Qaaf

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

قٓ ۟ۚ وَ الۡقُرۡاٰنِ الۡمَجِیۡدِ ۚ﴿۱﴾

050.001 Qaf waalqur-ani almajeedi

1. Qaaf. Bij de glorierijke Kuran. K[aaf]. Bij de glorierijke Koran!

بَلۡ عَجِبُوۡۤا اَنۡ جَآءَہُمۡ مُّنۡذِرٌ مِّنۡہُمۡ فَقَالَ الۡکٰفِرُوۡنَ ہٰذَا شَیۡءٌ عَجِیۡبٌ ۚ﴿۲﴾

050.002 Bal AAajiboo an jaahum munthirun minhum faqala alkafiroona hatha shay-on AAajeebun

2. Maar zij verwonderen zich dat er uit hun midden een waarschuwer tot hen kwam. En de ongelovigen zeggen: "Dit is een zonderling iets! Ja zeker, zij verbazen zich dat er tot hen een waarschuwer uit hun midden gekomen is en dus zeggen de ongelovigen: "Dit is wel iets wonderlijks.

ءَاِذَا مِتۡنَا وَ کُنَّا تُرَابًا ۚ ذٰلِکَ رَجۡعٌۢ بَعِیۡدٌ ﴿۳﴾

050.003 A-itha mitna wakunna turaban thalika rajAAun baAAeedun

3. Zullen wij in het leven worden geroepen wanneer wij dood gaan en stof zijn geworden? Zulk een terugkeer is onmogelijk." Zullen wij dan als wij gestorven zijn en stof geworden zijn?? Dat is toch een vergezochte terugkeer!)

قَدۡ عَلِمۡنَا مَا تَنۡقُصُ الۡاَرۡضُ مِنۡہُمۡ ۚ وَ عِنۡدَنَا کِتٰبٌ حَفِیۡظٌ ﴿۴﴾

050.004 Qad AAalimna ma tanqusu al-ardu minhum waAAindana kitabun hafeethun

4. Wij weten wat de aarde van hen verteert en bij Ons is een Boek dat alles bewaart. Wij weten wel wat de aarde van hen verteert; bij Ons is een boek dat [alles] bewaart.

بَلۡ کَذَّبُوۡا بِالۡحَقِّ لَمَّا جَآءَہُمۡ فَہُمۡ فِیۡۤ اَمۡرٍ مَّرِیۡجٍ ﴿۵﴾

050.005 Bal kaththaboo bialhaqqi lamma jaahum fahum fee amrin mareejin

5. Nee, zij hebben de Waarheid verloochend toen deze tot hen kwam, derhalve zijn zij in een verwarde toestand geraakt. Maar nee, zij hebben de waarheid geloochend toen die tot hen kwam. Zij verkeren dus in een verwarde toestand.

اَفَلَمۡ یَنۡظُرُوۡۤا اِلَی السَّمَآءِ فَوۡقَہُمۡ کَیۡفَ بَنَیۡنٰہَا وَ زَیَّنّٰہَا وَ مَا لَہَا مِنۡ فُرُوۡجٍ ﴿۶﴾

050.006 Afalam yanthuroo ila alssama-i fawqahum kayfa banaynaha wazayyannaha wama laha min furoojin

6. Zien zij niet naar de hemel boven hen hoe Wij deze hebben opgericht en versierd en dat dezelve geen gebreken heeft? Kijken zij dan niet naar de hemel boven hen, hoe Wij die gebouwd en opgesierd hebben en dat er geen barsten in zijn?

وَ الۡاَرۡضَ مَدَدۡنٰہَا وَ اَلۡقَیۡنَا فِیۡہَا رَوَاسِیَ وَ اَنۡۢبَتۡنَا فِیۡہَا مِنۡ کُلِّ زَوۡجٍۭ بَہِیۡجٍ ۙ﴿۷﴾

050.007 Waal-arda madadnaha waalqayna feeha rawasiya waanbatna feeha min kulli zawjin baheejin

7. En de aarde - Wij hebben haar uitgespreid en stevige bergen er op gevestigd en Wij hebben er elk prachtig gewas op doen groeien. En de aarde hebben Wij uitgebreid en erop stevige bergen aangebracht. En Wij hebben er allerlei kostelijke soorten op laten groeien,

تَبۡصِرَۃً وَّ ذِکۡرٰی لِکُلِّ عَبۡدٍ مُّنِیۡبٍ ﴿۸﴾

050.008 Tabsiratan wathikra likulli AAabdin muneebin

8. Als inzicht en les voor iedere dienaar die zich er toe wendt. als een verduidelijking en een vermaning voor iedere schuldbewuste dienaar.

