An-Naziaat

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

وَ النّٰزِعٰتِ غَرۡقًا ۙ﴿۱﴾

079.001 WaalnnaziAAati gharqan

1. Bij hen die zich volledig inspannen, Bij de heftige losrukkers!

وَّ النّٰشِطٰتِ نَشۡطًا ۙ﴿۲﴾

079.002 Waalnnashitati nashtan

2. En bij hen die hun werk met vreugde verrichten, Bij de vlugge uittrekkers!

وَّ السّٰبِحٰتِ سَبۡحًا ۙ﴿۳﴾

079.003 Waalssabihati sabhan

3. En bij hen die snelle vorderingen maken. Bij de zwevende zwevers!

فَالسّٰبِقٰتِ سَبۡقًا ۙ﴿۴﴾

079.004 Faalssabiqati sabqan

4. En bij hen die de eersten willen zijn En bij de snelle voortspoeders!

فَالۡمُدَبِّرٰتِ اَمۡرًا ۘ﴿۵﴾

079.005 Faalmudabbirati amran

5. En bij hen die de zaak regelen. En bij hen die een bevel uitvoeren!

یَوۡمَ تَرۡجُفُ الرَّاجِفَۃُ ۙ﴿۶﴾

079.006 Yawma tarjufu alrrajifatu

6. De Dag waarop de bevende (aarde) zal beven, Op de dag dat de bevende zal beven,

تَتۡبَعُہَا الرَّادِفَۃُ ؕ﴿۷﴾

079.007 TatbaAAuha alrradifatu

7. Hierop zal volgen, wat volgen moet. waar de volgende direct achteraan komt;

قُلُوۡبٌ یَّوۡمَئِذٍ وَّاجِفَۃٌ ۙ﴿۸﴾

079.008 Quloobun yawma-ithin wajifatun

8. Op die Dag zullen de harten kloppen. harten zullen op die dag bonzen,

اَبۡصَارُہَا خَاشِعَۃٌ ۘ﴿۹﴾

079.009 Absaruha khashiAAatun

9. En de ogen zullen nedergeslagen zijn. hun ogen zijn neergeslagen.

یَقُوۡلُوۡنَ ءَاِنَّا لَمَرۡدُوۡدُوۡنَ فِی الۡحَافِرَۃِ ﴿ؕ۱۰﴾

079.010 Yaqooloona a-inna lamardoodoona fee alhafirati

10. Zij (de ongelovigen) zeggen: "Zullen wij werkelijk tot onze vroegere toestand worden teruggebracht, Zij zullen zeggen: "Worden wij echt in onze vroegere toestand teruggebracht?

ءَ اِذَا کُنَّا عِظَامًا نَّخِرَۃً ﴿ؕ۱۱﴾

079.011 A-itha kunna AAithaman nakhiratan

11. Zelfs al zijn wij vergane beenderen geworden?" Ook als wij vermolmde beenderen zijn geworden?"

قَالُوۡا تِلۡکَ اِذًا کَرَّۃٌ خَاسِرَۃٌ ﴿ۘ۱۲﴾

079.012 Qaloo tilka ithan karratun khasiratun

12. Zij zeggen: "Dan zou deze opstanding een ondergang zijn." Zij zeggen: "Dat is dan een terugkeer met verlies!"

فَاِنَّمَا ہِیَ زَجۡرَۃٌ وَّاحِدَۃٌ ﴿ۙ۱۳﴾

079.013 Fa-innama hiya zajratun wahidatun

13. Daar is slechts één dreigende roep. Dan klinkt slechts één afschrikkende kreet

فَاِذَا ہُمۡ بِالسَّاہِرَۃِ ﴿ؕ۱۴﴾

079.014 Fa-itha hum bialssahirati

14. En ziet, zij zijn opgewekt. en dan staan zij al op het aardoppervlak.

ہَلۡ اَتٰىکَ حَدِیۡثُ مُوۡسٰی ﴿ۘ۱۵﴾

079.015 Hal ataka hadeethu moosa

15. Heeft het verhaal van Mozes u niet bereikt? Is het verhaal van Moesa tot jou gekomen?

اِذۡ نَادٰىہُ رَبُّہٗ بِالۡوَادِ الۡمُقَدَّسِ طُوًی ﴿ۚ۱۶﴾

079.016 Ith nadahu rabbuhu bialwadi almuqaddasi tuwan

16. Toen zijn Heer hem in het heilige dal van Towa toeriep, (zeggende): Toen zijn Heer in de geheiligde vallei Toewa tot hem riep:

اِذۡہَبۡ اِلٰی فِرۡعَوۡنَ اِنَّہٗ طَغٰی ﴿۫ۖ۱۷﴾

079.017 Ithhab ila firAAawna innahu tagha

17. "Ga naar Pharao; want hij is opstandig. "Ga heen naar Fir'aun -- hij is onbeschaamd --

