11 Ya' Tadzi Runa

یَعۡتَذِرُوۡنَ اِلَیۡکُمۡ اِذَا رَجَعۡتُمۡ اِلَیۡہِمۡ ؕ قُلۡ لَّا تَعۡتَذِرُوۡا لَنۡ نُّؤۡمِنَ لَکُمۡ قَدۡ نَبَّاَنَا اللّٰہُ مِنۡ اَخۡبَارِکُمۡ ؕ وَ سَیَرَی اللّٰہُ عَمَلَکُمۡ وَ رَسُوۡلُہٗ ثُمَّ تُرَدُّوۡنَ اِلٰی عٰلِمِ الۡغَیۡبِ وَ الشَّہَادَۃِ فَیُنَبِّئُکُمۡ بِمَا کُنۡتُمۡ تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۹۴﴾

009.094 YaAAtathiroona ilaykum itha rajaAAtum ilayhim qul la taAAtathiroo lan nu/mina lakum qad nabbaana Allahu min akhbarikum wasayara Allahu AAamalakum warasooluhu thumma turaddoona ila AAalimi alghaybi waalshshahadati fayunabbi-okum bima kuntum taAAmaloona

Zij verontschuldigen zich bij jou wanneer jij tot hen terugkeert. Zeg: "Verontschuldigt jullie niet, wij zullen jullie niet geloven. Allah heeft enkele berichten over jullie meegedeeld." Allah zal zien wat jullie doen en Zijn gezant ook en daarna zullen jullie tot de kenner van het verborgene en het waarneembare worden teruggebracht. Hij zal jullie dan meedelen wat jullie aan het doen waren.


سَیَحۡلِفُوۡنَ بِاللّٰہِ لَکُمۡ اِذَا انۡقَلَبۡتُمۡ اِلَیۡہِمۡ لِتُعۡرِضُوۡا عَنۡہُمۡ ؕ فَاَعۡرِضُوۡا عَنۡہُمۡ ؕ اِنَّہُمۡ رِجۡسٌ ۫ وَّ مَاۡوٰىہُمۡ جَہَنَّمُ ۚ جَزَآءًۢ بِمَا کَانُوۡا یَکۡسِبُوۡنَ ﴿۹۵﴾

009.095 Sayahlifoona biAllahi lakum itha inqalabtum ilayhim lituAAridoo AAanhum faaAAridoo AAanhum innahum rijsun wama/wahum jahannamu jazaan bima kanoo yaksiboona

Zij zullen jullie bij Allah bezweren, wanneer jullie tot hen weeromkeren, om hen met rust te laten. Laat hen maar met rust; zij zijn een gruwel en hun verblijfplaats is de hel als vergelding voor wat zij begaan hebben.


یَحۡلِفُوۡنَ لَکُمۡ لِتَرۡضَوۡا عَنۡہُمۡ ۚ فَاِنۡ تَرۡضَوۡا عَنۡہُمۡ فَاِنَّ اللّٰہَ لَا یَرۡضٰی عَنِ الۡقَوۡمِ الۡفٰسِقِیۡنَ ﴿۹۶﴾

009.096 Yahlifoona lakum litardaw AAanhum fa-in tardaw AAanhum fa-inna Allaha la yarda AAani alqawmi alfasiqeena

Zij bezweren jullie opdat zij jullie bevallen. Maar al bevallen zij jullie, de verdorven mensen bevallen Allah niet.


اَلۡاَعۡرَابُ اَشَدُّ کُفۡرًا وَّ نِفَاقًا وَّ اَجۡدَرُ اَلَّا یَعۡلَمُوۡا حُدُوۡدَ مَاۤ اَنۡزَلَ اللّٰہُ عَلٰی رَسُوۡلِہٖ ؕ وَ اللّٰہُ عَلِیۡمٌ حَکِیۡمٌ ﴿۹۷﴾

009.097 Al-aAArabu ashaddu kufran wanifaqan waajdaru alla yaAAlamoo hudooda ma anzala Allahu AAala rasoolihi waAllahu AAaleemun hakeemun

De bedoeÔenen zijn het meest ongelovig en huichelachtig en het meest geŽigend om de bepalingen niet te kennen van wat Allah tot Zijn gezant heeft neergezonden. Allah is wetend en wijs.


وَ مِنَ الۡاَعۡرَابِ مَنۡ یَّتَّخِذُ مَا یُنۡفِقُ مَغۡرَمًا وَّ یَتَرَبَّصُ بِکُمُ الدَّوَآئِرَ ؕ عَلَیۡہِمۡ دَآئِرَۃُ السَّوۡءِ ؕ وَ اللّٰہُ سَمِیۡعٌ عَلِیۡمٌ ﴿۹۸﴾

009.098 Wamina al-aAArabi man yattakhithu ma yunfiqu maghraman wayatarabbasu bikumu alddawa-ira AAalayhim da-iratu alssaw-i waAllahu sameeAAun AAaleemun

Onder de bedoeÔenen zijn er die wat zij als bijdragen geven opvatten als boeteheffing en zij wachten op de wendingen van het lot voor jullie. Voor hen is de wending ten slechte! Allah is horend en wetend.


وَ مِنَ الۡاَعۡرَابِ مَنۡ یُّؤۡمِنُ بِاللّٰہِ وَ الۡیَوۡمِ الۡاٰخِرِ وَ یَتَّخِذُ مَا یُنۡفِقُ قُرُبٰتٍ عِنۡدَ اللّٰہِ وَ صَلَوٰتِ الرَّسُوۡلِ ؕ اَلَاۤ اِنَّہَا قُرۡبَۃٌ لَّہُمۡ ؕ سَیُدۡخِلُہُمُ اللّٰہُ فِیۡ رَحۡمَتِہٖ ؕ اِنَّ اللّٰہَ غَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿٪۹۹﴾

009.099 Wamina al-aAArabi man yu/minu biAllahi waalyawmi al-akhiri wayattakhithu ma yunfiqu qurubatin AAinda Allahi wasalawati alrrasooli ala innaha qurbatun lahum sayudkhiluhumu Allahu fee rahmatihi inna Allaha ghafoorun raheemun

Onder de bedoeÔenen zijn er ook die in Allah en de laatste dag geloven en die wat zij als bijdragen geven opvatten als middelen om nader tot Allah te komen en de gebeden van de gezant te verkrijgen; die zijn ook een middel voor hen om nader [tot Allah] te komen. Allah zal hen in Zijn barmhartigheid laten binnengaan. Allah is vergevend en barmhartig.


وَ السّٰبِقُوۡنَ الۡاَوَّلُوۡنَ مِنَ الۡمُہٰجِرِیۡنَ وَ الۡاَنۡصَارِ وَ الَّذِیۡنَ اتَّبَعُوۡہُمۡ بِاِحۡسَانٍ ۙ رَّضِیَ اللّٰہُ عَنۡہُمۡ وَ رَضُوۡا عَنۡہُ وَ اَعَدَّ لَہُمۡ جَنّٰتٍ تَجۡرِیۡ تَحۡتَہَا الۡاَنۡہٰرُ خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَاۤ اَبَدًا ؕ ذٰلِکَ الۡفَوۡزُ الۡعَظِیۡمُ ﴿۱۰۰﴾

009.100 Waalssabiqoona al-awwaloona mina almuhajireena waal-ansari waallatheena ittabaAAoohum bi-ihsanin radiya Allahu AAanhum waradoo AAanhu waaAAadda lahum jannatin tajree tahtaha al-anharu khalideena feeha abadan thalika alfawzu alAAatheemu

De allereersten van de uitgewekenen en van de meehelpers en zij die hen nagevolgd zijn in goed doen, Allah is met hen ingenomen en zij zijn met Hem ingenomen en Hij heeft voor hen tuinen klaargemaakt waar de rivieren onderdoor stromen, daarin zullen zij voor immer en altijd blijven. Dat is de geweldige triomf!


وَ مِمَّنۡ حَوۡلَکُمۡ مِّنَ الۡاَعۡرَابِ مُنٰفِقُوۡنَ ؕۛ وَ مِنۡ اَہۡلِ الۡمَدِیۡنَۃِ ۟ۛؔ مَرَدُوۡا عَلَی النِّفَاقِ ۟ لَا تَعۡلَمُہُمۡ ؕ نَحۡنُ نَعۡلَمُہُمۡ ؕ سَنُعَذِّبُہُمۡ مَّرَّتَیۡنِ ثُمَّ یُرَدُّوۡنَ اِلٰی عَذَابٍ عَظِیۡمٍ ﴿۱۰۱﴾ۚ

009.101 Wamimman hawlakum mina al-aAArabi munafiqoona wamin ahli almadeenati maradoo AAala alnnifaqi la taAAlamuhum nahnu naAAlamuhum sanuAAaththibuhum marratayni thumma yuraddoona ila AAathabin AAatheemin

En onder de bedoeÔenen uit jullie omgeving zijn er huichelaars en onder de mensen van Medina zijn er voor wie huichelarij gewoon geworden is. Jullie kennen hen niet maar Wij kennen hen. Wij zullen hen tweemaal bestraffen en dan zullen zij tot een geweldige bestraffing teruggebracht worden.


وَ اٰخَرُوۡنَ اعۡتَرَفُوۡا بِذُنُوۡبِہِمۡ خَلَطُوۡا عَمَلًا صَالِحًا وَّ اٰخَرَ سَیِّئًا ؕ عَسَی اللّٰہُ اَنۡ یَّتُوۡبَ عَلَیۡہِمۡ ؕ اِنَّ اللّٰہَ غَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۱۰۲﴾

009.102 Waakharoona iAAtarafoo bithunoobihim khalatoo AAamalan salihan waakhara sayyi-an AAasa Allahu an yatooba AAalayhim inna Allaha ghafoorun raheemun

En anderen die hun zonden bekennen, zij vermengen een deugdelijke daad met een andere die slecht is; misschien dat Allah zich genadig tot hen wendt. Allah is vergevend en barmhartig.


خُذۡ مِنۡ اَمۡوَالِہِمۡ صَدَقَۃً تُطَہِّرُہُمۡ وَ تُزَکِّیۡہِمۡ بِہَا وَ صَلِّ عَلَیۡہِمۡ ؕ اِنَّ صَلٰوتَکَ سَکَنٌ لَّہُمۡ ؕ وَ اللّٰہُ سَمِیۡعٌ عَلِیۡمٌ ﴿۱۰۳﴾

009.103 Khuth min amwalihim sadaqatan tutahhiruhum watuzakkeehim biha wasalli AAalayhim inna salataka sakanun lahum waAllahu sameeAAun AAaleemun

Neem van hun bezittingen een aalmoes waarmee jij hen zult reinigen en louteren en bid de salaat voor hen; jouw gebeden zijn een geruststelling voor hen en Allah is horend en wetend.


اَلَمۡ یَعۡلَمُوۡۤا اَنَّ اللّٰہَ ہُوَ یَقۡبَلُ التَّوۡبَۃَ عَنۡ عِبَادِہٖ وَ یَاۡخُذُ الصَّدَقٰتِ وَ اَنَّ اللّٰہَ ہُوَ التَّوَّابُ الرَّحِیۡمُ ﴿۱۰۴﴾

009.104 Alam yaAAlamoo anna Allaha huwa yaqbalu alttawbata AAan AAibadihi waya/khuthu alssadaqati waanna Allaha huwa alttawwabu alrraheemu

Weten zij dan niet dat Allah het is die het berouw van Zijn dienaren aanvaardt en de aalmoezen aanneemt en dat Allah de genadegever, de barmhartige is.


وَ قُلِ اعۡمَلُوۡا فَسَیَرَی اللّٰہُ عَمَلَکُمۡ وَ رَسُوۡلُہٗ وَ الۡمُؤۡمِنُوۡنَ ؕ وَ سَتُرَدُّوۡنَ اِلٰی عٰلِمِ الۡغَیۡبِ وَ الشَّہَادَۃِ فَیُنَبِّئُکُمۡ بِمَا کُنۡتُمۡ تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۱۰۵﴾ۚ

009.105 Waquli iAAmaloo fasayara Allahu AAamalakum warasooluhu waalmu/minoona wasaturaddoona ila AAalimi alghaybi waalshshahadati fayunabbi-okum bima kuntum taAAmaloona

En zeg: "Doet maar, Allah zal wel zien wat jullie doen en Zijn gezant en de gelovigen ook." En jullie zullen tot de kenner van het verborgene en het waarneembare worden teruggebracht. Hij zal jullie dan meedelen wat jullie aan het doen waren.


وَ اٰخَرُوۡنَ مُرۡجَوۡنَ لِاَمۡرِ اللّٰہِ اِمَّا یُعَذِّبُہُمۡ وَ اِمَّا یَتُوۡبُ عَلَیۡہِمۡ ؕ وَ اللّٰہُ عَلِیۡمٌ حَکِیۡمٌ ﴿۱۰۶﴾

009.106 Waakharoona murjawna li-amri Allahi imma yuAAaththibuhum wa-imma yatoobu AAalayhim waAllahu AAaleemun hakeemun

En anderen met betrekking tot wie wordt afgewacht tot Allah's beschikking. Of Hij bestraft hen, of Hij wendt zich genadig tot hen. Allah is wetend en wijs.


وَ الَّذِیۡنَ اتَّخَذُوۡا مَسۡجِدًا ضِرَارًا وَّ کُفۡرًا وَّ تَفۡرِیۡقًۢا بَیۡنَ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ وَ اِرۡصَادًا لِّمَنۡ حَارَبَ اللّٰہَ وَ رَسُوۡلَہٗ مِنۡ قَبۡلُ ؕ وَ لَیَحۡلِفُنَّ اِنۡ اَرَدۡنَاۤ اِلَّا الۡحُسۡنٰی ؕ وَ اللّٰہُ یَشۡہَدُ اِنَّہُمۡ لَکٰذِبُوۡنَ ﴿۱۰۷﴾

009.107 Waallatheena ittakhathoo masjidan diraran wakufran watafreeqan bayna almu/mineena wa-irsadan liman haraba Allaha warasoolahu min qablu walayahlifunna in aradna illa alhusna waAllahu yashhadu innahum lakathiboona

Zij die zich om tegen te werken en uit ongeloof een moskee maakten, om scheuring tussen de gelovigen te veroorzaken en als steunpunt voor hen die al eerder tegen Allah en Zijn gezant streden, zij zweren: "Wij wensten alleen maar het beste." Maar Allah getuigt dat zij leugenaars zijn.


لَا تَقُمۡ فِیۡہِ اَبَدًا ؕ لَمَسۡجِدٌ اُسِّسَ عَلَی التَّقۡوٰی مِنۡ اَوَّلِ یَوۡمٍ اَحَقُّ اَنۡ تَقُوۡمَ فِیۡہِ ؕ فِیۡہِ رِجَالٌ یُّحِبُّوۡنَ اَنۡ یَّتَطَہَّرُوۡا ؕ وَ اللّٰہُ یُحِبُّ الۡمُطَّہِّرِیۡنَ ﴿۱۰۸﴾

009.108 La taqum feehi abadan lamasjidun ossisa AAala alttaqwa min awwali yawmin ahaqqu an taqooma feehi feehi rijalun yuhibboona an yatatahharoo waAllahu yuhibbu almuttahhireena

Stel je daarin nooit op. Een moskee die vanaf de eerste dag op godvrezendheid gegrondvest is heeft er meer recht op dat jij je erin opstelt; daarin zijn er mannen die het lief is zich te reinigen. En Allah bemint hen die zich reinigen.


