Mohammed

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

اَلَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا وَ صَدُّوۡا عَنۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ اَضَلَّ اَعۡمَالَہُمۡ ﴿۱﴾

047.001 Allatheena kafaroo wasaddoo AAan sabeeli Allahi adalla aAAmalahum

1. Zij, die (de Waarheid) verwerpen en mensen van Allah's weg afleiden, hun werk zal Hij vruchteloos maken. Van hen die ongelovig zijn en de weg van Allah versperren laat Hij de daden teloorgaan.

وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ وَ اٰمَنُوۡا بِمَا نُزِّلَ عَلٰی مُحَمَّدٍ وَّ ہُوَ الۡحَقُّ مِنۡ رَّبِّہِمۡ ۙ کَفَّرَ عَنۡہُمۡ سَیِّاٰتِہِمۡ وَ اَصۡلَحَ بَالَہُمۡ ﴿۲﴾

047.002 Waallatheena amanoo waAAamiloo alssalihati waamanoo bima nuzzila AAala muhammadin wahuwa alhaqqu min rabbihim kaffara AAanhum sayyi-atihim waaslaha balahum

2. Maar zij, die geloven en goede werken doen en in hetgeen aan Mohammed is geopenbaard, geloven - dit is de Waarheid van hun Heer - hun fouten zal Hij van hen wegnemen en hun toestand verbeteren. Maar van hen die geloven, de deugdelijke daden doen en geloven in wat tot Mohammed is neergezonden -- dat is de waarheid die van hun Heer komt -- zal Hij de slechte daden verzoenen en hun toestand in orde brengen.

ذٰلِکَ بِاَنَّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوا اتَّبَعُوا الۡبَاطِلَ وَ اَنَّ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوا اتَّبَعُوا الۡحَقَّ مِنۡ رَّبِّہِمۡ ؕ کَذٰلِکَ یَضۡرِبُ اللّٰہُ لِلنَّاسِ اَمۡثَالَہُمۡ ﴿۳﴾

047.003 Thalika bi-anna allatheena kafaroo ittabaAAoo albatila waanna allatheena amanoo ittabaAAoo alhaqqa min rabbihim kathalika yadribu Allahu lilnnasi amthalahum

3. Dat is omdat de ongelovigen de leugen volgen, terwijl de gelovigen de Waarheid van hun Heer volgen. Zo deelt Allah aan de mensen hun toestand mede. Dat komt omdat zij die ongelovig zijn het onware volgen en omdat zij die gelovig zijn de waarheid volgen die van hun Heer afkomstig is. Zo geeft Allah zijn voorbeelden voor de mensen.

فَاِذَا لَقِیۡتُمُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا فَضَرۡبَ الرِّقَابِ ؕ حَتّٰۤی اِذَاۤ اَثۡخَنۡتُمُوۡہُمۡ فَشُدُّوا الۡوَثَاقَ ٭ۙ فَاِمَّا مَنًّۢا بَعۡدُ وَ اِمَّا فِدَآءً حَتّٰی تَضَعَ الۡحَرۡبُ اَوۡزَارَہَا ۬ۚ۟ۛ ذٰؔلِکَ ؕۛ وَ لَوۡ یَشَآءُ اللّٰہُ لَانۡتَصَرَ مِنۡہُمۡ وَ لٰکِنۡ لِّیَبۡلُوَا۠ بَعۡضَکُمۡ بِبَعۡضٍ ؕ وَ الَّذِیۡنَ قُتِلُوۡا فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ فَلَنۡ یُّضِلَّ اَعۡمَالَہُمۡ ﴿۴﴾

047.004 Fa-itha laqeetumu allatheena kafaroo fadarba alrriqabi hatta itha athkhantumoohum fashuddoo alwathaqa fa-imma mannan baAAdu wa-imma fidaan hatta tadaAAa alharbu awzaraha thalika walaw yashao Allahu laintasara minhum walakin liyabluwa baAAdakum bibaAAdin waallatheena qutiloo fee sabeeli Allahi falan yudilla aAAmalahum

4. Wanneer u de ongelovigen (in oorlog) ontmoet, treft dan hun nek en wanneer u overwinnaar bent, bindt hen dan vast. En wanneer de oorlog opgehouden is, laat hen dan vrij uit gunst of voor een losprijs. Zo zij het. En indien Allah wilde, had Hij hen Zelf kunnen bestraffen. Maar Hij wilde sommigen uwer door anderen op de proef stellen. En degenen die terwille van Allah worden gedood, hun werken zal Hij zeker niet vruchteloos maken. En wanneer jullie hen die ongelovig zijn [in de strijd] ontmoeten, slaat hen dan dood, maar wanneer jullie dan de overhand over hen verkregen hebben boeit hen dan stevig vast, hetzij om hen later als gunst vrij te laten hetzij om hen los te laten kopen, wanneer de lasten van de oorlog zijn afgelegd. Zo is het. En als Allah zou willen zou Hij zelf zich op hen wreken, maar Hij wil jullie met elkaar op de proef stellen. En zij die op Allah's weg gedood zijn, hun daden zullen niet teloorgaan.