وَ نَزَّلۡنَا مِنَ السَّمَآءِ مَآءً مُّبٰرَکًا فَاَنۡۢبَتۡنَا بِہٖ جَنّٰتٍ وَّ حَبَّ الۡحَصِیۡدِ ۙ﴿۹﴾

050.009 Wanazzalna mina alssama-i maan mubarakan faanbatna bihi jannatin wahabba alhaseedi

9. En Wij zenden water vol zegeningen uit de hemel neder en Wij brengen daarmee tuinen en graan voort waarvan kan worden geoogst En Wij hebben uit de hemel gezegend water laten neerdalen en daarmee tuinen en graan voor de oogst laten groeien

وَ النَّخۡلَ بٰسِقٰتٍ لَّہَا طَلۡعٌ نَّضِیۡدٌ ﴿ۙ۱۰﴾

050.010 Waalnnakhla basiqatin laha talAAun nadeedun

10. En hoge palmbomen met bloeikolve over elkander gegroeid en palmen die hoog oprijzen en boven elkaar geplaatste bloeiwijzen hebben,

رِّزۡقًا لِّلۡعِبَادِ ۙ وَ اَحۡیَیۡنَا بِہٖ بَلۡدَۃً مَّیۡتًا ؕ کَذٰلِکَ الۡخُرُوۡجُ ﴿۱۱﴾

050.011 Rizqan lilAAibadi waahyayna bihi baldatan maytan kathalika alkhurooju

11. Als voorziening voor Onze dienaren en Wij verkwikken daarmee een dood land. - Zo zal ook de Opstanding zijn. als levensonderhoud voor de dienaren. En Wij brengen daarmee een dode streek tot leven. Zo is ook het tevoorschijn komen [van de doden].

کَذَّبَتۡ قَبۡلَہُمۡ قَوۡمُ نُوۡحٍ وَّ اَصۡحٰبُ الرَّسِّ وَ ثَمُوۡدُ ﴿ۙ۱۲﴾

050.012 Kaththabat qablahum qawmu noohin waas-habu alrrassi wathamoodu

12. Vr hen verloochende ook het volk van Noach, de mensen van de Bron en het volk van Samoed, Voor hun tijd heeft het volk van Noeh van leugens beticht en ook de mensen van de bron en de Thamoed

وَ عَادٌ وَّ فِرۡعَوۡنُ وَ اِخۡوَانُ لُوۡطٍ ﴿ۙ۱۳﴾

050.013 WaAAadun wafirAAawnu wa-ikhwanu lootin

13. Het volk van Aad, en Pharao en de broeders van Lot eveneens, en de 'Aad en Fir'aun en de broeders van Loet

وَّ اَصۡحٰبُ الۡاَیۡکَۃِ وَ قَوۡمُ تُبَّعٍ ؕ کُلٌّ کَذَّبَ الرُّسُلَ فَحَقَّ وَعِیۡدِ ﴿۱۴﴾

050.014 Waas-habu al-aykati waqawmu tubbaAAin kullun kaththaba alrrusula fahaqqa waAAeedi

14. En de Bosbewoners, en het volk van Tobba, elk hunner verloochende de boodschapper. Daarom ging de bedreiging in vervulling. en de mensen van het kreupelbos en het volk van Toebba', allen betichtten zij de gezanten van leugens, dus werd Mijn aanzegging bewaarheid.

اَفَعَیِیۡنَا بِالۡخَلۡقِ الۡاَوَّلِ ؕ بَلۡ ہُمۡ فِیۡ لَبۡسٍ مِّنۡ خَلۡقٍ جَدِیۡدٍ ﴿٪۱۵﴾

050.015 AfaAAayeena bialkhalqi al-awwali bal hum fee labsin min khalqin jadeedin

15. Zijn Wij dan uitgeput door de eerste schepping? Nee, zij zijn in twijfel omtrent de nieuwe schepping. Heeft de eerste schepping Ons dan inspanning gekost? Welnee, maar zij zijn in verwarring over een nieuwe schepping.

