15 Subhaanal Lazdi

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

سُبۡحٰنَ الَّذِیۡۤ اَسۡرٰی بِعَبۡدِہٖ لَیۡلًا مِّنَ الۡمَسۡجِدِ الۡحَرَامِ اِلَی الۡمَسۡجِدِ الۡاَقۡصَا الَّذِیۡ بٰرَکۡنَا حَوۡلَہٗ لِنُرِیَہٗ مِنۡ اٰیٰتِنَا ؕ اِنَّہٗ ہُوَ السَّمِیۡعُ الۡبَصِیۡرُ ﴿۱﴾

017.001 Subhana allathee asra biAAabdihi laylan mina almasjidi alharami ila almasjidi al-aqsa allathee barakna hawlahu linuriyahu min ayatina innahu huwa alssameeAAu albaseeru

17:1 Heilig is Hij (Allah) Die 's nachts Zijn dienaar (Mohammed) van de Masdjid al Haram (de Gewijde Moskee te Mekka) naar de verste moskee (Masdjid al Aqsha) heeft gebracht, waarvan Wij de omgeving hebben gezegend, opdat Wij hem van Onze Tekenen lieten zien. Voorwaar, Hij is de Alhorende, de Alziende.


وَ اٰتَیۡنَا مُوۡسَی الۡکِتٰبَ وَ جَعَلۡنٰہُ ہُدًی لِّبَـنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ اَلَّا تَتَّخِذُوۡا مِنۡ دُوۡنِیۡ وَکِیۡلًا ؕ﴿۲﴾

017.002 Waatayna moosa alkitaba wajaAAalnahu hudan libanee isra-eela alla tattakhithoo min doonee wakeelan

17:2 En Wij hebben aan Mozes het boek (de Thora) gegeven en Wij maakten dit tot leiding voor de Isralieten: "Neemt in plaats van mij geen andere voogd."


ذُرِّیَّۃَ مَنۡ حَمَلۡنَا مَعَ نُوۡحٍ ؕ اِنَّہٗ کَانَ عَبۡدًا شَکُوۡرًا ﴿۳﴾

017.003 Thurriyyata man hamalna maAAa noohin innahu kana AAabdan shakooran

17:3 O nakomelingen van degenen die Wij met Noach (in de ark) gedragen hebben, voorwaar, hij (Noach) was een dankbare dienaar!


وَ قَضَیۡنَاۤ اِلٰی بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ فِی الۡکِتٰبِ لَتُفۡسِدُنَّ فِی الۡاَرۡضِ مَرَّتَیۡنِ وَ لَتَعۡلُنَّ عُلُوًّا کَبِیۡرًا ﴿۴﴾

017.004 Waqadayna ila banee isra-eela fee alkitabi latufsidunna fee al-ardi marratayni walataAAlunna AAuluwwan kabeeran

17:4 En Wij hebben aan de Isralieten in het boek aangekondigd: "Jullie zullen twee maal verderf zaaien op aarde en jullie zullen je hoogmoedig gedragen, met veel hoogmoed."


فَاِذَا جَآءَ وَعۡدُ اُوۡلٰىہُمَا بَعَثۡنَا عَلَیۡکُمۡ عِبَادًا لَّنَاۤ اُولِیۡ بَاۡسٍ شَدِیۡدٍ فَجَاسُوۡا خِلٰلَ الدِّیَارِ ؕ وَ کَانَ وَعۡدًا مَّفۡعُوۡلًا ﴿۵﴾

017.005 Fa-itha jaa waAAdu oolahuma baAAathna AAalaykum AAibadan lana olee ba/sin shadeedin fajasoo khilala alddiyari wakana waAAdan mafAAoolan

17:5 En toen (de vervulling) van de eerste van de twee beloften kwam, stuurden Wij tegen jullie onze dienaren, bezitters van verschrikkelijke macht, die daarop de huizen binnendrongen: het was een vervulde belofte.


ثُمَّ رَدَدۡنَا لَکُمُ الۡکَرَّۃَ عَلَیۡہِمۡ وَ اَمۡدَدۡنٰکُمۡ بِاَمۡوَالٍ وَّ بَنِیۡنَ وَ جَعَلۡنٰکُمۡ اَکۡثَرَ نَفِیۡرًا ﴿۶﴾

017.006 Thumma radadna lakumu alkarrata AAalayhim waamdadnakum bi-amwalin wabaneena wajaAAalnakum akthara nafeeran

17:6 Vervolgens gaven Wij jullie weer de overhand over hen en versterkten Wij jullie met bezittingen en zonen en maakten Wij jullie tot de grootste troepenmacht.


اِنۡ اَحۡسَنۡتُمۡ اَحۡسَنۡتُمۡ لِاَنۡفُسِکُمۡ ۟ وَ اِنۡ اَسَاۡتُمۡ فَلَہَا ؕ فَاِذَا جَآءَ وَعۡدُ الۡاٰخِرَۃِ لِیَسُوۡٓءٗا وُجُوۡہَکُمۡ وَ لِیَدۡخُلُوا الۡمَسۡجِدَ کَمَا دَخَلُوۡہُ اَوَّلَ مَرَّۃٍ وَّ لِیُتَبِّرُوۡا مَا عَلَوۡا تَتۡبِیۡرًا ﴿۷﴾

017.007 In ahsantum ahsantum li-anfusikum wa-in asa/tum falaha fa-itha jaa waAAdu al-akhirati liyasoo-oo wujoohakum waliyadkhuloo almasjida kama dakhaloohu awwala marratin waliyutabbiroo ma AAalaw tatbeeran

17:7 Als jullie goed doen, doen jullie goed in jullie eigen voordeel en als jullie kwaad doen, dan is het in jullie eigen nadeel. En wanneer de laatste belofte vervuld wordt (sturen wij onze dienaren) om jullie gezichten te verminken en de gebedsruimte binnen te gaan, zoals zij daar de eerste keer binnengingen, en om volledig te vernietigen wat zij veroverd hadden.


عَسٰی رَبُّکُمۡ اَنۡ یَّرۡحَمَکُمۡ ۚ وَ اِنۡ عُدۡتُّمۡ عُدۡنَا ۘ وَ جَعَلۡنَا جَہَنَّمَ لِلۡکٰفِرِیۡنَ حَصِیۡرًا ﴿۸﴾

017.008 AAasa rabbukum an yarhamakum wa-in AAudtum AAudna wajaAAalna jahannama lilkafireena haseeran

17:8 Moge jullie Heer jullie begenadigen. En als jullie terugkeren (naar jullie zonden) zullen Wij terugkeren (naar het bestraffen van jullie). En Wij maakten de Hel voor de ongelovigen tot een gevangenis.


اِنَّ ہٰذَا الۡقُرۡاٰنَ یَہۡدِیۡ لِلَّتِیۡ ہِیَ اَقۡوَمُ وَ یُبَشِّرُ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ الَّذِیۡنَ یَعۡمَلُوۡنَ الصّٰلِحٰتِ اَنَّ لَہُمۡ اَجۡرًا کَبِیۡرًا ۙ﴿۹﴾

017.009 Inna hatha alqur-ana yahdee lillatee hiya aqwamu wayubashshiru almu/mineena allatheena yaAAmaloona alssalihati anna lahum ajran kabeeran

17:9 Voorwaar, deze Kuran leidt naar wat het meest rechtvaardig is en verkondigt goede tijdingen aan de gelovigen die goede werken verrichten. Voorwaar, er is voor hen een grote beloning.


وَّ اَنَّ الَّذِیۡنَ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ بِالۡاٰخِرَۃِ اَعۡتَدۡنَا لَہُمۡ عَذَابًا اَلِیۡمًا ﴿٪۱۰﴾

017.010 Waanna allatheena la yu/minoona bial-akhirati aAAtadna lahum AAathaban aleeman

17:10 En voor degenen die niet in het Hiernamaals geloven, voor hen hebben Wij een pijnlijke bestraffing voorbereid.


وَ یَدۡعُ الۡاِنۡسَانُ بِالشَّرِّ دُعَآءَہٗ بِالۡخَیۡرِ ؕ وَ کَانَ الۡاِنۡسَانُ عَجُوۡلًا ﴿۱۱﴾

017.011 WayadAAu al-insanu bialshsharri duAAaahu bialkhayri wakana al-insanu AAajoolan

17:11 En de mens smeekt om het kwade, net zoals hij om het goede smeekt. En de mens is haastig (van aard).


وَ جَعَلۡنَا الَّیۡلَ وَ النَّہَارَ اٰیَتَیۡنِ فَمَحَوۡنَاۤ اٰیَۃَ الَّیۡلِ وَ جَعَلۡنَاۤ اٰیَۃَ النَّہَارِ مُبۡصِرَۃً لِّتَبۡتَغُوۡا فَضۡلًا مِّنۡ رَّبِّکُمۡ وَ لِتَعۡلَمُوۡا عَدَدَ السِّنِیۡنَ وَ الۡحِسَابَ ؕ وَ کُلَّ شَیۡءٍ فَصَّلۡنٰہُ تَفۡصِیۡلًا ﴿۱۲﴾

017.012 WajaAAalna allayla waalnnahara ayatayni famahawna ayata allayli wajaAAalna ayata alnnahari mubsiratan litabtaghoo fadlan min rabbikum walitaAAlamoo AAadada alssineena waalhisaba wakulla shay-in fassalnahu tafseelan

17:12 En Wij hebben de nacht en de dag tot twee Tekenen gemaakt. En het Teken van de nacht hebben Wij donker gemaakt en het Teken van de dag hebben Wij verlichtend gemaakt opdat jullie de gunst van jullie Heer zoeken en opdat jullie de jaartelling en de berekening ervan kennen. En alle zaken hebben Wij met een duidelijke uitleg uiteengezet.


وَ کُلَّ اِنۡسَانٍ اَلۡزَمۡنٰہُ طٰٓئِرَہٗ فِیۡ عُنُقِہٖ ؕ وَ نُخۡرِجُ لَہٗ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ کِتٰبًا یَّلۡقٰىہُ مَنۡشُوۡرًا ﴿۱۳﴾

017.013 Wakulla insanin alzamnahu ta-irahu fee AAunuqihi wanukhriju lahu yawma alqiyamati kitaban yalqahu manshooran

17:13 En voor ieder mens hebben Wij zijn lotsbestemming om zijn nek vastgemaakt. En Wij voorzien hem op de Dag van de Opstanding van een boek dat hij opengeslagen aantreft.


اِقۡرَاۡ کِتٰبَکَ ؕ کَفٰی بِنَفۡسِکَ الۡیَوۡمَ عَلَیۡکَ حَسِیۡبًا ﴿ؕ۱۴﴾

017.014 Iqra/ kitabaka kafa binafsika alyawma AAalayka haseeban

17:14 (Er wordt tegen hem gezegd:) "Lees uw boek." Op deze Dag bent u zelf in staat om uw afrekening op te maken.


مَنِ اہۡتَدٰی فَاِنَّمَا یَہۡتَدِیۡ لِنَفۡسِہٖ ۚ وَ مَنۡ ضَلَّ فَاِنَّمَا یَضِلُّ عَلَیۡہَا ؕ وَ لَا تَزِرُ وَازِرَۃٌ وِّزۡرَ اُخۡرٰی ؕ وَ مَا کُنَّا مُعَذِّبِیۡنَ حَتّٰی نَبۡعَثَ رَسُوۡلًا ﴿۱۵﴾

017.015 Mani ihtada fa-innama yahtadee linafsihi waman dalla fa-innama yadillu AAalayha wala taziru waziratun wizra okhra wama kunna muAAaththibeena hatta nabAAatha rasoolan

17:15 Wie Leiding volgt, volgt de Leiding voor zichzelf, en wie dwaalt, dwaalt tegen zichzelf en niemand zal de zonde van iemand anders dragen. En Wij bestraffen niet voordat Wij een Boodschapper hebben gestuurd.


وَ اِذَاۤ اَرَدۡنَاۤ اَنۡ نُّہۡلِکَ قَرۡیَۃً اَمَرۡنَا مُتۡرَفِیۡہَا فَفَسَقُوۡا فِیۡہَا فَحَقَّ عَلَیۡہَا الۡقَوۡلُ فَدَمَّرۡنٰہَا تَدۡمِیۡرًا ﴿۱۶﴾

017.016 Wa-itha aradna an nuhlika qaryatan amarna mutrafeeha fafasaqoo feeha fahaqqa AAalayha alqawlu fadammarnaha tadmeeran

17:16 En als Wij een (volk in een) stad besluiten te vernietigen,zenden wij eerst een definitieve bevel (om Allah zuiver te aanbidden) aan hen die daarin in weelde leven. Zij begaan daarin zware zonden, zodat het woord (van de bestraffing) terecht is, vervolgens vernietigen Wij hen volledig.


وَ کَمۡ اَہۡلَکۡنَا مِنَ الۡقُرُوۡنِ مِنۡۢ بَعۡدِ نُوۡحٍ ؕ وَ کَفٰی بِرَبِّکَ بِذُنُوۡبِ عِبَادِہٖ خَبِیۡرًۢا بَصِیۡرًا ﴿۱۷﴾

017.017 Wakam ahlakna mina alqurooni min baAAdi noohin wakafa birabbika bithunoobi AAibadihi khabeeran baseeran

17:17 En hoeveel generaties hebben Wij na Noach vernietigd? En jouw Heer is voldoende om de zonden van Zijn dienaren te weten en te zien.


مَنۡ کَانَ یُرِیۡدُ الۡعَاجِلَۃَ عَجَّلۡنَا لَہٗ فِیۡہَا مَا نَشَآءُ لِمَنۡ نُّرِیۡدُ ثُمَّ جَعَلۡنَا لَہٗ جَہَنَّمَ ۚ یَصۡلٰىہَا مَذۡمُوۡمًا مَّدۡحُوۡرًا ﴿۱۸﴾

017.018 Man kana yureedu alAAajilata AAajjalna lahu feeha ma nashao liman nureedu thumma jaAAalna lahu jahannama yaslaha mathmooman madhooran

17:18 En wie het vergankelijke (van de wereld) wenst: voor hem zullen Wij wat Wij wensen daarin verhaasten, voor wie Wij willen. Vervolgens maken Wij voor hem de Hel, hij gaat daar binnen, vernederd en afgewezen.


وَ مَنۡ اَرَادَ الۡاٰخِرَۃَ وَ سَعٰی لَہَا سَعۡیَہَا وَ ہُوَ مُؤۡمِنٌ فَاُولٰٓئِکَ کَانَ سَعۡیُہُمۡ مَّشۡکُوۡرًا ﴿۱۹﴾

017.019 Waman arada al-akhirata wasaAAa laha saAAyaha wahuwa mu/minun faola-ika kana saAAyuhum mashkooran

17:19 En wie het Hiernamaals wenst en er naar streeft, n hij is gelovig: hij (behoort) tot degenen van wie hun streven wordt beloond.


کُلًّا نُّمِدُّ ہٰۤؤُلَآءِ وَ ہٰۤؤُلَآءِ مِنۡ عَطَآءِ رَبِّکَ ؕ وَ مَا کَانَ عَطَـآءُ رَبِّکَ مَحۡظُوۡرًا ﴿۲۰﴾

017.020 Kullan numiddu haola-i wahaola-i min AAata-i rabbika wama kana AAatao rabbika mahthooran

17:20 Beiden groepen, de eerste en de laatste, geven Wij door de gave van jouw heer. En de ondersteuning van jouw Heer is onafwendbaar.


اُنۡظُرۡ کَیۡفَ فَضَّلۡنَا بَعۡضَہُمۡ عَلٰی بَعۡضٍ ؕ وَ لَلۡاٰخِرَۃُ اَکۡبَرُ دَرَجٰتٍ وَّ اَکۡبَرُ تَفۡضِیۡلًا ﴿۲۱﴾

017.021 Onthur kayfa faddalna baAAdahum AAala baAAdin walal-akhiratu akbaru darajatin waakbaru tafdeelan

17:21 Kijk hoe Wij sommigen van hen bevoorrecht hebben boven anderen (in deze wereld). En het Hiernamaals zal groter in rang zijn en groter als voorrecht.


لَا تَجۡعَلۡ مَعَ اللّٰہِ اِلٰـہًا اٰخَرَ فَتَقۡعُدَ مَذۡمُوۡمًا مَّخۡذُوۡلًا ﴿٪۲۲﴾

017.022 La tajAAal maAAa Allahi ilahan akhara fataqAAuda mathmooman makhthoolan

17:22 En neem geen andere god naast Allah, anders zit u met verwijten (beladen) en verlaten.


وَ قَضٰی رَبُّکَ اَلَّا تَعۡبُدُوۡۤا اِلَّاۤ اِیَّاہُ وَ بِالۡوَالِدَیۡنِ اِحۡسَانًا ؕ اِمَّا یَبۡلُغَنَّ عِنۡدَکَ الۡکِبَرَ اَحَدُہُمَاۤ اَوۡ کِلٰہُمَا فَلَا تَقُلۡ لَّہُمَاۤ اُفٍّ وَّ لَا تَنۡہَرۡہُمَا وَ قُلۡ لَّہُمَا قَوۡلًا کَرِیۡمًا ﴿۲۳﴾

017.023 Waqada rabbuka alla taAAbudoo illa iyyahu wabialwalidayni ihsanan imma yablughanna AAindaka alkibara ahaduhuma aw kilahuma fala taqul lahuma offin wala tanharhuma waqul lahuma qawlan kareeman

17:23 En jullie Heer heeft bepaald dat jullie niets dan Hem alleen aanbidden, en goedheid betrachten tegenover de ouders. Als een van de twee of beiden de ouderdom bereiken in jouw aanwezigheid, zeg dan nooit "oef" (een woord van verachtelijkheid) tegen hen, snauw hen niet af en spreek tot hen een vriendelijk woord.


