An-Nadjm

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

وَ النَّجۡمِ اِذَا ہَوٰی ۙ﴿۱﴾

053.001 Waalnnajmi itha hawa

1. Bij de ster wanneer zij valt, Bij de ster, wanneer zij valt.

مَا ضَلَّ صَاحِبُکُمۡ وَ مَا غَوٰی ۚ﴿۲﴾

053.002 Ma dalla sahibukum wama ghawa

2. Uw metgezel is noch afgedwaald noch afgeweken, Jullie medeburger dwaalt niet en heeft geen afwijking,

وَ مَا یَنۡطِقُ عَنِ الۡہَوٰی ؕ﴿۳﴾

053.003 Wama yantiqu AAani alhawa

3. Noch spreekt hij naar eigen begeerte. noch spreekt hij uit een bevlieging.

اِنۡ ہُوَ اِلَّا وَحۡیٌ یُّوۡحٰی ۙ﴿۴﴾

053.004 In huwa illa wahyun yooha

4. Het is slechts de Openbaring die wordt nedergezonden. Dit is niet anders dan een ingegeven openbaring.

عَلَّمَہٗ شَدِیۡدُ الۡقُوٰی ۙ﴿۵﴾

053.005 AAallamahu shadeedu alquwa

5. Hij, die grote macht heeft, onderwees hem, Hem onderwees een grootmachtige

ذُوۡ مِرَّۃٍ ؕ فَاسۡتَوٰی ۙ﴿۶﴾

053.006 Thoo mirratin faistawa

6. Die kracht bezit. Zo is hij volmaakt geworden en scherpzinnige. Evenwichtig

وَ ہُوَ بِالۡاُفُقِ الۡاَعۡلٰی ؕ﴿۷﴾

053.007 Wahuwa bial-ofuqi al-aAAla

7. En hij staat aan de hoogste horizon. stond hij hoog aan de horizon.

ثُمَّ دَنَا فَتَدَلّٰی ۙ﴿۸﴾

053.008 Thumma dana fatadalla

8. Hij naderde en kwam steeds nader. Toen naderde hij, liet zich neder --

فَکَانَ قَابَ قَوۡسَیۡنِ اَوۡ اَدۡنٰی ۚ﴿۹﴾

053.009 Fakana qaba qawsayni aw adna

9. En werd als de spanning van twee bogen, Ja, nog dichter bij, op twee booglengten afstand of nog nader --

فَاَوۡحٰۤی اِلٰی عَبۡدِہٖ مَاۤ اَوۡحٰی ﴿ؕ۱۰﴾

053.010 Faawha ila AAabdihi ma awha

10. En Hij (Allah) openbaarde aan Zijn dienaar hetgeen Hij wilde openbaren. en gaf Zijn dienaar die openbaring.

مَا کَذَبَ الۡفُؤَادُ مَا رَاٰی ﴿۱۱﴾

053.011 Ma kathaba alfu-adu ma raa

11. Het hart loog niet over wat het zag. Het hart loog niet over wat hij zag.

اَفَتُمٰرُوۡنَہٗ عَلٰی مَا یَرٰی ﴿۱۲﴾

053.012 Afatumaroonahu AAala ma yara

12. Wilt u dan met hem redetwisten over hetgeen hij heeft gezien? Zullen jullie hem dan betwisten wat hij ziet?

وَ لَقَدۡ رَاٰہُ نَزۡلَۃً اُخۡرٰی ﴿ۙ۱۳﴾

053.013 Walaqad raahu nazlatan okhra

13. En voorzeker, hij zag hem ook bij een andere nederdaling. Hij had hem reeds gezien bij een andere neerdaling,

عِنۡدَ سِدۡرَۃِ الۡمُنۡتَہٰی ﴿۱۴﴾

053.014 AAinda sidrati almuntaha

14. Bij de Lotusboom waar niemand voorbij mag gaan, bij de lotusboom van de eindbestemming,