سَیَہۡدِیۡہِمۡ وَ یُصۡلِحُ بَالَہُمۡ ۚ﴿۵﴾

047.005 sayahdeehim wayuslihu balahum

5. Hij zal hen leiden en hun toestand verbeteren. Hij zal het voor hen goed laten aflopen en hun toestand in orde brengen.

وَ یُدۡخِلُہُمُ الۡجَنَّۃَ عَرَّفَہَا لَہُمۡ ﴿۶﴾

047.006 Wayudkhiluhumu aljannata AAarrafaha lahum

6. En hen in het paradijs, dat Hij hun heeft bekend gemaakt, toelaten. En Hij zal hen de tuin laten binnengaan die Hij aan hen bekend heeft gemaakt.

یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اِنۡ تَنۡصُرُوا اللّٰہَ یَنۡصُرۡکُمۡ وَ یُثَبِّتۡ اَقۡدَامَکُمۡ ﴿۷﴾

047.007 Ya ayyuha allatheena amanoo in tansuroo Allaha yansurkum wayuthabbit aqdamakum

7. O u, die gelooft, indien u de zaak van Allah steunt zal Hij u helpen en standvastig doen blijven. Jullie die geloven! Als jullie Allah helpen dan zal Hij jullie helpen en jullie voeten stevig maken.

وَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا فَتَعۡسًا لَّہُمۡ وَ اَضَلَّ اَعۡمَالَہُمۡ ﴿۸﴾

047.008 Waallatheena kafaroo fataAAsan lahum waadalla aAAmalahum

8. Maar de ongelovigen wacht vernietiging en Hij zal hun werken vruchteloos maken. Maar zij die ongelovig zijn, neer met hen! Hij laat hun daden teloorgaan.

ذٰلِکَ بِاَنَّہُمۡ کَرِہُوۡا مَاۤ اَنۡزَلَ اللّٰہُ فَاَحۡبَطَ اَعۡمَالَہُمۡ ﴿۹﴾

047.009 Thalika bi-annahum karihoo ma anzala Allahu faahbata aAAmalahum

9. Dat is omdat zij, hetgeen Allah heeft geopenbaard, haten, daarom maakte Hij hun werken vruchteloos. Dat komt omdat zij verafschuwen wat Allah neergezonden heeft. Dus maakt Hij hun daden vruchteloos. *

اَفَلَمۡ یَسِیۡرُوۡا فِی الۡاَرۡضِ فَیَنۡظُرُوۡا کَیۡفَ کَانَ عَاقِبَۃُ الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِہِمۡ ؕ دَمَّرَ اللّٰہُ عَلَیۡہِمۡ ۫ وَ لِلۡکٰفِرِیۡنَ اَمۡثَالُہَا ﴿۱۰﴾

047.010 Afalam yaseeroo fee al-ardi fayanthuroo kayfa kana AAaqibatu allatheena min qablihim dammara Allahu AAalayhim walilkafireena amthaluha

10. Hebben zij op aarde niet gereisd en gezien wat het einde was van degenen, die vr hen waren? Allah vernietigde hen geheel en hetzelfde zal voor de ongelovigen gelden. Hebben zij dan niet op de aarde rondgereisd zodat zij konden zien hoe het einde was van hen die er voor hen waren? Allah roeide hen uit. En voor de ongelovigen zijn er overeenkomstige dingen.

ذٰلِکَ بِاَنَّ اللّٰہَ مَوۡلَی الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ اَنَّ الۡکٰفِرِیۡنَ لَا مَوۡلٰی لَہُمۡ ﴿٪۱۱﴾

047.011 Thalika bi-anna Allaha mawla allatheena amanoo waanna alkafireena la mawla lahum

11. Dat is, omdat Allah de Beschermer is van de gelovigen en voor de ongelovigen is er geen Beschermer. Dat komt omdat Allah de beschermheer is van hen die geloven en omdat de ongelovigen geen beschermheer hebben.

