14 Rubama Yawaddu

رُبَمَا یَوَدُّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لَوۡ کَانُوۡا مُسۡلِمِیۡنَ ﴿۲﴾

015.002 Rubama yawaddu allatheena kafaroo law kanoo muslimeena

Misschien zullen zij die ongelovig zijn graag willen dat zij mensen waren geweest die zich [aan Allah] overgegeven hadden.


ذَرۡہُمۡ یَاۡکُلُوۡا وَ یَتَمَتَّعُوۡا وَ یُلۡہِہِمُ الۡاَمَلُ فَسَوۡفَ یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۳﴾

015.003 Tharhum ya/kuloo wayatamattaAAoo wayulhihimu al-amalu fasawfa yaAAlamoona

Laat hen maar eten en genieten en door de hoop afgeleid worden; zij zullen het wel weten.


وَ مَاۤ اَہۡلَکۡنَا مِنۡ قَرۡیَۃٍ اِلَّا وَ لَہَا کِتَابٌ مَّعۡلُوۡمٌ ﴿۴﴾

015.004 Wama ahlakna min qaryatin illa walaha kitabun maAAloomun

Wij hebben geen stad vernietigd zonder dat er voor haar een vastgestelde voorbeschikking was.


مَا تَسۡبِقُ مِنۡ اُمَّۃٍ اَجَلَہَا وَ مَا یَسۡتَاۡخِرُوۡنَ ﴿۵﴾

015.005 Ma tasbiqu min ommatin ajalaha wama yasta/khiroona

Geen gemeenschap kan te vroeg haar termijn bereiken en ook niet te laat.


وَ قَالُوۡا یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡ نُزِّلَ عَلَیۡہِ الذِّکۡرُ اِنَّکَ لَمَجۡنُوۡنٌ ؕ﴿۶﴾

015.006 Waqaloo ya ayyuha allathee nuzzila AAalayhi alththikru innaka lamajnoonun

En zij zeiden: "Hé jij tot wie de vermaning is neergezonden, jij bent bezeten!


لَوۡ مَا تَاۡتِیۡنَا بِالۡمَلٰٓئِکَۃِ اِنۡ کُنۡتَ مِنَ الصّٰدِقِیۡنَ ﴿۷﴾

015.007 Law ma ta/teena bialmala-ikati in kunta mina alssadiqeena

Had jij niet met engelen kunnen komen, als jij gelijk hebt?"


مَا نُنَزِّلُ الۡمَلٰٓئِکَۃَ اِلَّا بِالۡحَقِّ وَ مَا کَانُوۡۤا اِذًا مُّنۡظَرِیۡنَ ﴿۸﴾

015.008 Ma nunazzilu almala-ikata illa bialhaqqi wama kanoo ithan munthareena

Wij zenden de engelen slechts met de waarheid neer. Dan wordt hun geen uitstel meer verleend.


اِنَّا نَحۡنُ نَزَّلۡنَا الذِّکۡرَ وَ اِنَّا لَہٗ لَحٰفِظُوۡنَ ﴿۹﴾

015.009 Inna nahnu nazzalna alththikra wa-inna lahu lahafithoona

Wij hebben de vermaning neergezonden en Wij waken erover.


وَ لَقَدۡ اَرۡسَلۡنَا مِنۡ قَبۡلِکَ فِیۡ شِیَعِ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿۱۰﴾

015.010 Walaqad arsalna min qablika fee shiyaAAi al-awwaleena

En Wij hebben al voor jouw tijd [gezanten] gezonden naar de groeperingen van hen die er eertijds waren.


وَ مَا یَاۡتِیۡہِمۡ مِّنۡ رَّسُوۡلٍ اِلَّا کَانُوۡا بِہٖ یَسۡتَہۡزِءُوۡنَ ﴿۱۱﴾

015.011 Wama ya/teehim min rasoolin illa kanoo bihi yastahzi-oona

En er kwam geen gezant tot hen of zij dreven de spot met hem.


کَذٰلِکَ نَسۡلُکُہٗ فِیۡ قُلُوۡبِ الۡمُجۡرِمِیۡنَ ﴿ۙ۱۲﴾

015.012 Kathalika naslukuhu fee quloobi almujrimeena

Zo laten Wij dat in de harten van de boosdoeners gaan.


لَا یُؤۡمِنُوۡنَ بِہٖ وَ قَدۡ خَلَتۡ سُنَّۃُ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿۱۳﴾

015.013 La yu/minoona bihi waqad khalat sunnatu al-awwaleena

Zij geloven er niet aan, maar de gebruikelijke behandeling van hen die er eertijds waren heeft reeds eerder plaatsgevonden.


وَ لَوۡ فَتَحۡنَا عَلَیۡہِمۡ بَابًا مِّنَ السَّمَآءِ فَظَلُّوۡا فِیۡہِ یَعۡرُجُوۡنَ ﴿ۙ۱۴﴾

015.014 Walaw fatahna AAalayhim baban mina alssama-i fathalloo feehi yaAArujoona

Al zouden Wij voor hen een poort in de hemel openen waardoor zij steeds maar konden opstijgen.


لَقَالُوۡۤا اِنَّمَا سُکِّرَتۡ اَبۡصَارُنَا بَلۡ نَحۡنُ قَوۡمٌ مَّسۡحُوۡرُوۡنَ ﴿٪۱۵﴾

015.015 Laqaloo innama sukkirat absaruna bal nahnu qawmun mashooroona

Dan zouden zij zeggen: "Onze ogen zijn slechts beneveld. Ja zeker, wij zijn mensen die men heeft betoverd."


وَ لَقَدۡ جَعَلۡنَا فِی السَّمَآءِ بُرُوۡجًا وَّ زَیَّنّٰہَا لِلنّٰظِرِیۡنَ ﴿ۙ۱۶﴾

015.016 Walaqad jaAAalna fee alssama-i buroojan wazayyannaha lilnnathireena

En Wij hebben in de hemel sterrenbeelden gemaakt en ze voor de kijkers sierlijk gemaakt.


وَ حَفِظۡنٰہَا مِنۡ کُلِّ شَیۡطٰنٍ رَّجِیۡمٍ ﴿ۙ۱۷﴾

015.017 Wahafithnaha min kulli shaytanin rajeemin

En Wij hebben ze behoed voor elke vervloekte satan,


اِلَّا مَنِ اسۡتَرَقَ السَّمۡعَ فَاَتۡبَعَہٗ شِہَابٌ مُّبِیۡنٌ ﴿۱۸﴾

015.018 Illa mani istaraqa alssamAAa faatbaAAahu shihabun mubeenun

behalve wie heimelijk afluistert; hij wordt dan achtervolgd dooreen duidelijke staartster.


وَ الۡاَرۡضَ مَدَدۡنٰہَا وَ اَلۡقَیۡنَا فِیۡہَا رَوَاسِیَ وَ اَنۡۢبَتۡنَا فِیۡہَا مِنۡ کُلِّ شَیۡءٍ مَّوۡزُوۡنٍ ﴿۱۹﴾

015.019 Waal-arda madadnaha waalqayna feeha rawasiya waanbatna feeha min kulli shay-in mawzoonin

En de aarde hebben Wij uitgebreid en er stevige bergen op aangebracht. En Wij hebben er allerlei dingen evenwichtig op laten groeien.


وَ جَعَلۡنَا لَکُمۡ فِیۡہَا مَعَایِشَ وَ مَنۡ لَّسۡتُمۡ لَہٗ بِرٰزِقِیۡنَ ﴿۲۰﴾

015.020 WajaAAalna lakum feeha maAAayisha waman lastum lahu biraziqeena

En Wij hebben er voor jullie levensbenodigdheden op gemaakt en ook voor hen voor wie jullie geen voorzieningen treffen.


وَ اِنۡ مِّنۡ شَیۡءٍ اِلَّا عِنۡدَنَا خَزَآئِنُہٗ ۫ وَ مَا نُنَزِّلُہٗۤ اِلَّا بِقَدَرٍ مَّعۡلُوۡمٍ ﴿۲۱﴾

015.021 Wa-in min shay-in illa AAindana khaza-inuhu wama nunazziluhu illa biqadarin maAAloomin

Er bestaat niets of er zijn bij Ons voorraden van en Wij laten het slechts in vastgestelde mate neerdalen.


وَ اَرۡسَلۡنَا الرِّیٰحَ لَوَاقِحَ فَاَنۡزَلۡنَا مِنَ السَّمَآءِ مَآءً فَاَسۡقَیۡنٰکُمُوۡہُ ۚ وَ مَاۤ اَنۡتُمۡ لَہٗ بِخٰزِنِیۡنَ ﴿۲۲﴾

015.022 Waarsalna alrriyaha lawaqiha faanzalna mina alssama-i maan faasqaynakumoohu wama antum lahu bikhazineena

En Wij zenden de winden terwijl ze zwaarbeladen zijn en Wij laten uit de hemel water neerdalen en Wij geven jullie daarvan te drinken. En jullie hadden daarvan geen voorraden kunnen aanleggen.


وَ اِنَّا لَنَحۡنُ نُحۡیٖ وَ نُمِیۡتُ وَ نَحۡنُ الۡوٰرِثُوۡنَ ﴿۲۳﴾

015.023 Wa-inna lanahnu nuhyee wanumeetu wanahnu alwarithoona

Wij zijn het die leven geven en die laten sterven en Wij zijn het die beërven.


وَ لَقَدۡ عَلِمۡنَا الۡمُسۡتَقۡدِمِیۡنَ مِنۡکُمۡ وَ لَقَدۡ عَلِمۡنَا الۡمُسۡتَاۡخِرِیۡنَ ﴿۲۴﴾

015.024 Walaqad AAalimna almustaqdimeena minkum walaqad AAalimna almusta/khireena

Wij kennen hen onder jullie die vroeg komen en Wij kennen hen die laat komen.


وَ اِنَّ رَبَّکَ ہُوَ یَحۡشُرُہُمۡ ؕ اِنَّہٗ حَکِیۡمٌ عَلِیۡمٌ ﴿٪۲۵﴾

015.025 Wa-inna rabbaka huwa yahshuruhum innahu hakeemun AAaleemun

Jouw Heer, Hij is het die hen verzamelt. Hij is wijs en wetend.


وَ لَقَدۡ خَلَقۡنَا الۡاِنۡسَانَ مِنۡ صَلۡصَالٍ مِّنۡ حَمَاٍ مَّسۡنُوۡنٍ ﴿ۚ۲۶﴾

015.026 Walaqad khalaqna al-insana min salsalin min hama-in masnoonin

Wij hebben de mens uit steenaarde, uit stinkende potklei geschapen.


وَ الۡجَآنَّ خَلَقۡنٰہُ مِنۡ قَبۡلُ مِنۡ نَّارِ السَّمُوۡمِ ﴿۲۷﴾

015.027 Waaljanna khalaqnahu min qablu min nari alssamoomi

En de djinn, die hebben Wij eerder uit het verzengende vuur geschapen.


وَ اِذۡ قَالَ رَبُّکَ لِلۡمَلٰٓئِکَۃِ اِنِّیۡ خَالِقٌۢ بَشَرًا مِّنۡ صَلۡصَالٍ مِّنۡ حَمَاٍ مَّسۡنُوۡنٍ ﴿۲۸﴾

015.028 Wa-ith qala rabbuka lilmala-ikati innee khaliqun basharan min salsalin min hama-in masnoonin

En toen jouw Heer tot de engelen zei: "Ik ga een mens uit steenaarde, uit stinkende potklei scheppen.


فَاِذَا سَوَّیۡتُہٗ وَ نَفَخۡتُ فِیۡہِ مِنۡ رُّوۡحِیۡ فَقَعُوۡا لَہٗ سٰجِدِیۡنَ ﴿۲۹﴾

015.029 Fa-itha sawwaytuhu wanafakhtu feehi min roohee faqaAAoo lahu sajideena

En als Ik hem gevormd heb en hem iets van Mijn geest heb ingeblazen, valt dan in eerbiedige buiging voor hem neer."


فَسَجَدَ الۡمَلٰٓئِکَۃُ کُلُّہُمۡ اَجۡمَعُوۡنَ ﴿ۙ۳۰﴾

015.030 Fasajada almala-ikatu kulluhum ajmaAAoona

En de engelen bogen zich allen tezamen eerbiedig voor hem neer.


اِلَّاۤ اِبۡلِیۡسَ ؕ اَبٰۤی اَنۡ یَّکُوۡنَ مَعَ السّٰجِدِیۡنَ ﴿۳۱﴾

015.031 Illa ibleesa aba an yakoona maAAa alssajideena

Alleen Iblies niet, hij weigerde bij hen die zich eerbiedig neerbogen te behoren.


قَالَ یٰۤـاِبۡلِیۡسُ مَا لَکَ اَلَّا تَکُوۡنَ مَعَ السّٰجِدِیۡنَ ﴿۳۲﴾

015.032 Qala ya ibleesu ma laka alla takoona maAAa alssajideena

Hij zei: "O Iblies, wat heb je dat jij niet behoort bij hen die zich eerbiedig neerbuigen?"


قَالَ لَمۡ اَکُنۡ لِّاَسۡجُدَ لِبَشَرٍ خَلَقۡتَہٗ مِنۡ صَلۡصَالٍ مِّنۡ حَمَاٍ مَّسۡنُوۡنٍ ﴿۳۳﴾

015.033 Qala lam akun li-asjuda libasharin khalaqtahu min salsalin min hama-in masnoonin

Deze zei: "Ik ben niet zo dat ik mij eerbiedig neerbuig voor een mens die U uit steenaarde, uit stinkende potklei geschapen hebt."


قَالَ فَاخۡرُجۡ مِنۡہَا فَاِنَّکَ رَجِیۡمٌ ﴿ۙ۳۴﴾

015.034 Qala faokhruj minha fa-innaka rajeemun

Hij zei: "Ga hier weg, jij zult door steniging vervloekt zijn!


وَّ اِنَّ عَلَیۡکَ اللَّعۡنَۃَ اِلٰی یَوۡمِ الدِّیۡنِ ﴿۳۵﴾

015.035 Wa-inna AAalayka allaAAnata ila yawmi alddeeni

En de vloek zal tot de oordeelsdag op je rusten."


قَالَ رَبِّ فَاَنۡظِرۡنِیۡۤ اِلٰی یَوۡمِ یُبۡعَثُوۡنَ ﴿۳۶﴾

015.036 Qala rabbi faanthirnee ila yawmi yubAAathoona

Hij zei: "Mijn Heer, verleen mij uitstel tot de dag waarop zij worden opgewekt."


قَالَ فَاِنَّکَ مِنَ الۡمُنۡظَرِیۡنَ ﴿ۙ۳۷﴾

015.037 Qala fa-innaka mina almunthareena

Hij zei: "Jij behoort bij hen die uitstel hebben gekregen


اِلٰی یَوۡمِ الۡوَقۡتِ الۡمَعۡلُوۡمِ ﴿۳۸﴾

015.038 Ila yawmi alwaqti almaAAloomi

tot de dag van de vastgestelde tijd."


قَالَ رَبِّ بِمَاۤ اَغۡوَیۡتَنِیۡ لَاُزَیِّنَنَّ لَہُمۡ فِی الۡاَرۡضِ وَ لَاُغۡوِیَنَّہُمۡ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿ۙ۳۹﴾

015.039 Qala rabbi bima aghwaytanee laozayyinanna lahum fee al-ardi walaoghwiyannahum ajmaAAeena

Hij zei: "Mijn Heer, omdat U mij misleid hebt zal ik voor hen op de aarde [alles] schone schijn maken en ik zal hen zeker allen misleiden,


اِلَّا عِبَادَکَ مِنۡہُمُ الۡمُخۡلَصِیۡنَ ﴿۴۰﴾

015.040 Illa AAibadaka minhumu almukhlaseena

behalve Uw dienaren onder hen, die toegewijd zijn."