عِنۡدَہَا جَنَّۃُ الۡمَاۡوٰی ﴿ؕ۱۵﴾

053.015 AAindaha jannatu alma/wa

15. Waarnaast de Tuin van Verblijf is. bij de tuin van de [hemelse] verblijfplaats,

اِذۡ یَغۡشَی السِّدۡرَۃَ مَا یَغۡشٰی ﴿ۙ۱۶﴾

053.016 Ith yaghsha alssidrata ma yaghsha

16. Toen het goddelijke Licht de Lotusboom overstraalde toen de lotusboom verhuld werd met wat hem verhulde.

مَا زَاغَ الۡبَصَرُ وَ مَا طَغٰی ﴿۱۷﴾

053.017 Ma zagha albasaru wama tagha

17. Wendde zijn oog zich niet af, noch ging het de grens te buiten. Zijn blik week noch dwaalde:

لَقَدۡ رَاٰی مِنۡ اٰیٰتِ رَبِّہِ الۡکُبۡرٰی ﴿۱۸﴾

053.018 Laqad raa min ayati rabbihi alkubra

18. Voorwaar, hij zag de grote tekenen van zijn Heer. Hij had een van de grootste tekenen van zijn Heer gezien.

اَفَرَءَیۡتُمُ اللّٰتَ وَ الۡعُزّٰی ﴿ۙ۱۹﴾

053.019 Afaraaytumu allata waalAAuzza

19. Ziet, de Laat en de Ozza, Hoe zien jullie dan al-Laat en al-'Oezza,

وَ مَنٰوۃَ الثَّالِثَۃَ الۡاُخۡرٰی ﴿۲۰﴾

053.020 Wamanata alththalithata al-okhra

20. En een ander, de derde, Manaat? en Manaat, de derde, de andere?

اَلَکُمُ الذَّکَرُ وَ لَہُ الۡاُنۡثٰی ﴿۲۱﴾

053.021 Alakumu alththakaru walahu al-ontha

21. "Zijn voor u de mannelijke wezens en voor Hem de vrouwelijke?" Zouden jullie dan de mannelijke [kinderen] hebben en Hij de vrouwelijke?

تِلۡکَ اِذًا قِسۡمَۃٌ ضِیۡزٰی ﴿۲۲﴾

053.022 Tilka ithan qismatun deeza

22. Dat is dan een onrechtvaardige verdeling; Dat zou dan een onrechtvaardige verdeling zijn.

اِنۡ ہِیَ اِلَّاۤ اَسۡمَآءٌ سَمَّیۡتُمُوۡہَاۤ اَنۡتُمۡ وَ اٰبَآؤُکُمۡ مَّاۤ اَنۡزَلَ اللّٰہُ بِہَا مِنۡ سُلۡطٰنٍ ؕ اِنۡ یَّتَّبِعُوۡنَ اِلَّا الظَّنَّ وَ مَا تَہۡوَی الۡاَنۡفُسُ ۚ وَ لَقَدۡ جَآءَہُمۡ مِّنۡ رَّبِّہِمُ الۡہُدٰی ﴿ؕ۲۳﴾

053.023 In hiya illa asmaon sammaytumooha antum waabaokum ma anzala Allahu biha min sultanin in yattabiAAoona illa alththanna wama tahwa al-anfusu walaqad jaahum min rabbihimu alhuda

23. Dit zijn slechts namen die u uitgedacht heeft - u en uw vaderen - waarvoor Allah geen gezag heeft nedergezonden. Zij volgen slechts hun vermoedens en begeerten. En voorzeker de leiding van hun Heer is nu tot hen gekomen. Het zijn slechts namen die jullie en jullie vaderen gegeven hebben en waarvoor Allah geen enkele machtiging had neergezonden. Jullie volgen slechts vermoedens en wat jullie zelf graag willen, hoewel van jullie Heer de leidraad is gekomen.