اِنَّ اللّٰہَ یُدۡخِلُ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ جَنّٰتٍ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ ؕ وَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا یَتَمَتَّعُوۡنَ وَ یَاۡکُلُوۡنَ کَمَا تَاۡکُلُ الۡاَنۡعَامُ وَ النَّارُ مَثۡوًی لَّہُمۡ ﴿۱۲﴾

047.012 Inna Allaha yudkhilu allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati jannatin tajree min tahtiha al-anharu waallatheena kafaroo yatamattaAAoona waya/kuloona kama ta/kulu al-anAAamu waalnnaru mathwan lahum

12. Voorwaar, Allah zal hen die geloven en goede werken doen in het paradijs toelaten, waardoorheen rivieren vloeien: terwijl de ongelovigen zich vermaken en eten zoals het vee; het Vuur zal hun tehuis zijn. Allah laat hen die geloven en de deugdelijke daden doen binnengaan in tuinen, waar de rivieren onderdoor stromen. Maar zij die ongelovig zijn genieten en eten zoals het vee eet en het vuur is een verblijfplaats voor hen.

وَ کَاَیِّنۡ مِّنۡ قَرۡیَۃٍ ہِیَ اَشَدُّ قُوَّۃً مِّنۡ قَرۡیَتِکَ الَّتِیۡۤ اَخۡرَجَتۡکَ ۚ اَہۡلَکۡنٰہُمۡ فَلَا نَاصِرَ لَہُمۡ ﴿۱۳﴾

047.013 Wakaayyin min qaryatin hiya ashaddu quwwatan min qaryatika allatee akhrajatka ahlaknahum fala nasira lahum

13. En hoevele steden die sterker waren dan de stad die u heeft uitgedreven, hebben Wij vernietigd, en zij hadden geen helper! En hoeveel steden die sterker waren dan jouw stad die jou verdreven heeft hebben Wij niet vernietigd; en zij hadden geen helper.

اَفَمَنۡ کَانَ عَلٰی بَیِّنَۃٍ مِّنۡ رَّبِّہٖ کَمَنۡ زُیِّنَ لَہٗ سُوۡٓءُ عَمَلِہٖ وَ اتَّبَعُوۡۤا اَہۡوَآءَہُمۡ ﴿۱۴﴾

047.014 Afaman kana AAala bayyinatin min rabbihi kaman zuyyina lahu soo-o AAamalihi waittabaAAoo ahwaahum

14. Zijn zij die op een duidelijk bewijs van hun Heer steunen als zij voor wie hun slechte daden schoonschijnend zijn gemaakt en die hun eigen begeerten volgen? Is dan iemand die op een duidelijk bewijs van zijn Heer steunt gelijk aan iemand voor wie de slechtheid van zijn handelen aantrekkelijk gemaakt is? Zij volgen namelijk hun grillen.

مَثَلُ الۡجَنَّۃِ الَّتِیۡ وُعِدَ الۡمُتَّقُوۡنَ ؕ فِیۡہَاۤ اَنۡہٰرٌ مِّنۡ مَّآءٍ غَیۡرِ اٰسِنٍ ۚ وَ اَنۡہٰرٌ مِّنۡ لَّبَنٍ لَّمۡ یَتَغَیَّرۡ طَعۡمُہٗ ۚ وَ اَنۡہٰرٌ مِّنۡ خَمۡرٍ لَّذَّۃٍ لِّلشّٰرِبِیۡنَ ۬ۚ وَ اَنۡہٰرٌ مِّنۡ عَسَلٍ مُّصَفًّی ؕ وَ لَہُمۡ فِیۡہَا مِنۡ کُلِّ الثَّمَرٰتِ وَ مَغۡفِرَۃٌ مِّنۡ رَّبِّہِمۡ ؕ کَمَنۡ ہُوَ خَالِدٌ فِی النَّارِ وَ سُقُوۡا مَآءً حَمِیۡمًا فَقَطَّعَ اَمۡعَآءَہُمۡ ﴿۱۵﴾

047.015 Mathalu aljannati allatee wuAAida almuttaqoona feeha anharun min ma-in ghayri asinin waanharun min labanin lam yataghayyar taAAmuhu waanharun min khamrin laththatin lilshsharibeena waanharun min AAasalin musaffan walahum feeha min kulli alththamarati wamaghfiratun min rabbihim kaman huwa khalidun fee alnnari wasuqoo maan hameeman faqattaAAa amAAaahum