وَ لَقَدۡ خَلَقۡنَا الۡاِنۡسَانَ وَ نَعۡلَمُ مَا تُوَسۡوِسُ بِہٖ نَفۡسُہٗ ۚۖ وَ نَحۡنُ اَقۡرَبُ اِلَیۡہِ مِنۡ حَبۡلِ الۡوَرِیۡدِ ﴿۱۶﴾

050.016 Walaqad khalaqna al-insana wanaAAlamu ma tuwaswisu bihi nafsuhu wanahnu aqrabu ilayhi min habli alwareedi

16. En voorzeker, Wij hebben de mens geschapen en Wij weten alles wat zijn Ik hem toefluistert. En Wij zijn nader tot hem dan zijn halsader. Wij hebben de mens toch geschapen en Wij weten wat hij zichzelf influistert. Wij zijn namelijk dichter bij hem dan de halsslagader.

اِذۡ یَتَلَقَّی الۡمُتَلَقِّیٰنِ عَنِ الۡیَمِیۡنِ وَ عَنِ الشِّمَالِ قَعِیۡدٌ ﴿۱۷﴾

050.017 Ith yatalaqqa almutalaqqiyani AAani alyameeni waAAani alshshimali qaAAeedun

17. Wanneer de twee (engelen) die te boek stellen, schrijven, zit de een aan de rechter-, de andere aan de linkerzijde. Wanneer de beide ontvangers, aan de rechter- en de linkerkant zittend, [hem] zullen ontvangen

مَا یَلۡفِظُ مِنۡ قَوۡلٍ اِلَّا لَدَیۡہِ رَقِیۡبٌ عَتِیۡدٌ ﴿۱۸﴾

050.018 Ma yalfithu min qawlin illa ladayhi raqeebun AAateedun

18. Hij uit geen woord of er is een bewaker bij hem, die altijd klaar staat. kan hij geen woord uitbrengen zonder dat er een bewaker klaarstaat.

وَ جَآءَتۡ سَکۡرَۃُ الۡمَوۡتِ بِالۡحَقِّ ؕ ذٰلِکَ مَا کُنۡتَ مِنۡہُ تَحِیۡدُ ﴿۱۹﴾

050.019 Wajaat sakratu almawti bialhaqqi thalika ma kunta minhu taheedu

19. En de bezwijming des doods komt waarlijk. "Dit is hetgeen u wilde ontvrluchten." En de roes van de dood brengt de waarheid; dat is het wat jullie ontweken.

وَ نُفِخَ فِی الصُّوۡرِ ؕ ذٰلِکَ یَوۡمُ الۡوَعِیۡدِ ﴿۲۰﴾

050.020 Wanufikha fee alssoori thalika yawmu alwaAAeedi

20. En er zal op de bazuin worden geblazen. "Dit is de Dag van de Bedreiging." En er wordt op de bazuin geblazen; dat is de dag van de aanzegging.

وَ جَآءَتۡ کُلُّ نَفۡسٍ مَّعَہَا سَآئِقٌ وَّ شَہِیۡدٌ ﴿۲۱﴾

050.021 Wajaat kullu nafsin maAAaha sa-iqun washaheedun

21. En iedere ziel zal tezamen komen met een geleider en een getuige. En elke persoon komt met een voortdrijver bij zich en een getuige.

لَقَدۡ کُنۡتَ فِیۡ غَفۡلَۃٍ مِّنۡ ہٰذَا فَکَشَفۡنَا عَنۡکَ غِطَآءَکَ فَبَصَرُکَ الۡیَوۡمَ حَدِیۡدٌ ﴿۲۲﴾

050.022 Laqad kunta fee ghaflatin min hatha fakashafna AAanka ghitaaka fabasaruka alyawma hadeedun

22. Er zal worden gezegd: "U was hieromtrent achteloos. Nu hebben Wij uw sluier van u weggenomen en uw oog ziet deze Dag scherp." [En tot hem wordt gezegd:] "Jij hebt hierop niet gelet, maar wij hebben jouw bedekking van je afgenomen, zodat je blik vandaag scherp is."