اَمۡ لِلۡاِنۡسَانِ مَا تَمَنّٰی ﴿۫ۖ۲۴﴾

053.024 Am lil-insani ma tamanna

24. Krijgt de mens alles waarnaar hij verlangt? Of krijgt de mens alles wat hij wenst?

فَلِلّٰہِ الۡاٰخِرَۃُ وَ الۡاُوۡلٰی ﴿٪۲۵﴾

053.025 Falillahi al-akhiratu waal-oola

25. Nee, aan Allah behoren het Hiernamaals en deze wereld. Van Allah is het hiernamaals en het tegenwoordige bestaan!

وَ کَمۡ مِّنۡ مَّلَکٍ فِی السَّمٰوٰتِ لَا تُغۡنِیۡ شَفَاعَتُہُمۡ شَیۡئًا اِلَّا مِنۡۢ بَعۡدِ اَنۡ یَّاۡذَنَ اللّٰہُ لِمَنۡ یَّشَآءُ وَ یَرۡضٰی ﴿۲۶﴾

053.026 Wakam min malakin fee alssamawati la tughnee shafaAAatuhum shay-an illa min baAAdi an ya/thana Allahu liman yashao wayarda

26. En hoevele engelen zijn er niet in de hemelen wier voorspraak van geen nut zal zijn, behalve nadat Allah verlof heeft gegeven aan wie Hij wil en wie Hem behaagt. En hoeveel engelen zijn er niet in de hemelen wier voorspraak niets baat, behalve nadat Allah toestemming geeft voor wie Hij het wil en goedvindt.

اِنَّ الَّذِیۡنَ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ بِالۡاٰخِرَۃِ لَیُسَمُّوۡنَ الۡمَلٰٓئِکَۃَ تَسۡمِیَۃَ الۡاُنۡثٰی ﴿۲۷﴾

053.027 Inna allatheena la yu/minoona bial-akhirati layusammoona almala-ikata tasmiyata al-ontha

27. Zij, die niet in het Hiernamaals geloven geven de engelen vrouwelijke namen, Zij die niet in het hiernamaals geloven geven de engelen vrouwelijke namen.

وَ مَا لَہُمۡ بِہٖ مِنۡ عِلۡمٍ ؕ اِنۡ یَّتَّبِعُوۡنَ اِلَّا الظَّنَّ ۚ وَ اِنَّ الظَّنَّ لَا یُغۡنِیۡ مِنَ الۡحَقِّ شَیۡئًا ﴿ۚ۲۸﴾

053.028 Wama lahum bihi min AAilmin in yattabiAAoona illa alththanna wa-inna alththanna la yughnee mina alhaqqi shay-an

28. Maar zij hebben daar geen kennis van. Zij volgen alleen een vermoeden en het vermoeden kan tegen de waarheid niets baten. Zij hebben daarover geen kennis. Zij volgen slechts vermoedens en vermoedens baten niets tegen de waarheid.

فَاَعۡرِضۡ عَنۡ مَّنۡ تَوَلّٰی ۬ۙ عَنۡ ذِکۡرِنَا وَ لَمۡ یُرِدۡ اِلَّا الۡحَیٰوۃَ الدُّنۡیَا ﴿ؕ۲۹﴾

053.029 FaaAArid AAan man tawalla AAan thikrina walam yurid illa alhayata alddunya

29. Wend u daarom van hem af die zich van de gedachtenis aan Ons afwendt, en die niets wenst dan het leven dezer wereld. Wend je dan af van wie zich van Onze vermaning heeft afgekeerd en die slechts het tegenwoordige leven wenst.

ذٰلِکَ مَبۡلَغُہُمۡ مِّنَ الۡعِلۡمِ ؕ اِنَّ رَبَّکَ ہُوَ اَعۡلَمُ بِمَنۡ ضَلَّ عَنۡ سَبِیۡلِہٖ ۙ وَ ہُوَ اَعۡلَمُ بِمَنِ اہۡتَدٰی ﴿۳۰﴾

053.030 Thalika mablaghuhum mina alAAilmi inna rabbaka huwa aAAlamu biman dalla AAan sabeelihi wahuwa aAAlamu bimani ihtada

30. Zo ver reikt hun kennis. Voorwaar, uw Heer kent het beste degene die van Zijn pad afdwaalt en Hij kent het beste degene die Zijn leiding volgt. Zover heeft hun kennis gereikt, maar jouw Heer kent wie van Zijn weg afdwaalt het best en Hij kent hem die het goede pad volgt het best.