فَقُلۡ ہَلۡ لَّکَ اِلٰۤی اَنۡ تَزَکّٰی ﴿ۙ۱۸﴾

079.018 Faqul hal laka ila an tazakka

18. En zeg tot hem: Zoudt u willen reinigen? en zeg: 'Zou jij je niet willen louteren?

وَ اَہۡدِیَکَ اِلٰی رَبِّکَ فَتَخۡشٰی ﴿ۚ۱۹﴾

079.019 Waahdiyaka ila rabbika fatakhsha

19. En ik zal u tot uw Heer leiden opdat u Hem moogt vrezen." Dan zal ik jou naar mijn Heer leiden zodat jij [Hem] zult vrezen.?"

فَاَرٰىہُ الۡاٰیَۃَ الۡکُبۡرٰی ﴿۫ۖ۲۰﴾

079.020 Faarahu al-ayata alkubra<

20. Toen toonde hij hem (Pharao) het grote teken, Toen liet hij hem het grootste teken zien.

فَکَذَّبَ وَ عَصٰی ﴿۫ۖ۲۱﴾

079.021 Fakaththaba waAAasa

21. Maar deze verwierp het en gehoorzaamde niet; Maar hij loochende het en was weerspannig.

ثُمَّ اَدۡبَرَ یَسۡعٰی ﴿۫ۖ۲۲﴾

079.022 Thumma adbara yasAAa

22. Maar wendde zich daarna haastig af. Toen keerde hij het snel de rug toe.

فَحَشَرَ فَنَادٰی ﴿۫ۖ۲۳﴾

079.023 Fahashara fanada

23. En hij (Pharao) verzamelde de zijnen en riep uit: En hij riep een bijeenkomst samen en deed een afkondiging;

فَقَالَ اَنَا رَبُّکُمُ الۡاَعۡلٰی ﴿۫ۖ۲۴﴾

079.024 Faqala ana rabbukumu al-aAAla

24. (Zeggende), "Ik ben uw Heer de Allerhoogste." hij zei: "Ik ben jullie hoogste heer."

فَاَخَذَہُ اللّٰہُ نَکَالَ الۡاٰخِرَۃِ وَ الۡاُوۡلٰی ﴿ؕ۲۵﴾

079.025 Faakhathahu Allahu nakala al-akhirati waal-oola

25. Daarop greep Allah hem aan met een voorbeeldige straf voor de toekomst en voor die tijd. Toen greep Allah hem door aan hem de straf van het hiernamaals en die van het tegenwoordige bestaan te voltrekken.

اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَعِبۡرَۃً لِّمَنۡ یَّخۡشٰی ﴿ؕ٪۲۶﴾

079.026 Inna fee thalika laAAibratan liman yakhsha

26. Waarlijk daarin is een les voor hem die vreest. Daarin is een les voor wie vreest.

ءَاَنۡتُمۡ اَشَدُّ خَلۡقًا اَمِ السَّمَآءُ ؕ بَنٰہَا ﴿ٝ۲۷﴾

079.027 Aantum ashaddu khalqan ami alssamao banaha

27. Bent u moeilijker te scheppen dan de hemel die Hij heeft gebouwd? Zijn jullie moeilijker te scheppen of de hemel die Hij gebouwd heeft?

رَفَعَ سَمۡکَہَا فَسَوّٰىہَا ﴿ۙ۲۸﴾

079.028 RafaAAa samkaha fasawwaha

28. Hij verhief hem hoog en maakte hem volmaakt. Hij heeft het dak ervan omhoog geheven en heeft hem gefatsoeneerd.

وَ اَغۡطَشَ لَیۡلَہَا وَ اَخۡرَجَ ضُحٰہَا ﴿۪۲۹﴾

079.029 Waaghtasha laylaha waakhraja duhaha

29. En Hij maakte de nacht donker en bracht het daglicht voort; Hij heeft de nacht ervan donker gemaakt en het heldere daglicht ervan tevoorschijn gebracht.

