19 Waqalal Dzeena

وَ قَالَ الَّذِیۡنَ لَا یَرۡجُوۡنَ لِقَآءَنَا لَوۡ لَاۤ اُنۡزِلَ عَلَیۡنَا الۡمَلٰٓئِکَۃُ اَوۡ نَرٰی رَبَّنَا ؕ لَقَدِ اسۡتَکۡبَرُوۡا فِیۡۤ اَنۡفُسِہِمۡ وَ عَتَوۡ عُتُوًّا کَبِیۡرًا ﴿۲۱﴾

025.021 Waqala allatheena la yarjoona liqaana lawla onzila AAalayna almala-ikatu aw nara rabbana laqadi istakbaroo fee anfusihim waAAataw AAutuwwan kabeeran

En zij die niet hopen op de ontmoeting met Ons zeggen: "Hadden dan de engelen niet tot ons neergezonden kunnen worden? Of zagen wij onze Heer maar!" Zij zijn ingebeeld en hebben grote minachting.


یَوۡمَ یَرَوۡنَ الۡمَلٰٓئِکَۃَ لَا بُشۡرٰی یَوۡمَئِذٍ لِّلۡمُجۡرِمِیۡنَ وَ یَقُوۡلُوۡنَ حِجۡرًا مَّحۡجُوۡرًا ﴿۲۲﴾

025.022 Yawma yarawna almala-ikata la bushra yawma-ithin lilmujrimeena wayaqooloona hijran mahjooran

Op de dag dat zij de engelen zien, op die dag is er geen goed nieuws voor de boosdoeners en zij zullen zeggen: "Dat is volstrekt ontoelaatbaar!"


وَ قَدِمۡنَاۤ اِلٰی مَا عَمِلُوۡا مِنۡ عَمَلٍ فَجَعَلۡنٰہُ ہَبَآءً مَّنۡثُوۡرًا ﴿۲۳﴾

025.023 Waqadimna ila ma AAamiloo min AAamalin fajaAAalnahu habaan manthooran

En Wij wenden Ons tot de daden die zij gedaan hebben en maken ze tot verstrooid stof.


اَصۡحٰبُ الۡجَنَّۃِ یَوۡمَئِذٍ خَیۡرٌ مُّسۡتَقَرًّا وَّ اَحۡسَنُ مَقِیۡلًا ﴿۲۴﴾

025.024 As-habu aljannati yawma-ithin khayrun mustaqarran waahsanu maqeelan

Zij die in de tuin thuishoren hebben op die dag een betere verblijfplaats en een mooiere rustplaats.


وَ یَوۡمَ تَشَقَّقُ السَّمَآءُ بِالۡغَمَامِ وَ نُزِّلَ الۡمَلٰٓئِکَۃُ تَنۡزِیۡلًا ﴿۲۵﴾

025.025 Wayawma tashaqqaqu alssamao bialghamami wanuzzila almala-ikatu tanzeelan

En op de dag dat de hemel in wolken uiteensplijt en de engelen werkelijk neergezonden worden,


اَلۡمُلۡکُ یَوۡمَئِذِۣ الۡحَقُّ لِلرَّحۡمٰنِ ؕ وَ کَانَ یَوۡمًا عَلَی الۡکٰفِرِیۡنَ عَسِیۡرًا ﴿۲۶﴾

025.026 Almulku yawma-ithin alhaqqu lilrrahmani wakana yawman AAala alkafireena AAaseeran

op die dag heeft de Erbarmer de ware heerschappij; het is een dag die voor de ongelovigen moeilijk is.


وَ یَوۡمَ یَعَضُّ الظَّالِمُ عَلٰی یَدَیۡہِ یَقُوۡلُ یٰلَیۡتَنِی اتَّخَذۡتُ مَعَ الرَّسُوۡلِ سَبِیۡلًا ﴿۲۷﴾

025.027 Wayawma yaAAaddu alththalimu AAala yadayhi yaqoolu ya laytanee ittakhathtu maAAa alrrasooli sabeelan

En op de dag dat de onrechtvaardige op zijn handen bijt, terwijl hij zegt: "Was ik maar samen met de gezant op weg gegaan.


یٰوَیۡلَتٰی لَیۡتَنِیۡ لَمۡ اَتَّخِذۡ فُلَانًا خَلِیۡلًا ﴿۲۸﴾

025.028 Ya waylata laytanee lam attakhith fulanan khaleelan

Wee mij, had ik die en die maar niet als vriend genomen.


لَقَدۡ اَضَلَّنِیۡ عَنِ الذِّکۡرِ بَعۡدَ اِذۡ جَآءَنِیۡ ؕ وَ کَانَ الشَّیۡطٰنُ لِلۡاِنۡسَانِ خَذُوۡلًا ﴿۲۹﴾

025.029 Laqad adallanee AAani alththikri baAAda ith jaanee wakana alshshaytanu lil-insani khathoolan

Hij heeft mij van de vermaning laten afdwalen." De satan is namelijk iemand die de mens in de steek laat.


وَ قَالَ الرَّسُوۡلُ یٰرَبِّ اِنَّ قَوۡمِی اتَّخَذُوۡا ہٰذَا الۡقُرۡاٰنَ مَہۡجُوۡرًا ﴿۳۰﴾

025.030 Waqala alrrasoolu ya rabbi inna qawmee ittakhathoo hatha alqur-ana mahjooran

En de gezant zegt: "Mijn Heer, mijn volk houdt deze Koran voor iets wat gemeden moet worden."


وَ کَذٰلِکَ جَعَلۡنَا لِکُلِّ نَبِیٍّ عَدُوًّا مِّنَ الۡمُجۡرِمِیۡنَ ؕ وَ کَفٰی بِرَبِّکَ ہَادِیًا وَّ نَصِیۡرًا ﴿۳۱﴾

025.031 Wakathalika jaAAalna likulli nabiyyin AAaduwwan mina almujrimeena wakafa birabbika hadiyan wanaseeran

En zo hebben Wij voor elke profeet een vijand uit de boosdoeners gemaakt, maar jouw Heer is goed genoeg als leider en helper.


وَ قَالَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لَوۡ لَا نُزِّلَ عَلَیۡہِ الۡقُرۡاٰنُ جُمۡلَۃً وَّاحِدَۃً ۚۛ کَذٰلِکَ ۚۛ لِنُثَبِّتَ بِہٖ فُؤَادَکَ وَ رَتَّلۡنٰہُ تَرۡتِیۡلًا ﴿۳۲﴾

025.032 Waqala allatheena kafaroo lawla nuzzila AAalayhi alqur-anu jumlatan wahidatan kathalika linuthabbita bihi fu-adaka warattalnahu tarteelan

En zij die ongelovig zijn zeggen: "Had de Koran niet als ťťn geheel tot hem neergezonden kunnen worden?" Het is zoals het is, opdat Wij jouw hart versterken en Wij hebben hem achtereenvolgens voorgedragen.


