Al-Qalam

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

نٓ وَ الۡقَلَمِ وَ مَا یَسۡطُرُوۡنَ ۙ﴿۱﴾

068.001 Noon waalqalami wama yasturoona

1. Noen. Bij de pen, en bij hetgeen zij schrijven. N[oen]. Bij de pen en wat zij neerschrijven.

مَاۤ اَنۡتَ بِنِعۡمَۃِ رَبِّکَ بِمَجۡنُوۡنٍ ۚ﴿۲﴾

068.002 Ma anta biniAAmati rabbika bimajnoonin

2. U bent, bij de gratie van uw Heer, geen krankzinnige. Jij bent door Allah's genade geen bezetene.

وَ اِنَّ لَکَ لَاَجۡرًا غَیۡرَ مَمۡنُوۡنٍ ۚ﴿۳﴾

068.003 Wa-inna laka laajran ghayra mamnoonin

3. En voorzeker er is een loon voor u dat niet zal ophouden. Er is voor jou een ononderbroken loon

وَ اِنَّکَ لَعَلٰی خُلُقٍ عَظِیۡمٍ ﴿۴﴾

068.004 Wa-innaka laAAala khuluqin AAatheemin

4. En u staat zeker op hoog zedelijk peil. en jij bent hoogstaand van karakter.

فَسَتُبۡصِرُ وَ یُبۡصِرُوۡنَ ۙ﴿۵﴾

068.005 Fasatubsiru wayubsiroona

5. En u zult zien en zij (de ongelovigen) zullen ook zien, Jij zult inzien en zij zullen inzien

بِاَىیِّکُمُ الۡمَفۡتُوۡنُ ﴿۶﴾

068.006 Bi-ayyikumu almaftoonu

6. Wie van u bezeten is. wie van jullie de verdwaasde is.

اِنَّ رَبَّکَ ہُوَ اَعۡلَمُ بِمَنۡ ضَلَّ عَنۡ سَبِیۡلِہٖ ۪ وَ ہُوَ اَعۡلَمُ بِالۡمُہۡتَدِیۡنَ ﴿۷﴾

068.007 Inna rabbaka huwa aAAlamu biman dalla AAan sabeelihi wahuwa aAAlamu bialmuhtadeena

7. Zeker, uw Heer weet het beste wie van Zijn weg afdwaalt en Hij kent het beste degenen die de leiding volgen. Jouw Heer kent wie van Zijn weg afdwaalt het best en Hij kent hen die het goede pad volgen het best.

فَلَا تُطِعِ الۡمُکَذِّبِیۡنَ ﴿۸﴾

068.008 Fala tutiAAi almukaththibeena

8. Dus gehoorzaam de loochenaars niet. Geef aan de loochenaars geen gehoor.

وَدُّوۡا لَوۡ تُدۡہِنُ فَیُدۡہِنُوۡنَ ﴿۹﴾

068.009 Waddoo law tudhinu fayudhinoona

9. Zij zouden willen dat u meegaande waart, dan zouden zij ook meegaande kunnen zijn. Zij zouden graag willen dat jij toegeeflijk was dan zouden zij ook toegeeflijk zijn.

وَ لَا تُطِعۡ کُلَّ حَلَّافٍ مَّہِیۡنٍ ﴿ۙ۱۰﴾

068.010 Wala tutiAA kulla hallafin maheenin

10. En geef geen gehoor aan een verachtelijke eedaflegger, Geef aan geen enkele verachtelijke edenzweerder gehoor,

ہَمَّازٍ مَّشَّآءٍۭ بِنَمِیۡمٍ ﴿ۙ۱۱﴾

068.011 Hammazin mashsha-in binameemin

11. Lasteraar, achterklapper. een met roddel rondlopende lasteraar,

مَّنَّاعٍ لِّلۡخَیۡرِ مُعۡتَدٍ اَثِیۡمٍ ﴿ۙ۱۲﴾

068.012 MannaAAin lilkhayri muAAtadin atheemin

12. Tegenhouder van het goede, overtreder, zondaar, een zondige overtreder die het goede belet,

عُتُلٍّۭ بَعۡدَ ذٰلِکَ زَنِیۡمٍ ﴿ۙ۱۳﴾

068.013 AAutullin baAAda thalika zaneemin

13. Laatdunkend, bovendien een berucht misdadiger, een bruut en bovendien een indringer,

اَنۡ کَانَ ذَا مَالٍ وَّ بَنِیۡنَ ﴿ؕ۱۴﴾

068.014 An kana tha malin wabaneena

14. Omdat hij rijkdommen en kinderen bezit. ook al heeft hij bezit en zonen.

اِذَا تُتۡلٰی عَلَیۡہِ اٰیٰتُنَا قَالَ اَسَاطِیۡرُ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿۱۵﴾

068.015 Itha tutla AAalayhi ayatuna qala asateeru al-awwaleena

15. Wanneer Onze woorden aan hem worden voorgedragen, zegt hij: "Fabelen van de oudeu." Wanneer hem Onze tekenen worden voorgelezen, zegt hij: "Fabels van hen die er eertijds waren."

