Ad-Dahr, Al-Insaan

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

ہَلۡ اَتٰی عَلَی الۡاِنۡسَانِ حِیۡنٌ مِّنَ الدَّہۡرِ لَمۡ یَکُنۡ شَیۡئًا مَّذۡکُوۡرًا ﴿۱﴾

076.001 Hal ata AAala al-insani heenun mina alddahri lam yakun shay-an mathkooran

1. Voorzeker, er is voor de mens een tijdperk geweest toen hij geen vermeldenswaardig ding was. Is er niet een tijdsperiode geweest dat de mens niets noemenswaards was?

اِنَّا خَلَقۡنَا الۡاِنۡسَانَ مِنۡ نُّطۡفَۃٍ اَمۡشَاجٍ ٭ۖ نَّبۡتَلِیۡہِ فَجَعَلۡنٰہُ سَمِیۡعًۢا بَصِیۡرًا ﴿۲﴾

076.002 Inna khalaqna al-insana min nutfatin amshajin nabtaleehi fajaAAalnahu sameeAAan baseeran

2. Wij hebben de mens uit een gemengde levenskiem geschapen en hebben hem horende en ziende gemaakt om hem op de proef te stellen. Wij hebben de mens uit een druppel geschapen, uit een mengsel om hem te toetsen. En Wij hebben hem horend en ziend gemaakt.

اِنَّا ہَدَیۡنٰہُ السَّبِیۡلَ اِمَّا شَاکِرًا وَّ اِمَّا کَفُوۡرًا ﴿۳﴾

076.003 Inna hadaynahu alssabeela imma shakiran wa-imma kafooran

3. Wij hebben hem de weg getoond, hij moge dankbaar of wel ondankbaar zijn. Wij hebben hem de goede weg gewezen, of hij nu dankbaar of ondankbaar is.

اِنَّاۤ اَعۡتَدۡنَا لِلۡکٰفِرِیۡنَ سَلٰسِلَا۠ وَ اَغۡلٰلًا وَّ سَعِیۡرًا ﴿۴﴾

076.004 Inna aAAtadna lilkafireena salasila waaghlalan wasaAAeeran

4. Voorwaar, Wij hebben voor de ongelovigen ketenen, ijzeren halsbanden en een laaiend Vuur bereid. Voor de ongelovigen hebben Wij kettingen, halsketenen en een vuurgloed klaargemaakt.

اِنَّ الۡاَبۡرَارَ یَشۡرَبُوۡنَ مِنۡ کَاۡسٍ کَانَ مِزَاجُہَا کَافُوۡرًا ۚ﴿۵﴾

076.005 Inna al-abrara yashraboona min ka/sin kana mizajuha kafooran

5. Maar de deugdzamen drinken uit een beker (een drank) gemengd met Kamfer. Maar de vromen zullen drinken uit een beker die met kamfer is bijgemengd

عَیۡنًا یَّشۡرَبُ بِہَا عِبَادُ اللّٰہِ یُفَجِّرُوۡنَہَا تَفۡجِیۡرًا ﴿۶﴾

076.006 AAaynan yashrabu biha AAibadu Allahi yufajjiroonaha tafjeeran

6. De dienaren van Allah drinken uit een bron, welke zij in overvloed doen stromen. uit een bron waaruit Allah's dienaren drinken en die zij rijkelijk uit de aarde laten ontspringen.

یُوۡفُوۡنَ بِالنَّذۡرِ وَ یَخَافُوۡنَ یَوۡمًا کَانَ شَرُّہٗ مُسۡتَطِیۡرًا ﴿۷﴾

076.007 Yoofoona bialnnathri wayakhafoona yawman kana sharruhu mustateeran

7. Zij vervullen de gelofte, en vrezen een Dag waarvan het kwaad verstrekkend is. Zij vervullen hun geloften en zijn bang voor een dag waarvan het kwaad om zich heen grijpt.

وَ یُطۡعِمُوۡنَ الطَّعَامَ عَلٰی حُبِّہٖ مِسۡکِیۡنًا وَّ یَتِیۡمًا وَّ اَسِیۡرًا ﴿۸﴾

076.008 WayutAAimona alttaAAama AAala hubbihi miskeenan wayateeman waaseeran

8. En zij geven voedsel, uit liefde voor Hem, aan de armen, de wees en de gevangenen. En zij geven, hoe lief zij het ook hebben, voedsel aan behoeftige, wees en gevangene.