قَالَ ہٰذَا صِرَاطٌ عَلَیَّ مُسۡتَقِیۡمٌ ﴿۴۱﴾

015.041 Qala hatha siratun AAalayya mustaqeemun

Hij zei: "Dit is voor mij een juiste weg,


اِنَّ عِبَادِیۡ لَیۡسَ لَکَ عَلَیۡہِمۡ سُلۡطٰنٌ اِلَّا مَنِ اتَّبَعَکَ مِنَ الۡغٰوِیۡنَ ﴿۴۲﴾

015.042 Inna AAibadee laysa laka AAalayhim sultanun illa mani ittabaAAaka mina alghaweena

want over Mijn dienaren heb jij geen gezag behalve over die misleiden die jou volgen."


وَ اِنَّ جَہَنَّمَ لَمَوۡعِدُہُمۡ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿۟ۙ۴۳﴾

015.043 Wa-inna jahannama lamawAAiduhum ajmaAAeena

En de hel is de plaats die voor hen allen tezamen is aangewezen.


لَہَا سَبۡعَۃُ اَبۡوَابٍ ؕ لِکُلِّ بَابٍ مِّنۡہُمۡ جُزۡءٌ مَّقۡسُوۡمٌ ﴿٪۴۴﴾

015.044 Laha sabAAatu abwabin likulli babin minhum juz-on maqsoomun

Die heeft zeven poorten; elke poort ervan heeft een toegewezen deel.


اِنَّ الۡمُتَّقِیۡنَ فِیۡ جَنّٰتٍ وَّ عُیُوۡنٍ ﴿ؕ۴۵﴾

015.045 Inna almuttaqeena fee jannatin waAAuyoonin

Maar de godvrezenden zullen in tuinen en bij bronnen zijn:


اُدۡخُلُوۡہَا بِسَلٰمٍ اٰمِنِیۡنَ ﴿۴۶﴾

015.046 Odkhulooha bisalamin amineena

"Komt er in vrede en veiligheid binnen."


وَ نَزَعۡنَا مَا فِیۡ صُدُوۡرِہِمۡ مِّنۡ غِلٍّ اِخۡوَانًا عَلٰی سُرُرٍ مُّتَقٰبِلِیۡنَ ﴿۴۷﴾

015.047 WanazaAAna ma fee sudoorihim min ghillin ikhwanan AAala sururin mutaqabileena

En Wij nemen weg wat er in hun harten aan wrok was, zodat zij als broeders op rustbanken tegenover elkaar zitten.


لَا یَمَسُّہُمۡ فِیۡہَا نَصَبٌ وَّ مَا ہُمۡ مِّنۡہَا بِمُخۡرَجِیۡنَ ﴿۴۸﴾

015.048 La yamassuhum feeha nasabun wama hum minha bimukhrajeena

Zij worden daarin niet door vermoeidheid overvallen en zij zullen er niet uit verdreven worden.


نَبِّیٔۡ عِبَادِیۡۤ اَنِّیۡۤ اَنَا الۡغَفُوۡرُ الرَّحِیۡمُ ﴿ۙ۴۹﴾

015.049 Nabbi/ AAibadee annee ana alghafooru alrraheemu

Deel Mijn dienaren mee dat Ik de vergevende, de barmhartige ben.


وَ اَنَّ عَذَابِیۡ ہُوَ الۡعَذَابُ الۡاَلِیۡمُ ﴿۵۰﴾

015.050 Waanna AAathabee huwa alAAathabu al-aleemu

En dat Mijn bestraffing de pijnlijke bestraffing is.


وَ نَبِّئۡہُمۡ عَنۡ ضَیۡفِ اِبۡرٰہِیۡمَ ﴿ۘ۵۱﴾

015.051 Wanabbi/hum AAan dayfi ibraheema

En bericht hun over de gasten van Ibrahiem.


اِذۡ دَخَلُوۡا عَلَیۡہِ فَقَالُوۡا سَلٰمًا ؕ قَالَ اِنَّا مِنۡکُمۡ وَجِلُوۡنَ ﴿۵۲﴾

015.052 Ith dakhaloo AAalayhi faqaloo salaman qala inna minkum wajiloona

Toen zij bij hem binnenkwamen en zeiden:"Vrede!" Hij zei: "Wij hebben ontzag voor jullie."


قَالُوۡا لَا تَوۡجَلۡ اِنَّا نُبَشِّرُکَ بِغُلٰمٍ عَلِیۡمٍ ﴿۵۳﴾

015.053 Qaloo la tawjal inna nubashshiruka bighulamin AAaleemin

Zij zeiden: "Heb geen ontzag, wij verkondigen jou het goede nieuws dat jij een verstandige jongen krijgt."


قَالَ اَبَشَّرۡتُمُوۡنِیۡ عَلٰۤی اَنۡ مَّسَّنِیَ الۡکِبَرُ فَبِمَ تُبَشِّرُوۡنَ ﴿۵۴﴾

015.054 Qala abashshartumoonee AAala an massaniya alkibaru fabima tubashshirooni

Hij zei: "Verkondigen jullie mij goed nieuws nu de ouderdom mij al getroffen heeft? Wat voor goed nieuws verkondigen jullie dan?"


قَالُوۡا بَشَّرۡنٰکَ بِالۡحَقِّ فَلَا تَکُنۡ مِّنَ الۡقٰنِطِیۡنَ ﴿۵۵﴾

015.055 Qaloo bashsharnaka bialhaqqi fala takun mina alqaniteena

Zij zeiden: "Wij verkondigen jou de waarheid. Wees dus niet een van hen die de hoop opgeven."


قَالَ وَ مَنۡ یَّقۡنَطُ مِنۡ رَّحۡمَۃِ رَبِّہٖۤ اِلَّا الضَّآلُّوۡنَ ﴿۵۶﴾

015.056 Qala waman yaqnatu min rahmati rabbihi illa alddalloona

Hij zei: "Wie zou er de hoop op de barmhartigheid van zijn Heer opgeven afgezien van hen die dwalen?"


قَالَ فَمَا خَطۡبُکُمۡ اَیُّہَا الۡمُرۡسَلُوۡنَ ﴿۵۷﴾

015.057 Qala fama khatbukum ayyuha almursaloona

Hij zei: "Waar komen jullie voor, o gezondenen?"


قَالُوۡۤا اِنَّاۤ اُرۡسِلۡنَاۤ اِلٰی قَوۡمٍ مُّجۡرِمِیۡنَ ﴿ۙ۵۸﴾

015.058 Qaloo inna orsilna ila qawmin mujrimeena

Zij zeiden: "Wij zijn gezonden naar misdadige mensen."


اِلَّاۤ اٰلَ لُوۡطٍ ؕ اِنَّا لَمُنَجُّوۡہُمۡ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿ۙ۵۹﴾

015.059 Illa ala lootin inna lamunajjoohum ajmaAAeena

Uitgezonderd de familie van Loet, die zullen Wij allen tezamen redden,


اِلَّا امۡرَاَتَہٗ قَدَّرۡنَاۤ ۙ اِنَّہَا لَمِنَ الۡغٰبِرِیۡنَ ﴿٪۶۰﴾

015.060 Illa imraatahu qaddarna innaha lamina alghabireena

behalve zijn vrouw; Wij hebben verordend dat zij behoort tot hen die achterblijven.


فَلَمَّا جَآءَ اٰلَ لُوۡطِۣ الۡمُرۡسَلُوۡنَ ﴿ۙ۶۱﴾

015.061 Falamma jaa ala lootin almursaloona

En toen de gezondenen bij de familie van Loet kwamen,


قَالَ اِنَّکُمۡ قَوۡمٌ مُّنۡکَرُوۡنَ ﴿۶۲﴾

015.062 Qala innakum qawmun munkaroona

zei hij: "Jullie zijn onbekende mensen."


قَالُوۡا بَلۡ جِئۡنٰکَ بِمَا کَانُوۡا فِیۡہِ یَمۡتَرُوۡنَ ﴿۶۳﴾

015.063 Qaloo bal ji/naka bima kanoo feehi yamtaroona

Zij zeiden: "Welnee, maar wij zijn tot jou gekomen met dat wat zij voortdurend in twijfel trokken.


وَ اَتَیۡنٰکَ بِالۡحَقِّ وَ اِنَّا لَصٰدِقُوۡنَ ﴿۶۴﴾

015.064 Waataynaka bialhaqqi wa-inna lasadiqoona

En wij zijn tot jou gekomen met de waarheid en wij zijn echt oprecht.


فَاَسۡرِ بِاَہۡلِکَ بِقِطۡعٍ مِّنَ الَّیۡلِ وَ اتَّبِعۡ اَدۡبَارَہُمۡ وَ لَا یَلۡتَفِتۡ مِنۡکُمۡ اَحَدٌ وَّ امۡضُوۡا حَیۡثُ تُؤۡمَرُوۡنَ ﴿۶۵﴾

015.065 Faasri bi-ahlika biqitAAin mina allayli waittabiAA adbarahum wala yaltafit minkum ahadun waimdoo haythu tu/maroona

Vertrek dus met je familie in een deel van de nacht en volg hen in de achterhoede en niemand van jullie mag zich omdraaien; ga daarheen waar jullie bevolen wordt."


وَ قَضَیۡنَاۤ اِلَیۡہِ ذٰلِکَ الۡاَمۡرَ اَنَّ دَابِرَ ہٰۤؤُلَآءِ مَقۡطُوۡعٌ مُّصۡبِحِیۡنَ ﴿۶۶﴾

015.066 Waqadayna ilayhi thalika al-amra anna dabira haola-i maqtooAAun musbiheena

En Wij kondigden hem de beslissing aan dat zij in de morgen tot de laatste toe geveld zouden zijn.


وَ جَآءَ اَہۡلُ الۡمَدِیۡنَۃِ یَسۡتَبۡشِرُوۡنَ ﴿۶۷﴾

015.067 Wajaa ahlu almadeenati yastabshiroona

En de mensen van de stad kwamen om zich te vermaken.


قَالَ اِنَّ ہٰۤؤُلَآءِ ضَیۡفِیۡ فَلَا تَفۡضَحُوۡنِ ﴿ۙ۶۸﴾

015.068 Qala inna haola-i dayfee fala tafdahooni

Hij zei: "Dit zijn mijn gasten, onteert mij dus niet.


وَ اتَّقُوا اللّٰہَ وَ لَا تُخۡزُوۡنِ ﴿۶۹﴾

015.069 Waittaqoo Allaha wala tukhzooni

En vreest Allah en maakt mij niet te schande."


قَالُوۡۤا اَوَ لَمۡ نَنۡہَکَ عَنِ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۷۰﴾

015.070 Qaloo awa lam nanhaka AAani alAAalameena

Zij zeiden: "Hebben wij je niet verboden je in te laten met de wereldbewoners?"


قَالَ ہٰۤؤُلَآءِ بَنٰتِیۡۤ اِنۡ کُنۡتُمۡ فٰعِلِیۡنَ ﴿ؕ۷۱﴾

015.071 Qala haola-i banatee in kuntum faAAileena

Hij zei: "Hier zijn mijn dochters, als jullie echt iets doen willen."


لَعَمۡرُکَ اِنَّہُمۡ لَفِیۡ سَکۡرَتِہِمۡ یَعۡمَہُوۡنَ ﴿۷۲﴾

015.072 LaAAamruka innahum lafee sakratihim yaAAmahoona

Bij jouw leven, zij gingen in hun roes door met dwalen!


فَاَخَذَتۡہُمُ الصَّیۡحَۃُ مُشۡرِقِیۡنَ ﴿ۙ۷۳﴾

015.073 Faakhathat-humu alssayhatu mushriqeena

Toen greep de schreeuw hen bij zonsopgang.


فَجَعَلۡنَا عَالِیَہَا سَافِلَہَا وَ اَمۡطَرۡنَا عَلَیۡہِمۡ حِجَارَۃً مِّنۡ سِجِّیۡلٍ ﴿ؕ۷۴﴾

015.074 FajaAAalna AAaliyaha safilaha waamtarna AAalayhim hijaratan min sijjeelin

En Wij keerden haar ondersteboven en lieten er bakstenen op regenen.


اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیٰتٍ لِّلۡمُتَوَسِّمِیۡنَ ﴿۷۵﴾

015.075 Inna fee thalika laayatin lilmutawassimeena

Daarin zijn zeker tekenen voor hen die nauwkeurig beschouwen.


وَ اِنَّہَا لَبِسَبِیۡلٍ مُّقِیۡمٍ ﴿۷۶﴾

015.076 Wa-innaha labisabeelin muqeemin

Zij ligt op een blijvende weg.


اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیَۃً لِّلۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿ؕ۷۷﴾

015.077 Inna fee thalika laayatan lilmu/mineena

Daarin zijn zeker tekenen voor hen die geloven.


وَ اِنۡ کَانَ اَصۡحٰبُ الۡاَیۡکَۃِ لَظٰلِمِیۡنَ ﴿ۙ۷۸﴾

015.078 Wa-in kana as-habu al-aykati lathalimeena

Ook de mensen van het kreupelbos waren onrechtplegers.


فَانۡتَقَمۡنَا مِنۡہُمۡ ۘ وَ اِنَّہُمَا لَبِاِمَامٍ مُّبِیۡنٍ ﴿ؕ٪۷۹﴾

015.079 Faintaqamna minhum wa-innahuma labi-imamin mubeenin

En Wij namen ook wraak op hen. Beide zijn zij een duidelijk voorbeeld.


وَ لَقَدۡ کَذَّبَ اَصۡحٰبُ الۡحِجۡرِ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿ۙ۸۰﴾

015.080 Walaqad kaththaba as-habu alhijri almursaleena

En ook de mensen van al-Hidjr betichtten de gezondenen van leugens.


وَ اٰتَیۡنٰہُمۡ اٰیٰتِنَا فَکَانُوۡا عَنۡہَا مُعۡرِضِیۡنَ ﴿ۙ۸۱﴾

015.081 Waataynahum ayatina fakanoo AAanha muAArideena

En Wij gaven hun Onze tekenen, maar zij wendden zich ervan af.


وَ کَانُوۡا یَنۡحِتُوۡنَ مِنَ الۡجِبَالِ بُیُوۡتًا اٰمِنِیۡنَ ﴿۸۲﴾

015.082 Wakanoo yanhitoona mina aljibali buyootan amineena

En zij hadden in de bergen veilige huizen uitgehouwen.


فَاَخَذَتۡہُمُ الصَّیۡحَۃُ مُصۡبِحِیۡنَ ﴿ۙ۸۳﴾

015.083 Faakhathat-humu alssayhatu musbiheena

Toen greep de schreeuw hen in de morgen.


فَمَاۤ اَغۡنٰی عَنۡہُمۡ مَّا کَانُوۡا یَکۡسِبُوۡنَ ﴿ؕ۸۴﴾

015.084 Fama aghna AAanhum ma kanoo yaksiboona

En dus baatte hun niet wat zij ten uitvoer hadden gebracht.


وَ مَا خَلَقۡنَا السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ وَ مَا بَیۡنَہُمَاۤ اِلَّا بِالۡحَقِّ ؕ وَ اِنَّ السَّاعَۃَ لَاٰتِیَۃٌ فَاصۡفَحِ الصَّفۡحَ الۡجَمِیۡلَ ﴿۸۵﴾

015.085 Wama khalaqna alssamawati waal-arda wama baynahuma illa bialhaqqi wa-inna alssaAAata laatiyatun faisfahi alssafha aljameela

Wij hebben de hemelen en de aarde en wat er tussen beide is slechts in waarheid geschapen. En het uur komt zeker; weest dus op een vriendelijke manier toegevend.


اِنَّ رَبَّکَ ہُوَ الۡخَلّٰقُ الۡعَلِیۡمُ ﴿۸۶﴾

015.086 Inna rabbaka huwa alkhallaqu alAAaleemu

Jouw Heer, Hij is de schepper, de wetende.


وَ لَقَدۡ اٰتَیۡنٰکَ سَبۡعًا مِّنَ الۡمَثَانِیۡ وَ الۡقُرۡاٰنَ الۡعَظِیۡمَ ﴿۸۷﴾

015.087 Walaqad ataynaka sabAAan mina almathanee waalqur-ana alAAatheema

En Wij hebben jou zeven herhaalde gedeelten gegeven en de geweldige Koran.