اَفَمَنۡ اَسَّسَ بُنۡیَانَہٗ عَلٰی تَقۡوٰی مِنَ اللّٰہِ وَ رِضۡوَانٍ خَیۡرٌ اَمۡ مَّنۡ اَسَّسَ بُنۡیَانَہٗ عَلٰی شَفَا جُرُفٍ ہَارٍ فَانۡہَارَ بِہٖ فِیۡ نَارِ جَہَنَّمَ ؕ وَ اللّٰہُ لَا یَہۡدِی الۡقَوۡمَ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۱۰۹﴾

009.109 Afaman assasa bunyanahu AAala taqwa mina Allahi waridwanin khayrun am man assasa bunyanahu AAala shafa jurufin harin fainhara bihi fee nari jahannama waAllahu la yahdee alqawma alththalimeena

Is dan iemand die zijn gebouw grondvest op vrees van Allah en welbehagen er beter aan toe of iemand die zijn gebouw grondvest op de rand van een afbrokkelende oever en er dan mee neerstort in het vuur van de hel? Allah wijst de mensen die onrecht plegen de goede richting niet.


لَا یَزَالُ بُنۡیَانُہُمُ الَّذِیۡ بَنَوۡا رِیۡبَۃً فِیۡ قُلُوۡبِہِمۡ اِلَّاۤ اَنۡ تَقَطَّعَ قُلُوۡبُہُمۡ ؕ وَ اللّٰہُ عَلِیۡمٌ حَکِیۡمٌ ﴿۱۱۰﴾٪

009.110 La yazalu bunyanuhumu allathee banaw reebatan fee quloobihim illa an taqattaAAa quloobuhum waAllahu AAaleemun hakeemun

Hun gebouw dat zij bouwden zal een oorzaak van twijfel in hun harten blijven tenzij hun harten breken. Allah is wetend en wijs.


اِنَّ اللّٰہَ اشۡتَرٰی مِنَ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ اَنۡفُسَہُمۡ وَ اَمۡوَالَہُمۡ بِاَنَّ لَہُمُ الۡجَنَّۃَ ؕ یُقَاتِلُوۡنَ فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ فَیَقۡتُلُوۡنَ وَ یُقۡتَلُوۡنَ ۟ وَعۡدًا عَلَیۡہِ حَقًّا فِی التَّوۡرٰىۃِ وَ الۡاِنۡجِیۡلِ وَ الۡقُرۡاٰنِ ؕ وَ مَنۡ اَوۡفٰی بِعَہۡدِہٖ مِنَ اللّٰہِ فَاسۡتَبۡشِرُوۡا بِبَیۡعِکُمُ الَّذِیۡ بَایَعۡتُمۡ بِہٖ ؕ وَ ذٰلِکَ ہُوَ الۡفَوۡزُ الۡعَظِیۡمُ ﴿۱۱۱﴾

009.111 Inna Allaha ishtara mina almu/mineena anfusahum waamwalahum bi-anna lahumu aljannata yuqatiloona fee sabeeli Allahi fayaqtuloona wayuqtaloona waAAdan AAalayhi haqqan fee alttawrati waal-injeeli waalqur-ani waman awfa biAAahdihi mina Allahi faistabshiroo bibayAAikumu allathee bayaAAtum bihi wathalika huwa alfawzu alAAatheemu

Allah heeft van de gelovigen hun eigen persoon en hun bezittingen gekocht zodat de tuin voor hen is -- zij strijden op Allah's weg, waarbij zij doden en worden gedood. Het is een toezegging waartoe Hij in waarheid verplicht is in de Taura, de Indjiel en de Koran. En wie komt zijn verbond getrouwer na dan Allah? Verblijdt jullie dus over de koop die jullie gesloten hebben. Dat is de geweldige triomf!


اَلتَّآئِبُوۡنَ الۡعٰبِدُوۡنَ الۡحٰمِدُوۡنَ السَّآئِحُوۡنَ الرّٰکِعُوۡنَ السّٰجِدُوۡنَ الۡاٰمِرُوۡنَ بِالۡمَعۡرُوۡفِ وَ النَّاہُوۡنَ عَنِ الۡمُنۡکَرِ وَ الۡحٰفِظُوۡنَ لِحُدُوۡدِ اللّٰہِ ؕ وَ بَشِّرِ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۱۲﴾

009.112 Altta-iboona alAAabidoona alhamidoona alssa-ihoona alrrakiAAoona alssajidoona al-amiroona bialmaAAroofi waalnnahoona AAani almunkari waalhafithoona lihudoodi Allahi wabashshiri almu/mineena

De berouwhebbenden, de dienenden, de lovenden, de vastenden, de buigenden, de zich eerbiedig neerbuigenden, de gebieders van het behoorlijke, de verbieders van het verwerpelijke en zij die zich aan Allah's bepalingen houden? en verkondig het goede nieuws aan de gelovigen.


مَا کَانَ لِلنَّبِیِّ وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اَنۡ یَّسۡتَغۡفِرُوۡا لِلۡمُشۡرِکِیۡنَ وَ لَوۡ کَانُوۡۤا اُولِیۡ قُرۡبٰی مِنۡۢ بَعۡدِ مَا تَبَیَّنَ لَہُمۡ اَنَّہُمۡ اَصۡحٰبُ الۡجَحِیۡمِ ﴿۱۱۳﴾

009.113 Ma kana lilnnabiyyi waallatheena amanoo an yastaghfiroo lilmushrikeena walaw kanoo olee qurba min baAAdi ma tabayyana lahum annahum as-habu aljaheemi

Het past de profeet en de gelovigen niet vergeving te vragen voor de veelgodendienaars ook al zijn zij verwanten, nadat het voor hen duidelijk geworden is dat zij de bewoners van het hellevuur zullen zijn.


وَ مَا کَانَ اسۡتِغۡفَارُ اِبۡرٰہِیۡمَ لِاَبِیۡہِ اِلَّا عَنۡ مَّوۡعِدَۃٍ وَّعَدَہَاۤ اِیَّاہُ ۚ فَلَمَّا تَبَیَّنَ لَہٗۤ اَنَّہٗ عَدُوٌّ لِّلّٰہِ تَبَرَّاَ مِنۡہُ ؕ اِنَّ اِبۡرٰہِیۡمَ لَاَوَّاہٌ حَلِیۡمٌ ﴿۱۱۴﴾

009.114 Wama kana istighfaru ibraheema li-abeehi illa AAan mawAAidatin waAAadaha iyyahu falamma tabayyana lahu annahu AAaduwwun lillahi tabarraa minhu inna ibraheema laawwahun haleemun

Dat Ibrahiem voor zijn vader vergeving vroeg was alleen maar op grond van een toezegging die hij hem gedaan had, maar toen het hem duidelijk werd dat hij een vijand van Allah was brak hij met hem. Ibrahiem was vol meegevoel en zachtmoedig.


وَ مَا کَانَ اللّٰہُ لِیُضِلَّ قَوۡمًۢا بَعۡدَ اِذۡ ہَدٰىہُمۡ حَتّٰی یُبَیِّنَ لَہُمۡ مَّا یَتَّقُوۡنَ ؕ اِنَّ اللّٰہَ بِکُلِّ شَیۡءٍ عَلِیۡمٌ ﴿۱۱۵﴾

009.115 Wama kana Allahu liyudilla qawman baAAda ith hadahum hatta yubayyina lahum ma yattaqoona inna Allaha bikulli shay-in AAaleemun

Allah is niet zo dat Hij mensen tot dwaling brengt nadat Hij hen op het goede pad gebracht heeft, zolang Hij hun niet heeft duidelijk gemaakt waarvoor zij zich moeten hoeden. Allah is alwetend.


اِنَّ اللّٰہَ لَہٗ مُلۡکُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ یُحۡیٖ وَ یُمِیۡتُ ؕ وَ مَا لَکُمۡ مِّنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ مِنۡ وَّلِیٍّ وَّ لَا نَصِیۡرٍ ﴿۱۱۶﴾

009.116 Inna Allaha lahu mulku alssamawati waal-ardi yuhyee wayumeetu wama lakum min dooni Allahi min waliyyin wala naseerin

Allah heeft de heerschappij over de hemelen en de aarde. Hij geeft leven en laat sterven. Jullie hebben buiten Allah geen beschermer en geen helper.


لَقَدۡ تَّابَ اللّٰہُ عَلَی النَّبِیِّ وَ الۡمُہٰجِرِیۡنَ وَ الۡاَنۡصَارِ الَّذِیۡنَ اتَّبَعُوۡہُ فِیۡ سَاعَۃِ الۡعُسۡرَۃِ مِنۡۢ بَعۡدِ مَا کَادَ یَزِیۡغُ قُلُوۡبُ فَرِیۡقٍ مِّنۡہُمۡ ثُمَّ تَابَ عَلَیۡہِمۡ ؕ اِنَّہٗ بِہِمۡ رَءُوۡفٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۱۱۷﴾ۙ

009.117 Laqad taba Allahu AAala alnnabiyyi waalmuhajireena waal-ansari allatheena ittabaAAoohu fee saAAati alAAusrati min baAAdi ma kada yazeeghu quloobu fareeqin minhum thumma taba AAalayhim innahu bihim raoofun raheemun

Allah heeft zich genadig gewend tot de profeet, de uitgewekenen en de meehelpers die hem gevolgd zijn in het uur van de tegenspoed, nadat de harten van een groep van hen bijna naar het verkeerde neigden. Toen wendde Hij zich genadig tot hen -- Hij is vol mededogen voor hen en barmhartig --


وَّ عَلَی الثَّلٰثَۃِ الَّذِیۡنَ خُلِّفُوۡا ؕ حَتّٰۤی اِذَا ضَاقَتۡ عَلَیۡہِمُ الۡاَرۡضُ بِمَا رَحُبَتۡ وَ ضَاقَتۡ عَلَیۡہِمۡ اَنۡفُسُہُمۡ وَ ظَنُّوۡۤا اَنۡ لَّا مَلۡجَاَ مِنَ اللّٰہِ اِلَّاۤ اِلَیۡہِ ؕ ثُمَّ تَابَ عَلَیۡہِمۡ لِیَتُوۡبُوۡا ؕ اِنَّ اللّٰہَ ہُوَ التَّوَّابُ الرَّحِیۡمُ ﴿۱۱۸﴾٪

009.118 WaAAala alththalathati allatheena khullifoo hatta itha daqat AAalayhimu al-ardu bima rahubat wadaqat AAalayhim anfusuhum wathannoo an la maljaa mina Allahi illa ilayhi thumma taba AAalayhim liyatooboo inna Allaha huwa alttawwabu alrraheemu

en ook tot de drie die achtergelaten waren totdat zij het op de aarde benauwd kregen ondanks haar ruimte en zij echt persoonlijk benauwd werden en meenden dat er geen toevluchtsoord veilig voor Allah was dan bij Hem. Toen wendde Hij zich genadig tot hen zodat zij berouw zouden tonen. Allah is de genadegever, de barmhartige.


یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوا اتَّقُوا اللّٰہَ وَ کُوۡنُوۡا مَعَ الصّٰدِقِیۡنَ ﴿۱۱۹﴾

009.119 Ya ayyuha allatheena amanoo ittaqoo Allaha wakoonoo maAAa alssadiqeena

Jullie die geloven! Vreest Allah en weest met de oprechten.


مَا کَانَ لِاَہۡلِ الۡمَدِیۡنَۃِ وَ مَنۡ حَوۡلَہُمۡ مِّنَ الۡاَعۡرَابِ اَنۡ یَّتَخَلَّفُوۡا عَنۡ رَّسُوۡلِ اللّٰہِ وَ لَا یَرۡغَبُوۡا بِاَنۡفُسِہِمۡ عَنۡ نَّفۡسِہٖ ؕ ذٰلِکَ بِاَنَّہُمۡ لَا یُصِیۡبُہُمۡ ظَمَاٌ وَّ لَا نَصَبٌ وَّ لَا مَخۡمَصَۃٌ فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ وَ لَا یَطَـُٔوۡنَ مَوۡطِئًا یَّغِیۡظُ الۡکُفَّارَ وَ لَا یَنَالُوۡنَ مِنۡ عَدُوٍّ نَّیۡلًا اِلَّا کُتِبَ لَہُمۡ بِہٖ عَمَلٌ صَالِحٌ ؕ اِنَّ اللّٰہَ لَا یُضِیۡعُ اَجۡرَ الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۱۲۰﴾ۙ

009.120 Ma kana li-ahli almadeenati waman hawlahum mina al-aAArabi an yatakhallafoo AAan rasooli Allahi wala yarghaboo bi-anfusihim AAan nafsihi thalika bi-annahum la yuseebuhum thamaon wala nasabun wala makhmasatun fee sabeeli Allahi wala yataoona mawti-an yagheethu alkuffara wala yanaloona min AAaduwwin naylan illa kutiba lahum bihi AAamalun salihun inna Allaha la yudeeAAu ajra almuhsineena

Het past de mensen van Medina en de bedoeÔenen uit hun omgeving niet dat zij achterblijven bij de gezant van Allah of dat zij zichzelf meer ontzien dan hij. Dat is omdat zij door geen dorst, noch vermoeidheid, noch honger op Allah's weg worden overvallen. Zij doen ook geen inval die de ongelovigen woedend maakt, noch maken zij een vijand iets afhandig zonder dat voor hen daarmee een deugdelijke daad opgeschreven wordt. Allah zal het loon van hen die goed doen niet verloren laten gaan.


وَ لَا یُنۡفِقُوۡنَ نَفَقَۃً صَغِیۡرَۃً وَّ لَا کَبِیۡرَۃً وَّ لَا یَقۡطَعُوۡنَ وَادِیًا اِلَّا کُتِبَ لَہُمۡ لِیَجۡزِیَہُمُ اللّٰہُ اَحۡسَنَ مَا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۱۲۱﴾

009.121 Wala yunfiqoona nafaqatan sagheeratan wala kabeeratan wala yaqtaAAoona wadiyan illa kutiba lahum liyajziyahumu Allahu ahsana ma kanoo yaAAmaloona

En zij geven geen kleine bijdrage en geen grote en zij doorkruisen geen vallei zonder dat het opgeschreven wordt opdat Allah hen zal belonen voor het beste dat zij deden.


وَ مَا کَانَ الۡمُؤۡمِنُوۡنَ لِیَنۡفِرُوۡا کَآفَّۃً ؕ فَلَوۡ لَا نَفَرَ مِنۡ کُلِّ فِرۡقَۃٍ مِّنۡہُمۡ طَآئِفَۃٌ لِّیَتَفَقَّہُوۡا فِی الدِّیۡنِ وَ لِیُنۡذِرُوۡا قَوۡمَہُمۡ اِذَا رَجَعُوۡۤا اِلَیۡہِمۡ لَعَلَّہُمۡ یَحۡذَرُوۡنَ ﴿۱۲۲﴾٪

009.122 Wama kana almu/minoona liyanfiroo kaffatan falawla nafara min kulli firqatin minhum ta-ifatun liyatafaqqahoo fee alddeeni waliyunthiroo qawmahum itha rajaAAoo ilayhim laAAallahum yahtharoona

Het past de gelovigen niet allen tezamen uit te rukken. Van ieder onderdeel van hen zou een groep moeten uitrukken om begrip van de godsdienst te krijgen en om hun mensen te waarschuwen wanneer zij naar hen terugkeren; misschien zullen zij op hun hoede zijn.


یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا قَاتِلُوا الَّذِیۡنَ یَلُوۡنَکُمۡ مِّنَ الۡکُفَّارِ وَ لۡیَجِدُوۡا فِیۡکُمۡ غِلۡظَۃً ؕ وَ اعۡلَمُوۡۤا اَنَّ اللّٰہَ مَعَ الۡمُتَّقِیۡنَ ﴿۱۲۳﴾

009.123 Ya ayyuha allatheena amanoo qatiloo allatheena yaloonakum mina alkuffari walyajidoo feekum ghilthatan waiAAlamoo anna Allaha maAAa almuttaqeena

Jullie die geloven! Strijdt tegen de ongelovigen die dicht bij jullie zijn en laat hen strengheid bij jullie vinden. Weet dat Allah met de godvrezenden is.


