Abasa

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

عَبَسَ وَ تَوَلّٰۤی ۙ﴿۱﴾

080.001 AAabasa watawalla

1. Hij (de profeet) fronste (zijn voorhoofd) en wendde zich af. Hij fronste en keerde zich af

اَنۡ جَآءَہُ الۡاَعۡمٰی ؕ﴿۲﴾

080.002 An jaahu al-aAAma

2. Omdat er een blinde man tot hem kwam. toen de blinde man bij hem kwam.

وَ مَا یُدۡرِیۡکَ لَعَلَّہٗ یَزَّکّٰۤی ۙ﴿۳﴾

080.003 Wama yudreeka laAAallahu yazzakka

3. (Mens) wat weet u? Misschien wilde hij zich laten louteren. Maar hoe kun jij het weten, misschien dat hij zich loutert

اَوۡ یَذَّکَّرُ فَتَنۡفَعَہُ الذِّکۡرٰی ؕ﴿۴﴾

080.004 Aw yaththakkaru fatanfaAAahu alththikra

4. Of hij kon om raad komen, en die raad zou hem van nut kunnen zijn. of zich Iaat vermanen, zodat de vermaning hem baat.

اَمَّا مَنِ اسۡتَغۡنٰی ۙ﴿۵﴾

080.005 Amma mani istaghna

5. Maar aan hem, die onverschillig is Maar de zelfgenoegzame rijke

فَاَنۡتَ لَہٗ تَصَدّٰی ؕ﴿۶﴾

080.006 Faanta lahu tasadda

6. Schenkt u uw aandacht, aan hem wijd je alle tijd.

وَ مَا عَلَیۡکَ اَلَّا یَزَّکّٰی ؕ﴿۷﴾

080.007 Wama AAalayka alla yazzakka

7. Hoewel u er niet voor aansprakelijk bent als hij zich niet loutert. Toch deert het jou niet dat hij zich niet loutert.

وَ اَمَّا مَنۡ جَآءَکَ یَسۡعٰی ۙ﴿۸﴾

080.008 Waamma man jaaka yasAAa

8. Maar hij die zich tot u haast, Maar wie op jou toe komt snellen

وَ ہُوَ یَخۡشٰی ۙ﴿۹﴾

080.009 Wahuwa yakhsha

9. En Allah vreest, en daarbij vol vrees is,

فَاَنۡتَ عَنۡہُ تَلَہّٰی ﴿ۚ۱۰﴾

080.010 Faanta AAanhu talahha

10. Voor hem bent u onverschillig. aan hem schenk jij geen aandacht.

کَلَّاۤ اِنَّہَا تَذۡکِرَۃٌ ﴿ۚ۱۱﴾

080.011 Kalla innaha tathkiratun

11. Nee! Voorwaar, het is een vermaning. Nee toch, zij zijn een vermaning!

فَمَنۡ شَآءَ ذَکَرَہٗ ﴿ۘ۱۲﴾

080.012 Faman shaa thakarahu

12. Dus, wie het wil, laat hem er lering uit trekken. Dus, wie wil denkt eraan,

فِیۡ صُحُفٍ مُّکَرَّمَۃٍ ﴿ۙ۱۳﴾

080.013 Fee suhufin mukarramatin

13. (Dit is) in verheven geschriften, [geschreven als zij zijn] op vereerde bladen,

مَّرۡفُوۡعَۃٍ مُّطَہَّرَۃٍۭ ﴿ۙ۱۴﴾

080.014 MarfooAAatin mutahharatin

14. Hoogstaand en rein, die verheven zijn en reingemaakt,

بِاَیۡدِیۡ سَفَرَۃٍ ﴿ۙ۱۵﴾

080.015 Bi-aydee safaratin

15. In de handen van schrijvers, met de hand van schrijvers,

کِرَامٍۭ بَرَرَۃٍ ﴿ؕ۱۶﴾

080.016 Kiramin bararatin

16. Edel, deugdzaam. die edel zijnen vroom.

قُتِلَ الۡاِنۡسَانُ مَاۤ اَکۡفَرَہٗ ﴿ؕ۱۷﴾

080.017 Qutila al-insanu ma akfarahu

17. Wee de mens! Hoe ondankbaar is hij! De mens kan doodvallen, ondankbaar als hij is.

مِنۡ اَیِّ شَیۡءٍ خَلَقَہٗ ﴿ؕ۱۸﴾

080.018 Min ayyi shay-in khalaqahu

18. Waaruit heeft Hij hem geschapen? Waaruit heeft Hij hem geschapen?

مِنۡ نُّطۡفَۃٍ ؕ خَلَقَہٗ فَقَدَّرَہٗ ﴿ۙ۱۹﴾

080.019 Min nutfatin khalaqahu faqaddarahu

19. Uit een kleine levenskiem schept Hij hem en stelt zijn verhoudingen vast. Uit een druppel heeft Hij hem geschapen en toen heeft Hij zijn maat bepaald.

ثُمَّ السَّبِیۡلَ یَسَّرَہٗ ﴿ۙ۲۰﴾

080.020 Thumma alssabeela yassarahu

20. Dan effent Hij de weg voor hem, Dan heeft Hij de weg voor hem gebaand.

ثُمَّ اَمَاتَہٗ فَاَقۡبَرَہٗ ﴿ۙ۲۱﴾

080.021 Thumma amatahu faaqbarahu

21. Dan doet Hij hem sterven en geeft hem aan het graf over, Dan laat Hij hem sterven en begraaft hem.

ثُمَّ اِذَا شَآءَ اَنۡشَرَہٗ ﴿ؕ۲۲﴾

080.022 Thumma itha shaa ansharahu

22. Dan, wanneer Hij wil, zal Hij hem weer opwekken. Dan, wanneer Hij wil, wekt Hij hem op.

کَلَّا لَمَّا یَقۡضِ مَاۤ اَمَرَہٗ ﴿ؕ۲۳﴾

080.023 Kalla lamma yaqdi ma amarahu

23. Nee, hij heeft hetgeen Hij hem gebood, niet volbracht. Welnee, hij heeft nog niets uitgevoerd van wat Hij geboden heeft.