لَا تَمُدَّنَّ عَیۡنَیۡکَ اِلٰی مَا مَتَّعۡنَا بِہٖۤ اَزۡوَاجًا مِّنۡہُمۡ وَ لَا تَحۡزَنۡ عَلَیۡہِمۡ وَ اخۡفِضۡ جَنَاحَکَ لِلۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۸۸﴾

015.088 La tamuddanna AAaynayka ila ma mattaAAna bihi azwajan minhum wala tahzan AAalayhim waikhfid janahaka lilmu/mineena

Kijk niet met uitpuilende ogen naar wat Wij sommigen van hen als vruchtgebruik gegeven hebben en maak je niet bedroefd over hen en wees ontvankelijk voor de gelovigen.


وَ قُلۡ اِنِّیۡۤ اَنَا النَّذِیۡرُ الۡمُبِیۡنُ ﴿ۚ۸۹﴾

015.089 Waqul innee ana alnnatheeru almubeenu

En zeg: "Ik ben de duidelijke waarschuwer!"


کَمَاۤ اَنۡزَلۡنَا عَلَی الۡمُقۡتَسِمِیۡنَ ﴿ۙ۹۰﴾

015.090 Kama anzalna AAala almuqtasimeena

Zoals [tot jou] hebben Wij [ook een boodschap] neergezonden tot hen die in stukken verdelen,


الَّذِیۡنَ جَعَلُوا الۡقُرۡاٰنَ عِضِیۡنَ ﴿۹۱﴾

015.091 Allatheena jaAAaloo alqur-ana AAideena

die de Koran in parten hebben opgedeeld.


فَوَ رَبِّکَ لَنَسۡـَٔلَنَّہُمۡ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿ۙ۹۲﴾

015.092 Fawarabbika lanas-alannahum ajmaAAeena

Dus, bij jouw Heer, Wij zullen hen allemaal ondervragen


عَمَّا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿ٙ۹۳﴾

015.093 AAamma kanoo yaAAmaloona

over wat zij aan het doen waren.


فَاصۡدَعۡ بِمَا تُؤۡمَرُ وَ اَعۡرِضۡ عَنِ الۡمُشۡرِکِیۡنَ ﴿۹۴﴾

015.094 FaisdaAA bima tu/maru waaAArid AAani almushrikeena

En verkondig luid wat jou bevolen is en wend je af van de veelgodendienaars.


اِنَّا کَفَیۡنٰکَ الۡمُسۡتَہۡزِءِیۡنَ ﴿ۙ۹۵﴾

015.095 Inna kafaynaka almustahzi-eena

Wij zijn voldoende voor jou tegen de spotters,


الَّذِیۡنَ یَجۡعَلُوۡنَ مَعَ اللّٰہِ اِلٰہًا اٰخَرَ ۚ فَسَوۡفَ یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۹۶﴾

015.096 Allatheena yajAAaloona maAAa Allahi ilahan akhara fasawfa yaAAlamoona

die naast Allah een andere god stellen; maar zij zullen het weten.


وَ لَقَدۡ نَعۡلَمُ اَنَّکَ یَضِیۡقُ صَدۡرُکَ بِمَا یَقُوۡلُوۡنَ ﴿ۙ۹۷﴾

015.097 Walaqad naAAlamu annaka yadeequ sadruka bima yaqooloona

Wij weten dat jouw hart benauwd is om wat zij zeggen.


فَسَبِّحۡ بِحَمۡدِ رَبِّکَ وَ کُنۡ مِّنَ السّٰجِدِیۡنَ ﴿ۙ۹۸﴾

015.098 Fasabbih bihamdi rabbika wakun mina alssajideena

Maar prijs de lof van jouw Heer en wees met hen die zich eerbiedig neerbuigen.


وَ اعۡبُدۡ رَبَّکَ حَتّٰی یَاۡتِیَکَ الۡیَقِیۡنُ ﴿٪۹۹﴾

015.099 WaoAAbud rabbaka hatta ya/tiyaka alyaqeenu

En dien jouw Heer tot de zekerheid [van de dood] komt.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

اَتٰۤی اَمۡرُ اللّٰہِ فَلَا تَسۡتَعۡجِلُوۡہُ ؕ سُبۡحٰنَہٗ وَ تَعٰلٰی عَمَّا یُشۡرِکُوۡنَ ﴿۱﴾

016.001 Ata amru Allahi fala tastaAAjiloohu subhanahu wataAAala AAamma yushrikoona

Allah's beschikking is gekomen, probeert dat dus niet te verhaasten. Hij zij geprezen, verheven als Hij is boven wat zij aan Hem als metgezellen toevoegen.


یُنَزِّلُ الۡمَلٰٓئِکَۃَ بِالرُّوۡحِ مِنۡ اَمۡرِہٖ عَلٰی مَنۡ یَّشَآءُ مِنۡ عِبَادِہٖۤ اَنۡ اَنۡذِرُوۡۤا اَنَّہٗ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّاۤ اَنَا فَاتَّقُوۡنِ ﴿۲﴾

016.002 Yunazzilu almala-ikata bialrroohi min amrihi AAala man yashao min AAibadihi an anthiroo annahu la ilaha illa ana faittaqooni

Hij zendt door Zijn beschikking de engelen met de geest neer tot wie van Zijn dienaren Hij wil: "Waarschuwt dat er geen god is dan Ik, vreest Mij dus."


خَلَقَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ بِالۡحَقِّ ؕ تَعٰلٰی عَمَّا یُشۡرِکُوۡنَ ﴿۳﴾

016.003 Khalaqa alssamawati waal-arda bialhaqqi taAAala AAamma yushrikoona

Hij heeft de hemelen en de aarde in waarheid geschapen. Hij is verheven boven wat zij aan Hem als metgezellen toevoegen.


خَلَقَ الۡاِنۡسَانَ مِنۡ نُّطۡفَۃٍ فَاِذَا ہُوَ خَصِیۡمٌ مُّبِیۡنٌ ﴿۴﴾

016.004 Khalaqa al-insana min nutfatin fa-itha huwa khaseemun mubeenun

Hij heeft de mens uit een druppel geschapen en toch is hij dan een duidelijke tegenstander.


وَ الۡاَنۡعَامَ خَلَقَہَا ۚ لَکُمۡ فِیۡہَا دِفۡءٌ وَّ مَنَافِعُ وَ مِنۡہَا تَاۡکُلُوۡنَ ﴿۪۵﴾

016.005 Waal-anAAama khalaqaha lakum feeha dif-on wamanafiAAu waminha ta-kuloona

Ook het vee heeft Hij geschapen. Jullie hebben daarmee warmte en allerlei nuttigs en jullie eten ervan.


وَ لَکُمۡ فِیۡہَا جَمَالٌ حِیۡنَ تُرِیۡحُوۡنَ وَ حِیۡنَ تَسۡرَحُوۡنَ ﴿۪۶﴾

016.006 Walakum feeha jamalun heena tureehoona waheena tasrahoona

Daarmee is er voor jullie ook schoonheid wanneer jullie ze 's avonds huiswaarts voeren en wanneer jullie ze 's morgens naar de weiden brengen.


وَ تَحۡمِلُ اَثۡقَالَکُمۡ اِلٰی بَلَدٍ لَّمۡ تَکُوۡنُوۡا بٰلِغِیۡہِ اِلَّا بِشِقِّ الۡاَنۡفُسِ ؕ اِنَّ رَبَّکُمۡ لَرَءُوۡفٌ رَّحِیۡمٌ ۙ﴿۷﴾

016.007 Watahmilu athqalakum ila baladin lam takoonoo baligheehi illa bishiqqi al-anfusi inna rabbakum laraoofun raheemun

En het draagt jullie lasten naar een land dat jullie slechts met grote inspanning hadden kunnen bereiken. Jullie Heer is werkelijk vol mededogen en barmhartig.


وَّ الۡخَیۡلَ وَ الۡبِغَالَ وَ الۡحَمِیۡرَ لِتَرۡکَبُوۡہَا وَ زِیۡنَۃً ؕ وَ یَخۡلُقُ مَا لَا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۸﴾

016.008 Waalkhayla waalbighala waalhameera litarkabooha wazeenatan wayakhluqu ma la taAAlamoona

En paarden, muildieren en ezels opdat jullie ze kunnen berijden en voor het mooi. En Hij schept wat jullie niet weten.


وَ عَلَی اللّٰہِ قَصۡدُ السَّبِیۡلِ وَ مِنۡہَا جَآئِرٌ ؕ وَ لَوۡ شَآءَ لَہَدٰىکُمۡ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿٪۹﴾

016.009 WaAAala Allahi qasdu alssabeeli waminha ja-irun walaw shaa lahadakum ajmaAAeena

Het is Allah's taak de goede weg aan te geven; sommige gaan namelijk de verkeerde kant op. En als Hij gewild had, dan had Hij jullie allen tezamen op het goede pad gebracht.


ہُوَ الَّذِیۡۤ اَنۡزَلَ مِنَ السَّمَآءِ مَآءً لَّکُمۡ مِّنۡہُ شَرَابٌ وَّ مِنۡہُ شَجَرٌ فِیۡہِ تُسِیۡمُوۡنَ ﴿۱۰﴾

016.010 Huwa allathee anzala mina alssama-i maan lakum minhu sharabun waminhu shajarun feehi tuseemoona

Hij is het die uit de hemel water laat neerdalen. Daardoor hebben jullie te drinken en daardoor is er geboomte waarin jullie kunnen laten weiden.


یُنۡۢبِتُ لَکُمۡ بِہِ الزَّرۡعَ وَ الزَّیۡتُوۡنَ وَ النَّخِیۡلَ وَ الۡاَعۡنَابَ وَ مِنۡ کُلِّ الثَّمَرٰتِ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیَۃً لِّقَوۡمٍ یَّتَفَکَّرُوۡنَ ﴿۱۱﴾

016.011 Yunbitu lakum bihi alzzarAAa waalzzaytoona waalnnakheela waal-aAAnaba wamin kulli alththamarati inna fee thalika laayatan liqawmin yatafakkaroona

Hij laat voor jullie daarmee landbouwgewassen groeien en olijfbomen, palmen, wijnstokken en allerlei vruchten. Daarin is zeker een teken voor mensen die nadenken.


وَ سَخَّرَ لَکُمُ الَّیۡلَ وَ النَّہَارَ ۙ وَ الشَّمۡسَ وَ الۡقَمَرَ ؕ وَ النُّجُوۡمُ مُسَخَّرٰتٌۢ بِاَمۡرِہٖ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیٰتٍ لِّقَوۡمٍ یَّعۡقِلُوۡنَ ﴿ۙ۱۲﴾

016.012 Wasakhkhara lakumu allayla waalnnahara waalshshamsa waalqamara waalnnujoomu musakhkharatun bi-amrihi inna fee thalika laayatin liqawmin yaAAqiloona

En Hij heeft voor jullie de dag en de nacht, de zon en de maan dienstbaar gemaakt en de sterren zijn onderworpen aan Zijn zeggenschap. Daarin zijn zeker tekenen voor mensen die verstandig zijn.


وَ مَا ذَرَاَ لَکُمۡ فِی الۡاَرۡضِ مُخۡتَلِفًا اَلۡوَانُہٗ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیَۃً لِّقَوۡمٍ یَّذَّکَّرُوۡنَ ﴿۱۳﴾

016.013 Wama tharaa lakum fee al-ardi mukhtalifan alwanuhu inna fee thalika laayatan liqawmin yaththakkaroona

En ook in wat Hij op de aarde voor jullie in verschillende soorten geschapen heeft. Daarin is zeker een teken voor mensen die zich laten vermanen.


وَ ہُوَ الَّذِیۡ سَخَّرَ الۡبَحۡرَ لِتَاۡکُلُوۡا مِنۡہُ لَحۡمًا طَرِیًّا وَّ تَسۡتَخۡرِجُوۡا مِنۡہُ حِلۡیَۃً تَلۡبَسُوۡنَہَا ۚ وَ تَرَی الۡفُلۡکَ مَوَاخِرَ فِیۡہِ وَ لِتَبۡتَغُوۡا مِنۡ فَضۡلِہٖ وَ لَعَلَّکُمۡ تَشۡکُرُوۡنَ ﴿۱۴﴾

016.014 Wahuwa allathee sakhkhara albahra lita/kuloo minhu lahman tariyyan watastakhrijoo minhu hilyatan talbasoonaha watara alfulka mawakhira feehi walitabtaghoo min fadlihi walaAAallakum tashkuroona

En Hij is het die voor jullie de zee dienstbaar heeft gemaakt om er vers vlees uit te eten en er sieraden uit te halen om je mee te tooien. En jullie zien de schepen haar doorklieven en [dat is] opdat jullie naar een gunst van Hem streven. En misschien zullen jullie dank betuigen.


وَ اَلۡقٰی فِی الۡاَرۡضِ رَوَاسِیَ اَنۡ تَمِیۡدَ بِکُمۡ وَ اَنۡہٰرًا وَّ سُبُلًا لَّعَلَّکُمۡ تَہۡتَدُوۡنَ ﴿ۙ۱۵﴾

016.015 Waalqa fee al-ardi rawasiya an tameeda bikum waanharan wasubulan laAAallakum tahtadoona

En Hij heeft op de aarde stevige bergen aangebracht dat zij jullie niet aan het wankelen zou brengen en rivieren en wegen -- opdat jullie je misschien de goede richting zullen laten wijzen --


وَ عَلٰمٰتٍ ؕ وَ بِالنَّجۡمِ ہُمۡ یَہۡتَدُوۡنَ ﴿۱۶﴾

016.016 WaAAalamatin wabialnnajmi hum yahtadoona

en wegmarkeringen. En met de sterren laten zij zich de goede richting wijzen.


اَفَمَنۡ یَّخۡلُقُ کَمَنۡ لَّا یَخۡلُقُ ؕ اَفَلَا تَذَکَّرُوۡنَ ﴿۱۷﴾

016.017 Afaman yakhluqu kaman la yakhluqu afala tathakkaroona

Is Hij die schept dan zoals iemand die niet schept? Zullen jullie je dan niet laten vermanen?


وَ اِنۡ تَعُدُّوۡا نِعۡمَۃَ اللّٰہِ لَا تُحۡصُوۡہَا ؕ اِنَّ اللّٰہَ لَغَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۱۸﴾

016.018 Wa-in taAAuddoo niAAmata Allahi la tuhsooha inna Allaha laghafoorun raheemun

En als jullie Allah's genade willen tellen dan kunnen jullie het niet opsommen. Allah is werkelijk vergevend en barmhartig.


وَ اللّٰہُ یَعۡلَمُ مَا تُسِرُّوۡنَ وَ مَا تُعۡلِنُوۡنَ ﴿۱۹﴾

016.019 WaAllahu yaAAlamu ma tusirroona wama tuAAlinoona

En Allah weet wat jullie in het geheim en wat jullie openlijk doen.


وَ الَّذِیۡنَ یَدۡعُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ لَا یَخۡلُقُوۡنَ شَیۡئًا وَّ ہُمۡ یُخۡلَقُوۡنَ ﴿ؕ۲۰﴾

016.020 Waallatheena yadAAoona min dooni Allahi la yakhluqoona shay-an wahum yukhlaqoona

En zij die door hen in plaats van Allah aangeroepen worden scheppen niets, maar zij worden zelf geschapen.


اَمۡوَاتٌ غَیۡرُ اَحۡیَآءٍ ۚ وَ مَا یَشۡعُرُوۡنَ ۙ اَیَّانَ یُبۡعَثُوۡنَ ﴿٪۲۱﴾

016.021 Amwatun ghayru ahya-in wama yashAAuroona ayyana yubAAathoona

Dood zijn zij en niet levend en zij beseffen niet wanneer zij worden opgewekt.