15. Het beeld van het paradijs dat aan de godvruchtigen is beloofd: er zijn daarin stromen water dat niet bederft; en stromen melk waarvan de smaak niet verandert en stromen wijn, smakelijk voor degenen die drinken en rivieren van zuivere honing. En zij zullen er allerlei vruchten in hebben en vergiffenis van hun Heer. Kunnen zij gelijk zijn aan degenen die in het Vuur vertoeven en die kokend water te drinken krijgen zodat het hun ingewanden verscheurt? De tuin die de godvrezenden is toegezegd ziet er zo uit: Er zijn rivieren van water dat niet brak is, rivieren van melk waarvan de smaak niet verandert, rivieren van wijn die aangenaam is voor de drinkers en rivieren van gezuiverde honing. En zij hebben daar allerlei vruchten en vergeving van hun Heer. [Zijn zij] als zij die altijd in het vuur blijven en gloeiend water te drinken krijgen dat hun ingewanden stuksnijdt?

وَ مِنۡہُمۡ مَّنۡ یَّسۡتَمِعُ اِلَیۡکَ ۚ حَتّٰۤی اِذَا خَرَجُوۡا مِنۡ عِنۡدِکَ قَالُوۡا لِلَّذِیۡنَ اُوۡتُوا الۡعِلۡمَ مَاذَا قَالَ اٰنِفًا ۟ اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ طَبَعَ اللّٰہُ عَلٰی قُلُوۡبِہِمۡ وَ اتَّبَعُوۡۤا اَہۡوَآءَہُمۡ ﴿۱۶﴾

047.016 Waminhum man yastamiAAu ilayka hatta itha kharajoo min AAindika qaloo lillatheena ootoo alAAilma matha qala anifan ola-ika allatheena tabaAAa Allahu AAala quloobihim waittabaAAoo ahwaahum

16. En sommigen onder hen luisteren naar u maar wanneer zij van u weggaan, zeggen zij tot hen aan wie kennis is gegeven: "Wat zei hij zo juist?" Allah heeft hun hart verzegeld, zij volgen hun eigen neigingen. Onder hen zijn er die naar jou luisteren, maar wanneer zij dan bij jou zijn weggegaan zeggen zij tot hen aan wie de kennis gegeven is: "Wat heeft hij zo-even gezegd?" Zij zijn het van wie Allah de harten verzegeld heeft en zij volgen hun grillen.

وَ الَّذِیۡنَ اہۡتَدَوۡا زَادَہُمۡ ہُدًی وَّ اٰتٰہُمۡ تَقۡوٰىہُمۡ ﴿۱۷﴾

047.017 Waallatheena ihtadaw zadahum hudan waatahum taqwahum

17. Maar van hen die de leiding volgen vermeerdert Hij de leiding en schenkt hun rechtvaardigheid. Zij die zich op het goede pad hebben laten brengen brengt Allah nog beter op het goede pad en Hij geeft hun hun godvrezendheid.

فَہَلۡ یَنۡظُرُوۡنَ اِلَّا السَّاعَۃَ اَنۡ تَاۡتِیَہُمۡ بَغۡتَۃً ۚ فَقَدۡ جَآءَ اَشۡرَاطُہَا ۚ فَاَنّٰی لَہُمۡ اِذَا جَآءَتۡہُمۡ ذِکۡرٰىہُمۡ ﴿۱۸﴾

047.018 Fahal yanthuroona illa alssaAAata an ta/tiyahum baghtatan faqad jaa ashratuha faanna lahum itha jaat-hum thikrahum

18. Zij (de ongelovigen) wachten op niets dan het Uur dat onverwachts over hen kan komen. De tekenen er van zijn reeds gekomen, maar hoe zal voor hen de herinnering zijn wanneer het (Uur) werkelijk tot hen komt? Verwachten zij dan iets anders dan dat het uur onverwachts tot hen komt? De voortekenen ervan zijn al gekomen. Hoe zou vermaning hun tot voordeel kunnen zijn wanneer hij komt?

