Nuh

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

اِنَّاۤ اَرۡسَلۡنَا نُوۡحًا اِلٰی قَوۡمِہٖۤ اَنۡ اَنۡذِرۡ قَوۡمَکَ مِنۡ قَبۡلِ اَنۡ یَّاۡتِیَہُمۡ عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿۱﴾

071.001 Inna arsalna noohan ila qawmihi an anthir qawmaka min qabli an ya/tiyahum AAathabun aleemun

1. Wij zonden Noach tot zijn volk, "Waarschuw uw volk voordat een smartelijke straf over hen komt." Wij hebben Noeh naar zijn volk gezonden: "Waarschuw jouw volk voordat een pijnlijke bestraffing tot hen komt."

قَالَ یٰقَوۡمِ اِنِّیۡ لَکُمۡ نَذِیۡرٌ مُّبِیۡنٌ ۙ﴿۲﴾

071.002 Qala ya qawmi innee lakum natheerun mubeenun

2. Noach zei: "O mijn volk! Waarlijk ik ben een duidelijke waarschuwer voor u. Hij zei: "Mijn volk! Ik ben voor jullie een duidelijke waarschuwer

اَنِ اعۡبُدُوا اللّٰہَ وَ اتَّقُوۡہُ وَ اَطِیۡعُوۡنِ ۙ﴿۳﴾

071.003 Ani oAAbudoo Allaha waittaqoohu waateeAAooni

3. Aanbidt daarom Allah, vreest Hem en gehoorzaamt mij. dat jullie Allah moeten dienen, Hem moeten vrezen en mij moeten gehoorzamen.

یَغۡفِرۡ لَکُمۡ مِّنۡ ذُنُوۡبِکُمۡ وَ یُؤَخِّرۡکُمۡ اِلٰۤی اَجَلٍ مُّسَمًّی ؕ اِنَّ اَجَلَ اللّٰہِ اِذَا جَآءَ لَا یُؤَخَّرُ ۘ لَوۡ کُنۡتُمۡ تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۴﴾

071.004 Yaghfir lakum min thunoobikum wayu-akhkhirkum ila ajalin musamman inna ajala Allahi itha jaa la yu-akhkharu law kuntum taAAlamoona

4. Hij zal u uw zonden vergeven en u uitstel verlenen tot een bepaalde termijn; voorwaar, de termijn van Allah kan, wanneer hij komt, niet worden uitgesteld, als u dit slechts wist!" Dan zal Hij voor zonden van jullie vergeving schenken en jullie uitstel verlenen tot een vastgestelde termijn. Maar Allah's termijn wordt niet uitgesteld wanneer hij komt, als jullie dat maar wisten."

قَالَ رَبِّ اِنِّیۡ دَعَوۡتُ قَوۡمِیۡ لَیۡلًا وَّ نَہَارًا ۙ﴿۵﴾

071.005 Qala rabbi innee daAAawtu qawmee laylan wanaharan

5. Hij zei: "Mijn Heer, ik heb mijn volk dag en nacht geroepen, Hij zei: "Mijn Heer, ik heb mijn volk nacht en dag opgeroepen,

فَلَمۡ یَزِدۡہُمۡ دُعَآءِیۡۤ اِلَّا فِرَارًا ﴿۶﴾

071.006 Falam yazidhum duAAa-ee illa firaran

6. Maar mijn roepen heeft slechts hun afkeer vermeerderd. maar mijn oproep heeft hen alleen maar meer laten vluchten.

وَ اِنِّیۡ کُلَّمَا دَعَوۡتُہُمۡ لِتَغۡفِرَ لَہُمۡ جَعَلُوۡۤا اَصَابِعَہُمۡ فِیۡۤ اٰذَانِہِمۡ وَ اسۡتَغۡشَوۡا ثِیَابَہُمۡ وَ اَصَرُّوۡا وَ اسۡتَکۡبَرُوا اسۡتِکۡبَارًا ۚ﴿۷﴾