وَ لَا یَاۡتُوۡنَکَ بِمَثَلٍ اِلَّا جِئۡنٰکَ بِالۡحَقِّ وَ اَحۡسَنَ تَفۡسِیۡرًا ﴿ؕ۳۳﴾

025.033 Wala ya/toonaka bimathalin illa ji/naka bialhaqqi waahsana tafseeran

En zij komen niet tot jou met een voorbeeld of Wij komen tot jou met de waarheid en een betere verklaring.


اَلَّذِیۡنَ یُحۡشَرُوۡنَ عَلٰی وُجُوۡہِہِمۡ اِلٰی جَہَنَّمَ ۙ اُولٰٓئِکَ شَرٌّ مَّکَانًا وَّ اَضَلُّ سَبِیۡلًا ﴿٪۳۴﴾

025.034 Allatheena yuhsharoona AAala wujoohihim ila jahannama ola-ika sharrun makanan waadallu sabeelan

Zij die op hun gezichten [ter aarde geworpen] tot de hel verzameld zullen worden, zij zijn het die de slechtste plaats hebben en het verst afgedwaald zijn van de weg.


وَ لَقَدۡ اٰتَیۡنَا مُوۡسَی الۡکِتٰبَ وَ جَعَلۡنَا مَعَہٗۤ اَخَاہُ ہٰرُوۡنَ وَزِیۡرًا ﴿ۚۖ۳۵﴾

025.035 Walaqad atayna moosa alkitaba wajaAAalna maAAahu akhahu haroona wazeeran

Wij hebben toch aan Moesa het boek gegeven en zijn broer Haroen met hem als medewerker aangesteld.


فَقُلۡنَا اذۡہَبَاۤ اِلَی الۡقَوۡمِ الَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا ؕ فَدَمَّرۡنٰہُمۡ تَدۡمِیۡرًا ﴿ؕ۳۶﴾

025.036 Faqulna ithhaba ila alqawmi allatheena kaththaboo bi-ayatina fadammarnahum tadmeeran

En Wij zeiden: "Gaat heen naar de mensen die Onze tekenen loochenen." En Wij vernietigden hen toen geheel.


وَ قَوۡمَ نُوۡحٍ لَّمَّا کَذَّبُوا الرُّسُلَ اَغۡرَقۡنٰہُمۡ وَ جَعَلۡنٰہُمۡ لِلنَّاسِ اٰیَۃً ؕ وَ اَعۡتَدۡنَا لِلظّٰلِمِیۡنَ عَذَابًا اَلِیۡمًا ﴿ۚۖ۳۷﴾

025.037 Waqawma noohin lamma kaththaboo alrrusula aghraqnahum wajaAAalnahum lilnnasi ayatan waaAAtadna lilththalimeena AAathaban aleeman

En de mensen van Noeh hebben Wij laten verdrinken, toen zij de gezanten van leugens betichtten en Wij hebben hen voor de mensen tot een teken gemaakt. En Wij hebben voor de onrechtplegers een pijnlijke bestraffing klaargemaakt.


وَّ عَادًا وَّ ثَمُوۡدَا۠ وَ اَصۡحٰبَ الرَّسِّ وَ قُرُوۡنًۢا بَیۡنَ ذٰلِکَ کَثِیۡرًا ﴿۳۸﴾

025.038 WaAAadan wathamooda waas-haba alrrassi waquroonan bayna thalika katheeran

Ook de 'Aad en de Thamoed en de mensen van de bron en veel generaties daartussen.


وَ کُلًّا ضَرَبۡنَا لَہُ الۡاَمۡثَالَ ۫ وَ کُلًّا تَبَّرۡنَا تَتۡبِیۡرًا ﴿۳۹﴾

025.039 Wakullan darabna lahu al-amthala wakullan tabbarna tatbeeran

En voor elk hebben Wij voorbeelden ter vergelijking gegeven en elk hebben Wij geheel vernietigd.


وَ لَقَدۡ اَتَوۡا عَلَی الۡقَرۡیَۃِ الَّتِیۡۤ اُمۡطِرَتۡ مَطَرَ السَّوۡءِ ؕ اَفَلَمۡ یَکُوۡنُوۡا یَرَوۡنَہَا ۚ بَلۡ کَانُوۡا لَا یَرۡجُوۡنَ نُشُوۡرًا ﴿۴۰﴾

025.040 Walaqad ataw AAala alqaryati allatee omtirat matara alssaw-i afalam yakoonoo yarawnaha bal kanoo la yarjoona nushooran

Zij zijn toch bij de stad voorbij gekomen waarop de slechte regen geregend had; hebben zij haar dan niet gezien? Welnee, zij verwachten geen herrijzenis.


وَ اِذَا رَاَوۡکَ اِنۡ یَّتَّخِذُوۡنَکَ اِلَّا ہُزُوًا ؕ اَہٰذَا الَّذِیۡ بَعَثَ اللّٰہُ رَسُوۡلًا ﴿۴۱﴾

025.041 Wa-itha raawka in yattakhithoonaka illa huzuwan ahatha allathee baAAatha Allahu rasoolan

En wanneer zij jou zien, drijven zij slechts de spot met jou: "Is dit hem die Allah als gezant heeft opgeroepen?


اِنۡ کَادَ لَیُضِلُّنَا عَنۡ اٰلِہَتِنَا لَوۡ لَاۤ اَنۡ صَبَرۡنَا عَلَیۡہَا ؕ وَ سَوۡفَ یَعۡلَمُوۡنَ حِیۡنَ یَرَوۡنَ الۡعَذَابَ مَنۡ اَضَلُّ سَبِیۡلًا ﴿۴۲﴾

025.042 In kada layudilluna AAan alihatina lawla an sabarna AAalayha wasawfa yaAAlamoona heena yarawna alAAathaba man adallu sabeelan

Bijna had hij ons van onze goden laten afdwalen, als wij niet aan hen vastgehouden hadden." Zij zullen, wanneer zij de bestraffing zien, wel weten wie er het verst afgedwaald is van de weg.


اَرَءَیۡتَ مَنِ اتَّخَذَ اِلٰـہَہٗ ہَوٰىہُ ؕ اَفَاَنۡتَ تَکُوۡنُ عَلَیۡہِ وَکِیۡلًا ﴿ۙ۴۳﴾

025.043 Araayta mani ittakhatha ilahahu hawahu afaanta takoonu AAalayhi wakeelan

Heb jij hem gezien die zijn grillen tot zijn god maakt? Ben jij over hem voogd?