فَاعۡلَمۡ اَنَّہٗ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا اللّٰہُ وَ اسۡتَغۡفِرۡ لِذَنۡۢبِکَ وَ لِلۡمُؤۡمِنِیۡنَ وَ الۡمُؤۡمِنٰتِ ؕ وَ اللّٰہُ یَعۡلَمُ مُتَقَلَّبَکُمۡ وَ مَثۡوٰىکُمۡ ﴿٪۱۹﴾

047.019 FaiAAlam annahu la ilaha illa Allahu waistaghfir lithanbika walilmu/mineena waalmu/minati waAllahu yaAAlamu mutaqallabakum wamathwakum

19. Weet, dat er buiten Allah geen God bestaat en vraag bescherming voor uw tekortkoming en voor die van gelovige mannen en vrouwen. Allah kent de plaats uwer handelingen en uw rustplaats. Weet dan dat er geen god is dan Allah en vraag om vergeving voor jouw zonden en voor de gelovige mannen en vrouwen. En Allah kent jullie rondtrekken en jullie verblijfplaats.

وَ یَقُوۡلُ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا لَوۡ لَا نُزِّلَتۡ سُوۡرَۃٌ ۚ فَاِذَاۤ اُنۡزِلَتۡ سُوۡرَۃٌ مُّحۡکَمَۃٌ وَّ ذُکِرَ فِیۡہَا الۡقِتَالُ ۙ رَاَیۡتَ الَّذِیۡنَ فِیۡ قُلُوۡبِہِمۡ مَّرَضٌ یَّنۡظُرُوۡنَ اِلَیۡکَ نَظَرَ الۡمَغۡشِیِّ عَلَیۡہِ مِنَ الۡمَوۡتِ ؕ فَاَوۡلٰی لَہُمۡ ﴿ۚ۲۰﴾

047.020 Wayaqoolu allatheena amanoo lawla nuzzilat sooratun fa-itha onzilat sooratun muhkamatun wathukira feeha alqitalu raayta allatheena fee quloobihim maradun yanthuroona ilayka nathara almaghshiyyi AAalayhi mina almawti faawla lahum

20. En de gelovigen zeggen: "Waarom is er geen Soerah geopenbaard?" Maar wanneer een beslissende Soerah wordt geopenbaard en daarin over vechten wordt gesproken, zult u hen in wier hart een ziekte is naar u zien kijken als iemand die bezwijmt in de dood. Maar voor hen ware het beter, En zij die geloven zeggen: "Was er maar een soera neergezonden." En als er dan een eenduidige soera wordt neergezonden waarin er van strijden sprake is, dan zie jij hen die een ziekte in hun harten hebben naar jou kijken met een blik als van iemand die voor de dood in onmacht valt. Zij kunnen het krijgen!

طَاعَۃٌ وَّ قَوۡلٌ مَّعۡرُوۡفٌ ۟ فَاِذَا عَزَمَ الۡاَمۡرُ ۟ فَلَوۡ صَدَقُوا اللّٰہَ لَکَانَ خَیۡرًا لَّہُمۡ ﴿ۚ۲۱﴾

047.021 TaAAatun waqawlun maAAroofun fa-itha AAazama al-amru falaw sadaqoo Allaha lakana khayran lahum

21. Gehoorzaamheid (te betonen) en goede woorden (te spreken). En wanneer de zaak is beslecht, is het voor hen beter indien zij Allah trouw blijven. Gehoorzaamheid en redelijke woorden! Maar wanneer de zaak vaststaat dan zou het beter voor hen zijn als zij tegenover Allah oprecht waren geweest.

فَہَلۡ عَسَیۡتُمۡ اِنۡ تَوَلَّیۡتُمۡ اَنۡ تُفۡسِدُوۡا فِی الۡاَرۡضِ وَ تُقَطِّعُوۡۤا اَرۡحَامَکُمۡ ﴿۲۲﴾

047.022 Fahal AAasaytum in tawallaytum an tufsidoo fee al-ardi watuqattiAAoo arhamakum

22. Zult u dan niet door u af te wenden verderf in het land brengen en uw familiebanden verbreken? Of is het, als jullie je afwenden, misschien zo dat jullie verderf zaaien op de aarde en jullie verwantschapsbanden doorsnijden?

اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ لَعَنَہُمُ اللّٰہُ فَاَصَمَّہُمۡ وَ اَعۡمٰۤی اَبۡصَارَہُمۡ ﴿۲۳﴾

047.023 Ola-ika allatheena laAAanahumu Allahu faasammahum waaAAma absarahum

23. Dezen zijn het, die Allah heeft vervloekt, zodat Hij hen doof heeft gemaakt en hun ogen verblind. Zij zijn het die Allah vervloekt. Dus heeft Hij hen doof gemaakt en hun ogen verblind.