وَ قَالَ قَرِیۡنُہٗ ہٰذَا مَا لَدَیَّ عَتِیۡدٌ ﴿ؕ۲۳﴾

050.023 Waqala qareenuhu hatha ma ladayya AAateedun

23. En zijn metgezel zal zeggen: "Dit is hetgeen bij mij gereed is." En zijn kameraad zegt: "Dit is wat bij mij klaarstaat."

اَلۡقِیَا فِیۡ جَہَنَّمَ کُلَّ کَفَّارٍ عَنِیۡدٍ ﴿ۙ۲۴﴾

050.024 Alqiya fee jahannama kulla kaffarin AAaneedin

24. "Werpt, werpt in de hel elke ondankbare vijand. [En tot die twee wordt gezegd:] "Jullie beiden moeten elke weerspannige ongelovige in de hel werpen,

مَّنَّاعٍ لِّلۡخَیۡرِ مُعۡتَدٍ مُّرِیۡبِۣ ﴿ۙ۲۵﴾

050.025 MannaAAin lilkhayri muAAtadin mureebin

25. "Die het goede belette, de overtreder, de twijfelaar, die het goede tegenhoudt, overtredingen begaat, in twijfel verkeert,

الَّذِیۡ جَعَلَ مَعَ اللّٰہِ اِلٰـہًا اٰخَرَ فَاَلۡقِیٰہُ فِی الۡعَذَابِ الشَّدِیۡدِ ﴿۲۶﴾

050.026 Allathee jaAAala maAAa Allahi ilahan akhara faalqiyahu fee alAAathabi alshshadeedi

26. "Die een andere God naast Allah oprichtte, doet hem de strenge marteling ondergaan." en die naast Allah een andere god stelt. Werpt hem dus in de pijnlijke bestraffing." *

قَالَ قَرِیۡنُہٗ رَبَّنَا مَاۤ اَطۡغَیۡتُہٗ وَ لٰکِنۡ کَانَ فِیۡ ضَلٰلٍۭ بَعِیۡدٍ ﴿۲۷﴾

050.027 Qala qareenuhu rabbana ma atghaytuhu walakin kana fee dalalin baAAeedin

27. Zijn metgezel zal zeggen: "O, onze Heer, ik maakte hem niet opstandig maar hij was te ver afgedwaald." Zijn kameraad zegt: "Onze Heer, ik heb hem niet opstandig gemaakt; hij verkeerde zelf in verregaande dwaling."

قَالَ لَا تَخۡتَصِمُوۡا لَدَیَّ وَ قَدۡ قَدَّمۡتُ اِلَیۡکُمۡ بِالۡوَعِیۡدِ ﴿۲۸﴾

050.028 Qala la takhtasimoo ladayya waqad qaddamtu ilaykum bialwaAAeedi

28. God zal antwoorden: "Redetwist niet in Mijn tegenwoordigheid, terwijl Ik u de waarschuwing vooraf heb gezonden. Hij zegt: "Twist in Mijn bijzijn niet met elkaar. Ik heb jullie de aanzegging vroeger al gegeven.

مَا یُبَدَّلُ الۡقَوۡلُ لَدَیَّ وَ مَاۤ اَنَا بِظَلَّامٍ لِّلۡعَبِیۡدِ ﴿٪۲۹﴾

050.029 Ma yubaddalu alqawlu ladayya wama ana bithallamin lilAAabeedi

29. Het vonnis door Mij geveld kan niet worden veranderd en Ik ben in het geheel niet onrechtvaardig jegens Mijn dienaren." De uitspraak wordt bij Mij niet veranderd en Ik geef geen onrechtvaardige behandeling aan de dienaren

یَوۡمَ نَقُوۡلُ لِجَہَنَّمَ ہَلِ امۡتَلَاۡتِ وَ تَقُوۡلُ ہَلۡ مِنۡ مَّزِیۡدٍ ﴿۳۰﴾

050.030 Yawma naqoolu lijahannama hali imtala/ti wataqoolu hal min mazeedin

30. Op die Dag zullen Wij tot de hel zeggen: "Bent u gevuld?" En zij zal antwoorden: "Is er nog iets?" op de dag dat Wij tot de hel zeggen: 'Ben je al vol?? en dat zij zegt: 'Komt er nog meer??"