وَ اِذَا مَاۤ اُنۡزِلَتۡ سُوۡرَۃٌ فَمِنۡہُمۡ مَّنۡ یَّقُوۡلُ اَیُّکُمۡ زَادَتۡہُ ہٰذِہٖۤ اِیۡمَانًا ۚ فَاَمَّا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا فَزَادَتۡہُمۡ اِیۡمَانًا وَّ ہُمۡ یَسۡتَبۡشِرُوۡنَ ﴿۱۲۴﴾

009.124 Wa-itha ma onzilat sooratun faminhum man yaqoolu ayyukum zadat-hu hathihi eemanan faamma allatheena amanoo fazadat-hum eemanan wahum yastabshiroona

En wanneer een soera neergezonden wordt dan zijn er onder hen die zeggen: "Wie van jullie is hierdoor in zijn geloof gesterkt?" En zij die geloven worden er inderdaad in hun geloof door gesterkt terwijl zij zich verheugen.


وَ اَمَّا الَّذِیۡنَ فِیۡ قُلُوۡبِہِمۡ مَّرَضٌ فَزَادَتۡہُمۡ رِجۡسًا اِلٰی رِجۡسِہِمۡ وَ مَا تُوۡا وَ ہُمۡ کٰفِرُوۡنَ ﴿۱۲۵﴾

009.125 Waamma allatheena fee quloobihim maradun fazadat-hum rijsan ila rijsihim wamatoo wahum kafiroona

En zij die in hun harten een ziekte hebben, zij worden erdoor tot een nog grotere gruwel dan zij al zijn en zij sterven als ongelovigen.


اَوَ لَا یَرَوۡنَ اَنَّہُمۡ یُفۡتَنُوۡنَ فِیۡ کُلِّ عَامٍ مَّرَّۃً اَوۡ مَرَّتَیۡنِ ثُمَّ لَا یَتُوۡبُوۡنَ وَ لَا ہُمۡ یَذَّکَّرُوۡنَ ﴿۱۲۶﴾

009.126 Awa la yarawna annahum yuftanoona fee kulli AAamin marratan aw marratayni thumma la yatooboona wala hum yaththakkaroona

Zien zij dan niet dat zij in ieder jaar een of twee maal in verzoeking gebracht worden? Dan tonen zij geen berouw en laten zich niet vermanen.


وَ اِذَا مَاۤ اُنۡزِلَتۡ سُوۡرَۃٌ نَّظَرَ بَعۡضُہُمۡ اِلٰی بَعۡضٍ ؕ ہَلۡ یَرٰىکُمۡ مِّنۡ اَحَدٍ ثُمَّ انۡصَرَفُوۡا ؕ صَرَفَ اللّٰہُ قُلُوۡبَہُمۡ بِاَنَّہُمۡ قَوۡمٌ لَّا یَفۡقَہُوۡنَ ﴿۱۲۷﴾

009.127 Wa-itha ma onzilat sooratun nathara baAAduhum ila baAAdin hal yarakum min ahadin thumma insarafoo sarafa Allahu quloobahum bi-annahum qawmun la yafqahoona

En wanneer een soera neergezonden wordt dan kijken zij naar elkaar: "Is er iemand die jullie ziet?" En dan wenden zij zich af. Allah wendt hun harten af omdat zij mensen zijn die geen begrip hebben.


لَقَدۡ جَآءَکُمۡ رَسُوۡلٌ مِّنۡ اَنۡفُسِکُمۡ عَزِیۡزٌ عَلَیۡہِ مَا عَنِتُّمۡ حَرِیۡصٌ عَلَیۡکُمۡ بِالۡمُؤۡمِنِیۡنَ رَءُوۡفٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۱۲۸﴾

009.128 Laqad jaakum rasoolun min anfusikum AAazeezun AAalayhi ma AAanittum hareesun AAalaykum bialmu/mineena raoofun raheemun

Tot jullie is een gezant uit jullie eigen midden gekomen. Iemand die het zwaar valt als jullie het moeilijk hebben, die met jullie begaan is, en jegens de gelovigen vol mededogen en barmhartig.


فَاِنۡ تَوَلَّوۡا فَقُلۡ حَسۡبِیَ اللّٰہُ ۫٭ۖ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ ؕ عَلَیۡہِ تَوَکَّلۡتُ وَ ہُوَ رَبُّ الۡعَرۡشِ الۡعَظِیۡمِ ﴿۱۲۹﴾٪

009.129 Fa-in tawallaw faqul hasbiya Allahu la ilaha illa huwa AAalayhi tawakkaltu wahuwa rabbu alAAarshi alAAatheemi

Maar als zij zich afkeren zeg dan: "Allah is mij goed genoeg. Er is geen god dan Hij. Op Hem stel ik mijn vertrouwen en Hij is de Heer van de geweldige troon."


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

الٓرٰ ۟ تِلۡکَ اٰیٰتُ الۡکِتٰبِ الۡحَکِیۡمِ ﴿۱﴾

010.001 Alif-lam-ra tilka ayatu alkitabi alhakeemi

A[lif] L[aam] R[aa?]. Dat zijn de tekenen van het wijze boek.


اَکَانَ لِلنَّاسِ عَجَبًا اَنۡ اَوۡحَیۡنَاۤ اِلٰی رَجُلٍ مِّنۡہُمۡ اَنۡ اَنۡذِرِ النَّاسَ وَ بَشِّرِ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اَنَّ لَہُمۡ قَدَمَ صِدۡقٍ عِنۡدَ رَبِّہِمۡ ؕؔ قَالَ الۡکٰفِرُوۡنَ اِنَّ ہٰذَا لَسٰحِرٌ مُّبِیۡنٌ ﴿۲﴾

010.002 Akana lilnnasi AAajaban an awhayna ila rajulin minhum an anthiri alnnasa wabashshiri allatheena amanoo anna lahum qadama sidqin AAinda rabbihim qala alkafiroona inna hatha lasahirun mubeenun

Is het voor de mensen verbazingwekkend dat Wij aan een man uit hun midden geopenbaard hebben: "Waarschuw de mensen en verkondig het goede nieuws aan hen die geloven dat zij een betrouwbare voorrang bij hun Heer hebben"? De ongelovigen zeggen: "Dit is toch duidelijk een tovenaar."


اِنَّ رَبَّکُمُ اللّٰہُ الَّذِیۡ خَلَقَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ فِیۡ سِتَّۃِ اَیَّامٍ ثُمَّ اسۡتَوٰی عَلَی الۡعَرۡشِ یُدَبِّرُ الۡاَمۡرَ ؕ مَا مِنۡ شَفِیۡعٍ اِلَّا مِنۡۢ بَعۡدِ اِذۡنِہٖ ؕ ذٰلِکُمُ اللّٰہُ رَبُّکُمۡ فَاعۡبُدُوۡہُ ؕ اَفَلَا تَذَکَّرُوۡنَ ﴿۳﴾

010.003 Inna rabbakumu Allahu allathee khalaqa alssamawati waal-arda fee sittati ayyamin thumma istawa AAala alAAarshi yudabbiru al-amra ma min shafeeAAin illa min baAAdi ithnihi thalikumu Allahu rabbukum faoAAbudoohu afala tathakkaroona

Jullie Heer is Allah die de hemelen en de aarde in zes dagen geschapen heeft. Toen vestigde Hij zich op de troon om het bestuur te regelen. En er is geen bemiddelaar dan na Zijn toestemming. Dat is Allah jullie Heer, dient Hem dus. Zullen jullie je dan niet laten vermanen?


اِلَیۡہِ مَرۡجِعُکُمۡ جَمِیۡعًا ؕ وَعۡدَ اللّٰہِ حَقًّا ؕ اِنَّہٗ یَبۡدَؤُا الۡخَلۡقَ ثُمَّ یُعِیۡدُہٗ لِیَجۡزِیَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ بِالۡقِسۡطِ ؕ وَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لَہُمۡ شَرَابٌ مِّنۡ حَمِیۡمٍ وَّ عَذَابٌ اَلِیۡمٌۢ بِمَا کَانُوۡا یَکۡفُرُوۡنَ ﴿۴﴾

010.004 Ilayhi marjiAAukum jameeAAan waAAda Allahi haqqan innahu yabdao alkhalqa thumma yuAAeeduhu liyajziya allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati bialqisti waallatheena kafaroo lahum sharabun min hameemin waAAathabun aleemun bima kanoo yakfuroona

Tot Hem is jullie terugkeer, gezamenlijk. Dat is in waarheid Allah's toezegging. Hij begint de schepping en Hij herhaalt haar dan om hen die geloven en de deugdelijke daden doen in rechtvaardigheid te belonen. Maar voor hen die ongelovig zijn is er een drank van gloeiend water en een pijnlijke bestraffing omdat zij ongelovig waren.


ہُوَ الَّذِیۡ جَعَلَ الشَّمۡسَ ضِیَآءً وَّ الۡقَمَرَ نُوۡرًا وَّ قَدَّرَہٗ مَنَازِلَ لِتَعۡلَمُوۡا عَدَدَ السِّنِیۡنَ وَ الۡحِسَابَ ؕ مَا خَلَقَ اللّٰہُ ذٰلِکَ اِلَّا بِالۡحَقِّ ۚ یُفَصِّلُ الۡاٰیٰتِ لِقَوۡمٍ یَّعۡلَمُوۡنَ ﴿۵﴾

010.005 Huwa allathee jaAAala alshshamsa diyaan waalqamara nooran waqaddarahu manazila litaAAlamoo AAadada alssineena waalhisaba ma khalaqa Allahu thalika illa bialhaqqi yufassilu al-ayati liqawmin yaAAlamoona

Hij is het die de zon gemaakt heeft als verlichting en de maan als een licht en die ervoor standen heeft verordend opdat jullie het aantal van de jaren en de berekening weten. Allah heeft dat slechts in waarheid geschapen. Hij zet de tekenen uiteen voor mensen die weten.


اِنَّ فِی اخۡتِلَافِ الَّیۡلِ وَ النَّہَارِ وَ مَا خَلَقَ اللّٰہُ فِی السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ لَاٰیٰتٍ لِّقَوۡمٍ یَّتَّقُوۡنَ ﴿۶﴾

010.006 Inna fee ikhtilafi allayli waalnnahari wama khalaqa Allahu fee alssamawati waal-ardi laayatin liqawmin yattaqoona

In het verschil van nacht en dag en in wat Allah geschapen heeft in de hemelen en de aarde zijn tekenen voor mensen die godvrezend zijn.


اِنَّ الَّذِیۡنَ لَا یَرۡجُوۡنَ لِقَآءَنَا وَ رَضُوۡا بِالۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا وَ اطۡمَاَنُّوۡا بِہَا وَ الَّذِیۡنَ ہُمۡ عَنۡ اٰیٰتِنَا غٰفِلُوۡنَ ۙ﴿۷﴾

010.007 Inna allatheena la yarjoona liqaana waradoo bialhayati alddunya waitmaannoo biha waallatheena hum AAan ayatina ghafiloona

Zij die niet hopen op de ontmoeting met Ons, tevreden zijn met het tegenwoordige leven en er zich gerust in voelen en zij die niet op Onze tekenen letten,


اُولٰٓئِکَ مَاۡوٰىہُمُ النَّارُ بِمَا کَانُوۡا یَکۡسِبُوۡنَ ﴿۸﴾

010.008 Ola-ika ma/wahumu alnnaru bima kanoo yaksiboona

zij zijn het voor wie de hel de verblijfplaats is voor wat zij begaan hebben.


اِنَّ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ یَہۡدِیۡہِمۡ رَبُّہُمۡ بِاِیۡمَانِہِمۡ ۚ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہِمُ الۡاَنۡہٰرُ فِیۡ جَنّٰتِ النَّعِیۡمِ ﴿۹﴾

010.009 Inna allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati yahdeehim rabbuhum bi-eemanihim tajree min tahtihimu al-anharu fee jannati alnnaAAeemi

Hen die geloven en de deugdelijke daden doen zal hun Heer wegens hun geloof op het goede pad voeren: onder hen stromen de rivieren in de tuinen van de gelukzaligheid.


دَعۡوٰىہُمۡ فِیۡہَا سُبۡحٰنَکَ اللّٰہُمَّ وَ تَحِیَّتُہُمۡ فِیۡہَا سَلٰمٌ ۚ وَ اٰخِرُ دَعۡوٰىہُمۡ اَنِ الۡحَمۡدُ لِلّٰہِ رَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿٪۱۰﴾

010.010 DaAAwahum feeha subhanaka allahumma watahiyyatuhum feeha salamun waakhiru daAAwahum ani alhamdu lillahi rabbi alAAalameena

Hun uitroep daarin zal zijn: "U zij geprezen, o Allah!", hun begroeting daarin zal zijn: "Vrede" en hun slotuitroep: "Lof zij Allah, de Heer van de wereldbewoners."


وَ لَوۡ یُعَجِّلُ اللّٰہُ لِلنَّاسِ الشَّرَّ اسۡتِعۡجَالَہُمۡ بِالۡخَیۡرِ لَقُضِیَ اِلَیۡہِمۡ اَجَلُہُمۡ ؕ فَنَذَرُ الَّذِیۡنَ لَا یَرۡجُوۡنَ لِقَآءَنَا فِیۡ طُغۡیَانِہِمۡ یَعۡمَہُوۡنَ ﴿۱۱﴾

010.011 Walaw yuAAajjilu Allahu lilnnasi alshsharra istiAAjalahum bialkhayri laqudiya ilayhim ajaluhum fanatharu allatheena la yarjoona liqaana fee tughyanihim yaAAmahoona

Als Allah het slechte voor de mensen zo zou verhaasten als zij het goede zouden willen verhaasten dan was voor hen hun termijn reeds ten einde. Maar Wij laten hen die niet hopen op de ontmoeting met Ons in hun onbeschaamdheid doorgaan met dwalen.


وَ اِذَا مَسَّ الۡاِنۡسَانَ الضُّرُّ دَعَانَا لِجَنۡۢبِہٖۤ اَوۡ قَاعِدًا اَوۡ قَآئِمًا ۚ فَلَمَّا کَشَفۡنَا عَنۡہُ ضُرَّہٗ مَرَّ کَاَنۡ لَّمۡ یَدۡعُنَاۤ اِلٰی ضُرٍّ مَّسَّہٗ ؕ کَذٰلِکَ زُیِّنَ لِلۡمُسۡرِفِیۡنَ مَا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۱۲﴾

010.012 Wa-itha massa al-insana alddurru daAAana lijanbihi aw qaAAidan aw qa-iman falamma kashafna AAanhu durrahu marra kaan lam yadAAuna ila durrin massahu kathalika zuyyina lilmusrifeena ma kanoo yaAAmaloona

En wanneer de mens tegenspoed treft roept hij Ons aan, op zijn zij of zittend of staand, maar wanneer Wij zijn tegenspoed voor hem opgeheven hebben gaat hij verder alsof hij Ons niet had aangeroepen wegens tegenspoed die hem had getroffen. Zo is voor de onmatigen wat zij aan het doen waren aantrekkelijk gemaakt.


وَ لَقَدۡ اَہۡلَکۡنَا الۡقُرُوۡنَ مِنۡ قَبۡلِکُمۡ لَمَّا ظَلَمُوۡا ۙ وَ جَآءَتۡہُمۡ رُسُلُہُمۡ بِالۡبَیِّنٰتِ وَ مَا کَانُوۡا لِیُؤۡمِنُوۡا ؕ کَذٰلِکَ نَجۡزِی الۡقَوۡمَ الۡمُجۡرِمِیۡنَ ﴿۱۳﴾

010.013 Walaqad ahlakna alquroona min qablikum lamma thalamoo wajaat-hum rusuluhum bialbayyinati wama kanoo liyu/minoo kathalika najzee alqawma almujrimeena

En Wij hebben de generaties die er voor jullie tijd waren vernietigd toen zij onrecht pleegden. Hun gezanten kwamen met de duidelijke bewijzen tot hen, maar zij waren niet zo dat zij geloofden. Zo vergelden Wij aan de misdadige mensen.