وَ لِلّٰہِ مَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ مَا فِی الۡاَرۡضِ ۙ لِیَجۡزِیَ الَّذِیۡنَ اَسَآءُوۡا بِمَا عَمِلُوۡا وَ یَجۡزِیَ الَّذِیۡنَ اَحۡسَنُوۡا بِالۡحُسۡنٰی ﴿ۚ۳۱﴾

053.031 Walillahi ma fee alssamawati wama fee al-ardi liyajziya allatheena asaoo bima AAamiloo wayajziya allatheena ahsanoo bialhusna

31. En aan Allah behoort hetgeen in de hemelen en hetgeen op aarde is, opdat Hij degenen die slecht deden moge vergelden voor hetgeen zij hebben gewrocht en opdat Hij degenen die goed doen, met het beste moge belonen. En van Allah is wat er in de hemelen en wat er op de aarde is om aan hen die verkeerd doen te vergelden wat zij gedaan hebben en de allermooiste beloning te geven aan hen die goed doen,

اَلَّذِیۡنَ یَجۡتَنِبُوۡنَ کَبٰٓئِرَ الۡاِثۡمِ وَ الۡفَوَاحِشَ اِلَّا اللَّمَمَ ؕ اِنَّ رَبَّکَ وَاسِعُ الۡمَغۡفِرَۃِ ؕ ہُوَ اَعۡلَمُ بِکُمۡ اِذۡ اَنۡشَاَکُمۡ مِّنَ الۡاَرۡضِ وَ اِذۡ اَنۡتُمۡ اَجِنَّۃٌ فِیۡ بُطُوۡنِ اُمَّہٰتِکُمۡ ۚ فَلَا تُزَکُّوۡۤا اَنۡفُسَکُمۡ ؕ ہُوَ اَعۡلَمُ بِمَنِ اتَّقٰی ٪﴿۳۲﴾

053.032 Allatheena yajtaniboona kaba-ira al-ithmi waalfawahisha illa allamama inna rabbaka wasiAAu almaghfirati huwa aAAlamu bikum ith anshaakum mina al-ardi wa-ith antum ajinnatun fee butooni ommahatikum fala tuzakkoo anfusakum huwa aAAlamu bimani ittaqa

32. Zij, die behalve kleine feilen, de ergste zonden en slechtheden vermijden - voorwaar, uw Heer is de Heer van de Alomvattende Vergiffenis. Hij kende u toen Hij u uit aarde deed ontstaan en toen u een embryo was in de baarmoeder uwer moeder. Prijst daarom uzelf niet om reinheid. Hij kent de godvruchtigen het beste. die de grote zonden en gruwelijkheden vermijden, afgezien dan van kleine overtredingen; jouw Heer is alomvattend in Zijn vergeving. Hij kent jullie het best; toen Hij jullie uit de aarde liet ontstaan en toen jullie nog ongeboren in de buik van jullie moeders waren. Zeg dan niet van jullie zelf dat jullie gelouterd zijn; Hij weet het best wie godvrezend is.

اَفَرَءَیۡتَ الَّذِیۡ تَوَلّٰی ﴿ۙ۳۳﴾

053.033 Afaraayta allathee tawalla

33. Ziet u hem die zich afwendt (van het rechte pad) Heb jij hem gezien die zich afkeert

وَ اَعۡطٰی قَلِیۡلًا وَّ اَکۡدٰی ﴿۳۴﴾

053.034 WaaAAta qaleelan waakda

34. En die weinig geeft en vrekkig is? en die een weinig geeft en dan niet meer?

اَعِنۡدَہٗ عِلۡمُ الۡغَیۡبِ فَہُوَ یَرٰی ﴿۳۵﴾

053.035 aAAindahu AAilmu alghaybi fahuwa yara

35. Bezit hij de kennis van het onzichtbare, zodat hij kan zien? Heeft hij de kennis van het onzichtbare, zodat hij het ziet?