071.007 Wa-innee kullama daAAawtuhum litaghfira lahum jaAAaloo asabiAAahum fee athanihim waistaghshaw thiyabahum waasarroo waistakbaroo istikbaran

7. En telkens wanneer ik hen riep, opdat U hen zoudt vergeven stopten zij hun vingers in de oren, bedekten zich met hun kleren, volhardden (in hun ongeloof) en gedroegen zich laatdunkend. En telkens als ik hen opriep, opdat U hun zou vergeven, stopten zij hun vingers in hun oren, bedekten zich met hun kleren en bleven stijfkoppig en hoogmoedig.

ثُمَّ اِنِّیۡ دَعَوۡتُہُمۡ جِہَارًا ۙ﴿۸﴾

071.008 Thumma innee daAAawtuhum jiharan

8. Toen riep ik hen luide, Toen riep ik hen in het openbaar op.

ثُمَّ اِنِّیۡۤ اَعۡلَنۡتُ لَہُمۡ وَ اَسۡرَرۡتُ لَہُمۡ اِسۡرَارًا ۙ﴿۹﴾

071.009 Thumma innee aAAlantu lahum waasrartu lahum israran

9. En verkondigde hun in het openbaar; ook sprak ik tot hen in het verborgene. Toen sprak ik openlijk en in het diepste geheim met hen.

فَقُلۡتُ اسۡتَغۡفِرُوۡا رَبَّکُمۡ ؕ اِنَّہٗ کَانَ غَفَّارًا ﴿ۙ۱۰﴾

071.010 Faqultu istaghfiroo rabbakum innahu kana ghaffaran

10. En ik zei: "Zoekt vergiffenis van uw Heer, want Hij is de Vergevensgezinde. En ik zei: 'Vraagt jullie Heer om vergeving; Hij is vergevend.

یُّرۡسِلِ السَّمَآءَ عَلَیۡکُمۡ مِّدۡرَارًا ﴿ۙ۱۱﴾

071.011 Yursili alssamaa AAalaykum midraran

11. Hij zal regen voor u nederzenden in overvloed. Hij zal dan de hemel in overvloed over jullie laten regenen,

وَّ یُمۡدِدۡکُمۡ بِاَمۡوَالٍ وَّ بَنِیۡنَ وَ یَجۡعَلۡ لَّکُمۡ جَنّٰتٍ وَّ یَجۡعَلۡ لَّکُمۡ اَنۡہٰرًا ﴿ؕ۱۲﴾

071.012 Wayumdidkum bi-amwalin wabaneena wayajAAal lakum jannatin wayajAAal lakum anharan

12. En Hij zal uw rijkdommen en kinderen vermeerderen, en Hij zal u tuinen en rivieren schenken. jullie met bezittingen en zonen versterken, tuinen voor jullie maken en rivieren voor jullie maken.

مَا لَکُمۡ لَا تَرۡجُوۡنَ لِلّٰہِ وَقَارًا ﴿ۚ۱۳﴾

071.013 Ma lakum la tarjoona lillahi waqaran

13. Wat scheelt u, dat u geen Wijsheid van Allah verwacht? Wat is er met jullie dat jullie van Allah geen waardigheid verwachten?

وَ قَدۡ خَلَقَکُمۡ اَطۡوَارًا ﴿۱۴﴾

071.014 Waqad khalaqakum atwaran

14. En Hij heeft u door verschillende stadia heen geschapen." Hij heeft jullie toch in fasen geschapen.

اَلَمۡ تَرَوۡا کَیۡفَ خَلَقَ اللّٰہُ سَبۡعَ سَمٰوٰتٍ طِبَاقًا ﴿ۙ۱۵﴾

071.015 Alam taraw kayfa khalaqa Allahu sabAAa samawatin tibaqan

15. "Heeft u niet gezien, hoe Allah de zeven opeenvolgende hemelen schiep? Zien jullie dan niet hoe Allah zeven hemelen in lagen geschapen heeft?