وَ اُزۡلِفَتِ الۡجَنَّۃُ لِلۡمُتَّقِیۡنَ غَیۡرَ بَعِیۡدٍ ﴿۳۱﴾

050.031 Waozlifati aljannatu lilmuttaqeena ghayra baAAeedin

31. En de Hemel zal dicht bij de rechtvaardigen worden gebracht en niet ver verwijderd. En de tuin wordt dicht bij de godvrezenden gebracht, niet ver van hen vandaan.

ہٰذَا مَا تُوۡعَدُوۡنَ لِکُلِّ اَوَّابٍ حَفِیۡظٍ ﴿ۚ۳۲﴾

050.032 Hatha ma tooAAadoona likulli awwabin hafeethin

32. Dit is hetgeen was beloofd voor een ieder die zich bekeerde en die waakzaam was, "Dit is wat aan jullie is toegezegd voor ieder die schuldbewust is en zich aan [de godsdienst] houdt,

مَنۡ خَشِیَ الرَّحۡمٰنَ بِالۡغَیۡبِ وَ جَآءَ بِقَلۡبٍ مُّنِیۡبِۣ ﴿ۙ۳۳﴾

050.033 Man khashiya alrrahmana bialghaybi wajaa biqalbin muneebin

33. Die de Barmhartige in het verborgene vreesde en met een berouwvol hart tot Hem kwam. die de Erbarmer in het verborgene vreest en met een schuldbewust hart komt.

ادۡخُلُوۡہَا بِسَلٰمٍ ؕ ذٰلِکَ یَوۡمُ الۡخُلُوۡدِ ﴿۳۴﴾

050.034 Odkhulooha bisalamin thalika yawmu alkhuloodi

34. Gaat hier in vrede binnen. Dit is de Dag van de Eeuwigheid. Gaat in vrede binnen." Dat is de dag van de eeuwigheid.

لَہُمۡ مَّا یَشَآءُوۡنَ فِیۡہَا وَلَدَیۡنَا مَزِیۡدٌ ﴿۳۵﴾

050.035 Lahum ma yashaoona feeha waladayna mazeedun

35. Voor hen zal daarin zijn wat zij wensen en bij Ons is nog meer. Daarin hebben zij wat zij willen en bij Ons is er nog meer.

وَ کَمۡ اَہۡلَکۡنَا قَبۡلَہُمۡ مِّنۡ قَرۡنٍ ہُمۡ اَشَدُّ مِنۡہُمۡ بَطۡشًا فَنَقَّبُوۡا فِی الۡبِلَادِ ؕ ہَلۡ مِنۡ مَّحِیۡصٍ ﴿۳۶﴾

050.036 Wakam ahlakna qablahum min qarnin hum ashaddu minhum batshan fanaqqaboo fee albiladi hal min maheesin

36. Maar hoevele geslachten hebben Wij (niet) vr hen vernietigd, die machtiger in gezag waren dan dezen! Zij trokken door het land, maar was er een toevluchtsoord voor hen? Hoeveel generaties hebben Wij al niet voor hun tijd vernietigd die meer macht bezaten dan zij. Toch zochten zij het land af of er geen ontsnapping was.

اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَذِکۡرٰی لِمَنۡ کَانَ لَہٗ قَلۡبٌ اَوۡ اَلۡقَی السَّمۡعَ وَ ہُوَ شَہِیۡدٌ ﴿۳۷﴾

050.037 Inna fee thalika lathikra liman kana lahu qalbun aw alqa alssamAAa wahuwa shaheedun

37. Daarin is voorwaar een vermaning voor hem die een hart heeft of die luistert en oplettend is. Daarin is een vermaning voor wie een hart heeft of wie scherp luistert als hij er getuige van is.

وَ لَقَدۡ خَلَقۡنَا السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ وَ مَا بَیۡنَہُمَا فِیۡ سِتَّۃِ اَیَّامٍ ٭ۖ وَّ مَا مَسَّنَا مِنۡ لُّغُوۡبٍ ﴿۳۸﴾

050.038 Walaqad khalaqna alssamawati waal-arda wama baynahuma fee sittati ayyamin wama massana min lughoobin

38. En voorwaar, Wij schiepen de hemelen en de aarde en alles wat er tussen is in zes dagen en geen vermoeidheid raakte Ons. Wij hebben de hemelen en de aarde en wat er tussen beide is in zes dagen geschapen en Wij zijn niet door uitputting overvallen.