اَمۡ لَمۡ یُنَبَّاۡ بِمَا فِیۡ صُحُفِ مُوۡسٰی ﴿ۙ۳۶﴾

053.036 Am lam yunabba/ bima fee suhufi moosa

36. Is hem niet verteld over hetgeen in de geschriften van Mozes staat, Of is hem dan niet meegedeeld wat er staat in de bladen van Moesa

وَ اِبۡرٰہِیۡمَ الَّذِیۡ وَفّٰۤی ﴿ۙ۳۷﴾

053.037 Wa-ibraheema allathee waffa

37. En van Abraham, die de geboden hield? en Ibrahiem die [zijn plicht] vervulde?

اَلَّا تَزِرُ وَازِرَۃٌ وِّزۡرَ اُخۡرٰی ﴿ۙ۳۸﴾

053.038 Alla taziru waziratun wizra okhra

38. Dat geen drager van last de last van een ander zal dragen; Dat niemand belast is met de last van een ander.

وَ اَنۡ لَّیۡسَ لِلۡاِنۡسَانِ اِلَّا مَا سَعٰی ﴿ۙ۳۹﴾

053.039 Waan laysa lil-insani illa ma saAAa

39. En dat de mens niet meer kan krijgen dan hetgeen waarnaar hij streeft. Dat de mens slechts krijgt wat hij heeft nagejaagd.

وَ اَنَّ سَعۡیَہٗ سَوۡفَ یُرٰی ﴿۪۴۰﴾

053.040 Waanna saAAyahu sawfa yura

40. En dat zijn streven spoedig zal worden opgemerkt; En dat wat hij heeft nagejaagd zichtbaar zal worden.

ثُمَّ یُجۡزٰىہُ الۡجَزَآءَ الۡاَوۡفٰی ﴿ۙ۴۱﴾

053.041 Thumma yujzahu aljazaa al-awfa

41. Dan zal hij er volledig voor worden beloond. Dat wordt hem dan volledig vergolden.

وَ اَنَّ اِلٰی رَبِّکَ الۡمُنۡتَہٰی ﴿ۙ۴۲﴾

053.042 Waanna ila rabbika almuntaha

42. En dat alles uiteindelijk tot uw Heer komt, En dat bij jouw Heer de eindbestemming is.

وَ اَنَّہٗ ہُوَ اَضۡحَکَ وَ اَبۡکٰی ﴿ۙ۴۳﴾

053.043 Waannahu huwa adhaka waabka

43. En dat Hij het is, Die doet lachen en wenen En dat Hij het is die laat lachen en die laat huilen.

وَ اَنَّہٗ ہُوَ اَمَاتَ وَ اَحۡیَا ﴿ۙ۴۴﴾

053.044 Waannahu huwa amata waahya

44. En dat Hij het is, Die de dood veroorzaakt en het leven geeft. En die laat sterven en die leven geeft.

وَ اَنَّہٗ خَلَقَ الزَّوۡجَیۡنِ الذَّکَرَ وَ الۡاُنۡثٰی ﴿ۙ۴۵﴾

053.045 Waannahu khalaqa alzzawjayni alththakara waal-ontha

45. En dat Hij de twee echtgenoten schept, de vrouwelijke en de mannelijke En dat Hij de beide geslachten, het mannelijke en het vrouwelijke, geschapen heeft