وَّ جَعَلَ الۡقَمَرَ فِیۡہِنَّ نُوۡرًا وَّ جَعَلَ الشَّمۡسَ سِرَاجًا ﴿۱۶﴾

071.016 WajaAAala alqamara feehinna nooran wajaAAala alshshamsa sirajan

16. En hoe Hij de maan daarin als licht heeft geplaatst en de zon als een stralende lamp! En dat Hij daarin de maan tot een licht heeft gemaakt en dat Hij de zon tot een heldere lamp heeft gemaakt?

وَ اللّٰہُ اَنۡۢبَتَکُمۡ مِّنَ الۡاَرۡضِ نَبَاتًا ﴿ۙ۱۷﴾

071.017 WaAllahu anbatakum mina al-ardi nabatan

17. En Allah heeft u voortgebracht vanuit de aarde. Allah heeft jullie toch uit de aarde laten ontstaan.

ثُمَّ یُعِیۡدُکُمۡ فِیۡہَا وَ یُخۡرِجُکُمۡ اِخۡرَاجًا ﴿۱۸﴾

071.018 Thumma yuAAeedukum feeha wayukhrijukum ikhrajan

18. Vervolgens zal Hij u daarheen doen terugkeren, en u daaruit opnieuw doen verrijzen. Daarna zal Hij jullie in haar terug laten keren en jullie dan opnieuw tevoorschijn brengen.

وَ اللّٰہُ جَعَلَ لَکُمُ الۡاَرۡضَ بِسَاطًا ﴿ۙ۱۹﴾

071.019 WaAllahu jaAAala lakumu al-arda bisatan

19. En Allah heeft de aarde voor u uitgespreid En Allah heeft de aarde voor jullie tot een uitgelegd tapijt gemaakt,

لِّتَسۡلُکُوۡا مِنۡہَا سُبُلًا فِجَاجًا ﴿٪۲۰﴾

071.020 Litaslukoo minha subulan fijajan

20. Zodat u de brede wegen er van doorkruist." opdat jullie er wegen en passen begaan kunnen.?"

قَالَ نُوۡحٌ رَّبِّ اِنَّہُمۡ عَصَوۡنِیۡ وَ اتَّبَعُوۡا مَنۡ لَّمۡ یَزِدۡہُ مَالُہٗ وَ وَلَدُہٗۤ اِلَّا خَسَارًا ﴿ۚ۲۱﴾

071.021 Qala noohun rabbi innahum AAasawnee waittabaAAoo man lam yazidhu maluhu wawaladuhu illa khasaran

21. Noach zei: "Mijn Heer, zij gehoorzamen mij niet, en volgen iemand wiens bezit en kinderen slechts tot zijn ondergang hebben bijgedragen. Noeh zei: "Mijn Heer, zij gehoorzamen mij niet, maar zij volgen iemand wiens bezit en kinderen hem alleen maar meer verlies laten lijden.

وَ مَکَرُوۡا مَکۡرًا کُبَّارًا ﴿ۚ۲۲﴾

071.022 Wamakaroo makran kubbaran

22. En zij hebben een vreselijk plan gesmeed. En zij hebben grote listen beraamd

وَ قَالُوۡا لَا تَذَرُنَّ اٰلِہَتَکُمۡ وَ لَا تَذَرُنَّ وَدًّا وَّ لَا سُوَاعًا ۬ۙ وَّ لَا یَغُوۡثَ وَ یَعُوۡقَ وَ نَسۡرًا ﴿ۚ۲۳﴾