اِلٰـہُکُمۡ اِلٰہٌ وَّاحِدٌ ۚ فَالَّذِیۡنَ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ بِالۡاٰخِرَۃِ قُلُوۡبُہُمۡ مُّنۡکِرَۃٌ وَّ ہُمۡ مُّسۡتَکۡبِرُوۡنَ ﴿۲۲﴾

016.022 Ilahukum ilahun wahidun faallatheena la yu/minoona bial-akhirati quloobuhum munkiratun wahum mustakbiroona

Jullie god is één god. En zij die niet in het hiernamaals geloven, hun harten ontkennen het in hun hoogmoed.


لَاجَرَمَ اَنَّ اللّٰہَ یَعۡلَمُ مَا یُسِرُّوۡنَ وَ مَا یُعۡلِنُوۡنَ ؕ اِنَّہٗ لَا یُحِبُّ الۡمُسۡتَکۡبِرِیۡنَ ﴿۲۳﴾

016.023 La jarama anna Allaha yaAAlamu ma yusirroona wama yuAAlinoona innahu la yuhibbu almustakbireena

Het staat vast dat Allah weet wat zij in het geheim en wat zij openlijk doen. Hij bemint de hoogmoedigen niet.


وَ اِذَا قِیۡلَ لَہُمۡ مَّا ذَاۤ اَنۡزَلَ رَبُّکُمۡ ۙ قَالُوۡۤا اَسَاطِیۡرُ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿ۙ۲۴﴾

016.024 Wa-itha qeela lahum matha anzala rabbukum qaloo asateeru al-awwaleena

En wanneer tot hen gezegd wordt: "Wat is het dat jullie Heer heeft neergezonden?" dan zeggen zij: "Fabels van hen die er eertijds waren."


لِیَحۡمِلُوۡۤا اَوۡزَارَہُمۡ کَامِلَۃً یَّوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ ۙ وَ مِنۡ اَوۡزَارِ الَّذِیۡنَ یُضِلُّوۡنَہُمۡ بِغَیۡرِ عِلۡمٍ ؕ اَلَا سَآءَ مَا یَزِرُوۡنَ ﴿٪۲۵﴾

016.025 Liyahmiloo awzarahum kamilatan yawma alqiyamati wamin awzari allatheena yudilloonahum bighayri AAilmin ala saa ma yaziroona

Dat zij op de opstandingsdag hun volle lasten mogen dragen en ook nog iets van de lasten van hen die zij zonder kennis tot dwaling brengen. Is het niet slecht waarmee zij worden belast?


قَدۡ مَکَرَ الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِہِمۡ فَاَتَی اللّٰہُ بُنۡیَانَہُمۡ مِّنَ الۡقَوَاعِدِ فَخَرَّ عَلَیۡہِمُ السَّقۡفُ مِنۡ فَوۡقِہِمۡ وَ اَتٰىہُمُ الۡعَذَابُ مِنۡ حَیۡثُ لَا یَشۡعُرُوۡنَ ﴿۲۶﴾

016.026 Qad makara allatheena min qablihim faata Allahu bunyanahum mina alqawaAAidi fakharra AAalayhimu alssaqfu min fawqihim waatahumu alAAathabu min haythu la yashAAuroona

Zij die er voor hun tijd waren beraamden al plannen, maar Allah greep hun bouwwerk bij de fundamenten en het dak viel van bovenaf op hen en de bestraffing kwam tot hen vanwaar zij het niet beseften.


ثُمَّ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ یُخۡزِیۡہِمۡ وَ یَقُوۡلُ اَیۡنَ شُرَکَآءِیَ الَّذِیۡنَ کُنۡتُمۡ تُشَآقُّوۡنَ فِیۡہِمۡ ؕ قَالَ الَّذِیۡنَ اُوۡتُوا الۡعِلۡمَ اِنَّ الۡخِزۡیَ الۡیَوۡمَ وَ السُّوۡٓءَ عَلَی الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿ۙ۲۷﴾

016.027 Thumma yawma alqiyamati yukhzeehim wayaqoolu ayna shuraka-iya allatheena kuntum tushaqqoona feehim qala allatheena ootoo alAAilma inna alkhizya alyawma waalssoo-a AAala alkafireena

En dan, op de opstandingsdag zal Hij hen te schande maken en zeggen: "Waar zijn Mijn [zogenaamd goddelijke] metgezellen om wie jullie zo tegengewerkt hebben?" Zij aan wie de kennis gegeven is zeggen: "De schande en het kwaad komen vandaag over de ongelovigen,


الَّذِیۡنَ تَتَوَفّٰىہُمُ الۡمَلٰٓئِکَۃُ ظَالِمِیۡۤ اَنۡفُسِہِمۡ ۪ فَاَلۡقَوُا السَّلَمَ مَا کُنَّا نَعۡمَلُ مِنۡ سُوۡٓءٍ ؕ بَلٰۤی اِنَّ اللّٰہَ عَلِیۡمٌۢ بِمَا کُنۡتُمۡ تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۲۸﴾

016.028 Allatheena tatawaffahumu almala-ikatu thalimee anfusihim faalqawoo alssalama ma kunna naAAmalu min soo-in bala inna Allaha AAaleemun bima kuntum taAAmaloona

die door de engelen worden weggenomen, terwijl zij zichzelf onrecht hebben aangedaan en die dan vrede aanbieden: 'Wij deden geen kwaad.?" "Integendeel, Allah weet wat jullie aan het doen waren.


فَادۡخُلُوۡۤا اَبۡوَابَ جَہَنَّمَ خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا ؕ فَلَبِئۡسَ مَثۡوَی الۡمُتَکَبِّرِیۡنَ ﴿۲۹﴾

016.029 Faodkhuloo abwaba jahannama khalideena feeha falabi/sa mathwa almutakabbireena

Gaat de poorten van de hel binnen om er altijd in te blijven." Dat is pas echt een slechte verblijfplaats voor de hoogmoedigen. *


وَ قِیۡلَ لِلَّذِیۡنَ اتَّقَوۡا مَاذَاۤ اَنۡزَلَ رَبُّکُمۡ ؕ قَالُوۡا خَیۡرًا ؕ لِلَّذِیۡنَ اَحۡسَنُوۡا فِیۡ ہٰذِہِ الدُّنۡیَا حَسَنَۃٌ ؕ وَ لَدَارُ الۡاٰخِرَۃِ خَیۡرٌ ؕ وَ لَنِعۡمَ دَارُ الۡمُتَّقِیۡنَ ﴿ۙ۳۰﴾

016.030 Waqeela lillatheena ittaqaw matha anzala rabbukum qaloo khayran lillatheena ahsanoo fee hathihi alddunya hasanatun waladaru al-akhirati khayrun walaniAAma daru almuttaqeena

Ook tot hen die godvrezend zijn wordt gezegd: "Wat is het dat jullie Heer heeft neergezonden?" Dan zeggen zij: "Iets goeds." Voor hen die in dit tegenwoordige leven goed doen is er iets goeds, maar de woning van het hiernamaals is beter. Dat is pas een goede woning voor de godvrezenden!


جَنّٰتُ عَدۡنٍ یَّدۡخُلُوۡنَہَا تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ لَہُمۡ فِیۡہَا مَا یَشَآءُوۡنَ ؕ کَذٰلِکَ یَجۡزِی اللّٰہُ الۡمُتَّقِیۡنَ ﴿ۙ۳۱﴾

016.031 Jannatu AAadnin yadkhuloonaha tajree min tahtiha al-anharu lahum feeha ma yashaoona kathalika yajzee Allahu almuttaqeena

De tuinen van 'Adn zullen zij binnengaan waar de rivieren onderdoor stromen. Zij hebben daarin wat zij willen. Zo beloont Allah de godvrezenden,


الَّذِیۡنَ تَتَوَفّٰىہُمُ الۡمَلٰٓئِکَۃُ طَیِّبِیۡنَ ۙ یَقُوۡلُوۡنَ سَلٰمٌ عَلَیۡکُمُ ۙ ادۡخُلُوا الۡجَنَّۃَ بِمَا کُنۡتُمۡ تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۳۲﴾

016.032 Allatheena tatawaffahumu almala-ikatu tayyibeena yaqooloona salamun AAalaykumu odkhuloo aljannata bima kuntum taAAmaloona

die door de engelen als goede mensen worden weggenomen. Zij zeggen: "Vrede zij met jullie, gaat de tuin binnen voor wat jullie gedaan hebben."


ہَلۡ یَنۡظُرُوۡنَ اِلَّاۤ اَنۡ تَاۡتِیَہُمُ الۡمَلٰٓئِکَۃُ اَوۡ یَاۡتِیَ اَمۡرُ رَبِّکَ ؕ کَذٰلِکَ فَعَلَ الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِہِمۡ ؕ وَ مَا ظَلَمَہُمُ اللّٰہُ وَ لٰکِنۡ کَانُوۡۤا اَنۡفُسَہُمۡ یَظۡلِمُوۡنَ ﴿۳۳﴾

016.033 Hal yanthuroona illa an ta/tiyahumu almala-ikatu aw ya/tiya amru rabbika kathalika faAAala allatheena min qablihim wama thalamahumu Allahu walakin kanoo anfusahum yathlimoona

Kunnen zij dan iets anders verwachten dan dat de engelen tot hen komen of dat de beschikking van hun Heer komt? Zo handelden ook zij die er voor hun tijd waren. Allah deed hun geen onrecht aan, maar zij deden zichzelf onrecht aan.


فَاَصَابَہُمۡ سَیِّاٰتُ مَا عَمِلُوۡا وَ حَاقَ بِہِمۡ مَّا کَانُوۡا بِہٖ یَسۡتَہۡزِءُوۡنَ ﴿٪۳۴﴾

016.034 Faasabahum sayyi-atu ma AAamiloo wahaqa bihim ma kanoo bihi yastahzi-oona

De slechte daden die ze deden hebben hen dus getroffen en zij werden ingesloten door dat waarmee zij de spot dreven.


وَ قَالَ الَّذِیۡنَ اَشۡرَکُوۡا لَوۡ شَآءَ اللّٰہُ مَا عَبَدۡنَا مِنۡ دُوۡنِہٖ مِنۡ شَیۡءٍ نَّحۡنُ وَ لَاۤ اٰبَآؤُنَا وَ لَا حَرَّمۡنَا مِنۡ دُوۡنِہٖ مِنۡ شَیۡءٍ ؕ کَذٰلِکَ فَعَلَ الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِہِمۡ ۚ فَہَلۡ عَلَی الرُّسُلِ اِلَّا الۡبَلٰغُ الۡمُبِیۡنُ ﴿۳۵﴾

016.035 Waqala allatheena ashrakoo law shaa Allahu ma AAabadna min doonihi min shay-in nahnu wala abaona wala harramna min doonihi min shay-in kathalika faAAala allatheena min qablihim fahal AAala alrrusuli illa albalaghu almubeenu

En de aanhangers van het veelgodendom zeggen: "Als Allah gewild had hadden wij niets in plaats van Hem gediend, wij noch onze vaderen en ook zouden wij buiten Hem om niets verboden hebben." Zo handelden ook zij die er voor hun tijd waren. Hebben de gezanten dan een andere plicht dan de duidelijke verkondiging?


وَ لَقَدۡ بَعَثۡنَا فِیۡ کُلِّ اُمَّۃٍ رَّسُوۡلًا اَنِ اعۡبُدُوا اللّٰہَ وَ اجۡتَنِبُوا الطَّاغُوۡتَ ۚ فَمِنۡہُمۡ مَّنۡ ہَدَی اللّٰہُ وَ مِنۡہُمۡ مَّنۡ حَقَّتۡ عَلَیۡہِ الضَّلٰلَۃُ ؕ فَسِیۡرُوۡا فِی الۡاَرۡضِ فَانۡظُرُوۡا کَیۡفَ کَانَ عَاقِبَۃُ الۡمُکَذِّبِیۡنَ ﴿۳۶﴾

016.036 Walaqad baAAathna fee kulli ommatin rasoolan ani oAAbudoo Allaha waijtaniboo alttaghoota faminhum man hada Allahu waminhum man haqqat AAalayhi alddalalatu faseeroo fee al-ardi faonthuroo kayfa kana AAaqibatu almukaththibeena

En Wij hebben toch in elke gemeenschap een gezant laten opstaan: "Dient Allah en vermijdt de Taghoet." Een gedeelte van hen heeft Allah op het goede pad geleid en voor een gedeelte is de dwaling waar geworden. Reist dus op de aarde rond en kijkt hoe het einde was van de loochenaars.


اِنۡ تَحۡرِصۡ عَلٰی ہُدٰىہُمۡ فَاِنَّ اللّٰہَ لَا یَہۡدِیۡ مَنۡ یُّضِلُّ وَ مَا لَہُمۡ مِّنۡ نّٰصِرِیۡنَ ﴿۳۷﴾

016.037 In tahris AAala hudahum fa-inna Allaha la yahdee man yudillu wama lahum min nasireena

Al zou jij hen nog zo graag op het goede pad willen brengen, Allah brengt hen, die Hij tot dwaling brengt, niet op het goede pad. En zij hebben ook geen helpers.


وَ اَقۡسَمُوۡا بِاللّٰہِ جَہۡدَ اَیۡمَانِہِمۡ ۙ لَا یَبۡعَثُ اللّٰہُ مَنۡ یَّمُوۡتُ ؕ بَلٰی وَعۡدًا عَلَیۡہِ حَقًّا وَّ لٰکِنَّ اَکۡثَرَ النَّاسِ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿ۙ۳۸﴾

016.038 Waaqsamoo biAllahi jahda aymanihim la yabAAathu Allahu man yamootu bala waAAdan AAalayhi haqqan walakinna akthara alnnasi la yaAAlamoona

En zij zweren dure eden bij Allah: "Allah zal wie sterft niet opwekken!" Integendeel, het is een toezegging waartoe Hij in waarheid verplicht is -- maar de meeste mensen weten het niet --


لِیُبَیِّنَ لَہُمُ الَّذِیۡ یَخۡتَلِفُوۡنَ فِیۡہِ وَ لِیَعۡلَمَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡۤا اَنَّہُمۡ کَانُوۡا کٰذِبِیۡنَ ﴿۳۹﴾

016.039 Liyubayyina lahumu allathee yakhtalifoona feehi waliyaAAlama allatheena kafaroo annahum kanoo kathibeena

opdat Hij aan hen dat waarover zij het oneens zijn duidelijk maakt en opdat zij die ongelovig zijn weten dat zij leugenaars waren.


اِنَّمَا قَوۡلُنَا لِشَیۡءٍ اِذَاۤ اَرَدۡنٰہُ اَنۡ نَّقُوۡلَ لَہٗ کُنۡ فَیَکُوۡنُ ﴿٪۴۰﴾

016.040 Innama qawluna lishay-in itha aradnahu an naqoola lahu kun fayakoonu

Wat Wij tot iets zeggen wanneer Wij het wensen is dat Wij zeggen: "Wees!" en het is.


وَ الَّذِیۡنَ ہَاجَرُوۡا فِی اللّٰہِ مِنۡۢ بَعۡدِ مَا ظُلِمُوۡا لَـنُبَوِّئَنَّہُمۡ فِی الدُّنۡیَا حَسَنَۃً ؕ وَ لَاَجۡرُ الۡاٰخِرَۃِ اَکۡبَرُ ۘ لَوۡ کَانُوۡا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿ۙ۴۱﴾

016.041 Waallatheena hajaroo fee Allahi min baAAdi ma thulimoo lanubawwi-annahum fee alddunya hasanatan walaajru al-akhirati akbaru law kanoo yaAAlamoona

Zij die om Allah zijn uitgeweken, nadat hun onrecht was aangedaan, zullen Wij in het tegenwoordige leven zeker een goed onderdak geven, maar het loon van het hiernamaals is groter, als zij dat maar wisten,


الَّذِیۡنَ صَبَرُوۡا وَ عَلٰی رَبِّہِمۡ یَتَوَکَّلُوۡنَ ﴿۴۲﴾

016.042 Allatheena sabaroo waAAala rabbihim yatawakkaloona

zij die geduldig volharden en op hun Heer hun vertrouwen stellen.