وَ اخۡفِضۡ لَہُمَا جَنَاحَ الذُّلِّ مِنَ الرَّحۡمَۃِ وَ قُلۡ رَّبِّ ارۡحَمۡہُمَا کَمَا رَبَّیٰنِیۡ صَغِیۡرًا ﴿ؕ۲۴﴾

017.024 Waikhfid lahuma janaha alththulli mina alrrahmati waqul rabbi irhamhuma kama rabbayanee sagheeran

17:24 En wees uit barmhartigheid voor hen nederig en zeg: "O mijn Heer, erbarm U over hen, zoals zij mij opvoeden toen ik klein was."


رَبُّکُمۡ اَعۡلَمُ بِمَا فِیۡ نُفُوۡسِکُمۡ ؕ اِنۡ تَکُوۡنُوۡا صٰلِحِیۡنَ فَاِنَّہٗ کَانَ لِلۡاَوَّابِیۡنَ غَفُوۡرًا ﴿۲۵﴾

017.025 Rabbukum aAAlamu bima fee nufoosikum in takoonoo saliheena fa-innahu kana lil-awwabeena ghafooran

17:25 Jullie Heer weet het best wat er in jullie zielen is. Als jullie oprecht zijn, dan is Hij meest Vergevensgezind tot degenen die steeds naar hem terugkeren in gehoorzaamheid en in berouw.


وَ اٰتِ ذَاالۡقُرۡبٰی حَقَّہٗ وَ الۡمِسۡکِیۡنَ وَ ابۡنَ السَّبِیۡلِ وَ لَا تُبَذِّرۡ تَبۡذِیۡرًا ﴿۲۶﴾

017.026 Waati tha alqurba haqqahu waalmiskeena waibna alssabeeli wala tubaththir tabtheeran

17:26 En geef de verwant wat hem toekomt en de armen en wie onderweg is (en alles verloren heeft) en wees niet verspillend.


اِنَّ الۡمُبَذِّرِیۡنَ کَانُوۡۤا اِخۡوَانَ الشَّیٰطِیۡنِ ؕ وَ کَانَ الشَّیۡطٰنُ لِرَبِّہٖ کَفُوۡرًا ﴿۲۷﴾

017.027 Inna almubaththireena kanoo ikhwana alshshayateeni wakana alshshaytanu lirabbihi kafooran

17:27 De verspillers zijn broeders van de satans en de Satan is ondankbaar jegens zijn Heer.


وَ اِمَّا تُعۡرِضَنَّ عَنۡہُمُ ابۡتِغَآءَ رَحۡمَۃٍ مِّنۡ رَّبِّکَ تَرۡجُوۡہَا فَقُلۡ لَّہُمۡ قَوۡلًا مَّیۡسُوۡرًا ﴿۲۸﴾

017.028 Wa-imma tuAAridanna AAanhumu ibtighaa rahmatin min rabbika tarjooha faqul lahum qawlan maysooran

17:28 En als u, u van hen afwendt (de verwanten, de armen en de reiziger, die u niet van geld kan voorzien) en u verwacht barmhartigheid van uw Heer, spreek dan tot hen op een vriendelijke manier.


وَ لَا تَجۡعَلۡ یَدَکَ مَغۡلُوۡلَۃً اِلٰی عُنُقِکَ وَ لَا تَبۡسُطۡہَا کُلَّ الۡبَسۡطِ فَتَقۡعُدَ مَلُوۡمًا مَّحۡسُوۡرًا ﴿۲۹﴾

017.029 Wala tajAAal yadaka maghloolatan ila AAunuqika wala tabsutha kulla albasti fataqAAuda malooman mahsooran

17:29 En maak uw hand niet vastgebonden aan uw nek, en strek haar ook niet helemaal uit, want dan wordt u verweten en spijtig.


اِنَّ رَبَّکَ یَبۡسُطُ الرِّزۡقَ لِمَنۡ یَّشَآءُ وَ یَقۡدِرُ ؕ اِنَّہٗ کَانَ بِعِبَادِہٖ خَبِیۡرًۢا بَصِیۡرًا ﴿٪۳۰﴾

017.030 Inna rabbaka yabsutu alrrizqa liman yashao wayaqdiru innahu kana biAAibadihi khabeeran baseeran

17:30 Voorwaar, jouw Heer verruimt de voorziening aan wie Hij wil en beperkt voor wie Hij wil. Hij is Alwetend, Alziend over Zijn dienaren.


وَ لَا تَقۡتُلُوۡۤا اَوۡلَادَکُمۡ خَشۡیَۃَ اِمۡلَاقٍ ؕ نَحۡنُ نَرۡزُقُہُمۡ وَ اِیَّاکُمۡ ؕ اِنَّ قَتۡلَہُمۡ کَانَ خِطۡاً کَبِیۡرًا ﴿۳۱﴾

017.031 Wala taqtuloo awladakum khashyata imlaqin nahnu narzuquhum wa-iyyakum inna qatlahum kana khit-an kabeeran

17:31 Doodt jullie kinderen niet uit vrees voor armoede: Wij voorzien hun en jullie van levensonderhoud. Voorwaar, hen doden is een grote zonde.


وَ لَا تَقۡرَبُوا الزِّنٰۤی اِنَّہٗ کَانَ فَاحِشَۃً ؕ وَ سَآءَ سَبِیۡلًا ﴿۳۲﴾

017.032 Wala taqraboo alzzina innahu kana fahishatan wasaa sabeelan

17:32 En nader niet de ontucht. Voorwaar, ontucht is een zedeloosheid en een slechte weg.


وَ لَا تَقۡتُلُوا النَّفۡسَ الَّتِیۡ حَرَّمَ اللّٰہُ اِلَّا بِالۡحَقِّ ؕ وَ مَنۡ قُتِلَ مَظۡلُوۡمًا فَقَدۡ جَعَلۡنَا لِوَلِیِّہٖ سُلۡطٰنًا فَلَا یُسۡرِفۡ فِّی الۡقَتۡلِ ؕ اِنَّہٗ کَانَ مَنۡصُوۡرًا ﴿۳۳﴾

017.033 Wala taqtuloo alnnafsa allatee harrama Allahu illa bialhaqqi waman qutila mathlooman faqad jaAAalna liwaliyyihi sultanan fala yusrif fee alqatli innahu kana mansooran

17:33 En doodt niemand wat Allah verboden heeft verklaard, behalve volgens het recht. En wie onrechtvaardig gedood wordt dan hebben Wij zijn erfgenaam de machtiging gegeven (te doden, te vergeven of het bloedgeld te accepteren). Maar overdrijft niet in het doden. Voorwaar, hij wordt geholpen (door het islamitische recht).


وَ لَا تَقۡرَبُوۡا مَالَ الۡیَتِیۡمِ اِلَّا بِالَّتِیۡ ہِیَ اَحۡسَنُ حَتّٰی یَبۡلُغَ اَشُدَّہٗ ۪ وَ اَوۡفُوۡا بِالۡعَہۡدِ ۚ اِنَّ الۡعَہۡدَ کَانَ مَسۡـُٔوۡلًا ﴿۳۴﴾

017.034 Wala taqraboo mala alyateemi illa biallatee hiya ahsanu hatta yablugha ashuddahu waawfoo bialAAahdi inna alAAahda kana mas-oolan

17:34 En benadert niet het bezit van de wees, behalve op om een betere manier (investeren van het kapitaal), totdat hij volwassen is. En komt de overeenkomst volledig na. Voorwaar, over de overeenkomst worden jullie (op de Dag van de Opstanding) ondervraagd.


وَ اَوۡفُوا الۡکَیۡلَ اِذَا کِلۡتُمۡ وَ زِنُوۡا بِالۡقِسۡطَاسِ الۡمُسۡتَقِیۡمِ ؕ ذٰلِکَ خَیۡرٌ وَّ اَحۡسَنُ تَاۡوِیۡلًا ﴿۳۵﴾

017.035 Waawfoo alkayla itha kiltum wazinoo bialqistasi almustaqeemi thalika khayrun waahsanu ta/weelan

17:35 En geeft de volle maat wanneer jullie wegen en weeg met een juiste weegschaal. Dat is het meest passend en het heeft het meeste voordeel bij het laatste besluit.


وَ لَا تَقۡفُ مَا لَیۡسَ لَکَ بِہٖ عِلۡمٌ ؕ اِنَّ السَّمۡعَ وَ الۡبَصَرَ وَ الۡفُؤَادَ کُلُّ اُولٰٓئِکَ کَانَ عَنۡہُ مَسۡـُٔوۡلًا ﴿۳۶﴾

017.036 Wala taqfu ma laysa laka bihi AAilmun inna alssamAAa waalbasara waalfu-ada kullu ola-ika kana AAanhu mas-oolan

17:36 En volg niet dat waarover u geen kennis hebt. Het horen, het zien en het hart, over al dat wordt verantwoording afgelegd.


وَ لَا تَمۡشِ فِی الۡاَرۡضِ مَرَحًا ۚ اِنَّکَ لَنۡ تَخۡرِقَ الۡاَرۡضَ وَ لَنۡ تَبۡلُغَ الۡجِبَالَ طُوۡلًا ﴿۳۷﴾

017.037 Wala tamshi fee al-ardi marahan innaka lan takhriqa al-arda walan tablugha aljibala toolan

17:37 En loop niet hoogmoedig op de aarde. U kan de aarde niet doordringen en noch de bergen in hoogte bereiken.


کُلُّ ذٰلِکَ کَانَ سَیِّئُہٗ عِنۡدَ رَبِّکَ مَکۡرُوۡہًا ﴿۳۸﴾

017.038 Kullu thalika kana sayyi-ohu AAinda rabbika makroohan

17:38 Al de slechte aspecten van deze (de boven genoemde) zijn verwerpelijk bij uw Heer.


ذٰلِکَ مِمَّاۤ اَوۡحٰۤی اِلَیۡکَ رَبُّکَ مِنَ الۡحِکۡمَۃِ ؕ وَ لَا تَجۡعَلۡ مَعَ اللّٰہِ اِلٰـہًا اٰخَرَ فَتُلۡقٰی فِیۡ جَہَنَّمَ مَلُوۡمًا مَّدۡحُوۡرًا ﴿۳۹﴾

017.039 Thalika mimma awha ilayka rabbuka mina alhikmati wala tajAAal maAAa Allahi ilahan akhara fatulqa fee jahannama malooman madhooran

17:39 Dat is (een deel) van de Wijsheid die Allah aan u geopenbaard heeft. En neem geen andere god naast Allah, anders wordt u in de Hel geworpen, vol verwijten en afgewezen (van de barmhartigheid van Allah).


اَفَاَصۡفٰىکُمۡ رَبُّکُمۡ بِالۡبَنِیۡنَ وَ اتَّخَذَ مِنَ الۡمَلٰٓئِکَۃِ اِنَاثًا ؕ اِنَّکُمۡ لَتَقُوۡلُوۡنَ قَوۡلًا عَظِیۡمًا ﴿٪۴۰﴾

017.040 Afaasfakum rabbukum bialbaneena waittakhatha mina almala-ikati inathan innakum lataqooloona qawlan AAatheeman

17:40 Heeft jullie Heer voor jullie zonen verkozen en voor Zichzelf vanonder de Engelen dochters genomen? Voorwaar, jullie zeggen werkelijk iets vreselijks!


وَ لَقَدۡ صَرَّفۡنَا فِیۡ ہٰذَا الۡقُرۡاٰنِ لِیَذَّکَّرُوۡا ؕ وَ مَا یَزِیۡدُہُمۡ اِلَّا نُفُوۡرًا ﴿۴۱﴾

017.041 Walaqad sarrafna fee hatha alqur-ani liyaththakkaroo wama yazeeduhum illa nufooran

17:41 En Wij hebben in deze Kuran (zaken) uitgelegd opdat zij (de ongelovigen) vermaand worden, maar zij krijgen alleen maar meer afkeer.


قُلۡ لَّوۡ کَانَ مَعَہٗۤ اٰلِـہَۃٌ کَمَا یَقُوۡلُوۡنَ اِذًا لَّابۡتَغَوۡا اِلٰی ذِی الۡعَرۡشِ سَبِیۡلًا ﴿۴۲﴾

017.042 Qul law kana maAAahu alihatun kama yaqooloona ithan laibtaghaw ila thee alAAarshi sabeelan

17:42 Zeg : "Als er goden met Hem zijn, zoals zij zeggen, dan zouden zij (de andere goden) een Weg naar de Eigenaar van de Troon (Allah) zoeken."


سُبۡحٰنَہٗ وَ تَعٰلٰی عَمَّا یَقُوۡلُوۡنَ عُلُوًّا کَبِیۡرًا ﴿۴۳﴾

017.043 Subhanahu wataAAala AAamma yaqooloona AAuluwwan kabeeran

17:43 Heilig is Hij en Verheven boven al hetgeen zij zeggen.


تُسَبِّحُ لَہُ السَّمٰوٰتُ السَّبۡعُ وَ الۡاَرۡضُ وَ مَنۡ فِیۡہِنَّ ؕ وَ اِنۡ مِّنۡ شَیۡءٍ اِلَّا یُسَبِّحُ بِحَمۡدِہٖ وَ لٰکِنۡ لَّا تَفۡقَہُوۡنَ تَسۡبِیۡحَہُمۡ ؕ اِنَّہٗ کَانَ حَلِیۡمًا غَفُوۡرًا ﴿۴۴﴾

017.044 Tusabbihu lahu alssamawatu alssabAAu waal-ardu waman feehinna wa-in min shay-in illa yusabbihu bihamdihi walakin la tafqahoona tasbeehahum innahu kana haleeman ghafooran

17:44 De zeven hemels en de aarde en allen die erin zijn verheerlijken Hem. En er is geen ding dat hem niet verheerlijkt maar jullie begrijpen hun lofprijzing niet. Hij is Zachtmoedig en Vergevensgezind.


وَ اِذَا قَرَاۡتَ الۡقُرۡاٰنَ جَعَلۡنَا بَیۡنَکَ وَ بَیۡنَ الَّذِیۡنَ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ بِالۡاٰخِرَۃِ حِجَابًا مَّسۡتُوۡرًا ﴿ۙ۴۵﴾

017.045 Wa-itha qara/ta alqur-ana jaAAalna baynaka wabayna allatheena la yu/minoona bial-akhirati hijaban mastooran

17:45 En wanner u de Kuran reciteert, brengen Wij tussen u en degenen die niet in het Hiernamaals geloven een verborgen afscheiding aan.


وَّ جَعَلۡنَا عَلٰی قُلُوۡبِہِمۡ اَکِنَّۃً اَنۡ یَّفۡقَہُوۡہُ وَ فِیۡۤ اٰذَانِہِمۡ وَقۡرًا ؕ وَ اِذَا ذَکَرۡتَ رَبَّکَ فِی الۡقُرۡاٰنِ وَحۡدَہٗ وَلَّوۡا عَلٰۤی اَدۡبَارِہِمۡ نُفُوۡرًا ﴿۴۶﴾

017.046 WajaAAalna AAala quloobihim akinnatan an yafqahoohu wafee athanihim waqran wa-itha thakarta rabbaka fee alqur-ani wahdahu wallaw AAala adbarihim nufooran

17:46 En Wij hebben over hun harten bedekkingen aangebracht, zodat zij het niet begrijpen en in hun oren doofheid. En wanneer u alleen uw Heer noemt tijdens de Kuran recitatie, dan keren zij in afkeer hun ruggen toe.


نَحۡنُ اَعۡلَمُ بِمَا یَسۡتَمِعُوۡنَ بِہٖۤ اِذۡ یَسۡتَمِعُوۡنَ اِلَیۡکَ وَ اِذۡ ہُمۡ نَجۡوٰۤی اِذۡ یَقُوۡلُ الظّٰلِمُوۡنَ اِنۡ تَتَّبِعُوۡنَ اِلَّا رَجُلًا مَّسۡحُوۡرًا ﴿۴۷﴾

017.047 Nahnu aAAlamu bima yastamiAAoona bihi ith yastamiAAoona ilayka wa-ith hum najwa ith yaqoolu alththalimoona in tattabiAAoona illa rajulan mashooran

17:47 Wij weten het best van wat zij (de onrechtvaardigen) horen wanneer zij naar u luisteren. En wanneer zij in het geheim van gedachten wisselen: "Jullie volgen slechts een betoverde man!"


اُنۡظُرۡ کَیۡفَ ضَرَبُوۡا لَکَ الۡاَمۡثَالَ فَضَلُّوۡا فَلَا یَسۡتَطِیۡعُوۡنَ سَبِیۡلًا ﴿۴۸﴾

017.048 Onthur kayfa daraboo laka al-amthala fadalloo fala yastateeAAoona sabeelan

17:48 Kijk hoe zij voor u gelijkenissen brengen: zij dwalen en kunnen geen Weg vinden.