سَنَسِمُہٗ عَلَی الۡخُرۡطُوۡمِ ﴿۱۶﴾

068.016 Sanasimuhu AAala alkhurtoomi

16. Wij zullen hem op de neus brandmerken. Wij zullen hem brandmerken op zijn snoet.

اِنَّا بَلَوۡنٰہُمۡ کَمَا بَلَوۡنَاۤ اَصۡحٰبَ الۡجَنَّۃِ ۚ اِذۡ اَقۡسَمُوۡا لَیَصۡرِمُنَّہَا مُصۡبِحِیۡنَ ﴿ۙ۱۷﴾

068.017 Inna balawnahum kama balawna as-haba aljannati ith aqsamoo layasrimunnaha musbiheena

17. Voorwaar, Wij zullen hen (de ongelovigen) op de proef stellen zoals Wij de eigenaars van een tuin beproefden toen zij zwoeren dat zij zeker het fruit daarvan in de vroege morgen zouden plukken. Wij hebben hen op de proef gesteld zoals Wij de bezitters van de tuin op de proef gesteld hebben toen zij zwoeren: "In de morgen zullen wij hem afoogsten!"

وَ لَا یَسۡتَثۡنُوۡنَ ﴿۱۸﴾

068.018 Wala yastathnoona

18. En zij maakten geen voorbehoud. zonder een voorbehoud te maken.

فَطَافَ عَلَیۡہَا طَآئِفٌ مِّنۡ رَّبِّکَ وَ ہُمۡ نَآئِمُوۡنَ ﴿۱۹﴾

068.019 Fatafa AAalayha ta-ifun min rabbika wahum na-imoona

19. Toen kwam er van uw Heer een bezoeking over hen, terwijl zij sliepen, Toen ging er een nachtelijke bezoeking van jouw Heer rond, terwijl zij sliepen,

فَاَصۡبَحَتۡ کَالصَّرِیۡمِ ﴿ۙ۲۰﴾

068.020 Faasbahat kaalssareemi

20. Waardoor (de tuin) werd als een gemaaid veld. en 's morgens was hij als afgeoogst.

فَتَنَادَوۡا مُصۡبِحِیۡنَ ﴿ۙ۲۱﴾

068.021 Fatanadaw musbiheena

21. Toen riepen zij tot elkander in de morgen, Toen riepen zij 's morgens tegen elkaar:

اَنِ اغۡدُوۡا عَلٰی حَرۡثِکُمۡ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰرِمِیۡنَ ﴿۲۲﴾

068.022 Ani ighdoo AAala harthikum in kuntum sarimeena

22. Zeggende: "Gaat vroeg naar uw veld indien u het fruit wilt plukken." "Gaat vroeg naar jullie akker als jullie willen afoogsten."

فَانۡطَلَقُوۡا وَ ہُمۡ یَتَخَافَتُوۡنَ ﴿ۙ۲۳﴾

068.023 Faintalaqoo wahum yatakhafatoona

23. En zij gingen fluisterend met elkander op weg. En zij gingen op weg terwijl zij onder elkaar fluisterden:

اَنۡ لَّا یَدۡخُلَنَّہَا الۡیَوۡمَ عَلَیۡکُمۡ مِّسۡکِیۡنٌ ﴿ۙ۲۴﴾

068.024 An la yadkhulannaha alyawma AAalaykum miskeenun

24. "Laat heden geen arme bij u binnen komen." "Vandaag zal er geen behoeftige bij jullie binnenkomen."

وَّ غَدَوۡا عَلٰی حَرۡدٍ قٰدِرِیۡنَ ﴿۲۵﴾

068.025 Waghadaw AAala hardin qadireena

25. En zij gingen vroeg in de morgen uit, (denkende) dat zij de macht hadden om het te verhinderen. En zij waren vroeg weggegaan met de bedoeling daartoe in staat te zijn.