وَ مَاۤ اَرۡسَلۡنَا مِنۡ قَبۡلِکَ اِلَّا رِجَالًا نُّوۡحِیۡۤ اِلَیۡہِمۡ فَسۡـَٔلُوۡۤا اَہۡلَ الذِّکۡرِ اِنۡ کُنۡتُمۡ لَا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿ۙ۴۳﴾

016.043 Wama arsalna min qablika illa rijalan noohee ilayhim fais-aloo ahla alththikri in kuntum la taAAlamoona

En Wij hebben voor jouw tijd slechts mannen uitgezonden aan wie Wij een openbaring gegeven hadden -- vraagt de mensen van de vermaning maar, als jullie het niet weten --


بِالۡبَیِّنٰتِ وَ الزُّبُرِ ؕ وَ اَنۡزَلۡنَاۤ اِلَیۡکَ الذِّکۡرَ لِتُبَیِّنَ لِلنَّاسِ مَا نُزِّلَ اِلَیۡہِمۡ وَ لَعَلَّہُمۡ یَتَفَکَّرُوۡنَ ﴿۴۴﴾

016.044 Bialbayyinati waalzzuburi waanzalna ilayka alththikra litubayyina lilnnasi ma nuzzila ilayhim walaAAallahum yatafakkaroona

met de duidelijke bewijzen en de Zoeboer. En Wij hebben tot jou de vermaning neergezonden opdat jij de mensen duidelijk maakt wat naar hen is neergezonden en misschien dat zij dan nadenken.


اَفَاَمِنَ الَّذِیۡنَ مَکَرُوا السَّیِّاٰتِ اَنۡ یَّخۡسِفَ اللّٰہُ بِہِمُ الۡاَرۡضَ اَوۡ یَاۡتِیَہُمُ الۡعَذَابُ مِنۡ حَیۡثُ لَا یَشۡعُرُوۡنَ ﴿ۙ۴۵﴾

016.045 Afaamina allatheena makaroo alssayyi-ati an yakhsifa Allahu bihimu al-arda aw ya/tiyahumu alAAathabu min haythu la yashAAuroona

Wanen zij die de slechte daden beramen zich er veilig voor dat Allah hen met de aarde laat wegzinken of dat de bestraffing tot hen komt vanwaar zij het niet beseffen?


اَوۡ یَاۡخُذَہُمۡ فِیۡ تَقَلُّبِہِمۡ فَمَا ہُمۡ بِمُعۡجِزِیۡنَ ﴿ۙ۴۶﴾

016.046 Aw ya/khuthahum fee taqallubihim fama hum bimuAAjizeena

Of dat Hij hen grijpt terwijl zij rondtrekken zonder dat zij er iets aan kunnen doen?


اَوۡ یَاۡخُذَہُمۡ عَلٰی تَخَوُّفٍ ؕ فَاِنَّ رَبَّکُمۡ لَرَءُوۡفٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۴۷﴾

016.047 Aw ya/khuthahum AAala takhawwufin fa-inna rabbakum laraoofun raheemun

Of dat Hij hen niet zal grijpen terwijl zij zich bang maken? Jullie Heer is vol mededogen en barmhartig.


اَوَ لَمۡ یَرَوۡا اِلٰی مَا خَلَقَ اللّٰہُ مِنۡ شَیۡءٍ یَّتَفَیَّؤُا ظِلٰلُہٗ عَنِ الۡیَمِیۡنِ وَ الشَّمَآئِلِ سُجَّدًا لِّلّٰہِ وَ ہُمۡ دٰخِرُوۡنَ ﴿۴۸﴾

016.048 Awa lam yaraw ila ma khalaqa Allahu min shay-in yatafayyao thilaluhu AAani alyameeni waalshshama-ili sujjadan lillahi wahum dakhiroona

Hebben zij dan niet gezien naar dingen die Allah geschapen heeft, die 's avonds hun schaduw naar rechts en naar links werpen terwijl zij zich eerbiedig in onderdanigheid voor Allah neerbuigen.


وَ لِلّٰہِ یَسۡجُدُ مَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ مَا فِی الۡاَرۡضِ مِنۡ دَآبَّۃٍ وَّ الۡمَلٰٓئِکَۃُ وَ ہُمۡ لَا یَسۡتَکۡبِرُوۡنَ ﴿۴۹﴾

016.049 Walillahi yasjudu ma fee alssamawati wama fee al-ardi min dabbatin waalmala-ikatu wahum la yastakbiroona

Voor Allah buigt zich eerbiedig neer wat er in de hemelen en wat er op de aarde is, dieren en ook de engelen. En zij zijn niet hoogmoedig.


یَخَافُوۡنَ رَبَّہُمۡ مِّنۡ فَوۡقِہِمۡ وَ یَفۡعَلُوۡنَ مَا یُؤۡمَرُوۡنَ ﴿٪ٛ۵۰﴾

016.050 Yakhafoona rabbahum min fawqihim wayafAAaloona ma yu/maroona

Zij vrezen hun Heer boven hen en zij doen wat hun bevolen wordt.?


وَ قَالَ اللّٰہُ لَا تَتَّخِذُوۡۤا اِلٰـہَیۡنِ اثۡنَیۡنِ ۚ اِنَّمَا ہُوَ اِلٰہٌ وَّاحِدٌ ۚ فَاِیَّایَ فَارۡہَبُوۡنِ ﴿۵۱﴾

016.051 Waqala Allahu la tattakhithoo ilahayni ithnayni innama huwa ilahun wahidun fa-iyyaya fairhabooni

En Allah heeft gezegd: "Neemt geen twee goden. Hij is slechts één god. Voor Mij moeten jullie dus beducht zijn."


وَ لَہٗ مَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ وَ لَہُ الدِّیۡنُ وَاصِبًا ؕ اَفَغَیۡرَ اللّٰہِ تَتَّقُوۡنَ ﴿۵۲﴾

016.052 Walahu ma fee alssamawati waal-ardi walahu alddeenu wasiban afaghayra Allahi tattaqoona

En van Hem is wat er in de hemelen is en wat er op de aarde is en Hem behoort de godsdienst voortdurend toe. Zullen jullie dan iemand anders dan Allah vrezen?


وَ مَا بِکُمۡ مِّنۡ نِّعۡمَۃٍ فَمِنَ اللّٰہِ ثُمَّ اِذَا مَسَّکُمُ الضُّرُّ فَاِلَیۡہِ تَجۡـَٔرُوۡنَ ﴿ۚ۵۳﴾

016.053 Wama bikum min niAAmatin famina Allahi thumma itha massakumu alddurru fa-ilayhi taj-aroona

En welke weldaad jullie ook toevalt, het komt van Allah. Wanneer jullie dan tegenspoed treft schreeuwen jullie tot Hem om hulp.


ثُمَّ اِذَا کَشَفَ الضُّرَّ عَنۡکُمۡ اِذَا فَرِیۡقٌ مِّنۡکُمۡ بِرَبِّہِمۡ یُشۡرِکُوۡنَ ﴿ۙ۵۴﴾

016.054 Thumma itha kashafa alddurra AAankum itha fareequn minkum birabbihim yushrikoona

Maar wanneer Hij dan de tegenspoed voor jullie opheft dan voegt een groep van jullie metgezellen aan hun Heer toe


لِیَکۡفُرُوۡا بِمَاۤ اٰتَیۡنٰہُمۡ ؕ فَتَمَتَّعُوۡا ۟ فَسَوۡفَ تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۵۵﴾

016.055 Liyakfuroo bima ataynahum fatamattaAAoo fasawfa taAAlamoona

om in hun ongeloof ondankbaar te zijn voor wat Wij hun gegeven hebben. Geniet maar; jullie zullen het weten.


وَ یَجۡعَلُوۡنَ لِمَا لَا یَعۡلَمُوۡنَ نَصِیۡبًا مِّمَّا رَزَقۡنٰہُمۡ ؕ تَاللّٰہِ لَتُسۡـَٔلُنَّ عَمَّا کُنۡتُمۡ تَفۡتَرُوۡنَ ﴿۵۶﴾

016.056 WayajAAaloona lima la yaAAlamoona naseeban mimma razaqnahum taAllahi latus-alunna AAamma kuntum taftaroona

En zij bestemmen voor wat zij niet kennen een aandeel van wat Wij hun voor hun levensonderhoud gegeven hebben. Bij Allah, jullie zullen ter verantwoording geroepen worden over wat jullie aan het verzinnen waren.


وَ یَجۡعَلُوۡنَ لِلّٰہِ الۡبَنٰتِ سُبۡحٰنَہٗ ۙ وَ لَہُمۡ مَّا یَشۡتَہُوۡنَ ﴿۵۷﴾

016.057 WayajAAaloona lillahi albanati subhanahu walahum ma yashtahoona

En zij kennen aan Allah dochters toe! Geprezen zij Hij! En zij zelf hebben wat zij begeren.


وَ اِذَا بُشِّرَ اَحَدُہُمۡ بِالۡاُنۡثٰی ظَلَّ وَجۡہُہٗ مُسۡوَدًّا وَّ ہُوَ کَظِیۡمٌ ﴿ۚ۵۸﴾

016.058 Wa-itha bushshira ahaduhum bialontha thalla wajhuhu muswaddan wahuwa katheemun

En wanneer een van hen het goede nieuws van een meisje krijgt, betrekt zijn gezicht en hij is vol ingehouden woede.


یَتَوَارٰی مِنَ الۡقَوۡمِ مِنۡ سُوۡٓءِ مَا بُشِّرَ بِہٖ ؕ اَیُمۡسِکُہٗ عَلٰی ہُوۡنٍ اَمۡ یَدُسُّہٗ فِی التُّرَابِ ؕ اَلَا سَآءَ مَا یَحۡکُمُوۡنَ ﴿۵۹﴾

016.059 Yatawara mina alqawmi min soo-i ma bushshira bihi ayumsikuhu AAala hoonin am yadussuhu fee altturabi ala saa ma yahkumoona

Hij verbergt zich voor de mensen wegens het slechte nieuws dat hij gekregen heeft. Zal hij het ondanks de schande behouden of zal hij het in de grond verstoppen? Is het niet slecht wat zij van oordeel zijn?


لِلَّذِیۡنَ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ بِالۡاٰخِرَۃِ مَثَلُ السَّوۡءِ ۚ وَ لِلّٰہِ الۡمَثَلُ الۡاَعۡلٰی ؕ وَ ہُوَ الۡعَزِیۡزُ الۡحَکِیۡمُ ﴿٪۶۰﴾

016.060 Lillatheena la yu/minoona bial-akhirati mathalu alssaw-i walillahi almathalu al-aAAla wahuwa alAAazeezu alhakeemu

Zij die niet in het hiernamaals geloven hebben het slechte voorbeeld, maar Allah komt het hoogste voorbeeld toe en Hij is de machtige, de wijze.


وَ لَوۡ یُؤَاخِذُ اللّٰہُ النَّاسَ بِظُلۡمِہِمۡ مَّا تَرَکَ عَلَیۡہَا مِنۡ دَآبَّۃٍ وَّ لٰکِنۡ یُّؤَخِّرُہُمۡ اِلٰۤی اَجَلٍ مُّسَمًّی ۚ فَاِذَا جَآءَ اَجَلُہُمۡ لَا یَسۡتَاۡخِرُوۡنَ سَاعَۃً وَّ لَا یَسۡتَقۡدِمُوۡنَ ﴿۶۱﴾

016.061 Walaw yu-akhithu Allahu alnnasa bithulmihim ma taraka AAalayha min dabbatin walakin yu-akhkhiruhum ila ajalin musamman fa-itha jaa ajaluhum la yasta/khiroona saAAatan wala yastaqdimoona

En als Allah de mensen het onrecht dat zij plegen zou aanrekenen, dan zou Hij op de [aarde] geen dier overlaten. Maar Hij geeft hun uitstel tot een vastgestelde termijn. En wanneer hun termijn dan komt, zullen zij geen uur te laat ontboden worden noch te vroeg.


وَ یَجۡعَلُوۡنَ لِلّٰہِ مَا یَکۡرَہُوۡنَ وَ تَصِفُ اَلۡسِنَتُہُمُ الۡکَذِبَ اَنَّ لَہُمُ الۡحُسۡنٰی ؕ لَا جَرَمَ اَنَّ لَہُمُ النَّارَ وَ اَنَّہُمۡ مُّفۡرَطُوۡنَ ﴿۶۲﴾

016.062 WayajAAaloona lillahi ma yakrahoona watasifu alsinatuhumu alkathiba anna lahumu alhusna la jarama anna lahumu alnnara waannahum mufratoona

Zij kennen aan Allah toe wat hun tegenstaat en hun tongen uiten de leugen dat er voor hen het mooiste is weggelegd. Het staat vast dat het vuur voor hen bestemd is en dat zij voortgedreven worden.


تَاللّٰہِ لَقَدۡ اَرۡسَلۡنَاۤ اِلٰۤی اُمَمٍ مِّنۡ قَبۡلِکَ فَزَیَّنَ لَہُمُ الشَّیۡطٰنُ اَعۡمَالَہُمۡ فَہُوَ وَلِیُّہُمُ الۡیَوۡمَ وَ لَہُمۡ عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿۶۳﴾

016.063 TaAllahi laqad arsalna ila omamin min qablika fazayyana lahumu alshshaytanu aAAmalahum fahuwa waliyyuhumu alyawma walahum AAathabun aleemun

Bij Allah, Wij hebben tot gemeenschappen voor jouw tijd gezanten gezonden, maar de satan maakte voor hen hun daden aantrekkelijk. Hij is dus vandaag hun beschermer en voor hen is er een pijnlijke bestraffing.


وَ مَاۤ اَنۡزَلۡنَا عَلَیۡکَ الۡکِتٰبَ اِلَّا لِتُبَیِّنَ لَہُمُ الَّذِی اخۡتَلَفُوۡا فِیۡہِ ۙ وَ ہُدًی وَّ رَحۡمَۃً لِّقَوۡمٍ یُّؤۡمِنُوۡنَ ﴿۶۴﴾

016.064 Wama anzalna AAalayka alkitaba illa litubayyina lahumu allathee ikhtalafoo feehi wahudan warahmatan liqawmin yu/minoona

En Wij hebben het boek slechts tot jou neergezonden opdat jij aan hen dat duidelijk maakt waarover zij het oneens waren en als een leidraad en barmhartigheid voor mensen die geloven.


وَ اللّٰہُ اَنۡزَلَ مِنَ السَّمَآءِ مَآءً فَاَحۡیَا بِہِ الۡاَرۡضَ بَعۡدَ مَوۡتِہَا ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیَۃً لِّقَوۡمٍ یَّسۡمَعُوۡنَ ﴿٪۶۵﴾

016.065 WaAllahu anzala mina alssama-i maan faahya bihi al-arda baAAda mawtiha inna fee thalika laayatan liqawmin yasmaAAoona

Allah laat uit de hemel water neerdalen om daarmee de aarde te doen herleven nadat zij dood was. Daarin is werkelijk een teken voor mensen die horen.


وَ اِنَّ لَکُمۡ فِی الۡاَنۡعَامِ لَعِبۡرَۃً ؕ نُسۡقِیۡکُمۡ مِّمَّا فِیۡ بُطُوۡنِہٖ مِنۡۢ بَیۡنِ فَرۡثٍ وَّ دَمٍ لَّبَنًا خَالِصًا سَآئِغًا لِّلشّٰرِبِیۡنَ ﴿۶۶﴾

016.066 Wa-inna lakum fee al-anAAami laAAibratan nusqeekum mimma fee butoonihi min bayni farthin wadamin labanan khalisan sa-ighan lilshsharibeena

In het vee is er voor jullie ook een les: van wat er in hun buiken tussen mest en bloed is, geven Wij jullie zuivere melk te drinken die de drinkers goed bekomt.


