Wamaa Min

وَ مَا مِنۡ دَآبَّۃٍ فِی الۡاَرۡضِ اِلَّا عَلَی اللّٰہِ رِزۡقُہَا وَ یَعۡلَمُ مُسۡتَقَرَّہَا وَ مُسۡتَوۡدَعَہَا ؕ کُلٌّ فِیۡ کِتٰبٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۶﴾

011.006 Wama min dabbatin fee al-ardi illa AAala Allahi rizquha wayaAAlamu mustaqarraha wamustawdaAAaha kullun fee kitabin mubeenin

En er is geen dier op aarde of Allah zorgt voor zijn levensonderhoud en Hij kent zijn verblijfplaats en zijn bewaarplaats. Alles staat in een duidelijk boek.


وَ ہُوَ الَّذِیۡ خَلَقَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ فِیۡ سِتَّۃِ اَیَّامٍ وَّ کَانَ عَرۡشُہٗ عَلَی الۡمَآءِ لِیَبۡلُوَکُمۡ اَیُّکُمۡ اَحۡسَنُ عَمَلًا ؕ وَ لَئِنۡ قُلۡتَ اِنَّکُمۡ مَّبۡعُوۡثُوۡنَ مِنۡۢ بَعۡدِ الۡمَوۡتِ لَیَقُوۡلَنَّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡۤا اِنۡ ہٰذَاۤ اِلَّا سِحۡرٌ مُّبِیۡنٌ ﴿۷﴾

011.007 Wahuwa allathee khalaqa alssamawati waal-arda fee sittati ayyamin wakana AAarshuhu AAala alma-i liyabluwakum ayyukum ahsanu AAamalan wala-in qulta innakum mabAAoothoona min baAAdi almawti layaqoolanna allatheena kafaroo in hatha illa sihrun mubeenun

Hij is het die de hemelen en de aarde in zes dagen geschapen heeft, terwijl Zijn troon boven het water was, om jullie op de proef te stellen wie van jullie het beste is bij wat hij doet. En als jij zegt: jullie zullen na de dood weer opgewekt worden" dan zeggen zij die ongelovig zijn: "Dit is duidelijk slechts toverij."


وَ لَئِنۡ اَخَّرۡنَا عَنۡہُمُ الۡعَذَابَ اِلٰۤی اُمَّۃٍ مَّعۡدُوۡدَۃٍ لَّیَقُوۡلُنَّ مَا یَحۡبِسُہٗ ؕ اَلَا یَوۡمَ یَاۡتِیۡہِمۡ لَیۡسَ مَصۡرُوۡفًا عَنۡہُمۡ وَ حَاقَ بِہِمۡ مَّا کَانُوۡا بِہٖ یَسۡتَہۡزِءُوۡنَ ٪﴿۸﴾

011.008 Wala-in akhkharna AAanhumu alAAathaba ila ommatin maAAdoodatin layaqoolunna ma yahbisuhu ala yawma ya/teehim laysa masroofan AAanhum wahaqa bihim ma kanoo bihi yastahzi-oona

En als Wij de bestraffing voor hen tot een bepaalde tijd uitstellen zeggen zij: "Wat houdt haar tegen?" Toch kan zij op de dag dat zij over hen komt niet van hen afgewend worden en worden zij door dat waarmee zij de spot dreven ingesloten.


وَ لَئِنۡ اَذَقۡنَا الۡاِنۡسَانَ مِنَّا رَحۡمَۃً ثُمَّ نَزَعۡنٰہَا مِنۡہُ ۚ اِنَّہٗ لَیَـُٔوۡسٌ کَفُوۡرٌ ﴿۹﴾

011.009 Wala-in athaqna al-insana minna rahmatan thumma nazaAAnaha minhu innahu layaoosun kafoorun

En als Wij van Onze kant de mens barmhartigheid laten proeven en dan weer van hem wegnemen dan is hij wanhopig en ondankbaar.


وَ لَئِنۡ اَذَقۡنٰہُ نَعۡمَآءَ بَعۡدَ ضَرَّآءَ مَسَّتۡہُ لَیَقُوۡلَنَّ ذَہَبَ السَّیِّاٰتُ عَنِّیۡ ؕ اِنَّہٗ لَفَرِحٌ فَخُوۡرٌ ﴿ۙ۱۰﴾

011.010 Wala-in athaqnahu naAAmaa baAAda darraa massat-hu layaqoolanna thahaba alssayyi-atu AAannee innahu lafarihun fakhoorun

En als Wij hem dan weldadigheid laten proeven na rampspoed die hem getroffen heeft dan zegt hij: "Voor mij zijn de slechte tijden voorbij." En hij is verheugd en verwaand.


اِلَّا الَّذِیۡنَ صَبَرُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ ؕ اُولٰٓئِکَ لَہُمۡ مَّغۡفِرَۃٌ وَّ اَجۡرٌ کَبِیۡرٌ ﴿۱۱﴾

011.011 Illa allatheena sabaroo waAAamiloo alssalihati ola-ika lahum maghfiratun waajrun kabeerun

Maar zo zijn zij die geduldig zijn en de deugdelijke daden doen niet; zij zijn het voor wie vergeving is en een groot loon.


فَلَعَلَّکَ تَارِکٌۢ بَعۡضَ مَا یُوۡحٰۤی اِلَیۡکَ وَ ضَآئِقٌۢ بِہٖ صَدۡرُکَ اَنۡ یَّقُوۡلُوۡا لَوۡ لَاۤ اُنۡزِلَ عَلَیۡہِ کَنۡزٌ اَوۡ جَآءَ مَعَہٗ مَلَکٌ ؕ اِنَّمَاۤ اَنۡتَ نَذِیۡرٌ ؕ وَ اللّٰہُ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ وَّکِیۡلٌ ﴿ؕ۱۲﴾

011.012 FalaAAallaka tarikun baAAda ma yooha ilayka wada-iqun bihi sadruka an yaqooloo lawla onzila AAalayhi kanzun aw jaa maAAahu malakun innama anta natheerun waAllahu AAala kulli shay-in wakeelun

Misschien zou jij een deel van wat jou geopenbaard wordt willen weglaten en is jouw hart benauwd omdat zij zeggen: "Als er nu een schat tot hem was neergezonden of een engel met hem was meegekomen?" Maar jij bent slechts een waarschuwer en Allah is voogd over alles.


اَمۡ یَقُوۡلُوۡنَ افۡتَرٰىہُ ؕ قُلۡ فَاۡتُوۡا بِعَشۡرِ سُوَرٍ مِّثۡلِہٖ مُفۡتَرَیٰتٍ وَّ ادۡعُوۡا مَنِ اسۡتَطَعۡتُمۡ مِّنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۱۳﴾

011.013 Am yaqooloona iftarahu qul fa/too biAAashri suwarin mithlihi muftarayatin waodAAoo mani istataAAtum min dooni Allahi in kuntum sadiqeena

Of zeggen zij: "Hij verzint het." Zeg: "Komt dan met tien overeenkomstige soera's die verzonnen zijn en roept aan wie jullie in plaats van Allah maar kunnen, als jullie gelijk hebben.


فَاِلَّمۡ یَسۡتَجِیۡبُوۡا لَکُمۡ فَاعۡلَمُوۡۤا اَنَّمَاۤ اُنۡزِلَ بِعِلۡمِ اللّٰہِ وَ اَنۡ لَّاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ ۚ فَہَلۡ اَنۡتُمۡ مُّسۡلِمُوۡنَ ﴿۱۴﴾

011.014 Fa-illam yastajeeboo lakum faiAAlamoo annama onzila biAAilmi Allahi waan la ilaha illa huwa fahal antum muslimoona

Maar als zij jullie niet verhoren, weet dan dat het met Allah's kennis is neergezonden en dat er geen god is dan Hij. Zullen jullie je dan [aan Allah] overgeven?"


مَنۡ کَانَ یُرِیۡدُ الۡحَیٰوۃَ الدُّنۡیَا وَ زِیۡنَتَہَا نُوَفِّ اِلَیۡہِمۡ اَعۡمَالَہُمۡ فِیۡہَا وَ ہُمۡ فِیۡہَا لَا یُبۡخَسُوۡنَ ﴿۱۵﴾

011.015 Man kana yureedu alhayata alddunya wazeenataha nuwaffi ilayhim aAAmalahum feeha wahum feeha la yubkhasoona

Wie het tegenwoordige leven en zijn praal wensen, aan hen zullen Wij hun daden vergoeden en hun zal niet te kort gedaan worden.


اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ لَیۡسَ لَہُمۡ فِی الۡاٰخِرَۃِ اِلَّا النَّارُ ۫ۖ وَ حَبِطَ مَا صَنَعُوۡا فِیۡہَا وَ بٰطِلٌ مَّا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۱۶﴾

011.016 Ola-ika allatheena laysa lahum fee al-akhirati illa alnnaru wahabita ma sanaAAoo feeha wabatilun ma kanoo yaAAmaloona

Zij zijn het voor wie in het hiernamaals slechts het vuur is. Vruchteloos is wat zij erin gedaan hebben en wat zij deden wordt tenietgedaan.


اَفَمَنۡ کَانَ عَلٰی بَیِّنَۃٍ مِّنۡ رَّبِّہٖ وَ یَتۡلُوۡہُ شَاہِدٌ مِّنۡہُ وَ مِنۡ قَبۡلِہٖ کِتٰبُ مُوۡسٰۤی اِمَامًا وَّ رَحۡمَۃً ؕ اُولٰٓئِکَ یُؤۡمِنُوۡنَ بِہٖ ؕ وَ مَنۡ یَّکۡفُرۡ بِہٖ مِنَ الۡاَحۡزَابِ فَالنَّارُ مَوۡعِدُہٗ ۚ فَلَا تَکُ فِیۡ مِرۡیَۃٍ مِّنۡہُ ٭ اِنَّہُ الۡحَقُّ مِنۡ رَّبِّکَ وَ لٰکِنَّ اَکۡثَرَ النَّاسِ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۱۷﴾

011.017 Afaman kana AAala bayyinatin min rabbihi wayatloohu shahidun minhu wamin qablihi kitabu moosa imaman warahmatan ola-ika yu/minoona bihi waman yakfur bihi mina al-ahzabi faalnnaru mawAAiduhu fala taku fee miryatin minhu innahu alhaqqu min rabbika walakinna akthara alnnasi la yu/minoona

En hij die op een duidelijk bewijs van zijn Heer steunt dan? En die gevolgd wordt door een getuige van Hem en voor wiens tijd er al het boek van Moesa was als voorbeeld en als barmhartigheid? Dat zijn zij die in Hem geloven. En wie van de partijen geen geloof aan Hem hecht, het vuur is de plaats die voor hem is aangewezen. Verkeer daarover dus niet in twijfel; het is de waarheid van jouw Heer. Maar de meeste mensen geloven niet.


وَ مَنۡ اَظۡلَمُ مِمَّنِ افۡتَرٰی عَلَی اللّٰہِ کَذِبًا ؕ اُولٰٓئِکَ یُعۡرَضُوۡنَ عَلٰی رَبِّہِمۡ وَ یَقُوۡلُ الۡاَشۡہَادُ ہٰۤؤُلَآءِ الَّذِیۡنَ کَذَبُوۡا عَلٰی رَبِّہِمۡ ۚ اَلَا لَعۡنَۃُ اللّٰہِ عَلَی الظّٰلِمِیۡنَ ﴿ۙ۱۸﴾

011.018 Waman athlamu mimmani iftara AAala Allahi kathiban ola-ika yuAAradoona AAala rabbihim wayaqoolu al-ashhadu haola-i allatheena kathaboo AAala rabbihim ala laAAnatu Allahi AAala alththalimeena

En wie is er zondiger dan wie over Allah bedrog verzint? Zij zijn het die voor hun Heer worden voorgeleid en de getuigen zullen zeggen: "Dat zijn zij die over Allah gelogen hebben." Zeker, Allah's vloek is over de onrechtplegers,


الَّذِیۡنَ یَصُدُّوۡنَ عَنۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ وَ یَبۡغُوۡنَہَا عِوَجًا ؕ وَ ہُمۡ بِالۡاٰخِرَۃِ ہُمۡ کٰفِرُوۡنَ ﴿۱۹﴾

011.019 Allatheena yasuddoona AAan sabeeli Allahi wayabghoonaha AAiwajan wahum bial-akhirati hum kafiroona

die Allah's weg versperren en verlangen dat het een kronkelweg is, terwijl zij aan het hiernamaals geen geloof hechten.


اُولٰٓئِکَ لَمۡ یَکُوۡنُوۡا مُعۡجِزِیۡنَ فِی الۡاَرۡضِ وَ مَا کَانَ لَہُمۡ مِّنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ مِنۡ اَوۡلِیَآءَ ۘ یُضٰعَفُ لَہُمُ الۡعَذَابُ ؕ مَا کَانُوۡا یَسۡتَطِیۡعُوۡنَ السَّمۡعَ وَ مَا کَانُوۡا یُبۡصِرُوۡنَ ﴿۲۰﴾

011.020 Ola-ika lam yakoonoo muAAjizeena fee al-ardi wama kana lahum min dooni Allahi min awliyaa yudaAAafu lahumu alAAathabu ma kanoo yastateeAAoona alssamAAa wama kanoo yubsiroona

Zij kunnen er op de aarde niets tegen doen en zij hebben buiten Allah geen beschermers. De bestraffing zal voor hen verdubbeld worden. Zij konden niet horen en zij zagen niet.


اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ خَسِرُوۡۤا اَنۡفُسَہُمۡ وَ ضَلَّ عَنۡہُمۡ مَّا کَانُوۡا یَفۡتَرُوۡنَ ﴿۲۱﴾

011.021 Ola-ika allatheena khasiroo anfusahum wadalla AAanhum ma kanoo yaftaroona

Zij zijn het die zichzelf verloren hebben en wat zij verzonnen hebben zijn zij kwijt.


لَا جَرَمَ اَنَّہُمۡ فِی الۡاٰخِرَۃِ ہُمُ الۡاَخۡسَرُوۡنَ ﴿۲۲﴾

011.022 La jarama annahum fee al-akhirati humu al-akhsaroona

Het staat vast dat zij in het hiernamaals de grootste verliezers zijn.


اِنَّ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ وَ اَخۡبَتُوۡۤا اِلٰی رَبِّہِمۡ ۙ اُولٰٓئِکَ اَصۡحٰبُ الۡجَنَّۃِ ۚ ہُمۡ فِیۡہَا خٰلِدُوۡنَ ﴿۲۳﴾

011.023 Inna allatheena amanoo waAAamiloo alsalihati waakhbatoo ila rabbihim ola-ika as-habu aljannati hum feeha khalidoona

Zij die geloven, de deugdelijke daden doen en nederig op hun Heer vertrouwen, zij zijn het die in de tuin thuishoren; zij zullen altijd daarin blijven. *


مَثَلُ الۡفَرِیۡقَیۡنِ کَالۡاَعۡمٰی وَ الۡاَصَمِّ وَ الۡبَصِیۡرِ وَ السَّمِیۡعِ ؕ ہَلۡ یَسۡتَوِیٰنِ مَثَلًا ؕ اَفَلَا تَذَکَّرُوۡنَ ﴿٪۲۴﴾

011.024 Mathalu alfareeqayni kaal-aAAma waal-asammi waalbaseeri waalssameeAAi hal yastawiyani mathalan afala tathakkaroona

De twee groepen lijken bijvoorbeeld op de blinde en dove en de ziende en horende. Zijn die twee bijvoorbeeld dan gelijk? Zullen jullie je dan niet laten vermanen?


وَ لَقَدۡ اَرۡسَلۡنَا نُوۡحًا اِلٰی قَوۡمِہٖۤ ۫ اِنِّیۡ لَکُمۡ نَذِیۡرٌ مُّبِیۡنٌ ﴿ۙ۲۵﴾

011.025 Walaqad arsalna noohan ila qawmihi innee lakum natheerun mubeenun

Wij hebben Noeh tot zijn volk gezonden [met]: "Ik ben voor jullie een duidelijke waarschuwer.


اَنۡ لَّا تَعۡبُدُوۡۤا اِلَّا اللّٰہَ ؕ اِنِّیۡۤ اَخَافُ عَلَیۡکُمۡ عَذَابَ یَوۡمٍ اَلِیۡمٍ ﴿۲۶﴾

011.026 An la taAAbudoo illa Allaha innee akhafu AAalaykum AAathaba yawmin aleemin

Jullie moeten alleen Allah dienen. Ik vrees voor jullie de bestraffing op een pijnlijke dag."