اَمۡ تَحۡسَبُ اَنَّ اَکۡثَرَہُمۡ یَسۡمَعُوۡنَ اَوۡ یَعۡقِلُوۡنَ ؕ اِنۡ ہُمۡ اِلَّا کَالۡاَنۡعَامِ بَلۡ ہُمۡ اَضَلُّ سَبِیۡلًا ﴿٪۴۴﴾

025.044 Am tahsabu anna aktharahum yasmaAAoona aw yaAAqiloona in hum illa kaal-anAAami bal hum adallu sabeelan

Of denk jij dat de meesten van hen horen of verstand hebben? Zij zijn slechts als het vee. Ja zeker, zij zijn het verst afgedwaald van de weg.


اَلَمۡ تَرَ اِلٰی رَبِّکَ کَیۡفَ مَدَّ الظِّلَّ ۚ وَ لَوۡ شَآءَ لَجَعَلَہٗ سَاکِنًا ۚ ثُمَّ جَعَلۡنَا الشَّمۡسَ عَلَیۡہِ دَلِیۡلًا ﴿ۙ۴۵﴾

025.045 Alam tara ila rabbika kayfa madda alththilla walaw shaa lajaAAalahu sakinan thumma jaAAalna alshshamsa AAalayhi daleelan

Heb jij niet gezien naar jouw Heer, hoe Hij de schaduw heeft uitgestrekt? En als Hij het gewild had, dan had Hij gemaakt dat hij stilstond. Vervolgens maken Wij de zon tot een aanwijzer ervoor.


ثُمَّ قَبَضۡنٰہُ اِلَیۡنَا قَبۡضًا یَّسِیۡرًا ﴿۴۶﴾

025.046 Thumma qabadnahu ilayna qabdan yaseeran

Daarop trekken Wij hem langzamerhand naar Ons terug.


وَ ہُوَ الَّذِیۡ جَعَلَ لَکُمُ الَّیۡلَ لِبَاسًا وَّ النَّوۡمَ سُبَاتًا وَّ جَعَلَ النَّہَارَ نُشُوۡرًا ﴿۴۷﴾

025.047 Wahuwa allathee jaAAala lakumu allayla libasan waalnnawma subatan wajaAAala alnnahara nushooran

En Hij is het die voor jullie de nacht tot kleding en de slaap om uit te rusten gemaakt heeft en Hij heeft de dag gemaakt om op te staan.


وَ ہُوَ الَّذِیۡۤ اَرۡسَلَ الرِّیٰحَ بُشۡرًۢا بَیۡنَ یَدَیۡ رَحۡمَتِہٖ ۚ وَ اَنۡزَلۡنَا مِنَ السَّمَآءِ مَآءً طَہُوۡرًا ﴿ۙ۴۸﴾

025.048 Wahuwa allathee arsala alrriyaha bushran bayna yaday rahmatihi waanzalna mina alssama-i maan tahooran

En Hij is het die de winden als verkondigers van goed nieuws voor Zijn barmhartigheid uit zendt. En Wij laten uit de hemel rein water neerdalen


لِّنُحۡیَِۧ بِہٖ بَلۡدَۃً مَّیۡتًا وَّ نُسۡقِیَہٗ مِمَّا خَلَقۡنَاۤ اَنۡعَامًا وَّ اَنَاسِیَّ کَثِیۡرًا ﴿۴۹﴾

025.049 Linuhyiya bihi baldatan maytan wanusqiyahu mimma khalaqna anAAaman waanasiyya katheeran

om daarmee een dode streek tot leven te brengen en om daarmee veel van wat Wij geschapen hebben, vee en mensen, te drinken te geven.


وَ لَقَدۡ صَرَّفۡنٰہُ بَیۡنَہُمۡ لِیَذَّکَّرُوۡا ۫ۖ فَاَبٰۤی اَکۡثَرُ النَّاسِ اِلَّا کُفُوۡرًا ﴿۵۰﴾

025.050 Walaqad sarrafnahu baynahum liyaththakkaroo faaba aktharu alnnasi illa kufooran

En Wij hebben het onder hen uiteengezet opdat zij vermaand zouden worden, maar de meeste mensen willen alleen maar ongelovig zijn.


وَ لَوۡ شِئۡنَا لَبَعَثۡنَا فِیۡ کُلِّ قَرۡیَۃٍ نَّذِیۡرًا ﴿۫ۖ۵۱﴾

025.051 Walaw shi/na labaAAathna fee kulli qaryatin natheeran

En als Wij gewild hadden, dan hadden Wij in iedere stad een waarschuwer laten opstaan.


فَلَا تُطِعِ الۡکٰفِرِیۡنَ وَ جَاہِدۡہُمۡ بِہٖ جِہَادًا کَبِیۡرًا ﴿۵۲﴾

025.052 Fala tutiAAi alkafireena wajahidhum bihi jihadan kabeeran

Gehoorzaam dan de ongelovigen niet, maar stel je tegen hen hevig te weer.


وَ ہُوَ الَّذِیۡ مَرَجَ الۡبَحۡرَیۡنِ ہٰذَا عَذۡبٌ فُرَاتٌ وَّ ہٰذَا مِلۡحٌ اُجَاجٌ ۚ وَ جَعَلَ بَیۡنَہُمَا بَرۡزَخًا وَّ حِجۡرًا مَّحۡجُوۡرًا ﴿۵۳﴾

025.053 Wahuwa allathee maraja albahrayni hatha AAathbun furatun wahatha milhun ojajun wajaAAala baynahuma barzakhan wahijran mahjooran

En Hij is het die de beide zeeŽn vrij heeft laten stromen, de een zoet en fris en de ander zout en pekelig en Hij heeft tussen beide een versperring gemaakt en een volstrekte ontoegankelijkheid.


وَ ہُوَ الَّذِیۡ خَلَقَ مِنَ الۡمَآءِ بَشَرًا فَجَعَلَہٗ نَسَبًا وَّ صِہۡرًا ؕ وَ کَانَ رَبُّکَ قَدِیۡرًا ﴿۵۴﴾

025.054 Wahuwa allathee khalaqa mina alma-i basharan fajaAAalahu nasaban wasihran wakana rabbuka qadeeran

En Hij is het die uit water een mens geschapen heeft en hem dan gemaakt heeft tot bloed- en aanverwant; jouw Heer is vrijmachtig.


وَ یَعۡبُدُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ مَا لَا یَنۡفَعُہُمۡ وَ لَا یَضُرُّہُمۡ ؕ وَ کَانَ الۡکَافِرُ عَلٰی رَبِّہٖ ظَہِیۡرًا ﴿۵۵﴾

025.055 WayaAAbudoona min dooni Allahi ma la yanfaAAuhum wala yadurruhum wakana alkafiru AAala rabbihi thaheeran

En zij dienen in plaats van Allah iets wat hen niet nut en niet schaadt. En de ongelovige verleent hulp tegen zijn Heer.


