَکۡنَا مَا حَوۡلَکُمۡ مِّنَ الۡقُرٰی وَ صَرَّفۡنَا الۡاٰیٰتِ لَعَلَّہُمۡ یَرۡجِعُوۡنَ ﴿۲۷﴾

046.027 Walaqad ahlakna ma hawlakum mina alqura wasarrafna al-ayati laAAallahum yarjiAAoona

27. En waarlijk, Wij hebben om hen heen de steden vernietigd, en Wij hebben de tekenen uitgelegd opdat zij zich mochten bekeren. En Wij hebben de steden rondom jullie ook vernietigd. En Wij hebben de tekenen afgewisseld; misschien zullen zij terugkeren.

فَلَوۡ لَا نَصَرَہُمُ الَّذِیۡنَ اتَّخَذُوۡا مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ قُرۡبَانًا اٰلِـہَۃً ؕ بَلۡ ضَلُّوۡا عَنۡہُمۡ ۚ وَ ذٰلِکَ اِفۡکُہُمۡ وَ مَا کَانُوۡا یَفۡتَرُوۡنَ ﴿۲۸﴾

046.028 Falawla nasarahumu allatheena ittakhathoo min dooni Allahi qurbanan alihatan bal dalloo AAanhum wathalika ifkuhum wama kanoo yaftaroona

28. Waarom hielpen degenen, die zij buiten Allah tot goden hadden aangenomen, om in Zijn nabijheid, te komen, hen dan niet? Nee, zij faalden hier geheel in. -Dat was hun leugen - en wat zij plachten te verzinnen (faalde eveneens). Als zij die zij zich als goden in plaats van Allah genomen hadden om nader tot Hem te komen hen maar geholpen hadden. Maar nee, hen waren zij kwijt; dat was hun laster en wat zij verzonnen hadden.

وَ اِذۡ صَرَفۡنَاۤ اِلَیۡکَ نَفَرًا مِّنَ الۡجِنِّ یَسۡتَمِعُوۡنَ الۡقُرۡاٰنَ ۚ فَلَمَّا حَضَرُوۡہُ قَالُوۡۤا اَنۡصِتُوۡا ۚ فَلَمَّا قُضِیَ وَلَّوۡا اِلٰی قَوۡمِہِمۡ مُّنۡذِرِیۡنَ ﴿۲۹﴾

046.029 Wa-ith sarafna ilayka nafaran mina aljinni yastamiAAoona alqur-ana falamma hadaroohu qaloo ansitoo falamma qudiya wallaw ila qawmihim munthireena

29. En toen Wij een aantal van de djinn naar u deden komen, die de Kuran wensten te horen en, toen zij bij u kwamen, zeiden zij: "Weest stil" en toen het (de prediking) beëindigd was, gingen zij naar hun volk terug en waarschuwden dit. En toen Wij een groep djinn naar jou toe brachten om naar de Koran te luisteren. En toen zij gekomen waren zeiden zij: "Let in stilte op." En toen het beëindigd was, keerden zij naar hun volk terug om te waarschuwen.

قَالُوۡا یٰقَوۡمَنَاۤ اِنَّا سَمِعۡنَا کِتٰبًا اُنۡزِلَ مِنۡۢ بَعۡدِ مُوۡسٰی مُصَدِّقًا لِّمَا بَیۡنَ یَدَیۡہِ یَہۡدِیۡۤ اِلَی الۡحَقِّ وَ اِلٰی طَرِیۡقٍ مُّسۡتَقِیۡمٍ ﴿۳۰﴾

046.030 Qaloo ya qawmana inna samiAAna kitaban onzila min baAAdi moosa musaddiqan lima bayna yadayhi yahdee ila alhaqqi wa-ila tareeqin mustaqeemin

30. Zij zeiden: "O, ons volk, wij hebben een Boek horen voorlezen, dat na Mozes nedergezonden is, en dat het voorafgaande vervult, het leidt tot de Waarheid en tot de rechte weg." Zij zeiden: "Volk van ons! Wij hebben een boek gehoord dat na Moesa is neergezonden om wat er voor was te bevestigen. Het leidt naar de waarheid en naar een juiste weg.

یٰقَوۡمَنَاۤ اَجِیۡبُوۡا دَاعِیَ اللّٰہِ وَ اٰمِنُوۡا بِہٖ یَغۡفِرۡ لَکُمۡ مِّنۡ ذُنُوۡبِکُمۡ وَ یُجِرۡکُمۡ مِّنۡ عَذَابٍ اَلِیۡمٍ ﴿۳۱﴾

046.031 Ya qawmana ajeeboo daAAiya Allahi waaminoo bihi yaghfir lakum min thunoobikum wayujirkum min AAathabin aleemin

31. "O, ons volk, geef gehoor aan Allah's verkondiger en geloof in hem. Hij (God) zal u uw zonden vergeven en u voor een pjinlijke straf behoeden. Volk van ons! Geeft gehoor aan hem die tot Allah oproept en gelooft in Hem, dan zal Hij jullie vergeving schenken voor zonden van jullie en jullie beschermen voor een pijnlijke bestraffing."