فَقَالَ الۡمَلَاُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا مِنۡ قَوۡمِہٖ مَا نَرٰىکَ اِلَّا بَشَرًا مِّثۡلَنَا وَ مَا نَرٰىکَ اتَّبَعَکَ اِلَّا الَّذِیۡنَ ہُمۡ اَرَاذِلُنَا بَادِیَ الرَّاۡیِ ۚ وَ مَا نَرٰی لَکُمۡ عَلَیۡنَا مِنۡ فَضۡلٍۭ بَلۡ نَظُنُّکُمۡ کٰذِبِیۡنَ ﴿۲۷﴾

011.027 Faqala almalao allatheena kafaroo min qawmihi ma naraka illa basharan mithlana wama naraka ittabaAAaka illa allatheena hum arathiluna badiya alrra/yi wama nara lakum AAalayna min fadlin bal nathunnukum kathibeena

En de voornaamsten, zij die van zijn volk ongelovig waren, zeiden toen: "Wij zien dat jij slechts een mens bent zoals wij en wij zien dat jij alleen maar ondoordacht gevolgd wordt door de allerverachtelijksten onder ons. Wij zien niet dat jullie op ons iets voor hebben. Integendeel, wij vermoeden dat jullie leugenaars zijn."


قَالَ یٰقَوۡمِ اَرَءَیۡتُمۡ اِنۡ کُنۡتُ عَلٰی بَیِّنَۃٍ مِّنۡ رَّبِّیۡ وَ اٰتٰىنِیۡ رَحۡمَۃً مِّنۡ عِنۡدِہٖ فَعُمِّیَتۡ عَلَیۡکُمۡ ؕ اَنُلۡزِمُکُمُوۡہَا وَ اَنۡتُمۡ لَہَا کٰرِہُوۡنَ ﴿۲۸﴾

011.028 Qala ya qawmi araaytum in kuntu AAala bayyinatin min rabbee waatanee rahmatan min AAindihi faAAummiyat AAalaykum anulzimukumooha waantum laha karihoona

Hij zei: "Mijn volk! Hoe zien jullie het? Als ik op een duidelijk bewijs van mijn Heer steun en Hij mij van Zijn kant barmhartigheid gegeven heeft maar jullie er blind voor gemaakt zijn, zullen wij jullie er dan toe dwingen terwijl het jullie tegenstaat?


وَ یٰقَوۡمِ لَاۤ اَسۡئَلُکُمۡ عَلَیۡہِ مَالًا ؕ اِنۡ اَجۡرِیَ اِلَّا عَلَی اللّٰہِ وَ مَاۤ اَنَا بِطَارِدِ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا ؕ اِنَّہُمۡ مُّلٰقُوۡا رَبِّہِمۡ وَ لٰکِنِّیۡۤ اَرٰىکُمۡ قَوۡمًا تَجۡہَلُوۡنَ ﴿۲۹﴾

011.029 Waya qawmi la as-alukum AAalayhi malan in ajriya illa AAala Allahi wama ana bitaridi allatheena amanoo innahum mulaqoo rabbihim walakinnee arakum qawman tajhaloona

En, mijn volk, ik vraag jullie er geen betaling voor. Slechts Allah is belast met mijn loon. En ik jaag hen die geloven niet weg; zij zullen hun Heer ontmoeten. Maar ik zie dat jullie mensen zijn die niets weten.


وَ یٰقَوۡمِ مَنۡ یَّنۡصُرُنِیۡ مِنَ اللّٰہِ اِنۡ طَرَدۡتُّہُمۡ ؕ اَفَلَا تَذَکَّرُوۡنَ ﴿۳۰﴾

011.030 Waya qawmi man yansurunee mina Allahi in taradtuhum afala tathakkaroona

Mijn volk! Wie zou mij tegen Allah kunnen helpen als ik hen weg zou jagen? Zullen jullie je dan niet laten vermanen?


وَ لَاۤ اَقُوۡلُ لَکُمۡ عِنۡدِیۡ خَزَآئِنُ اللّٰہِ وَ لَاۤ اَعۡلَمُ الۡغَیۡبَ وَ لَاۤ اَقُوۡلُ اِنِّیۡ مَلَکٌ وَّ لَاۤ اَقُوۡلُ لِلَّذِیۡنَ تَزۡدَرِیۡۤ اَعۡیُنُکُمۡ لَنۡ یُّؤۡتِیَہُمُ اللّٰہُ خَیۡرًا ؕ اَللّٰہُ اَعۡلَمُ بِمَا فِیۡۤ اَنۡفُسِہِمۡ ۚۖ اِنِّیۡۤ اِذًا لَّمِنَ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۳۱﴾

011.031 Wala aqoolu lakum AAindee khaza-inu Allahi wala aAAlamu alghayba wala aqoolu innee malakun wala aqoolu lillatheena tazdaree aAAyunukum lan yu/tiyahumu Allahu khayran Allahu aAAlamu bima fee anfusihim innee ithan lamina alththalimeena

En ik zeg niet tot jullie dat ik Allah's schatkamers bezit, noch ken ik het verborgene, ook zeg ik niet dat ik een engel ben, noch zeg ik tegen hen die in jullie ogen verachtelijk zijn dat Allah hun niets goeds zal geven. Allah weet het best wat in jullie binnenste is, anders zou ik tot de onrechtplegers behoren."


قَالُوۡا یٰنُوۡحُ قَدۡ جٰدَلۡتَنَا فَاَکۡثَرۡتَ جِدَالَنَا فَاۡتِنَا بِمَا تَعِدُنَاۤ اِنۡ کُنۡتَ مِنَ الصّٰدِقِیۡنَ ﴿۳۲﴾

011.032 Qaloo ya noohu qad jadaltana faaktharta jidalana fa/tina bima taAAiduna in kunta mina alssadiqeena

Zij zeiden: "O Noeh, jij hebt met ons getwist, je hebt veel twist met ons gehad. Kom dan maar met wat je ons toegezegd hebt als je gelijk hebt."


قَالَ اِنَّمَا یَاۡتِیۡکُمۡ بِہِ اللّٰہُ اِنۡ شَآءَ وَ مَاۤ اَنۡتُمۡ بِمُعۡجِزِیۡنَ ﴿۳۳﴾

011.033 Qala innama ya/teekum bihi Allahu in shaa wama antum bimuAAjizeena

Hij zei: "Allah zal ermee komen als Hij wil en jullie kunnen er niets tegen doen.


وَ لَا یَنۡفَعُکُمۡ نُصۡحِیۡۤ اِنۡ اَرَدۡتُّ اَنۡ اَنۡصَحَ لَکُمۡ اِنۡ کَانَ اللّٰہُ یُرِیۡدُ اَنۡ یُّغۡوِیَکُمۡ ؕ ہُوَ رَبُّکُمۡ ۟ وَ اِلَیۡہِ تُرۡجَعُوۡنَ ﴿ؕ۳۴﴾

011.034 Wala yanfaAAukum nushee in aradtu an ansaha lakum in kana Allahu yureedu an yughwiyakum huwa rabbukum wa-ilayhi turjaAAoona

En mijn raad heeft voor jullie ook geen nut als ik jullie goede raad zou wensen te geven, wanneer Allah jullie wenst te misleiden. Hij is jullie Heer en tot Hem zullen jullie terugkeren."


اَمۡ یَقُوۡلُوۡنَ افۡتَرٰىہُ ؕ قُلۡ اِنِ افۡتَرَیۡتُہٗ فَعَلَیَّ اِجۡرَامِیۡ وَ اَنَا بَرِیۡٓءٌ مِّمَّا تُجۡرِمُوۡنَ ﴿٪۳۵﴾

011.035 Am yaqooloona iftarahu qul ini iftaraytuhu faAAalayya ijramee waana baree-on mimma tujrimoona

Of zij zeggen: "Hij heeft het verzonnen." Zeg: "Als ik het verzonnen heb dan wordt mijn wandaad mij aangerekend, maar ik heb niets te maken met de wandaden die jullie bedrijven."


وَ اُوۡحِیَ اِلٰی نُوۡحٍ اَنَّہٗ لَنۡ یُّؤۡمِنَ مِنۡ قَوۡمِکَ اِلَّا مَنۡ قَدۡ اٰمَنَ فَلَا تَبۡتَئِسۡ بِمَا کَانُوۡا یَفۡعَلُوۡنَ ﴿ۚۖ۳۶﴾

011.036 Waoohiya ila noohin annahu lan yu/mina min qawmika illa man qad amana fala tabta-is bima kanoo yafAAaloona

En aan Noeh is geopenbaard: "Niemand van jouw volk zal tot geloof komen, afgezien van hen die al geloofden. Wees dus niet bedroefd over wat zij aan het doen waren.


وَ اصۡنَعِ الۡفُلۡکَ بِاَعۡیُنِنَا وَ وَحۡیِنَا وَ لَا تُخَاطِبۡنِیۡ فِی الَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡا ۚ اِنَّہُمۡ مُّغۡرَقُوۡنَ ﴿۳۷﴾

011.037 WaisnaAAi alfulka bi-aAAyunina wawahyina wala tukhatibnee fee allatheena thalamoo innahum mughraqoona

Bouw dan het schip onder Onze ogen en volgens Onze openbaring, maar spreek Ons niet aan over hen die onrecht plegen; zij zullen verdronken worden."


وَ یَصۡنَعُ الۡفُلۡکَ ۟ وَ کُلَّمَا مَرَّ عَلَیۡہِ مَلَاٌ مِّنۡ قَوۡمِہٖ سَخِرُوۡا مِنۡہُ ؕ قَالَ اِنۡ تَسۡخَرُوۡا مِنَّا فَاِنَّا نَسۡخَرُ مِنۡکُمۡ کَمَا تَسۡخَرُوۡنَ ﴿ؕ۳۸﴾

011.038 WayasnaAAu alfulka wakullama marra AAalayhi malaon min qawmihi sakhiroo minhu qala in taskharoo minna fa-inna naskharu minkum kama taskharoona

En hij bouwde het schip en telkens als er voornaamsten van zijn volk voorbijkwamen maakten zij hem belachelijk. Hij zei: "Jullie maken ons belachelijk, maar wij zullen jullie belachelijk maken, zoals jullie [ons nu] belachelijk maken.


فَسَوۡفَ تَعۡلَمُوۡنَ ۙ مَنۡ یَّاۡتِیۡہِ عَذَابٌ یُّخۡزِیۡہِ وَ یَحِلُّ عَلَیۡہِ عَذَابٌ مُّقِیۡمٌ ﴿۳۹﴾

011.039 Fasawfa taAAlamoona man ya/teehi AAathabun yukhzeehi wayahillu AAalayhi AAathabun muqeemun

En jullie zullen weten tot wie de bestraffing zal komen die hem te schande maakt en op wie een blijvende bestraffing zal neerkomen."


حَتّٰۤی اِذَا جَآءَ اَمۡرُنَا وَ فَارَ التَّنُّوۡرُ ۙ قُلۡنَا احۡمِلۡ فِیۡہَا مِنۡ کُلٍّ زَوۡجَیۡنِ اثۡنَیۡنِ وَ اَہۡلَکَ اِلَّا مَنۡ سَبَقَ عَلَیۡہِ الۡقَوۡلُ وَ مَنۡ اٰمَنَ ؕ وَ مَاۤ اٰمَنَ مَعَہٗۤ اِلَّا قَلِیۡلٌ ﴿۴۰﴾

011.040 Hatta itha jaa amruna wafara alttannooru qulna ihmil feeha min kullin zawjayni ithnayni waahlaka illa man sabaqa AAalayhi alqawlu waman amana wama amana maAAahu illa qaleelun

Toen dan Onze beschikking kwam en de oven overkookte, zeiden Wij: "Belaad het met van alles twee stuks, paarsgewijs, en met jouw familie behalve hem over wie al sprake geweest is, en met wie geloven." Maar slechts weinigen geloofden met hem. *


وَ قَالَ ارۡکَبُوۡا فِیۡہَا بِسۡمِ اللّٰہِ مَ‍‍جۡؔرٖىہَا وَ مُرۡسٰىہَا ؕ اِنَّ رَبِّیۡ لَغَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۴۱﴾

011.041 Waqala irkaboo feeha bismi Allahi majraha wamursaha inna rabbee laghafoorun raheemun

En hij zei: "Gaat aan boord. In Allah's naam zal het afvaren en afmeren. Mijn Heer is vergevend en barmhartig."


وَ ہِیَ تَجۡرِیۡ بِہِمۡ فِیۡ مَوۡجٍ کَالۡجِبَالِ ۟ وَ نَادٰی نُوۡحُۨ ابۡنَہٗ وَ کَانَ فِیۡ مَعۡزِلٍ یّٰـبُنَیَّ ارۡکَبۡ مَّعَنَا وَ لَا تَکُنۡ مَّعَ الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۴۲﴾

011.042 Wahiya tajree bihim fee mawjin kaaljibali wanada noohunu ibnahu wakana fee maAAzilin ya bunayya irkab maAAana wala takun maAAa alkafireena

En het [schip] voer met hen weg door golven als bergen en Noeh riep naar zijn zoon die apart stond: "Mijn zoon! Kom met ons aan boord en wees niet een van de ongelovigen."


قَالَ سَاٰوِیۡۤ اِلٰی جَبَلٍ یَّعۡصِمُنِیۡ مِنَ الۡمَآءِ ؕ قَالَ لَا عَاصِمَ الۡیَوۡمَ مِنۡ اَمۡرِ اللّٰہِ اِلَّا مَنۡ رَّحِمَ ۚ وَ حَالَ بَیۡنَہُمَا الۡمَوۡجُ فَکَانَ مِنَ الۡمُغۡرَقِیۡنَ ﴿۴۳﴾

011.043 Qala saawee ila jabalin yaAAsimunee mina alma-i qala la AAasima alyawma min amri Allahi illa man rahima wahala baynahuma almawju fakana mina almughraqeena

Hij zei: "Ik zal wel een onderkomen op een berg vinden die mij tegen het water zal beschermen." Hij zei: "Tegen Allah's beschikking is er vandaag geen beschermer behalve voor hen met wie Hij erbarmen heeft." En de golven kwamen tussen hen beiden in en zo werd hij een van de verdronkenen.


وَ قِیۡلَ یٰۤاَرۡضُ ابۡلَعِیۡ مَآءَکِ وَ یٰسَمَآءُ اَقۡلِعِیۡ وَ غِیۡضَ الۡمَآءُ وَ قُضِیَ الۡاَمۡرُ وَ اسۡتَوَتۡ عَلَی الۡجُوۡدِیِّ وَ قِیۡلَ بُعۡدًا لِّلۡقَوۡمِ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۴۴﴾

011.044 Waqeela ya ardu iblaAAee maaki waya samao aqliAAee wagheeda almao waqudiya al-amru waistawat AAala aljoodiyyi waqeela buAAdan lilqawmi alththalimeena

En er werd gezegd: "O aarde, slik je water in en o hemel, droog op" en het water nam af. De beslissing was gevallen. En het [schip] kwam op de Djoedi vast te zitten. En er werd gezegd: "Weg met de mensen die onrecht plegen."


وَ نَادٰی نُوۡحٌ رَّبَّہٗ فَقَالَ رَبِّ اِنَّ ابۡنِیۡ مِنۡ اَہۡلِیۡ وَ اِنَّ وَعۡدَکَ الۡحَقُّ وَ اَنۡتَ اَحۡکَمُ الۡحٰکِمِیۡنَ ﴿۴۵﴾

011.045 Wanada noohun rabbahu faqala rabbi inna ibnee min ahlee wa-inna waAAdaka alhaqqu waanta ahkamu alhakimeena

En Noeh riep tot zijn Heer en zei: "Mijn Heer, mijn zoon behoort tot mijn familie; Uw toezegging is de waarheid en U bent de wijste van hen die oordelen."


قَالَ یٰنُوۡحُ اِنَّہٗ لَیۡسَ مِنۡ اَہۡلِکَ ۚ اِنَّہٗ عَمَلٌ غَیۡرُ صَالِحٍ ٭۫ۖ فَلَا تَسۡـَٔلۡنِ مَا لَـیۡسَ لَکَ بِہٖ عِلۡمٌ ؕ اِنِّیۡۤ اَعِظُکَ اَنۡ تَکُوۡنَ مِنَ الۡجٰہِلِیۡنَ ﴿۴۶﴾

011.046 Qala ya noohu innahu laysa min ahlika innahu AAamalun ghayru salihin fala tas-alni ma laysa laka bihi AAilmun innee aAAithuka an takoona mina aljahileena

Hij zei: "O Noeh, hij behoort niet tot jouw familie. Hij is [een toonbeeld van] ondeugdelijk handelen. Vraag Mij niet iets waarvan jij geen kennis hebt. Ik vermaan je niet tot de onwetenden te behoren."


