Al-Monaafiqoen

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

اِذَا جَآءَکَ الۡمُنٰفِقُوۡنَ قَالُوۡا نَشۡہَدُ اِنَّکَ لَرَسُوۡلُ اللّٰہِ ۘ وَ اللّٰہُ یَعۡلَمُ اِنَّکَ لَرَسُوۡلُہٗ ؕ وَ اللّٰہُ یَشۡہَدُ اِنَّ الۡمُنٰفِقِیۡنَ لَکٰذِبُوۡنَ ۚ﴿۱﴾

063.001 Itha jaaka almunafiqoona qaloo nashhadu innaka larasoolu Allahi waAllahu yaAAlamu innaka larasooluhu waAllahu yashhadu inna almunafiqeena lakathiboona

1. Wanneer de huichelaars tot u komen, zeggen zij: "Wij getuigen dat u inderdaad de boodschapper van Allah bent." Allah weet dat u Zijn boodschapper bent, en Allah getuigt dat de huichelaars inderdaad leugenaars zijn. Wanneer de huichelaars tot jou komen zeggen zij: "Wij getuigen dat jij Allah's gezant bent." Allah weet dat jij inderdaad Allah's gezant bent en Allah getuigt dat de huichelaars leugenaars zijn.

اِتَّخَذُوۡۤا اَیۡمَانَہُمۡ جُنَّۃً فَصَدُّوۡا عَنۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ ؕ اِنَّہُمۡ سَآءَ مَا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۲﴾

063.002 Ittakhathoo aymanahum junnatan fasaddoo AAan sabeeli Allahi innahum saa ma kanoo yaAAmaloona

2. Zij hebben hun eden tot een schild gemaakt; zo leiden zij mensen van Allah's weg af. Hetgeen zij doen is zeker slecht. Zij hebben hun eden als bescherming gebruikt en zo Allah's weg versperd. Het is slecht wat zij aan het doen waren.

ذٰلِکَ بِاَنَّہُمۡ اٰمَنُوۡا ثُمَّ کَفَرُوۡا فَطُبِعَ عَلٰی قُلُوۡبِہِمۡ فَہُمۡ لَا یَفۡقَہُوۡنَ ﴿۳﴾

063.003 Thalika bi-annahum amanoo thumma kafaroo fatubiAAa AAala quloobihim fahum la yafqahoona

3. Dat is omdat zij het geloof omhelsden en daarna verwierpen. Derhalve is een zegel op hun hart gedrukt en zij begrijpen niet (meer). Dat komt omdat zij geloofd hebben en toen ongelovig werden; hun harten zijn verzegeld, dus hebben zij geen begrip. *

وَ اِذَا رَاَیۡتَہُمۡ تُعۡجِبُکَ اَجۡسَامُہُمۡ ؕ وَ اِنۡ یَّقُوۡلُوۡا تَسۡمَعۡ لِقَوۡلِہِمۡ ؕ کَاَنَّہُمۡ خُشُبٌ مُّسَنَّدَۃٌ ؕ یَحۡسَبُوۡنَ کُلَّ صَیۡحَۃٍ عَلَیۡہِمۡ ؕ ہُمُ الۡعَدُوُّ فَاحۡذَرۡہُمۡ ؕ قٰتَلَہُمُ اللّٰہُ ۫ اَنّٰی یُؤۡفَکُوۡنَ ﴿۴﴾

063.004 Wa-itha raaytahum tuAAjibuka ajsamuhum wa-in yaqooloo tasmaAA liqawlihim kaannahum khushubun musannadatun yahsaboona kulla sayhatin AAalayhim humu alAAaduwwu faihtharhum qatalahumu Allahu anna yu/fakoona

4. En wanneer u hen ziet, behaagt hun uterlijk u en indien zij spreken luistert u naar hen. Zij lijken op aangeklede stukken hout. Zij denken dat ieder gerucht tegen hen is. Zij zijn (uw) vijanden, neemt u daarom voor hen in acht. Allah's vloek zij over hen! Hoe ver zijn zij afgewend (van de Waarheid)! Maar wanneer jij hen ziet, bevallen jou hun lichamen en als zij spreken luister jij naar wat zij zeggen. Zij zijn als balken die gestut moeten worden. Zij denken dat elke schreeuw tegen hen gericht is. Zij zijn de vijand; wees voor hen op je hoede. Allah bestrijde hen, hoe kunnen zij zo afwijken!