وَ قَالُوۡۤاءَ اِذَا کُنَّا عِظَامًا وَّ رُفَاتًاءَ اِنَّا لَمَبۡعُوۡثُوۡنَ خَلۡقًا جَدِیۡدًا ﴿۴۹﴾

017.049 Waqaloo a-itha kunna AAithaman warufatan a-inna lamabAAoothoona khalqan jadeedan

17:49 En zij zeiden: "Wanneer Wij botten en overblijfselen zijn, zullen wij dan echt als een nieuwe schepping opgewekt worden?"


قُلۡ کُوۡنُوۡا حِجَارَۃً اَوۡ حَدِیۡدًا ﴿ۙ۵۰﴾

017.050 Qul koonoo hijaratan aw hadeedan

17:50 Zeg: "Wordt steen of ijzer,


اَوۡ خَلۡقًا مِّمَّا یَکۡبُرُ فِیۡ صُدُوۡرِکُمۡ ۚ فَسَیَقُوۡلُوۡنَ مَنۡ یُّعِیۡدُنَا ؕ قُلِ الَّذِیۡ فَطَرَکُمۡ اَوَّلَ مَرَّۃٍ ۚ فَسَیُنۡغِضُوۡنَ اِلَیۡکَ رُءُوۡسَہُمۡ وَ یَقُوۡلُوۡنَ مَتٰی ہُوَ ؕ قُلۡ عَسٰۤی اَنۡ یَّکُوۡنَ قَرِیۡبًا ﴿۵۱﴾

017.051 Aw khalqan mimma yakburu fee sudoorikum fasayaqooloona man yuAAeeduna quli allathee fatarakum awwala marratin fasayunghidoona ilayka ruoosahum wayaqooloona mata huwa qul AAasa an yakoona qareeban

17:51 Of een schepping waarvan het in jullie harten het moeilijkst lijkt." Dan zullen zij zeggen: "Wie doet ons terugkeren?" Zeg: "Degene Die jullie de eerste keer schiep." Dan zullen zij hun hoofd naar u schudden, en zeggen: "Wanneer is dat?" Zeg: "Het kan nabij zijn!"


یَوۡمَ یَدۡعُوۡکُمۡ فَتَسۡتَجِیۡبُوۡنَ بِحَمۡدِہٖ وَ تَظُنُّوۡنَ اِنۡ لَّبِثۡتُمۡ اِلَّا قَلِیۡلًا ﴿٪۵۲﴾

017.052 Yawma yadAAookum fatastajeeboona bihamdihi watathunnoona in labithtum illa qaleelan

17:52 Op de Dag waarop Hij jullie oproept en jullie dan (Zijn oproep) beantwoorden met een lofprijzing van Hem. En jullie zullen veronderstellen dat jullie slechts weinig (tijd op aarde) verbleven.


وَ قُلۡ لِّعِبَادِیۡ یَقُوۡلُوا الَّتِیۡ ہِیَ اَحۡسَنُ ؕ اِنَّ الشَّیۡطٰنَ یَنۡزَغُ بَیۡنَہُمۡ ؕ اِنَّ الشَّیۡطٰنَ کَانَ لِلۡاِنۡسَانِ عَدُوًّا مُّبِیۡنًا ﴿۵۳﴾

017.053 Waqul liAAibadee yaqooloo allatee hiya ahsanu inna alshshaytana yanzaghu baynahum inna alshshaytana kana lil-insani AAaduwwan mubeenan

17:53 En zeg tegen Mijn dienaren dat te zeggen wat het beste is, want de Satan zaait verdeeldheid onder hen. De Satan is voor de mensen een duidelijke vijand.


رَبُّکُمۡ اَعۡلَمُ بِکُمۡ ؕ اِنۡ یَّشَاۡ یَرۡحَمۡکُمۡ اَوۡ اِنۡ یَّشَاۡ یُعَذِّبۡکُمۡ ؕ وَ مَاۤ اَرۡسَلۡنٰکَ عَلَیۡہِمۡ وَکِیۡلًا ﴿۵۴﴾

017.054 Rabbukum aAAlamu bikum in yasha/ yarhamkum aw in yasha/ yuAAaththibkum wama arsalnaka AAalayhim wakeelan

17:54 Jullie Heer kent jullie het best. Indien Hij wil, begenadigt Hij jullie; of, indien Hij wil, bestraft Hij jullie. En Wij hebben u niet als voogd tot hen gezonden.


وَ رَبُّکَ اَعۡلَمُ بِمَنۡ فِی السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ وَ لَقَدۡ فَضَّلۡنَا بَعۡضَ النَّبِیّٖنَ عَلٰی بَعۡضٍ وَّ اٰتَیۡنَا دَاوٗدَ زَبُوۡرًا ﴿۵۵﴾

017.055 Warabbuka aAAlamu biman fee alssamawati waal-ardi walaqad faddalna baAAda alnnabiyyeena AAala baAAdin waatayna dawooda zabooran

17:55 En jouw Heer weet beter over wie er in de hemelen en (op) de aarde is. En Wij hebben sommige Profeten bevoorrecht boven andere Profeten, en Wij gaven David de Zaboer(de Psalmen).


قُلِ ادۡعُوا الَّذِیۡنَ زَعَمۡتُمۡ مِّنۡ دُوۡنِہٖ فَلَا یَمۡلِکُوۡنَ کَشۡفَ الضُّرِّ عَنۡکُمۡ وَ لَا تَحۡوِیۡلًا ﴿۵۶﴾

017.056 Quli odAAu allatheena zaAAamtum min doonihi fala yamlikoona kashfa alddurri AAankum wala tahweelan

17:56 Zeg : "Roept degenen die jullie naast Allah als god veronderstellen maar aan, zij hebben geen mach over het kwade van jullie weg te nemen of het te veranderen."


اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ یَدۡعُوۡنَ یَبۡتَغُوۡنَ اِلٰی رَبِّہِمُ الۡوَسِیۡلَۃَ اَیُّہُمۡ اَقۡرَبُ وَ یَرۡجُوۡنَ رَحۡمَتَہٗ وَ یَخَافُوۡنَ عَذَابَہٗ ؕ اِنَّ عَذَابَ رَبِّکَ کَانَ مَحۡذُوۡرًا ﴿۵۷﴾

017.057 Ola-ika allatheena yadAAoona yabtaghoona ila rabbihimu alwaseelata ayyuhum aqrabu wayarjoona rahmatahu wayakhafoona AAathabahu inna AAathaba rabbika kana mahthooran

17:57 Degenen die zij (de godenaanbidders) aanroepen, zoeken zelf naar een middel om nader tot hun Heer te komen. Wie van hen het dichtst bij (hun Heer)zijn hopen op Zijn Barmhartigheid en vrezen Zijn bestraffing. Voor de bestraffing van jouw Heer moet men op de hoede zijn.


وَ اِنۡ مِّنۡ قَرۡیَۃٍ اِلَّا نَحۡنُ مُہۡلِکُوۡہَا قَبۡلَ یَوۡمِ الۡقِیٰمَۃِ اَوۡ مُعَذِّبُوۡہَا عَذَابًا شَدِیۡدًا ؕ کَانَ ذٰلِکَ فِی الۡکِتٰبِ مَسۡطُوۡرًا ﴿۵۸﴾

017.058 Wa-in min qaryatin illa nahnu muhlikooha qabla yawmi alqiyamati aw muAAaththibooha AAathaban shadeedan kana thalika fee alkitabi mastooran

17:58 En er is geen stad (volk), of Wij zullen hen voor de Dag van de Opstanding vernietigen, of haar bestraffen met een harde straf. Dat is (vastgelegd) in het geschreven Boek (Al-Lauh Al-Mahfuz).


وَ مَا مَنَعَنَاۤ اَنۡ نُّرۡسِلَ بِالۡاٰیٰتِ اِلَّاۤ اَنۡ کَذَّبَ بِہَا الۡاَوَّلُوۡنَ ؕ وَ اٰتَیۡنَا ثَمُوۡدَ النَّاقَۃَ مُبۡصِرَۃً فَظَلَمُوۡا بِہَا ؕ وَ مَا نُرۡسِلُ بِالۡاٰیٰتِ اِلَّا تَخۡوِیۡفًا ﴿۵۹﴾

017.059 Wama manaAAana an nursila bial-ayati illa an kaththaba biha al-awwaloona waatayna thamooda alnnaqata mubsiratan fathalamoo biha wama nursilu bial-ayati illa takhweefan

17:59 En het verhinderde Ons de Tekenen neer te zenden, alleen omdat voorafgaande generaties hen loochenden. En Wij gaven de Tsamoed de vrouwelijke kameel, als een zichtbaar (Teken) maar zij behandelden haar onrechtvaardig. En Wij zenden slechts Tekenen om vrees op te wekken.


وَ اِذۡ قُلۡنَا لَکَ اِنَّ رَبَّکَ اَحَاطَ بِالنَّاسِ ؕ وَ مَا جَعَلۡنَا الرُّءۡیَا الَّتِیۡۤ اَرَیۡنٰکَ اِلَّا فِتۡنَۃً لِّلنَّاسِ وَ الشَّجَرَۃَ الۡمَلۡعُوۡنَۃَ فِی الۡقُرۡاٰنِ ؕ وَ نُخَوِّفُہُمۡ ۙ فَمَا یَزِیۡدُہُمۡ اِلَّا طُغۡیَانًا کَبِیۡرًا ﴿٪۶۰﴾

017.060 Wa-ith qulna laka inna rabbaka ahata bialnnasi wama jaAAalna alrru/ya allatee araynaka illa fitnatan lilnnasi waalshshajarata almalAAoonata fee alqur-ani wanukhawwifuhum fama yazeeduhum illa tughyanan kabeeran

17:60 En (gedenk) toen Wij tot u zeiden dat uw Heer de mensheid omsingeld. En wij het visioen dat Wij u hebben laten zien alleen maar tot een beproeving voor de mensheid gemaakt en ook de in de Kuran vermelde vervloekte boom. Wij wekken vrees bij hun op, maar zij nemen slechts toe in grote onbeschaamdheid.


وَ اِذۡ قُلۡنَا لِلۡمَلٰٓئِکَۃِ اسۡجُدُوۡا لِاٰدَمَ فَسَجَدُوۡۤا اِلَّاۤ اِبۡلِیۡسَ ؕ قَالَ ءَاَسۡجُدُ لِمَنۡ خَلَقۡتَ طِیۡنًا ﴿ۚ۶۱﴾

017.061 Wa-ith qulna lilmala-ikati osjudoo li-adama fasajadoo illa ibleesa qala aasjudu liman khalaqta teenan

17:61 En toen Wij tot de Engelen zeiden: "Prosterneer jullie neer voor Adam," toen prosterneerde zij allen, behalve Iblis (Satan). Hij zei: "Moet ik (mij)prosterneren voor iemand die U uit aarde heeft geschapen?"


قَالَ اَرَءَیۡتَکَ ہٰذَا الَّذِیۡ کَرَّمۡتَ عَلَیَّ ۫ لَئِنۡ اَخَّرۡتَنِ اِلٰی یَوۡمِ الۡقِیٰمَۃِ لَاَحۡتَنِکَنَّ ذُرِّیَّتَہٗۤ اِلَّا قَلِیۡلًا ﴿۶۲﴾

017.062 Qala araaytaka hatha allathee karramta AAalayya la-in akhkhartani ila yawmi alqiyamati laahtanikanna thurriyyatahu illa qaleelan

17:62 Hij (Iblis) zei: "Ziet U? Dat is degene die U boven mij geerd hebt. Indien U mij uitstel geeft tot de Dag van de Opstanding zal ik zeker zijn nageslacht doen dwalen, behalve enkele van hen (de rechtvaardigen)."


قَالَ اذۡہَبۡ فَمَنۡ تَبِعَکَ مِنۡہُمۡ فَاِنَّ جَہَنَّمَ جَزَآؤُکُمۡ جَزَآءً مَّوۡفُوۡرًا ﴿۶۳﴾

017.063 Qala ithhab faman tabiAAaka minhum fa-inna jahannama jazaokum jazaan mawfooran

17:63 Allah zei: "Ga heen als iemand van hen jou volgt: de Hel zal jullie beloning zijn, als een volledige beloning!


وَ اسۡتَفۡزِزۡ مَنِ اسۡتَطَعۡتَ مِنۡہُمۡ بِصَوۡتِکَ وَ اَجۡلِبۡ عَلَیۡہِمۡ بِخَیۡلِکَ وَ رَجِلِکَ وَ شَارِکۡہُمۡ فِی الۡاَمۡوَالِ وَ الۡاَوۡلَادِ وَ عِدۡہُمۡ ؕ وَ مَا یَعِدُہُمُ الشَّیۡطٰنُ اِلَّا غُرُوۡرًا ﴿۶۴﴾

017.064 Waistafziz mani istataAAta minhum bisawtika waajlib AAalayhim bikhaylika warajlika washarik-hum fee al-amwali waal-awladi waAAidhum wama yaAAiduhumu alshshaytanu illa ghurooran

17:64 En misleid hen die u kan met jouw stem (bijvoorbeeld met jouw liederen, muziek en het geen dat leidt tot Allah's ongehoorzaamheid), pleeg aanslag op hen met jouw cavalerie en jouw infanterie, deel met hem rijkdom en kinderen en doe hun toezeggingen; de Satan belooft hen niets dan bedrog.


اِنَّ عِبَادِیۡ لَیۡسَ لَکَ عَلَیۡہِمۡ سُلۡطٰنٌ ؕ وَ کَفٰی بِرَبِّکَ وَکِیۡلًا ﴿۶۵﴾

017.065 Inna AAibadee laysa laka AAalayhim sultanun wakafa birabbika wakeelan

17:65 Voorwaar, jij hebt geen macht over Mijn dienaren. En jouw Heer is voldoende als Beschermer."


رَبُّکُمُ الَّذِیۡ یُزۡجِیۡ لَکُمُ الۡفُلۡکَ فِی الۡبَحۡرِ لِتَبۡتَغُوۡا مِنۡ فَضۡلِہٖ ؕ اِنَّہٗ کَانَ بِکُمۡ رَحِیۡمًا ﴿۶۶﴾

017.066 Rabbukumu allathee yuzjee lakumu alfulka fee albahri litabtaghoo min fadlihi innahu kana bikum raheeman

17:66 Jullie Heer is Degene Die voor jullie de schepen op zee doet varen, opdat jullie van Zijn gunsten zoeken. Voorwaar, Hij is voor jullie Meest Barmhartig.


وَ اِذَا مَسَّکُمُ الضُّرُّ فِی الۡبَحۡرِ ضَلَّ مَنۡ تَدۡعُوۡنَ اِلَّاۤ اِیَّاہُ ۚ فَلَمَّا نَجّٰىکُمۡ اِلَی الۡبَرِّ اَعۡرَضۡتُمۡ ؕ وَ کَانَ الۡاِنۡسَانُ کَفُوۡرًا ﴿۶۷﴾

017.067 Wa-itha massakumu alddurru fee albahri dalla man tadAAoona illa iyyahu falamma najjakum ila albarri aAAradtum wakana al-insanu kafooran

17:67 En wanneer jullie op zee de tegenspoed treft, dan verdwijnt degene die jullie aanroepen, behalve Hij (Allah). Maar wanneer Hij jullie gered heeft en aan land heeft gebracht, wenden jullie je (van Hem) af; de mens is ondankbaar!


اَفَاَمِنۡتُمۡ اَنۡ یَّخۡسِفَ بِکُمۡ جَانِبَ الۡبَرِّ اَوۡ یُرۡسِلَ عَلَیۡکُمۡ حَاصِبًا ثُمَّ لَا تَجِدُوۡا لَکُمۡ وَکِیۡلًا ﴿ۙ۶۸﴾

017.068 Afaamintum an yakhsifa bikum janiba albarri aw yursila AAalaykum hasiban thumma la tajidoo lakum wakeelan

17:68 Voelen jullie je er veilig voor, dat Hij jullie niet in de aarde weg doet zinken wanneer jullie op het land zijn, of dat Hij een sterke orkaan over jullie doet waaien? Vervolgens vinden jullie geen beschermer voor jullie.


اَمۡ اَمِنۡتُمۡ اَنۡ یُّعِیۡدَکُمۡ فِیۡہِ تَارَۃً اُخۡرٰی فَیُرۡسِلَ عَلَیۡکُمۡ قَاصِفًا مِّنَ الرِّیۡحِ فَیُغۡرِقَکُمۡ بِمَا کَفَرۡتُمۡ ۙ ثُمَّ لَا تَجِدُوۡا لَکُمۡ عَلَیۡنَا بِہٖ تَبِیۡعًا ﴿۶۹﴾

017.069 Am amintum an yuAAeedakum feehi taratan okhra fayursila AAalaykum qasifan mina alrreehi fayughriqakum bima kafartum thumma la tajidoo lakum AAalayna bihi tabeeAAan

17:69 Of voelen jullie je er veilig voor, dat hij jullie een andere keer (naar de zee) doet terug keren? En dat Hij dan voor jullie een orkaan stuurt die jullie laat verdrinken, omdat jullie ongelovig zijn en dat jullie dan daarin geen helper tegen Ons vinden?