قَالَ رَبِّ اِنِّیۡۤ اَعُوۡذُ بِکَ اَنۡ اَسۡـَٔلَکَ مَا لَـیۡسَ لِیۡ بِہٖ عِلۡمٌ ؕ وَ اِلَّا تَغۡفِرۡ لِیۡ وَ تَرۡحَمۡنِیۡۤ اَکُنۡ مِّنَ الۡخٰسِرِیۡنَ ﴿۴۷﴾

011.047 Qala rabbi innee aAAoothu bika an as-alaka ma laysa lee bihi AAilmun wa-illa taghfir lee watarhamnee akun mina alkhasireena

Hij zei: "Mijn Heer, ik zoek bij U bescherming dat ik niets vraag waarvan ik geen kennis heb. En als U mij niet vergeeft en erbarmen met mij hebt, dan behoor ik tot de verliezers."


قِیۡلَ یٰنُوۡحُ اہۡبِطۡ بِسَلٰمٍ مِّنَّا وَ بَرَکٰتٍ عَلَیۡکَ وَ عَلٰۤی اُمَمٍ مِّمَّنۡ مَّعَکَ ؕ وَ اُمَمٌ سَنُمَتِّعُہُمۡ ثُمَّ یَمَسُّہُمۡ مِّنَّا عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿۴۸﴾

011.048 Qeela ya noohu ihbit bisalamin minna wabarakatin AAalayka waAAala omamin mimman maAAaka waomamun sanumattiAAuhum thumma yamassuhum minna AAathabun aleemun

Er werd tot hem gezegd: "O Noeh, ga van boord in vrede die van Ons komt en met zegeningen voor jou en voor gemeenschappen van hen die bij jou zijn. Er zijn ook gemeenschappen die Wij laten genieten, maar dan treft hen een pijnlijke bestraffing van Ons."


تِلۡکَ مِنۡ اَنۡۢبَآءِ الۡغَیۡبِ نُوۡحِیۡہَاۤ اِلَیۡکَ ۚ مَا کُنۡتَ تَعۡلَمُہَاۤ اَنۡتَ وَ لَا قَوۡمُکَ مِنۡ قَبۡلِ ہٰذَا ؕۛ فَاصۡبِرۡ ؕۛ اِنَّ الۡعَاقِبَۃَ لِلۡمُتَّقِیۡنَ ﴿٪۴۹﴾

011.049 Tilka min anba-i alghaybi nooheeha ilayka ma kunta taAAlamuha anta wala qawmuka min qabli hatha faisbir inna alAAaqibata lilmuttaqeena

Dat behoort tot de mededelingen over het verborgene die Wij aan jou openbaren en die jij noch jouw volk van tevoren kenden. Wees dan geduldig; het [goede] uiteinde komt de godvrezenden toe.


وَ اِلٰی عَادٍ اَخَاہُمۡ ہُوۡدًا ؕ قَالَ یٰقَوۡمِ اعۡبُدُوا اللّٰہَ مَا لَکُمۡ مِّنۡ اِلٰہٍ غَیۡرُہٗ ؕ اِنۡ اَنۡتُمۡ اِلَّا مُفۡتَرُوۡنَ ﴿۵۰﴾

011.050 Wa-ila AAadin akhahum hoodan qala ya qawmi oAAbudoo Allaha ma lakum min ilahin ghayruhu in antum illa muftaroona

En tot de 'Aad [was] hun broeder Hoed [gezonden]. Hij zei: "Mijn volk! Dient Allah; jullie hebben geen andere god dan Hem. Jullie verzinnen alleen maar wat.


یٰقَوۡمِ لَاۤ اَسۡـَٔلُکُمۡ عَلَیۡہِ اَجۡرًا ؕ اِنۡ اَجۡرِیَ اِلَّا عَلَی الَّذِیۡ فَطَرَنِیۡ ؕ اَفَلَا تَعۡقِلُوۡنَ ﴿۵۱﴾

011.051 Ya qawmi la as-alukum AAalayhi ajran in ajriya illa AAala allathee fataranee afala taAAqiloona

Ik vraag jullie er geen loon voor. Met mijn loon is slechts Hij belast die mij geschapen heeft. Hebben jullie dan geen verstand?


وَ یٰقَوۡمِ اسۡتَغۡفِرُوۡا رَبَّکُمۡ ثُمَّ تُوۡبُوۡۤا اِلَیۡہِ یُرۡسِلِ السَّمَآءَ عَلَیۡکُمۡ مِّدۡرَارًا وَّ یَزِدۡکُمۡ قُوَّۃً اِلٰی قُوَّتِکُمۡ وَ لَا تَتَوَلَّوۡا مُجۡرِمِیۡنَ ﴿۵۲﴾

011.052 Waya qawmi istaghfiroo rabbakum thumma tooboo ilayhi yursili alssamaa AAalaykum midraran wayazidkum quwwatan ila quwwatikum wala tatawallaw mujrimeena

En, mijn volk, vraagt jullie Heer om vergeving en wendt je dan berouwvol tot Hem. Hij zal dan de hemel in overvloed over jullie laten regenen en jullie nog meer kracht geven. Maar keert jullie niet als boosdoeners af."


قَالُوۡا یٰہُوۡدُ مَا جِئۡتَنَا بِبَیِّنَۃٍ وَّ مَا نَحۡنُ بِتَارِکِیۡۤ اٰلِہَتِنَا عَنۡ قَوۡلِکَ وَ مَا نَحۡنُ لَکَ بِمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۵۳﴾

011.053 Qaloo ya hoodu ma ji/tana bibayyinatin wama nahnu bitarikee alihatina AAan qawlika wama nahnu laka bimu/mineena

Zij zeiden: "O Hoed, jij hebt ons geen duidelijk bewijs gebracht en wij verlaten onze goden niet omdat jij het zegt; wij geloven jou niet.


اِنۡ نَّقُوۡلُ اِلَّا اعۡتَرٰىکَ بَعۡضُ اٰلِہَتِنَا بِسُوۡٓءٍ ؕ قَالَ اِنِّیۡۤ اُشۡہِدُ اللّٰہَ وَ اشۡہَدُوۡۤا اَنِّیۡ بَرِیۡٓءٌ مِّمَّا تُشۡرِکُوۡنَ ﴿ۙ۵۴﴾

011.054 In naqoolu illa iAAtaraka baAAdu alihatina bisoo-in qala innee oshhidu Allaha waishhadoo annee baree-on mimma tushrikoona

Wij zeggen alleen maar dat een god van ons jou met iets slechts heeft getroffen." Hij zei: "Ik roep Allah als getuige aan en ook jullie moeten getuigen dat ik niets te maken heb met wat jullie [aan Allah] als metgezellen toevoegen,


مِنۡ دُوۡنِہٖ فَکِیۡدُوۡنِیۡ جَمِیۡعًا ثُمَّ لَا تُنۡظِرُوۡنِ ﴿۵۵﴾

011.055 Min doonihi fakeedoonee jameeAAan thumma la tunthirooni

buiten Hem om. Beraamt dan maar tezamen listen tegen mij en laat mij dan niet wachten.


اِنِّیۡ تَوَکَّلۡتُ عَلَی اللّٰہِ رَبِّیۡ وَ رَبِّکُمۡ ؕ مَا مِنۡ دَآبَّۃٍ اِلَّا ہُوَ اٰخِذٌۢ بِنَاصِیَتِہَا ؕ اِنَّ رَبِّیۡ عَلٰی صِرَاطٍ مُّسۡتَقِیۡمٍ ﴿۵۶﴾

011.056 Innee tawakkaltu AAala Allahi rabbee warabbikum ma min dabbatin illa huwa akhithun binasiyatiha inna rabbee AAala siratin mustaqeemin

Ik stel mijn vertrouwen op Allah, mijn Heer en jullie Heer. Er is geen dier op aarde of Hij houdt het bij zijn kuif vast. Mijn Heer is op een juiste weg.


فَاِنۡ تَوَلَّوۡا فَقَدۡ اَبۡلَغۡتُکُمۡ مَّاۤ اُرۡسِلۡتُ بِہٖۤ اِلَیۡکُمۡ ؕ وَ یَسۡتَخۡلِفُ رَبِّیۡ قَوۡمًا غَیۡرَکُمۡ ۚ وَ لَا تَضُرُّوۡنَہٗ شَیۡئًا ؕ اِنَّ رَبِّیۡ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ حَفِیۡظٌ ﴿۵۷﴾

011.057 Fa-in tawallaw faqad ablaghtukum ma orsiltu bihi ilaykum wayastakhlifu rabbee qawman ghayrakum wala tadurroonahu shay-an inna rabbee AAala kulli shay-in hafeethun

En als jullie je afkeren, dan heb ik jullie dat verkondigd waarmee ik tot jullie gezonden ben. En mijn Heer zal maken dat een ander volk jullie opvolgt. En jullie brengen Hem geen enkele schade toe. Mijn Heer is het die over alles waakt."


وَ لَمَّا جَآءَ اَمۡرُنَا نَجَّیۡنَا ہُوۡدًا وَّ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا مَعَہٗ بِرَحۡمَۃٍ مِّنَّا ۚ وَ نَجَّیۡنٰہُمۡ مِّنۡ عَذَابٍ غَلِیۡظٍ ﴿۵۸﴾

011.058 Walamma jaa amruna najjayna hoodan waallatheena amanoo maAAahu birahmatin minna wanajjaynahum min AAathabin ghaleethin

En toen Onze beschikking kwam redden Wij Hoed en hen die met hem geloofden door barmhartigheid van Ons; Wij redden hen van een harde bestraffing.


وَ تِلۡکَ عَادٌ ۟ۙ جَحَدُوۡا بِاٰیٰتِ رَبِّہِمۡ وَ عَصَوۡا رُسُلَہٗ وَ اتَّبَعُوۡۤا اَمۡرَ کُلِّ جَبَّارٍ عَنِیۡدٍ ﴿۵۹﴾

011.059 Watilka AAadun jahadoo bi-ayati rabbihim waAAasaw rusulahu waittabaAAoo amra kulli jabbarin AAaneedin

Dat waren dan de 'Aad; zij verwierpen de tekenen van hun Heer en zij waren aan Zijn gezanten ongehoorzaam en zij volgden het bevel op van elke weerspannige geweldenaar.


وَ اُتۡبِعُوۡا فِیۡ ہٰذِہِ الدُّنۡیَا لَعۡنَۃً وَّ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ ؕ اَلَاۤ اِنَّ عَادًا کَفَرُوۡا رَبَّہُمۡ ؕ اَلَا بُعۡدًا لِّعَادٍ قَوۡمِ ہُوۡدٍ ﴿٪۶۰﴾

011.060 WaotbiAAoo fee hathihi alddunya laAAnatan wayawma alqiyamati ala inna AAadan kafaroo rabbahum ala buAAdan liAAadin qawmi hoodin

En zij werden in het tegenwoordige leven en op de opstandingsdag door een vloek vervolgd. Zeker, de 'Aad hechtten geen geloof aan hun Heer. Weg dan met de 'Aad, het volk van Hoed.


وَ اِلٰی ثَمُوۡدَ اَخَاہُمۡ صٰلِحًا ۘ قَالَ یٰقَوۡمِ اعۡبُدُوا اللّٰہَ مَا لَکُمۡ مِّنۡ اِلٰہٍ غَیۡرُہٗ ؕ ہُوَ اَنۡشَاَکُمۡ مِّنَ الۡاَرۡضِ وَ اسۡتَعۡمَرَکُمۡ فِیۡہَا فَاسۡتَغۡفِرُوۡہُ ثُمَّ تُوۡبُوۡۤا اِلَیۡہِ ؕ اِنَّ رَبِّیۡ قَرِیۡبٌ مُّجِیۡبٌ ﴿۶۱﴾

011.061 Wa-ila thamooda akhahum salihan qala ya qawmi oAAbudoo Allaha ma lakum min ilahin ghayruhu huwa anshaakum mina al-ardi waistaAAmarakum feeha faistaghfiroohu thumma tooboo ilayhi inna rabbee qareebun mujeebun

En tot de Thamoed [was] hun broeder Salih [gezonden]. Hij zei: "Mijn volk! Dient Allah; jullie hebben geen andere god dan Hem. Hij heeft jullie uit de aarde laten ontstaan en je erop laten vestigen. Vraagt Hem dus om vergeving en wendt jullie dan berouwvol tot Hem. Mijn Heer is nabij en verhorende


قَالُوۡا یٰصٰلِحُ قَدۡ کُنۡتَ فِیۡنَا مَرۡجُوًّا قَبۡلَ ہٰذَاۤ اَتَنۡہٰنَاۤ اَنۡ نَّعۡبُدَ مَا یَعۡبُدُ اٰبَآؤُنَا وَ اِنَّنَا لَفِیۡ شَکٍّ مِّمَّا تَدۡعُوۡنَاۤ اِلَیۡہِ مُرِیۡبٍ ﴿۶۲﴾

011.062 Qaloo ya salihu qad kunta feena marjuwwan qabla hatha atanhana an naAAbuda ma yaAAbudu abaona wa-innana lafee shakkin mimma tadAAoona ilayhi mureebun

Zij zeiden: "O Salih, jij was tot nu toe bij ons iemand van wie men iets kon verwachten. Zul jij ons verbieden te dienen wat onze vaderen dienden? Wij verkeren namelijk in hevige twijfel over dat waartoe jij ons oproept."


قَالَ یٰقَوۡمِ اَرَءَیۡتُمۡ اِنۡ کُنۡتُ عَلٰی بَیِّنَۃٍ مِّنۡ رَّبِّیۡ وَ اٰتٰىنِیۡ مِنۡہُ رَحۡمَۃً فَمَنۡ یَّنۡصُرُنِیۡ مِنَ اللّٰہِ اِنۡ عَصَیۡتُہٗ ۟ فَمَا تَزِیۡدُوۡنَنِیۡ غَیۡرَ تَخۡسِیۡرٍ ﴿۶۳﴾

011.063 Qala ya qawmi araaytum in kuntu AAala bayyinatin min rabbee waatanee minhu rahmatan faman yansurunee mina Allahi in AAasaytuhu fama tazeedoonanee ghayra takhseerin

Hij zei: "Mijn volk! Hoe zien jullie het? Als ik op een duidelijk bewijs van mijn Heer steun en Hij mij barmhartigheid van Hem gegeven heeft, wie zou mij dan tegen Allah kunnen helpen als ik Hem ongehoorzaam zou zijn? Jullie brengen mij alleen maar meer verlies.


وَ یٰقَوۡمِ ہٰذِہٖ نَاقَۃُ اللّٰہِ لَکُمۡ اٰیَۃً فَذَرُوۡہَا تَاۡکُلۡ فِیۡۤ اَرۡضِ اللّٰہِ وَ لَا تَمَسُّوۡہَا بِسُوۡٓءٍ فَیَاۡخُذَکُمۡ عَذَابٌ قَرِیۡبٌ ﴿۶۴﴾

011.064 Waya qawmi hathihi naqatu Allahi lakum ayatan fatharooha ta/kul fee ardi Allahi wala tamassooha bisoo-in faya/khuthakum AAathabun qareebun

En, mijn volk, dit is Allah's kameelmerrie; voor jullie een teken. Laat haar op Allah's aarde eten en treft haar niet met kwaad, want dan zal een nabije bestraffing jullie grijpen."


فَعَقَرُوۡہَا فَقَالَ تَمَتَّعُوۡا فِیۡ دَارِکُمۡ ثَلٰثَۃَ اَیَّامٍ ؕ ذٰلِکَ وَعۡدٌ غَیۡرُ مَکۡذُوۡبٍ ﴿۶۵﴾

011.065 FaAAaqarooha faqala tamattaAAoo fee darikum thalathata ayyamin thalika waAAdun ghayru makthoobin

Maar zij sneden haar hielpezen door. Toen zei hij: "Jullie kunnen nog drie dagen in jullie woning genieten. Dat is een ongelogen aanzegging."