وَ مَاۤ اَرۡسَلۡنٰکَ اِلَّا مُبَشِّرًا وَّ نَذِیۡرًا ﴿۵۶﴾

025.056 Wama arsalnaka illa mubashshiran wanatheeran

Maar Wij hebben jou slechts als verkondiger en waarschuwer gezonden.


قُلۡ مَاۤ اَسۡـَٔلُکُمۡ عَلَیۡہِ مِنۡ اَجۡرٍ اِلَّا مَنۡ شَآءَ اَنۡ یَّتَّخِذَ اِلٰی رَبِّہٖ سَبِیۡلًا ﴿۵۷﴾

025.057 Qul ma as-alukum AAalayhi min ajrin illa man shaa an yattakhitha ila rabbihi sabeelan

Zeg: "Ik vraag jullie daarvoor geen loon, behalve als iemand de weg tot Allah wil inslaan."


وَ تَوَکَّلۡ عَلَی الۡحَیِّ الَّذِیۡ لَا یَمُوۡتُ وَ سَبِّحۡ بِحَمۡدِہٖ ؕ وَ کَفٰی بِہٖ بِذُنُوۡبِ عِبَادِہٖ خَبِیۡرَا ﴿ۚۛۙ۵۸﴾

025.058 Watawakkal AAala alhayyi allathee la yamootu wasabbih bihamdihi wakafa bihi bithunoobi AAibadihi khabeeran

En stel je vertrouwen op de levende die niet sterft en prijs Zijn lof; Hij is goed genoeg als iemand die welingelicht is over de zonden van Zijn dienaren.


ۣالَّذِیۡ خَلَقَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ وَ مَا بَیۡنَہُمَا فِیۡ سِتَّۃِ اَیَّامٍ ثُمَّ اسۡتَوٰی عَلَی الۡعَرۡشِ ۚۛ اَلرَّحۡمٰنُ فَسۡـَٔلۡ بِہٖ خَبِیۡرًا ﴿۵۹﴾

025.059 Allathee khalaqa alssamawati waal-arda wama baynahuma fee sittati ayyamin thumma istawa AAala alAAarshi alrrahmanu fais-al bihi khabeeran

Hij die de hemelen en de aarde en wat er tussen beide is in zes dagen geschapen heeft en die zich toen op de troon vestigde, hij is de Erbarmer. Vraag maar aan iemand die welingelicht is.


وَ اِذَا قِیۡلَ لَہُمُ اسۡجُدُوۡا لِلرَّحۡمٰنِ قَالُوۡا وَ مَا الرَّحۡمٰنُ ٭ اَنَسۡجُدُ لِمَا تَاۡمُرُنَا وَ زَادَہُمۡ نُفُوۡرًا ﴿٪ٛ۶۰﴾

025.060 Wa-itha qeela lahumu osjudoo lilrrahmani qaloo wama alrrahmanu anasjudu lima ta/muruna wazadahum nufooran

Wanneer men tot hen zegt: "Buigt jullie eerbiedig neer voor de Erbarmer" dan zeggen zij: "Wat is dat, de Erbarmer? Zullen wij ons eerbiedig voor iets neerbuigen, alleen maar omdat jij het ons beveelt?" En het vermeerdert slechts hun afkerigheid."


تَبٰرَکَ الَّذِیۡ جَعَلَ فِی السَّمَآءِ بُرُوۡجًا وَّ جَعَلَ فِیۡہَا سِرٰجًا وَّ قَمَرًا مُّنِیۡرًا ﴿۶۱﴾

025.061 Tabaraka allathee jaAAala fee alssama-i buroojan wajaAAala feeha sirajan waqamaran muneeran

Gezegend zij Hij die in de hemel sterrenbeelden heeft gemaakt en die daarin een heldere lamp en een verlichtende maan heeft gemaakt.


وَ ہُوَ الَّذِیۡ جَعَلَ الَّیۡلَ وَ النَّہَارَ خِلۡفَۃً لِّمَنۡ اَرَادَ اَنۡ یَّذَّکَّرَ اَوۡ اَرَادَ شُکُوۡرًا ﴿۶۲﴾

025.062 Wahuwa allathee jaAAala allayla waalnnahara khilfatan liman arada an yaththakkara aw arada shukooran

En hij is het die de dag en de nacht als elkaars aflossing gemaakt heeft voor wie zich wenst te laten vermanen of die dankbaar wenst te zijn.


وَ عِبَادُ الرَّحۡمٰنِ الَّذِیۡنَ یَمۡشُوۡنَ عَلَی الۡاَرۡضِ ہَوۡنًا وَّ اِذَا خَاطَبَہُمُ الۡجٰہِلُوۡنَ قَالُوۡا سَلٰمًا ﴿۶۳﴾

025.063 WaAAibadu alrrahmani allatheena yamshoona AAala al-ardi hawnan wa-itha khatabahumu aljahiloona qaloo salaman

En de dienaren van de Erbarmer zijn zij die bescheiden op de aarde rondwandelen en wanneer de onwetenden hen toespreken zeggen: "Vrede".


وَ الَّذِیۡنَ یَبِیۡتُوۡنَ لِرَبِّہِمۡ سُجَّدًا وَّ قِیَامًا ﴿۶۴﴾

025.064 Waallatheena yabeetoona lirabbihim sujjadan waqiyaman

En zij die de nacht doorbrengen terwijl zij zich eerbiedig voor hun Heer neerbuigen en terwijl zij rechtop staan.


وَ الَّذِیۡنَ یَقُوۡلُوۡنَ رَبَّنَا اصۡرِفۡ عَنَّا عَذَابَ جَہَنَّمَ ٭ۖ اِنَّ عَذَابَہَا کَانَ غَرَامًا ﴿٭ۖ۶۵﴾

025.065 Waallatheena yaqooloona rabbana isrif AAanna AAathaba jahannama inna AAathabaha kana gharaman

En zij die zeggen: "Onze Heer, wend van ons de bestraffing van de hel af; de bestraffing daarmee blijft voortdurend."


اِنَّہَا سَآءَتۡ مُسۡتَقَرًّا وَّ مُقَامًا ﴿۶۶﴾

025.066 Innaha saat mustaqarran wamuqaman

Het is een slechte verblijfplaats en standplaats.