وَ اِذَا قِیۡلَ لَہُمۡ تَعَالَوۡا یَسۡتَغۡفِرۡ لَکُمۡ رَسُوۡلُ اللّٰہِ لَوَّوۡا رُءُوۡسَہُمۡ وَ رَاَیۡتَہُمۡ یَصُدُّوۡنَ وَ ہُمۡ مُّسۡتَکۡبِرُوۡنَ ﴿۵﴾

063.005 Wa-itha qeela lahum taAAalaw yastaghfir lakum rasoolu Allahi lawwaw ruoosahum waraaytahum yasuddoona wahum mustakbiroona

5. En wanneer er tot hen wordt gezegd: "Komt, de boodschapper van Allah zal voor u om vergiffenis vragen," dan wenden zij hun hoofd af en u ziet hen zich hoogmoedig terugtrekken. En wanneer tot hen gezegd wordt: "Komt, dan zal Allah's gezant voor jullie om vergeving vragen" dan wenden zij hun hoofden af en dan zie jij hen zich in hun hoogmoed afkeren.

سَوَآءٌ عَلَیۡہِمۡ اَسۡتَغۡفَرۡتَ لَہُمۡ اَمۡ لَمۡ تَسۡتَغۡفِرۡ لَہُمۡ ؕ لَنۡ یَّغۡفِرَ اللّٰہُ لَہُمۡ ؕ اِنَّ اللّٰہَ لَا یَہۡدِی الۡقَوۡمَ الۡفٰسِقِیۡنَ ﴿۶﴾

063.006 Sawaon AAalayhim astaghfarta lahum am lam tastaghfir lahum lan yaghfira Allahu lahum inna Allaha la yahdee alqawma alfasiqeena

6. Het is hetzelfde of u wel of niet voor hen om vergiffenis vraagt, Allah zal hen stellig niet vergeven. Voorzeker, Allah leidt het opstandige volk niet. Voor hen maakt het niet uit of jij om vergeving voor hen vraagt of dat jij niet om vergeving voor hen vraagt, Allah zal hun niet vergeven; Allah wijst de verdorven mensen de goede richting niet.

ہُمُ الَّذِیۡنَ یَقُوۡلُوۡنَ لَا تُنۡفِقُوۡا عَلٰی مَنۡ عِنۡدَ رَسُوۡلِ اللّٰہِ حَتّٰی یَنۡفَضُّوۡا ؕ وَ لِلّٰہِ خَزَآئِنُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ وَ لٰکِنَّ الۡمُنٰفِقِیۡنَ لَا یَفۡقَہُوۡنَ ﴿۷﴾

063.007 Humu allatheena yaqooloona la tunfiqoo AAala man AAinda rasooli Allahi hatta yanfaddoo walillahi khaza-inu alssamawati waal-ardi walakinna almunafiqeena la yafqahoona

7. Zij zijn het die zeggen, "Besteedt niets voor degenen die met de boodschapper van Allah zijn zodat deze weglopen"- terwijl aan Allah de schatten van de hemelen en van de aarde behoren; maar de huichelaars begrijpen dit niet. Zij zijn het die zeggen: "Geeft geen bijdragen aan wie er bij Allah's gezant horen, voordat zij er vandoor gaan." Echter, van Allah zijn de schatkamers van de hemelen en de aarde, maar de huichelaars hebben geen begrip.