اِنَّمَا نُطۡعِمُکُمۡ لِوَجۡہِ اللّٰہِ لَا نُرِیۡدُ مِنۡکُمۡ جَزَآءً وَّ لَا شُکُوۡرًا ﴿۹﴾

076.009 Innama nutAAimukum liwajhi Allahi la nureedu minkum jazaan wala shukooran

9. (Zeggende): "Wij voeden u slechts ter wille van Allah. Wij verlangen geen beloning noch dank van u. "Wij geven jullie voedsel ter wille van Allah; Wij wensen van jullie geen loon of dank.

اِنَّا نَخَافُ مِنۡ رَّبِّنَا یَوۡمًا عَبُوۡسًا قَمۡطَرِیۡرًا ﴿۱۰﴾

076.010 Inna nakhafu min rabbina yawman AAaboosan qamtareeran

10. Wij vrezen van onze Heer een moeilijke en drukkende Dag." Wij vrezen van Onze Heer een angstaanjagende en vreeswekkende dag."

فَوَقٰہُمُ اللّٰہُ شَرَّ ذٰلِکَ الۡیَوۡمِ وَ لَقّٰہُمۡ نَضۡرَۃً وَّ سُرُوۡرًا ﴿ۚ۱۱﴾

076.011 Fawaqahumu Allahu sharra thalika alyawmi walaqqahum nadratan wasurooran

11. Daarom zal Allah hen voor het kwade van die Dag beschermen en zal hun blijdschap en geluk schenken. Maar Allah beschermt hen voor het kwaad van die dag en maakt hen stralend en blij.

وَ جَزٰىہُمۡ بِمَا صَبَرُوۡا جَنَّۃً وَّ حَرِیۡرًا ﴿ۙ۱۲﴾

076.012 Wajazahum bima sabaroo jannatan wahareeran

12. En Hij zal hen voor hun standvastigheid belonen met een tuin en kleren van zijde. En Hij beloont hen, omdat zij geduldig hebben volhard, met een tuin en met zijde.

مُّتَّکِـِٕیۡنَ فِیۡہَا عَلَی الۡاَرَآئِکِ ۚ لَا یَرَوۡنَ فِیۡہَا شَمۡسًا وَّ لَا زَمۡہَرِیۡرًا ﴿ۚ۱۳﴾

076.013 Muttaki-eena feeha AAala al-ara-iki la yarawna feeha shamsan wala zamhareeran

13. Zich daarin nedervlijende op sofa's zullen zij het noch te koud noch te warm hebben. Daarin liggen zij achterovergeleund op ligbanken terwijl zij er geen zon en geen kou zien.

وَ دَانِیَۃً عَلَیۡہِمۡ ظِلٰلُہَا وَ ذُلِّلَتۡ قُطُوۡفُہَا تَذۡلِیۡلًا ﴿۱۴﴾

076.014 Wadaniyatan AAalayhim thilaluha wathullilat qutoofuha tathleelan

14. En de schaduw van de bomen zal dicht over hen zijn en de trossen fruit zullen gemakkelijk bereikbaar worden gemaakt. De schaduwen zullen er dichtbij zijn en de vruchten hangen er voor het grijpen.

وَ یُطَافُ عَلَیۡہِمۡ بِاٰنِیَۃٍ مِّنۡ فِضَّۃٍ وَّ اَکۡوَابٍ کَانَتۡ قَؔوَارِیۡرَا۠ ﴿ۙ۱۵﴾

076.015 Wayutafu AAalayhim bi-aniyatin min fiddatin waakwabin kanat qawareera

15. En zilveren vaten zullen aan hen worden rondgereikt, en bekers Een kelk van zilver wordt bij hen rondgegeven en bekers die van kristal zijn,

قَؔ‍وَارِیۡرَا۠ مِنۡ فِضَّۃٍ قَدَّرُوۡہَا تَقۡدِیۡرًا ﴿۱۶﴾

076.016 Qawareera min fiddatin qaddarooha taqdeeran

16. Kristalhelder, uit zilver, in de juiste maat vervaardigd. van zilverwit kristal, die zij precies vol hebben geschonken.