وَ مِنۡ ثَمَرٰتِ النَّخِیۡلِ وَ الۡاَعۡنَابِ تَتَّخِذُوۡنَ مِنۡہُ سَکَرًا وَّ رِزۡقًا حَسَنًا ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیَۃً لِّقَوۡمٍ یَّعۡقِلُوۡنَ ﴿۶۷﴾

016.067 Wamin thamarati alnnakheeli waal-aAAnabi tattakhithoona minhu sakaran warizqan hasanan inna fee thalika laayatan liqawmin yaAAqiloona

En van de vruchten van de palmen en de wijnstokken: jullie nemen ervan een bedwelmende drank en goede voeding. Daarin is zeker een teken voor mensen die verstandig zijn.


وَ اَوۡحٰی رَبُّکَ اِلَی النَّحۡلِ اَنِ اتَّخِذِیۡ مِنَ الۡجِبَالِ بُیُوۡتًا وَّ مِنَ الشَّجَرِ وَ مِمَّا یَعۡرِشُوۡنَ ﴿ۙ۶۸﴾

016.068 Waawha rabbuka ila alnnahli ani ittakhithee mina aljibali buyootan wamina alshshajari wamimma yaAArishoona

En jouw Heer heeft de bijen ingegeven: "Betrek behuizingen in de bergen, in de bomen en in wat zij [als dakconstructies] optrekken.


ثُمَّ کُلِیۡ مِنۡ کُلِّ الثَّمَرٰتِ فَاسۡلُکِیۡ سُبُلَ رَبِّکِ ذُلُلًا ؕ یَخۡرُجُ مِنۡۢ بُطُوۡنِہَا شَرَابٌ مُّخۡتَلِفٌ اَلۡوَانُہٗ فِیۡہِ شِفَآءٌ لِّلنَّاسِ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیَۃً لِّقَوۡمٍ یَّتَفَکَّرُوۡنَ ﴿۶۹﴾

016.069 Thumma kulee min kulli alththamarati faoslukee subula rabbiki thululan yakhruju min butooniha sharabun mukhtalifun alwanuhu feehi shifaon lilnnasi inna fee thalika laayatan liqawmin yatafakkaroona

Eet dan van alle vruchten en ga met gemak langs de wegen van jouw Heer." Uit hun buiken komt een drank van verschillende kleuren waarin genezing voor de mensen is. Daarin is zeker een teken voor mensen die nadenken.


وَ اللّٰہُ خَلَقَکُمۡ ثُمَّ یَتَوَفّٰىکُمۡ ۟ۙ وَ مِنۡکُمۡ مَّنۡ یُّرَدُّ اِلٰۤی اَرۡذَلِ الۡعُمُرِ لِکَیۡ لَا یَعۡلَمَ بَعۡدَ عِلۡمٍ شَیۡئًا ؕ اِنَّ اللّٰہَ عَلِیۡمٌ قَدِیۡرٌ ﴿٪۷۰﴾

016.070 WaAllahu khalaqakum thumma yatawaffakum waminkum man yuraddu ila arthali alAAumuri likay la yaAAlama baAAda AAilmin shay-an inna Allaha AAaleemun qadeerun

En Allah heeft jullie geschapen, daarna neemt Hij jullie weg. En er zijn er onder jullie die teruggebracht worden tot de meest vernederende leeftijd zodat zij na kennis gehad te hebben niets meer weten. Allah is wetend en vrijmachtig.


وَ اللّٰہُ فَضَّلَ بَعۡضَکُمۡ عَلٰی بَعۡضٍ فِی الرِّزۡقِ ۚ فَمَا الَّذِیۡنَ فُضِّلُوۡا بِرَآدِّیۡ رِزۡقِہِمۡ عَلٰی مَا مَلَکَتۡ اَیۡمَانُہُمۡ فَہُمۡ فِیۡہِ سَوَآءٌ ؕ اَفَبِنِعۡمَۃِ اللّٰہِ یَجۡحَدُوۡنَ ﴿۷۱﴾

016.071 WaAllahu faddala baAAdakum AAala baAAdin fee alrrizqi fama allatheena fuddiloo biraddee rizqihim AAala ma malakat aymanuhum fahum feehi sawaon afabiniAAmati Allahi yajhadoona

En Allah heeft sommigen van jullie boven anderen met levensbehoeften bevoorrecht, maar zij die bevoorrecht zijn geven hun levensbehoeften niet door aan slaven waarover zij beschikken zodat zij daarin dan gelijk zijn. Verwerpen zij dan Allah's genade?


وَ اللّٰہُ جَعَلَ لَکُمۡ مِّنۡ اَنۡفُسِکُمۡ اَزۡوَاجًا وَّ جَعَلَ لَکُمۡ مِّنۡ اَزۡوَاجِکُمۡ بَنِیۡنَ وَ حَفَدَۃً وَّ رَزَقَکُمۡ مِّنَ الطَّیِّبٰتِ ؕ اَفَبِالۡبَاطِلِ یُؤۡمِنُوۡنَ وَ بِنِعۡمَتِ اللّٰہِ ہُمۡ یَکۡفُرُوۡنَ ﴿ۙ۷۲﴾

016.072 WaAllahu jaAAala lakum min anfusikum azwajan wajaAAala lakum min azwajikum baneena wahafadatan warazaqakum mina alttayyibati afabialbatili yu/minoona wabiniAAmati Allahi hum yakfuroona

En Allah heeft voor jullie uit jullie eigen midden echtgenotes gemaakt en Hij heeft aan jullie uit jullie echtgenotes zonen en kleinzonen gegeven. En Hij heeft met goede dingen in jullie levensonderhoud voorzien. Geloven zij dan in de onzin terwijl zij aan Allah's genade geen geloof hechten?


وَ یَعۡبُدُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ مَا لَا یَمۡلِکُ لَہُمۡ رِزۡقًا مِّنَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ شَیۡئًا وَّ لَا یَسۡتَطِیۡعُوۡنَ ﴿ۚ۷۳﴾

016.073 WayaAAbudoona min dooni Allahi ma la yamliku lahum rizqan mina alssamawati waal-ardi shay-an wala yastateeAAoona

En zij dienen in plaats van Allah iets wat geen macht heeft om hen met iets uit de hemel en de aarde van levensbehoeften te voorzien. En zij zijn ook nergens toe in staat.


فَلَا تَضۡرِبُوۡا لِلّٰہِ الۡاَمۡثَالَ ؕ اِنَّ اللّٰہَ یَعۡلَمُ وَ اَنۡتُمۡ لَا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۷۴﴾

016.074 Fala tadriboo lillahi al-amthala inna Allaha yaAAlamu waantum la taAAlamoona

Maakt dus geen vergelijkingen met Allah. Allah weet en jullie weten niet. *


ضَرَبَ اللّٰہُ مَثَلًا عَبۡدًا مَّمۡلُوۡکًا لَّا یَقۡدِرُ عَلٰی شَیۡءٍ وَّ مَنۡ رَّزَقۡنٰہُ مِنَّا رِزۡقًا حَسَنًا فَہُوَ یُنۡفِقُ مِنۡہُ سِرًّا وَّ جَہۡرًا ؕ ہَلۡ یَسۡتَوٗنَ ؕ اَلۡحَمۡدُ لِلّٰہِ ؕ بَلۡ اَکۡثَرُہُمۡ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۷۵﴾

016.075 Daraba Allahu mathalan AAabdan mamlookan la yaqdiru AAala shay-in waman razaqnahu minna rizqan hasanan fahuwa yunfiqu minhu sirran wajahran hal yastawoona alhamdu lillahi bal aktharuhum la yaAAlamoona

Allah geeft een voorbeeld van een slaaf over wie beschikt wordt, die nergens macht over heeft en iemand in wiens levensbehoeften Wij van Onze kant goed voorzien en die er dan ook in het geheim en openbaar bijdragen van geeft, zijn die dan gelijk? Lof zij Allah! Integendeel, maar de meesten van hen weten het niet.


وَ ضَرَبَ اللّٰہُ مَثَلًا رَّجُلَیۡنِ اَحَدُہُمَاۤ اَبۡکَمُ لَا یَقۡدِرُ عَلٰی شَیۡءٍ وَّ ہُوَ کَلٌّ عَلٰی مَوۡلٰىہُ ۙ اَیۡنَمَا یُوَجِّہۡہُّ لَایَاۡتِ بِخَیۡرٍ ؕ ہَلۡ یَسۡتَوِیۡ ہُوَ ۙ وَ مَنۡ یَّاۡمُرُ بِالۡعَدۡلِ ۙ وَ ہُوَ عَلٰی صِرَاطٍ مُّسۡتَقِیۡمٍ ﴿٪۷۶﴾

016.076 Wadaraba Allahu mathalan rajulayni ahaduhuma abkamu la yaqdiru AAala shay-in wahuwa kallun AAala mawlahu aynama yuwajjihhu la ya/ti bikhayrin hal yastawee huwa waman ya/muru bialAAadli wahuwa AAala siratin mustaqeemin

Ook geeft Allah een voorbeeld van twee mannen. Een van beiden is stom en heeft nergens macht over en hij is een last voor zijn beschermheer, waar hij hem ook heen stuurt, hij komt met niets goeds. Is die dan gelijk aan iemand die gebiedt rechtvaardig te handelen en die op een juiste weg is?


وَ لِلّٰہِ غَیۡبُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ وَ مَاۤ اَمۡرُ السَّاعَۃِ اِلَّا کَلَمۡحِ الۡبَصَرِ اَوۡ ہُوَ اَقۡرَبُ ؕ اِنَّ اللّٰہَ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرٌ ﴿۷۷﴾

016.077 Walillahi ghaybu alssamawati waal-ardi wama amru alssaAAati illa kalamhi albasari aw huwa aqrabu inna Allaha AAala kulli shay-in qadeerun

En van Allah is het verborgene van de hemelen en de aarde. En de beschikking van het uur is slechts een oogwenk of het is nog korter. Allah is almachtig.


وَ اللّٰہُ اَخۡرَجَکُمۡ مِّنۡۢ بُطُوۡنِ اُمَّہٰتِکُمۡ لَا تَعۡلَمُوۡنَ شَیۡئًا ۙ وَّ جَعَلَ لَکُمُ السَّمۡعَ وَ الۡاَبۡصَارَ وَ الۡاَفۡـِٕدَۃَ ۙ لَعَلَّکُمۡ تَشۡکُرُوۡنَ ﴿۷۸﴾

016.078 WaAllahu akhrajakum min butooni ommahatikum la taAAlamoona shay-an wajaAAala lakumu alssamAAa waal-absara waal-af-idata laAAallakum tashkuroona

En Allah heeft jullie terwijl jullie niets wisten uit de buiken van jullie moeders voortgebracht. Ook heeft Hij aan jullie gehoor, gezichtsvermogen en harten gegeven; misschien zullen jullie dank betuigen.


اَلَمۡ یَرَوۡا اِلَی الطَّیۡرِ مُسَخَّرٰتٍ فِیۡ جَوِّ السَّمَآءِ ؕ مَا یُمۡسِکُہُنَّ اِلَّا اللّٰہُ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیٰتٍ لِّقَوۡمٍ یُّؤۡمِنُوۡنَ ﴿۷۹﴾

016.079 Alam yaraw ila alttayri musakhkharatin fee jawwi alssama-i ma yumsikuhunna illa Allahu inna fee thalika laayatin liqawmin yu/minoona

Hebben zij niet gezien naar de vogels die in de lucht van de hemel voortgedreven worden. Alleen Allah houdt ze vast. Daarin zijn zeker tekenen voor mensen die geloven.


وَ اللّٰہُ جَعَلَ لَکُمۡ مِّنۡۢ بُیُوۡتِکُمۡ سَکَنًا وَّ جَعَلَ لَکُمۡ مِّنۡ جُلُوۡدِ الۡاَنۡعَامِ بُیُوۡتًا تَسۡتَخِفُّوۡنَہَا یَوۡمَ ظَعۡنِکُمۡ وَ یَوۡمَ اِقَامَتِکُمۡ ۙ وَ مِنۡ اَصۡوَافِہَا وَ اَوۡبَارِہَا وَ اَشۡعَارِہَاۤ اَثَاثًا وَّ مَتَاعًا اِلٰی حِیۡنٍ ﴿۸۰﴾

016.080 WaAllahu jaAAala lakum min buyootikum sakanan wajaAAala lakum min juloodi al-anAAami buyootan tastakhiffoonaha yawma thaAAnikum wayawma iqamatikum wamin aswafiha waawbariha waashAAariha athathan wamataAAan ila heenin

En Allah heeft voor jullie van jullie huizen een plaats om te rusten gemaakt en Hij heeft voor jullie van de huiden van het vee huizen gemaakt die jullie licht om te dragen vinden op de dag dat jullie je verplaatsen en op de dag dat jullie je vestigen, en van hun wol, hun vacht en hun haar huisraad en tijdelijk vruchtgebruik.


وَ اللّٰہُ جَعَلَ لَکُمۡ مِّمَّا خَلَقَ ظِلٰلًا وَّ جَعَلَ لَکُمۡ مِّنَ الۡجِبَالِ اَکۡنَانًا وَّ جَعَلَ لَکُمۡ سَرَابِیۡلَ تَقِیۡکُمُ الۡحَرَّ وَ سَرَابِیۡلَ تَقِیۡکُمۡ بَاۡسَکُمۡ ؕ کَذٰلِکَ یُتِمُّ نِعۡمَتَہٗ عَلَیۡکُمۡ لَعَلَّکُمۡ تُسۡلِمُوۡنَ ﴿۸۱﴾

016.081 WaAllahu jaAAala lakum mimma khalaqa thilalan wajaAAala lakum mina aljibali aknanan wajaAAala lakum sarabeela taqeekumu alharra wasarabeela taqeekum ba/sakum kathalika yutimmu niAAmatahu AAalaykum laAAallakum tuslimoona

En Allah heeft voor jullie uit wat Hij geschapen heeft schaduwen gemaakt, Hij heeft voor jullie in de bergen onderkomens gemaakt en Hij heeft voor jullie kledingstukken gemaakt die jullie tegen de hitte beschermen en kledingstukken die jullie tegen jullie gewelddadigheid beschermen. Zo bewijst Hij zijn genade aan jullie volledig; misschien zullen jullie je [aan Allah] overgeven.


فَاِنۡ تَوَلَّوۡا فَاِنَّمَا عَلَیۡکَ الۡبَلٰغُ الۡمُبِیۡنُ ﴿۸۲﴾

016.082 Fa-in tawallaw fa-innama AAalayka albalaghu almubeenu

Maar als zij zich afkeren, dan heb jij slechts de plicht van de verkondiging.


یَعۡرِفُوۡنَ نِعۡمَتَ اللّٰہِ ثُمَّ یُنۡکِرُوۡنَہَا وَ اَکۡثَرُہُمُ الۡکٰفِرُوۡنَ ﴿٪۸۳﴾

016.083 YaAArifoona niAAmata Allahi thumma yunkiroonaha waaktharuhumu alkafiroona

Zij kennen Allah's genade en dan ontkennen zij die; de meesten van hen zijn immers ongelovigen.


وَ یَوۡمَ نَبۡعَثُ مِنۡ کُلِّ اُمَّۃٍ شَہِیۡدًا ثُمَّ لَا یُؤۡذَنُ لِلَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا وَ لَا ہُمۡ یُسۡتَعۡتَبُوۡنَ ﴿۸۴﴾

016.084 Wayawma nabAAathu min kulli ommatin shaheedan thumma la yu/thanu lillatheena kafaroo wala hum yustaAAtaboona

En op de dag dat Wij van iedere gemeenschap een getuige laten opstaan. Dan zal aan hen die ongelovig zijn geen gehoor gegeven worden en zij zullen geen kans meer krijgen om het goed te maken.


وَ اِذَا رَاَ الَّذِیۡنَ ظَلَمُوا الۡعَذَابَ فَلَا یُخَفَّفُ عَنۡہُمۡ وَ لَا ہُمۡ یُنۡظَرُوۡنَ ﴿۸۵﴾

016.085 Wa-itha raa allatheena thalamoo alAAathaba fala yukhaffafu AAanhum wala hum yuntharoona

En wanneer zij die onrecht plegen de bestraffing zien, dan krijgen zij geen strafverlichting en ook geen uitstel.