وَ لَقَدۡ کَرَّمۡنَا بَنِیۡۤ اٰدَمَ وَ حَمَلۡنٰہُمۡ فِی الۡبَرِّ وَ الۡبَحۡرِ وَ رَزَقۡنٰہُمۡ مِّنَ الطَّیِّبٰتِ وَ فَضَّلۡنٰہُمۡ عَلٰی کَثِیۡرٍ مِّمَّنۡ خَلَقۡنَا تَفۡضِیۡلًا ﴿٪۷۰﴾

017.070 Walaqad karramna banee adama wahamalnahum fee albarri waalbahri warazaqnahum mina alttayyibati wafaddalnahum AAala katheerin mimman khalaqna tafdeelan

17:70 En Wij hebben de kinderen van Adam geerd. En Wij hebben hen op het vasteland en op de zee gedragen. En Wij hebben hen met goede levensonderhoud voorzien. En Wij hebben hen bevoorrecht boven vele van de andere schepsels die Wij geschapen hebben.


یَوۡمَ نَدۡعُوۡا کُلَّ اُنَاسٍۭ بِاِمَامِہِمۡ ۚ فَمَنۡ اُوۡتِیَ کِتٰبَہٗ بِیَمِیۡنِہٖ فَاُولٰٓئِکَ یَقۡرَءُوۡنَ کِتٰبَہُمۡ وَ لَا یُظۡلَمُوۡنَ فَتِیۡلًا ﴿۷۱﴾

017.071 Yawma nadAAoo kulla onasin bi-imamihim faman ootiya kitabahu biyameenihi faola-ika yaqraoona kitabahum wala yuthlamoona fateelan

17:71 Op de dag waarop Wij alle mensen met hun boeken zullen oproepen: wie dan zijn boek (met zijn daden) in zijn rechterhand gegeven wordt: zij zijn degenen die hun boek (met een gerust hart) lezen. En hen zal geen enkel onrecht aangedaan worden.


وَ مَنۡ کَانَ فِیۡ ہٰذِہٖۤ اَعۡمٰی فَہُوَ فِی الۡاٰخِرَۃِ اَعۡمٰی وَ اَضَلُّ سَبِیۡلًا ﴿۷۲﴾

017.072 Waman kana fee hathihi aAAma fahuwa fee al-akhirati aAAma waadallu sabeelan

17:72 En wie blind is (van hart) in deze wereld, zal in het Hiernamaals ook blind zijn en totaal verdwaald zijn van het pad.


وَ اِنۡ کَادُوۡا لَیَفۡتِنُوۡنَکَ عَنِ الَّذِیۡۤ اَوۡحَیۡنَاۤ اِلَیۡکَ لِتَفۡتَرِیَ عَلَیۡنَا غَیۡرَہٗ ٭ۖ وَ اِذًا لَّاتَّخَذُوۡکَ خَلِیۡلًا ﴿۷۳﴾

017.073 Wa-in kadoo layaftinoonaka AAani allathee awhayna ilayka litaftariya AAalayna ghayrahu wa-ithan laittakhathooka khaleelan

17:73 En zij hadden u bijna afgewend van wat Wij aan u geopenbaard hadden, zodat u iets anders over Ons verzonnen zou hebben; dan hadden zij u zeker als boezemvriend genomen!


وَ لَوۡ لَاۤ اَنۡ ثَبَّتۡنٰکَ لَقَدۡ کِدۡتَّ تَرۡکَنُ اِلَیۡہِمۡ شَیۡئًا قَلِیۡلًا ﴿٭ۙ۷۴﴾

017.074 Walawla an thabbatnaka laqad kidta tarkanu ilayhim shay-an qaleelan

17:74 En als Wij u niet sterk hadden gemaakt, dan zou u bijna tot hen geneigd hebben.


اِذًا لَّاَذَقۡنٰکَ ضِعۡفَ الۡحَیٰوۃِ وَ ضِعۡفَ الۡمَمَاتِ ثُمَّ لَا تَجِدُ لَکَ عَلَیۡنَا نَصِیۡرًا ﴿۷۵﴾

017.075 Ithan laathaqnaka diAAfa alhayati wadiAAfa almamati thumma la tajidu laka AAalayna naseeran

17:75 Dan zouden Wij u een dubbel deel (van de bestraffing) van dit leven en een dubbel deel (van de bestraffing) na de dood laten proeven. En u zou dan geen beschermer tegen Ons vinden.


وَ اِنۡ کَادُوۡا لَیَسۡتَفِزُّوۡنَکَ مِنَ الۡاَرۡضِ لِیُخۡرِجُوۡکَ مِنۡہَا وَ اِذًا لَّا یَلۡبَثُوۡنَ خِلٰفَکَ اِلَّا قَلِیۡلًا ﴿۷۶﴾

017.076 Wa-in kadoo layastafizzoonaka mina al-ardi liyukhrijooka minha wa-ithan la yalbathoona khilafaka illa qaleelan

17:76 En bijna hadden zij u vanuit het land opgejaagd, om u eruit te verdrijven. In dat geval dan zouden zij slechts een tijdje erin gebleven zijn (zij zouden vernietigd worden).


سُنَّۃَ مَنۡ قَدۡ اَرۡسَلۡنَا قَبۡلَکَ مِنۡ رُّسُلِنَا وَ لَا تَجِدُ لِسُنَّتِنَا تَحۡوِیۡلًا ﴿٪۷۷﴾

017.077 Sunnata man qad arsalna qablaka min rusulina wala tajidu lisunnatina tahweelan

17:77 (Dit was) de handelwijze van de Boodschappers die Wij vr u gezonden hebben en u zult geen verandering in Onze handelwijze vinden.


اَقِمِ الصَّلٰوۃَ لِدُلُوۡکِ الشَّمۡسِ اِلٰی غَسَقِ الَّیۡلِ وَ قُرۡاٰنَ الۡفَجۡرِ ؕ اِنَّ قُرۡاٰنَ الۡفَجۡرِ کَانَ مَشۡہُوۡدًا ﴿۷۸﴾

017.078 Aqimi alssalata lidulooki alshshamsi ila ghasaqi allayli waqur-ana alfajri inna qur-ana alfajri kana mashhoodan

17:78 Onderhoud de salaat na het hoogtepunt van de zon tot de duisternis van de nacht en het Fadjr-gebed. Voorwaar, het Fadjr-gebed wordt getuigd (door Engelen).


وَ مِنَ الَّیۡلِ فَتَہَجَّدۡ بِہٖ نَافِلَۃً لَّکَ ٭ۖ عَسٰۤی اَنۡ یَّبۡعَثَکَ رَبُّکَ مَقَامًا مَّحۡمُوۡدًا ﴿۷۹﴾

017.079 Wamina allayli fatahajjad bihi nafilatan laka AAasa an yabAAathaka rabbuka maqaman mahmoodan

17:79 En verricht in een gedeelte van het nacht gebed, als een extra (gebed) voor u. Uw Heer zal jou zeker tot een loffelijke positie verheffen.


وَ قُلۡ رَّبِّ اَدۡخِلۡنِیۡ مُدۡخَلَ صِدۡقٍ وَّ اَخۡرِجۡنِیۡ مُخۡرَجَ صِدۡقٍ وَّ اجۡعَلۡ لِّیۡ مِنۡ لَّدُنۡکَ سُلۡطٰنًا نَّصِیۡرًا ﴿۸۰﴾

017.080 Waqul rabbi adkhilnee mudkhala sidqin waakhrijnee mukhraja sidqin waijAAal lee min ladunka sultanan naseeran

17:80 Zeg : "Laat mij binnentreden op een oprechte wijze en laat mij verlaten op een oprechte wijze en doe mij van Uw Zijde helpende macht toekomen."


وَ قُلۡ جَآءَ الۡحَقُّ وَ زَہَقَ الۡبَاطِلُ ؕ اِنَّ الۡبَاطِلَ کَانَ زَہُوۡقًا ﴿۸۱﴾

017.081 Waqul jaa alhaqqu wazahaqa albatilu inna albatila kana zahooqan

17:81 En zeg: "De Waarheid is gekomen en de valsheid is ten onder gegaan. Voorwaar, de valsheid gaat ten onder."


وَ نُنَزِّلُ مِنَ الۡقُرۡاٰنِ مَا ہُوَ شِفَآءٌ وَّ رَحۡمَۃٌ لِّلۡمُؤۡمِنِیۡنَ ۙ وَ لَا یَزِیۡدُ الظّٰلِمِیۡنَ اِلَّا خَسَارًا ﴿۸۲﴾

017.082 Wanunazzilu mina alqur-ani ma huwa shifaon warahmatun lilmu/mineena wala yazeedu alththalimeena illa khasaran

17:82 En Wij zenden van de Kuran hetgeen een genezing en een barmhartigheid is voor degenen die geloven. En voor de onrechtvaardigen vermeerdert het slechts verlies.


وَ اِذَاۤ اَنۡعَمۡنَا عَلَی الۡاِنۡسَانِ اَعۡرَضَ وَ نَاٰ بِجَانِبِہٖ ۚ وَ اِذَا مَسَّہُ الشَّرُّ کَانَ یَــُٔوۡسًا ﴿۸۳﴾

017.083 Wa-itha anAAamna AAala al-insani aAArada wanaa bijanibihi wa-itha massahu alshsharru kana yaoosan

17:83 En wanneer Wij de mens begunstigen wendt hij zich af en keert zijn zijde toe, maar als het kwaad hem treft wordt hij wanhopig.


قُلۡ کُلٌّ یَّعۡمَلُ عَلٰی شَاکِلَتِہٖ ؕ فَرَبُّکُمۡ اَعۡلَمُ بِمَنۡ ہُوَ اَہۡدٰی سَبِیۡلًا ﴿٪۸۴﴾

017.084 Qul kullun yaAAmalu AAala shakilatihi farabbukum aAAlamu biman huwa ahda sabeelan

17:84 Zeg: "Een ieder handelt naar zijn aard en jullie Heer weet het best wie er tot het rechte pad geleid is."


وَ یَسۡـَٔلُوۡنَکَ عَنِ الرُّوۡحِ ؕ قُلِ الرُّوۡحُ مِنۡ اَمۡرِ رَبِّیۡ وَ مَاۤ اُوۡتِیۡتُمۡ مِّنَ الۡعِلۡمِ اِلَّا قَلِیۡلًا ﴿۸۵﴾

017.085 Wayas-aloonaka AAani alrroohi quli alrroohu min amri rabbee wama ooteetum mina alAAilmi illa qaleelan

17:85 En zij vragen u over de ziel, zeg: "De ziel behoort tot de zaken van mijn Heer. En over kennis (in het algemeen) is slechts weinig aan jullie gegeven."


وَ لَئِنۡ شِئۡنَا لَنَذۡہَبَنَّ بِالَّذِیۡۤ اَوۡحَیۡنَاۤ اِلَیۡکَ ثُمَّ لَا تَجِدُ لَکَ بِہٖ عَلَیۡنَا وَکِیۡلًا ﴿ۙ۸۶﴾

017.086 Wala-in shi/na lanathhabanna biallathee awhayna ilayka thumma la tajidu laka bihi AAalayna wakeelan

17:86 En indien Wij het wilden, zouden Wij hetgeen wegnemen wat Wij aan u geopenbaard hebben. Dan zou u geen beschermer tegen Ons vinden.


اِلَّا رَحۡمَۃً مِّنۡ رَّبِّکَ ؕ اِنَّ فَضۡلَہٗ کَانَ عَلَیۡکَ کَبِیۡرًا ﴿۸۷﴾

017.087 Illa rahmatan min rabbika inna fadlahu kana AAalayka kabeeran

17:87 Behalve als Barmhartigheid van uw Heer, voorwaar: Zijn gunst voor u is groot.


قُلۡ لَّئِنِ اجۡتَمَعَتِ الۡاِنۡسُ وَ الۡجِنُّ عَلٰۤی اَنۡ یَّاۡتُوۡا بِمِثۡلِ ہٰذَا الۡقُرۡاٰنِ لَا یَاۡتُوۡنَ بِمِثۡلِہٖ وَ لَوۡ کَانَ بَعۡضُہُمۡ لِبَعۡضٍ ظَہِیۡرًا ﴿۸۸﴾

017.088 Qul la-ini ijtamaAAati al-insu waaljinnu AAala an ya/too bimithli hatha alqur-ani la ya/toona bimithlihi walaw kana baAAduhum libaAAdin thaheeran

17:88 Zeg : "Als de mensen en de Djinn's zich zouden verzamelen om het gelijke van deze Kuran te maken; dan zouden zij niet in staat zijn om het gelijke te maken, zelfs al zouden zij elkaar helpen."


وَ لَقَدۡ صَرَّفۡنَا لِلنَّاسِ فِیۡ ہٰذَا الۡقُرۡاٰنِ مِنۡ کُلِّ مَثَلٍ ۫ فَاَبٰۤی اَکۡثَرُ النَّاسِ اِلَّا کُفُوۡرًا ﴿۸۹﴾

017.089 Walaqad sarrafna lilnnasi fee hatha alqur-ani min kulli mathalin faaba aktharu alnnasi illa kufooran

17:89 En voorzeker, Wij hebben voor de mensen in deze Kuran alle (soorten) vergelijkingen uitgelegd, maar de meeste mensen weigeren (de waarheid en accepteren niets) behalve het ongeloof.


وَ قَالُوۡا لَنۡ نُّؤۡمِنَ لَکَ حَتّٰی تَفۡجُرَ لَنَا مِنَ الۡاَرۡضِ یَنۡۢبُوۡعًا ﴿ۙ۹۰﴾

017.090 Waqaloo lan nu/mina laka hatta tafjura lana mina al-ardi yanbooAAan

17:90 En zij zeiden (tegen Mohammed): "Wij zullen u nooit geloven, totdat u voor ons een bron uit de aarde doet ontspringen.


اَوۡ تَکُوۡنَ لَکَ جَنَّۃٌ مِّنۡ نَّخِیۡلٍ وَّ عِنَبٍ فَتُفَجِّرَ الۡاَنۡہٰرَ خِلٰلَہَا تَفۡجِیۡرًا ﴿ۙ۹۱﴾

017.091 Aw takoona laka jannatun min nakheelin waAAinabin fatufajjira al-anhara khilalaha tafjeeran

17:91 Of totdat u een tuin met dadelpalmen en druivenstruiken hebt, en dan overvloedige rivieren uit hun midden doet ontspringen.


اَوۡ تُسۡقِطَ السَّمَآءَ کَمَا زَعَمۡتَ عَلَیۡنَا کِسَفًا اَوۡ تَاۡتِیَ بِاللّٰہِ وَ الۡمَلٰٓئِکَۃِ قَبِیۡلًا ﴿ۙ۹۲﴾

017.092 Aw tusqita alssamaa kama zaAAamta AAalayna kisafan aw ta/tiya biAllahi waalmala-ikati qabeelan

17:92 Of totdat u de hemel in stukken op ons neer doet vallen, zoals u ons beweert, of totdat u Allah en de Engelen voor ons brengt.


اَوۡ یَکُوۡنَ لَکَ بَیۡتٌ مِّنۡ زُخۡرُفٍ اَوۡ تَرۡقٰی فِی السَّمَآءِ ؕ وَ لَنۡ نُّؤۡمِنَ لِرُقِیِّکَ حَتّٰی تُنَزِّلَ عَلَیۡنَا کِتٰبًا نَّقۡرَؤُہٗ ؕ قُلۡ سُبۡحَانَ رَبِّیۡ ہَلۡ کُنۡتُ اِلَّا بَشَرًا رَّسُوۡلًا ﴿٪۹۳﴾

017.093 Aw yakoona laka baytun min zukhrufin aw tarqa fee alssama-i walan nu/mina liruqiyyika hatta tunazzila AAalayna kitaban naqraohu qul subhana rabbee hal kuntu illa basharan rasoolan

17:93 Of totdat u een huis (versierd met goud) hebt, of totdat u naar de hemel opstijgt. En wij zullen uw opstijging nooit geloven, totdat u een boek tot ons neerzendt dat wij kunnen lezen." Zeg : "Heilig is mijn Heer, ik ben niets anders dan een menselijke Boodschapper."


وَ مَا مَنَعَ النَّاسَ اَنۡ یُّؤۡمِنُوۡۤا اِذۡ جَآءَہُمُ الۡہُدٰۤی اِلَّاۤ اَنۡ قَالُوۡۤا اَبَعَثَ اللّٰہُ بَشَرًا رَّسُوۡلًا ﴿۹۴﴾

017.094 Wama manaAAa alnnasa an yu/minoo ith jaahumu alhuda illa an qaloo abaAAatha Allahu basharan rasoolan

17:94 En niets weerhield de mens om te geloven toen de leiding tot hem kwam, behalve dat zei zeiden: Heeft Allah een menselijke boodschapper gezonden?"


قُلۡ لَّوۡ کَانَ فِی الۡاَرۡضِ مَلٰٓئِکَۃٌ یَّمۡشُوۡنَ مُطۡمَئِنِّیۡنَ لَنَزَّلۡنَا عَلَیۡہِمۡ مِّنَ السَّمَآءِ مَلَکًا رَّسُوۡلًا ﴿۹۵﴾

017.095 Qul law kana fee al-ardi mala-ikatun yamshoona mutma-inneena lanazzalna AAalayhim mina alssama-i malakan rasoolan

17:95 Zeg: "Als er op de aarde Engelen waren die vredig en op hun gemak zouden wandelen, dan zouden Wij zeker een Engel uit de hemel als boodschapper neergezonden hebben."


قُلۡ کَفٰی بِاللّٰہِ شَہِیۡدًۢا بَیۡنِیۡ وَ بَیۡنَکُمۡ ؕ اِنَّہٗ کَانَ بِعِبَادِہٖ خَبِیۡرًۢا بَصِیۡرًا ﴿۹۶﴾

017.096 Qul kafa biAllahi shaheedan baynee wabaynakum innahu kana biAAibadihi khabeeran baseeran

17:96 Zeg: "Allah is voldoende als Getuige tussen mij en jullie, voorwaar Hij is Alwetend, Alziend over Zijn dienaren."