ثُمَّ جَعَلۡنٰکُمۡ خَلٰٓئِفَ فِی الۡاَرۡضِ مِنۡۢ بَعۡدِہِمۡ لِنَنۡظُرَ کَیۡفَ تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۱۴﴾

010.014 Thumma jaAAalnakum khala-ifa fee al-ardi min baAAdihim linanthura kayfa taAAmaloona

Toen hebben Wij jullie na hen als opvolgers op de aarde gezet om te kijken hoe jullie het zouden doen.


وَ اِذَا تُتۡلٰی عَلَیۡہِمۡ اٰیَاتُنَا بَیِّنٰتٍ ۙ قَالَ الَّذِیۡنَ لَا یَرۡجُوۡنَ لِقَآءَنَا ائۡتِ بِقُرۡاٰنٍ غَیۡرِ ہٰذَاۤ اَوۡ بَدِّلۡہُ ؕ قُلۡ مَا یَکُوۡنُ لِیۡۤ اَنۡ اُبَدِّلَہٗ مِنۡ تِلۡقَآیِٔ نَفۡسِیۡ ۚ اِنۡ اَتَّبِعُ اِلَّا مَا یُوۡحٰۤی اِلَیَّ ۚ اِنِّیۡۤ اَخَافُ اِنۡ عَصَیۡتُ رَبِّیۡ عَذَابَ یَوۡمٍ عَظِیۡمٍ ﴿۱۵﴾

010.015 Wa-itha tutla AAalayhim ayatuna bayyinatin qala allatheena la yarjoona liqaana i/ti biqur-anin ghayri hatha aw baddilhu qul ma yakoonu lee an obaddilahu min tilqa-i nafsee in attabiAAu illa ma yooha ilayya innee akhafu in AAasaytu rabbee AAathaba yawmin AAatheemin

En wanneer Onze tekenen aan hen als duidelijke bewijzen worden voorgelezen, zeggen zij die niet op de ontmoeting met Ons hopen: "Kom met een andere Koran dan deze of verander hem." Zeg: "Het komt mij niet toe hem uit mijzelf te veranderen; ik volg alleen maar wat aan mij wordt geopenbaard. Ik vrees, als ik mijn Heer ongehoorzaam ben, voor een bestraffing op een geweldige dag."


قُلۡ لَّوۡ شَآءَ اللّٰہُ مَا تَلَوۡتُہٗ عَلَیۡکُمۡ وَ لَاۤ اَدۡرٰىکُمۡ بِہٖ ۫ۖ فَقَدۡ لَبِثۡتُ فِیۡکُمۡ عُمُرًا مِّنۡ قَبۡلِہٖ ؕ اَفَلَا تَعۡقِلُوۡنَ ﴿۱۶﴾

010.016 Qul law shaa Allahu ma talawtuhu AAalaykum wala adrakum bihi faqad labithtu feekum AAumuran min qablihi afala taAAqiloona

Zeg: "Als Allah gewild had, zou ik hem jullie niet voorgelezen hebben en zou Hij hem jullie niet hebben laten weten. Ik heb toch voordien een leven lang bij jullie gewoond. Hebben jullie dan geen verstand?"


فَمَنۡ اَظۡلَمُ مِمَّنِ افۡتَرٰی عَلَی اللّٰہِ کَذِبًا اَوۡ کَذَّبَ بِاٰیٰتِہٖ ؕ اِنَّہٗ لَا یُفۡلِحُ الۡمُجۡرِمُوۡنَ ﴿۱۷﴾

010.017 Faman athlamu mimmani iftara AAala Allahi kathiban aw kaththaba bi-ayatihi innahu la yuflihu almujrimoona

En wie is er zondiger dan hij die over Allah bedrog verzint of Zijn tekenen loochent? Het zal de boosdoeners zeker niet welgaan.


وَ یَعۡبُدُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ مَا لَا یَضُرُّہُمۡ وَ لَا یَنۡفَعُہُمۡ وَ یَقُوۡلُوۡنَ ہٰۤؤُلَآءِ شُفَعَآؤُنَا عِنۡدَ اللّٰہِ ؕ قُلۡ اَتُنَبِّـُٔوۡنَ اللّٰہَ بِمَا لَا یَعۡلَمُ فِی السَّمٰوٰتِ وَ لَا فِی الۡاَرۡضِ ؕ سُبۡحٰنَہٗ وَ تَعٰلٰی عَمَّا یُشۡرِکُوۡنَ ﴿۱۸﴾

010.018 WayaAAbudoona min dooni Allahi ma la yadurruhum wala yanfaAAuhum wayaqooloona haola-i shufaAAaona AAinda Allahi qul atunabbi-oona Allaha bima la yaAAlamu fee alssamawati wala fee al-ardi subhanahu wataAAala AAamma yushrikoona

En zij dienen in plaats van Allah wat hen niet schaadt en niet nut en zij zeggen: "Dezen zijn onze bemiddelaars bij Allah." Zeg: "Willen jullie dan aan Allah iets meedelen wat Hij in de hemelen en op de aarde niet kent?" Hij zij geprezen, verheven als Hij is boven wat zij aan Hem als metgezellen toevoegen.


وَ مَا کَانَ النَّاسُ اِلَّاۤ اُمَّۃً وَّاحِدَۃً فَاخۡتَلَفُوۡا ؕ وَ لَوۡ لَا کَلِمَۃٌ سَبَقَتۡ مِنۡ رَّبِّکَ لَقُضِیَ بَیۡنَہُمۡ فِیۡمَا فِیۡہِ یَخۡتَلِفُوۡنَ ﴿۱۹﴾

010.019 Wama kana alnnasu illa ommatan wahidatan faikhtalafoo walawla kalimatun sabaqat min rabbika laqudiya baynahum feema feehi yakhtalifoona

De mensen waren [oorspronkelijk] slechts ťťn gemeenschap, maar toen werden zij het oneens. En als er al niet eerder een woord van jouw Heer gekomen was, dan was er tussen hen al een beslissing getroffen over dat waarover zij het oneens zijn.


وَ یَقُوۡلُوۡنَ لَوۡ لَاۤ اُنۡزِلَ عَلَیۡہِ اٰیَۃٌ مِّنۡ رَّبِّہٖ ۚ فَقُلۡ اِنَّمَا الۡغَیۡبُ لِلّٰہِ فَانۡتَظِرُوۡا ۚ اِنِّیۡ مَعَکُمۡ مِّنَ الۡمُنۡتَظِرِیۡنَ ﴿٪۲۰﴾

010.020 Wayaqooloona lawla onzila AAalayhi ayatun min rabbihi faqul innama alghaybu lillahi faintathiroo innee maAAakum mina almuntathireena

En zij zeggen: "Had er dan niet een teken van zijn Heer tot hem neergezonden kunnen worden?" Zeg dan: "Het verborgene behoort Allah toe. Wachten jullie dus maar af; ik wacht met jullie ook af."


وَ اِذَاۤ اَذَقۡنَا النَّاسَ رَحۡمَۃً مِّنۡۢ بَعۡدِ ضَرَّآءَ مَسَّتۡہُمۡ اِذَا لَہُمۡ مَّکۡرٌ فِیۡۤ اٰیَاتِنَا ؕ قُلِ اللّٰہُ اَسۡرَعُ مَکۡرًا ؕ اِنَّ رُسُلَنَا یَکۡتُبُوۡنَ مَا تَمۡکُرُوۡنَ ﴿۲۱﴾

010.021 Wa-itha athaqna alnnasa rahmatan min baAAdi darraa massat-hum itha lahum makrun fee ayatina quli Allahu asraAAu makran inna rusulana yaktuboona ma tamkuroona

En wanneer Wij de mensen barmhartigheid laten proeven na een rampspoed die hen getroffen heeft dan hebben zij meteen iets te beramen tegen Onze tekenen. Zeg: "Allah is sneller in het beramen. Onze gezanten schrijven op wat jullie beramen."


ہُوَ الَّذِیۡ یُسَیِّرُکُمۡ فِی الۡبَرِّ وَ الۡبَحۡرِ ؕ حَتّٰۤی اِذَا کُنۡتُمۡ فِی الۡفُلۡکِ ۚ وَ جَرَیۡنَ بِہِمۡ بِرِیۡحٍ طَیِّبَۃٍ وَّ فَرِحُوۡا بِہَا جَآءَتۡہَا رِیۡحٌ عَاصِفٌ وَّ جَآءَہُمُ الۡمَوۡجُ مِنۡ کُلِّ مَکَانٍ وَّ ظَنُّوۡۤا اَنَّہُمۡ اُحِیۡطَ بِہِمۡ ۙ دَعَوُا اللّٰہَ مُخۡلِصِیۡنَ لَہُ الدِّیۡنَ ۬ۚ لَئِنۡ اَنۡجَیۡتَنَا مِنۡ ہٰذِہٖ لَنَکُوۡنَنَّ مِنَ الشّٰکِرِیۡنَ ﴿۲۲﴾

010.022 Huwa allathee yusayyirukum fee albarri waalbahri hatta itha kuntum fee alfulki wajarayna bihim bireehin tayyibatin wafarihoo biha jaat-ha reehun AAasifun wajaahumu almawju min kulli makanin wathannoo annahum oheeta bihim daAAawoo Allaha mukhliseena lahu alddeena la-in anjaytana min hathihi lanakoonanna mina alshshakireena

Hij is het die jullie op het vasteland en op zee laat reizen totdat er, wanneer zij op de schepen zijn die hen met een goede wind meevoeren en zij zich erover verheugen, tot hen een stormwind komt en de golven van overal komen en zij denken dat zij omkomen. Dan roepen zij Allah aan waarbij zij de godsdienst geheel aan Hem wijden: "Als U ons hieruit redt dan behoren wij tot hen die dank betuigen."


فَلَمَّاۤ اَنۡجٰہُمۡ اِذَا ہُمۡ یَبۡغُوۡنَ فِی الۡاَرۡضِ بِغَیۡرِ الۡحَقِّ ؕ یٰۤاَیُّہَا النَّاسُ اِنَّمَا بَغۡیُکُمۡ عَلٰۤی اَنۡفُسِکُمۡ ۙ مَّتَاعَ الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا ۫ ثُمَّ اِلَیۡنَا مَرۡجِعُکُمۡ فَنُنَبِّئُکُمۡ بِمَا کُنۡتُمۡ تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۲۳﴾

010.023 Falamma anjahum itha hum yabghoona fee al-ardi bighayri alhaqqi ya ayyuha alnnasu innama baghyukum AAala anfusikum mataAAa alhayati alddunya thumma ilayna marjiAAukum fanunabbi-okum bima kuntum taAAmaloona

Maar wanneer Hij hen gered heeft gedragen zij zich op de aarde meteen weer onrechtmatig. O mensen, jullie zelfzucht is ten koste van jullie zelf; het is slechts het genot van het tegenwoordige leven. Daarna is jullie terugkeer tot Ons. Wij zullen jullie dan meedelen wat jullie aan het doen waren.


اِنَّمَا مَثَلُ الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا کَمَآءٍ اَنۡزَلۡنٰہُ مِنَ السَّمَآءِ فَاخۡتَلَطَ بِہٖ نَبَاتُ الۡاَرۡضِ مِمَّا یَاۡکُلُ النَّاسُ وَ الۡاَنۡعَامُ ؕ حَتّٰۤی اِذَاۤ اَخَذَتِ الۡاَرۡضُ زُخۡرُفَہَا وَ ازَّیَّنَتۡ وَ ظَنَّ اَہۡلُہَاۤ اَنَّہُمۡ قٰدِرُوۡنَ عَلَیۡہَاۤ ۙ اَتٰہَاۤ اَمۡرُنَا لَیۡلًا اَوۡ نَہَارًا فَجَعَلۡنٰہَا حَصِیۡدًا کَاَنۡ لَّمۡ تَغۡنَ بِالۡاَمۡسِ ؕ کَذٰلِکَ نُفَصِّلُ الۡاٰیٰتِ لِقَوۡمٍ یَّتَفَکَّرُوۡنَ ﴿۲۴﴾

010.024 Innama mathalu alhayati alddunya kama-in anzalnahu mina alssama-i faikhtalata bihi nabatu al-ardi mimma ya/kulu alnnasu waal-anAAamu hatta itha akhathati al-ardu zukhrufaha waizzayyanat wathanna ahluha annahum qadiroona AAalayha ataha amruna laylan aw naharan fajaAAalnaha haseedan kaan lam taghna bial-amsi kathalika nufassilu al-ayati liqawmin yatafakkaroona

Het tegenwoordige leven lijkt bijvoorbeeld op water dat Wij laten neerdalen uit de hemel. De planten van de aarde die door de mensen en het vee gegeten worden groeien daardoor in [bonte] mengeling totdat dan, wanneer de aarde de tooi ervan aangenomen heeft en ermee versierd is en haar bewoners denken dat zij er over kunnen beschikken, Onze beslissing 's nachts of overdag tot ze komt. Wij maken het dan tot een stoppelveld alsof het niet nog gisteren gebloeid had. Zo zetten Wij de tekenen uiteen voor mensen die nadenken.


وَ اللّٰہُ یَدۡعُوۡۤا اِلٰی دَارِ السَّلٰمِ ؕ وَ یَہۡدِیۡ مَنۡ یَّشَآءُ اِلٰی صِرَاطٍ مُّسۡتَقِیۡمٍ ﴿۲۵﴾

010.025 WaAllahu yadAAoo ila dari alssalami wayahdee man yashao ila siratin mustaqeemin

En Allah roept op tot de woning van de vrede en Hij voert wie Hij wil op een juiste weg.


لِلَّذِیۡنَ اَحۡسَنُوا الۡحُسۡنٰی وَ زِیَادَۃٌ ؕ وَ لَا یَرۡہَقُ وُجُوۡہَہُمۡ قَتَرٌ وَّ لَا ذِلَّۃٌ ؕ اُولٰٓئِکَ اَصۡحٰبُ الۡجَنَّۃِ ۚ ہُمۡ فِیۡہَا خٰلِدُوۡنَ ﴿۲۶﴾

010.026 Lillatheena ahsanoo alhusna waziyadatun wala yarhaqu wujoohahum qatarun wala thillatun ola-ika as-habu aljannati hum feeha khalidoona

Voor hen die goed doen is er het beste en nog meer; hun gezichten zullen niet met grauwheid of vernedering worden overdekt. Zij zijn het die in de tuin thuishoren; zij zullen daarin altijd blijven.


وَ الَّذِیۡنَ کَسَبُوا السَّیِّاٰتِ جَزَآءُ سَیِّئَۃٍۭ بِمِثۡلِہَا ۙ وَ تَرۡہَقُہُمۡ ذِلَّۃٌ ؕ مَا لَہُمۡ مِّنَ اللّٰہِ مِنۡ عَاصِمٍ ۚ کَاَنَّمَاۤ اُغۡشِیَتۡ وُجُوۡہُہُمۡ قِطَعًا مِّنَ الَّیۡلِ مُظۡلِمًا ؕ اُولٰٓئِکَ اَصۡحٰبُ النَّارِ ۚ ہُمۡ فِیۡہَا خٰلِدُوۡنَ ﴿۲۷﴾

010.027 Waallatheena kasaboo alssayyi-ati jazao sayyi-atin bimithliha watarhaquhum thillatun ma lahum mina Allahi min AAasimin kaannama oghshiyat wujoohuhum qitaAAan mina allayli muthliman ola-ika as-habu alnnari hum feeha khalidoona

Maar voor hen die de slechte daden begaan is de vergelding voor een slechte daad iets overeenkomstigs; zij zullen met vernedering overdekt worden. Zij hebben tegen Allah geen beschermer. Het is alsof hun gezichten bedekt zijn met stukken van de duistere nacht. Zij zijn het die in het vuur thuishoren; daarin zullen zij altijd blijven.