وَ اِذَا رَاَ الَّذِیۡنَ اَشۡرَکُوۡا شُرَکَآءَہُمۡ قَالُوۡا رَبَّنَا ہٰۤؤُلَآءِ شُرَکَآؤُنَا الَّذِیۡنَ کُنَّا نَدۡعُوۡا مِنۡ دُوۡنِکَ ۚ فَاَلۡقَوۡا اِلَیۡہِمُ الۡقَوۡلَ اِنَّکُمۡ لَکٰذِبُوۡنَ ﴿ۚ۸۶﴾

016.086 Wa-itha raa allatheena ashrakoo shurakaahum qaloo rabbana haola-i shurakaona allatheena kunna nadAAoo min doonika faalqaw ilayhimu alqawla innakum lakathiboona

En wanneer de aanhangers van het veelgodendom hun [zogenaamd goddelijke] metgezellen zien, dan zeggen zij: "Onze Heer dit zijn nu onze [zogenaamd goddelijke] metgezellen die wij in plaats van U aangeroepen hebben." Maar zij zullen tot hen terugzeggen: "Jullie zijn leugenaars."


وَ اَلۡقَوۡا اِلَی اللّٰہِ یَوۡمَئِذِۣ السَّلَمَ وَ ضَلَّ عَنۡہُمۡ مَّا کَانُوۡا یَفۡتَرُوۡنَ ﴿۸۷﴾

016.087 Waalqaw ila Allahi yawma-ithin alssalama wadalla AAanhum ma kanoo yaftaroona

En zij zullen op die dag Allah vrede aanbieden en wat ze verzonnen hebben zijn zij kwijtgeraakt.


اَلَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا وَ صَدُّوۡا عَنۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ زِدۡنٰہُمۡ عَذَابًا فَوۡقَ الۡعَذَابِ بِمَا کَانُوۡا یُفۡسِدُوۡنَ ﴿۸۸﴾

016.088 Allatheena kafaroo wasaddoo AAan sabeeli Allahi zidnahum AAathaban fawqa alAAathabi bima kanoo yufsidoona

Zij die ongelovig zijn en die Allah's weg versperren, hun zullen Wij boven op de bestraffing nog strafverzwaring geven omdat zij verderf zaaiden.


وَ یَوۡمَ نَبۡعَثُ فِیۡ کُلِّ اُمَّۃٍ شَہِیۡدًا عَلَیۡہِمۡ مِّنۡ اَنۡفُسِہِمۡ وَ جِئۡنَا بِکَ شَہِیۡدًا عَلٰی ہٰۤؤُلَآءِ ؕ وَ نَزَّلۡنَا عَلَیۡکَ الۡکِتٰبَ تِبۡیَانًا لِّکُلِّ شَیۡءٍ وَّ ہُدًی وَّ رَحۡمَۃً وَّ بُشۡرٰی لِلۡمُسۡلِمِیۡنَ ﴿٪۸۹﴾

016.089 Wayawma nabAAathu fee kulli ommatin shaheedan AAalayhim min anfusihim waji/na bika shaheedan AAala haola-i wanazzalna AAalayka alkitaba tibyanan likulli shay-in wahudan warahmatan wabushra lilmuslimeena

En op de dag dat Wij in iedere gemeenschap uit hun eigen midden een getuige tegen hen laten opstaan. En jou laten Wij als getuige komen tegen dezen hier. En tot jou hebben Wij het boek neergezonden als een verduidelijking van alles en als leidraad en barmhartigheid en goed nieuws voor hen die zich [aan Allah] overgeven.


اِنَّ اللّٰہَ یَاۡمُرُ بِالۡعَدۡلِ وَ الۡاِحۡسَانِ وَ اِیۡتَآیِٔ ذِی الۡقُرۡبٰی وَ یَنۡہٰی عَنِ الۡفَحۡشَآءِ وَ الۡمُنۡکَرِ وَ الۡبَغۡیِ ۚ یَعِظُکُمۡ لَعَلَّکُمۡ تَذَکَّرُوۡنَ ﴿۹۰﴾

016.090 Inna Allaha ya/muru bialAAadli waal-ihsani wa-eeta-i thee alqurba wayanha AAani alfahsha-i waalmunkari waalbaghyi yaAAithukum laAAallakum tathakkaroona

Allah gebiedt rechtvaardig te handelen, goed te doen en aan de verwanten giften te geven en Hij verbiedt wat gruwelijk, verwerpelijk en gewelddadig is. Hij spoort jullie aan; misschien laten jullie je vermanen.


وَ اَوۡفُوۡا بِعَہۡدِ اللّٰہِ اِذَا عٰہَدۡتُّمۡ وَ لَا تَنۡقُضُوا الۡاَیۡمَانَ بَعۡدَ تَوۡکِیۡدِہَا وَ قَدۡ جَعَلۡتُمُ اللّٰہَ عَلَیۡکُمۡ کَفِیۡلًا ؕ اِنَّ اللّٰہَ یَعۡلَمُ مَا تَفۡعَلُوۡنَ ﴿۹۱﴾

016.091 Waawfoo biAAahdi Allahi itha AAahadtum wala tanqudoo al-aymana baAAda tawkeediha waqad jaAAaltumu Allaha AAalaykum kafeelan inna Allaha yaAAlamu ma tafAAaloona

Komt Allah's verbintenis na wanneer jullie een verbintenis aangaan en verbreekt de eden niet na de bekrachtiging ervan, want jullie hebben toch Allah tot borg tegen jullie gemaakt. Allah weet wat jullie doen.


وَ لَا تَکُوۡنُوۡا کَالَّتِیۡ نَقَضَتۡ غَزۡلَہَا مِنۡۢ بَعۡدِ قُوَّۃٍ اَنۡکَاثًا ؕ تَتَّخِذُوۡنَ اَیۡمَانَکُمۡ دَخَلًۢا بَیۡنَکُمۡ اَنۡ تَکُوۡنَ اُمَّۃٌ ہِیَ اَرۡبٰی مِنۡ اُمَّۃٍ ؕ اِنَّمَا یَبۡلُوۡکُمُ اللّٰہُ بِہٖ ؕ وَ لَیُبَیِّنَنَّ لَکُمۡ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ مَا کُنۡتُمۡ فِیۡہِ تَخۡتَلِفُوۡنَ ﴿۹۲﴾

016.092 Wala takoonoo kaallatee naqadat ghazlaha min baAAdi quwwatin ankathan tattakhithoona aymanakum dakhalan baynakum an takoona ommatun hiya arba min ommatin innama yablookumu Allahu bihi walayubayyinanna lakum yawma alqiyamati ma kuntum feehi takhtalifoona

En weest niet als zij die haar garen na het stevig gesponnen te hebben weer opsplitst door jullie eden voor onderlinge arglistigheid te gebruiken omdat de ene gemeenschap talrijker is dan de andere gemeenschap. Allah stelt jullie daarmee slechts op de proef en op de opstandingsdag zal Hij jullie duidelijk maken waarover jullie het oneens waren.


وَ لَوۡ شَآءَ اللّٰہُ لَجَعَلَکُمۡ اُمَّۃً وَّاحِدَۃً وَّ لٰکِنۡ یُّضِلُّ مَنۡ یَّشَآءُ وَ یَہۡدِیۡ مَنۡ یَّشَآءُ ؕ وَ لَتُسۡـَٔلُنَّ عَمَّا کُنۡتُمۡ تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۹۳﴾

016.093 Walaw shaa Allahu lajaAAalakum ommatan wahidatan walakin yudillu man yashao wayahdee man yashao walatus-alunna AAamma kuntum taAAmaloona

En als Allah het gewild had dan zou Hij jullie tot één gemeenschap gemaakt hebben, maar Hij brengt tot dwaling wie Hij wil en Hij brengt op het goede pad wie Hij wil en jullie zullen ter verantwoording geroepen worden over wat jullie aan het doen waren.


وَ لَا تَتَّخِذُوۡۤا اَیۡمَانَکُمۡ دَخَلًۢا بَیۡنَکُمۡ فَتَزِلَّ قَدَمٌۢ بَعۡدَ ثُبُوۡتِہَا وَ تَذُوۡقُوا السُّوۡٓءَ بِمَا صَدَدۡتُّمۡ عَنۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ ۚ وَ لَکُمۡ عَذَابٌ عَظِیۡمٌ ﴿۹۴﴾

016.094 Wala tattakhithoo aymanakum dakhalan baynakum fatazilla qadamun baAAda thubootiha watathooqoo alssoo-a bima sadadtum AAan sabeeli Allahi walakum AAathabun AAatheemun

En gebruik jullie eden niet voor onderlinge arglistigheid, want dan glijdt een voet na stevig gestaan te hebben uit en proeven jullie het kwade omdat jullie Allah's weg versperden en is er voor jullie een pijnlijke bestraffing.


وَ لَا تَشۡتَرُوۡا بِعَہۡدِ اللّٰہِ ثَمَنًا قَلِیۡلًا ؕ اِنَّمَا عِنۡدَ اللّٰہِ ہُوَ خَیۡرٌ لَّکُمۡ اِنۡ کُنۡتُمۡ تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۹۵﴾

016.095 Wala tashtaroo biAAahdi Allahi thamanan qaleelan innama AAinda Allahi huwa khayrun lakum in kuntum taAAlamoona

Verkwanselt Allah's verbintenis niet; wat Allah heeft is beter voor jullie, als jullie dat maar wisten.


مَا عِنۡدَکُمۡ یَنۡفَدُ وَ مَا عِنۡدَ اللّٰہِ بَاقٍ ؕ وَ لَنَجۡزِیَنَّ الَّذِیۡنَ صَبَرُوۡۤا اَجۡرَہُمۡ بِاَحۡسَنِ مَا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۹۶﴾

016.096 Ma AAindakum yanfadu wama AAinda Allahi baqin walanajziyanna allatheena sabaroo ajrahum bi-ahsani ma kanoo yaAAmaloona

Wat jullie hebben vergaat, maar wat Allah heeft blijft. En Wij zullen hen die geduldig volharden met hun loon belonen voor het beste dat zij deden.


مَنۡ عَمِلَ صَالِحًا مِّنۡ ذَکَرٍ اَوۡ اُنۡثٰی وَ ہُوَ مُؤۡمِنٌ فَلَنُحۡیِیَنَّہٗ حَیٰوۃً طَیِّبَۃً ۚ وَ لَنَجۡزِیَنَّہُمۡ اَجۡرَہُمۡ بِاَحۡسَنِ مَا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۹۷﴾

016.097 Man AAamila salihan min thakarin aw ontha wahuwa mu/minun falanuhyiyannahu hayatan tayyibatan walanajziyannahum ajrahum bi-ahsani ma kanoo yaAAmaloona

Wie -- hetzij man of vrouw -- deugdelijk handelt als gelovige, die zullen Wij een goed leven laten leiden en Wij zullen hen met hun loon belonen voor het beste dat zij deden.


فَاِذَا قَرَاۡتَ الۡقُرۡاٰنَ فَاسۡتَعِذۡ بِاللّٰہِ مِنَ الشَّیۡطٰنِ الرَّجِیۡمِ ﴿۹۸﴾

016.098 Fa-itha qara/ta alqur-ana faistaAAith biAllahi mina alshshaytani alrrajeemi

En wanneer jij de Koran voorleest, vraag Allah dan om bescherming tegen de vervloekte satan.


اِنَّہٗ لَیۡسَ لَہٗ سُلۡطٰنٌ عَلَی الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَلٰی رَبِّہِمۡ یَتَوَکَّلُوۡنَ ﴿۹۹﴾

016.099 Innahu laysa lahu sultanun AAala allatheena amanoo waAAala rabbihim yatawakkaloona

Hij heeft geen gezag over hen die geloven en die op hun Heer hun vertrouwen stellen.


اِنَّمَا سُلۡطٰنُہٗ عَلَی الَّذِیۡنَ یَتَوَلَّوۡنَہٗ وَ الَّذِیۡنَ ہُمۡ بِہٖ مُشۡرِکُوۡنَ ﴿۱۰۰﴾٪

016.100 Innama sultanuhu AAala allatheena yatawallawnahu waallatheena hum bihi mushrikoona

Gezag heeft hij over hen die hem als beschermheer nemen en die Hem metgezellen toeschrijven.


وَ اِذَا بَدَّلۡنَاۤ اٰیَۃً مَّکَانَ اٰیَۃٍ ۙ وَّ اللّٰہُ اَعۡلَمُ بِمَا یُنَزِّلُ قَالُوۡۤا اِنَّمَاۤ اَنۡتَ مُفۡتَرٍ ؕ بَلۡ اَکۡثَرُہُمۡ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۱۰۱﴾

016.101 Wa-itha baddalna ayatan makana ayatin waAllahu aAAlamu bima yunazzilu qaloo innama anta muftarin bal aktharuhum la yaAAlamoona

En wanneer Wij een teken vervangen [door het] in de plaats van een ander teken [te geven] -- Allah weet het best wat Hij neerzendt -- dan zeggen zij: "Jij verzint maar wat." Integendeel, maar de meesten van hen weten het niet.


قُلۡ نَزَّلَہٗ رُوۡحُ الۡقُدُسِ مِنۡ رَّبِّکَ بِالۡحَقِّ لِیُـثَبِّتَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ ہُدًی وَّ بُشۡرٰی لِلۡمُسۡلِمِیۡنَ ﴿۱۰۲﴾

016.102 Qul nazzalahu roohu alqudusi min rabbika bialhaqqi liyuthabbita allatheena amanoo wahudan wabushra lilmuslimeena

Zeg: "De heilige geest zond het van jouw Heer vandaan met de waarheid neer om hen die geloven te sterken en als leidraad en goed nieuws voor hen die zich [aan Allah] overgeven."


وَ لَقَدۡ نَعۡلَمُ اَنَّہُمۡ یَقُوۡلُوۡنَ اِنَّمَا یُعَلِّمُہٗ بَشَرٌ ؕ لِسَانُ الَّذِیۡ یُلۡحِدُوۡنَ اِلَیۡہِ اَعۡجَمِیٌّ وَّ ہٰذَا لِسَانٌ عَرَبِیٌّ مُّبِیۡنٌ ﴿۱۰۳﴾

016.103 Walaqad naAAlamu annahum yaqooloona innama yuAAallimuhu basharun lisanu allathee yulhidoona ilayhi aAAjamiyyun wahatha lisanun AAarabiyyun mubeenun

Wij weten wel dat zij zeggen: "Het is slechts een mens die hem onderwijst." De taal van hem op wie zij abusievelijk doelen is vreemd, maar dit is duidelijke Arabische taal.


اِنَّ الَّذِیۡنَ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ بِاٰیٰتِ اللّٰہِ ۙ لَا یَہۡدِیۡہِمُ اللّٰہُ وَ لَہُمۡ عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿۱۰۴﴾

016.104 Inna allatheena la yu/minoona bi-ayati Allahi la yahdeehimu Allahu walahum AAathabun aleemun

Zij die niet in Allah's tekenen geloven zal Allah niet op het goede pad brengen. En voor hen is er een pijnlijke bestraffing.


اِنَّمَا یَفۡتَرِی الۡکَذِبَ الَّذِیۡنَ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ بِاٰیٰتِ اللّٰہِ ۚ وَ اُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡکٰذِبُوۡنَ ﴿۱۰۵﴾

016.105 Innama yaftaree alkathiba allatheena la yu/minoona bi-ayati Allahi waola-ika humu alkathiboona

Slechts leugen verzinnen zij die niet in Allah's tekenen geloven; dat zijn de leugenaars.