فَاصۡبِرۡ عَلٰی مَا یَقُوۡلُوۡنَ وَ سَبِّحۡ بِحَمۡدِ رَبِّکَ قَبۡلَ طُلُوۡعِ الشَّمۡسِ وَ قَبۡلَ الۡغُرُوۡبِ ﴿ۚ۳۹﴾

050.039 Faisbir AAala ma yaqooloona wasabbih bihamdi rabbika qabla tulooAAi alshshamsi waqabla alghuroobi

39. Heb dus geduld met wat zij zeggen en verheerlijk uw Heer met de lof die Hem toekomt, vr zonsop- en ondergang. Verdraag wat zij zeggen dus geduldig en prijs de lof van jouw Heer voor zonsopgang en na zonsondergang

وَ مِنَ الَّیۡلِ فَسَبِّحۡہُ وَ اَدۡبَارَ السُّجُوۡدِ ﴿۴۰﴾

050.040 Wamina allayli fasabbihhu waadbara alssujoodi

40. En verheerlijk Hem 's nachts en na de gebeden. en prijs Hem 's nachts en na afloop van de eerbiedige neerbuiging.

وَ اسۡتَمِعۡ یَوۡمَ یُنَادِ الۡمُنَادِ مِنۡ مَّکَانٍ قَرِیۡبٍ ﴿ۙ۴۱﴾

050.041 WaistamiAA yawma yunadi almunadi min makanin qareebin

41. En luister! De Dag, waarop de omroeper vanuit een dichtbijzijnde plaats zal roepen, En luister op de dag dat de oproeper van een nabije plaats roept.

یَّوۡمَ یَسۡمَعُوۡنَ الصَّیۡحَۃَ بِالۡحَقِّ ؕ ذٰلِکَ یَوۡمُ الۡخُرُوۡجِ ﴿۴۲﴾

050.042 Yawma yasmaAAoona alssayhata bialhaqqi thalika yawmu alkhurooji

42. De Dag, waarop zij de kreet in werkelijkheid zullen horen, dat zal de Tijd zijn van het voor de dag komen. Op de dag dat zij de schreeuw in waarheid zullen horen; dat is de dag waarop [de doden] tevoorschijn komen.

اِنَّا نَحۡنُ نُحۡیٖ وَ نُمِیۡتُ وَ اِلَیۡنَا الۡمَصِیۡرُ ﴿ۙ۴۳﴾

050.043 Inna nahnu nuhyee wanumeetu wa-ilayna almaseeru

43. Voorwaar, Wij zijn het die leven geven en de dood veroorzaken, en tot Ons is de terugkeer. Wij geven leven en Wij laten sterven en bij Ons is de bestemming.

یَوۡمَ تَشَقَّقُ الۡاَرۡضُ عَنۡہُمۡ سِرَاعًا ؕ ذٰلِکَ حَشۡرٌ عَلَیۡنَا یَسِیۡرٌ ﴿۴۴﴾

050.044 Yawma tashaqqaqu al-ardu AAanhum siraAAan thalika hashrun AAalayna yaseerun

44. De Dag, waarop de aarde onder hen vaneen zal splijten, is het verzamelen gemakkelijk voor Ons. Op de dag dat de aarde voor hen uiteensplijt zodat zij snel [tevoorschijn] komen. Dat is een gemakkelijk verzamelen voor Ons.

نَحۡنُ اَعۡلَمُ بِمَا یَقُوۡلُوۡنَ وَ مَاۤ اَنۡتَ عَلَیۡہِمۡ بِجَبَّارٍ ۟ فَذَکِّرۡ بِالۡقُرۡاٰنِ مَنۡ یَّخَافُ وَعِیۡدِ ﴿٪۴۵﴾

050.045 Nahnu aAAlamu bima yaqooloona wama anta AAalayhim bijabbarin fathakkir bialqur-ani man yakhafu waAAeedi

45. Wij weten het beste wat zij zeggen en u bent er niet om hen te dwingen. Vermaan dus met de Kuran hem die Mijn bedreiging vreest. Wij weten het best wat zij zeggen en jij bent geen bewindvoerder over hen. Vermaan dan met de Koran wie Mijn aanzegging vreest.


www.kuran.nl