وَ یَوۡمَ نَحۡشُرُہُمۡ جَمِیۡعًا ثُمَّ نَقُوۡلُ لِلَّذِیۡنَ اَشۡرَکُوۡا مَکَانَکُمۡ اَنۡتُمۡ وَ شُرَکَآؤُکُمۡ ۚ فَزَیَّلۡنَا بَیۡنَہُمۡ وَ قَالَ شُرَکَآؤُہُمۡ مَّا کُنۡتُمۡ اِیَّانَا تَعۡبُدُوۡنَ ﴿۲۸﴾

010.028 Wayawma nahshuruhum jameeAAan thumma naqoolu lillatheena ashrakoo makanakum antum washurakaokum fazayyalna baynahum waqala shurakaohum ma kuntum iyyana taAAbudoona

En op de dag dat Wij hen allen verzamelen, dan zullen Wij tot de aanhangers van het veelgodendom zeggen: "Op jullie plaats, jullie en jullie [zogenaamd goddelijke] metgezellen!" En dan brengen Wij scheiding tussen hen aan. En hun [zogenaamd goddelijke] metgezellen zeggen: "Ons hebben jullie niet gediend.


فَکَفٰی بِاللّٰہِ شَہِیۡدًۢا بَیۡنَنَا وَ بَیۡنَکُمۡ اِنۡ کُنَّا عَنۡ عِبَادَتِکُمۡ لَغٰفِلِیۡنَ ﴿۲۹﴾

010.029 Fakafa biAllahi shaheedan baynana wabaynakum in kunna AAan AAibadatikum laghafileena

Allah is goed genoeg als getuige tussen ons en jullie. Wij hebben niet op jullie eredienst gelet."


ہُنَالِکَ تَبۡلُوۡا کُلُّ نَفۡسٍ مَّاۤ اَسۡلَفَتۡ وَ رُدُّوۡۤا اِلَی اللّٰہِ مَوۡلٰىہُمُ الۡحَقِّ وَ ضَلَّ عَنۡہُمۡ مَّا کَانُوۡا یَفۡتَرُوۡنَ ﴿٪۳۰﴾

010.030 Hunalika tabloo kullu nafsin ma aslafat waruddoo ila Allahi mawlahumu alhaqqi wadalla AAanhum ma kanoo yaftaroona

Daar zal iedere ziel ondervinden wat zij vroeger gedaan heeft. Dan worden zij tot Allah, hun ware beschermheer, teruggebracht en wat zij verzonnen hebben zijn zij kwijt.


قُلۡ مَنۡ یَّرۡزُقُکُمۡ مِّنَ السَّمَآءِ وَ الۡاَرۡضِ اَمَّنۡ یَّمۡلِکُ السَّمۡعَ وَ الۡاَبۡصَارَ وَ مَنۡ یُّخۡرِجُ الۡحَیَّ مِنَ الۡمَیِّتِ وَ یُخۡرِجُ الۡمَیِّتَ مِنَ الۡحَیِّ وَ مَنۡ یُّدَبِّرُ الۡاَمۡرَ ؕ فَسَیَقُوۡلُوۡنَ اللّٰہُ ۚ فَقُلۡ اَفَلَا تَتَّقُوۡنَ ﴿۳۱﴾

010.031 Qul man yarzuqukum mina alssama-i waal-ardi amman yamliku alssamAAa waal-absara waman yukhriju alhayya mina almayyiti wayukhriju almayyita mina alhayyi waman yudabbiru al-amra fasayaqooloona Allahu faqul afala tattaqoona

Zeg: "Wie voorziet in jullie onderhoud vanuit de hemel en de aarde? Of wie heerst over horen en zien? En wie laat het levende uit het dode voortkomen en laat het dode uit het levende voortkomen? En wie regelt het bestuur?" Zij zullen zeggen: "Allah." Zeg: "Zullen jullie dan niet godvrezend worden?"


فَذٰلِکُمُ اللّٰہُ رَبُّکُمُ الۡحَقُّ ۚ فَمَا ذَا بَعۡدَ الۡحَقِّ اِلَّا الضَّلٰلُ ۚۖ فَاَنّٰی تُصۡرَفُوۡنَ ﴿۳۲﴾

010.032 Fathalikumu Allahu rabbukumu alhaqqu famatha baAAda alhaqqi illa alddalalu faanna tusrafoona

Dat is Allah jullie Heer. Wat is er dan na de waarheid nog, behalve dwaling? Hoe kunnen jullie dan zo afgeleid worden?


کَذٰلِکَ حَقَّتۡ کَلِمَتُ رَبِّکَ عَلَی الَّذِیۡنَ فَسَقُوۡۤا اَنَّہُمۡ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۳۳﴾

010.033 Kathalika haqqat kalimatu rabbika AAala allatheena fasaqoo annahum la yu/minoona

Zo werd het woord van jouw Heer bewaarheid tegen hen die verdorven zijn, omdat zij niet geloven.


قُلۡ ہَلۡ مِنۡ شُرَکَآئِکُمۡ مَّنۡ یَّبۡدَؤُا الۡخَلۡقَ ثُمَّ یُعِیۡدُہٗ ؕ قُلِ اللّٰہُ یَبۡدَؤُا الۡخَلۡقَ ثُمَّ یُعِیۡدُہٗ فَاَنّٰی تُؤۡفَکُوۡنَ ﴿۳۴﴾

010.034 Qul hal min shuraka-ikum man yabdao alkhalqa thumma yuAAeeduhu quli Allahu yabdao alkhalqa thumma yuAAeeduhu faanna tu/fakoona

Zeg: "Is er onder jullie [zogenaamd goddelijke] metgezellen iemand die de schepping begint en haar daarna herhaalt?" Zeg: "Allah begint de schepping en herhaalt haar daarna. Hoe kunnen jullie je zo laten verstrooien?"


قُلۡ ہَلۡ مِنۡ شُرَکَآئِکُمۡ مَّنۡ یَّہۡدِیۡۤ اِلَی الۡحَقِّ ؕ قُلِ اللّٰہُ یَہۡدِیۡ لِلۡحَقِّ ؕ اَفَمَنۡ یَّہۡدِیۡۤ اِلَی الۡحَقِّ اَحَقُّ اَنۡ یُّتَّبَعَ اَمَّنۡ لَّا یَہِدِّیۡۤ اِلَّاۤ اَنۡ یُّہۡدٰی ۚ فَمَا لَکُمۡ ۟ کَیۡفَ تَحۡکُمُوۡنَ ﴿۳۵﴾

010.035 Qul hal min shuraka-ikum man yahdee ila alhaqqi quli Allahu yahdee lilhaqqi afaman yahdee ila alhaqqi ahaqqu an yuttabaAAa amman la yahiddee illa an yuhda fama lakum kayfa tahkumoona

Zeg: "Is er onder jullie [zogenaamd goddelijke] metgezellen iemand die tot de waarheid leidt?" Zeg: "Allah leidt tot de waarheid." Heeft dan iemand die tot de waarheid leidt er meer recht op gevolgd te worden of iemand die het goede pad niet volgt, maar zelf de goede richting gewezen moet worden? Wat is er dan met jullie? Hoe kunnen jullie oordelen?


وَ مَا یَتَّبِعُ اَکۡثَرُہُمۡ اِلَّا ظَنًّا ؕ اِنَّ الظَّنَّ لَا یُغۡنِیۡ مِنَ الۡحَقِّ شَیۡئًا ؕ اِنَّ اللّٰہَ عَلِیۡمٌۢ بِمَا یَفۡعَلُوۡنَ ﴿۳۶﴾

010.036 Wama yattabiAAu aktharuhum illa thannan inna alththanna la yughnee mina alhaqqi shay-an inna Allaha AAaleemun bima yafAAaloona

De meesten van hen volgen slechts een vermoeden, maar vermoeden baat tegen de waarheid niets. Allah weet wat zij doen.


وَ مَا کَانَ ہٰذَا الۡقُرۡاٰنُ اَنۡ یُّفۡتَرٰی مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ وَ لٰکِنۡ تَصۡدِیۡقَ الَّذِیۡ بَیۡنَ یَدَیۡہِ وَ تَفۡصِیۡلَ الۡکِتٰبِ لَا رَیۡبَ فِیۡہِ مِنۡ رَّبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۟۳۷﴾

010.037 Wama kana hatha alqur-anu an yuftara min dooni Allahi walakin tasdeeqa allathee bayna yadayhi watafseela alkitabi la rayba feehi min rabbi alAAalameena

Het is niet zo dat deze Koran buiten Allah om verzonnen kan worden, maar het is een bevestiging van wat er voordien al was en de uiteenzetting door de Heer van de wereldbewoners van het boek waaraan geen twijfel is.


اَمۡ یَقُوۡلُوۡنَ افۡتَرٰىہُ ؕ قُلۡ فَاۡتُوۡا بِسُوۡرَۃٍ مِّثۡلِہٖ وَ ادۡعُوۡا مَنِ اسۡتَطَعۡتُمۡ مِّنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۳۸﴾

010.038 Am yaqooloona iftarahu qul fa/too bisooratin mithlihi waodAAoo mani istataAAtum min dooni Allahi in kuntum sadiqeena

Of zeggen zij: "Hij heeft het verzonnen"? Zeg: "Komt dan met een overeenkomstige soera en roept wie jullie er buiten Allah om kunnen oproepen maar op, als jullie gelijk hebben."


بَلۡ کَذَّبُوۡا بِمَا لَمۡ یُحِیۡطُوۡا بِعِلۡمِہٖ وَ لَمَّا یَاۡتِہِمۡ تَاۡوِیۡلُہٗ ؕ کَذٰلِکَ کَذَّبَ الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِہِمۡ فَانۡظُرۡ کَیۡفَ کَانَ عَاقِبَۃُ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۳۹﴾

010.039 Bal kaththaboo bima lam yuheetoo biAAilmihi walamma ya/tihim ta/weeluhu kathalika kaththaba allatheena min qablihim faonthur kayfa kana AAaqibatu alththalimeena

Welnee, zij loochenen wat zij niet met hun kennis kunnen omvatten en waarvan de uitleg nog niet tot hen gekomen is. Zo hebben zij die er voor hun tijd waren ook van leugens beticht. Kijk dan hoe het einde was van de onrechtplegers.


وَ مِنۡہُمۡ مَّنۡ یُّؤۡمِنُ بِہٖ وَ مِنۡہُمۡ مَّنۡ لَّا یُؤۡمِنُ بِہٖ ؕ وَ رَبُّکَ اَعۡلَمُ بِالۡمُفۡسِدِیۡنَ ﴿٪۴۰﴾

010.040 Waminhum man yu/minu bihi waminhum man la yu/minu bihi warabbuka aAAlamu bialmufsideena

En onder hen zijn er die erin geloven en onder hen zijn er die er niet in geloven, maar jouw Heer kent de verderfbrengers het best.


وَ اِنۡ کَذَّبُوۡکَ فَقُلۡ لِّیۡ عَمَلِیۡ وَ لَکُمۡ عَمَلُکُمۡ ۚ اَنۡتُمۡ بَرِیۡٓـــُٔوۡنَ مِمَّاۤ اَعۡمَلُ وَ اَنَا بَرِیۡٓءٌ مِّمَّا تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۴۱﴾

010.041 Wa-in kaththabooka faqul lee AAamalee walakum AAamalukum antum baree-oona mimma aAAmalu waana baree-on mimma taAAmaloona

En als zij jou van leugens betichten, zeg dan: "Voor mij is wat ik doe en voor jullie wat jullie doen. Jullie hebben niets te maken met wat ik doe en ik heb niets te maken met wat jullie doen."


وَ مِنۡہُمۡ مَّنۡ یَّسۡتَمِعُوۡنَ اِلَیۡکَ ؕ اَفَاَنۡتَ تُسۡمِعُ الصُّمَّ وَ لَوۡ کَانُوۡا لَا یَعۡقِلُوۡنَ ﴿۴۲﴾

010.042 Waminhum man yastamiAAoona ilayka afaanta tusmiAAu alssumma walaw kanoo la yaAAqiloona

En onder hen zijn er die naar jou luisteren, maar ben jij het die de doven kunt laten horen, ook als zij geen verstand hebben?


وَ مِنۡہُمۡ مَّنۡ یَّنۡظُرُ اِلَیۡکَ ؕ اَفَاَنۡتَ تَہۡدِی الۡعُمۡیَ وَ لَوۡ کَانُوۡا لَا یُبۡصِرُوۡنَ ﴿۴۳﴾

010.043 Waminhum man yanthuru ilayka afaanta tahdee alAAumya walaw kanoo la yubsiroona

En onder hen zijn er die naar jou kijken, maar ben jij het die de blinden kunt leiden, ook als zij geen inzicht hebben?


اِنَّ اللّٰہَ لَا یَظۡلِمُ النَّاسَ شَیۡئًا وَّ لٰکِنَّ النَّاسَ اَنۡفُسَہُمۡ یَظۡلِمُوۡنَ ﴿۴۴﴾

010.044 Inna Allaha la yathlimu alnnasa shay-an walakinna alnnasa anfusahum yathlimoona

Allah doet de mensen geen enkel onrecht aan, maar de mensen doen zichzelf onrecht aan.


وَ یَوۡمَ یَحۡشُرُہُمۡ کَاَنۡ لَّمۡ یَلۡبَثُوۡۤا اِلَّا سَاعَۃً مِّنَ النَّہَارِ یَتَعَارَفُوۡنَ بَیۡنَہُمۡ ؕ قَدۡ خَسِرَ الَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا بِلِقَآءِ اللّٰہِ وَ مَا کَانُوۡا مُہۡتَدِیۡنَ ﴿۴۵﴾

010.045 Wayawma yahshuruhum kaan lam yalbathoo illa saAAatan mina alnnahari yataAAarafoona baynahum qad khasira allatheena kaththaboo biliqa-i Allahi wama kanoo muhtadeena

En op de dag dat Hij hen verzamelt, is het alsof het voor hen maar een uur van de dag geduurd heeft, terwijl zij elkaar herkennen. Zij die de ontmoeting met Allah loochenden zijn verloren; zij volgden het goede pad niet.


وَ اِمَّا نُرِیَنَّکَ بَعۡضَ الَّذِیۡ نَعِدُہُمۡ اَوۡ نَتَوَفَّیَنَّکَ فَاِلَیۡنَا مَرۡجِعُہُمۡ ثُمَّ اللّٰہُ شَہِیۡدٌ عَلٰی مَا یَفۡعَلُوۡنَ ﴿۴۶﴾

010.046 Wa-imma nuriyannaka baAAda allathee naAAiduhum aw natawaffayannaka fa-ilayna marjiAAuhum thumma Allahu shaheedun AAala ma yafAAaloona

Of Wij jou iets van wat Wij hun toezeggen laten zien of dat Wij jou wegnemen, tot Ons is hun terugkeer. Allah is dan getuige over wat zij doen.


وَ لِکُلِّ اُمَّۃٍ رَّسُوۡلٌ ۚ فَاِذَا جَآءَ رَسُوۡلُہُمۡ قُضِیَ بَیۡنَہُمۡ بِالۡقِسۡطِ وَ ہُمۡ لَا یُظۡلَمُوۡنَ ﴿۴۷﴾

010.047 Walikulli ommatin rasoolun fa-itha jaa rasooluhum qudiya baynahum bialqisti wahum la yuthlamoona

En voor elke gemeenschap is er een gezant. Wanneer dan hun gezant tot hen komt wordt tussen hen met rechtvaardigheid beslist en hun wordt geen onrecht aangedaan.


وَ یَقُوۡلُوۡنَ مَتٰی ہٰذَا الۡوَعۡدُ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۴۸﴾

010.048 Wayaqooloona mata hatha alwaAAdu in kuntum sadiqeena

En zij zeggen: "Wanneer zal deze aanzegging zich voordoen, als jullie gelijk hebben?"


قُلۡ لَّاۤ اَمۡلِکُ لِنَفۡسِیۡ ضَرًّا وَّ لَا نَفۡعًا اِلَّا مَا شَآءَ اللّٰہُ ؕ لِکُلِّ اُمَّۃٍ اَجَلٌ ؕ اِذَا جَآءَ اَجَلُہُمۡ فَلَا یَسۡتَاۡخِرُوۡنَ سَاعَۃً وَّ لَا یَسۡتَقۡدِمُوۡنَ ﴿۴۹﴾

010.049 Qul la amliku linafsee darran wala nafAAan illa ma shaa Allahu likulli ommatin ajalun itha jaa ajaluhum fala yasta/khiroona saAAatan wala yastaqdimoona

Zeg: "Ik geen heb macht om mezelf tot schade of tot nut te zijn, afgezien van wat Allah wil. Voor iedere gemeenschap is er een termijn; wanneer hun termijn komt dan zullen zij geen uur te laat ontboden worden noch te vroeg."