اَفَلَا یَتَدَبَّرُوۡنَ الۡقُرۡاٰنَ اَمۡ عَلٰی قُلُوۡبٍ اَقۡفَالُہَا ﴿۲۴﴾

047.024 Afala yatadabbaroona alqur-ana am AAala quloobin aqfaluha

24. Willen zij dan niet over de Kuran nadenken, of zijn er sloten op hun hart? Overpeinzen zij de Koran dan niet? Ofwel, zijn er harten die op slot zijn?

اِنَّ الَّذِیۡنَ ارۡتَدُّوۡا عَلٰۤی اَدۡبَارِہِمۡ مِّنۡۢ بَعۡدِ مَا تَبَیَّنَ لَہُمُ الۡہُدَی ۙ الشَّیۡطٰنُ سَوَّلَ لَہُمۡ ؕ وَ اَمۡلٰی لَہُمۡ ﴿۲۵﴾

047.025 Inna allatheena irtaddoo AAala adbarihim min baAAdi ma tabayyana lahumu alhuda alshshaytanu sawwala lahum waamla lahum

25. Waarlijk, voor hen die hun rug omkeren nadat de leiding hun duidelijk is geworden, heeft Satan het gemakkelijk gemaakt en hun verlangens opgewekt. Hun die hun ruggen toegekeerd hebben, nadat de leidraad hun duidelijk was geworden, heeft de satan iets wijsgemaakt en hij heeft hun uitstel beloofd.

ذٰلِکَ بِاَنَّہُمۡ قَالُوۡا لِلَّذِیۡنَ کَرِہُوۡا مَا نَزَّلَ اللّٰہُ سَنُطِیۡعُکُمۡ فِیۡ بَعۡضِ الۡاَمۡرِ ۚۖ وَ اللّٰہُ یَعۡلَمُ اِسۡرَارَہُمۡ ﴿۲۶﴾

047.026 Thalika bi-annahum qaloo lillatheena karihoo ma nazzala Allahu sanuteeAAukum fee baAAdi al-amri waAllahu yaAAlamu israrahum

26. Dat is doordat zij tot degenen die haten wat Allah heeft geopenbaard, zeggen: "Wij willen u in sommige zaken gehoorzamen." Maar Allah kent hun geheimen. Dat is zo, want zij zeggen tot hen die verafschuwen wat Allah heeft neergezonden: "Wij zullen jullie gedeeltelijk gehoorzamen." Maar Allah weet wat zij in het verborgen doen.

فَکَیۡفَ اِذَا تَوَفَّتۡہُمُ الۡمَلٰٓئِکَۃُ یَضۡرِبُوۡنَ وُجُوۡہَہُمۡ وَ اَدۡبَارَہُمۡ ﴿۲۷﴾

047.027 Fakayfa itha tawaffat-humu almala-ikatu yadriboona wujoohahum waadbarahum

27. En hoe (zal het zijn) wanneer de engelen bij de dood hun ziel zullen nemen, hun aangezicht en hun rug treffend? En hoe zal het dan zijn wanneer de engelen hen wegnemen terwijl ze op hun gezichten en ruggen slaan?

ذٰلِکَ بِاَنَّہُمُ اتَّبَعُوۡا مَاۤ اَسۡخَطَ اللّٰہَ وَ کَرِہُوۡا رِضۡوَانَہٗ فَاَحۡبَطَ اَعۡمَالَہُمۡ ﴿٪۲۸﴾

047.028 Thalika bi-annahumu ittabaAAoo ma askhata Allaha wakarihoo ridwanahu faahbata aAAmalahum

28. Omdat zij datgene volgen wat Allah vertoornt en haten wat Hem behaagt, daarom heeft Hij hun werken vruchteloos gemaakt. Dat gebeurt, want zij volgen wat Allah vergramd maakt en verafschuwen Zijn welbehagen. Dus maakt Hij hun daden vruchteloos.

اَمۡ حَسِبَ الَّذِیۡنَ فِیۡ قُلُوۡبِہِمۡ مَّرَضٌ اَنۡ لَّنۡ یُّخۡرِجَ اللّٰہُ اَضۡغَانَہُمۡ ﴿۲۹﴾

047.029 Am hasiba allatheena fee quloobihim maradun an lan yukhrija Allahu adghanahum

29. Denken zij wier hart ziek is, dat Allah hun boosaardigheden niet aan het licht zou brengen? Of rekenen zij die in hun harten een ziekte hebben erop dat Allah hun rancune niet aan het licht zal brengen?