فَلَمَّا رَاَوۡہَا قَالُوۡۤا اِنَّا لَضَآلُّوۡنَ ﴿ۙ۲۶﴾

068.026 Falamma raawha qaloo inna ladalloona

26. Maar toen zij de tuin zagen, zeiden zij: "Voorwaar, wij zijn verdwaald! Maar toen zij het zagen zeiden zij: "Wij zijn verdwaald.

بَلۡ نَحۡنُ مَحۡرُوۡمُوۡنَ ﴿۲۷﴾

068.027 Bal nahnu mahroomoona

27. Nee, wij zijn beroofd." Nee, wij zijn beroofd!"

قَالَ اَوۡسَطُہُمۡ اَلَمۡ اَقُلۡ لَّکُمۡ لَوۡ لَا تُسَبِّحُوۡنَ ﴿۲۸﴾

068.028 Qala awsatuhum alam aqul lakum lawla tusabbihoona

28. De beste onder hen sprak: "Zeide ik niet tot u: 'Waarom looft u (God) niet?'" De evenwichtigste onder hen zei: "Had ik het jullie niet gezegd? Als jullie [Allah] maar zouden prijzen."

قَالُوۡا سُبۡحٰنَ رَبِّنَاۤ اِنَّا کُنَّا ظٰلِمِیۡنَ ﴿۲۹﴾

068.029 Qaloo subhana rabbina inna kunna thalimeena

29. Nu riepen zij uit: "Glorie zij U, onze Heer! Voorzeker wij waren onrechtvaardig." Zij zeiden: "Onze Heer zij geprezen, wij waren onrechtplegers."

فَاَقۡبَلَ بَعۡضُہُمۡ عَلٰی بَعۡضٍ یَّتَلَاوَمُوۡنَ ﴿۳۰﴾

068.030 Faaqbala baAAduhum AAala baAAdin yatalawamoona

30. Toen gingen zij elkaar beschuldigen. Toen gingen zij elkaar verwijten maken.

قَالُوۡا یٰوَیۡلَنَاۤ اِنَّا کُنَّا طٰغِیۡنَ ﴿۳۱﴾

068.031 Qaloo ya waylana inna kunna tagheena

31. En zeiden: "Wee ons, wij waren inderdaad overtreders. Zij zeiden: "Wee ons, wij waren onbeschaamd.

عَسٰی رَبُّنَاۤ اَنۡ یُّبۡدِلَنَا خَیۡرًا مِّنۡہَاۤ اِنَّاۤ اِلٰی رَبِّنَا رٰغِبُوۡنَ ﴿۳۲﴾

068.032 AAasa rabbuna an yubdilana khayran minha inna ila rabbina raghiboona

32. Het kan zijn dat onze Heer ons een betere tuin dan deze zal geven, wij wenden ons tot onze Heer." Misschien dat onze Heer ons iets beters ervoor in de plaats zal geven. Wij verlangen naar onze Heer."

کَذٰلِکَ الۡعَذَابُ ؕ وَ لَعَذَابُ الۡاٰخِرَۃِ اَکۡبَرُ ۘ لَوۡ کَانُوۡا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿٪۳۳﴾

068.033 Kathalika alAAathabu walaAAathabu al-akhirati akbaru law kanoo yaAAlamoona

33. Zo is de straf (voor dit leven). En voorwaar, de straf van het Hiernamaals zal nog groter zijn, konden zij dit maar begrijpen! Zo was de bestraffing, maar de bestraffing in het hiernamaals is nog erger. Als zij het maar wisten!

اِنَّ لِلۡمُتَّقِیۡنَ عِنۡدَ رَبِّہِمۡ جَنّٰتِ النَّعِیۡمِ ﴿۳۴﴾

068.034 Inna lilmuttaqeena AAinda rabbihim jannati alnnaAAeemi

34. Inderdaad, voor de rechtvaardigen zijn er verrukkelijke tuinen bij hun Heer! Maar de godvrezenden hebben bij hun Heer de tuinen van de gelukzaligheid.

اَفَنَجۡعَلُ الۡمُسۡلِمِیۡنَ کَالۡمُجۡرِمِیۡنَ ﴿ؕ۳۵﴾

068.035 AfanajAAalu almuslimeena kaalmujrimeena

35. Zullen Wij dan degenen die zich onderwerpen even als de schuldigen behandelen? Zullen Wij dan hen die zich [aan Allah] hebben overgegeven als de boosdoeners behandelen?