وَ الَّذِیۡنَ اِذَاۤ اَنۡفَقُوۡا لَمۡ یُسۡرِفُوۡا وَ لَمۡ یَقۡتُرُوۡا وَ کَانَ بَیۡنَ ذٰلِکَ قَوَامًا ﴿۶۷﴾

025.067 Waallatheena itha anfaqoo lam yusrifoo walam yaqturoo wakana bayna thalika qawaman

En zij die niet overdrijven en niet te zuinig zijn wanneer zij bijdragen geven, maar daartussen het midden houden.


وَ الَّذِیۡنَ لَا یَدۡعُوۡنَ مَعَ اللّٰہِ اِلٰـہًا اٰخَرَ وَ لَا یَقۡتُلُوۡنَ النَّفۡسَ الَّتِیۡ حَرَّمَ اللّٰہُ اِلَّا بِالۡحَقِّ وَ لَا یَزۡنُوۡنَ ۚ وَ مَنۡ یَّفۡعَلۡ ذٰلِکَ یَلۡقَ اَثَامًا ﴿ۙ۶۸﴾

025.068 Waallatheena la yadAAoona maAAa Allahi ilahan akhara wala yaqtuloona alnnafsa allatee harrama Allahu illa bialhaqqi wala yaznoona waman yafAAal thalika yalqa athaman

En zij die naast Allah geen andere god aanroepen en die niemand doden -- wat Allah verboden heeft -- behalve volgens het recht en die geen overspel plegen; wie dat doet zal moeten boeten.


یُّضٰعَفۡ لَہُ الۡعَذَابُ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ وَ یَخۡلُدۡ فِیۡہٖ مُہَانًا ﴿٭ۖ۶۹﴾

025.069 YudaAAaf lahu alAAathabu yawma alqiyamati wayakhlud feehi muhanan

Voor hem zal op de opstandingsdag de bestraffing verdubbeld worden en vernederd zal hij er altijd in blijven.


اِلَّا مَنۡ تَابَ وَ اٰمَنَ وَ عَمِلَ عَمَلًا صَالِحًا فَاُولٰٓئِکَ یُبَدِّلُ اللّٰہُ سَیِّاٰتِہِمۡ حَسَنٰتٍ ؕ وَ کَانَ اللّٰہُ غَفُوۡرًا رَّحِیۡمًا ﴿۷۰﴾

025.070 Illa man taba waamana waAAamila AAamalan salihan faola-ika yubaddilu Allahu sayyi-atihim hasanatin wakana Allahu ghafooran raheeman

Behalve hij die berouw toont, gelooft en deugdelijk handelt; zij zijn het voor wie Allah hun slechte daden tegen goede inwisselt; Allah is vergevend en barmhartig.


وَ مَنۡ تَابَ وَ عَمِلَ صَالِحًا فَاِنَّہٗ یَتُوۡبُ اِلَی اللّٰہِ مَتَابًا ﴿۷۱﴾

025.071 Waman taba waAAamila salihan fa-innahu yatoobu ila Allahi mataban

En wie berouw heeft en deugdelijk handelt, die wendt zich dus werkelijk berouwvol tot Allah.


وَ الَّذِیۡنَ لَا یَشۡہَدُوۡنَ الزُّوۡرَ ۙ وَ اِذَا مَرُّوۡا بِاللَّغۡوِ مَرُّوۡا کِرَامًا ﴿۷۲﴾

025.072 Waallatheena la yashhadoona alzzoora wa-itha marroo biallaghwi marroo kiraman

En zij die geen vals getuigenis geven en die wanneer zij bij geklets voorbijkomen er waardig aan voorbijgaan.


وَ الَّذِیۡنَ اِذَا ذُکِّرُوۡا بِاٰیٰتِ رَبِّہِمۡ لَمۡ یَخِرُّوۡا عَلَیۡہَا صُمًّا وَّ عُمۡیَانًا ﴿۷۳﴾

025.073 Waallatheena itha thukkiroo bi-ayati rabbihim lam yakhirroo AAalayha summan waAAumyanan

En zij die wanneer zij met de tekenen van hun Heer vermaand worden er niet doof en blind bij neervallen.


وَ الَّذِیۡنَ یَقُوۡلُوۡنَ رَبَّنَا ہَبۡ لَنَا مِنۡ اَزۡوَاجِنَا وَ ذُرِّیّٰتِنَا قُرَّۃَ اَعۡیُنٍ وَّ اجۡعَلۡنَا لِلۡمُتَّقِیۡنَ اِمَامًا ﴿۷۴﴾

025.074 Waallatheena yaqooloona rabbana hab lana min azwajina wathurriyyatina qurrata aAAyunin waijAAalna lilmuttaqeena imaman

En zij die zeggen: "Onze Heer, schenk ons dat wij aan onze echtgenotes en nakomelingen vreugde beleven en maak ons tot een voorbeeld voor de godvrezenden."


اُولٰٓئِکَ یُجۡزَوۡنَ الۡغُرۡفَۃَ بِمَا صَبَرُوۡا وَ یُلَقَّوۡنَ فِیۡہَا تَحِیَّۃً وَّ سَلٰمًا ﴿ۙ۷۵﴾

025.075 Ola-ika yujzawna alghurfata bima sabaroo wayulaqqawna feeha tahiyyatan wasalaman

Zij zijn het die met de [feest]zaal beloond worden omdat zij geduldig volhard hebben. En men zal hen daarin met een begroeting en met "vrede" tegemoet treden.


خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا ؕ حَسُنَتۡ مُسۡتَقَرًّا وَّ مُقَامًا ﴿۷۶﴾

025.076 Khalideena feeha hasunat mustaqarran wamuqaman

Zij zullen daarin altijd blijven; goed is zij als verblijfplaats en standplaats.


قُلۡ مَا یَعۡبَؤُا بِکُمۡ رَبِّیۡ لَوۡ لَا دُعَآؤُکُمۡ ۚ فَقَدۡ کَذَّبۡتُمۡ فَسَوۡفَ یَکُوۡنُ لِزَامًا ﴿٪۷۷﴾

025.077 Qul ma yaAAbao bikum rabbee lawla duAAaokum faqad kaththabtum fasawfa yakoonu lizaman

Zeg: "Mijn Heer zal zich niet om jullie bekommeren als jullie Hem niet aanroepen, maar jullie hebben het toch geloochend, dus zal het onafwendbaar zijn."


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

طٰسٓمّٓ ﴿۱﴾

026.001 Ta-seen-meem

T[aa?] S[ien] M[iem].


تِلۡکَ اٰیٰتُ الۡکِتٰبِ الۡمُبِیۡنِ ﴿۲﴾

026.002 Tilka ayatu alkitabi almubeeni

Dit zijn de tekenen van het duidelijke boek.


لَعَلَّکَ بَاخِعٌ نَّفۡسَکَ اَلَّا یَکُوۡنُوۡا مُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۳﴾

026.003 LaAAallaka bakhiAAun nafsaka alla yakoonoo mu/mineena

Misschien zul jij jezelf van smart nog ombrengen omdat zij niet gelovig zijn.