وَ مَنۡ لَّا یُجِبۡ دَاعِیَ اللّٰہِ فَلَیۡسَ بِمُعۡجِزٍ فِی الۡاَرۡضِ وَ لَیۡسَ لَہٗ مِنۡ دُوۡنِہٖۤ اَوۡلِیَآءُ ؕ اُولٰٓئِکَ فِیۡ ضَلٰلٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۳۲﴾

046.032 Waman la yujib daAAiya Allahi falaysa bimuAAjizin fee al-ardi walaysa lahu min doonihi awliyaa ola-ika fee dalalin mubeenin

32. En wie aan Allah's verkondiger geen gehoor geeft kan op aarde niet ontvluchten, noch kan hij een enkele beschermer naast Hem hebben. Zulken verkeren in openlijke dwaling." En als iemand geen gehoor geeft aan hem die tot Allah oproept, dan kan hij er op de aarde toch niets tegen doen en buiten Allah heeft hij geen beschermers. Zij zijn het die in duidelijke dwaling verkeren.

اَوَ لَمۡ یَرَوۡا اَنَّ اللّٰہَ الَّذِیۡ خَلَقَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ وَ لَمۡ یَعۡیَ بِخَلۡقِہِنَّ بِقٰدِرٍ عَلٰۤی اَنۡ یُّحۡیَِۧ الۡمَوۡتٰی ؕ بَلٰۤی اِنَّہٗ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرٌ ﴿۳۳﴾

046.033 Awa lam yaraw anna Allaha allathee khalaqa alssamawati waal-arda walam yaAAya bikhalqihinna biqadirin AAala an yuhyiya almawta bala innahu AAala kulli shay-in qadeerun

33. Hebben zij niet ingezien dat Allah, Die de hemelen en de aarde schiep en niet moe werd door hen te scheppen, macht heeft de doden te doen herleven? Ja, inderdaad, Hij heeft macht over alle dingen. Hebben zij dan niet gezien dat Allah, die de hemelen en de aarde geschapen heeft zonder dat de schepping ervan Hem veel inspanning kostte, de macht heeft om de doden levend te maken? Ja zeker, Hij is almachtig.

وَ یَوۡمَ یُعۡرَضُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا عَلَی النَّارِ ؕ اَلَیۡسَ ہٰذَا بِالۡحَقِّ ؕ قَالُوۡا بَلٰی وَ رَبِّنَا ؕ قَالَ فَذُوۡقُوا الۡعَذَابَ بِمَا کُنۡتُمۡ تَکۡفُرُوۡنَ ﴿۳۴﴾

046.034 Wayawma yuAAradu allatheena kafaroo AAala alnnari alaysa hatha bialhaqqi qaloo bala warabbina qala fathooqoo alAAathaba bima kuntum takfuroona

34. En de Dag, waarop de ongelovigen aan het Vuur zullen worden blootgesteld zal er worden gezegd: "Is dit niet de waarheid?" Zij zullen antwoorden: "Ja zeker, bij onze Heer." Hij zal zeggen: "Ondergaat dan de straf omdat u (ons woord) verwierpt." En op de dag dat zij die ongelovig zijn naar het vuur worden voorgeleid: "Is dit niet de waarheid?" Zij zeggen: "Ja zeker, bij onze Heer!" Hij zegt: "Proeft dan de bestraffing ervoor dat jullie ongelovig waren."

فَاصۡبِرۡ کَمَا صَبَرَ اُولُوا الۡعَزۡمِ مِنَ الرُّسُلِ وَ لَا تَسۡتَعۡجِلۡ لَّہُمۡ ؕ کَاَنَّہُمۡ یَوۡمَ یَرَوۡنَ مَا یُوۡعَدُوۡنَ ۙ لَمۡ یَلۡبَثُوۡۤا اِلَّا سَاعَۃً مِّنۡ نَّہَارٍ ؕ بَلٰغٌ ۚ فَہَلۡ یُہۡلَکُ اِلَّا الۡقَوۡمُ الۡفٰسِقُوۡنَ ﴿٪۳۵﴾

046.035 Faisbir kama sabara oloo alAAazmi mina alrrusuli wala tastaAAjil lahum kaannahum yawma yarawna ma yooAAadoona lam yalbathoo illa saAAatan min naharin balaghun fahal yuhlaku illa alqawmu alfasiqoona

35. Wees daarom geduldig (o profeet) zoals de boodschappers, die mannen van karaktervastheid waren, en wees omtrent hen niet haastig. De Dag, waarop zij zullen zien waarmede zij worden bedreigd, zal het hun toeschijnen alsof zij slechts een uur van een dag hadden geleefd (in deze wereld). De verkondiging is aan u en niemand wordt vernietigd dan het overtredende volk. Volhard dus geduldig zoals die profeten die vastbesloten waren geduldig volhardden en probeer niet het voor hen te verhaasten. Het zal voor hen op de dag dat zij zien wat hun toegezegd was zijn alsof het voor hen niet langer dan een uur van de dag heeft geduurd. [Dit is] een verkondiging. Zullen dan anderen dan de verdorven mensen vernietigd worden?


www.kuran.nl