مَا لَکُمۡ ٝ کَیۡفَ تَحۡکُمُوۡنَ ﴿ۚ۳۶﴾

068.036 Ma lakum kayfa tahkumoona

36. Wat is er met u? Hoe oordeelt u? Wat is er met jullie? Hoe kunnen jullie oordelen?

اَمۡ لَکُمۡ کِتٰبٌ فِیۡہِ تَدۡرُسُوۡنَ ﴿ۙ۳۷﴾

068.037 Am lakum kitabun feehi tadrusoona

37. Heeft u een Boek waarin u leest? Of hebben jullie een boek, waarin jullie kunnen studeren?

اِنَّ لَکُمۡ فِیۡہِ لَمَا تَخَیَّرُوۡنَ ﴿ۚ۳۸﴾

068.038 Inna lakum feehi lama takhayyaroona

38. Dat u alles waarnaar u verlangt zult verkrijgen? Daarin is zeker wat jullie verkiezen.

اَمۡ لَکُمۡ اَیۡمَانٌ عَلَیۡنَا بَالِغَۃٌ اِلٰی یَوۡمِ الۡقِیٰمَۃِ ۙ اِنَّ لَکُمۡ لَمَا تَحۡکُمُوۡنَ ﴿ۚ۳۹﴾

068.039 Am lakum aymanun AAalayna balighatun ila yawmi alqiyamati inna lakum lama tahkumoona

39. Of heeft u enige verdragen met Ons gesloten tot de Dag van de Opstanding zodat u dan alles zult hebben wat u zult willen? Of zijn Wij door eden die tot de opstandingsdag reiken aan jullie verplicht dat jullie zullen hebben wat jullie beslissen?

سَلۡہُمۡ اَیُّہُمۡ بِذٰلِکَ زَعِیۡمٌ ﴿ۚۛ۴۰﴾

068.040 Salhum ayyuhum bithalika zaAAeemun

40. Vraag hun, wie van hen daar borg voor is. Vraag hun wie van hen dat beweert.

اَمۡ لَہُمۡ شُرَکَآءُ ۚۛ فَلۡیَاۡتُوۡا بِشُرَکَآئِہِمۡ اِنۡ کَانُوۡا صٰدِقِیۡنَ ﴿۴۱﴾

068.041 Am lahum shurakao falya/too bishuraka-ihim in kanoo sadiqeena

41. Of hebben zij soms deelgenoten? Laten zij dan deze naar voren brengen als zij de waarheid spreken. Of hebben zij [zogenaamd goddelijke] metgezellen? Dan moeten zij maar met hun [zogenaamd goddelijke] metgezellen komen, als zij gelijk hebben.

یَوۡمَ یُکۡشَفُ عَنۡ سَاقٍ وَّ یُدۡعَوۡنَ اِلَی السُّجُوۡدِ فَلَا یَسۡتَطِیۡعُوۡنَ ﴿ۙ۴۲﴾

068.042 Yawma yukshafu AAan saqin wayudAAawna ila alssujoodi fala yastateeAAoona

42. Op de Dag, waarop men beangstigd wordt, zullen zij geroepen worden te prostreren, maar zij zullen dat niet kunnen doen. Op de dag dat hun de benen ontbloot worden en zij opgeroepen worden zich eerbiedig neer te buigen, maar het dan niet kunnen,

خَاشِعَۃً اَبۡصَارُہُمۡ تَرۡہَقُہُمۡ ذِلَّۃٌ ؕ وَ قَدۡ کَانُوۡا یُدۡعَوۡنَ اِلَی السُّجُوۡدِ وَ ہُمۡ سٰلِمُوۡنَ ﴿۴۳﴾

068.043 KhashiAAatan absaruhum tarhaquhum thillatun waqad kanoo yudAAawna ila alssujoodi wahum salimoona

43. Hun ogen zullen terneergeslagen zijn en vernedering zal hen overvallen, want zij werden tot het prostraat Sadjdah geroepen toen hun niets ontbrak (en zij deden het niet). terwijl zij met hun deemoedige blikken met vernedering overdekt worden. Toch waren zij opgeroepen zich eerbiedig neer te buigen toen zij nog in veiligheid waren.

فَذَرۡنِیۡ وَ مَنۡ یُّکَذِّبُ بِہٰذَا الۡحَدِیۡثِ ؕ سَنَسۡتَدۡرِجُہُمۡ مِّنۡ حَیۡثُ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿ۙ۴۴﴾

068.044 Fatharnee waman yukaththibu bihatha alhadeethi sanastadrijuhum min haythu la yaAAlamoona

44. Laat Mij en degenen die deze aankondiging loochenen, alleen. Wij zullen hen stap voor stap (de vernietiging) doen naderen, op een wijze die zij niet kennen. Laat Mij dan maar met hen die dit bericht loochenen; Wij zullen hen gaandeweg tot vernietiging brengen zonder dat zij het weten.