وَ مَنۡ یَّہۡدِ اللّٰہُ فَہُوَ الۡمُہۡتَدِ ۚ وَ مَنۡ یُّضۡلِلۡ فَلَنۡ تَجِدَ لَہُمۡ اَوۡلِیَآءَ مِنۡ دُوۡنِہٖ ؕ وَ نَحۡشُرُہُمۡ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ عَلٰی وُجُوۡہِہِمۡ عُمۡیًا وَّ بُکۡمًا وَّ صُمًّا ؕ مَاۡوٰىہُمۡ جَہَنَّمُ ؕ کُلَّمَا خَبَتۡ زِدۡنٰہُمۡ سَعِیۡرًا ﴿۹۷﴾

017.097 Waman yahdi Allahu fahuwa almuhtadi waman yudlil falan tajida lahum awliyaa min doonihi wanahshuruhum yawma alqiyamati AAala wujoohihim AAumyan wabukman wasumman ma/wahum jahannamu kullama khabat zidnahum saAAeeran

17:97 En wie door Allah geleid wordt, hij is juist geleid; maar wie (door Hem) tot dwaling gebracht wordt, voor hem zal er geen helper zijn buiten Hem. En Wij zullen hen op de Dag van de Opstanding op hun gezichten verzamelen: blind, stom en doof. Hun verblijfplaats is de Hel; telkens als het begint te doven wakkeren Wij voor hen de vuurgloed aan.


ذٰلِکَ جَزَآؤُہُمۡ بِاَنَّہُمۡ کَفَرُوۡا بِاٰیٰتِنَا وَ قَالُوۡۤاءَ اِذَا کُنَّا عِظَامًا وَّ رُفَاتًاءَ اِنَّا لَمَبۡعُوۡثُوۡنَ خَلۡقًا جَدِیۡدًا ﴿۹۸﴾

017.098 Thalika jazaohum bi-annahum kafaroo bi-ayatina waqaloo a-itha kunna AAithaman warufatan a-inna lamabAAoothoona khalqan jadeedan

17:98 Dat is hun beloning, omdat zij Onze Tekenen verwierpen, en zij zeiden: "Wanneer Wij botten en overblijfselen zijn geworden, zullen wij dan tot een nieuwe schepping opgewekt worden?"


اَوَ لَمۡ یَرَوۡا اَنَّ اللّٰہَ الَّذِیۡ خَلَقَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ قَادِرٌ عَلٰۤی اَنۡ یَّخۡلُقَ مِثۡلَہُمۡ وَ جَعَلَ لَہُمۡ اَجَلًا لَّا رَیۡبَ فِیۡہِ ؕ فَاَبَی الظّٰلِمُوۡنَ اِلَّا کُفُوۡرًا ﴿۹۹﴾

017.099 Awa lam yaraw anna Allaha allathee khalaqa alssamawati waal-arda qadirun AAala an yakhluqa mithlahum wajaAAala lahum ajalan la rayba feehi faaba alththalimoona illa kufooran

17:99 Hebben zij dan niet gezien dat Allah die de hemelen en de aarde geschapen heeft, de macht heeft iets te scheppen wat daaraan gelijk is? En Hij heeft voor beiden (de hemel en aarde) een termijn gesteld waaraan geen twijfel is, maar de onrechtplegers willen alleen maar ongelovig zijn.


قُلۡ لَّوۡ اَنۡتُمۡ تَمۡلِکُوۡنَ خَزَآئِنَ رَحۡمَۃِ رَبِّیۡۤ اِذًا لَّاَمۡسَکۡتُمۡ خَشۡیَۃَ الۡاِنۡفَاقِ ؕ وَ کَانَ الۡاِنۡسَانُ قَتُوۡرًا ﴿۱۰۰﴾٪

017.100 Qul law antum tamlikoona khaza-ina rahmati rabbee ithan laamsaktum khashyata al-infaqi wakana al-insanu qatooran

17:100 Zeg: "Als jullie de schatten van Barmhartigheid van mijn Heer zouden bezitten, dan zouden jullie het vasthouden uit vrees voor de uitgave (ervan)." En de mens is gierig!


وَ لَقَدۡ اٰتَیۡنَا مُوۡسٰی تِسۡعَ اٰیٰتٍۭ بَیِّنٰتٍ فَسۡـَٔلۡ بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ اِذۡ جَآءَہُمۡ فَقَالَ لَہٗ فِرۡعَوۡنُ اِنِّیۡ لَاَظُنُّکَ یٰمُوۡسٰی مَسۡحُوۡرًا ﴿۱۰۱﴾

017.101 Walaqad atayna moosa tisAAa ayatin bayyinatin fais-al banee isra-eela ith jaahum faqala lahu firAAawnu innee laathunnuka ya moosa mashooran

17:101 En Wij hebben Mozes negen duidelijke Tekenen gegeven, vraag de kinderen van Isral toen Mozes tot hen kwam, en Farao zei tot hem: "Ik ga er vanuit dat U, O Mozes, betoverd bent!"


قَالَ لَقَدۡ عَلِمۡتَ مَاۤ اَنۡزَلَ ہٰۤؤُلَآءِ اِلَّا رَبُّ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ بَصَآئِرَ ۚ وَ اِنِّیۡ لَاَظُنُّکَ یٰفِرۡعَوۡنُ مَثۡبُوۡرًا ﴿۱۰۲﴾

017.102 Qala laqad AAalimta ma anzala haola-i illa rabbu alssamawati waal-ardi basa-ira wa-innee laathunnuka ya firAAawnu mathbooran

17:102 Mozes zei: "Jij weet dat niemand anders die (Tekenen) heeft neergezonden dan de Heer van de hemelen en de aarde, als een duidelijk bewijs. Voorwaar, ik ga er vanuit dat jij, O Farao, ten ondergang gedoemd bent."


فَاَرَادَ اَنۡ یَّسۡتَفِزَّہُمۡ مِّنَ الۡاَرۡضِ فَاَغۡرَقۡنٰہُ وَ مَنۡ مَّعَہٗ جَمِیۡعًا ﴿۱۰۳﴾ۙ

017.103 Faarada an yastafizzahum mina al-ardi faaghraqnahu waman maAAahu jameeAAan

17:103 Vervolgens wenste hij (Farao) hen uit het land te verdrijven, dus verdronken Wij hem en degenen die met hem waren allemaal.


وَّ قُلۡنَا مِنۡۢ بَعۡدِہٖ لِبَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ اسۡکُنُوا الۡاَرۡضَ فَاِذَا جَآءَ وَعۡدُ الۡاٰخِرَۃِ جِئۡنَا بِکُمۡ لَفِیۡفًا ﴿۱۰۴﴾ؕ

017.104 Waqulna min baAAdihi libanee isra-eela oskunoo al-arda fa-itha jaa waAAdu al-akhirati ji/na bikum lafeefan

17:104 En na hem (Farao) Wij zeiden tot de Kinderen van Isral: "Woont in het land, wanneer dan de laatste aanzegging komt zullen Wij jullie gemengd bijeenbrengen."


وَ بِالۡحَقِّ اَنۡزَلۡنٰہُ وَ بِالۡحَقِّ نَزَلَ ؕ وَ مَاۤ اَرۡسَلۡنٰکَ اِلَّا مُبَشِّرًا وَّ نَذِیۡرًا ﴿۱۰۵﴾ۘ

017.105 Wabialhaqqi anzalnahu wabialhaqqi nazala wama arsalnaka illa mubashshiran wanatheeran

17:105 En met de Waarheid hebben Wij de Kuran neergezonden en met de Waarheid is hij neergedaald. En Wij hebben u niets anders dan een verkondiger van goede tijdingen en een waarschuwer gezonden.


وَ قُرۡاٰنًا فَرَقۡنٰہُ لِتَقۡرَاَہٗ عَلَی النَّاسِ عَلٰی مُکۡثٍ وَّ نَزَّلۡنٰہُ تَنۡزِیۡلًا ﴿۱۰۶﴾

017.106 Waqur-anan faraqnahu litaqraahu AAala alnnasi AAala mukthin wanazzalnahu tanzeelan

17:106 En het is een Kuran die Wij in gedeeltes hebben opgedeeld opdat u hem bedachtzaam aan de mensen reciteert; Wij hem in fases neergezonden.


قُلۡ اٰمِنُوۡا بِہٖۤ اَوۡ لَا تُؤۡمِنُوۡا ؕ اِنَّ الَّذِیۡنَ اُوۡتُوا الۡعِلۡمَ مِنۡ قَبۡلِہٖۤ اِذَا یُتۡلٰی عَلَیۡہِمۡ یَخِرُّوۡنَ لِلۡاَذۡقَانِ سُجَّدًا ﴿۱۰۷﴾ۙ

017.107 Qul aminoo bihi aw la tu/minoo inna allatheena ootoo alAAilma min qablihi itha yutla AAalayhim yakhirroona lil-athqani sujjadan

17:107 Zeg : "Gelooft erin of gelooft (er) niet (in)." Zij aan wie vroeger de kennis gegeven was (de joden en de christenen), vallen op hun kinnen neer in een nederige prosternatie, wanneer hij (de Kuran) aan hen wordt voorgelezen.


وَّ یَقُوۡلُوۡنَ سُبۡحٰنَ رَبِّنَاۤ اِنۡ کَانَ وَعۡدُ رَبِّنَا لَمَفۡعُوۡلًا ﴿۱۰۸﴾

017.108 Wayaqooloona subhana rabbina in kana waAAdu rabbina lamafAAoolan

17:108 En zij zeggen: "Heilig is onze Heer, de belofte van onze Heer is vervuld."


وَ یَخِرُّوۡنَ لِلۡاَذۡقَانِ یَبۡکُوۡنَ وَ یَزِیۡدُہُمۡ خُشُوۡعًا ﴿۱۰۹﴾ٛ

017.109 Wayakhirroona lil-athqani yabkoona wayazeeduhum khushooAAan

17:109 En zij vallen op hun kinnen neer, terwijl zij huilen, en het vermeerdert hun nederigheid."


قُلِ ادۡعُوا اللّٰہَ اَوِ ادۡعُوا الرَّحۡمٰنَ ؕ اَیًّامَّا تَدۡعُوۡا فَلَہُ الۡاَسۡمَآءُ الۡحُسۡنٰی ۚ وَ لَا تَجۡہَرۡ بِصَلَاتِکَ وَ لَا تُخَافِتۡ بِہَا وَ ابۡتَغِ بَیۡنَ ذٰلِکَ سَبِیۡلًا ﴿۱۱۰﴾

017.110 Quli odAAoo Allaha awi odAAoo alrrahmana ayyan ma tadAAoo falahu al-asmao alhusna wala tajhar bisalatika wala tukhafit biha waibtaghi bayna thalika sabeelan

17:110 Zeg: "Roept Allah aan of roept de Erbarmer aan. Met welke namen jullie Hem aanroepen (het is hetzelfde), Hij heeft de mooiste namen. En verricht uw salaat (dua) niet met luide stem, en fluister daarbij ook niet, maar zoekt een manier daartussen."


وَ قُلِ الۡحَمۡدُ لِلّٰہِ الَّذِیۡ لَمۡ یَتَّخِذۡ وَلَدًا وَّ لَمۡ یَکُنۡ لَّہٗ شَرِیۡکٌ فِی الۡمُلۡکِ وَ لَمۡ یَکُنۡ لَّہٗ وَلِیٌّ مِّنَ الذُّلِّ وَ کَبِّرۡہُ تَکۡبِیۡرًا ﴿۱۱۱﴾٪

017.111 Waquli alhamdu lillahi allathee lam yattakhith waladan walam yakun lahu shareekun fee almulki walam yakun lahu waliyyun mina alththulli wakabbirhu takbeeran

17:111 En zeg: "Alle lof zij Allah, die zich geen kind genomen heeft en die geen metgezel in de Koninkrijk heeft en die geen helper van zijn creatie behoeft(engelen en profeten bijvoorbeeld Isa en Uzair). En verheerlijk Zijn grootheid!


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

اَلۡحَمۡدُ لِلّٰہِ الَّذِیۡۤ اَنۡزَلَ عَلٰی عَبۡدِہِ الۡکِتٰبَ وَ لَمۡ یَجۡعَلۡ لَّہٗ عِوَجًا ؕ﴿ٜ۱﴾

018.001 Alhamdu lillahi allathee anzala AAala AAabdihi alkitaba walam yajAAal lahu AAiwajan

18:1 Alle lof zij Allah, Die aan zijn dienaar het Boek heeft gezonden, en Hij heeft daarin geen afwijkingen gemaakt.


قَیِّمًا لِّیُنۡذِرَ بَاۡسًا شَدِیۡدًا مِّنۡ لَّدُنۡہُ وَ یُبَشِّرَ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ الَّذِیۡنَ یَعۡمَلُوۡنَ الصّٰلِحٰتِ اَنَّ لَہُمۡ اَجۡرًا حَسَنًا ۙ﴿۲﴾

018.002 Qayyiman liyunthira ba/san shadeedan min ladunhu wayubashshira almu/mineena allatheena yaAAmaloona alssalihati anna lahum ajran hasanan

18:2 Als rechte Leiding, om te waarschuwen voor een harde bestraffing van Zijn Zijde en om een verheugende tijding te brengen aan de gelovigen, degenen die goede daden verrichten: dat er voor hen een goede beloning is (het Paradijs).


مَّاکِثِیۡنَ فِیۡہِ اَبَدًا ۙ﴿۳﴾

018.003 Makitheena feehi abadan

18:3 Waarin zij voor altijd blijven.


وَّ یُنۡذِرَ الَّذِیۡنَ قَالُوا اتَّخَذَ اللّٰہُ وَلَدًا ٭﴿۴﴾

018.004 Wayunthira allatheena qaloo ittakhatha Allahu waladan

18:4 En om degenen te waarschuwen, die zeggen: "Allah heeft Zich een zoon genomen."


مَا لَہُمۡ بِہٖ مِنۡ عِلۡمٍ وَّ لَا لِاٰبَآئِہِمۡ ؕ کَبُرَتۡ کَلِمَۃً تَخۡرُجُ مِنۡ اَفۡوَاہِہِمۡ ؕ اِنۡ یَّقُوۡلُوۡنَ اِلَّا کَذِبًا ﴿۵﴾

018.005 Ma lahum bihi min AAilmin wala li-aba-ihim kaburat kalimatan takhruju min afwahihim in yaqooloona illa kathiban

18:5 Zij hebben hier geen kennis over, noch hun vaderen. Slecht zijn de woorden die uit hun monden voortkomen: zij spreken slechts leugenachtig.


فَلَعَلَّکَ بَاخِعٌ نَّفۡسَکَ عَلٰۤی اٰثَارِہِمۡ اِنۡ لَّمۡ یُؤۡمِنُوۡا بِہٰذَا الۡحَدِیۡثِ اَسَفًا ﴿۶﴾

018.006 FalaAAallaka bakhiAAun nafsaka AAala atharihim in lam yu/minoo bihatha alhadeethi asafan

18:6 En misschien zou u jezelf na hun afwenden vernietigen van verdriet, wanneer zij niet in dit bericht (de Kuran) geloven.


اِنَّا جَعَلۡنَا مَا عَلَی الۡاَرۡضِ زِیۡنَۃً لَّہَا لِنَبۡلُوَہُمۡ اَیُّہُمۡ اَحۡسَنُ عَمَلًا ﴿۷﴾

018.007 Inna jaAAalna ma AAala al-ardi zeenatan laha linabluwahum ayyuhum ahsanu AAamalan

18:7 Voorwaar, Wij hebben alles wat op de aarde is een versiering gemaakt om hen te beproeven, (om te zien) wie van hen het beste werk verricht.


وَ اِنَّا لَجٰعِلُوۡنَ مَا عَلَیۡہَا صَعِیۡدًا جُرُزًا ؕ﴿۸﴾

018.008 Wa-inna lajaAAiloona ma AAalayha saAAeedan juruzan

18:8 En daarna zullen Wij alles wat op de aarde is vernietigen.


اَمۡ حَسِبۡتَ اَنَّ اَصۡحٰبَ الۡکَہۡفِ وَ الرَّقِیۡمِ ۙ کَانُوۡا مِنۡ اٰیٰتِنَا عَجَبًا ﴿۹﴾

018.009 Am hasibta anna as-haba alkahfi waalrraqeemi kanoo min ayatina AAajaban

18:9 Of denk u dat de Bewoners van de Grot (Al-Kahf) en de Raqim verbazingwekkend onder Onze Tekenen waren?


اِذۡ اَوَی الۡفِتۡیَۃُ اِلَی الۡکَہۡفِ فَقَالُوۡا رَبَّنَاۤ اٰتِنَا مِنۡ لَّدُنۡکَ رَحۡمَۃً وَّ ہَیِّیٔۡ لَنَا مِنۡ اَمۡرِنَا رَشَدًا ﴿۱۰﴾

018.010 Ith awa alfityatu ila alkahfi faqaloo rabbana atina min ladunka rahmatan wahayyi/ lana min amrina rashadan

18:10 Toen de jongeren een schuilplaats in de Grot zochten, zeiden zij: "O onze Heer, schenk ons van Uw Zijde Barmhartigheid en bereid ons een rechte weg voor onze zaak."