فَلَمَّا جَآءَ اَمۡرُنَا نَجَّیۡنَا صٰلِحًا وَّ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا مَعَہٗ بِرَحۡمَۃٍ مِّنَّا وَ مِنۡ خِزۡیِ یَوۡمِئِذٍ ؕ اِنَّ رَبَّکَ ہُوَ الۡقَوِیُّ الۡعَزِیۡزُ ﴿۶۶﴾

011.066 Falamma jaa amruna najjayna salihan waallatheena amanoo maAAahu birahmatin minna wamin khizyi yawmi-ithin inna rabbaka huwa alqawiyyu alAAazeezu

En toen Onze beschikking kwam redden Wij Salih en hen die met hem geloofden door barmhartigheid van Ons en van de schande van die dag. Jouw Heer is de krachtige, de machtige.


وَ اَخَذَ الَّذِیۡنَ ظَلَمُوا الصَّیۡحَۃُ فَاَصۡبَحُوۡا فِیۡ دِیَارِہِمۡ جٰثِمِیۡنَ ﴿ۙ۶۷﴾

011.067 Waakhatha allatheena thalamoo alssayhatu faasbahoo fee diyarihim jathimeena

Toen greep de schreeuw hen die onrecht deden en 's morgens lagen zij in hun woningen dood op de grond,


کَاَنۡ لَّمۡ یَغۡنَوۡا فِیۡہَا ؕ اَلَاۤ اِنَّ ثَمُوۡدَا۠ کَفَرُوۡا رَبَّہُمۡ ؕ اَلَا بُعۡدًا لِّثَمُوۡدَ ﴿٪۶۸﴾

011.068 Kaan lam yaghnaw feeha ala inna thamooda kafaroo rabbahum ala buAAdan lithamooda

alsof zij er niet lang woonachtig waren geweest. Zeker, de Thamoed hechtten geen geloof aan hun Heer. Weg dan met de Thamoed.


وَ لَقَدۡ جَآءَتۡ رُسُلُنَاۤ اِبۡرٰہِیۡمَ بِالۡبُشۡرٰی قَالُوۡا سَلٰمًا ؕ قَالَ سَلٰمٌ فَمَا لَبِثَ اَنۡ جَآءَ بِعِجۡلٍ حَنِیۡذٍ ﴿۶۹﴾

011.069 Walaqad jaat rusuluna ibraheema bialbushra qaloo salaman qala salamun fama labitha an jaa biAAijlin haneethin

Ook waren Onze gezanten met het goede nieuws tot Ibrahiem gekomen. Zij zeiden: "Vrede!" Hij zei: "Vrede!" En het duurde niet lang of hij kwam met een geroosterd kalf.


فَلَمَّا رَاٰۤ اَیۡدِیَہُمۡ لَا تَصِلُ اِلَیۡہِ نَکِرَہُمۡ وَ اَوۡجَسَ مِنۡہُمۡ خِیۡفَۃً ؕ قَالُوۡا لَا تَخَفۡ اِنَّاۤ اُرۡسِلۡنَاۤ اِلٰی قَوۡمِ لُوۡطٍ ﴿ؕ۷۰﴾

011.070 Falamma raa aydiyahum la tasilu ilayhi nakirahum waawjasa minhum kheefatan qaloo la takhaf inna orsilna ila qawmi lootin

En toen hij zag dat hun handen er niet aan kwamen kreeg hij argwaan tegen hen en werd door vrees voor hen bevangen. Zij zeiden: "Wees niet bang, wij zijn tot het volk van Loet gezonden."


وَ امۡرَاَتُہٗ قَآئِمَۃٌ فَضَحِکَتۡ فَبَشَّرۡنٰہَا بِاِسۡحٰقَ ۙ وَ مِنۡ وَّرَآءِ اِسۡحٰقَ یَعۡقُوۡبَ ﴿۷۱﴾

011.071 Waimraatuhu qa-imatun fadahikat fabashsharnaha bi-ishaqa wamin wara-i ishaqa yaAAqooba

En zijn vrouw stond erbij en lachte. Toen verkondigden Wij haar het goede nieuws van Ishaak en Ja'koeb na hem.


قَالَتۡ یٰوَیۡلَتٰۤیءَ اَلِدُ وَ اَنَا عَجُوۡزٌ وَّ ہٰذَا بَعۡلِیۡ شَیۡخًا ؕ اِنَّ ہٰذَا لَشَیۡءٌ عَجِیۡبٌ ﴿۷۲﴾

011.072 Qalat ya waylata aalidu waana AAajoozun wahatha baAAlee shaykhan inna hatha lashay-on AAajeebun

Zij zei: "Wee mij! Zal ik een kind krijgen terwijl ik een oude vrouw ben en mijn echtgenoot hier een oude man? Dit is wel iets wonderlijks. "


قَالُوۡۤا اَتَعۡجَبِیۡنَ مِنۡ اَمۡرِ اللّٰہِ رَحۡمَتُ اللّٰہِ وَ بَرَکٰتُہٗ عَلَیۡکُمۡ اَہۡلَ الۡبَیۡتِ ؕ اِنَّہٗ حَمِیۡدٌ مَّجِیۡدٌ ﴿۷۳﴾

011.073 Qaloo ataAAjabeena min amri Allahi rahmatu Allahi wabarakatuhu AAalaykum ahla albayti innahu hameedun majeedun

Zij zeiden:"Verwonder jij je over Allah's beschikking? Allah's barmhartigheid en Zijn zegeningen zijn voor jullie, mensen van het huis. Hij is lofwaardig en glorierijke


فَلَمَّا ذَہَبَ عَنۡ اِبۡرٰہِیۡمَ الرَّوۡعُ وَ جَآءَتۡہُ الۡبُشۡرٰی یُجَادِلُنَا فِیۡ قَوۡمِ لُوۡطٍ ﴿ؕ۷۴﴾

011.074 Falamma thahaba AAan ibraheema alrrawAAu wajaat-hu albushra yujadiluna fee qawmi lootin

Toen Ibrahiem van de schrik bekomen was en het goede nieuws tot hem gekomen was begon hij met Ons te twisten over het volk van Loet.


اِنَّ اِبۡرٰہِیۡمَ لَحَلِیۡمٌ اَوَّاہٌ مُّنِیۡبٌ ﴿۷۵﴾

011.075 Inna ibraheema lahaleemun awwahun muneebun

Ibrahiem was zachtmoedig, vol meegevoel en schuldbewust.


یٰۤـاِبۡرٰہِیۡمُ اَعۡرِضۡ عَنۡ ہٰذَا ۚ اِنَّہٗ قَدۡ جَآءَ اَمۡرُ رَبِّکَ ۚ وَ اِنَّہُمۡ اٰتِیۡہِمۡ عَذَابٌ غَیۡرُ مَرۡدُوۡدٍ ﴿۷۶﴾

011.076 Ya ibraheemu aAArid AAan hatha innahu qad jaa amru rabbika wa-innahum ateehim AAathabun ghayru mardoodin

"O Ibrahiem, houd hiermee op. De beschikking van jouw Heer is gekomen; over hen komt een onafwendbare bestraffing."


وَ لَمَّا جَآءَتۡ رُسُلُنَا لُوۡطًا سِیۡٓءَ بِہِمۡ وَ ضَاقَ بِہِمۡ ذَرۡعًا وَّ قَالَ ہٰذَا یَوۡمٌ عَصِیۡبٌ ﴿۷۷﴾

011.077 Walamma jaat rusuluna lootan see-a bihim wadaqa bihim tharAAan waqala hatha yawmun AAaseebun

En toen Onze gezanten tot Loet kwamen was hij bezorgd over hen en maakte zich ongerust over hen. Hij zei: "Dit is een hachelijke dag."


وَ جَآءَہٗ قَوۡمُہٗ یُہۡرَعُوۡنَ اِلَیۡہِ ؕ وَ مِنۡ قَبۡلُ کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ السَّیِّاٰتِ ؕ قَالَ یٰقَوۡمِ ہٰۤؤُلَآءِ بَنَاتِیۡ ہُنَّ اَطۡہَرُ لَکُمۡ فَاتَّقُوا اللّٰہَ وَ لَا تُخۡزُوۡنِ فِیۡ ضَیۡفِیۡ ؕ اَلَـیۡسَ مِنۡکُمۡ رَجُلٌ رَّشِیۡدٌ ﴿۷۸﴾

011.078 Wajaahu qawmuhu yuhraAAoona ilayhi wamin qablu kanoo yaAAmaloona alssayyi-ati qala ya qawmi haola-i banatee hunna atharu lakum faittaqoo Allaha wala tukhzooni fee dayfee alaysa minkum rajulun rasheedun

En zijn volk kwam op hem toegesneld; zij hadden voordien al slechte daden begaan. Hij zei: "Mensen, hier zijn mijn dochters, zij zijn reiner voor jullie. Vreest dan Allah en maakt mij niet te schande om mijn gasten. Is er onder jullie geen verstandige man?"


قَالُوۡا لَقَدۡ عَلِمۡتَ مَا لَنَا فِیۡ بَنٰتِکَ مِنۡ حَقٍّ ۚ وَ اِنَّکَ لَتَعۡلَمُ مَا نُرِیۡدُ ﴿۷۹﴾

011.079 Qaloo laqad AAalimta ma lana fee banatika min haqqin wa-innaka lataAAlamu ma nureedu

Zij zeiden: "Jij weet wel dat wij op jouw dochters geen recht hebben en jij weet best wat wij wensen."


قَالَ لَوۡ اَنَّ لِیۡ بِکُمۡ قُوَّۃً اَوۡ اٰوِیۡۤ اِلٰی رُکۡنٍ شَدِیۡدٍ ﴿۸۰﴾

011.080 Qala law anna lee bikum quwwatan aw awee ila ruknin shadeedin

Hij zei: "Had ik maar macht over jullie of kon ik maar mijn toevlucht nemen tot een sterke lijfwacht."


قَالُوۡا یٰلُوۡطُ اِنَّا رُسُلُ رَبِّکَ لَنۡ یَّصِلُوۡۤا اِلَیۡکَ فَاَسۡرِ بِاَہۡلِکَ بِقِطۡعٍ مِّنَ الَّیۡلِ وَ لَا یَلۡتَفِتۡ مِنۡکُمۡ اَحَدٌ اِلَّا امۡرَاَتَکَ ؕ اِنَّہٗ مُصِیۡبُہَا مَاۤ اَصَابَہُمۡ ؕ اِنَّ مَوۡعِدَہُمُ الصُّبۡحُ ؕ اَلَـیۡسَ الصُّبۡحُ بِقَرِیۡبٍ ﴿۸۱﴾

011.081 Qaloo ya lootu inna rusulu rabbika lan yasiloo ilayka faasri bi-ahlika biqitAAin mina allayli wala yaltafit minkum ahadun illa imraataka innahu museebuha ma asabahum inna mawAAidahumu alssubhu alaysa alssubhu biqareebin

Zij zeiden: "O Loet, wij zijn gezanten van jouw Heer. Zij zullen je niet kunnen bereiken. Vertrek met je familie in een deel van de nacht en niemand van jullie mag zich omdraaien. Uitgezonderd jouw vrouw, haar zal treffen wat hen treft. De morgen is het tijdstip dat voor hen aangewezen is. Is de morgen niet dichtbij?"


فَلَمَّا جَآءَ اَمۡرُنَا جَعَلۡنَا عَالِیَہَا سَافِلَہَا وَ اَمۡطَرۡنَا عَلَیۡہَا حِجَارَۃً مِّنۡ سِجِّیۡلٍ ۬ۙ مَّنۡضُوۡدٍ ﴿ۙ۸۲﴾

011.082 Falamma jaa amruna jaAAalna AAaliyaha safilaha waamtarna AAalayha hijaratan min sijjeelin mandoodin

Toen Onze beschikking dan kwam keerden Wij haar ondersteboven en lieten er op elkaar volgende bakstenen op regenen,


مُّسَوَّمَۃً عِنۡدَ رَبِّکَ ؕ وَ مَا ہِیَ مِنَ الظّٰلِمِیۡنَ بِبَعِیۡدٍ ﴿٪۸۳﴾

011.083 Musawwamatan AAinda rabbika wama hiya mina alththalimeena bibaAAeedin

die bij jouw Heer gemerkt zijn en die niet ver van de onrechtplegers weg zijn.


وَ اِلٰی مَدۡیَنَ اَخَاہُمۡ شُعَیۡبًا ؕ قَالَ یٰقَوۡمِ اعۡبُدُوا اللّٰہَ مَا لَکُمۡ مِّنۡ اِلٰہٍ غَیۡرُہٗ ؕ وَ لَا تَنۡقُصُوا الۡمِکۡیَالَ وَ الۡمِیۡزَانَ اِنِّیۡۤ اَرٰىکُمۡ بِخَیۡرٍ وَّ اِنِّیۡۤ اَخَافُ عَلَیۡکُمۡ عَذَابَ یَوۡمٍ مُّحِیۡطٍ ﴿۸۴﴾

011.084 Wa-ila madyana akhahum shuAAayban qala ya qawmi oAAbudoo Allaha ma lakum min ilahin ghayruhu wala tanqusoo almikyala waalmeezana innee arakum bikhayrin wa-innee akhafu AAalaykum AAathaba yawmin muheetin

En tot de Madjan [was] hun broeder Sjoe'aib [gezonden]. Hij zei: "Mijn volk! Dient Allah; jullie hebben geen andere god dan Hem. En doet niet tekort in maat en gewicht. Ik zie dat het jullie goed gaat, maar ik vrees voor jullie de bestraffing op een veelomvattende dag.


وَ یٰقَوۡمِ اَوۡفُوا الۡمِکۡیَالَ وَ الۡمِیۡزَانَ بِالۡقِسۡطِ وَ لَا تَبۡخَسُوا النَّاسَ اَشۡیَآءَہُمۡ وَ لَا تَعۡثَوۡا فِی الۡاَرۡضِ مُفۡسِدِیۡنَ ﴿۸۵﴾

011.085 Waya qawmi awfoo almikyala waalmeezana bialqisti wala tabkhasoo alnnasa ashyaahum wala taAAthaw fee al-ardi mufsideena

En, mijn volk, geeft volle maat en gewicht in billijkheid en doet de mensen niet tekort in de dingen die van hen zijn en veroorzaakt geen ellende op de aarde door verderf te zaaien.


بَقِیَّتُ اللّٰہِ خَیۡرٌ لَّکُمۡ اِنۡ کُنۡتُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ۬ۚ وَ مَاۤ اَنَا عَلَیۡکُمۡ بِحَفِیۡظٍ ﴿۸۶﴾

011.086 Baqiyyatu Allahi khayrun lakum in kuntum mu/mineena wama ana AAalaykum bihafeethin

Wat bij Allah overblijft is beter voor jullie als jullie gelovig zijn. En ik ben niet iemand die over jullie waakt."


قَالُوۡا یٰشُعَیۡبُ اَصَلٰوتُکَ تَاۡمُرُکَ اَنۡ نَّتۡرُکَ مَا یَعۡبُدُ اٰبَآؤُنَاۤ اَوۡ اَنۡ نَّفۡعَلَ فِیۡۤ اَمۡوَالِنَا مَا نَشٰٓؤُاؕ اِنَّکَ لَاَنۡتَ الۡحَلِیۡمُ الرَّشِیۡدُ ﴿۸۷﴾

011.087 Qaloo ya shuAAaybu asalatuka ta/muruka an natruka ma yaAAbudu abaona aw an nafAAala fee amwalina ma nashao innaka laanta alhaleemu alrrasheedu

Zij zeiden: "O Sjoe'aib, dragen jouw gebeden jou op dat wij wat onze vaderen dienden verlaten of dat wij ophouden met onze bezittingen te doen wat wij willen? Jij bent toch de zachtmoedige, de verstandige."


قَالَ یٰقَوۡمِ اَرَءَیۡتُمۡ اِنۡ کُنۡتُ عَلٰی بَیِّنَۃٍ مِّنۡ رَّبِّیۡ وَ رَزَقَنِیۡ مِنۡہُ رِزۡقًا حَسَنًا ؕ وَ مَاۤ اُرِیۡدُ اَنۡ اُخَالِفَکُمۡ اِلٰی مَاۤ اَنۡہٰکُمۡ عَنۡہُ ؕ اِنۡ اُرِیۡدُ اِلَّا الۡاِصۡلَاحَ مَا اسۡتَطَعۡتُ ؕ وَ مَا تَوۡفِیۡقِیۡۤ اِلَّا بِاللّٰہِ ؕعَلَیۡہِ تَوَکَّلۡتُ وَ اِلَیۡہِ اُنِیۡبُ ﴿۸۸﴾

011.088 Qala ya qawmi araaytum in kuntu AAala bayyinatin min rabbee warazaqanee minhu rizqan hasanan wama oreedu an okhalifakum ila ma anhakum AAanhu in oreedu illa al-islaha ma istataAAtu wama tawfeeqee illa biAllahi AAalayhi tawakkaltu wa-ilayhi oneebu

Hij zei: "Mijn volk! Hoe zien jullie het? Als ik op een duidelijk bewijs van mijn Heer steun en Hij van Zijn kant goed in mijn levensonderhoud voorziet? Ik wil jullie ook niet tegenspreken over wat ik jullie verbied. Ik wens alleen maar zo goed als ik kan orde op zaken te stellen. Mijn welslagen hangt alleen van Allah af; op Hem stel ik mijn vertrouwen en tot Hem wend ik mij schuldbewust.