وَ یُسۡقَوۡنَ فِیۡہَا کَاۡسًا کَانَ مِزَاجُہَا زَنۡجَبِیۡلًا ﴿ۚ۱۷﴾

076.017 Wayusqawna feeha ka/san kana mizajuha zanjabeelan

17. En daarin zal hun een drank worden gegeven, vermengd met Gember. En daar krijgen zij uit een beker te drinken waarin gember is bijgemengd,

عَیۡنًا فِیۡہَا تُسَمّٰی سَلۡسَبِیۡلًا ﴿۱۸﴾

076.018 AAaynan feeha tusamma salsabeelan

18. Van een bron genaamd: Salsabiel. uit een bron daar, die Salsabiel heet. *

وَ یَطُوۡفُ عَلَیۡہِمۡ وِلۡدَانٌ مُّخَلَّدُوۡنَ ۚ اِذَا رَاَیۡتَہُمۡ حَسِبۡتَہُمۡ لُؤۡلُؤًا مَّنۡثُوۡرًا ﴿۱۹﴾

076.019 Wayatoofu AAalayhim wildanun mukhalladoona itha raaytahum hasibtahum lu/lu-an manthooran

19. En jonge mensen, die niet verouderen, zullen om hen rondgaan (om hen te bedienen). Wanneer u hen ziet, denkt u dat zij verstrooide paarlen zijn. En bij hen gaan altijd jong blijvende jongelingen rond. Wanneer jij hen ziet denk je dat zij rondgestrooide parels zijn.

وَ اِذَا رَاَیۡتَ ثَمَّ رَاَیۡتَ نَعِیۡمًا وَّ مُلۡکًا کَبِیۡرًا ﴿۲۰﴾

076.020 Wa-itha raayta thamma raayta naAAeeman wamulkan kabeeran

20. En waarheen u ook kijkt, zult u een zaligheid voelen en een groot koninkrijk aanschouwen. En wanneer jij het ziet dan zie jij gelukzaligheid en een grote heerschappij.

عٰلِیَہُمۡ ثِیَابُ سُنۡدُسٍ خُضۡرٌ وَّ اِسۡتَبۡرَقٌ ۫ وَّ حُلُّوۡۤا اَسَاوِرَ مِنۡ فِضَّۃٍ ۚ وَ سَقٰہُمۡ رَبُّہُمۡ شَرَابًا طَہُوۡرًا ﴿۲۱﴾

076.021 AAaliyahum thiyabu sundusin khudrun wa-istabraqun wahulloo asawira min fiddatin wasaqahum rabbuhum sharaban tahooran

21. Zij zullen klederen van fijne groene zijde en zwaar brocaat dragen en zilveren armbanden. En hun Heer zal hun een zuivere drank geven. Zij hebben kleren van groene zijde en brokaat aangetrokken en dragen armbanden van zilver en hun Heer geeft hun zuivere drank te drinken.

اِنَّ ہٰذَا کَانَ لَکُمۡ جَزَآءً وَّ کَانَ سَعۡیُکُمۡ مَّشۡکُوۡرًا ﴿٪۲۲﴾

076.022 Inna hatha kana lakum jazaan wakana saAAyukum mashkooran

22. (Hij zal zeggen): "Dit is uw loon, omdat uw streven waardevol was." "Dit is als beloning voor jullie en jullie worden bedankt voor wat jullie hebben nagestreefd."

اِنَّا نَحۡنُ نَزَّلۡنَا عَلَیۡکَ الۡقُرۡاٰنَ تَنۡزِیۡلًا ﴿ۚ۲۳﴾

076.023 Inna nahnu nazzalna AAalayka alqur-ana tanzeelan

23. Voorwaar, Wij hebben de Kuran aan u bij gedeelten geopenbaard. Wij hebben de Koran werkelijk tot jou neergezonden.

فَاصۡبِرۡ لِحُکۡمِ رَبِّکَ وَ لَا تُطِعۡ مِنۡہُمۡ اٰثِمًا اَوۡ کَفُوۡرًا ﴿ۚ۲۴﴾

076.024 Faisbir lihukmi rabbika wala tutiAA minhum athiman aw kafooran

24. Wees daarom geduldig volgens het gebod van uw Heer en gehoorzaam niemand die onder hen zondig of ongelovig is. Wacht dus geduldig het oordeel van jouw Heer af en gehoorzaam van hen geen zondaar of een ongelovige.