فَضَرَبۡنَا عَلٰۤی اٰذَانِہِمۡ فِی الۡکَہۡفِ سِنِیۡنَ عَدَدًا ﴿ۙ۱۱﴾

018.011 Fadarabna AAala athanihim fee alkahfi sineena AAadadan

18:11 Daarna bedekten wij hun oren (in de Grot), voor een bepaald aantal jaren.


ثُمَّ بَعَثۡنٰہُمۡ لِنَعۡلَمَ اَیُّ الۡحِزۡبَیۡنِ اَحۡصٰی لِمَا لَبِثُوۡۤا اَمَدًا ﴿٪۱۲﴾

018.012 Thumma baAAathnahum linaAAlama ayyu alhizbayni ahsa lima labithoo amadan

18:12 Vervolgens wekten Wij hen op, om weten welke van de twee partijen het beste was in het berekenen van hoelang zij daar gebleven waren.


نَحۡنُ نَقُصُّ عَلَیۡکَ نَبَاَہُمۡ بِالۡحَقِّ ؕ اِنَّہُمۡ فِتۡیَۃٌ اٰمَنُوۡا بِرَبِّہِمۡ وَ زِدۡنٰہُمۡ ہُدًی ﴿٭ۖ۱۳﴾

018.013 Nahnu naqussu AAalayka nabaahum bialhaqqi innahum fityatun amanoo birabbihim wazidnahum hudan

18:13 Wij vertellen u hun geschiedenis volgens de Waarheid: voorwaar, zij waren jongeren die in hun Heer geloofden en Wij gaven hen meer Leiding.


وَّ رَبَطۡنَا عَلٰی قُلُوۡبِہِمۡ اِذۡ قَامُوۡا فَقَالُوۡا رَبُّنَا رَبُّ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ لَنۡ نَّدۡعُوَا۠ مِنۡ دُوۡنِہٖۤ اِلٰـہًا لَّقَدۡ قُلۡنَاۤ اِذًا شَطَطًا ﴿۱۴﴾

018.014 Warabatna AAala quloobihim ith qamoo faqaloo rabbuna rabbu alssamawati waal-ardi lan nadAAuwa min doonihi ilahan laqad qulna ithan shatatan

18:14 En Wij versterkten hun harten toen zij op stonden, en zeiden: "Onze Heer, Heer van de hemelen en de aarde, nooit zullen Wij een god naast Hem aanroepen: anders zullen wij een enorme leugen uitgesproken!


ہٰۤؤُلَآءِ قَوۡمُنَا اتَّخَذُوۡا مِنۡ دُوۡنِہٖۤ اٰلِہَۃً ؕ لَوۡ لَا یَاۡتُوۡنَ عَلَیۡہِمۡ بِسُلۡطٰنٍۭ بَیِّنٍ ؕ فَمَنۡ اَظۡلَمُ مِمَّنِ افۡتَرٰی عَلَی اللّٰہِ کَذِبًا ﴿ؕ۱۵﴾

018.015 Haola-i qawmuna ittakhathoo min doonihi alihatan lawla ya/toona AAalayhim bisultanin bayyinin faman athlamu mimmani iftara AAala Allahi kathiban

18:15 Onze volk heeft naast Hem goden genomen, ondanks dat zij geen duidelijk bewijs kunnen tonen. En wie is er onrechtvaardiger dan degene die over Allah leugens verzint?


وَ اِذِ اعۡتَزَلۡتُمُوۡہُمۡ وَمَا یَعۡبُدُوۡنَ اِلَّا اللّٰہَ فَاۡ وٗۤا اِلَی الۡکَہۡفِ یَنۡشُرۡ لَکُمۡ رَبُّکُمۡ مِّنۡ رَّحۡمَتِہٖ وَیُہَیِّیٔۡ لَکُمۡ مِّنۡ اَمۡرِکُمۡ مِّرۡفَقًا ﴿۱۶﴾

018.016 Wa-ithi iAAtazaltumoohum wama yaAAbudoona illa Allaha fa/woo ila alkahfi yanshur lakum rabbukum min rahmatihi wayuhayyi/ lakum min amrikum mirfaqan

18:16 En wanneer jullie van hen afwenden en van wat zij aanbidden anders dan Allah. zoek dan beschermen in de grot. En Allah zal Zijn Barmhartigheid over jullie spreiden, en uw taak vergemakkelijken.


وَ تَرَی الشَّمۡسَ اِذَا طَلَعَتۡ تَّزٰوَرُ عَنۡ کَہۡفِہِمۡ ذَاتَ الۡیَمِیۡنِ وَ اِذَا غَرَبَتۡ تَّقۡرِضُہُمۡ ذَاتَ الشِّمَالِ وَ ہُمۡ فِیۡ فَجۡوَۃٍ مِّنۡہُ ؕ ذٰلِکَ مِنۡ اٰیٰتِ اللّٰہِ ؕ مَنۡ یَّہۡدِ اللّٰہُ فَہُوَ الۡمُہۡتَدِ ۚ وَ مَنۡ یُّضۡلِلۡ فَلَنۡ تَجِدَ لَہٗ وَلِیًّا مُّرۡشِدًا ﴿٪۱۷﴾

018.017 Watara alshshamsa itha talaAAat tazawaru AAan kahfihim thata alyameeni wa-itha gharabat taqriduhum thata alshshimali wahum fee fajwatin minhu thalika min ayati Allahi man yahdi Allahu fahuwa almuhtadi waman yudlil falan tajida lahu waliyyan murshidan

18:17 En u zou zien dat de zon bij opkomst zich aan de rechterzijde van hun grot declineerde en bij zonsondergang zich aan de linkerzijde declineerde, terwijl zij in de open ruimte erin lagen. Dit behoort tot de tekenen van Allah. Wie door Allah geleid wordt, hij word juist geleid. En wie zichzelf tot dwaling brengt, zal nooit een helper vinden die hem op het recht pad zal brengen.


وَ تَحۡسَبُہُمۡ اَیۡقَاظًا وَّ ہُمۡ رُقُوۡدٌ ٭ۖ وَّ نُقَلِّبُہُمۡ ذَاتَ الۡیَمِیۡنِ وَ ذَاتَ الشِّمَالِ ٭ۖ وَ کَلۡبُہُمۡ بَاسِطٌ ذِرَاعَیۡہِ بِالۡوَصِیۡدِ ؕ لَوِ اطَّلَعۡتَ عَلَیۡہِمۡ لَوَلَّیۡتَ مِنۡہُمۡ فِرَارًا وَّ لَمُلِئۡتَ مِنۡہُمۡ رُعۡبًا ﴿۱۸﴾

018.018 Watahsabuhum ayqathan wahum ruqoodun wanuqallibuhum thata alyameeni wathata alshshimali wakalbuhum basitun thiraAAayhi bialwaseedi lawi ittalaAAta AAalayhim lawallayta minhum firaran walamuli/ta minhum ruAAban

18:18 En u zou gedacht hebben dat zij wakker waren, terwijl zij sliepen. En Wij draaiden hen op hun rechterkant en op hun linkerkant en hun hond lag uitgestrekt met zijn voorpoten bij de ingang. Als u hen zou zien, u zou zeker vluchten en u zou met angst voor hen vervuld zijn.


وَ کَذٰلِکَ بَعَثۡنٰہُمۡ لِیَتَسَآءَلُوۡا بَیۡنَہُمۡ ؕ قَالَ قَآئِلٌ مِّنۡہُمۡ کَمۡ لَبِثۡتُمۡ ؕ قَالُوۡا لَبِثۡنَا یَوۡمًا اَوۡ بَعۡضَ یَوۡمٍ ؕ قَالُوۡا رَبُّکُمۡ اَعۡلَمُ بِمَا لَبِثۡتُمۡ ؕ فَابۡعَثُوۡۤا اَحَدَکُمۡ بِوَرِقِکُمۡ ہٰذِہٖۤ اِلَی الۡمَدِیۡنَۃِ فَلۡیَنۡظُرۡ اَیُّہَاۤ اَزۡکٰی طَعَامًا فَلۡیَاۡتِکُمۡ بِرِزۡقٍ مِّنۡہُ وَ لۡـیَؔ‍‍‍تَلَطَّفۡ وَ لَا یُشۡعِرَنَّ بِکُمۡ اَحَدًا ﴿۱۹﴾

018.019 Wakathalika baAAathnahum liyatasaaloo baynahum qala qa-ilun minhum kam labithtum qaloo labithna yawman aw baAAda yawmin qaloo rabbukum aAAlamu bima labithtum faibAAathoo ahadakum biwariqikum hathihi ila almadeenati falyanthur ayyuha azka taAAaman falya/tikum birizqin minhu walyatalattaf wala yushAAiranna bikum ahadan

18:19 En wij deden hen weder opstaan, zodat zij elkaar zouden ondervragen. En van hen zei: "Hoe lang zijn jullie (hier) gebleven?" Zij zeiden: Wij verbleven (hier) een dag of een gedeelte van een dag." Zij zeiden: "Allah weet het best hoelang jullie hier gebleven zijn. Stuur n van jullie met dit biljet van ons naar de stad om te zien wat het beste voedsel is en laat hem daar iets van meebrengen. En laat hem voorzichtig zijn, en laat niemand iets over ons weten.


اِنَّہُمۡ اِنۡ یَّظۡہَرُوۡا عَلَیۡکُمۡ یَرۡجُمُوۡکُمۡ اَوۡ یُعِیۡدُوۡکُمۡ فِیۡ مِلَّتِہِمۡ وَ لَنۡ تُفۡلِحُوۡۤا اِذًا اَبَدًا ﴿۲۰﴾

018.020 Innahum in yathharoo AAalaykum yarjumookum aw yuAAeedookum fee millatihim walan tuflihoo ithan abadan

18:20 Voorwaar, als zij de macht over jullie krijgen, dan zullen zij jullie stenigen, of jullie bekeren tot hun godsdienst en dan zullen jullie nooit slagen.


وَ کَذٰلِکَ اَعۡثَرۡنَا عَلَیۡہِمۡ لِیَعۡلَمُوۡۤا اَنَّ وَعۡدَ اللّٰہِ حَقٌّ وَّ اَنَّ السَّاعَۃَ لَا رَیۡبَ فِیۡہَا ۚ٭ اِذۡ یَتَنَازَعُوۡنَ بَیۡنَہُمۡ اَمۡرَہُمۡ فَقَالُوا ابۡنُوۡا عَلَیۡہِمۡ بُنۡیَانًا ؕ رَبُّہُمۡ اَعۡلَمُ بِہِمۡ ؕ قَالَ الَّذِیۡنَ غَلَبُوۡا عَلٰۤی اَمۡرِہِمۡ لَنَتَّخِذَنَّ عَلَیۡہِمۡ مَّسۡجِدًا ﴿۲۱﴾

018.021 Wakathalika aAAtharna AAalayhim liyaAAlamoo anna waAAda Allahi haqqun waanna alsaAAata la rayba feeha ith yatanazaAAoona baynahum amrahum faqaloo ibnoo AAalayhim bunyanan rabbuhum aAAlamu bihim qala allatheena ghalaboo AAala amrihim lanattakhithanna AAalayhim masjidan

18:21 Zo maakten wij hun toestand bekend, zodat zij weten dat de belofte van Allah Waar is en dat er geen twijfel is over de dag des oordeel. Toen zij (de mensen in de stad) over hun geval twistten, zeiden zij: "Bouw een gebouw over hen." Hun Heer weet het best over hen. Degenen die de overhand hadden, zeiden: "Wij zullen zeker over hen een moskee maken."


سَیَقُوۡلُوۡنَ ثَلٰثَۃٌ رَّابِعُہُمۡ کَلۡبُہُمۡ ۚ وَ یَقُوۡلُوۡنَ خَمۡسَۃٌ سَادِسُہُمۡ کَلۡبُہُمۡ رَجۡمًۢا بِالۡغَیۡبِ ۚ وَ یَقُوۡلُوۡنَ سَبۡعَۃٌ وَّ ثَامِنُہُمۡ کَلۡبُہُمۡ ؕ قُلۡ رَّبِّیۡۤ اَعۡلَمُ بِعِدَّتِہِمۡ مَّا یَعۡلَمُہُمۡ اِلَّا قَلِیۡلٌ ۬۟ فَلَا تُمَارِ فِیۡہِمۡ اِلَّا مِرَآءً ظَاہِرًا ۪ وَّ لَا تَسۡتَفۡتِ فِیۡہِمۡ مِّنۡہُمۡ اَحَدًا ﴿٪۲۲﴾

018.022 Sayaqooloona thalathatun rabiAAuhum kalbuhum wayaqooloona khamsatun sadisuhum kalbuhum rajman bialghaybi wayaqooloona sabAAatun wathaminuhum kalbuhum qul rabbee aAAlamu biAAiddatihim ma yaAAlamuhum illa qaleelun fala tumari feehim illa miraan thahiran wala tastafti feehim minhum ahadan

18:22 Zij zullen zeggen: "(Zij waren met) drie, hun vierde was hun hond," en zij zeggen, "Vijf, hun zesde was hun hond," radend naar het onbekende. En zij zeggen: "Zeven, hun achtste was hun hond." Zeg: "Mijn Heer kent hun aantal beter, zij weten het niet, behalve weinigen." Redetwist daarom niet over hen, behalve met een duidelijk twistgesprek. En ondervraagt niemand over hen.


وَ لَا تَقُوۡلَنَّ لِشَایۡءٍ اِنِّیۡ فَاعِلٌ ذٰلِکَ غَدًا ﴿ۙ۲۳﴾

018.023 Wala taqoolanna lishay-in innee faAAilun thalika ghadan

18:23 En zeg nooit over iets: "Dat zal ik morgen doen."


اِلَّاۤ اَنۡ یَّشَآءَ اللّٰہُ ۫ وَ اذۡکُرۡ رَّبَّکَ اِذَا نَسِیۡتَ وَ قُلۡ عَسٰۤی اَنۡ یَّہۡدِیَنِ رَبِّیۡ لِاَقۡرَبَ مِنۡ ہٰذَا رَشَدًا ﴿۲۴﴾

018.024 Illa an yashaa Allahu waothkur rabbaka itha naseeta waqul AAasa an yahdiyani rabbee li-aqraba min hatha rashadan

18:24 (Zeg) slechts: "Indien Allah het wil." En herinner u uw Heer indien u vergeet, en zeg: "Hopelijk zal mijn Heer mij leiden naar wat dichterbij is van deze Leiding."


وَ لَبِثُوۡا فِیۡ کَہۡفِہِمۡ ثَلٰثَ مِائَۃٍ سِنِیۡنَ وَ ازۡدَادُوۡا تِسۡعًا ﴿۲۵﴾

018.025 Walabithoo fee kahfihim thalatha mi-atin sineena waizdadoo tisAAan

18:25 En zij verbleven driehonderd jaar (op basis van zon jaren) in hun grot en vermeerderd met negen (op basis van maan jaren).


قُلِ اللّٰہُ اَعۡلَمُ بِمَا لَبِثُوۡا ۚ لَہٗ غَیۡبُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ اَبۡصِرۡ بِہٖ وَ اَسۡمِعۡ ؕ مَا لَہُمۡ مِّنۡ دُوۡنِہٖ مِنۡ وَّلِیٍّ ۫ وَّ لَا یُشۡرِکُ فِیۡ حُکۡمِہٖۤ اَحَدًا ﴿۲۶﴾

018.026 Quli Allahu aAAlamu bima labithoo lahu ghaybu alssamawati waal-ardi absir bihi waasmiAA ma lahum min doonihi min waliyyin wala yushriku fee hukmihi ahadan

18:26 Zeg : "Allah weet beter hoelang zij er verbleven, aan Hem behoort het verborgene van de hemelen en de aarde. Wat is Hij scherpziend en wat is Hij sherphorend! Zij hebben buiten hem geen beschermer en Hij deelt zijn oordeel met niemand."


وَ اتۡلُ مَاۤ اُوۡحِیَ اِلَیۡکَ مِنۡ کِتَابِ رَبِّکَ ۚؕ لَا مُبَدِّلَ لِکَلِمٰتِہٖ ۚ۟ وَ لَنۡ تَجِدَ مِنۡ دُوۡنِہٖ مُلۡتَحَدًا ﴿۲۷﴾

018.027 Waotlu ma oohiya ilayka min kitabi rabbika la mubaddila likalimatihi walan tajida min doonihi multahadan

18:27 En reciteer wat aan u geopenbaard is van het Boek van uw Heer. Niemand kan Zijn Woorden veranderen en u zult naast Hem geen beschermer vinden.


وَ اصۡبِرۡ نَفۡسَکَ مَعَ الَّذِیۡنَ یَدۡعُوۡنَ رَبَّہُمۡ بِالۡغَدٰوۃِ وَ الۡعَشِیِّ یُرِیۡدُوۡنَ وَجۡہَہٗ وَ لَا تَعۡدُ عَیۡنٰکَ عَنۡہُمۡ ۚ تُرِیۡدُ زِیۡنَۃَ الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا ۚ وَ لَا تُطِعۡ مَنۡ اَغۡفَلۡنَا قَلۡبَہٗ عَنۡ ذِکۡرِنَا وَ اتَّبَعَ ہَوٰىہُ وَ کَانَ اَمۡرُہٗ فُرُطًا ﴿۲۸﴾

018.028 Waisbir nafsaka maAAa allatheena yadAAoona rabbahum bialghadati waalAAashiyyi yureedoona wajhahu wala taAAdu AAaynaka AAanhum tureedu zeenata alhayati alddunya wala tutiAA man aghfalna qalbahu AAan thikrina waittabaAAa hawahu wakana amruhu furutan

18:28 En wees zelf geduldig met degenen die hun Heer in de morgen en de avond aanroepen, zij wensen Zijn Aangezicht. En wendt uw ogen niet af van hen omdat u de versierselen van het wereldse leven wenst. En luistert niet naar degene wiens hart Wij Onze gedachtenis hebben doen veronachtzamen en (die) zijn begeerten volgt: en hij is in overtreding in zijn zaak.