مَنۡ کَفَرَ بِاللّٰہِ مِنۡۢ بَعۡدِ اِیۡمَانِہٖۤ اِلَّا مَنۡ اُکۡرِہَ وَ قَلۡبُہٗ مُطۡمَئِنٌّۢ بِالۡاِیۡمَانِ وَ لٰکِنۡ مَّنۡ شَرَحَ بِالۡکُفۡرِ صَدۡرًا فَعَلَیۡہِمۡ غَضَبٌ مِّنَ اللّٰہِ ۚ وَ لَہُمۡ عَذَابٌ عَظِیۡمٌ ﴿۱۰۶﴾

016.106 Man kafara biAllahi min baAAdi eemanihi illa man okriha waqalbuhu mutma-innun bial-eemani walakin man sharaha bialkufri sadran faAAalayhim ghadabun mina Allahi walahum AAathabun AAatheemun

Wie na geloofd te hebben aan Allah geen geloof meer hecht -- en dan niet wie gedwongen is, terwijl zijn hart in het geloof rust gevonden heeft, maar zij die hun hart voor het ongeloof openstellen -- op hen rust Allah's toorn en voor hen is er een geweldige bestraffing.


ذٰلِکَ بِاَنَّہُمُ اسۡتَحَبُّوا الۡحَیٰوۃَ الدُّنۡیَا عَلَی الۡاٰخِرَۃِ ۙ وَ اَنَّ اللّٰہَ لَا یَہۡدِی الۡقَوۡمَ الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۱۰۷﴾

016.107 Thalika bi-annahumu istahabboo alhayata alddunya AAala al-akhirati waanna Allaha la yahdee alqawma alkafireena

Dat komt omdat zij het tegenwoordige leven meer liefhebben dan het hiernamaals en omdat Allah de ongelovige mensen niet op het goede pad brengt.


اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ طَبَعَ اللّٰہُ عَلٰی قُلُوۡبِہِمۡ وَ سَمۡعِہِمۡ وَ اَبۡصَارِہِمۡ ۚ وَ اُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡغٰفِلُوۡنَ ﴿۱۰۸﴾

016.108 Ola-ika allatheena tabaAAa Allahu AAala quloobihim wasamAAihim waabsarihim waola-ika humu alghafiloona

Zij zijn het van wie Allah de harten en het gehoor en de ogen verzegeld heeft. Zij zijn het die onoplettend zijn.


لَاجَرَمَ اَنَّہُمۡ فِی الۡاٰخِرَۃِ ہُمُ الۡخٰسِرُوۡنَ ﴿۱۰۹﴾

016.109 La jarama annahum fee al-akhirati humu alkhasiroona

Het staat vast dat zij in het hiernamaals de verliezers zijn.


ثُمَّ اِنَّ رَبَّکَ لِلَّذِیۡنَ ہَاجَرُوۡا مِنۡۢ بَعۡدِ مَا فُتِنُوۡا ثُمَّ جٰہَدُوۡا وَ صَبَرُوۡۤا ۙ اِنَّ رَبَّکَ مِنۡۢ بَعۡدِہَا لَغَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۱۱۰﴾٪

016.110 Thumma inna rabbaka lillatheena hajaroo min baAAdi ma futinoo thumma jahadoo wasabaroo inna rabbaka min baAAdiha laghafoorun raheemun

Voorts is jouw Heer voor hen die zijn uitgeweken nadat zij in verzoeking gebracht zijn en die zich dan te weer hebben gesteld en geduldig hebben volhard -- voor hen is jouw Heer tenslotte toch vergevend en barmhartig. *


یَوۡمَ تَاۡتِیۡ کُلُّ نَفۡسٍ تُجَادِلُ عَنۡ نَّفۡسِہَا وَ تُوَفّٰی کُلُّ نَفۡسٍ مَّا عَمِلَتۡ وَ ہُمۡ لَا یُظۡلَمُوۡنَ ﴿۱۱۱﴾

016.111 Yawma ta/tee kullu nafsin tujadilu AAan nafsiha watuwaffa kullu nafsin ma AAamilat wahum la yuthlamoona

Op de dag dat elke ziel komt om voor zichzelf op te komen en aan elke ziel vergoed wordt wat zij gedaan heeft. En hun zal geen onrecht worden aangedaan.


وَ ضَرَبَ اللّٰہُ مَثَلًا قَرۡیَۃً کَانَتۡ اٰمِنَۃً مُّطۡمَئِنَّۃً یَّاۡتِیۡہَا رِزۡقُہَا رَغَدًا مِّنۡ کُلِّ مَکَانٍ فَکَفَرَتۡ بِاَنۡعُمِ اللّٰہِ فَاَذَاقَہَا اللّٰہُ لِبَاسَ الۡجُوۡعِ وَ الۡخَوۡفِ بِمَا کَانُوۡا یَصۡنَعُوۡنَ ﴿۱۱۲﴾

016.112 Wadaraba Allahu mathalan qaryatan kanat aminatan mutma-innatan ya/teeha rizquha raghadan min kulli makanin fakafarat bi-anAAumi Allahi faathaqaha Allahu libasa aljooAAi waalkhawfi bima kanoo yasnaAAoona

Allah heeft een voorbeeld gegeven met een stad die in veiligheid en gerustheid verkeerde. Haar levensonderhoud kwam van elke kant tot haar in overvloed, maar zij was ongelovig aan Allah's gunsten. En Allah liet hen het kleed van honger en vrees voelen voor wat zij aan het doen waren.


وَ لَقَدۡ جَآءَہُمۡ رَسُوۡلٌ مِّنۡہُمۡ فَکَذَّبُوۡہُ فَاَخَذَہُمُ الۡعَذَابُ وَ ہُمۡ ظٰلِمُوۡنَ ﴿۱۱۳﴾

016.113 Walaqad jaahum rasoolun minhum fakaththaboohu faakhathahumu alAAathabu wahum thalimoona

En er kwam tot hen een gezant uit hun midden, maar zij betichtten hem van leugens. Dus greep de bestraffing hen terwijl zij onrecht pleegden.


فَکُلُوۡا مِمَّا رَزَقَکُمُ اللّٰہُ حَلٰلًا طَیِّبًا ۪ وَّ اشۡکُرُوۡا نِعۡمَتَ اللّٰہِ اِنۡ کُنۡتُمۡ اِیَّاہُ تَعۡبُدُوۡنَ ﴿۱۱۴﴾

016.114 Fakuloo mimma razaqakumu Allahu halalan tayyiban waoshkuroo niAAmata Allahi in kuntum iyyahu taAAbudoona

Eet dan van wat Allah jullie als levensonderhoud gegeven heeft als iets wat toegestaan en goed is en betuigt dank voor Allah's genade, als Hij het is die jullie dienen.


اِنَّمَا حَرَّمَ عَلَیۡکُمُ الۡمَیۡتَۃَ وَ الدَّمَ وَ لَحۡمَ الۡخِنۡزِیۡرِ وَ مَاۤ اُہِلَّ لِغَیۡرِ اللّٰہِ بِہٖ ۚ فَمَنِ اضۡطُرَّ غَیۡرَ بَاغٍ وَّ لَا عَادٍ فَاِنَّ اللّٰہَ غَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۱۱۵﴾

016.115 Innama harrama AAalaykumu almaytata waalddama walahma alkhinzeeri wama ohilla lighayri Allahi bihi famani idturra ghayra baghin wala AAadin fa-inna Allaha ghafoorun raheemun

Hij heeft voor jullie slechts verboden wat vanzelf is doodgegaan, bloed, varkensvlees en vlees van iets waarover iets anders dan Allah is aangeroepen, maar wie ertoe gedwongen wordt, niet uit begeerte of om te overtreden, Allah is vergevend en barmhartig.


وَ لَا تَقُوۡلُوۡا لِمَا تَصِفُ اَلۡسِنَتُکُمُ الۡکَذِبَ ہٰذَا حَلٰلٌ وَّ ہٰذَا حَرَامٌ لِّتَفۡتَرُوۡا عَلَی اللّٰہِ الۡکَذِبَ ؕ اِنَّ الَّذِیۡنَ یَفۡتَرُوۡنَ عَلَی اللّٰہِ الۡکَذِبَ لَا یُفۡلِحُوۡنَ ﴿۱۱۶﴾ؕ

016.116 Wala taqooloo lima tasifu alsinatukumu alkathiba hatha halalun wahatha haramun litaftaroo AAala Allahi alkathiba inna allatheena yaftaroona AAala Allahi alkathiba la yuflihoona

En zegt niet van iets waarover jullie tongen bedrog uiten: "Dit is toegestaan en dit is verboden" om over Allah bedrog te verzinnen. Zij die over Allah bedrog verzinnen, hun zal het niet welgaan.


مَتَاعٌ قَلِیۡلٌ ۪ وَّ لَہُمۡ عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿۱۱۷﴾

016.117 MataAAun qaleelun walahum AAathabun aleemun

En kort genot. En voor hen is er een pijnlijke bestraffing.


وَ عَلَی الَّذِیۡنَ ہَادُوۡا حَرَّمۡنَا مَا قَصَصۡنَا عَلَیۡکَ مِنۡ قَبۡلُ ۚ وَ مَا ظَلَمۡنٰہُمۡ وَ لٰکِنۡ کَانُوۡۤا اَنۡفُسَہُمۡ یَظۡلِمُوۡنَ ﴿۱۱۸﴾

016.118 WaAAala allatheena hadoo harramna ma qasasna AAalayka min qablu wama thalamnahum walakin kanoo anfusahum yathlimoona

Aan hen die het jodendom aanhangen hebben Wij verboden wat Wij jou al eerder verteld hebben. Wij hebben hun geen onrecht aangedaan, maar zij hebben zichzelf onrecht aangedaan.


ثُمَّ اِنَّ رَبَّکَ لِلَّذِیۡنَ عَمِلُوا السُّوۡٓءَ بِجَہَالَۃٍ ثُمَّ تَابُوۡا مِنۡۢ بَعۡدِ ذٰلِکَ وَ اَصۡلَحُوۡۤا ۙ اِنَّ رَبَّکَ مِنۡۢ بَعۡدِہَا لَغَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۱۱۹﴾٪

016.119 Thumma inna rabbaka lillatheena AAamiloo alssoo-a bijahalatin thumma taboo min baAAdi thalika waaslahoo inna rabbaka min baAAdiha laghafoorun raheemun

Voorts is jouw Heer voor hen die het verkeerde uit onwetendheid doen en dan daarna berouw tonen en het weer goedmaken, jouw Heer is daarna zeker vergevend en barmhartig.


اِنَّ اِبۡرٰہِیۡمَ کَانَ اُمَّۃً قَانِتًا لِّلّٰہِ حَنِیۡفًا ؕ وَ لَمۡ یَکُ مِنَ الۡمُشۡرِکِیۡنَ ﴿۱۲۰﴾ۙ

016.120 Inna ibraheema kana ommatan qanitan lillahi haneefan walam yaku mina almushrikeena

Ibrahiem was een voorbeeld, onderdanig aan Allah, iemand die het zuivere geloof aanhing en hij behoorde niet tot de veelgodendienaars;


شَاکِرًا لِّاَنۡعُمِہٖ ؕ اِجۡتَبٰہُ وَ ہَدٰىہُ اِلٰی صِرَاطٍ مُّسۡتَقِیۡمٍ ﴿۱۲۱﴾

016.121 Shakiran li-anAAumihi ijtabahu wahadahu ila siratin mustaqeemin

hij was dankbaar voor Zijn weldaden: Hij heeft hem verkozen en naar een juiste weg gebracht.


وَ اٰتَیۡنٰہُ فِی الدُّنۡیَا حَسَنَۃً ؕ وَ اِنَّہٗ فِی الۡاٰخِرَۃِ لَمِنَ الصّٰلِحِیۡنَ ﴿۱۲۲﴾ؕ

016.122 Waataynahu fee alddunya hasanatan wa-innahu fee al-akhirati lamina alssaliheena

Wij hebben hem in het tegenwoordige leven gegeven wat goed is en in het hiernamaals hoort hij bij de rechtschapenen.


ثُمَّ اَوۡحَیۡنَاۤ اِلَیۡکَ اَنِ اتَّبِعۡ مِلَّۃَ اِبۡرٰہِیۡمَ حَنِیۡفًا ؕ وَ مَا کَانَ مِنَ الۡمُشۡرِکِیۡنَ ﴿۱۲۳﴾

016.123 Thumma awhayna ilayka ani ittabiAA millata ibraheema haneefan wama kana mina almushrikeena

Toen openbaarden Wij aan jou: "Volg het geloof van Ibrahiem die het zuivere geloof aanhing; hij behoorde niet bij de veelgodendienaars."


اِنَّمَا جُعِلَ السَّبۡتُ عَلَی الَّذِیۡنَ اخۡتَلَفُوۡا فِیۡہِ ؕ وَ اِنَّ رَبَّکَ لَیَحۡکُمُ بَیۡنَہُمۡ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ فِیۡمَا کَانُوۡا فِیۡہِ یَخۡتَلِفُوۡنَ ﴿۱۲۴﴾

016.124 Innama juAAila alssabtu AAala allatheena ikhtalafoo feehi wa-inna rabbaka layahkumu baynahum yawma alqiyamati feema kanoo feehi yakhtalifoona

De sabbat is opgelegd aan hen die het erover oneens waren. En jullie Heer zal op de opstandingsdag tussen hen oordelen over dat waarover zij het oneens waren.


اُدۡعُ اِلٰی سَبِیۡلِ رَبِّکَ بِالۡحِکۡمَۃِ وَ الۡمَوۡعِظَۃِ الۡحَسَنَۃِ وَ جَادِلۡہُمۡ بِالَّتِیۡ ہِیَ اَحۡسَنُ ؕ اِنَّ رَبَّکَ ہُوَ اَعۡلَمُ بِمَنۡ ضَلَّ عَنۡ سَبِیۡلِہٖ وَ ہُوَ اَعۡلَمُ بِالۡمُہۡتَدِیۡنَ ﴿۱۲۵﴾

016.125 OdAAu ila sabeeli rabbika bialhikmati waalmawAAithati alhasanati wajadilhum biallatee hiya ahsanu inna rabbaka huwa aAAlamu biman dalla AAan sabeelihi wahuwa aAAlamu bialmuhtadeena

Roep op tot de weg van jouw Heer met wijsheid en goede aansporing en twist met hen op de beste manier. Jouw Heer kent wie van Zijn weg afdwaalt het best en Hij kent hen die het goede pad volgen het best.


وَ اِنۡ عَاقَبۡتُمۡ فَعَاقِبُوۡا بِمِثۡلِ مَا عُوۡقِبۡتُمۡ بِہٖ ؕ وَ لَئِنۡ صَبَرۡتُمۡ لَہُوَ خَیۡرٌ لِّلصّٰبِرِیۡنَ ﴿۱۲۶﴾

016.126 Wa-in AAaqabtum faAAaqiboo bimithli ma AAooqibtum bihi wala-in sabartum lahuwa khayrun lilssabireena

En als jullie bestraffen, bestraft dan evenals jullie zijn bestraft. Maar als jullie geduldig volharden, dan is dat beter voor hen die geduldig volharden.


وَ اصۡبِرۡ وَ مَا صَبۡرُکَ اِلَّا بِاللّٰہِ وَ لَا تَحۡزَنۡ عَلَیۡہِمۡ وَ لَا تَکُ فِیۡ ضَیۡقٍ مِّمَّا یَمۡکُرُوۡنَ ﴿۱۲۷﴾

016.127 Waisbir wama sabruka illa biAllahi wala tahzan AAalayhim wala taku fee dayqin mimma yamkuroona

Volhard geduldig. Jouw geduld komt slechts met Allah's hulp. En wees niet bedroefd over hen en wees niet benauwd over wat zij aan listen beramen.


اِنَّ اللّٰہَ مَعَ الَّذِیۡنَ اتَّقَوۡا وَّ الَّذِیۡنَ ہُمۡ مُّحۡسِنُوۡنَ ﴿۱۲۸﴾٪

016.128 Inna Allaha maAAa allatheena ittaqaw waallatheena hum muhsinoona

Allah is met hen die godvrezend zijn en hen die goed doen.



www.kuran.nl