وَ اُمۡلِیۡ لَہُمۡ ؕ اِنَّ کَیۡدِیۡ مَتِیۡنٌ ﴿۴۵﴾

068.045 Waomlee lahum inna kaydee mateenun

45. En Ik geef hun uitstel; want Mijn opzet is sterk. En Ik zal hun uitstel geven. Mijn list staat vast.

اَمۡ تَسۡـَٔلُہُمۡ اَجۡرًا فَہُمۡ مِّنۡ مَّغۡرَمٍ مُّثۡقَلُوۡنَ ﴿ۚ۴۶﴾

068.046 Am tas-aluhum ajran fahum min maghramin muthqaloona

46. Vraagt u van hen een beloning voor u zelf zodat zij onder schuld gebukt gaan? Of vraag jij hun loon, zodat zij met betalingsverplichtingen belast zijn?

اَمۡ عِنۡدَہُمُ الۡغَیۡبُ فَہُمۡ یَکۡتُبُوۡنَ ﴿۴۷﴾

068.047 Am AAindahumu alghaybu fahum yaktuboona

47. Of hebben zij kennis van het onzienlijke, zodat zij het kunnen opschrijven? Of is het verborgene bij hen zodat zij het kunnen opschrijven?

فَاصۡبِرۡ لِحُکۡمِ رَبِّکَ وَ لَا تَکُنۡ کَصَاحِبِ الۡحُوۡتِ ۘ اِذۡ نَادٰی وَ ہُوَ مَکۡظُوۡمٌ ﴿ؕ۴۸﴾

068.048 Faisbir lihukmi rabbika wala takun kasahibi alhooti ith nada wahuwa makthoomun

48. Wacht geduldig op het gebod van uw Heer en wees niet als de man van de vis toen hij (Allah) aanriep terwijl hij misnoegd was. Volhard dus geduldig tot aan het oordeel van jouw Heer. En wees niet als hij die in de vis was toen hij vol ingehouden woede tot zijn Heer riep.

لَوۡ لَاۤ اَنۡ تَدٰرَکَہٗ نِعۡمَۃٌ مِّنۡ رَّبِّہٖ لَنُبِذَ بِالۡعَرَآءِ وَ ہُوَ مَذۡمُوۡمٌ ﴿۴۹﴾

068.049 Lawla an tadarakahu niAAmatun min rabbihi lanubitha bialAAara-i wahuwa mathmoomun

49. Als een gunst van zijn Heer hem niet had bereikt dan zou hij zeker op een dorre kust geworpen zijn, terwijl hij vernederd werd. Als hem geen genade van zijn Heer bereikt had was hij, verafschuwd als hij was, op een onbegroeide plaats uitgeworpen.

فَاجۡتَبٰہُ رَبُّہٗ فَجَعَلَہٗ مِنَ الصّٰلِحِیۡنَ ﴿۵۰﴾

068.050 Faijtabahu rabbuhu fajaAAalahu mina alssaliheena

50. Maar zijn Heer verkoos hem en maakte hem tot één van de goeden. Maar zijn Heer verhoorde hem en maakte hem tot een van de rechtschapenen.

وَ اِنۡ یَّکَادُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لَیُزۡلِقُوۡنَکَ بِاَبۡصَارِہِمۡ لَمَّا سَمِعُوا الذِّکۡرَ وَ یَقُوۡلُوۡنَ اِنَّہٗ لَمَجۡنُوۡنٌ ﴿ۘ۵۱﴾

068.051 Wa-in yakadu allatheena kafaroo layuzliqoonaka bi-absarihim lamma samiAAoo alththikra wayaqooloona innahu lamajnoonun

51. En de ongelovigen wanneer zij het vermaan horen willen u met hun blikken gaarne ten val brengen; en zij zeggen: "Hij is zeker krankzinnig." Zij die ongelovig zijn laten jou met hun blikken bijna uitglijden, wanneer zij de vermaning horen en zij zeggen: "Hij is bezeten."

وَ مَا ہُوَ اِلَّا ذِکۡرٌ لِّلۡعٰلَمِیۡنَ ﴿٪۵۲﴾

068.052 Wama huwa illa thikrun lilAAalameena

52. Nee, het (Boek) is niets dan een vermaning voor de werelden. Toch is het niets anders dan een vermaning voor de wereldbewoners.


www.kuran.nl