وَ الۡاَرۡضَ بَعۡدَ ذٰلِکَ دَحٰىہَا ﴿ؕ۳۰﴾

079.030 Waal-arda baAAda thalika dahaha<

30. En ook de aarde spreidde hij uit. En de aarde spreidde Hij daarna uit.

اَخۡرَجَ مِنۡہَا مَآءَہَا وَ مَرۡعٰہَا ﴿۪۳۱﴾

079.031 Akhraja minha maaha wamarAAaha

31. Daaruit bracht Hij water en weide voort. Hij bracht haar water en haar weiden tevoorschijn

وَ الۡجِبَالَ اَرۡسٰہَا ﴿ۙ۳۲﴾

079.032 Waaljibala arsaha

32. En Hij maakte de bergen onwrikbaar. en de bergen heeft hij stevig aangebracht,

مَتَاعًا لَّکُمۡ وَ لِاَنۡعَامِکُمۡ ﴿ؕ۳۳﴾

079.033 MataAAan lakum wali-anAAamikum

33. Een voorziening voor u en voor uw vee. als vruchtgebruik voor jullie en jullie vee.

فَاِذَا جَآءَتِ الطَّآمَّۃُ الۡکُبۡرٰی ﴿۫ۖ۳۴﴾

079.034 Fa-itha jaati alttammatu alkubra

34. Maar als de grote ramp zal komen, En wanneer dan de overstelpende catastrofe komt,

یَوۡمَ یَتَذَکَّرُ الۡاِنۡسَانُ مَا سَعٰی ﴿ۙ۳۵﴾

079.035 Yawma yatathakkaru al-insanu ma saAAa

35. De Dag waarop de mens zich zal herinneren hetgeen hij heeft gedaan, op de dag dat de mens zich herinnert wat hij heeft nagejaagd,

وَ بُرِّزَتِ الۡجَحِیۡمُ لِمَنۡ یَّرٰی ﴿۳۶﴾

079.036 Waburrizati aljaheemu liman yara

36. En de hel zal zichtbaar gemaakt worden voor hem die ziet. en het hellevuur onthuld wordt voor wie zien kan,

فَاَمَّا مَنۡ طَغٰی ﴿ۙ۳۷﴾

079.037 Faamma man tagha

37. Dan zal (voor hem) die opstandig is geweest, dan zal voor wie onbeschaamd was

وَ اٰثَرَ الۡحَیٰوۃَ الدُّنۡیَا ﴿ۙ۳۸﴾

079.038 Waathara alhayata alddunya

38. En die het leven dezer wereld verkoos, en het tegenwoordige leven verkoos

فَاِنَّ الۡجَحِیۡمَ ہِیَ الۡمَاۡوٰی ﴿ؕ۳۹﴾

079.039 Fa-inna aljaheema hiya alma/wa

39. Brandend Vuur zijn tehuis zijn. het hellevuur de verblijfplaats zijn.

وَ اَمَّا مَنۡ خَافَ مَقَامَ رَبِّہٖ وَ نَہَی النَّفۡسَ عَنِ الۡہَوٰی ﴿ۙ۴۰﴾

079.040 Waama man khafa maqama rabbihi wanaha alnnafsa AAani alhawa<

40. Maarvoor hem die vreesde voor zijn Heer te staan, en die zijn ziel van begeerten onthield, Maar dan zal voor wie vreesde om voor zijn Heer te staan en zich zijn persoonlijke neigingen ontzegde

فَاِنَّ الۡجَنَّۃَ ہِیَ الۡمَاۡوٰی ﴿ؕ۴۱﴾

079.041 Fa-inna aljannata hiya alma/wa

41. Zal het paradijs zeker zijn verblijf zijn. de tuin de verblijfplaats zijn.

یَسۡـَٔلُوۡنَکَ عَنِ السَّاعَۃِ اَیَّانَ مُرۡسٰہَا ﴿ؕ۴۲﴾

079.042 Yas-aloonaka AAani alssaAAati ayyana mursaha

42. Zij vragen u omtrent het Uur: "Wanneer zal het komen?" Zij vragen jou naar het uur, voor wanneer het is vastgesteld.

فِیۡمَ اَنۡتَ مِنۡ ذِکۡرٰىہَا ﴿ؕ۴۳﴾

079.043 Feema anta min thikraha

43. Maar datgene waarmede u bezighoudt Hoe kun jij dat nu noemen?

اِلٰی رَبِّکَ مُنۡتَہٰىہَا ﴿ؕ۴۴﴾

079.044 Ila rabbika muntahaha

44. De uitkomst daarvan is bij uw Heer. De uiteindelijke kennis berust bij jouw Heer.

اِنَّمَاۤ اَنۡتَ مُنۡذِرُ مَنۡ یَّخۡشٰہَا ﴿ؕ۴۵﴾

079.045 Innama anta munthiru man yakhshaha

45. U bent slechts een waarschuwer voor hem die vreest. Jij bent slechts een waarschuwer voor wie er bang voor zijn.

کَاَنَّہُمۡ یَوۡمَ یَرَوۡنَہَا لَمۡ یَلۡبَثُوۡۤا اِلَّا عَشِیَّۃً اَوۡ ضُحٰہَا ﴿٪۴۶﴾

079.046 Kaannahum yawma yarawnaha lam yalbathoo illa AAashiyyatan aw duhaha

46. Op de dag waarop zij dit zullen zien, (zal het zijn) alsof zij slechts een avond of een morgen (op de aarde) hadden vertoefd. En op de dag dat zij het zien zal het zijn alsof het voor hen niet langer dan een avond of de morgen erna geduurd heeft.


www.kuran.nl