یَقُوۡلُوۡنَ لَئِنۡ رَّجَعۡنَاۤ اِلَی الۡمَدِیۡنَۃِ لَیُخۡرِجَنَّ الۡاَعَزُّ مِنۡہَا الۡاَذَلَّ ؕ وَ لِلّٰہِ الۡعِزَّۃُ وَ لِرَسُوۡلِہٖ وَ لِلۡمُؤۡمِنِیۡنَ وَ لٰکِنَّ الۡمُنٰفِقِیۡنَ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ٪﴿۸﴾

063.008 Yaqooloona la-in rajaAAna ila almadeenati layukhrijanna al-aAAazzu minha al-athalla walillahi alAAizzatu walirasoolihi walilmu/mineena walakinna almunafiqeena la yaAAlamoona

8. Zij zeggen: "Als wij naar Madinah terugkeren zal de aanzienlijkste er zeker de minste uitdrijven;" maar eer behoort aan Allah, Zijn boodschapper en de gelovigen; de huichelaars echter weten het niet. Zij zeggen: "Als wij terugkeren naar Medina, dan zullen de machtigen de onderworpelingen eruit verdrijven." Echter, van Allah is de macht en van Zijn gezant en de gelovigen, maar de huichelaars weten het niet.

یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا لَا تُلۡہِکُمۡ اَمۡوَالُکُمۡ وَ لَاۤ اَوۡلَادُکُمۡ عَنۡ ذِکۡرِ اللّٰہِ ۚ وَ مَنۡ یَّفۡعَلۡ ذٰلِکَ فَاُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡخٰسِرُوۡنَ ﴿۹﴾

063.009 Ya ayyuha allatheena amanoo la tulhikum amwalukum wala awladukum AAan thikri Allahi waman yafAAal thalika faola-ika humu alkhasiroona

9. O, u die gelooft, laat uw rijkdommen en uw kinderen u niet afleiden van de gedachtenis aan Allah. En wie dat doet behoort tot de verliezers. Jullie die geloven! Jullie bezittingen en jullie kinderen moeten jullie er niet van afleiden Allah te gedenken. Wie dat doen, dat zijn dus de verliezers.

وَ اَنۡفِقُوۡا مِنۡ مَّا رَزَقۡنٰکُمۡ مِّنۡ قَبۡلِ اَنۡ یَّاۡتِیَ اَحَدَکُمُ الۡمَوۡتُ فَیَقُوۡلَ رَبِّ لَوۡ لَاۤ اَخَّرۡتَنِیۡۤ اِلٰۤی اَجَلٍ قَرِیۡبٍ ۙ فَاَصَّدَّقَ وَ اَکُنۡ مِّنَ الصّٰلِحِیۡنَ ﴿۱۰﴾

063.010 Waanfiqoo min ma razaqnakum min qabli an ya/tiya ahadakumu almawtu fayaqoola rabbi lawla akhkhartanee ila ajalin qareebin faassaddaqa waakun mina alssaliheena

10. En besteedt uit datgene waarvan Wij u voorzien hebben voordat de dood één uwer overvalt en deze zegt: "Mijn Heer! Waarom heeft U mij niet voor een wijle uitstel verleend, opdat ik aalmoezen zou kunnen geven en tot de rechtvaardigen behoren?" En geeft bijdragen van wat Wij jullie voor jullie levensonderhoud gegeven hebben, voordat de dood tot een van jullie komt en hij dan moet zeggen: "Mijn Heer, had U mij niet nog een kort uitstel kunnen verlenen, dan zou ik nog aalmoezen kunnen geven en bij de rechtschapenen behoren."

وَ لَنۡ یُّؤَخِّرَ اللّٰہُ نَفۡسًا اِذَا جَآءَ اَجَلُہَا ؕ وَ اللّٰہُ خَبِیۡرٌۢ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ ﴿٪۱۱﴾

063.011 Walan yu-akhkhira Allahu nafsan itha jaa ajaluha waAllahu khabeerun bima taAAmaloona

11. En Allah geeft niemand uitstel wanneer zijn tijd is gekomen; en Allah is volkomen op de hoogte van hetgeen u doet. Maar Allah zal niemand uitstel geven, wanneer zijn termijn is gekomen; Allah is welingelicht over wat jullie doen.


www.kuran.nl