قُلۡ اَرَءَیۡتُمۡ اِنۡ اَتٰىکُمۡ عَذَابُہٗ بَیَاتًا اَوۡ نَہَارًا مَّاذَا یَسۡتَعۡجِلُ مِنۡہُ الۡمُجۡرِمُوۡنَ ﴿۵۰﴾

010.050 Qul araaytum in atakum AAathabuhu bayatan aw naharan matha yastaAAjilu minhu almujrimoona

Zeg: "Hoe zien jullie het? Als Zijn bestraffing 's nachts tot jullie komt of overdag -- wat zouden de boosdoeners er dan van willen verhaasten? --


اَثُمَّ اِذَا مَا وَقَعَ اٰمَنۡتُمۡ بِہٖ ؕ آٰلۡـٰٔنَ وَ قَدۡ کُنۡتُمۡ بِہٖ تَسۡتَعۡجِلُوۡنَ ﴿۵۱﴾

010.051 Athumma itha ma waqaAAa amantum bihi al-ana waqad kuntum bihi tastaAAjiloona

zullen jullie dan wanneer het gebeurt erin geloven? Nu wel? En jullie hadden het nog wel willen verhaasten."


ثُمَّ قِیۡلَ لِلَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡا ذُوۡقُوۡا عَذَابَ الۡخُلۡدِ ۚ ہَلۡ تُجۡزَوۡنَ اِلَّا بِمَا کُنۡتُمۡ تَکۡسِبُوۡنَ ﴿۵۲﴾

010.052 Thumma qeela lillatheena thalamoo thooqoo AAathaba alkhuldi hal tujzawna illa bima kuntum taksiboona

Dan wordt tegen hen die onrecht plegen gezegd: "Proeft de altijddurende bestraffing. Wordt aan jullie iets anders vergolden dan wat jullie begaan hebben?" *


وَ یَسۡتَنۡۢبِئُوۡنَکَ اَحَقٌّ ہُوَ ؕؔ قُلۡ اِیۡ وَ رَبِّیۡۤ اِنَّہٗ لَحَقٌّ ۚؕؔ وَ مَاۤ اَنۡتُمۡ بِمُعۡجِزِیۡنَ ﴿٪۵۳﴾

010.053 Wayastanbi-oonaka ahaqqun huwa qul ee warabbee innahu lahaqqun wama antum bimuAAjizeena

En zij zullen jou vragen om mee te delen of het waar is. Zeg: "Ja, bij mijn Heer het is waar en jullie kunnen er niets tegen doen."


وَ لَوۡ اَنَّ لِکُلِّ نَفۡسٍ ظَلَمَتۡ مَا فِی الۡاَرۡضِ لَافۡتَدَتۡ بِہٖ ؕ وَ اَسَرُّوا النَّدَامَۃَ لَمَّا رَاَوُا الۡعَذَابَ ۚ وَ قُضِیَ بَیۡنَہُمۡ بِالۡقِسۡطِ وَ ہُمۡ لَا یُظۡلَمُوۡنَ ﴿۵۴﴾

010.054 Walaw anna likulli nafsin thalamat ma fee al-ardi laiftadat bihi waasarroo alnnadamata lamma raawoo alAAathaba waqudiya baynahum bialqisti wahum la yuthlamoona

En als iedereen die onrecht pleegde zou bezitten wat er op de aarde is, dan zou hij zich ermee willen vrijkopen. Heimelijk hebben zij dan spijt wanneer zij de bestraffing zien. En er wordt tussen hen met rechtvaardigheid beslist en hun wordt geen onrecht aangedaan.


اَلَاۤ اِنَّ لِلّٰہِ مَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ اَلَاۤ اِنَّ وَعۡدَ اللّٰہِ حَقٌّ وَّ لٰکِنَّ اَکۡثَرَہُمۡ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۵۵﴾

010.055 Ala inna lillahi ma fee alssamawati waal-ardi ala inna waAAda Allahi haqqun walakinna aktharahum la yaAAlamoona

Zeker, van Allah is wat er in de hemelen en de aarde is. Allah's toezegging is zeker waar, maar de meesten van hen weten het niet.


ہُوَ یُحۡیٖ وَ یُمِیۡتُ وَ اِلَیۡہِ تُرۡجَعُوۡنَ ﴿۵۶﴾

010.056 Huwa yuhyee wayumeetu wa-ilayhi turjaAAoona

Hij geeft leven en Hij laat sterven en tot Hem zullen jullie terugkeren.


یٰۤاَیُّہَا النَّاسُ قَدۡ جَآءَتۡکُمۡ مَّوۡعِظَۃٌ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ وَ شِفَآءٌ لِّمَا فِی الصُّدُوۡرِ ۬ۙ وَ ہُدًی وَّ رَحۡمَۃٌ لِّلۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۵۷﴾

010.057 Ya ayyuha alnnasu qad jaatkum mawAAithatun min rabbikum washifaon lima fee alssudoori wahudan warahmatun lilmu/mineena

O mensen, tot jullie is een aansporing van jullie Heer gekomen en een genezing voor wat er in de harten is en een leidraad en barmhartigheid voor de gelovigen.


قُلۡ بِفَضۡلِ اللّٰہِ وَ بِرَحۡمَتِہٖ فَبِذٰلِکَ فَلۡیَفۡرَحُوۡا ؕ ہُوَ خَیۡرٌ مِّمَّا یَجۡمَعُوۡنَ ﴿۵۸﴾

010.058 Qul bifadli Allahi wabirahmatihi fabithalika falyafrahoo huwa khayrun mimma yajmaAAoona

Zeg: "Over Allah's goedgunstigheid en over Zijn barmhartigheid, daarover moeten zij zich verheugen. Dat is beter dan wat zij bijeenbrengen."


قُلۡ اَرَءَیۡتُمۡ مَّاۤ اَنۡزَلَ اللّٰہُ لَکُمۡ مِّنۡ رِّزۡقٍ فَجَعَلۡتُمۡ مِّنۡہُ حَرَامًا وَّ حَلٰلًا ؕ قُلۡ آٰللّٰہُ اَذِنَ لَکُمۡ اَمۡ عَلَی اللّٰہِ تَفۡتَرُوۡنَ ﴿۵۹﴾

010.059 Qul araaytum ma anzala Allahu lakum min rizqin fajaAAaltum minhu haraman wahalalan qul allahu athina lakum am AAala Allahi taftaroona

Zeg: "Hoe lijkt het jullie? Wat Allah voor jullie als levensonderhoud heeft laten neerdalen en waarvan jullie verboden en toegestane dingen hebben gemaakt?" Zeg: "Heeft Allah jullie toestemming gegeven of verzinnen jullie iets over Allah?"


وَ مَا ظَنُّ الَّذِیۡنَ یَفۡتَرُوۡنَ عَلَی اللّٰہِ الۡکَذِبَ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ ؕ اِنَّ اللّٰہَ لَذُوۡ فَضۡلٍ عَلَی النَّاسِ وَ لٰکِنَّ اَکۡثَرَہُمۡ لَا یَشۡکُرُوۡنَ ﴿٪۶۰﴾

010.060 Wama thannu allatheena yaftaroona AAala Allahi alkathiba yawma alqiyamati inna Allaha lathoo fadlin AAala alnnasi walakinna aktharahum la yashkuroona

En wat zal de mening van hen die over Allah bedrog verzinnen op de opstandingsdag zijn? Allah is vol van goedgunstigheid jegens de mensen, maar de meeste mensen zijn niet dankbaar.


وَ مَا تَکُوۡنُ فِیۡ شَاۡنٍ وَّ مَا تَتۡلُوۡا مِنۡہُ مِنۡ قُرۡاٰنٍ وَّ لَا تَعۡمَلُوۡنَ مِنۡ عَمَلٍ اِلَّا کُنَّا عَلَیۡکُمۡ شُہُوۡدًا اِذۡ تُفِیۡضُوۡنَ فِیۡہِ ؕ وَ مَا یَعۡزُبُ عَنۡ رَّبِّکَ مِنۡ مِّثۡقَالِ ذَرَّۃٍ فِی الۡاَرۡضِ وَ لَا فِی السَّمَآءِ وَ لَاۤ اَصۡغَرَ مِنۡ ذٰلِکَ وَ لَاۤ اَکۡبَرَ اِلَّا فِیۡ کِتٰبٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۶۱﴾

010.061 Wama takoonu fee sha/nin wama tatloo minhu min qur-anin wala taAAmaloona min AAamalin illa kunna AAalaykum shuhoodan ith tufeedoona feehi wama yaAAzubu AAan rabbika min mithqali tharratin fee al-ardi wala fee alssama-i wala asghara min thalika wala akbara illa fee kitabin mubeenun

Jij bent met geen zaak bezig, jij leest daarover geen Koran voor en jullie doen helemaal niets zonder dat Wij over jullie getuigen zijn wanneer jullie ermee aan de slag gaan. En aan jouw Heer ontgaat er geen greintje op de aarde noch in de hemel. En er is niets wat nog kleiner is, noch groter of het staat in een duidelijk boek.


اَلَاۤ اِنَّ اَوۡلِیَآءَ اللّٰہِ لَا خَوۡفٌ عَلَیۡہِمۡ وَ لَا ہُمۡ یَحۡزَنُوۡنَ ﴿ۚۖ۶۲﴾

010.062 Ala inna awliyaa Allahi la khawfun AAalayhim wala hum yahzanoona

Zeker, Allah's helpers hebben niets te vrezen, noch zullen zij bedroefd zijn,


الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ کَانُوۡا یَتَّقُوۡنَ ﴿ؕ۶۳﴾

010.063 Allatheena amanoo wakanoo yattaqoona

die geloofden en godvrezend waren.


لَہُمُ الۡبُشۡرٰی فِی الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا وَ فِی الۡاٰخِرَۃِ ؕ لَا تَبۡدِیۡلَ لِکَلِمٰتِ اللّٰہِ ؕ ذٰلِکَ ہُوَ الۡفَوۡزُ الۡعَظِیۡمُ ﴿ؕ۶۴﴾

010.064 Lahumu albushra fee alhayati alddunya wafee al-akhirati la tabdeela likalimati Allahi thalika huwa alfawzu alAAatheemu

Voor hen is het goede nieuws in het tegenwoordige leven en het hiernamaals. Allah's woorden zijn niet te veranderen. Dat is de geweldige triomf.


وَ لَا یَحۡزُنۡکَ قَوۡلُہُمۡ ۘ اِنَّ الۡعِزَّۃَ لِلّٰہِ جَمِیۡعًا ؕ ہُوَ السَّمِیۡعُ الۡعَلِیۡمُ ﴿۶۵﴾

010.065 Wala yahzunka qawluhum inna alAAizzata lillahi jameeAAan huwa alssameeAAu alAAaleemu

Laat wat zij zeggen jou niet bedroefd maken. De macht behoort Allah geheel toe. Hij is de horende, de wetende.


اَلَاۤ اِنَّ لِلّٰہِ مَنۡ فِی السَّمٰوٰتِ وَ مَنۡ فِی الۡاَرۡضِ ؕ وَ مَا یَتَّبِعُ الَّذِیۡنَ یَدۡعُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ شُرَکَآءَ ؕ اِنۡ یَّـتَّبِعُوۡنَ اِلَّا الظَّنَّ وَ اِنۡ ہُمۡ اِلَّا یَخۡرُصُوۡنَ ﴿۶۶﴾

010.066 Ala inna lillahi man fee alssamawati waman fee al-ardi wama yattabiAAu allatheena yadAAoona min dooni Allahi shurakaa in yattabiAAoona illa alththanna wa-in hum illa yakhrusoona

Zeker, van Allah is wie in de hemelen en wie op de aarde is. Wat volgen zij die [zogenaamd goddelijke] metgezellen in plaats van Allah aanroepen? Zij volgen alleen maar vermoedens en zij gissen slechts.


ہُوَ الَّذِیۡ جَعَلَ لَکُمُ الَّیۡلَ لِتَسۡکُنُوۡا فِیۡہِ وَ النَّہَارَ مُبۡصِرًا ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیٰتٍ لِّقَوۡمٍ یَّسۡمَعُوۡنَ ﴿۶۷﴾

010.067 Huwa allathee jaAAala lakumu allayla litaskunoo feehi waalnnahara mubsiran inna fee thalika laayatin liqawmin yasmaAAoona

Hij is het die voor jullie de nacht gemaakt heeft om erin te rusten en de dag om te zien. Daarin zijn tekenen voor mensen die horen.


قَالُوا اتَّخَذَ اللّٰہُ وَلَدًا سُبۡحٰنَہٗ ؕ ہُوَ الۡغَنِیُّ ؕ لَہٗ مَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ مَا فِی الۡاَرۡضِ ؕ اِنۡ عِنۡدَکُمۡ مِّنۡ سُلۡطٰنٍۭ بِہٰذَا ؕ اَتَقُوۡلُوۡنَ عَلَی اللّٰہِ مَا لَا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۶۸﴾

010.068 Qaloo ittakhatha Allahu waladan subhanahu huwa alghaniyyu lahu ma fee alssamawati wama fee al-ardi in AAindakum min sultanin bihatha ataqooloona AAala Allahi ma la taAAlamoona

Zij zeggen: "Allah heeft zich een kind genomen." Geprezen zij Hij. Hij is behoefteloos, van Hem is wat er in de hemelen en wat er op de aarde is. Jullie hebben hiervoor geen machtiging. Zeggen jullie over Allah waar jullie geen weet van hebben?


قُلۡ اِنَّ الَّذِیۡنَ یَفۡتَرُوۡنَ عَلَی اللّٰہِ الۡکَذِبَ لَا یُفۡلِحُوۡنَ ﴿ؕ۶۹﴾

010.069 Qul inna allatheena yaftaroona AAala Allahi alkathiba la yuflihoona

Zeg: "Het zal hun niet welgaan die over Allah bedrog verzinnen."


مَتَاعٌ فِی الدُّنۡیَا ثُمَّ اِلَیۡنَا مَرۡجِعُہُمۡ ثُمَّ نُذِیۡقُہُمُ الۡعَذَابَ الشَّدِیۡدَ بِمَا کَانُوۡا یَکۡفُرُوۡنَ ﴿٪۷۰﴾

010.070 MataAAun fee alddunya thumma ilayna marjiAAuhum thumma nutheequhumu alAAathaba alshshadeeda bima kanoo yakfuroona

[Zij hebben slechts] genot in het tegenwoordige leven. Daarna is hun terugkeer tot Ons. Dan zullen Wij hun de strenge bestraffing laten proeven, omdat zij ongelovig waren. *


وَ اتۡلُ عَلَیۡہِمۡ نَبَاَ نُوۡحٍ ۘ اِذۡ قَالَ لِقَوۡمِہٖ یٰقَوۡمِ اِنۡ کَانَ کَبُرَ عَلَیۡکُمۡ مَّقَامِیۡ وَ تَذۡکِیۡرِیۡ بِاٰیٰتِ اللّٰہِ فَعَلَی اللّٰہِ تَوَکَّلۡتُ فَاَجۡمِعُوۡۤا اَمۡرَکُمۡ وَ شُرَکَآءَکُمۡ ثُمَّ لَا یَکُنۡ اَمۡرُکُمۡ عَلَیۡکُمۡ غُمَّۃً ثُمَّ اقۡضُوۡۤا اِلَیَّ وَ لَا تُنۡظِرُوۡنِ ﴿۷۱﴾

010.071 Waotlu AAalayhim nabaa noohin ith qala liqawmihi ya qawmi in kana kabura AAalaykum maqamee watathkeeree bi-ayati Allahi faAAala Allahi tawakkaltu faajmiAAoo amrakum washurakaakum thumma la yakun amrukum AAalaykum ghummatan thumma iqdoo ilayya wala tunthirooni

En draag hun de mededeling over Noeh voor. Toen hij tot zijn volk zei: "O mensen, al is mijn optreden en mijn herinneren aan Allah's tekenen jullie te veel, toch blijf ik op Allah mijn vertrouwen stellen. Wordt het samen met jullie [zogenaamd goddelijke] metgezellen eens over jullie zaak en laat dat voor jullie dan ook niet vaag zijn. Houdt je dan met mij bezig en laat mij dan niet wachten.