اِنۡ نَّشَاۡ نُنَزِّلۡ عَلَیۡہِمۡ مِّنَ السَّمَآءِ اٰیَۃً فَظَلَّتۡ اَعۡنَاقُہُمۡ لَہَا خٰضِعِیۡنَ ﴿۴﴾

026.004 In nasha/ nunazzil AAalayhim mina alssama-i ayatan fathallat aAAnaquhum laha khadiAAeena

Als Wij wilden, hadden Wij uit de hemel tot hen een teken neergezonden, zodat hun nekken ervoor gebogen zouden blijven.


وَ مَا یَاۡتِیۡہِمۡ مِّنۡ ذِکۡرٍ مِّنَ الرَّحۡمٰنِ مُحۡدَثٍ اِلَّا کَانُوۡا عَنۡہُ مُعۡرِضِیۡنَ ﴿۵﴾

026.005 Wama ya/teehim min thikrin mina alrrahmani muhdathin illa kanoo AAanhu muAArideena

Geen nieuwe vermaning komt er tot hen van de Erbarmer of zij wenden zich ervan af.


فَقَدۡ کَذَّبُوۡا فَسَیَاۡتِیۡہِمۡ اَنۡۢبٰٓؤُا مَا کَانُوۡا بِہٖ یَسۡتَہۡزِءُوۡنَ ﴿۶﴾

026.006 Faqad kaththaboo fasaya/teehim anbao ma kanoo bihi yastahzi-oona

Zij hebben ze immers geloochend, maar de mededelingen over dat waarmee zij de spot dreven zullen tot hen komen.


اَوَ لَمۡ یَرَوۡا اِلَی الۡاَرۡضِ کَمۡ اَنۡۢبَتۡنَا فِیۡہَا مِنۡ کُلِّ زَوۡجٍ کَرِیۡمٍ ﴿۷﴾

026.007 Awa lam yaraw ila al-ardi kam anbatna feeha min kulli zawjin kareemin

Of hebben zij niet naar de aarde gezien, hoeveel voortreffelijke soorten Wij erop hebben laten groeien?


اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیَۃً ؕوَ مَا کَانَ اَکۡثَرُ ہُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۸﴾

026.008 Inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mu/mineena

Daarin is zeker een teken, maar de meesten van hen zijn niet gelovig.


وَ اِنَّ رَبَّکَ لَہُوَ الۡعَزِیۡزُ الرَّحِیۡمُ ﴿۹﴾

026.009 Wa-inna rabbaka lahuwa alAAazeezu alrraheemu

Echter, jouw Heer is werkelijk de machtige, de barmhartige.


وَ اِذۡ نَادٰی رَبُّکَ مُوۡسٰۤی اَنِ ائۡتِ الۡقَوۡمَ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿ۙ۱۰﴾

026.010 Wa-ith nada rabbuka moosa ani i/ti alqawma alththalimeena

Toen jouw Heer Moesa riep: "Ga naar de mensen die onrecht plegen,


قَوۡمَ فِرۡعَوۡنَ ؕ اَلَا یَتَّقُوۡنَ ﴿۱۱﴾

026.011 Qawma firAAawna ala yattaqoona

het volk van Fir'aun [om te zien] of zij niet godvrezend zullen worden."


قَالَ رَبِّ اِنِّیۡۤ اَخَافُ اَنۡ یُّکَذِّبُوۡنِ ﴿ؕ۱۲﴾

026.012 Qala rabbi innee akhafu an yukaththibooni

Hij zei: "Mijn Heer ik ben bang dat zij mij van leugens zullen betichten,


وَ یَضِیۡقُ صَدۡرِیۡ وَ لَا یَنۡطَلِقُ لِسَانِیۡ فَاَرۡسِلۡ اِلٰی ہٰرُوۡنَ ﴿۱۳﴾

026.013 Wayadeequ sadree wala yantaliqu lisanee faarsil ila haroona

en mijn hart is benauwd en mijn tong komt niet los; ontbied Haroen dus maar.


وَ لَہُمۡ عَلَیَّ ذَنۡۢبٌ فَاَخَافُ اَنۡ یَّقۡتُلُوۡنِ ﴿ۚ۱۴﴾

026.014 Walahum AAalayya thanbun faakhafu an yaqtulooni

Zij kunnen mij ook nog op een zonde aanspreken en ik ben dus bang dat zij mij zullen doden."


قَالَ کَلَّا ۚ فَاذۡہَبَا بِاٰیٰتِنَاۤ اِنَّا مَعَکُمۡ مُّسۡتَمِعُوۡنَ ﴿۱۵﴾

026.015 Qala kalla faithhaba bi-ayatina inna maAAakum mustamiAAoona

Hij zei: "Welnee, ga dus beiden met Onze tekenen heen. Wij zijn met jullie en luisteren."


فَاۡتِیَا فِرۡعَوۡنَ فَقُوۡلَاۤ اِنَّا رَسُوۡلُ رَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿ۙ۱۶﴾

026.016 Fa/tiya firAAawna faqoola inna rasoolu rabbi alAAalameena

Toen kwamen zij bij Fir'aun en zeiden: "Wij zijn de gezant van de Heer van de wereldbewoners.


اَنۡ اَرۡسِلۡ مَعَنَا بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ ﴿ؕ۱۷﴾

026.017 An arsil maAAana banee isra-eela

Laat de IsraŽlieten met ons gaan."


قَالَ اَلَمۡ نُرَبِّکَ فِیۡنَا وَلِیۡدًا وَّ لَبِثۡتَ فِیۡنَا مِنۡ عُمُرِکَ سِنِیۡنَ ﴿ۙ۱۸﴾

026.018 Qala alam nurabbika feena waleedan walabithta feena min AAumurika sineena

Hij zei: "Hebben wij jou niet als kind grootgebracht en heb jij niet jaren van jouw leven bij ons gewoond?


وَ فَعَلۡتَ فَعۡلَتَکَ الَّتِیۡ فَعَلۡتَ وَ اَنۡتَ مِنَ الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۱۹﴾

026.019 WafaAAalta faAAlataka allatee faAAalta waanta mina alkafireena

En jij hebt gedaan wat je gedaan hebt en bent nu een van de ondankbaren."


قَالَ فَعَلۡتُہَاۤ اِذًا وَّ اَنَا مِنَ الضَّآلِّیۡنَ ﴿ؕ۲۰﴾

026.020 Qala faAAaltuha ithan waana mina alddalleena

Hij zei: "Dan heb ik het gedaan toen ik nog een van de dwalenden was.