فَلۡیَنۡظُرِ الۡاِنۡسَانُ اِلٰی طَعَامِہٖۤ ﴿ۙ۲۴﴾

080.024 Falyanthuri al-insanu ila taAAamihi

24. Laat nu de mens naar zijn voedsel zien; De mens moet maar eens zijn voedsel bekijken.

اَنَّا صَبَبۡنَا الۡمَآءَ صَبًّا ﴿ۙ۲۵﴾

080.025 Anna sababna almaa sabban

25. Hoe Wij water doen neerstromen, Dat Wij het water in gutsen uitgieten,

ثُمَّ شَقَقۡنَا الۡاَرۡضَ شَقًّا ﴿ۙ۲۶﴾

080.026 Thumma shaqaqna al-arda shaqqan

26. Dan de aarde splijten, dan de aarde in voren openbreken

فَاَنۡۢبَتۡنَا فِیۡہَا حَبًّا ﴿ۙ۲۷﴾

080.027 Faanbatna feeha habban

27. En graan daaruit doen groeien. en dan erin laten ontspruiten: graan,

وَّ عِنَبًا وَّ قَضۡبًا ﴿ۙ۲۸﴾

080.028 WaAAinaban waqadban

28. Ook druiven en groenten, wijnstokken en voedergewassen,

وَّ زَیۡتُوۡنًا وَّ نَخۡلًا ﴿ۙ۲۹﴾

080.029 Wazaytoonan wanakhlan

29. En de olijfboom en de dadelpalm. olijfbomen en palmen,

وَّ حَدَآئِقَ غُلۡبًا ﴿ۙ۳۰﴾

080.030 Wahada-iqa ghulban

30. En tuinen, dicht beplant. in dichtbegroeide boomgaarden,

وَّ فَاکِہَۃً وَّ اَبًّا ﴿ۙ۳۱﴾

080.031 Wafakihatan waabban

31. En vruchten en weiden, vruchten en foerage,

مَّتَاعًا لَّکُمۡ وَ لِاَنۡعَامِکُمۡ ﴿ؕ۳۲﴾

080.032 MataAAan lakum wali-anAAamikum

32. Voorziening voor u en uw vee! als vruchtgebruik voor jullie en jullie vee.

فَاِذَا جَآءَتِ الصَّآخَّۃُ ﴿۫۳۳﴾

080.033 Fa-itha jaati alssakhkhatu

33. Maar als de oorverdovende roep komt, En wanneer dan de overdonderende komt

یَوۡمَ یَفِرُّ الۡمَرۡءُ مِنۡ اَخِیۡہِ ﴿ۙ۳۴﴾

080.034 Yawma yafirru almaro min akheehi

34. De Dag waarop een man van zijn broeder vlucht, op de dag dat de man voor zijn broer vlucht

وَ اُمِّہٖ وَ اَبِیۡہِ ﴿ۙ۳۵﴾

080.035 Waommihi waabeehi

35. En van zijn moeder en zijn vader, en voor zijn vader en zijn moeder

وَ صَاحِبَتِہٖ وَ بَنِیۡہِ ﴿ؕ۳۶﴾

080.036 Wasahibatihi wabaneehi

36. En van zijn vrouw en zijn kinderen, en voor zijn metgezellin en zijn zonen,

لِکُلِّ امۡرِیًٔ مِّنۡہُمۡ یَوۡمَئِذٍ شَاۡنٌ یُّغۡنِیۡہِ ﴿ؕ۳۷﴾

080.037 Likulli imri-in minhum yawma-ithin sha/nun yughneehi

37. Op die Dag zal een ieder een aangeiegenheid hebben die hem bezig zal houden. op die dag heeft elk van hen een zaak die hem bezighoudt.

وُجُوۡہٌ یَّوۡمَئِذٍ مُّسۡفِرَۃٌ ﴿ۙ۳۸﴾

080.038 Wujoohun yawma-ithin musfiratun

38. Op die Dag zullen sommige gezichten stralend zijn, Gezichten zullen er op die dag stralend zijn,

ضَاحِکَۃٌ مُّسۡتَبۡشِرَۃٌ ﴿ۚ۳۹﴾

080.039 Dahikatun mustabshiratun

39. Lachend, vrolijk! lachend en verheugd.

وَ وُجُوۡہٌ یَّوۡمَئِذٍ عَلَیۡہَا غَبَرَۃٌ ﴿ۙ۴۰﴾

080.040 Wawujoohun yawma-ithin AAalayha ghabaratun

40. En op andere gezichten zal op die Dag stof liggen. En gezichten zullen er op die dag zijn met stof erop

تَرۡہَقُہَا قَتَرَۃٌ ﴿ؕ۴۱﴾

080.041 Tarhaquha qataratun

41. Duisternis zal hen bedekken. en met grauwheid overdekt.

اُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡکَفَرَۃُ الۡفَجَرَۃُ ﴿٪۴۲﴾

080.042 Ola-ika humu alkafaratu alfajaratu

42. Dat zijn de ongelovigen, de slechten. Dat zijn zij, de ongelovigen, de overtreders.


www.kuran.nl