وَ قُلِ الۡحَقُّ مِنۡ رَّبِّکُمۡ ۟ فَمَنۡ شَآءَ فَلۡیُؤۡمِنۡ وَّ مَنۡ شَآءَ فَلۡیَکۡفُرۡ ۙ اِنَّاۤ اَعۡتَدۡنَا لِلظّٰلِمِیۡنَ نَارًا ۙ اَحَاطَ بِہِمۡ سُرَادِقُہَا ؕ وَ اِنۡ یَّسۡتَغِیۡثُوۡا یُغَاثُوۡا بِمَآءٍ کَالۡمُہۡلِ یَشۡوِی الۡوُجُوۡہَ ؕ بِئۡسَ الشَّرَابُ ؕ وَ سَآءَتۡ مُرۡتَفَقًا ﴿۲۹﴾

018.029 Waquli alhaqqu min rabbikum faman shaa falyu/min waman shaa falyakfur inna aAAtadna lilththalimeena naran ahata bihim suradiquha wa-in yastagheethoo yughathoo bima-in kaalmuhli yashwee alwujooha bi/sa alshsharabu wasaat murtafaqan

18:29 En zeg: "De Waarheid is van jullie Heer: dus wie wil, laat hem geloven; en wie wil, laat hem ongelovig zijn." Wij hebben voor de onrechtplegers het vuur voorbereid, waarvan de rook hen als een tent omhult. En als zij hulp (tegen dorst) vragen worden zij geholpen met water als gesmolten metaal dat hun gezichten roostert. Dat is pas een slechte drank en het is de slechtste rustplaats!


اِنَّ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ اِنَّا لَا نُضِیۡعُ اَجۡرَ مَنۡ اَحۡسَنَ عَمَلًا ﴿ۚ۳۰﴾

018.030 Inna allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati inna la nudeeAAu ajra man ahsana AAamalan

18:30 Degenen die geloven en goed werk verrichten zullen Wij hun beloning ervan niet verloren laten gaan.


اُولٰٓئِکَ لَہُمۡ جَنّٰتُ عَدۡنٍ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہِمُ الۡاَنۡہٰرُ یُحَلَّوۡنَ فِیۡہَا مِنۡ اَسَاوِرَ مِنۡ ذَہَبٍ وَّ یَلۡبَسُوۡنَ ثِیَابًا خُضۡرًا مِّنۡ سُنۡدُسٍ وَّ اِسۡتَبۡرَقٍ مُّتَّکِئِیۡنَ فِیۡہَا عَلَی الۡاَرَآئِکِ ؕ نِعۡمَ الثَّوَابُ ؕ وَ حَسُنَتۡ مُرۡتَفَقًا ﴿٪۳۱﴾

018.031 Ola-ika lahum jannatu AAadnin tajree min tahtihimu al-anharu yuhallawna feeha min asawira min thahabin wayalbasoona thiyaban khudran min sundusin wa-istabraqin muttaki-eena feeha AAala al-ara-iki niAAma alththawabu wahasunat murtafaqan

18:31 Voor hun zijn de Tuinen van Adn (het Paradijs) bestemd, waar onder de rivieren stromen. Zij zullen erin versierd worden met kettingen van goud en zij dragen groene gewaden van zijde en brokaat, erin leunend op kussens. De beste beloning en de beste verblijfplaats!


وَ اضۡرِبۡ لَہُمۡ مَّثَلًا رَّجُلَیۡنِ جَعَلۡنَا لِاَحَدِہِمَا جَنَّتَیۡنِ مِنۡ اَعۡنَابٍ وَّ حَفَفۡنٰہُمَا بِنَخۡلٍ وَّ جَعَلۡنَا بَیۡنَہُمَا زَرۡعًا ﴿ؕ۳۲﴾

018.032 Waidrib lahum mathalan rajulayni jaAAalna li-ahadihima jannatayni min aAAnabin wahafafnahuma binakhlin wajaAAalna baynahuma zarAAan

18:32 En zet voor hun een gelijkenis van twee mannen: aan n van hen gaven Wij twee tuinen met druivenstruiken en Wij omringden die met dadelpalmen (en) tussen beide in landbouwgewassen.


کِلۡتَا الۡجَنَّتَیۡنِ اٰتَتۡ اُکُلَہَا وَ لَمۡ تَظۡلِمۡ مِّنۡہُ شَیۡئًا ۙ وَّ فَجَّرۡنَا خِلٰلَہُمَا نَہَرًا ﴿ۙ۳۳﴾

018.033 Kilta aljannatayni atat okulaha walam tathlim minhu shay-an wafajjarna khilalahuma naharan

18:33 Ieder tuinen bracht vruchten voort en kwamen daarbij niets te kort. En in hun midden deden Wij een rivier ontspringen.


وَّ کَانَ لَہٗ ثَمَرٌ ۚ فَقَالَ لِصَاحِبِہٖ وَ ہُوَ یُحَاوِرُہٗۤ اَنَا اَکۡثَرُ مِنۡکَ مَالًا وَّ اَعَزُّ نَفَرًا ﴿۳۴﴾

018.034 Wakana lahu thamarun faqala lisahibihi wahuwa yuhawiruhu ana aktharu minka malan waaAAazzu nafaran

18:34 En er waren vruchten voor hem. Hij zei tot zijn (gelovige) metgezel: "Ik heb meer bezit dan u en ik ben eervoller als persoon."


وَ دَخَلَ جَنَّتَہٗ وَ ہُوَ ظَالِمٌ لِّنَفۡسِہٖ ۚ قَالَ مَاۤ اَظُنُّ اَنۡ تَبِیۡدَ ہٰذِہٖۤ اَبَدًا ﴿ۙ۳۵﴾

018.035 Wadakhala jannatahu wahuwa thalimun linafsihi qala ma athunnu an tabeeda hathihi abadan

18:35 En hij ging zijn tuin binnen, terwijl hij zichzelf onrecht aan deed. Hij zei: "Ik denk niet dat dit ooit zal vergaan,


وَّ مَاۤ اَظُنُّ السَّاعَۃَ قَآئِمَۃً ۙ وَّ لَئِنۡ رُّدِدۡتُّ اِلٰی رَبِّیۡ لَاَجِدَنَّ خَیۡرًا مِّنۡہَا مُنۡقَلَبًا ﴿۳۶﴾

018.036 Wama athunnu alssaAAata qa-imatan wala-in rudidtu ila rabbee laajidanna khayran minha munqalaban

18:36 En ik denk niet dat de dag des oordeel ooit zal komen, en zelfs al zal ik tot mijn Heer teruggebracht worden: ik zal ervoor zeker een betere plaats van terugkeer vinden."


قَالَ لَہٗ صَاحِبُہٗ وَ ہُوَ یُحَاوِرُہٗۤ اَکَفَرۡتَ بِالَّذِیۡ خَلَقَکَ مِنۡ تُرَابٍ ثُمَّ مِنۡ نُّطۡفَۃٍ ثُمَّ سَوّٰىکَ رَجُلًا ﴿ؕ۳۷﴾

018.037 Qala lahu sahibuhu wahuwa yuhawiruhu akafarta biallathee khalaqaka min turabin thumma min nutfatin thumma sawwaka rajulan

18:37 Zijn (gelovige) metgezel zei, toen hij met hem in gesprek was: "Geloof u niet in Degene Die u van aarde geschapen (Adam) heeft, vervolgens uit een druppel sperma, en u ten slotte tot mens vormde?"


لٰکِنَّا۠ ہُوَ اللّٰہُ رَبِّیۡ وَ لَاۤ اُشۡرِکُ بِرَبِّیۡۤ اَحَدًا ﴿۳۸﴾

018.038 Lakinna huwa Allahu rabbee wala oshriku birabbee ahadan

18:38 Maar wat mij betreft: Allah is mijn Heer en ik ken niemand toe als partner aan mijn Heer.


وَ لَوۡ لَاۤ اِذۡ دَخَلۡتَ جَنَّتَکَ قُلۡتَ مَا شَآءَ اللّٰہُ ۙ لَا قُوَّۃَ اِلَّا بِاللّٰہِ ۚ اِنۡ تَرَنِ اَنَا اَقَلَّ مِنۡکَ مَالًا وَّ وَلَدًا ﴿ۚ۳۹﴾

018.039 Walawla ith dakhalta jannataka qulta ma shaa Allahu la quwwata illa biAllahi in tarani ana aqalla minka malan wawaladan

18:39 En had u maar gezegd, terwijl u uw tuin binnentrad: 'Ma sja'a Allah, la qoewwata illabillah' - (Wat Allah wil, er is geen kracht dan door Allah). Als u van mij ziet, dat ik minder dan u ben, op het gebied van bezit en kinderen,


فَعَسٰی رَبِّیۡۤ اَنۡ یُّؤۡتِیَنِ خَیۡرًا مِّنۡ جَنَّتِکَ وَ یُرۡسِلَ عَلَیۡہَا حُسۡبَانًا مِّنَ السَّمَآءِ فَتُصۡبِحَ صَعِیۡدًا زَلَقًا ﴿ۙ۴۰﴾

018.040 FaAAasa rabbee an yu/tiyani khayran min jannatika wayursila AAalayha husbanan mina alssama-i fatusbiha saAAeedan zalaqan

18:40 Moge mijn Heer mij iets beters geven dan uw tuin en een ramp over haar neer doen zenden vanuit de hemel, zodat het glibberige aarde wordt!


اَوۡ یُصۡبِحَ مَآؤُہَا غَوۡرًا فَلَنۡ تَسۡتَطِیۡعَ لَہٗ طَلَبًا ﴿۴۱﴾

018.041 Aw yusbiha maoha ghawran falan tastateeAAa lahu talaban

18:41 Of haar water diep in de aarde wegvloeit, zodat u het nooit meer zal kunnen vinden."


وَ اُحِیۡطَ بِثَمَرِہٖ فَاَصۡبَحَ یُقَلِّبُ کَفَّیۡہِ عَلٰی مَاۤ اَنۡفَقَ فِیۡہَا وَ ہِیَ خَاوِیَۃٌ عَلٰی عُرُوۡشِہَا وَ یَقُوۡلُ یٰلَیۡتَنِیۡ لَمۡ اُشۡرِکۡ بِرَبِّیۡۤ اَحَدًا ﴿۴۲﴾

018.042 Waoheeta bithamarihi faasbaha yuqallibu kaffayhi AAala ma anfaqa feeha wahiya khawiyatun AAala AAurooshiha wayaqoolu ya laytanee lam oshrik birabbee ahadan

18:42 En zijn vruchten werden vernietigd. Toen begon hij zich in zijn handen te wringen, over wat hij ervoor uitgegeven had en dat zij (de tuinen) nu tot de bodem toe geruneerd waren." En hij zei: "Wee mij, had ik maar mijn Heer niet n deelgenoot toegekend!"


وَ لَمۡ تَکُنۡ لَّہٗ فِئَۃٌ یَّنۡصُرُوۡنَہٗ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ وَ مَا کَانَ مُنۡتَصِرًا ﴿ؕ۴۳﴾

018.043 Walam takun lahu fi-atun yansuroonahu min dooni Allahi wama kana muntasiran

18:43 En hij had geen groep die hem naast Allah hielp en hij was niet instaat zichzelf te verdedigen.


ہُنَالِکَ الۡوَلَایَۃُ لِلّٰہِ الۡحَقِّ ؕ ہُوَ خَیۡرٌ ثَوَابًا وَّ خَیۡرٌ عُقۡبًا ﴿٪۴۴﴾

018.044 Hunalika alwalayatu lillahi alhaqqi huwa khayrun thawaban wakhayrun AAuqban

18:44 Daar (op de dag desoordeels), Al-Walayah (bescherming, macht, autoriteit en koninkrijk) is van Allah (alleen), de Ware. Hij is beter (als gever van) een beloning en beter (als gever van) een bestemming.


وَ اضۡرِبۡ لَہُمۡ مَّثَلَ الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا کَمَآءٍ اَنۡزَلۡنٰہُ مِنَ السَّمَآءِ فَاخۡتَلَطَ بِہٖ نَبَاتُ الۡاَرۡضِ فَاَصۡبَحَ ہَشِیۡمًا تَذۡرُوۡہُ الرِّیٰحُ ؕ وَ کَانَ اللّٰہُ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ مُّقۡتَدِرًا ﴿۴۵﴾

018.045 Waidrib lahum mathala alhayati alddunya kama-in anzalnahu mina alssama-i faikhtalata bihi nabatu al-ardi faasbaha hasheeman tathroohu alrriyahu wakana Allahu AAala kulli shay-in muqtadiran

18:45 En maak voor hen de vergelijking met het wereldse leven: het is als water dat Wij uit de hemel neerdalen; het vermengde zich met de beplanting van de aarde. Vervolgens werd deze tot droge stoppels en de wind verwaaide deze. En Allah is Almachtig over alle zaken.


اَلۡمَالُ وَ الۡبَنُوۡنَ زِیۡنَۃُ الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا ۚ وَ الۡبٰقِیٰتُ الصّٰلِحٰتُ خَیۡرٌ عِنۡدَ رَبِّکَ ثَوَابًا وَّ خَیۡرٌ اَمَلًا ﴿۴۶﴾

018.046 Almalu waalbanoona zeenatu alhayati alddunya waalbaqiyatu alssalihatu khayrun AAinda rabbika thawaban wakhayrun amalan

18:46 Het bezit van rijkdom en zonen zijn de versieringen van het wereldse leven, maar de goede blijvende (daden) zijn beter bij uw Heer, als beloning en betere hoop.


وَ یَوۡمَ نُسَیِّرُ الۡجِبَالَ وَ تَرَی الۡاَرۡضَ بَارِزَۃً ۙ وَّ حَشَرۡنٰہُمۡ فَلَمۡ نُغَادِرۡ مِنۡہُمۡ اَحَدًا ﴿ۚ۴۷﴾

018.047 Wayawma nusayyiru aljibala watara al-arda barizatan wahasharnahum falam nughadir minhum ahadan

18:47 En op de Dag (dag des oordeel) dat Wij de bergen doen voortdrijven (als wolken), zal u de aarde duidelijk zien. En Wij zullen hen verzamelen en Wij zullen niet n van hen achterlaten.


وَ عُرِضُوۡا عَلٰی رَبِّکَ صَفًّا ؕ لَقَدۡ جِئۡتُمُوۡنَا کَمَا خَلَقۡنٰکُمۡ اَوَّلَ مَرَّۃٍۭ ۫ بَلۡ زَعَمۡتُمۡ اَلَّنۡ نَّجۡعَلَ لَکُمۡ مَّوۡعِدًا ﴿۴۸﴾

018.048 WaAAuridoo AAala rabbika saffan laqad ji/tumoona kama khalaqnakum awwala marratin bal zaAAamtum allan najAAala lakum mawAAidan

18:48 En zij zullen voor uw Heer in rijen opgesteld worden (en Allah zal tot hen zeggen): "Voorzeker, u bent tot Ons gekomen zoals Wij u de eerste keer schiepen. uw vermoedden zelfs dat Wij de afspraak met jullie nooit zouden maken."


وَ وُضِعَ الۡکِتٰبُ فَتَرَی الۡمُجۡرِمِیۡنَ مُشۡفِقِیۡنَ مِمَّا فِیۡہِ وَ یَقُوۡلُوۡنَ یٰوَیۡلَتَنَا مَالِ ہٰذَا الۡکِتٰبِ لَا یُغَادِرُ صَغِیۡرَۃً وَّ لَا کَبِیۡرَۃً اِلَّاۤ اَحۡصٰہَا ۚ وَ وَجَدُوۡا مَا عَمِلُوۡا حَاضِرًا ؕ وَ لَا یَظۡلِمُ رَبُّکَ اَحَدًا ﴿٪۴۹﴾

018.049 WawudiAAa alkitabu fatara almujrimeena mushfiqeena mimma feehi wayaqooloona ya waylatana ma lihatha alkitabi la yughadiru sagheeratan wala kabeeratan illa ahsaha wawajadoo ma AAamiloo hadiran wala yathlimu rabbuka ahadan

18:49 En het boek (met hun daden) zal voor hen geplaatst worden en u zult de zondaren in angst zien door het geen wat erin staat. En zij zullen zeggen: "Wee ons, wat is dat voor boek dat niets kleins weglaat en niets groots, zonder dat berekend te hebben!" En zij zullen wat zij deden vr zich vinden. En uw Heer doet niet n van hen onrecht aan.