وَ یٰقَوۡمِ لَا یَجۡرِمَنَّکُمۡ شِقَاقِیۡۤ اَنۡ یُّصِیۡبَکُمۡ مِّثۡلُ مَاۤ اَصَابَ قَوۡمَ نُوۡحٍ اَوۡ قَوۡمَ ہُوۡدٍ اَوۡ قَوۡمَ صٰلِحٍ ؕ وَ مَا قَوۡمُ لُوۡطٍ مِّنۡکُمۡ بِبَعِیۡدٍ ﴿۸۹﴾

011.089 Waya qawmi la yajrimannakum shiqaqee an yuseebakum mithlu ma asaba qawma noohin aw qawma hoodin aw qawma salihin wama qawmu lootin minkum bibaAAeedin

En, mijn volk, laat de onmin met mij jullie er niet toe brengen dat jullie hetzelfde treft dat het volk van Noeh of het volk van Hoed of het volk van Salih heeft getroffen. En het volk van Loet is niet ver van jullie.


وَ اسۡتَغۡفِرُوۡا رَبَّکُمۡ ثُمَّ تُوۡبُوۡۤا اِلَیۡہِ ؕ اِنَّ رَبِّیۡ رَحِیۡمٌ وَّدُوۡدٌ ﴿۹۰﴾

011.090 Waistaghfiroo rabbakum thumma tooboo ilayhi inna rabbee raheemun wadoodun

Vraagt jullie Heer om vergeving en wendt jullie dan berouwvol tot Hem; mijn Heer is barmhartig en liefdevol."


قَالُوۡا یٰشُعَیۡبُ مَا نَفۡقَہُ کَثِیۡرًا مِّمَّا تَقُوۡلُ وَ اِنَّا لَنَرٰىکَ فِیۡنَا ضَعِیۡفًا ۚ وَ لَوۡ لَا رَہۡطُکَ لَرَجَمۡنٰکَ ۫ وَ مَاۤ اَنۡتَ عَلَیۡنَا بِعَزِیۡزٍ ﴿۹۱﴾

011.091 Qaloo ya shuAAaybu ma nafqahu katheeran mimma taqoolu wa-inna lanaraka feena daAAeefan walawla rahtuka larajamnaka wama anta AAalayna biAAazeezin

Zij zeiden: "O Sjoe'aib, wij begrijpen niet veel van wat jij zegt en wij zien dat jij bij ons weerloos bent. Als jouw aanhang er niet was, dan hadden we je gestenigd; jij hebt immers geen macht over ons."


قَالَ یٰقَوۡمِ اَرَہۡطِیۡۤ اَعَزُّ عَلَیۡکُمۡ مِّنَ اللّٰہِ ؕ وَ اتَّخَذۡتُمُوۡہُ وَرَآءَکُمۡ ظِہۡرِیًّا ؕ اِنَّ رَبِّیۡ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ مُحِیۡطٌ ﴿۹۲﴾

011.092 Qala ya qawmi arahtee aAAazzu AAalaykum mina Allahi waittakhathtumoohu waraakum thihriyyan inna rabbee bima taAAmaloona muheetun

Hij zei: "Mijn volk! Maakt mijn aanhang meer indruk op jullie dan Allah en hebben jullie Hem achtergesteld? Mijn Heer omvat wat jullie doen.


وَ یٰقَوۡمِ اعۡمَلُوۡا عَلٰی مَکَانَتِکُمۡ اِنِّیۡ عَامِلٌ ؕ سَوۡفَ تَعۡلَمُوۡنَ ۙ مَنۡ یَّاۡتِیۡہِ عَذَابٌ یُّخۡزِیۡہِ وَ مَنۡ ہُوَ کَاذِبٌ ؕ وَ ارۡتَقِبُوۡۤا اِنِّیۡ مَعَکُمۡ رَقِیۡبٌ ﴿۹۳﴾

011.093 Waya qawmi iAAmaloo AAala makanatikum innee AAamilun sawfa taAAlamoona man ya/teehi AAathabun yukhzeehi waman huwa kathibun wairtaqiboo inne maAAakum raqeebun

En, mijn volk, handelt naar jullie vermogen; ik doe dat ook. En dan zullen jullie wel weten tot wie de bestraffing komt die hem te schande maakt en wie er een leugenaar is. Wacht maar af; ik wacht met jullie af."


وَ لَمَّا جَآءَ اَمۡرُنَا نَجَّیۡنَا شُعَیۡبًا وَّ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا مَعَہٗ بِرَحۡمَۃٍ مِّنَّا وَ اَخَذَتِ الَّذِیۡنَ ظَلَمُوا الصَّیۡحَۃُ فَاَصۡبَحُوۡا فِیۡ دِیَارِہِمۡ جٰثِمِیۡنَ ﴿ۙ۹۴﴾

011.094 Walamma jaa amruna najjayna shuAAayban waallatheena amanoo maAAahu birahmatin minna waakhathati allatheena thalamoo alssayhatu faasbahoo fee diyarihim jathimeena

En toen Onze beschikking kwam redden Wij Sjoe'aib en hen die met hem geloofden door barmhartigheid van Ons. Toen greep de schreeuw hen die onrecht deden en 's morgens lagen zij in hun woningen dood op de grond,


کَاَنۡ لَّمۡ یَغۡنَوۡا فِیۡہَا ؕ اَلَا بُعۡدًا لِّمَدۡیَنَ کَمَا بَعِدَتۡ ثَمُوۡدُ ﴿٪۹۵﴾

011.095 Kaan lam yaghnaw feeha ala buAAdan limadyana kama baAAidat thamoodu

alsof zij er niet lang woonachtig geweest waren. Weg dan met de Madjan zoals de Thamoed weg zijn.


وَ لَقَدۡ اَرۡسَلۡنَا مُوۡسٰی بِاٰیٰتِنَا وَ سُلۡطٰنٍ مُّبِیۡنٍ ﴿ۙ۹۶﴾

011.096 Walaqad arsalna moosa bi-ayatina wasultanin mubeenin

En Wij hebben Moesa toch met Onze tekenen en een duidelijke machtiging gezonden


اِلٰی فِرۡعَوۡنَ وَ مَلَا۠ئِہٖ فَاتَّبَعُوۡۤا اَمۡرَ فِرۡعَوۡنَ ۚ وَ مَاۤ اَمۡرُ فِرۡعَوۡنَ بِرَشِیۡدٍ ﴿۹۷﴾

011.097 Ila firAAawna wamala-ihi faittabaAAoo amra firAAawna wama amru firAAawna birasheedin

naar Fir'aun en zijn raad van voornaamsten. Zij nu volgden het bevel op van Fir'aun, maar het bevel van Fir'aun was niet verstandig.


یَقۡدُمُ قَوۡمَہٗ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ فَاَوۡرَدَہُمُ النَّارَ ؕ وَ بِئۡسَ الۡوِرۡدُ الۡمَوۡرُوۡدُ ﴿۹۸﴾

011.098 Yaqdumu qawmahu yawma alqiyamati faawradahumu alnnara wabi/sa alwirdu almawroodu

Hij zal op de opstandingsdag voor zijn volk uit gaan en hen naar beneden naar de drinkplaats bij het vuur brengen. Dat is pas een slechte drinkplaats om naartoe gebracht te worden!


وَ اُتۡبِعُوۡا فِیۡ ہٰذِہٖ لَعۡنَۃً وَّ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ ؕ بِئۡسَ الرِّفۡدُ الۡمَرۡفُوۡدُ ﴿۹۹﴾

011.099 WaotbiAAoo fee hathihi laAAnatan wayawma alqiyamati bi/sa alrrifdu almarfoodu

En zij werden in dit [leven] en op de opstandingsdag door een vloek achtervolgd. Dat is pas een slechte gift wanneer die gegeven wordt.


ذٰلِکَ مِنۡ اَنۡۢبَآءِ الۡقُرٰی نَقُصُّہٗ عَلَیۡکَ مِنۡہَا قَآئِمٌ وَّ حَصِیۡدٌ ﴿۱۰۰﴾

011.100 Thalika min anba-i alqura naqussuhu AAalayka minha qa-imun wahaseedun

Dat zijn enkele berichten over de steden die Wij jou vertellen; sommige staan nog overeind andere zijn weggemaaid.


وَ مَا ظَلَمۡنٰہُمۡ وَ لٰکِنۡ ظَلَمُوۡۤا اَنۡفُسَہُمۡ فَمَاۤ اَغۡنَتۡ عَنۡہُمۡ اٰلِہَتُہُمُ الَّتِیۡ یَدۡعُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ مِنۡ شَیۡءٍ لَّمَّا جَآءَ اَمۡرُ رَبِّکَ ؕ وَ مَا زَادُوۡہُمۡ غَیۡرَ تَتۡبِیۡبٍ ﴿۱۰۱﴾

011.101 Wama thalamnahum walakin thalamoo anfusahum fama aghnat AAanhum alihatuhumu allatee yadAAoona min dooni Allahi min shay-in lamma jaa amru rabbika wama zadoohum ghayra tatbeebin

Wij deden hun geen onrecht aan maar zij deden zichzelf onrecht aan en hun goden die zij in plaats van Allah aanriepen baatten hun niets toen de beschikking van jouw Heer kwam. Zij stortten hen alleen maar verder in het verderf.


وَ کَذٰلِکَ اَخۡذُ رَبِّکَ اِذَاۤ اَخَذَ الۡقُرٰی وَ ہِیَ ظَالِمَۃٌ ؕ اِنَّ اَخۡذَہٗۤ اَلِیۡمٌ شَدِیۡدٌ ﴿۱۰۲﴾

011.102 Wakathalika akhthu rabbika itha akhatha alqura wahiya thalimatun inna akhthahu aleemun shadeedun

Zo is de manier van aanpakken van jouw Heer wanneer Hij de steden aanpakt terwijl zij onrecht plegen; Zijn manier van aanpakken is pijnlijk en streng.


اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیَۃً لِّمَنۡ خَافَ عَذَابَ الۡاٰخِرَۃِ ؕ ذٰلِکَ یَوۡمٌ مَّجۡمُوۡعٌ ۙ لَّہُ النَّاسُ وَ ذٰلِکَ یَوۡمٌ مَّشۡہُوۡدٌ ﴿۱۰۳﴾

011.103 Inna fee thalika laayatan liman khafa AAathaba al-akhirati thalika yawmun majmooAAun lahu alnnasu wathalika yawmun mashhoodun

Daarin is een teken voor wie de bestraffing van het hiernamaals vreest. Dat is een dag waarvoor de mensen bijeengebracht worden en dat is een dag waarvan men getuige zal zijn.


وَ مَا نُؤَخِّرُہٗۤ اِلَّا لِاَجَلٍ مَّعۡدُوۡدٍ ﴿۱۰۴﴾ؕ

011.104 Wama nu-akhkhiruhu illa li-ajalin maAAdoodin

Wij stellen haar slechts uit tot een vastgestelde termijn.


یَوۡمَ یَاۡتِ لَا تَکَلَّمُ نَفۡسٌ اِلَّا بِاِذۡنِہٖ ۚ فَمِنۡہُمۡ شَقِیٌّ وَّ سَعِیۡدٌ ﴿۱۰۵﴾

011.105 Yawma ya/ti la takallamu nafsun illa bi-ithnihi faminhum shaqiyyun wasaAAeedin

Op de dag dat zij komt zal iemand slechts met Zijn toestemming spreken. Onder hen zijn er ellendigen en gelukzaligen.


فَاَمَّا الَّذِیۡنَ شَقُوۡا فَفِی النَّارِ لَہُمۡ فِیۡہَا زَفِیۡرٌ وَّ شَہِیۡقٌ ﴿۱۰۶﴾ۙ

011.106 Faamma allatheena shaqoo fafee alnnari lahum feeha zafeerun washaheequn

Zij die er ellendig aan toe zijn, zij zullen in het vuur zijn om erin te steunen en te kreunen.


خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا مَا دَامَتِ السَّمٰوٰتُ وَ الۡاَرۡضُ اِلَّا مَا شَآءَ رَبُّکَ ؕ اِنَّ رَبَّکَ فَعَّالٌ لِّمَا یُرِیۡدُ ﴿۱۰۷﴾

011.107 Khalideena feeha ma damati alssamawatu waal-ardu illa ma shaa rabbuka inna rabbaka faAAAAalun lima yureedu

Altijd zullen zij daarin blijven zolang de hemelen en de aarde bestaan -- behalve als jouw Heer het anders wil -- jouw Heer doet altijd wat Hij wenst. *


وَ اَمَّا الَّذِیۡنَ سُعِدُوۡا فَفِی الۡجَنَّۃِ خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا مَا دَامَتِ السَّمٰوٰتُ وَ الۡاَرۡضُ اِلَّا مَا شَآءَ رَبُّکَ ؕ عَطَآءً غَیۡرَ مَجۡذُوۡذٍ ﴿۱۰۸﴾

011.108 Waamma allatheena suAAidoo fafee aljannati khalideena feeha ma damati alssamawatu waal-ardu illa ma shaa rabbuka AAataan ghayra majthoothin

Zij die gelukzalig zijn, zij zullen in de tuin zijn. Altijd zullen zij daarin blijven zolang de hemelen en de aarde bestaan -- behalve als jouw Heer het anders wil -- als een ononderbroken gave.


فَلَا تَکُ فِیۡ مِرۡیَۃٍ مِّمَّا یَعۡبُدُ ہٰۤؤُلَآءِ ؕ مَا یَعۡبُدُوۡنَ اِلَّا کَمَا یَعۡبُدُ اٰبَآؤُہُمۡ مِّنۡ قَبۡلُ ؕ وَ اِنَّا لَمُوَفُّوۡہُمۡ نَصِیۡبَہُمۡ غَیۡرَ مَنۡقُوۡصٍ ﴿۱۰۹﴾٪

011.109 Fala taku fee miryatin mimma yaAAbudu haola-i ma yaAAbudoona illa kama yaAAbudu abaohum min qablu wa-inna lamuwaffoohum naseebahum ghayra manqoosin

Verkeer dus niet in twijfel over wat dezen dienen. Zij dienen slechts zoals hun vaderen vroeger dienden. Wij zullen hun volle aandeel onverkort aan hen vergoeden.


وَ لَقَدۡ اٰتَیۡنَا مُوۡسَی الۡکِتٰبَ فَاخۡتُلِفَ فِیۡہِ ؕ وَ لَوۡ لَا کَلِمَۃٌ سَبَقَتۡ مِنۡ رَّبِّکَ لَقُضِیَ بَیۡنَہُمۡ ؕ وَ اِنَّہُمۡ لَفِیۡ شَکٍّ مِّنۡہُ مُرِیۡبٍ ﴿۱۱۰﴾

011.110 Walaqad atayna moosa alkitaba faikhtulifa feehi walawla kalimatun sabaqat min rabbika laqudiya baynahum wa-innahum lafee shakkin minhu mureebun

Wij hebben het boek aan Moesa gegeven, maar toen werd men het erover oneens. En als er al niet eerder een woord van jouw Heer gekomen was, dan was er tussen hen al een beslissing getroffen. Zij verkeren daarover in hevige twijfel.


وَ اِنَّ کُلًّا لَّمَّا لَیُوَفِّیَنَّہُمۡ رَبُّکَ اَعۡمَالَہُمۡ ؕ اِنَّہٗ بِمَا یَعۡمَلُوۡنَ خَبِیۡرٌ ﴿۱۱۱﴾

011.111 Wa-inna kullan lamma layuwaffiyannahum rabbuka aAAmalahum innahu bima yaAAmaloona khabeerun

Maar aan allen zal jouw Heer hun daden zeker vol vergoeden. Hij is welingelicht over wat zij doen.