071.023 Waqaloo la tatharunna alihatakum wala tatharunna waddan wala suwaAAan wala yaghootha wayaAAooqa wanasran

23. En zeggen tegen elkander: 'Verlaat uw goden nooit. Verlaat noch Wodd, noch Sowa, noch Jaghoes en Jaoeq en Nasr.' en zij zeiden: 'Verlaat jullie goden niet. Verlaat Wadd niet, noch Soewaa', noch Jaghoeth, Ja'oek en Nasr.:

وَ قَدۡ اَضَلُّوۡا کَثِیۡرًا ۬ۚ وَ لَا تَزِدِ الظّٰلِمِیۡنَ اِلَّا ضَلٰلًا ﴿۲۴﴾

071.024 Waqad adalloo katheeran wala tazidi alththalimeena illa dalalan

24. En zij hebben velen doen dwalen, en U doet de onrechtvaardigen slechts in dwaling toenemen." En zij hebben velen tot dwaling gebracht. Laat dan de onrechtplegers alleen maar meer dwalen."

مِمَّا خَطِیۡٓــٰٔتِہِمۡ اُغۡرِقُوۡا فَاُدۡخِلُوۡا نَارًا ۬ۙ فَلَمۡ یَجِدُوۡا لَہُمۡ مِّنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ اَنۡصَارًا ﴿۲۵﴾

071.025 Mimma khatee-atihim oghriqoo faodkhiloo naran falam yajidoo lahum min dooni Allahi ansaran

25. Daarom werden zij vanwege hun zonden verdronken en in het Vuur gedreven. Zij konden daar voor zich geen helpers vinden tegen Allah. Vanwege hun zonden werden zij verdronken en toen een vuur binnengebracht en zij vonden buiten Allah om voor zich geen helpers.

وَ قَالَ نُوۡحٌ رَّبِّ لَا تَذَرۡ عَلَی الۡاَرۡضِ مِنَ الۡکٰفِرِیۡنَ دَیَّارًا ﴿۲۶﴾

071.026 Waqala noohun rabbi la tathar AAala al-ardi mina alkafireena dayyaran

26. En Noach had gezegd: "Mijn Heer, laat in het land geen huis van de ongelovigen achterblijven; En Noeh zei: "Mijn Heer, laat niet een van de ongelovigen op de aarde blijven wonen.

اِنَّکَ اِنۡ تَذَرۡہُمۡ یُضِلُّوۡا عِبَادَکَ وَ لَا یَلِدُوۡۤا اِلَّا فَاجِرًا کَفَّارًا ﴿۲۷﴾

071.027 Innaka in tatharhum yudilloo AAibadaka wala yalidoo illa fajiran kaffaran

27. Want als U hen achterlaat zullen zij Uw dienaren op een dwaalspoor leiden en zij zullen niets dan een onzedelijk en ondankbaar nageslacht voortbrengen. Immers, als U hen laat zullen zij Uw dienaren tot dwaling brengen en alleen maar overtreders en ondankbaren voortbrengen.

رَبِّ اغۡفِرۡ لِیۡ وَ لِوَالِدَیَّ وَ لِمَنۡ دَخَلَ بَیۡتِیَ مُؤۡمِنًا وَّ لِلۡمُؤۡمِنِیۡنَ وَ الۡمُؤۡمِنٰتِ ؕ وَ لَا تَزِدِ الظّٰلِمِیۡنَ اِلَّا تَبَارًا ﴿٪۲۸﴾

071.028 Rabbi ighfir lee waliwalidayya waliman dakhala baytiya mu/minan walilmu/mineena waalmu/minati wala tazidi alththalimeena illa tabaran

28. Mijn Heer, vergeef mij, en mijn ouders, en hem die gelovend mijn huis binnentreedt, ook de gelovige mannen en vrouwen; en doe de onrechtvaardigen slechts in verderf toenemen." Mijn Heer, vergeef mij en mijn ouders en wie mijn huis als gelovige binnenkomen, en de gelovige mannen en vrouwen. En laat de ongelovigen alleen maar meer vernietigd worden."


www.kuran.nl