وَ اِذۡ قُلۡنَا لِلۡمَلٰٓئِکَۃِ اسۡجُدُوۡا لِاٰدَمَ فَسَجَدُوۡۤا اِلَّاۤ اِبۡلِیۡسَ ؕ کَانَ مِنَ الۡجِنِّ فَفَسَقَ عَنۡ اَمۡرِ رَبِّہٖ ؕ اَفَتَتَّخِذُوۡنَہٗ وَ ذُرِّیَّتَہٗۤ اَوۡلِیَآءَ مِنۡ دُوۡنِیۡ وَ ہُمۡ لَکُمۡ عَدُوٌّ ؕ بِئۡسَ لِلظّٰلِمِیۡنَ بَدَلًا ﴿۵۰﴾

018.050 Wa-ith qulna lilmala-ikati osjudoo li-adama fasajadoo illa ibleesa kana mina aljinni fafasaqa AAan amri rabbihi afatattakhithoonahu wathurriyyatahu awliyaa min doonee wahum lakum AAaduwwun bi/sa lilththalimeena badalan

18:50 En (gedenkt) toen Wij tot de Engelen zeiden: "Prosterneer uzelf voor Adam", toen prosterneerde zij zich, behalve Iblis, hij behoorde tot de Dijinn's en hij schond het gebod van zijn Heer. Zouden jullie dan hem en zijn nageslacht in plaats van mij als beschermer nemen, terwijl zij voor jullie vijanden zijn? Slecht is de ruil voor de onrechtvaardige!


مَاۤ اَشۡہَدۡتُّہُمۡ خَلۡقَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ وَ لَا خَلۡقَ اَنۡفُسِہِمۡ ۪ وَ مَا کُنۡتُ مُتَّخِذَ الۡمُضِلِّیۡنَ عَضُدًا ﴿۵۱﴾

018.051 Ma ashhadtuhum khalqa alssamawati waal-ardi wala khalqa anfusihim wama kuntu muttakhitha almudilleena AAadudan

18:51 Ik roep hen niet op om te getuigen van de schepping van de hemelen en de aarde en niet van de schepping van henzelf, en Ik neem niet degenen die doen dwalen als helpers.


وَ یَوۡمَ یَقُوۡلُ نَادُوۡا شُرَکَآءِیَ الَّذِیۡنَ زَعَمۡتُمۡ فَدَعَوۡہُمۡ فَلَمۡ یَسۡتَجِیۡبُوۡا لَہُمۡ وَ جَعَلۡنَا بَیۡنَہُمۡ مَّوۡبِقًا ﴿۵۲﴾

018.052 Wayawma yaqoolu nadoo shuraka-iya allatheena zaAAamtum fadaAAawhum falam yastajeeboo lahum wajaAAalna baynahum mawbiqan

18:52 En op de Dag waarop Hij zegt: "Roept de deelgenoten op waarvan u (het bestaan) vermoedde," zullen zij hen oproepen, maar zij zullen hen niet antwoorden en Wij zullen tussen hen een barrire (van vuur) maken.


وَ رَاَ الۡمُجۡرِمُوۡنَ النَّارَ فَظَنُّوۡۤا اَنَّہُمۡ مُّوَاقِعُوۡہَا وَ لَمۡ یَجِدُوۡا عَنۡہَا مَصۡرِفًا ﴿٪۵۳﴾

018.053 Waraa almujrimoona alnnara fathannoo annahum muwaqiAAooha walam yajidoo AAanha masrifan

18:53 En de zondaren zullen de Hel zien en vermoeden dat zij erin moeten gaan, en zij vinden daaruit geen ontvluchting.


وَ لَقَدۡ صَرَّفۡنَا فِیۡ ہٰذَا الۡقُرۡاٰنِ لِلنَّاسِ مِنۡ کُلِّ مَثَلٍ ؕ وَ کَانَ الۡاِنۡسَانُ اَکۡثَرَ شَیۡءٍ جَدَلًا ﴿۵۴﴾

018.054 Walaqad sarrafna fee hatha alqur-ani lilnnasi min kulli mathalin wakana al-insanu akthara shay-in jadalan

18:54 En Wij hebben in deze Kuran voor de mensen allerlei voorbeelden uitgelegd. Maar de mensen zijn het meest over iets twistziek.


وَ مَا مَنَعَ النَّاسَ اَنۡ یُّؤۡمِنُوۡۤا اِذۡ جَآءَہُمُ الۡہُدٰی وَ یَسۡتَغۡفِرُوۡا رَبَّہُمۡ اِلَّاۤ اَنۡ تَاۡتِیَہُمۡ سُنَّۃُ الۡاَوَّلِیۡنَ اَوۡ یَاۡتِیَہُمُ الۡعَذَابُ قُبُلًا ﴿۵۵﴾

018.055 Wama manaAAa alnnasa an yu/minoo ith jaahumu alhuda wayastaghfiroo rabbahum illa an ta/tiyahum sunnatu al-awwaleena aw ya/tiyahumu alAAathabu qubulan

18:55 En de mensen werden toen de leiding tot hen kwam niet gehinderd te geloven en hun Heer om vergeving te vragen, opdat de handelwijze die de vroegere trof, of de bestraffing die zichtbaar over hen kwam.


وَ مَا نُرۡسِلُ الۡمُرۡسَلِیۡنَ اِلَّا مُبَشِّرِیۡنَ وَ مُنۡذِرِیۡنَ ۚ وَ یُجَادِلُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا بِالۡبَاطِلِ لِیُدۡحِضُوۡا بِہِ الۡحَقَّ وَ اتَّخَذُوۡۤا اٰیٰتِیۡ وَ مَاۤ اُنۡذِرُوۡا ہُزُوًا ﴿۵۶﴾

018.056 Wama nursilu almursaleena illa mubashshireena wamunthireena wayujadilu allatheena kafaroo bialbatili liyudhidoo bihi alhaqqa waittakhathoo ayatee wama onthiroo huzuwan

18:56 En Wij zenden de Boodschappers slechts als verkondigers van goede tijdingen en waarschuwers. En degenen die ongelovig zijn twisten slechts op valse wijze om daarmee de Waarheid te vernietigen. En zij nemen Mijn Tekenen en dat waarvoor gewaarschuwd werd, ter bespotting.


وَ مَنۡ اَظۡلَمُ مِمَّنۡ ذُکِّرَ بِاٰیٰتِ رَبِّہٖ فَاَعۡرَضَ عَنۡہَا وَ نَسِیَ مَا قَدَّمَتۡ یَدٰہُ ؕ اِنَّا جَعَلۡنَا عَلٰی قُلُوۡبِہِمۡ اَکِنَّۃً اَنۡ یَّفۡقَہُوۡہُ وَ فِیۡۤ اٰذَانِہِمۡ وَقۡرًا ؕ وَ اِنۡ تَدۡعُہُمۡ اِلَی الۡہُدٰی فَلَنۡ یَّہۡتَدُوۡۤا اِذًا اَبَدًا ﴿۵۷﴾

018.057 Waman athlamu mimman thukkira bi-ayati rabbihi faaAArada AAanha wanasiya ma qaddamat yadahu inna jaAAalna AAala quloobihim akinnatan an yafqahoohu wafee athanihim waqran wa-in tadAAuhum ila alhuda falan yahtadoo ithan abadan

18:57 En wie is er onrechtvaardiger dan degene die met de Tekenen van zijn Heer vermaand wordt, maar zich daarvan afwendt en vergeet wat zijn handen gedaan hebben? Voorwaar, Wij hebben over hun harten een versluiering aangebracht, zodat zij het niet begrijpen, en in hun oren doofheid. En indien u hen tot de Leiding oproept, dan zullen zij zich toch nooit in de goede richting laten leiden.


وَ رَبُّکَ الۡغَفُوۡرُ ذُو الرَّحۡمَۃِ ؕ لَوۡ یُؤَاخِذُہُمۡ بِمَا کَسَبُوۡا لَعَجَّلَ لَہُمُ الۡعَذَابَ ؕ بَلۡ لَّہُمۡ مَّوۡعِدٌ لَّنۡ یَّجِدُوۡا مِنۡ دُوۡنِہٖ مَوۡئِلًا ﴿۵۸﴾

018.058 Warabbuka alghafooru thoo alrrahmati law yu-akhithuhum bima kasaboo laAAajjala lahumu alAAathaba bal lahum mawAAidun lan yajidoo min doonihi maw-ilan

18:58 En uw Heer is de Vergevensgezind, Bezitter van de Barmhartigheid. Indien Hij hen zou grijpen voor wat zij verricht hebben, dan zou Hij zeker de bestraffing voor hen versneld hebben. Maar voor hen is er de afspraak (op de dag des oordeel), nooit zullen zij buiten Hem een toevlucht vinden.


وَ تِلۡکَ الۡقُرٰۤی اَہۡلَکۡنٰہُمۡ لَمَّا ظَلَمُوۡا وَ جَعَلۡنَا لِمَہۡلِکِہِمۡ مَّوۡعِدًا ﴿٪۵۹﴾

018.059 Watilka alqura ahlaknahum lamma thalamoo wajaAAalna limahlikihim mawAAidan

18:59 En dat zijn de steden die Wij vernietigd hebben toen zij onrechtvaardig waren; en Wij hebben voor hun vernietiging een tijdstip bepaald.


وَ اِذۡ قَالَ مُوۡسٰی لِفَتٰىہُ لَاۤ اَبۡرَحُ حَتّٰۤی اَبۡلُغَ مَجۡمَعَ الۡبَحۡرَیۡنِ اَوۡ اَمۡضِیَ حُقُبًا ﴿۶۰﴾

018.060 Wa-ith qala moosa lifatahu la abrahu hatta ablugha majmaAAa albahrayni aw amdiya huquban

18:60 En (gedenkt) toen Mozes tot zijn knecht zei: "Ik zal niet ophouden voordat ik de plaats bereik waar de twee zeen samenkomen of ik zal altijd doorgaan."


فَلَمَّا بَلَغَا مَجۡمَعَ بَیۡنِہِمَا نَسِیَا حُوۡتَہُمَا فَاتَّخَذَ سَبِیۡلَہٗ فِی الۡبَحۡرِ سَرَبًا ﴿۶۱﴾

018.061 Falamma balagha majmaAAa baynihima nasiya hootahuma faittakhatha sabeelahu fee albahri saraban

18:61 En toen zij de samenvloeiing van beide bereikten, vergaten zij hun vis, die zich vrijelijk zijn weg in de zee zocht.


فَلَمَّا جَاوَزَا قَالَ لِفَتٰىہُ اٰتِنَا غَدَآءَنَا ۫ لَقَدۡ لَقِیۡنَا مِنۡ سَفَرِنَا ہٰذَا نَصَبًا ﴿۶۲﴾

018.062 Falamma jawaza qala lifatahu atina ghadaana laqad laqeena min safarina hatha nasaban

18:62 En toen zij voortgingen zei hij (Mozes) tot zijn knecht: "Breng ons het middageten. Voorzeker, wij zijn door deze reis moe geworden."


قَالَ اَرَءَیۡتَ اِذۡ اَوَیۡنَاۤ اِلَی الصَّخۡرَۃِ فَاِنِّیۡ نَسِیۡتُ الۡحُوۡتَ ۫ وَ مَاۤ اَنۡسٰنِیۡہُ اِلَّا الشَّیۡطٰنُ اَنۡ اَذۡکُرَہٗ ۚ وَ اتَّخَذَ سَبِیۡلَہٗ فِی الۡبَحۡرِ ٭ۖ عَجَبًا ﴿۶۳﴾

018.063 Qala araayta ith awayna ila alssakhrati fa-innee naseetu alhoota wama ansaneehu illa alshshaytanu an athkurahu waittakhatha sabeelahu fee albahri AAajaban

18:63 Hij (de knecht) zei: "Zag u (wat er gebeurde) toen wij ons naar de rots begaven'? Toen vergat ik over de vis te vertellen en niemand anders dan de satan heeft mij hem laten vergeten. En Hij zocht zijn weg in de zee op een verbazingwekkende manier."


قَالَ ذٰلِکَ مَا کُنَّا نَبۡغِ ٭ۖ فَارۡتَدَّا عَلٰۤی اٰثَارِہِمَا قَصَصًا ﴿ۙ۶۴﴾

018.064 Qala thalika ma kunna nabghi fairtadda AAala atharihima qasasan

18:64 Hij (Mozes) zei: "Dat was wat wij zochten," toen keerden zij in hun voetstappen terug.


فَوَجَدَا عَبۡدًا مِّنۡ عِبَادِنَاۤ اٰتَیۡنٰہُ رَحۡمَۃً مِّنۡ عِنۡدِنَا وَ عَلَّمۡنٰہُ مِنۡ لَّدُنَّا عِلۡمًا ﴿۶۵﴾

018.065 Fawajada AAabdan min AAibadina ataynahu rahmatan min AAindina waAAallamnahu min ladunna AAilman

18:65 Zij vonden toen een van Onze dienaren die Wij barmhartigheid van Onze kant gegeven hadden en die Wij kennis die bij Ons vandaan kwam onderwezen hadden.


قَالَ لَہٗ مُوۡسٰی ہَلۡ اَتَّبِعُکَ عَلٰۤی اَنۡ تُعَلِّمَنِ مِمَّا عُلِّمۡتَ رُشۡدًا ﴿۶۶﴾

018.066 Qala lahu moosa hal attabiAAuka AAala an tuAAallimani mimma AAullimta rushdan

18:66 Mozes zei tot hem: "Mag ik u volgen, zodat u mij onderwijst wat aan u onderwezen is?"


قَالَ اِنَّکَ لَنۡ تَسۡتَطِیۡعَ مَعِیَ صَبۡرًا ﴿۶۷﴾

018.067 Qala innaka lan tastateeAAa maAAiya sabran

18:67 Hij (Al-Khidr) zei: "Voorwaar, u zult nooit in staat zijn geduld met mij te hebben.


وَ کَیۡفَ تَصۡبِرُ عَلٰی مَا لَمۡ تُحِطۡ بِہٖ خُبۡرًا ﴿۶۸﴾

018.068 Wakayfa tasbiru AAala ma lam tuhit bihi khubran

18:68 En hoe kunt u geduld hebben met iets dat u met uw kennis niet kunt omvatten.


قَالَ سَتَجِدُنِیۡۤ اِنۡ شَآءَ اللّٰہُ صَابِرًا وَّ لَاۤ اَعۡصِیۡ لَکَ اَمۡرًا ﴿۶۹﴾

018.069 Qala satajidunee in shaa Allahu sabiran wala aAAsee laka amran

18:69 Hij (Mozes) zei: "u zult vinden dat ik, indien Allah het wil, geduldig ben en ik zal uw bevel niet negeren."


قَالَ فَاِنِ اتَّبَعۡتَنِیۡ فَلَا تَسۡـَٔلۡنِیۡ عَنۡ شَیۡءٍ حَتّٰۤی اُحۡدِثَ لَکَ مِنۡہُ ذِکۡرًا ﴿٪۷۰﴾

018.070 Qala fa-ini ittabaAAtanee fala tas-alnee AAan shay-in hatta ohditha laka minhu thikran

18:70 Hij zei: "Als u mij volgt, vraag mij dan over niets, zolang ik zelf niet tot u erover spreek."


فَانۡطَلَقَا ٝ حَتّٰۤی اِذَا رَکِبَا فِی السَّفِیۡنَۃِ خَرَقَہَا ؕ قَالَ اَخَرَقۡتَہَا لِتُغۡرِقَ اَہۡلَہَا ۚ لَقَدۡ جِئۡتَ شَیۡئًا اِمۡرًا ﴿۷۱﴾

018.071 Faintalaqa hatta itha rakiba fee alssafeenati kharaqaha qala akharaqtaha litughriqa ahlaha laqad ji/ta shay-an imran

18:71 Zo gingen zij dan verder totdat, toen zij aan boord van het schip waren, hij er een gat in maakte. Hij (Mozes) zei: "Maak u er een gat in om haar opvarenden te laten verdrinken? U hebt iets vreselijks gedaan!"


قَالَ اَلَمۡ اَقُلۡ اِنَّکَ لَنۡ تَسۡتَطِیۡعَ مَعِیَ صَبۡرًا ﴿۷۲﴾

018.072 Qala alam aqul innaka lan tastateeAAa maAAiya sabran

18:72 Hij zei: "Heb ik u niet gezegd: "U bent niet in staat om geduld met mij te hebben?"


قَالَ لَا تُؤَاخِذۡنِیۡ بِمَا نَسِیۡتُ وَ لَا تُرۡہِقۡنِیۡ مِنۡ اَمۡرِیۡ عُسۡرًا ﴿۷۳﴾

018.073 Qala la tu-akhithnee bima naseetu wala turhiqnee min amree AAusran

18:73 Hij (Mozes) zei: "Neem mij niet kwalijk dat ik het vergat en maak het mij niet moeilijk in mijn kwestie (het vergaren van kennis)."


فَانۡطَلَقَا ٝ حَتّٰۤی اِذَا لَقِیَا غُلٰمًا فَقَتَلَہٗ ۙ قَالَ اَقَتَلۡتَ نَفۡسًا زَکِیَّۃًۢ بِغَیۡرِ نَفۡسٍ ؕ لَقَدۡ جِئۡتَ شَیۡئًا نُّکۡرًا ﴿۷۴﴾

018.074 Faintalaqa hatta itha laqiya ghulaman faqatalahu qala aqatalta nafsan zakiyyatan bighayri nafsin laqad ji/ta shay-an nukran

18:74 Zo gingen zij verder totdat zij een jongeling ontmoetten en hij hem doodde. Hij (Mozes) zei: "Doodde u een onschuldige ziel zonder recht? Voorzeker, u heeft iets verwerpelijk gedaan!"



www.kuran.nl