فَاسۡتَقِمۡ کَمَاۤ اُمِرۡتَ وَ مَنۡ تَابَ مَعَکَ وَ لَا تَطۡغَوۡا ؕ اِنَّہٗ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ بَصِیۡرٌ ﴿۱۱۲﴾

011.112 Faistaqim kama omirta waman taba maAAaka wala tatghaw innahu bima taAAmaloona baseerun

Handel correct zoals aan jou bevolen is en aan wie met jou berouw tonen en wees niet onbeschaamd; Hij doorziet wel wat jullie doen.


وَ لَا تَرۡکَنُوۡۤا اِلَی الَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡا فَتَمَسَّکُمُ النَّارُ ۙ وَ مَا لَکُمۡ مِّنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ مِنۡ اَوۡلِیَآءَ ثُمَّ لَا تُنۡصَرُوۡنَ ﴿۱۱۳﴾

011.113 Wala tarkanoo ila allatheena thalamoo fatamassakumu alnnaru wama lakum min dooni Allahi min awliyaa thumma la tunsaroona

En zoekt geen steun bij hen die onrecht plegen, dan zal het vuur jullie treffen. En jullie hebben buiten Allah geen beschermers; dan zullen jullie geen hulp krijgen.


وَ اَقِمِ الصَّلٰوۃَ طَرَفَیِ النَّہَارِ وَ زُلَفًا مِّنَ الَّیۡلِ ؕ اِنَّ الۡحَسَنٰتِ یُذۡہِبۡنَ السَّیِّاٰتِ ؕ ذٰلِکَ ذِکۡرٰی لِلذّٰکِرِیۡنَ ﴿۱۱۴﴾ۚ

011.114 Waaqimi alssalata tarafayi alnnahari wazulafan mina allayli inna alhasanati yuthhibna alssayyi-ati thalika thikra lilththakireena

En verricht de salaat op de beide uiteinden van de dag en in de vroege uren van de nacht. De goede daden verdrijven de slechte. Dat is een vermaning voor hen die gedenken.


وَ اصۡبِرۡ فَاِنَّ اللّٰہَ لَا یُضِیۡعُ اَجۡرَ الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۱۱۵﴾

011.115 Waisbir fa-inna Allaha la yudeeAAu ajra almuhsineena

En wees geduldig; Allah laat het loon van hen die goed doen niet verloren gaan.


فَلَوۡ لَا کَانَ مِنَ الۡقُرُوۡنِ مِنۡ قَبۡلِکُمۡ اُولُوۡا بَقِیَّۃٍ یَّنۡہَوۡنَ عَنِ الۡفَسَادِ فِی الۡاَرۡضِ اِلَّا قَلِیۡلًا مِّمَّنۡ اَنۡجَیۡنَا مِنۡہُمۡ ۚ وَ اتَّبَعَ الَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡا مَاۤ اُتۡرِفُوۡا فِیۡہِ وَ کَانُوۡا مُجۡرِمِیۡنَ ﴿۱۱۶﴾

011.116 Falawla kana mina alqurooni min qablikum oloo baqiyyatin yanhawna AAani alfasadi fee al-ardi illa qaleelan mimman anjayna minhum waittabaAAa allatheena thalamoo ma otrifoo feehi wakanoo mujrimeena

Als er onder de generaties van voor jullie tijd maar mensen met bezonnenheid waren geweest die verboden op de aarde verderf te brengen; er waren er slechts enkelen, die Wij redden. Zij die onrecht deden joegen het hun verleende luxeleven na en zij waren boosdoeners.


وَ مَا کَانَ رَبُّکَ لِیُہۡلِکَ الۡقُرٰی بِظُلۡمٍ وَّ اَہۡلُہَا مُصۡلِحُوۡنَ ﴿۱۱۷﴾

011.117 Wama kana rabbuka liyuhlika alqura bithulmin waahluha muslihoona

Jouw Heer is niet zo dat Hij de steden ten onrechte vernietigt, terwijl hun inwoners zich beteren.


وَ لَوۡ شَآءَ رَبُّکَ لَجَعَلَ النَّاسَ اُمَّۃً وَّاحِدَۃً وَّ لَا یَزَالُوۡنَ مُخۡتَلِفِیۡنَ ﴿۱۱۸﴾ۙ

011.118 Walaw shaa rabbuka lajaAAala alnnasa ommatan wahidatan wala yazaloona mukhtalifeena

Als jouw Heer het had gewild, had Hij de mensen tot één gemeenschap gemaakt, maar zij blijven het oneens,


اِلَّا مَنۡ رَّحِمَ رَبُّکَ ؕ وَ لِذٰلِکَ خَلَقَہُمۡ ؕ وَ تَمَّتۡ کَلِمَۃُ رَبِّکَ لَاَمۡلَـَٔنَّ جَہَنَّمَ مِنَ الۡجِنَّۃِ وَ النَّاسِ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿۱۱۹﴾

011.119 Illa man rahima rabbuka walithalika khalaqahum watammat kalimatu rabbika laamlaanna jahannama mina aljinnati waalnnasi ajmaAAeena

behalve zij met wie jouw Heer erbarmen heeft. Daartoe heeft Hij hen geschapen. Zo werd het woord van jouw Heer vervuld: "Ik zal de hel vullen met djinn en mensen tezamen."


وَ کُلًّا نَّقُصُّ عَلَیۡکَ مِنۡ اَنۡۢبَآءِ الرُّسُلِ مَا نُثَبِّتُ بِہٖ فُؤَادَکَ ۚ وَ جَآءَکَ فِیۡ ہٰذِہِ الۡحَقُّ وَ مَوۡعِظَۃٌ وَّ ذِکۡرٰی لِلۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۲۰﴾

011.120 Wakullan naqussu AAalayka min anba-i alrrusuli ma nuthabbitu bihi fu-adaka wajaaka fee hathihi alhaqqu wamawAAithatun wathikra lilmu/mineena

Al de berichten over de gezanten die Wij jou vertellen zijn om jouw hart te versterken en de waarheid komt daarin tot jou en een aansporing en een vermaning voor de gelovigen.


وَ قُلۡ لِّلَّذِیۡنَ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ اعۡمَلُوۡا عَلٰی مَکَانَتِکُمۡ ؕ اِنَّا عٰمِلُوۡنَ ﴿۱۲۱﴾ۙ

011.121 Waqul lillatheena la yu/minoona iAAmaloo AAala makanatikum inna AAamiloona

En zeg tegen hen die niet geloven: "Handelt naar jullie vermogen, wij doen dat ook


وَ انۡتَظِرُوۡا ۚ اِنَّا مُنۡتَظِرُوۡنَ ﴿۱۲۲﴾

011.122 Waintathiroo inna muntathiroona

en wacht af, wij wachten ook af."


وَ لِلّٰہِ غَیۡبُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ وَ اِلَیۡہِ یُرۡجَعُ الۡاَمۡرُ کُلُّہٗ فَاعۡبُدۡہُ وَ تَوَکَّلۡ عَلَیۡہِ ؕ وَ مَا رَبُّکَ بِغَافِلٍ عَمَّا تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۱۲۳﴾٪

011.123 Walillahi ghaybu alssamawati waal-ardi wa-ilayhi yurjaAAu al-amru kulluhu faoAAbudhu watawakkal AAalayhi wama rabbuka bighafilin AAamma taAAmaloona

En van Allah is het verborgene van de hemelen en de aarde. Hem komt de gehele zeggenschap toe. Dien Hem dus en stel je vertrouwen op Hem. Jouw Heer let goed op wat jullie doen.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

الٓرٰ ۟ تِلۡکَ اٰیٰتُ الۡکِتٰبِ الۡمُبِیۡنِ ۟﴿۱﴾

012.001 Alif-lam-ra tilka ayatu alkitabi almubeenu

A[lif] L[aam] R[aa?]. Dat zijn de tekenen van het duidelijke boek.


اِنَّاۤ اَنۡزَلۡنٰہُ قُرۡءٰنًا عَرَبِیًّا لَّعَلَّکُمۡ تَعۡقِلُوۡنَ ﴿۲﴾

012.002 Inna anzalnahu qur-anan AAarabiyyan laAAallakum taAAqiloona

Wij hebben het als een Arabische Koran neergezonden; misschien zullen jullie verstandig worden.


نَحۡنُ نَقُصُّ عَلَیۡکَ اَحۡسَنَ الۡقَصَصِ بِمَاۤ اَوۡحَیۡنَاۤ اِلَیۡکَ ہٰذَا الۡقُرۡاٰنَ ٭ۖ وَ اِنۡ کُنۡتَ مِنۡ قَبۡلِہٖ لَمِنَ الۡغٰفِلِیۡنَ ﴿۳﴾

012.003 Nahnu naqussu AAalayka ahsana alqasasi bima awhayna ilayka hatha alqur-ana wa-in kunta min qablihi lamina alghafileena

Wij vertellen aan jou het mooiste verhaal doordat Wij aan jou deze Koran geopenbaard hebben ook al behoorde jij hiervoor tot de onoplettenden.


اِذۡ قَالَ یُوۡسُفُ لِاَبِیۡہِ یٰۤاَبَتِ اِنِّیۡ رَاَیۡتُ اَحَدَعَشَرَ کَوۡکَبًا وَّ الشَّمۡسَ وَ الۡقَمَرَ رَاَیۡتُہُمۡ لِیۡ سٰجِدِیۡنَ ﴿۴﴾

012.004 Ith qala yoosufu li-abeehi ya abati innee raaytu ahada AAashara kawkaban waalshshamsa waalqamara raaytuhum lee sajideena

Toen Joesoef tot zijn vader zei: "Vader, ik heb elf sterren en de zon en de maan gezien; ik zag ze zich eerbiedig voor mij neerbuigend


قَالَ یٰبُنَیَّ لَا تَقۡصُصۡ رُءۡیَاکَ عَلٰۤی اِخۡوَتِکَ فَیَکِیۡدُوۡا لَکَ کَیۡدًا ؕ اِنَّ الشَّیۡطٰنَ لِلۡاِنۡسَانِ عَدُوٌّ مُّبِیۡنٌ ﴿۵﴾

012.005 Qala ya bunayya la taqsus ru/yaka AAala ikhwatika fayakeedoo laka kaydan inna alshshaytana lil-insani AAaduwwun mubeenun

Deze zei: "Mijn zoon, vertel je droom niet aan je broers; zij zouden een list tegen je kunnen beramen. De satan is namelijk een verklaarde vijand van de mens.


وَ کَذٰلِکَ یَجۡتَبِیۡکَ رَبُّکَ وَ یُعَلِّمُکَ مِنۡ تَاۡوِیۡلِ الۡاَحَادِیۡثِ وَ یُتِمُّ نِعۡمَتَہٗ عَلَیۡکَ وَ عَلٰۤی اٰلِ یَعۡقُوۡبَ کَمَاۤ اَتَمَّہَا عَلٰۤی اَبَوَیۡکَ مِنۡ قَبۡلُ اِبۡرٰہِیۡمَ وَ اِسۡحٰقَ ؕ اِنَّ رَبَّکَ عَلِیۡمٌ حَکِیۡمٌ ٪﴿۶﴾

012.006 Wakathalika yajtabeeka rabbuka wayuAAallimuka min ta/weeli al-ahadeethi wayutimmu niAAmatahu AAalayka waAAala ali yaAAqooba kama atammaha AAala abawayka min qablu ibraheema wa-ishaqa inna rabbaka AAaleemun hakeemun

Zo zal jouw Heer jou uitkiezen, jou in de uitleg van droomverhalen onderwijzen en Zijn genade aan jou en aan het geslacht van Ja'koeb volledig bewijzen, zoals Hij dat vroeger gedaan heeft aan jouw voorvaderen Ibrahiem en Ishaak. Jouw Heer is wetend en wijs."


لَقَدۡ کَانَ فِیۡ یُوۡسُفَ وَ اِخۡوَتِہٖۤ اٰیٰتٌ لِّلسَّآئِلِیۡنَ ﴿۷﴾

012.007 Laqad kana fee yoosufa wa-ikhwatihi ayatun lilssa-ileena

Er waren in [het verhaal van] Joesoef en zijn broers tekenen voor hen die [erom] vragen.


اِذۡ قَالُوۡا لَیُوۡسُفُ وَ اَخُوۡہُ اَحَبُّ اِلٰۤی اَبِیۡنَا مِنَّا وَ نَحۡنُ عُصۡبَۃٌ ؕ اِنَّ اَبَانَا لَفِیۡ ضَلٰلٍ مُّبِیۡنِۣ ۚ﴿ۖ۸﴾

012.008 Ith qaloo layoosufu waakhoohu ahabbu ila abeena minna wanahnu AAusbatun inna abana lafee dalalin mubeenin

Toen zij zeiden: "Joesoef en zijn broer zijn bij onze vader meer geliefd dan wij, terwijl wij toch een hele groep zijn. Onze vader verkeert in duidelijke dwaling.


اقۡتُلُوۡا یُوۡسُفَ اَوِ اطۡرَحُوۡہُ اَرۡضًا یَّخۡلُ لَکُمۡ وَجۡہُ اَبِیۡکُمۡ وَ تَکُوۡنُوۡا مِنۡۢ بَعۡدِہٖ قَوۡمًا صٰلِحِیۡنَ ﴿۹﴾

012.009 Oqtuloo yoosufa awi itrahoohu ardan yakhlu lakum wajhu abeekum watakoonoo min baAAdihi qawman saliheena

Doodt Joesoef of verdrijft hem naar een [afgelegen] land dan zal het aangezicht van jullie vader niet van jullie worden afgeleid en dan zullen jullie daarna rechtschapen mensen zijn."


قَالَ قَآئِلٌ مِّنۡہُمۡ لَا تَقۡتُلُوۡا یُوۡسُفَ وَ اَلۡقُوۡہُ فِیۡ غَیٰبَتِ الۡجُبِّ یَلۡتَقِطۡہُ بَعۡضُ السَّیَّارَۃِ اِنۡ کُنۡتُمۡ فٰعِلِیۡنَ ﴿۱۰﴾

012.010 Qala qa-ilun minhum la taqtuloo yoosufa waalqoohu fee ghayabati aljubbi yaltaqithu baAAdu alssayyarati in kuntum faAAileena

Iemand uit hun midden zei: "Doodt Joesoef niet maar werpt hem op de bodem van de waterput, dan zal een reisgezelschap hem wel oppikken, als jullie echt iets doen willen."


قَالُوۡا یٰۤاَبَانَا مَا لَکَ لَا تَاۡمَنَّا عَلٰی یُوۡسُفَ وَ اِنَّا لَہٗ لَنٰصِحُوۡنَ ﴿۱۱﴾

012.011 Qaloo ya abana ma laka la ta/manna AAala yoosufa wa-inna lahu lanasihoona

Zij zeiden: "O onze vader, waarom vertrouw jij ons niet met Joesoef, terwijl wij hem toch goed gezind zijn?


اَرۡسِلۡہُ مَعَنَا غَدًا یَّرۡتَعۡ وَ یَلۡعَبۡ وَ اِنَّا لَہٗ لَحٰفِظُوۡنَ ﴿۱۲﴾

012.012 Arsilhu maAAana ghadan yartaAA wayalAAab wa-inna lahu lahafithoona

Stuur hem morgen met ons mee om goed te eten en om te spelen; wij zullen wel over hem waken."


قَالَ اِنِّیۡ لَیَحۡزُنُنِیۡۤ اَنۡ تَذۡہَبُوۡا بِہٖ وَ اَخَافُ اَنۡ یَّاۡکُلَہُ الذِّئۡبُ وَ اَنۡتُمۡ عَنۡہُ غٰفِلُوۡنَ ﴿۱۳﴾

012.013 Qala innee layahzununee an thathhaboo bihi waakhafu an ya/kulahu alththi/bu waantum AAanhu ghafiloona

Hij zei: "Ik word er bedroefd van als jullie met hem weggaan en ik vrees dat een wolf hem opeet terwijl jullie niet op hem letten."


قَالُوۡا لَئِنۡ اَکَلَہُ الذِّئۡبُ وَ نَحۡنُ عُصۡبَۃٌ اِنَّاۤ اِذًا لَّخٰسِرُوۡنَ ﴿۱۴﴾

012.014 Qaloo la-in akalahu alththi/bu wanahnu AAusbatun inna ithan lakhasiroona

Zij zeiden: "Als een wolf hem opeet terwijl wij toch met een hele groep zijn, dan zijn wij werkelijk verliezers."