وَ لَوۡ نَشَآءُ لَاَرَیۡنٰکَہُمۡ فَلَعَرَفۡتَہُمۡ بِسِیۡمٰہُمۡ ؕ وَ لَتَعۡرِفَنَّہُمۡ فِیۡ لَحۡنِ الۡقَوۡلِ ؕ وَ اللّٰہُ یَعۡلَمُ اَعۡمَالَکُمۡ ﴿۳۰﴾

047.030 Walaw nashao laaraynakahum falaAAaraftahum biseemahum walataAArifannahum fee lahni alqawli waAllahu yaAAlamu aAAmalakum

30. En indien Wij wilden, konden Wij hen (de huichelaars) aan u tonen, zodat u hen aan hun merkteken zoudt kennen. Maar u zult hen gewis aan hun woorden herkennen. En Allah heeft kennis van hetgeen u doet. En als Wij zouden willen zouden Wij hen aan jou tonen, zodat jij hun kenmerken zou herkennen. Maar jij zult hen zeker aan hun dubbelzinnige manier van spreken herkennen. En Allah kent hun daden.

وَ لَنَبۡلُوَنَّکُمۡ حَتّٰی نَعۡلَمَ الۡمُجٰہِدِیۡنَ مِنۡکُمۡ وَ الصّٰبِرِیۡنَ ۙ وَ نَبۡلُوَا۠ اَخۡبَارَکُمۡ ﴿۳۱﴾

047.031 Walanabluwannakum hatta naAAlama almujahideena minkum waalssabireena wanabluwa akhbarakum

31. En Wij zullen u zeker beproeven totdat Wij diegenen onder u onderscheiden die ijverig streven en standvastig zijn. En Wij zullen uw feiten aan u openbaar maken. Wij zullen jullie op de proef stellen zodat Wij weten wie van jullie zich inzetten en geduldig volharden en om de berichten over jullie te toetsen.

اِنَّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا وَ صَدُّوۡا عَنۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ وَ شَآقُّوا الرَّسُوۡلَ مِنۡۢ بَعۡدِ مَا تَبَیَّنَ لَہُمُ الۡہُدٰی ۙ لَنۡ یَّضُرُّوا اللّٰہَ شَیۡئًا ؕ وَ سَیُحۡبِطُ اَعۡمَالَہُمۡ ﴿۳۲﴾

047.032 Inna allatheena kafaroo wasaddoo AAan sabeeli Allahi washaqqoo alrrasoola min baAAdi ma tabayyana lahumu alhuda lan yaduroo Allaha shay-an wasayuhbitu aAAmalahum

32. Voorzeker, zij die niet geloven en (anderen) van Allah's pad afleiden en die de boodschapper tegenwerken, nadat de leiding hun duidelijk is geworden, zullen Allah stellig niet schaden maar Hij zal hun werken vruchteloos maken. Zij die ongelovig zijn, Allah's weg versperren en de gezant tegenwerken nadat de leidraad hun duidelijk geworden is kunnen Allah geen enkele schade toebrengen, maar Hij zal hun daden vruchteloos maken.

یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اَطِیۡعُوا اللّٰہَ وَ اَطِیۡعُوا الرَّسُوۡلَ وَ لَا تُبۡطِلُوۡۤا اَعۡمَالَکُمۡ ﴿۳۳﴾

047.033 Ya ayyuha allatheena amanoo ateeAAoo Allaha waateeAAoo alrrasoola wala tubtiloo aAAmalakum

33. O. u die gelooft, gehoorzaamt Allah en de boodschapper en maakt uw werken niet nutteloos. Jullie die geloven! Gehoorzaamt Allah en gehoorzaamt de gezant en maakt jullie daden niet waardeloos.

اِنَّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا وَ صَدُّوۡا عَنۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ ثُمَّ مَاتُوۡا وَ ہُمۡ کُفَّارٌ فَلَنۡ یَّغۡفِرَ اللّٰہُ لَہُمۡ ﴿۳۴﴾

047.034 Inna allatheena kafaroo wasaddoo AAan sabeeli Allahi thumma matoo wahum kuffarun falan yaghfira Allahu lahum

34. Waarlijk, de ongelovigen, die van het pad van Allah afleiden en sterven, terwijl zij ongelovig zijn, Allah zal hen zeker niet vergeven. Zij die ongelovig zijn en Allah's weg versperren en dan als ongelovigen sterven, aan hen zal Allah geen vergeving schenken.