فَاِنۡ تَوَلَّیۡتُمۡ فَمَا سَاَلۡتُکُمۡ مِّنۡ اَجۡرٍ ؕ اِنۡ اَجۡرِیَ اِلَّا عَلَی اللّٰہِ ۙوَ اُمِرۡتُ اَنۡ اَکُوۡنَ مِنَ الۡمُسۡلِمِیۡنَ ﴿۷۲﴾

010.072 Fa-in tawallaytum fama saaltukum min ajrin in ajriya illa AAala Allahi waomirtu an akoona mina almuslimeena

Als jullie je dan afkeren, ik heb jullie geen loon gevraagd. Slechts Allah is belast met mijn loon. En mij is bevolen tot hen te behoren die zich [aan Allah] overgeven."


فَکَذَّبُوۡہُ فَنَجَّیۡنٰہُ وَ مَنۡ مَّعَہٗ فِی الۡفُلۡکِ وَ جَعَلۡنٰہُمۡ خَلٰٓئِفَ وَ اَغۡرَقۡنَا الَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا ۚ فَانۡظُرۡ کَیۡفَ کَانَ عَاقِبَۃُ الۡمُنۡذَرِیۡنَ ﴿۷۳﴾

010.073 Fakaththaboohu fanajjaynahu waman maAAahu fee alfulki wajaAAalnahum khala-ifa waaghraqna allatheena kaththaboo bi-ayatina faonthur kayfa kana AAaqibatu almunthareena

Zij betichtten hem toen van leugens, maar Wij redden hem en wie er met hem in het schip waren en Wij maakten hen tot opvolgers. Maar Wij lieten hen die Onze tekenen loochenden verdrinken. Kijk dan hoe het einde was van de gewaarschuwden.


ثُمَّ بَعَثۡنَا مِنۡۢ بَعۡدِہٖ رُسُلًا اِلٰی قَوۡمِہِمۡ فَجَآءُوۡہُمۡ بِالۡبَیِّنٰتِ فَمَا کَانُوۡا لِیُؤۡمِنُوۡا بِمَا کَذَّبُوۡا بِہٖ مِنۡ قَبۡلُ ؕ کَذٰلِکَ نَطۡبَعُ عَلٰی قُلُوۡبِ الۡمُعۡتَدِیۡنَ ﴿۷۴﴾

010.074 Thumma baAAathna min baAAdihi rusulan ila qawmihim fajaoohum bialbayyinati fama kanoo liyu/minoo bima kaththaboo bihi min qablu kathalika natbaAAu AAala quloobi almuAAtadeena

Toen zonden Wij na hem gezanten naar hun volk; zij brachten hun de duidelijke bewijzen. Maar zij waren niet zo dat zij geloofden in wat zij eerder geloochend hadden. Zo verzegelen Wij de harten van hen die overtredingen begaan.


ثُمَّ بَعَثۡنَا مِنۡۢ بَعۡدِہِمۡ مُّوۡسٰی وَ ہٰرُوۡنَ اِلٰی فِرۡعَوۡنَ وَ مَلَا۠ئِہٖ بِاٰیٰتِنَا فَاسۡتَکۡبَرُوۡا وَ کَانُوۡا قَوۡمًا مُّجۡرِمِیۡنَ ﴿۷۵﴾

010.075 Thumma baAAathna min baAAdihim moosa waharoona ila firAAawna wamala-ihi bi-ayatina faistakbaroo wakanoo qawman mujrimeena

Toen zonden Wij na hen Moesa en Haroen met Onze tekenen naar Fir'aun en zijn raad van voornaamsten, maar zij waren hoogmoedige en misdadige mensen.


فَلَمَّا جَآءَہُمُ الۡحَقُّ مِنۡ عِنۡدِنَا قَالُوۡۤا اِنَّ ہٰذَا لَسِحۡرٌ مُّبِیۡنٌ ﴿۷۶﴾

010.076 Falamma jaahumu alhaqqu min AAindina qaloo inna hatha lasihrun mubeenun

Toen dan de waarheid van Ons tot hen kwam zeiden zij: "Dit is duidelijk toverij."


قَالَ مُوۡسٰۤی اَتَقُوۡلُوۡنَ لِلۡحَقِّ لَمَّا جَآءَکُمۡ ؕ اَسِحۡرٌ ہٰذَا ؕ وَ لَا یُفۡلِحُ السّٰحِرُوۡنَ ﴿۷۷﴾

010.077 Qala moosa ataqooloona lilhaqqi lamma jaakum asihrun hatha wala yuflihu alssahiroona

Moesa zei: "Zeggen jullie [dat] tegen de waarheid wanneer die tot jullie komt? Is dit toverij? Tovenaars zal het niet welgaan."


قَالُوۡۤا اَجِئۡتَنَا لِتَلۡفِتَنَا عَمَّا وَجَدۡنَا عَلَیۡہِ اٰبَآءَنَا وَ تَکُوۡنَ لَکُمَا الۡکِبۡرِیَآءُ فِی الۡاَرۡضِ ؕ وَ مَا نَحۡنُ لَکُمَا بِمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۷۸﴾

010.078 Qaloo aji/tana litalfitana AAamma wajadna AAalayhi abaana watakoona lakuma alkibriyao fee al-ardi wama nahnu lakuma bimu/mineena

Zij zeiden: "Ben jij tot ons gekomen om ons daarvan af te brengen waarvan wij gemerkt hebben dat onze vaderen eraan gewoon waren en opdat de hoogste macht in het land voor jullie beiden zal zijn? Maar wij hechten aan jullie geen geloof."


وَ قَالَ فِرۡعَوۡنُ ائۡتُوۡنِیۡ بِکُلِّ سٰحِرٍ عَلِیۡمٍ ﴿۷۹﴾

010.079 Waqala firAAawnu i/toonee bikulli sahirin AAaleemin

En Fir'aun zei: "Breng mij elke kundige tovenaar."


فَلَمَّا جَآءَ السَّحَرَۃُ قَالَ لَہُمۡ مُّوۡسٰۤی اَلۡقُوۡا مَاۤ اَنۡتُمۡ مُّلۡقُوۡنَ ﴿۸۰﴾

010.080 Falamma jaa alssaharatu qala lahum moosa alqoo ma antum mulqoona

En toen de tovenaars kwamen zei Moesa tot hen: "Werpt wat jullie te werpen hebt."


فَلَمَّاۤ اَلۡقَوۡا قَالَ مُوۡسٰی مَا جِئۡتُمۡ بِہِ ۙ السِّحۡرُ ؕ اِنَّ اللّٰہَ سَیُبۡطِلُہٗ ؕ اِنَّ اللّٰہَ لَا یُصۡلِحُ عَمَلَ الۡمُفۡسِدِیۡنَ ﴿۸۱﴾

010.081 Falamma alqaw qala moosa ma ji/tum bihi alssihru inna Allaha sayubtiluhu inna Allaha la yuslihu AAamala almufsideena

En toen zij geworpen hadden zei Moesa: "Wat jullie vertoond hebben is toverij! Allah zal het tenietdoen. Allah geeft geen goede afloop aan het werk van de verderfbrengers."


وَ یُحِقُّ اللّٰہُ الۡحَقَّ بِکَلِمٰتِہٖ وَ لَوۡ کَرِہَ الۡمُجۡرِمُوۡنَ ﴿٪۸۲﴾

010.082 Wayuhiqqu Allahu alhaqqa bikalimatihi walaw kariha almujrimoona

Allah bevestigt de waarheid met Zijn woorden ook al staat het de boosdoeners tegen.


فَمَاۤ اٰمَنَ لِمُوۡسٰۤی اِلَّا ذُرِّیَّۃٌ مِّنۡ قَوۡمِہٖ عَلٰی خَوۡفٍ مِّنۡ فِرۡعَوۡنَ وَ مَلَا۠ئِہِمۡ اَنۡ یَّفۡتِنَہُمۡ ؕ وَ اِنَّ فِرۡعَوۡنَ لَعَالٍ فِی الۡاَرۡضِ ۚ وَ اِنَّہٗ لَمِنَ الۡمُسۡرِفِیۡنَ ﴿۸۳﴾

010.083 Fama amana limoosa illa thurriyyatun min qawmihi AAala khawfin min firAAawna wamala-ihim an yaftinahum wa-inna firAAawna laAAalin fee al-ardi wa-innahu lamina almusrifeena

Moesa werd slechts door enige jongeren van zijn volk geloofd ondanks hun vrees voor Fir'aun en hun voornaamsten dat hij hen in verzoeking zou brengen. En Fir'aun had de overhand in het land en hij behoorde tot de onmatigen.


وَ قَالَ مُوۡسٰی یٰقَوۡمِ اِنۡ کُنۡتُمۡ اٰمَنۡتُمۡ بِاللّٰہِ فَعَلَیۡہِ تَوَکَّلُوۡۤا اِنۡ کُنۡتُمۡ مُّسۡلِمِیۡنَ ﴿۸۴﴾

010.084 Waqala moosa ya qawmi in kuntum amantum biAllahi faAAalayhi tawakkaloo in kuntum muslimeena

En Moesa zei: "Mijn volk! Als jullie in Allah geloven, moeten jullie op Hem je vertrouwen stellen als jullie behoren tot hen die zich [aan Allah] overgeven."


فَقَالُوۡا عَلَی اللّٰہِ تَوَکَّلۡنَا ۚ رَبَّنَا لَا تَجۡعَلۡنَا فِتۡنَۃً لِّلۡقَوۡمِ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿ۙ۸۵﴾

010.085 Faqaloo AAala Allahi tawakkalna rabbana la tajAAalna fitnatan lilqawmi alththalimeena

Toen zeiden zij: "Op Allah stellen wij ons vertrouwen. Onze Heer, maak ons niet tot een verzoeking voor de mensen die onrecht plegen.


وَ نَجِّنَا بِرَحۡمَتِکَ مِنَ الۡقَوۡمِ الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۸۶﴾

010.086 Wanajjina birahmatika mina alqawmi alkafireena

En red ons in Uw barmhartigheid van de ongelovige mensen."


وَ اَوۡحَیۡنَاۤ اِلٰی مُوۡسٰی وَ اَخِیۡہِ اَنۡ تَبَوَّاٰ لِقَوۡمِکُمَا بِمِصۡرَ بُیُوۡتًا وَّ اجۡعَلُوۡا بُیُوۡتَکُمۡ قِبۡلَۃً وَّ اَقِیۡمُوا الصَّلٰوۃَ ؕ وَ بَشِّرِ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۸۷﴾

010.087 Waawhayna ila moosa waakheehi an tabawwaa liqawmikuma bimisra buyootan waijAAaloo buyootakum qiblatan waaqeemoo alssalata wabashshiri almu/mineena

En Wij openbaarden aan Moesa en zijn broeder: "Zoekt voor jullie volk in Egypte onderdak in huizen en brengt in jullie huizen een gebedsrichting aan en verricht de salaat en verkondigt het goede nieuws aan de gelovigen."


وَ قَالَ مُوۡسٰی رَبَّنَاۤ اِنَّکَ اٰتَیۡتَ فِرۡعَوۡنَ وَ مَلَاَہٗ زِیۡنَۃً وَّ اَمۡوَالًا فِی الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا ۙ رَبَّنَا لِیُضِلُّوۡا عَنۡ سَبِیۡلِکَ ۚ رَبَّنَا اطۡمِسۡ عَلٰۤی اَمۡوَالِہِمۡ وَ اشۡدُدۡ عَلٰی قُلُوۡبِہِمۡ فَلَا یُؤۡمِنُوۡا حَتّٰی یَرَوُا الۡعَذَابَ الۡاَلِیۡمَ ﴿۸۸﴾

010.088 Waqala moosa rabbana innaka atayta firAAawna wamalaahu zeenatan waamwalan fee alhayati alddunya rabbana liyudilloo AAan sabeelika rabbana itmis AAala amwalihim waoshdud AAala quloobihim fala yu/minoo hatta yarawoo alAAathaba al-aleema

En Moesa zei: "Onze Heer, U hebt aan Fir'aun en zijn raad van voornaamsten luister en bezittingen in het tegenwoordige leven gegeven, onze Heer, om [hen] van Uw weg te laten afdwalen. Onze Heer, verwijder hun bezittingen en verhard hun harten zodat zij niet geloven tot zij de pijnlijke bestraffing zien."


قَالَ قَدۡ اُجِیۡبَتۡ دَّعۡوَتُکُمَا فَاسۡتَقِیۡمَا وَ لَا تَتَّبِعٰٓنِّ سَبِیۡلَ الَّذِیۡنَ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۸۹﴾

010.089 Qala qad ojeebat daAAwatukuma faistaqeema wala tattabiAAanni sabeela allatheena la yaAAlamoona

Hij zei: "Jullie beider gebed is verhoord. Handelt dan correct en volgt niet de weg van hen die niet weten." *


وَ جٰوَزۡنَا بِبَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ الۡبَحۡرَ فَاَتۡبَعَہُمۡ فِرۡعَوۡنُ وَ جُنُوۡدُہٗ بَغۡیًا وَّ عَدۡوًا ؕ حَتّٰۤی اِذَاۤ اَدۡرَکَہُ الۡغَرَقُ ۙ قَالَ اٰمَنۡتُ اَنَّہٗ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا الَّذِیۡۤ اٰمَنَتۡ بِہٖ بَنُوۡۤا اِسۡرَآءِیۡلَ وَ اَنَا مِنَ الۡمُسۡلِمِیۡنَ ﴿۹۰﴾

010.090 Wajawazna bibanee isra-eela albahra faatbaAAahum firAAawnu wajunooduhu baghyan waAAadwan hatta itha adrakahu algharaqu qala amantu annahu la ilaha illa allathee amanat bihi banoo isra-eela waana mina almuslimeena

En Wij lieten de IsraŽlieten de zee oversteken, waarop Fir'aun en zijn troepen hen uit opstandigheid en om te overtreden achtervolgden. Maar toen ten slotte de verdrinking hem verraste zei hij: "Ik geloof dat er geen god is dan Hij in wie de IsraŽlieten geloven en ik behoor tot hen die zich [aan Allah] overgeven."


آٰلۡـٰٔنَ وَ قَدۡ عَصَیۡتَ قَبۡلُ وَ کُنۡتَ مِنَ الۡمُفۡسِدِیۡنَ ﴿۹۱﴾

010.091 Al-ana waqad AAasayta qablu wakunta mina almufsideena

Nu wel? Terwijl jij eerst ongehoorzaam was en tot de verderfbrengers behoorde!


فَالۡیَوۡمَ نُنَجِّیۡکَ بِبَدَنِکَ لِتَکُوۡنَ لِمَنۡ خَلۡفَکَ اٰیَۃً ؕ وَ اِنَّ کَثِیۡرًا مِّنَ النَّاسِ عَنۡ اٰیٰتِنَا لَغٰفِلُوۡنَ ﴿٪۹۲﴾

010.092 Faalyawma nunajjeeka bibadanika litakoona liman khalfaka ayatan wa-inna katheeran mina alnnasi AAan ayatina laghafiloona

Vandaag zullen Wij jou met je lichaam redden opdat jij voor wie na jou komen een teken zult zijn. Maar veel van de mensen letten niet op Onze tekenen.