فَفَرَرۡتُ مِنۡکُمۡ لَمَّا خِفۡتُکُمۡ فَوَہَبَ لِیۡ رَبِّیۡ حُکۡمًا وَّ جَعَلَنِیۡ مِنَ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۲۱﴾

026.021 Fafarartu minkum lamma khiftukum fawahaba lee rabbee hukman wajaAAalanee mina almursaleena

En ik ben van jullie weggevlucht toen ik bang voor jullie geworden was, maar mijn Heer heeft mij oordeelskracht geschonken en mij tot een van de gezondenen gemaakt.


وَ تِلۡکَ نِعۡمَۃٌ تَمُنُّہَا عَلَیَّ اَنۡ عَبَّدۡتَّ بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ ﴿ؕ۲۲﴾

026.022 Watilka niAAmatun tamunnuha AAalayya an AAabbadta banee isra-eela

Is dat dan genade die jij aan mij bewezen hebt, dat jij de IsraŽlieten geknecht hebt?"


قَالَ فِرۡعَوۡنُ وَ مَا رَبُّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿ؕ۲۳﴾

026.023 Qala firAAawnu wama rabbu alAAalameena

Fir'aun zei: "En wat is dan de Heer van de wereldbewoners?"


قَالَ رَبُّ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ وَ مَا بَیۡنَہُمَا ؕ اِنۡ کُنۡتُمۡ مُّوۡقِنِیۡنَ ﴿۲۴﴾

026.024 Qala rabbu alssamawati waal-ardi wama baynahuma in kuntum mooqineena

Hij zei: "De Heer van de hemelen en de aarde en wat er tussen beide is, als jullie ervan overtuigd zijn."


قَالَ لِمَنۡ حَوۡلَہٗۤ اَلَا تَسۡتَمِعُوۡنَ ﴿۲۵﴾

026.025 Qala liman hawlahu ala tastamiAAoona

Hij zei tegen wie er om hem heen stonden: "Horen jullie het niet?"


قَالَ رَبُّکُمۡ وَ رَبُّ اٰبَآئِکُمُ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿۲۶﴾

026.026 Qala rabbukum warabbu aba-ikumu al-awwaleena

Hij zei: "Hij is jullie Heer en de Heer van jullie voorvaderen."


قَالَ اِنَّ رَسُوۡلَکُمُ الَّذِیۡۤ اُرۡسِلَ اِلَیۡکُمۡ لَمَجۡنُوۡنٌ ﴿۲۷﴾

026.027 Qala inna rasoolakumu allathee orsila ilaykum lamajnoonun

Hij zei: "Jullie gezant die tot jullie gezonden is, is bezeten."


قَالَ رَبُّ الۡمَشۡرِقِ وَ الۡمَغۡرِبِ وَ مَا بَیۡنَہُمَا ؕ اِنۡ کُنۡتُمۡ تَعۡقِلُوۡنَ ﴿۲۸﴾

026.028 Qala rabbu almashriqi waalmaghribi wama baynahuma in kuntum taAAqiloona

Hij zei: "De Heer van het oosten en het westen en wat er tussen beide is, als jullie verstand hebben."


قَالَ لَئِنِ اتَّخَذۡتَ اِلٰـہًا غَیۡرِیۡ لَاَجۡعَلَنَّکَ مِنَ الۡمَسۡجُوۡنِیۡنَ ﴿۲۹﴾

026.029 Qala la-ini ittakhathta ilahan ghayree laajAAalannaka mina almasjooneena

Hij zei: "Als jij je een ander dan mij als god neemt dan zal ik je zeker tot een van de gevangenen maken."


قَالَ اَوَ لَوۡ جِئۡتُکَ بِشَیۡءٍ مُّبِیۡنٍ ﴿ۚ۳۰﴾

026.030 Qala awa law ji/tuka bishay-in mubeenin

Hij zei: "Maar wat dan als ik jou iets duidelijks breng?"


قَالَ فَاۡتِ بِہٖۤ اِنۡ کُنۡتَ مِنَ الصّٰدِقِیۡنَ ﴿۳۱﴾

026.031 Qala fa/ti bihi in kunta mina alssadiqeena

Hij zei: "Breng het maar tevoorschijn als jij behoort tot hen die gelijk hebben."


فَاَلۡقٰی عَصَاہُ فَاِذَا ہِیَ ثُعۡبَانٌ مُّبِیۡنٌ ﴿ۚۖ۳۲﴾

026.032 Faalqa AAasahu fa-itha hiya thuAAbanun mubeenun

Toen wierp hij zijn staf en het was opeens duidelijk een slang.


وَّ نَزَعَ یَدَہٗ فَاِذَا ہِیَ بَیۡضَآءُ لِلنّٰظِرِیۡنَ ﴿٪۳۳﴾

026.033 WanazaAAa yadahu fa-itha hiya baydao lilnnathireena

En hij strekte zijn hand uit en zij was opeens wit voor de toeschouwers.


قَالَ لِلۡمَلَاِ حَوۡلَہٗۤ اِنَّ ہٰذَا لَسٰحِرٌ عَلِیۡمٌ ﴿ۙ۳۴﴾

026.034 Qala lilmala-i hawlahu inna hatha lasahirun AAaleemun

Hij zei tot de voornaamsten rondom hem: "Zie, dit is een kundig tovenaar.


یُّرِیۡدُ اَنۡ یُّخۡرِجَکُمۡ مِّنۡ اَرۡضِکُمۡ بِسِحۡرِہٖ ٭ۖ فَمَا ذَا تَاۡمُرُوۡنَ ﴿۳۵﴾

026.035 Yureedu an yukhrijakum min ardikum bisihrihi famatha ta/muroona

Hij wil jullie met toverij uit jullie land verdrijven. Wat gebieden jullie dan?"


قَالُوۡۤا اَرۡجِہۡ وَ اَخَاہُ وَ ابۡعَثۡ فِی الۡمَدَآئِنِ حٰشِرِیۡنَ ﴿ۙ۳۶﴾

026.036 Qaloo arjih waakhahu waibAAath fee almada-ini hashireena

Zij zeiden: "Houd hem en zijn broer nog wat tegen en zend bijeenroepers in de steden uit,


یَاۡتُوۡکَ بِکُلِّ سَحَّارٍ عَلِیۡمٍ ﴿۳۷﴾

026.037 Ya/tooka bikulli sahharin AAaleemin

om elke kundige tovenaar tot jou te brengen."


فَجُمِعَ السَّحَرَۃُ لِمِیۡقَاتِ یَوۡمٍ مَّعۡلُوۡمٍ ﴿ۙ۳۸﴾

026.038 FajumiAAa alssaharatu limeeqati yawmin maAAloomin

En de tovenaars verzamelden zich op de afgesproken tijd van een vastgestelde dag.