مِنۡ نُّطۡفَۃٍ اِذَا تُمۡنٰی ﴿۪۴۶﴾

053.046 Min nutfatin itha tumna

46. Uit een levenskiem wanneer deze uitgegoten wordt: uit een druppel, wanneer die wordt uitgestort.

وَ اَنَّ عَلَیۡہِ النَّشۡاَۃَ الۡاُخۡرٰی ﴿ۙ۴۷﴾

053.047 Waanna AAalayhi alnnash-ata al-okhra

47. En dat de volgende opwekking (tot leven) op Hem rust: En dat de laatste totstandkoming Zijn taak is.

وَ اَنَّہٗ ہُوَ اَغۡنٰی وَ اَقۡنٰی ﴿ۙ۴۸﴾

053.048 Waannahu huwa aghna waaqna

48. En dat Hij het is Die voldoening en rijkdom geeft En dat Hij het is die rijk maakt en die vermogen geeft.

وَ اَنَّہٗ ہُوَ رَبُّ الشِّعۡرٰی ﴿ۙ۴۹﴾

053.049 Waannahu huwa rabbu alshshiAAra

49. En dat Hij de Heer van Sirius is. En dat Hij de Heer van Sirius is.

وَ اَنَّہٗۤ اَہۡلَکَ عَادَۨ ا الۡاُوۡلٰی ﴿ۙ۵۰﴾

053.050 Waannahu ahlaka AAadan al-oola

50. En dat Hij de oude (stam van Aad) vernietigde En dat Hij de 'Aad van eertijds heeft vernietigd

وَ ثَمُوۡدَا۠ فَمَاۤ اَبۡقٰی ﴿ۙ۵۱﴾

053.051 Wathamooda fama abqa

51. En Samoed, en Hij spaarde (hen) niet, en ook de Thamoed -- en dat Hij toen niets overliet --

وَ قَوۡمَ نُوۡحٍ مِّنۡ قَبۡلُ ؕ اِنَّہُمۡ کَانُوۡا ہُمۡ اَظۡلَمَ وَ اَطۡغٰی ﴿ؕ۵۲﴾

053.052 Waqawma noohin min qablu innahum kanoo hum athlama waatgha

52. Evenals het volk van Noach vˇˇrdien; waarlijk zij waren uiterst onrechtvaardig en opstandig en het volk van Noeh daarvoor al. Zij waren uiterst zondig en onbeschaamd.

وَ الۡمُؤۡتَفِکَۃَ اَہۡوٰی ﴿ۙ۵۳﴾

053.053 Waalmu/tafikata ahwa

53. En Hij bracht de verwoeste steden ten val, En de ondersteboven gekeerde [stad] stortte Hij naar beneden.

فَغَشّٰہَا مَا غَشّٰی ﴿ۚ۵۴﴾

053.054 Faghashshaha ma ghashsha

54. Zodat hetgeen bedekken kon, hen bedekte. En die heeft Hij toen bedekt met de bedekking die Hij gaf.

فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکَ تَتَمَارٰی ﴿۵۵﴾

053.055 Fabi-ayyi ala-i rabbika tatamara

55. Over welke gaven van uw Heer wilt u dan redetwisten? Welke weldaden van jouw Heer wil jij dan betwijfelen?

ہٰذَا نَذِیۡرٌ مِّنَ النُّذُرِ الۡاُوۡلٰی ﴿۵۶﴾

053.056 Hatha natheerun mina alnnuthuri al-oola

56. Deze waarschuwer is gelijk aan de vroegere waarschuwers. Dit is een waarschuwer als de eerdere waarschuwers.

اَزِفَتِ الۡاٰزِفَۃُ ﴿ۚ۵۷﴾

053.057 Azifati al-azifatu

57. Het Uur nadert, De aanstaande [opstanding] is nabij.

لَیۡسَ لَہَا مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ کَاشِفَۃٌ ﴿ؕ۵۸﴾

053.058 Laysa laha min dooni Allahi kashifatun

58. Niemand behalve Allah kan het ontsluieren. Niemand buiten Allah kan haar opheffen.

اَفَمِنۡ ہٰذَا الۡحَدِیۡثِ تَعۡجَبُوۡنَ ﴿ۙ۵۹﴾

053.059 Afamin hatha alhadeethi taAAjaboona

59. Verwondert u dan over deze aankondiging? Zijn jullie dan verbaasd over dit bericht?

وَ تَضۡحَکُوۡنَ وَ لَا تَبۡکُوۡنَ ﴿ۙ۶۰﴾

053.060 Watadhakoona wala tabkoona

60. En lacht u in plaats van te wenen, En lachen jullie en huilen jullie niet,

وَ اَنۡتُمۡ سٰمِدُوۡنَ ﴿۶۱﴾

053.061 Waantum samidoona

61. Terwijl u achteloos bent? afgeleid als jullie zijn?

فَاسۡجُدُوۡا لِلّٰہِ وَ اعۡبُدُوۡا ﴿٪ٛ۶۲﴾

053.062 Faosjudoo lillahi waoAAbudoo

62. Werpt u voor Allah neder en aanbidt (Hem). Buigt dan eerbiedig neer voor Allah en dient [Hem]."


www.kuran.nl