وَ لَقَدۡ بَوَّاۡنَا بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ مُبَوَّاَ صِدۡقٍ وَّ رَزَقۡنٰہُمۡ مِّنَ الطَّیِّبٰتِ ۚ فَمَا اخۡتَلَفُوۡا حَتّٰی جَآءَہُمُ الۡعِلۡمُ ؕ اِنَّ رَبَّکَ یَقۡضِیۡ بَیۡنَہُمۡ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ فِیۡمَا کَانُوۡا فِیۡہِ یَخۡتَلِفُوۡنَ ﴿۹۳﴾

010.093 Walaqad bawwa/na banee isra-eela mubawwaa sidqin warazaqnahum mina alttayyibati fama ikhtalafoo hatta jaahumu alAAilmu inna rabbaka yaqdee baynahum yawma alqiyamati feema kanoo feehi yakhtalifoona

En Wij gaven de IsraŽlieten onderdak in een betrouwbaar onderkomen en voorzagen met goede dingen in hun onderhoud en zij zijn het pas oneens geworden nadat tot hen de kennis gekomen was. Jouw Heer zal op de opstandingsdag tussen hen oordelen over dat waarover zij het oneens waren.


فَاِنۡ کُنۡتَ فِیۡ شَکٍّ مِّمَّاۤ اَنۡزَلۡنَاۤ اِلَیۡکَ فَسۡـَٔلِ الَّذِیۡنَ یَقۡرَءُوۡنَ الۡکِتٰبَ مِنۡ قَبۡلِکَ ۚ لَقَدۡ جَآءَکَ الۡحَقُّ مِنۡ رَّبِّکَ فَلَا تَکُوۡنَنَّ مِنَ الۡمُمۡتَرِیۡنَ ﴿ۙ۹۴﴾

010.094 Fa-in kunta fee shakkin mimma anzalnna ilayka fais-ali allatheena yaqraoona alkitaba min qablika laqad jaaka alhaqqu min rabbika fala takoonanna mina almumtareena

Maar als jij in twijfel verkeert over wat Wij naar jou hebben neergezonden vraag dan aan hen die het boek al van voor jouw tijd lezen. Tot jou is de waarheid van jouw Heer gekomen, wees dus niet een van hen die het in twijfel trekken.


وَ لَا تَکُوۡنَنَّ مِنَ الَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِ اللّٰہِ فَتَکُوۡنَ مِنَ الۡخٰسِرِیۡنَ ﴿۹۵﴾

010.095 Wala takoonanna mina allatheena kaththaboo bi-ayati Allahi fatakoona mina alkhasireena

En wees niet een van hen die Allah's tekenen loochenen; dan zul jij tot de verliezers behoren.


اِنَّ الَّذِیۡنَ حَقَّتۡ عَلَیۡہِمۡ کَلِمَتُ رَبِّکَ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿ۙ۹۶﴾

010.096 Inna allatheena haqqat AAalayhim kalimatu rabbika la yu/minoona

Zij, tegen wie het woord van jouw Heer zich bewaarheid heeft, zullen niet geloven --


وَ لَوۡ جَآءَتۡہُمۡ کُلُّ اٰیَۃٍ حَتّٰی یَرَوُا الۡعَذَابَ الۡاَلِیۡمَ ﴿۹۷﴾

010.097 Walaw jaat-hum kullu ayatin hatta yarawoo alAAathaba al-aleema

ook al komt elk teken tot hen -- totdat zij de pijnlijke bestraffing zien.


فَلَوۡ لَا کَانَتۡ قَرۡیَۃٌ اٰمَنَتۡ فَنَفَعَہَاۤ اِیۡمَانُہَاۤ اِلَّا قَوۡمَ یُوۡنُسَ ؕ لَمَّاۤ اٰمَنُوۡا کَشَفۡنَا عَنۡہُمۡ عَذَابَ الۡخِزۡیِ فِی الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا وَ مَتَّعۡنٰہُمۡ اِلٰی حِیۡنٍ ﴿۹۸﴾

010.098 Falawla kanat qaryatun amanat fanafaAAaha eemanuha illa qawma yoonusa lamma amanoo kashafna AAanhum AAathaba alkhizyi fee alhayati alddunya wamattaAAnahum ila heenin

Waarom is er geen andere stad geweest die tot geloof kwam en die dan nut van haar geloof had dan het volk van Joenoes? Toen zij tot geloof kwamen hieven Wij de bestraffing van de schande in het tegenwoordige leven van hen op en Wij gaven hun een tijdelijk vruchtgebruik.


وَ لَوۡ شَآءَ رَبُّکَ لَاٰمَنَ مَنۡ فِی الۡاَرۡضِ کُلُّہُمۡ جَمِیۡعًا ؕ اَفَاَنۡتَ تُکۡرِہُ النَّاسَ حَتّٰی یَکُوۡنُوۡا مُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۹۹﴾

010.099 Walaw shaa rabbuka laamana man fee al-ardi kulluhum jameeAAan afaanta tukrihu alnnasa hatta yakoonoo mu/mineena

En als jouw Heer het had gewild, hadden wie er op de aarde zijn allen geloofd. Of kun jij de mensen dwingen gelovigen te worden?


وَ مَا کَانَ لِنَفۡسٍ اَنۡ تُؤۡمِنَ اِلَّا بِاِذۡنِ اللّٰہِ ؕ وَ یَجۡعَلُ الرِّجۡسَ عَلَی الَّذِیۡنَ لَا یَعۡقِلُوۡنَ ﴿۱۰۰﴾

010.100 Wama kana linafsin an tu/mina illa bi-ithni Allahi wayajAAalu alrrijsa AAala allatheena la yaAAqiloona

Niemand kan geloven zonder Allah's toestemming en Hij legt de gruwelijke straf op aan hen die niet verstandig zijn.


قُلِ انۡظُرُوۡا مَاذَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ وَ مَا تُغۡنِی الۡاٰیٰتُ وَ النُّذُرُ عَنۡ قَوۡمٍ لَّا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۱۰۱﴾

010.101 Quli onthuroo matha fee alssamawati waal-ardi wama tughnee al-ayatu waalnnuthuru AAan qawmin la yu/minoona

Zeg: "Kijkt naar wat er in de hemelen en op de aarde is." Maar de tekenen en de waarschuwingen baten de mensen niet die niet geloven.


فَہَلۡ یَنۡتَظِرُوۡنَ اِلَّا مِثۡلَ اَیَّامِ الَّذِیۡنَ خَلَوۡا مِنۡ قَبۡلِہِمۡ ؕ قُلۡ فَانۡتَظِرُوۡۤا اِنِّیۡ مَعَکُمۡ مِّنَ الۡمُنۡتَظِرِیۡنَ ﴿۱۰۲﴾

010.102 Fahal yantathiroona illa mithla ayyami allatheena khalaw min qablihim qul faintathiroo innee maAAakum mina almuntathireena

Kunnen zij dan iets anders verwachten dan wat overeenkomt met de dagen van hen die voor jullie tijd zijn heengegaan? Zeg: "Wachten jullie maar af; ik behoor met jullie tot de afwachtenden."


ثُمَّ نُنَجِّیۡ رُسُلَنَا وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا کَذٰلِکَ ۚ حَقًّا عَلَیۡنَا نُنۡجِ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۰۳﴾٪

010.103 Thumma nunajjee rusulana waallatheena amanoo kathalika haqqan AAalayna nunjee almu/mineena

Dan redden Wij onze gezanten en hen die geloven. Zo redden Wij, als een verplichting voor Ons, de gelovigen.


قُلۡ یٰۤاَیُّہَا النَّاسُ اِنۡ کُنۡتُمۡ فِیۡ شَکٍّ مِّنۡ دِیۡنِیۡ فَلَاۤ اَعۡبُدُ الَّذِیۡنَ تَعۡبُدُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ وَ لٰکِنۡ اَعۡبُدُ اللّٰہَ الَّذِیۡ یَتَوَفّٰىکُمۡ ۚۖ وَ اُمِرۡتُ اَنۡ اَکُوۡنَ مِنَ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۰۴﴾ۙ

010.104 Qul ya ayyuha alnnasu in kuntum fee shakkin min deenee fala aAAbudu allatheena taAAbudoona min dooni Allahi walakin aAAbudu Allaha allathee yatawaffakum waomirtu an akoona mina almu/mineena

Zeg: "O mensen, als jullie in twijfel verkeren over mijn godsdienst: Ik dien hen die jullie in plaats van Allah dienen niet, maar ik dien Allah die jullie zal wegnemen. En mij is bevolen te behoren tot hen die geloven"


وَ اَنۡ اَقِمۡ وَجۡہَکَ لِلدِّیۡنِ حَنِیۡفًا ۚ وَ لَا تَکُوۡنَنَّ مِنَ الۡمُشۡرِکِیۡنَ ﴿۱۰۵﴾

010.105 Waan aqim wajhaka lilddeeni haneefan wala takoonanna mina almushrikeena

en: "Richt jouw aangezicht naar de godsdienst als een aanhanger van het zuivere geloof en wees niet een van de veelgodendienaars."


وَ لَا تَدۡعُ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ مَا لَا یَنۡفَعُکَ وَ لَا یَضُرُّکَ ۚ فَاِنۡ فَعَلۡتَ فَاِنَّکَ اِذًا مِّنَ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۱۰۶﴾

010.106 Wala tadAAu min dooni Allahi ma la yanfaAAuka wala yadurruka fa-in faAAalta fa-innaka ithan mina alththalimeena

En roep in plaats van Allah niet iets aan wat jou niet nut en niet schaadt. Als jij dat doet, dan behoor jij zeker tot de onrechtplegers.


وَ اِنۡ یَّمۡسَسۡکَ اللّٰہُ بِضُرٍّ فَلَا کَاشِفَ لَہٗۤ اِلَّا ہُوَ ۚ وَ اِنۡ یُّرِدۡکَ بِخَیۡرٍ فَلَا رَآدَّ لِفَضۡلِہٖ ؕ یُصِیۡبُ بِہٖ مَنۡ یَّشَآءُ مِنۡ عِبَادِہٖ ؕ وَ ہُوَ الۡغَفُوۡرُ الرَّحِیۡمُ ﴿۱۰۷﴾

010.107 Wa-in yamsaska Allahu bidurrin fala kashifa lahu illa huwa wa-in yuridka bikhayrin fala radda lifadlihi yuseebu bihi man yashao min AAibadihi wahuwa alghafooru alrraheemu

En als Allah je met tegenspoed treft dan is er niemand die dat kan wegnemen behalve Hij. En als Hij voor jou iets goeds wenst dan is er niemand die Zijn goedgunstigheid kan tegenhouden. Hij treft ermee wie van Zijn dienaren Hij wil. Hij is de vergevende, de barmhartige.


قُلۡ یٰۤاَیُّہَا النَّاسُ قَدۡ جَآءَکُمُ الۡحَقُّ مِنۡ رَّبِّکُمۡ ۚ فَمَنِ اہۡتَدٰی فَاِنَّمَا یَہۡتَدِیۡ لِنَفۡسِہٖ ۚ وَ مَنۡ ضَلَّ فَاِنَّمَا یَضِلُّ عَلَیۡہَا ۚ وَ مَاۤ اَنَا عَلَیۡکُمۡ بِوَکِیۡلٍ ﴿۱۰۸﴾ؕ

010.108 Qul ya ayyuha alnnasu qad jaakumu alhaqqu min rabbikum famani ihtada fa-innama yahtadee linafsihi waman dalla fa-innama yadillu AAalayha wama ana AAalaykum biwakeelin

Zeg: "O mensen, tot jullie is de waarheid van jullie Heer gekomen. Wie zich de goede richting laat wijzen, die volgt het goede pad slechts tot zijn eigen voordeel en wie dwaalt, dwaalt slechts tot zijn eigen nadeel. En ik ben geen voogd over jullie


وَ اتَّبِعۡ مَا یُوۡحٰۤی اِلَیۡکَ وَ اصۡبِرۡ حَتّٰی یَحۡکُمَ اللّٰہُ ۚۖ وَ ہُوَ خَیۡرُ الۡحٰکِمِیۡنَ ﴿۱۰۹﴾٪

010.109 WaittabiAA ma yooha ilayka waisbir hatta yahkuma Allahu wahuwa khayru alhakimeena

En volg wat aan jou wordt geopenbaard en wees geduldig totdat Allah oordeelt, want Hij is de beste van hen die oordelen.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

الٓرٰ ۟ کِتٰبٌ اُحۡکِمَتۡ اٰیٰتُہٗ ثُمَّ فُصِّلَتۡ مِنۡ لَّدُنۡ حَکِیۡمٍ خَبِیۡرٍ ۙ﴿۱﴾

011.001 Alif-lam-ra kitabun ohkimat ayatuhu thumma fussilat min ladun hakeemin khabeerin

A[lif] L[aam] R[aa?]. Een boek waarvan de tekenen eenduidig zijn vastgesteld en daarna van de kant van een Wijze en Welingelichte uiteengezet:


اَلَّا تَعۡبُدُوۡۤا اِلَّا اللّٰہَ ؕ اِنَّنِیۡ لَکُمۡ مِّنۡہُ نَذِیۡرٌ وَّ بَشِیۡرٌ ۙ﴿۲﴾

011.002 Alla taAAbudoo illa Allaha innanee lakum minhu natheerun wabasheerun

Jullie moeten alleen Allah dienen. Ik ben voor jullie van Zijn kant een waarschuwer en een verkondiger van goed nieuws.


وَّ اَنِ اسۡتَغۡفِرُوۡا رَبَّکُمۡ ثُمَّ تُوۡبُوۡۤا اِلَیۡہِ یُمَتِّعۡکُمۡ مَّتَاعًا حَسَنًا اِلٰۤی اَجَلٍ مُّسَمًّی وَّ یُؤۡتِ کُلَّ ذِیۡ فَضۡلٍ فَضۡلَہٗ ؕ وَ اِنۡ تَوَلَّوۡا فَاِنِّیۡۤ اَخَافُ عَلَیۡکُمۡ عَذَابَ یَوۡمٍ کَبِیۡرٍ ﴿۳﴾

011.003 Waani istaghfiroo rabbakum thumma tooboo ilayhi yumattiAAkum mataAAan hasanan ila ajalin musamman wayu/ti kulla thee fadlin fadlahu wa-in tawallaw fa-inee akhafu AAalaykum AAathaba yawmin kabeerin

En vraagt jullie Heer om vergeving en wendt jullie dan berouwvol tot Hem. Hij zal jullie tot een vastgestelde termijn van een goed vruchtgebruik laten genieten en Hij zal aan ieder die verdienstelijk is zijn verdienste geven. Maar als jullie je afkeren dan vrees ik voor jullie de bestraffing op een geweldige dag.


اِلَی اللّٰہِ مَرۡجِعُکُمۡ ۚ وَ ہُوَ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرٌ ﴿۴﴾

011.004 Ila Allahi marjiAAukum wahuwa AAala kulli shay-in qadeerun

Tot Allah is jullie terugkeer en Hij is almachtig.


اَلَاۤ اِنَّہُمۡ یَثۡنُوۡنَ صُدُوۡرَہُمۡ لِیَسۡتَخۡفُوۡا مِنۡہُ ؕ اَلَا حِیۡنَ یَسۡتَغۡشُوۡنَ ثِیَابَہُمۡ ۙ یَعۡلَمُ مَا یُسِرُّوۡنَ وَ مَا یُعۡلِنُوۡنَ ۚ اِنَّہٗ عَلِیۡمٌۢ بِذَاتِ الصُّدُوۡرِ ﴿۵﴾

011.005 Ala innahum yathnoona sudoorahum liyastakhfoo minhu ala heena yastaghshoona thiyabahum yaAAlamu ma yusirroona wama yuAAlinoona innahu AAaleemun bithati alssudoori

Toch vouwen zij hun harten dicht om zich voor Hem te verbergen. Maar wanneer zij zich met hun kleren bedekken weet Hij wat zij in het verborgene en wat zij openlijk doen. Hij weet wat er binnen in de harten is.



www.kuran.nl