فَلَمَّا ذَہَبُوۡا بِہٖ وَ اَجۡمَعُوۡۤا اَنۡ یَّجۡعَلُوۡہُ فِیۡ غَیٰبَتِ الۡجُبِّ ۚ وَ اَوۡحَیۡنَاۤ اِلَیۡہِ لَتُنَبِّئَنَّہُمۡ بِاَمۡرِہِمۡ ہٰذَا وَ ہُمۡ لَا یَشۡعُرُوۡنَ ﴿۱۵﴾

012.015 Falamma thahaboo bihi waajmaAAoo an yajAAaloohu fee ghayabati aljubbi waawhayna ilayhi latunabi-annahum bi-amrihim hatha wahum la yashAAuroona

Toen zij dan met hem weggingen kwamen zij overeen hem op de bodem van de waterput te zetten. En Wij openbaarden aan hem: "Jij zult hun over deze zaak van hen nog wel mededelingen doen, terwijl zij het niet beseffen."


وَ جَآءُوۡۤ اَبَاہُمۡ عِشَآءً یَّبۡکُوۡنَ ؕ﴿۱۶﴾

012.016 Wajaoo abahum AAishaan yabkoona

En zij kwamen 's avonds huilend bij hun vader.


قَالُوۡا یٰۤاَبَانَاۤ اِنَّا ذَہَبۡنَا نَسۡتَبِقُ وَ تَرَکۡنَا یُوۡسُفَ عِنۡدَ مَتَاعِنَا فَاَکَلَہُ الذِّئۡبُ ۚ وَ مَاۤ اَنۡتَ بِمُؤۡمِنٍ لَّنَا وَ لَوۡ کُنَّا صٰدِقِیۡنَ ﴿۱۷﴾

012.017 Qaloo ya abana inna thahabna nastabiqu watarakna yoosufa AAinda mataAAina faakalahu alththi/bu wama anta bimu/minin lana walaw kunna sadiqeena

Zij zeiden: "O onze vader, wij gingen weg om tegen elkaar te rennen en wij lieten Joesoef bij onze spullen achter en toen heeft een wolf hem opgegeten. Maar jij zult ons toch niet geloven, ook al spreken wij de waarheid."


وَ جَآءُوۡ عَلٰی قَمِیۡصِہٖ بِدَمٍ کَذِبٍ ؕ قَالَ بَلۡ سَوَّلَتۡ لَکُمۡ اَنۡفُسُکُمۡ اَمۡرًا ؕ فَصَبۡرٌ جَمِیۡلٌ ؕ وَ اللّٰہُ الۡمُسۡتَعَانُ عَلٰی مَا تَصِفُوۡنَ ﴿۱۸﴾

012.018 Wajaoo AAala qameesihi bidamin kathibin qala bal sawwalat lakum anfusukum amran fasabrun jameelun waAllahu almustaAAanu AAala ma tasifoona

Maar zij hadden wel vals bloed op zijn hemd aangebracht. Hij zei: "Jullie hebben jezelf iets wijsgemaakt! Dus maar mooi geduldig verdragen. En Allah is het wiens hulp gevraagd moet worden tegen wat jullie beschrijven."


وَ جَآءَتۡ سَیَّارَۃٌ فَاَرۡسَلُوۡا وَارِدَہُمۡ فَاَدۡلٰی دَلۡوَہٗ ؕ قَالَ یٰبُشۡرٰی ہٰذَا غُلٰمٌ ؕ وَ اَسَرُّوۡہُ بِضَاعَۃً ؕ وَ اللّٰہُ عَلِیۡمٌۢ بِمَا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۱۹﴾

012.019 Wajaat sayyaratun faarsaloo waridahum faadla dalwahu qala ya bushra hatha ghulamun waasarroohu bidaAAatan waAllahu AAaleemun bima yaAAmaloona

En er kwam een reisgezelschap, en zij stuurden hun waterhaler, en hij liet zijn emmer neer. Hij zei: "Goed nieuws! Hier is een jongen." En zij verborgen hem als koopwaar. Maar Allah wist wat zij deden.


وَ شَرَوۡہُ بِثَمَنٍۭ بَخۡسٍ دَرَاہِمَ مَعۡدُوۡدَۃٍ ۚ وَ کَانُوۡا فِیۡہِ مِنَ الزَّاہِدِیۡنَ ﴿٪۲۰﴾

012.020 Washarawhu bithamanin bakhsin darahima maAAdoodatin wakanoo feehi mina alzzahideena

En zij verkochten hem onder de prijs, voor een paar dirhams; zij hechtten niet veel belang aan hem.


وَ قَالَ الَّذِی اشۡتَرٰىہُ مِنۡ مِّصۡرَ لِامۡرَاَتِہٖۤ اَکۡرِمِیۡ مَثۡوٰىہُ عَسٰۤی اَنۡ یَّنۡفَعَنَاۤ اَوۡ نَتَّخِذَہٗ وَلَدًا ؕ وَ کَذٰلِکَ مَکَّنَّا لِیُوۡسُفَ فِی الۡاَرۡضِ ۫ وَ لِنُعَلِّمَہٗ مِنۡ تَاۡوِیۡلِ الۡاَحَادِیۡثِ ؕ وَ اللّٰہُ غَالِبٌ عَلٰۤی اَمۡرِہٖ وَ لٰکِنَّ اَکۡثَرَ النَّاسِ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۲۱﴾

012.021 Waqala allathee ishtarahu min misra liimraatihi akrimee mathwahu AAasa an yanfaAAana aw nattakhithahu waladan wakathalika makkanna liyoosufa fee al-ardi walinuAAallimahu min ta/weeli al-ahadeethi waAllahu ghalibun AAala amrihi walakinna akthara alnnasi la yaAAlamoona

Hij die hem gekocht had -- uit Egypte was hij -- zei tot zijn vrouw: "Zorg dat hij goed wordt ondergebracht. Misschien dat hij ons tot nut is of dat wij hem als kind aannemen." Zo gaven Wij Joesoef een vaste positie in het land; ook om hem de uitleg van droomverhalen te onderwijzen. En Allah is meester van Zijn beschikking, maar de meeste mensen weten het niet.


وَ لَمَّا بَلَغَ اَشُدَّہٗۤ اٰتَیۡنٰہُ حُکۡمًا وَّ عِلۡمًا ؕ وَ کَذٰلِکَ نَجۡزِی الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۲۲﴾

012.022 Walamma balagha ashuddahu ataynahu hukman waAAilman wakathalika najzee almuhsineena

Toen hij volgroeid was gaven Wij hem oordeelskracht en kennis. Zo belonen Wij hen die goed doen.


وَ رَاوَدَتۡہُ الَّتِیۡ ہُوَ فِیۡ بَیۡتِہَا عَنۡ نَّفۡسِہٖ وَ غَلَّقَتِ الۡاَبۡوَابَ وَ قَالَتۡ ہَیۡتَ لَکَ ؕ قَالَ مَعَاذَ اللّٰہِ اِنَّہٗ رَبِّیۡۤ اَحۡسَنَ مَثۡوَایَ ؕ اِنَّہٗ لَا یُفۡلِحُ الظّٰلِمُوۡنَ ﴿۲۳﴾

012.023 Warawadat-hu allatee huwa fee baytiha AAan nafsihi waghallaqati al-abwaba waqalat hayta laka qala maAAatha Allahi innahu rabbee ahsana mathwaya innahu la yuflihu alththalimoona

En zij in wier huis hij was probeerde hem te verleiden en zij sloot de deuren en zei: "Kom maar hier." Hij zei: "Dat verhoede Allah. Hij die mijn heer is heeft mij goed ondergebracht. De onrechtplegers zal het niet welgaan."


وَ لَقَدۡ ہَمَّتۡ بِہٖ ۚ وَ ہَمَّ بِہَا لَوۡ لَاۤ اَنۡ رَّاٰ بُرۡہَانَ رَبِّہٖ ؕ کَذٰلِکَ لِنَصۡرِفَ عَنۡہُ السُّوۡٓءَ وَ الۡفَحۡشَآءَ ؕ اِنَّہٗ مِنۡ عِبَادِنَا الۡمُخۡلَصِیۡنَ ﴿۲۴﴾

012.024 Walaqad hammat bihi wahamma biha lawla an raa burhana rabbihi kathalika linasrifa AAanhu alssoo-a waalfahshaa innahu min AAibadina almukhlaseena

Maar zij begeerde hem en hij zou haar begeerd hebben als hij niet het bewijs van zijn Heer gezien had. Zulks, opdat Wij het kwaad en de gruwelijkheid van hem afwendden. Hij behoorde tot Onze uitverkoren dienaren.


وَ اسۡتَبَقَا الۡبَابَ وَ قَدَّتۡ قَمِیۡصَہٗ مِنۡ دُبُرٍ وَّ اَلۡفَیَا سَیِّدَہَا لَدَا الۡبَابِ ؕ قَالَتۡ مَا جَزَآءُ مَنۡ اَرَادَ بِاَہۡلِکَ سُوۡٓءًا اِلَّاۤ اَنۡ یُّسۡجَنَ اَوۡ عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿۲۵﴾

012.025 Waistabaqa albaba waqaddat qameesahu min duburin waalfaya sayyidaha lada albabi qalat ma jazao man arada bi-ahlika soo-an illa an yusjana aw AAathabun aleemun

En zij renden beiden naar de deur en zij scheurde zijn hemd van achteren en zij troffen haar meester bij de deur aan. Zij zei: "De vergelding voor iemand die jouw familie kwaad wil doen is toch dat hij gevangengezet wordt of een pijnlijke bestraffing?"


قَالَ ہِیَ رَاوَدَتۡنِیۡ عَنۡ نَّفۡسِیۡ وَ شَہِدَ شَاہِدٌ مِّنۡ اَہۡلِہَا ۚ اِنۡ کَانَ قَمِیۡصُہٗ قُدَّ مِنۡ قُبُلٍ فَصَدَقَتۡ وَ ہُوَ مِنَ الۡکٰذِبِیۡنَ ﴿۲۶﴾

012.026 Qala hiya rawadatnee AAan nafsee washahida shahidun min ahliha in kana qameesuhu qudda min qubulin fasadaqat wahuwa mina alkathibeena

Hij zei: "Zij probeerde mij te verleiden." En een getuige uit haar familie getuigde: "Als zijn hemd van voren gescheurd is, dan is zij oprecht en behoort hij tot de leugenaars.


وَ اِنۡ کَانَ قَمِیۡصُہٗ قُدَّ مِنۡ دُبُرٍ فَکَذَبَتۡ وَ ہُوَ مِنَ الصّٰدِقِیۡنَ ﴿۲۷﴾

012.027 Wa-in kana qameesuhu qudda min duburin fakathabat wahuwa mina alssadiqeena

Maar als zijn hemd van achteren gescheurd is, dan liegt zij en behoort hij tot de oprechten."


فَلَمَّا رَاٰ قَمِیۡصَہٗ قُدَّ مِنۡ دُبُرٍ قَالَ اِنَّہٗ مِنۡ کَیۡدِکُنَّ ؕ اِنَّ کَیۡدَکُنَّ عَظِیۡمٌ ﴿۲۸﴾

012.028 Falamma raa qameesahu qudda min duburin qala innahu min kaydikunna inna kaydakunna AAatheemun

En toen hij zijn hemd zag, dat het van achteren gescheurd was zei hij: "Dat is weer een list van jullie vrouwen; jullie listen zijn geweldig.


یُوۡسُفُ اَعۡرِضۡ عَنۡ ہٰذَا ٜ وَ اسۡتَغۡفِرِیۡ لِذَنۡۢبِکِ ۚۖ اِنَّکِ کُنۡتِ مِنَ الۡخٰطِئِیۡنَ ﴿٪۲۹﴾

012.029 Yoosufu aAArid AAan hatha waistaghfiree lithanbiki innaki kunti mina alkhati-eena

Joesoef, houd je daar niet mee bezig. En jij, vrouw, vraag om vergeving voor je zonde; jij bent wel een van hen die verkeerd gedaan hebben."


وَ قَالَ نِسۡوَۃٌ فِی الۡمَدِیۡنَۃِ امۡرَاَتُ الۡعَزِیۡزِ تُرَاوِدُ فَتٰىہَا عَنۡ نَّفۡسِہٖ ۚ قَدۡ شَغَفَہَا حُبًّا ؕ اِنَّا لَنَرٰىہَا فِیۡ ضَلٰلٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۳۰﴾

012.030 Waqala niswatun fee almadeenati imraatu alAAazeezi turawidu fataha AAan nafsihi qad shaghafaha hubban inna lanaraha fee dalalin mubeenin

En de vrouwen in de stad zeiden: "De vrouw van de excellentie probeert haar slaaf te verleiden. Zij is verliefd op hem geworden. Wij zien dat zij in duidelijke dwaling verkeert."


فَلَمَّا سَمِعَتۡ بِمَکۡرِہِنَّ اَرۡسَلَتۡ اِلَیۡہِنَّ وَ اَعۡتَدَتۡ لَہُنَّ مُتَّکَاً وَّ اٰتَتۡ کُلَّ وَاحِدَۃٍ مِّنۡہُنَّ سِکِّیۡنًا وَّ قَالَتِ اخۡرُجۡ عَلَیۡہِنَّ ۚ فَلَمَّا رَاَیۡنَہٗۤ اَکۡبَرۡنَہٗ وَ قَطَّعۡنَ اَیۡدِیَہُنَّ وَ قُلۡنَ حَاشَ لِلّٰہِ مَا ہٰذَا بَشَرًا ؕ اِنۡ ہٰذَاۤ اِلَّا مَلَکٌ کَرِیۡمٌ ﴿۳۱﴾

012.031 Falamma samiAAat bimakrihinna arsalat ilayhinna waaAAtadat lahunna muttakaan waatat kulla wahidatin minhunna sikkeenan waqalati okhruj AAalayhinna falamma raaynahu akbarnahu waqattaAAna aydiyahunna waqulna hasha lillahi ma hatha basharan in hatha illa malakun kareemun

Maar toen zij van hun geroddel hoorde ontbood zij hen en maakte voor hen een buffet klaar en zij gaf ieder van hen een mes. Toen zei zij: "Kom voor hen tevoorschijn." En toen zij hem zagen vonden zij hem geweldig. Zij sneden zich in hun handen en zeiden: "Allah beware! Dit is geen mens, dit is niets anders dan een voortreffelijke engel."


قَالَتۡ فَذٰلِکُنَّ الَّذِیۡ لُمۡتُنَّنِیۡ فِیۡہِ ؕ وَ لَقَدۡ رَاوَدۡتُّہٗ عَنۡ نَّفۡسِہٖ فَاسۡتَعۡصَمَ ؕ وَ لَئِنۡ لَّمۡ یَفۡعَلۡ مَاۤ اٰمُرُہٗ لَیُسۡجَنَنَّ وَ لَیَکُوۡنًا مِّنَ الصّٰغِرِیۡنَ ﴿۳۲﴾

012.032 Qalat fathalikunna allathee lumtunnanee feehi walaqad rawadtuhu AAan nafsihi faistAAsama wala-in lam yafAAal ma amuruhu layusjananna walayakoonan mina alssaghireena

Zij zei: "En dat is hij nu over wie jullie mij verwijten gemaakt hebben. Ik heb inderdaad geprobeerd hem te verleiden en hij heeft weerstand geboden. Maar als hij niet doet wat ik van hem verlang dan zal hij gevangengezet worden en een van de gekleineerden zijn."


قَالَ رَبِّ السِّجۡنُ اَحَبُّ اِلَیَّ مِمَّا یَدۡعُوۡنَنِیۡۤ اِلَیۡہِ ۚ وَ اِلَّا تَصۡرِفۡ عَنِّیۡ کَیۡدَہُنَّ اَصۡبُ اِلَیۡہِنَّ وَ اَکُنۡ مِّنَ الۡجٰہِلِیۡنَ ﴿۳۳﴾

012.033 Qala rabbi alssijnu ahabbu ilayya mimma yadAAoonanee ilayhi wa-illa tasrif AAannee kaydahunna asbu ilayhinna waakun mina aljahileena

Hij zei: "Mijn Heer, de gevangenis is mij liever dan dat waartoe zij mij oproepen en als U hun list niet van mij afwendt dan zal ik mij tot hen aangetrokken voelen en tot de onwetenden behoren."


فَاسۡتَجَابَ لَہٗ رَبُّہٗ فَصَرَفَ عَنۡہُ کَیۡدَہُنَّ ؕ اِنَّہٗ ہُوَ السَّمِیۡعُ الۡعَلِیۡمُ ﴿۳۴﴾

012.034 Faistajaba lahu rabbuhu fasarafa AAanhu kaydahunna innahu huwa alssameeAAu alAAaleemu

Daarop verhoorde zijn Heer hem en wendde hun list van hem af. Hij is de horende, de wetende.