وَ اذۡکُرِ اسۡمَ رَبِّکَ بُکۡرَۃً وَّ اَصِیۡلًا ﴿ۖۚ۲۵﴾

076.025 Waothkuri isma rabbika bukratan waaseelan

25. En gedenk de naam van uw Heer 's morgens en 's avonds. En gedenk de naam van jouw Heer 's ochtends en 's avonds.

وَ مِنَ الَّیۡلِ فَاسۡجُدۡ لَہٗ وَ سَبِّحۡہُ لَیۡلًا طَوِیۡلًا ﴿۲۶﴾

076.026 Wamina allayli faosjud lahu wasabbihhu laylan taweelan

26. En aanbid Hem gedurende (een deel) van de nacht en prijs Zijn eer gedurende een groot deel ervan. En een deel van de nacht, buig je dan eerbiedig voor Hem neer en prijs Hem de nacht lang.

اِنَّ ہٰۤؤُلَآءِ یُحِبُّوۡنَ الۡعَاجِلَۃَ وَ یَذَرُوۡنَ وَرَآءَہُمۡ یَوۡمًا ثَقِیۡلًا ﴿۲۷﴾

076.027 Inna haola-i yuhibboona alAAajilata wayatharoona waraahum yawman thaqeelan

27. Waarlijk, de ongelovigen houden van de voorbijgaande wereld en denken niet aan de zware Dag (des Oordeels). Dezen hier beminnen het snel voorbijgaande en veronachtzamen een zware dag.

نَحۡنُ خَلَقۡنٰہُمۡ وَ شَدَدۡنَاۤ اَسۡرَہُمۡ ۚ وَ اِذَا شِئۡنَا بَدَّلۡنَاۤ اَمۡثَالَہُمۡ تَبۡدِیۡلًا ﴿۲۸﴾

076.028 Nahnu khalaqnahum washadadna asrahum wa-itha shi/na baddalna amthalahum tabdeelan

28. Wij zijn het Die hen geschapen hebben en hun lichaamsbouw hebben gesterkt. En indien Wij willen, kunnen Wij hen door gelijksoortige schepselen vervangen. Wij hebben hen geschapen en hun kracht gegeven en wanneer Wij willen vervangen Wij hen door gelijksoortigen.

اِنَّ ہٰذِہٖ تَذۡکِرَۃٌ ۚ فَمَنۡ شَآءَ اتَّخَذَ اِلٰی رَبِّہٖ سَبِیۡلًا ﴿۲۹﴾

076.029 Inna hathihi tathkiratun faman shaa ittakhatha ila rabbihi sabeelan

29. Voorwaar, dit is een vermaning. Wie het daarom wenst, kieze een weg die tot zijn Heer leidt. Dit is een vermaning en wie wil slaat de weg naar zijn Heer in.

وَ مَا تَشَآءُوۡنَ اِلَّاۤ اَنۡ یَّشَآءَ اللّٰہُ ؕ اِنَّ اللّٰہَ کَانَ عَلِیۡمًا حَکِیۡمًا ﴿٭ۖ۳۰﴾

076.030 Wama tashaoona illa an yashaa Allahu inna Allaha kana AAaleeman hakeeman

30. En u zult niets anders willen dan hetgeen Allah wil. Voorwaar, Allah is Alwetend, Alwijs. Maar jullie willen het slechts als Allah het wil. Allah is wetend en wijs.

یُّدۡخِلُ مَنۡ یَّشَآءُ فِیۡ رَحۡمَتِہٖ ؕ وَ الظّٰلِمِیۡنَ اَعَدَّ لَہُمۡ عَذَابًا اَلِیۡمًا ﴿٪۳۱﴾

076.031 Yudkhilu man yashao fee rahmatihi waalththalimeena aAAadda lahum AAathaban aleeman

31. Hij laat tot Zijn barmhartigheid ingaan wie Hij wil, en voor de onrechtvaardigen heeft Hij een pijnlijke straf bereid. Hij laat wie Hij wil in Zijn barmhartigheid binnengaan. En de onrechtplegers, voor hen heeft Hij een pijnlijke bestraffing klaargemaakt.


www.kuran.nl