فَلَا تَہِنُوۡا وَ تَدۡعُوۡۤا اِلَی السَّلۡمِ ٭ۖ وَ اَنۡتُمُ الۡاَعۡلَوۡنَ ٭ۖ وَ اللّٰہُ مَعَکُمۡ وَ لَنۡ یَّتِرَکُمۡ اَعۡمَالَکُمۡ ﴿۳۵﴾

047.035 Fala tahinoo watadAAoo ila alssalmi waantumu al-aAAlawna waAllahu maAAakum walan yatirakum aAAmalakum

35. Weifelt daarom niet noch roept om vrede, want u zult de overhand hebben. Allah is met u en Hij zal uw daden niet teniet doen. Versaagt dus niet en roept niet op tot vrede wanneer jullie toch de overhand hebben. Allah is namelijk met jullie en Hij zal jullie de vergoeding voor jullie daden niet onthouden.

اِنَّمَا الۡحَیٰوۃُ الدُّنۡیَا لَعِبٌ وَّ لَہۡوٌ ؕ وَ اِنۡ تُؤۡمِنُوۡا وَ تَتَّقُوۡا یُؤۡتِکُمۡ اُجُوۡرَکُمۡ وَ لَا یَسۡـَٔلۡکُمۡ اَمۡوَالَکُمۡ ﴿۳۶﴾

047.036 Innama alhayatu alddunya laAAibun walahwun wa-in tu/minoo watattaqoo yu/tikum ojoorakum wala yas-alkum amwalakum

36. Het leven dezer wereld is slechts een spel en een (ijdel) vermaak, en indien u gelooft en (God) vreest, zal Hij u belonen en zal u niet om uw (gehele) bezit vragen. Het tegenwoordige leven is slechts spel en tijdverdrijf, maar als jullie geloven en godvrezend zijn zal Hij jullie je loon geven, terwijl Hij niet om jullie bezittingen vraagt.

اِنۡ یَّسۡـَٔلۡکُمُوۡہَا فَیُحۡفِکُمۡ تَبۡخَلُوۡا وَ یُخۡرِجۡ اَضۡغَانَکُمۡ ﴿۳۷﴾

047.037 In yas-alkumooha fayuhfikum tabkhaloo wayukhrij adghanakum

37. Want indien Hij dit van u zou vragen en er op zou aandringen, zult u vrekkig worden en Hij zou uw boosaardigheden aan het licht brengen. Als Hij jullie erom zou vragen en erop zou aandringen, dan zouden jullie gierig zijn en zou Hij jullie rancune aan het licht brengen.

ہٰۤاَنۡتُمۡ ہٰۤؤُلَآءِ تُدۡعَوۡنَ لِتُنۡفِقُوۡا فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ ۚ فَمِنۡکُمۡ مَّنۡ یَّبۡخَلُ ۚ وَ مَنۡ یَّبۡخَلۡ فَاِنَّمَا یَبۡخَلُ عَنۡ نَّفۡسِہٖ ؕ وَ اللّٰہُ الۡغَنِیُّ وَ اَنۡتُمُ الۡفُقَرَآءُ ۚ وَ اِنۡ تَتَوَلَّوۡا یَسۡتَبۡدِلۡ قَوۡمًا غَیۡرَکُمۡ ۙ ثُمَّ لَا یَکُوۡنُوۡۤا اَمۡثَالَکُمۡ ﴿٪۳۸﴾

047.038 Ha antum haola-i tudAAawna litunfiqoo fee sabeeli Allahi faminkum man yabkhalu waman yabkhal fa-innama yabkhalu AAan nafsihi waAllahu alghaniyyu waantumu alfuqarao wa-in tatawallaw yastabdil qawman ghayrakum thumma la yakoonoo amthalakum

38. Ziet, u bent het, die geroepen wordt ter wille van Allah (een deel van uw vermogen) te geven, maar er zijn sommigen onder u die vrekkig zijn. En wie vrekkig is, is dit slechts tegen zichzelf. Allah is Zichzelf - genoeg en u bent nooddruftig. En indien u (van de Waarheid) afwendt, zal Hij een ander volk in uw plaats brengen en dezen zullen uw gelijken niet zijn. Dat zijn jullie dus die opgeroepen worden om bijdragen te geven op Allah's weg, maar onder jullie zijn er die gierig zijn. Maar wie gierig is, die is slechts gierig ten opzichte van zichzelf. Allah is de behoefteloze en jullie zijn de armen. Als jullie je afkeren zal Hij andere mensen in jullie plaats zetten. Dan zullen zij niet zijn zoals jullie.


www.kuran.nl