ثُمَّ بَدَا لَہُمۡ مِّنۡۢ بَعۡدِ مَا رَاَوُا الۡاٰیٰتِ لَیَسۡجُنُنَّہٗ حَتّٰی حِیۡنٍ ﴿٪۳۵﴾

012.035 Thumma bada lahum min baAAdi ma raawoo al-ayati layasjununnahu hatta heenin

Toen leek het hun, nadat zij de tekenen gezien hadden, goed toe om hem voor een tijd gevangen te zetten.


وَ دَخَلَ مَعَہُ السِّجۡنَ فَتَیٰنِ ؕ قَالَ اَحَدُہُمَاۤ اِنِّیۡۤ اَرٰىنِیۡۤ اَعۡصِرُ خَمۡرًا ۚ وَ قَالَ الۡاٰخَرُ اِنِّیۡۤ اَرٰىنِیۡۤ اَحۡمِلُ فَوۡقَ رَاۡسِیۡ خُبۡزًا تَاۡکُلُ الطَّیۡرُ مِنۡہُ ؕ نَبِّئۡنَا بِتَاۡوِیۡلِہٖ ۚ اِنَّا نَرٰىکَ مِنَ الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۳۶﴾

012.036 Wadakhala maAAahu alssijna fatayani qala ahaduhuma innee aranee aAAsiru khamran waqala al-akharu innee aranee ahmilu fawqa ra/see khubzan ta/kulu alttayru minhu nabbi/na bita/weelihi inna naraka mina almuhsineena

Twee slaven kwamen met hem de gevangenis in. Een van hen zei: "Ik zag mijzelf wijn persen." En de ander zei: "Ik zag mijzelf brood boven op mijn hoofd dragen waarvan de vogels aten. Deel ons de uitleg ervan mee. Wij zien dat jij behoort tot hen die goed doen."


قَالَ لَا یَاۡتِیۡکُمَا طَعَامٌ تُرۡزَقٰنِہٖۤ اِلَّا نَبَّاۡتُکُمَا بِتَاۡوِیۡلِہٖ قَبۡلَ اَنۡ یَّاۡتِیَکُمَا ؕ ذٰلِکُمَا مِمَّا عَلَّمَنِیۡ رَبِّیۡ ؕ اِنِّیۡ تَرَکۡتُ مِلَّۃَ قَوۡمٍ لَّا یُؤۡمِنُوۡنَ بِاللّٰہِ وَ ہُمۡ بِالۡاٰخِرَۃِ ہُمۡ کٰفِرُوۡنَ ﴿۳۷﴾

012.037 Qala la ya/teekuma taAAamun turzaqanihi illa nabba/tukuma bita/weelihi qabla an ya/tiyakuma thalikuma mimma AAallamanee rabbee innee taraktu millata qawmin la yu/minoona biAllahi wahum bial-akhirati hum kafiroona

Hij zei: "Er zal tot jullie geen voedsel komen waarmee jullie verzorgd worden of ik zal jullie de uitleg ervan meegedeeld hebben voordat het tot jullie komt. Dat behoort namelijk tot wat mijn Heer mij onderwezen heeft. Ik heb het geloof verlaten van mensen die niet in Allah geloven en die aan het hiernamaals geen geloof hechten.


وَ اتَّبَعۡتُ مِلَّۃَ اٰبَآءِیۡۤ اِبۡرٰہِیۡمَ وَ اِسۡحٰقَ وَ یَعۡقُوۡبَ ؕ مَا کَانَ لَنَاۤ اَنۡ نُّشۡرِکَ بِاللّٰہِ مِنۡ شَیۡءٍ ؕ ذٰلِکَ مِنۡ فَضۡلِ اللّٰہِ عَلَیۡنَا وَ عَلَی النَّاسِ وَ لٰکِنَّ اَکۡثَرَ النَّاسِ لَا یَشۡکُرُوۡنَ ﴿۳۸﴾

012.038 WaittabaAAtu millata aba-ee ibraheema wa-ishaqa wayaAAqooba ma kana lana an nushrika biAllahi min shay-in thalika min fadli Allahi AAalayna waAAala alnnasi walakinna akthara alnnasi la yashkuroona

Maar ik volg het geloof van mijn voorvaderen Ibrahiem, Ishaak en Ja'koeb. Het past ons niet aan Allah ook maar iets als metgezel toe te voegen. Dat is een deel van Allah's genade aan ons en aan de mensen. Maar de meeste mensen betuigen geen dank.


یٰصَاحِبَیِ السِّجۡنِ ءَاَرۡبَابٌ مُّتَفَرِّقُوۡنَ خَیۡرٌ اَمِ اللّٰہُ الۡوَاحِدُ الۡقَہَّارُ ﴿ؕ۳۹﴾

012.039 Ya sahibayi alssijni aarbabun mutafarriqoona khayrun ami Allahu alwahidu alqahharu

Jullie twee medegevangenen! Zijn verschillende heren beter of Allah, de ene, de albeheerser?


مَا تَعۡبُدُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِہٖۤ اِلَّاۤ اَسۡمَآءً سَمَّیۡتُمُوۡہَاۤ اَنۡتُمۡ وَ اٰبَآؤُکُمۡ مَّاۤ اَنۡزَلَ اللّٰہُ بِہَا مِنۡ سُلۡطٰنٍ ؕ اِنِ الۡحُکۡمُ اِلَّا لِلّٰہِ ؕ اَمَرَ اَلَّا تَعۡبُدُوۡۤا اِلَّاۤ اِیَّاہُ ؕ ذٰلِکَ الدِّیۡنُ الۡقَیِّمُ وَ لٰکِنَّ اَکۡثَرَ النَّاسِ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۴۰﴾

012.040 Ma taAAbudoona min doonihi illa asmaan sammaytumooha antum waabaokum ma anzala Allahu biha min sultanin ini alhukmu illa lillahi amara alla taAAbudoo illa iyyahu thalika alddeenu alqayyimu walakinna akthara alnnasi la yaAAlamoona

Wat jullie in plaats van Allah dienen zijn alleen maar namen die jullie en jullie vaderen gegeven hebben waarvoor Allah geen enkele machtiging had neergezonden. Het oordeel komt alleen Allah toe. Hij beveelt dat jullie alleen Hem dienen. Dat is de juiste godsdienst, maar de meeste mensen weten het niet.


یٰصَاحِبَیِ السِّجۡنِ اَمَّاۤ اَحَدُ کُمَا فَیَسۡقِیۡ رَبَّہٗ خَمۡرًا ۚ وَ اَمَّا الۡاٰخَرُ فَیُصۡلَبُ فَتَاۡکُلُ الطَّیۡرُ مِنۡ رَّاۡسِہٖ ؕ قُضِیَ الۡاَمۡرُ الَّذِیۡ فِیۡہِ تَسۡتَفۡتِیٰنِ ﴿ؕ۴۱﴾

012.041 Ya sahibayi alssijni amma ahadukuma fayasqee rabbahu khamran waamma al-akharu fayuslabu fata/kulu alttayru min ra/sihi qudiya al-amru allathee feehi tastaftiyani

Jullie twee medegevangenen! De een van jullie zal zijn heer wijn schenken en de ander zal gekruisigd worden en de vogels zullen van zijn hoofd eten. De zaak waarover jullie om uitsluitsel vroegen is al beslist."


وَ قَالَ لِلَّذِیۡ ظَنَّ اَنَّہٗ نَاجٍ مِّنۡہُمَا اذۡکُرۡنِیۡ عِنۡدَ رَبِّکَ ۫ فَاَنۡسٰہُ الشَّیۡطٰنُ ذِکۡرَ رَبِّہٖ فَلَبِثَ فِی السِّجۡنِ بِضۡعَ سِنِیۡنَ ﴿ؕ٪۴۲﴾

012.042 Waqala lillathee thanna annahu najin minhuma othkurnee AAinda rabbika faansahu alshshaytanu thikra rabbihi falabitha fee alssijni bidAAa sineena

En hij zei tot hem van de twee van wie hij vermoedde dat hij bevrijd zou worden: "Gedenk mij bij jouw heer." Maar de satan liet hem vergeten om [hem bij] zijn heer te gedenken en zo bleef hij nog een paar jaar in de gevangenis.


وَ قَالَ الۡمَلِکُ اِنِّیۡۤ اَرٰی سَبۡعَ بَقَرٰتٍ سِمَانٍ یَّاۡکُلُہُنَّ سَبۡعٌ عِجَافٌ وَّ سَبۡعَ سُنۡۢبُلٰتٍ خُضۡرٍ وَّ اُخَرَ یٰبِسٰتٍ ؕ یٰۤاَیُّہَا الۡمَلَاُ اَفۡتُوۡنِیۡ فِیۡ رُءۡیَایَ اِنۡ کُنۡتُمۡ لِلرُّءۡیَا تَعۡبُرُوۡنَ ﴿۴۳﴾

012.043 Waqala almaliku innee ara sabAAa baqaratin simanin ya/kuluhunna sabAAun AAijafun wasabAAa sunbulatin khudrin waokhara yabisatin ya ayyuha almalao aftoonee fee ru/yaya in kuntum lilrru/ya taAAburoona

En de koning zei: "Ik zag zeven vette koeien die door zeven magere werden opgegeten en ook zeven groene aren en andere die droog waren. Raad van voornaamsten! Geeft mij uitsluitsel over mijn droom als jullie dromen kunnen verklaren."


قَالُوۡۤا اَضۡغَاثُ اَحۡلَامٍ ۚ وَ مَا نَحۡنُ بِتَاۡوِیۡلِ الۡاَحۡلَامِ بِعٰلِمِیۡنَ ﴿۴۴﴾

012.044 Qaloo adghathu ahlamin wama nahnu bita/weeli al-ahlami biAAalimeena

Zij zeiden: "Een wirwar van dromen en wij weten geen dromen uit te leggen!"


وَ قَالَ الَّذِیۡ نَجَا مِنۡہُمَا وَ ادَّکَرَ بَعۡدَ اُمَّۃٍ اَنَا اُنَبِّئُکُمۡ بِتَاۡوِیۡلِہٖ فَاَرۡسِلُوۡنِ ﴿۴۵﴾

012.045 Waqala allathee naja minhuma waiddakara baAAda ommatin ana onabbi-okum bita/weelihi faarsilooni

En hij van de twee die bevrijd was en die zich na een tijd herinnerde zei: "Ik zal jullie de uitleg ervan meedelen, zendt mij er dus op uit."


یُوۡسُفُ اَیُّہَا الصِّدِّیۡقُ اَفۡتِنَا فِیۡ سَبۡعِ بَقَرٰتٍ سِمَانٍ یَّاۡکُلُہُنَّ سَبۡعٌ عِجَافٌ وَّ سَبۡعِ سُنۡۢبُلٰتٍ خُضۡرٍ وَّ اُخَرَ یٰبِسٰتٍ ۙ لَّعَلِّیۡۤ اَرۡجِعُ اِلَی النَّاسِ لَعَلَّہُمۡ یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۴۶﴾

012.046 Yoosufu ayyuha alssiddeequ aftina fee sabAAi baqaratin simanin ya/kuluhunna sabAAun AAijafun wasabAAi sunbulatin khudrin waokhara yabisatin laAAallee arjiAAu ila alnnasi laAAallahum yaAAlamoona

"Joesoef, jij waarheidslievende, geef ons uitsluitsel over zeven vette koeien die door zeven magere werden opgegeten en ook zeven groene aren en andere die droog waren. Misschien ga ik dan terug naar de mensen opdat zij het misschien weten."


قَالَ تَزۡرَعُوۡنَ سَبۡعَ سِنِیۡنَ دَاَبًا ۚ فَمَا حَصَدۡتُّمۡ فَذَرُوۡہُ فِیۡ سُنۡۢبُلِہٖۤ اِلَّا قَلِیۡلًا مِّمَّا تَاۡکُلُوۡنَ ﴿۴۷﴾

012.047 Qala tazraAAoona sabAAa sineena daaban fama hasadtum fatharoohu fee sunbulihi illa qaleelan mimma ta/kuloona

Hij zei: "Jullie zullen zeven jaren volgens de gewoonte zaaien en wat jullie dan oogsten laat dat in de aren, op een klein deel na dat jullie opeten.


ثُمَّ یَاۡتِیۡ مِنۡۢ بَعۡدِ ذٰلِکَ سَبۡعٌ شِدَادٌ یَّاۡکُلۡنَ مَا قَدَّمۡتُمۡ لَہُنَّ اِلَّا قَلِیۡلًا مِّمَّا تُحۡصِنُوۡنَ ﴿۴۸﴾

012.048 Thumma ya/tee min baAAdi thalika sabAAun shidadun ya/kulna ma qaddamtum lahunna illa qaleelan mimma tuhsinoona

Dan zullen daarna zeven harde jaren komen, die wat jullie daartoe van tevoren hebben klaargelegd zullen opeten, op een klein deel na dat jullie kunnen opslaan.


ثُمَّ یَاۡتِیۡ مِنۡۢ بَعۡدِ ذٰلِکَ عَامٌ فِیۡہِ یُغَاثُ النَّاسُ وَ فِیۡہِ یَعۡصِرُوۡنَ ﴿٪۴۹﴾

012.049 Thumma ya/tee min baAAdi thalika AAamun feehi yughathu alnnasu wafeehi yaAAsiroona

Dan komt er daarna een jaar waarin de mensen regen zullen krijgen en waarin jullie sap zullen persen."


وَ قَالَ الۡمَلِکُ ائۡتُوۡنِیۡ بِہٖ ۚ فَلَمَّا جَآءَہُ الرَّسُوۡلُ قَالَ ارۡجِعۡ اِلٰی رَبِّکَ فَسۡـَٔلۡہُ مَا بَالُ النِّسۡوَۃِ الّٰتِیۡ قَطَّعۡنَ اَیۡدِیَہُنَّ ؕ اِنَّ رَبِّیۡ بِکَیۡدِہِنَّ عَلِیۡمٌ ﴿۵۰﴾

012.050 Waqala almaliku i/toonee bihi falamma jaahu alrrasoolu qala irjiAA ila rabbika fais-alhu ma balu alnniswati allatee qattaAAna aydiyahunna inna rabbee bikaydihinna AAaleemun

De koning zei: "Brengt hem bij mij." Maar toen de bode bij hem kwam zei hij: "Ga terug naar jouw heer en vraag hem hoe het gesteld is met de vrouwen die in hun handen sneden. Mijn Heer kent hun list."


قَالَ مَا خَطۡبُکُنَّ اِذۡ رَاوَدۡتُّنَّ یُوۡسُفَ عَنۡ نَّفۡسِہٖ ؕ قُلۡنَ حَاشَ لِلّٰہِ مَا عَلِمۡنَا عَلَیۡہِ مِنۡ سُوۡٓءٍ ؕ قَالَتِ امۡرَاَتُ الۡعَزِیۡزِ الۡـٰٔنَ حَصۡحَصَ الۡحَقُّ ۫ اَنَا رَاوَدۡتُّہٗ عَنۡ نَّفۡسِہٖ وَ اِنَّہٗ لَمِنَ الصّٰدِقِیۡنَ ﴿۵۱﴾

012.051 Qala ma khatbukunna ith rawadtunna yoosufa AAan nafsihi qulna hasha lillahi ma AAalimna AAalayhi min soo-in qalati imraatu alAAazeezi al-ana hashasa alhaqqu ana rawadtuhu AAan nafsihi wa-innahu lamina alssadiqeena

Hij zei: "Wat was er met jullie toen jullie probeerden Joesoef te verleiden?" Zij zeiden: "Allah beware! Wij weten niets kwaads over hem." De vrouw van de excellentie zei: "Nu komt de waarheid aan het licht! Ik was het die hem probeerde te verleiden en hij behoort bij de oprechten."


ذٰلِکَ لِیَعۡلَمَ اَنِّیۡ لَمۡ اَخُنۡہُ بِالۡغَیۡبِ وَ اَنَّ اللّٰہَ لَا یَہۡدِیۡ کَیۡدَ الۡخَآئِنِیۡنَ ﴿۵۲﴾

012.052 Thalika liyaAAlama annee lam akhunhu bialghaybi waanna Allaha la yahdee kayda alkha-ineena

[Joesoef zei:] "Dat is, opdat hij weet dat ik hem niet in het verborgene heb verraden en dat Allah de list van de verraders niet goed laat aflopen. *



www.kuran.nl