وَّ قِیۡلَ لِلنَّاسِ ہَلۡ اَنۡتُمۡ مُّجۡتَمِعُوۡنَ ﴿ۙ۳۹﴾

026.039 Waqeela lilnnasi hal antum mujtamiAAoona

En men zei tot de mensen: "Zullen jullie ook bijeenkomen?


لَعَلَّنَا نَتَّبِعُ السَّحَرَۃَ اِنۡ کَانُوۡا ہُمُ الۡغٰلِبِیۡنَ ﴿۴۰﴾

026.040 LaAAallana nattabiAAu alssaharata in kanoo humu alghalibeena

Misschien zullen wij de tovenaars volgen als zij de overwinnaars zijn."


فَلَمَّا جَآءَ السَّحَرَۃُ قَالُوۡا لِفِرۡعَوۡنَ اَئِنَّ لَنَا لَاَجۡرًا اِنۡ کُنَّا نَحۡنُ الۡغٰلِبِیۡنَ ﴿۴۱﴾

026.041 Falamma jaa alssaharatu qaloo lifirAAawna a-inna lana laajran in kunna nahnu alghalibeena

Toen de tovenaars dan kwamen zeiden zij tot Fir'aun: "Er is voor ons toch wel een beloning als wij overwinnen?"


قَالَ نَعَمۡ وَ اِنَّکُمۡ اِذًا لَّمِنَ الۡمُقَرَّبِیۡنَ ﴿۴۲﴾

026.042 Qala naAAam wa-innakum ithan lamina almuqarrabeena

Hij zei: "Ja, jullie zullen dan tot hen behoren die in [mijn] nabijheid zijn toegelaten."


قَالَ لَہُمۡ مُّوۡسٰۤی اَلۡقُوۡا مَاۤ اَنۡتُمۡ مُّلۡقُوۡنَ ﴿۴۳﴾

026.043 Qala lahum moosa alqoo ma antum mulqoona

Moesa zei tot hen: "Werpt wat jullie te werpen hebben."


فَاَلۡقَوۡا حِبَالَہُمۡ وَ عِصِیَّہُمۡ وَ قَالُوۡا بِعِزَّۃِ فِرۡعَوۡنَ اِنَّا لَنَحۡنُ الۡغٰلِبُوۡنَ ﴿۴۴﴾

026.044 Faalqaw hibalahum waAAisiyyahum waqaloo biAAizzati firAAawna inna lanahnu alghaliboona

Zij wierpen dus hun touwen en hun staven en zeiden: "Bij de macht van Fir'aun, wij zijn werkelijk de overwinnaars."


فَاَلۡقٰی مُوۡسٰی عَصَاہُ فَاِذَا ہِیَ تَلۡقَفُ مَا یَاۡفِکُوۡنَ ﴿ۚۖ۴۵﴾

026.045 Faalqa moosa AAasahu fa-itha hiya talqafu ma ya/fikoona

Daarop wierp Moesa zijn staf. Die verslond toen wat zij de mensen voortoverden.


فَاُلۡقِیَ السَّحَرَۃُ سٰجِدِیۡنَ ﴿ۙ۴۶﴾

026.046 Faolqiya alssaharatu sajideena

Toen werden de tovenaars neergeworpen om zich eerbiedig neer te buigen.


قَالُوۡۤا اٰمَنَّا بِرَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿ۙ۴۷﴾

026.047 Qaloo amanna birabbi alAAalameena

Zij zeiden: "Wij geloven in de Heer van de wereldbewoners,


رَبِّ مُوۡسٰی وَ ہٰرُوۡنَ ﴿۴۸﴾

026.048 Rabbi moosa waharoona

de Heer van Moesa en Haroen."


قَالَ اٰمَنۡتُمۡ لَہٗ قَبۡلَ اَنۡ اٰذَنَ لَکُمۡ ۚ اِنَّہٗ لَکَبِیۡرُکُمُ الَّذِیۡ عَلَّمَکُمُ السِّحۡرَ ۚ فَلَسَوۡفَ تَعۡلَمُوۡنَ ۬ؕ لَاُقَطِّعَنَّ اَیۡدِیَکُمۡ وَ اَرۡجُلَکُمۡ مِّنۡ خِلَافٍ وَّ لَاُوصَلِّبَنَّکُمۡ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿ۚ۴۹﴾

026.049 Qala amantum lahu qabla an athana lakum innahu lakabeerukumu allathee AAallamakumu alssihra falasawfa taAAlamoona laoqattiAAanna aydiyakum waarjulakum min khilafin walaosallibannakum ajmaAAeena

Hij zei: "Jullie geloven aan hem voordat ik jullie toestemming gegeven heb. Hij is zeker jullie meester die jullie heeft leren toveren. Dan zullen jullie het weten; Ik zal jullie de handen en voeten aan tegenovergestelde kanten afhouwen en jullie allen tezamen kruisigen."


قَالُوۡا لَا ضَیۡرَ ۫ اِنَّاۤ اِلٰی رَبِّنَا مُنۡقَلِبُوۡنَ ﴿ۚ۵۰﴾

026.050 Qaloo la dayra inna ila rabbina munqaliboona

Zij zeiden: "Het deert [ons] niet, wij zullen tot onze Heer omkeren.


اِنَّا نَطۡمَعُ اَنۡ یَّغۡفِرَ لَنَا رَبُّنَا خَطٰیٰنَاۤ اَنۡ کُنَّاۤ اَوَّلَ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿ؕ٪۵۱﴾

026.051 Inna natmaAAu an yaghfira lana rabbuna khatayana an kunna awwala almu/mineena

Wij begeren dat onze Heer ons onze fouten vergeeft, omdat wij [nu] de eersten van de gelovigen zijn."


وَ اَوۡحَیۡنَاۤ اِلٰی مُوۡسٰۤی اَنۡ اَسۡرِ بِعِبَادِیۡۤ اِنَّکُمۡ مُّتَّبَعُوۡنَ ﴿۵۲﴾

026.052 Waawhayna ila moosa an asri biAAibadee innakum muttabaAAoona

En Wij openbaarden aan Moesa: "Vertrek 's nachts met Mijn dienaren, want jullie zullen achtervolgd worden."


فَاَرۡسَلَ فِرۡعَوۡنُ فِی الۡمَدَآئِنِ حٰشِرِیۡنَ ﴿ۚ۵۳﴾

026.053 Faarsala firAAawnu fee almada-ini hashireena

Toen zond Fir'aun in de steden bijeenroepers uit:


اِنَّ ہٰۤؤُلَآءِ لَشِرۡ ذِمَۃٌ قَلِیۡلُوۡنَ ﴿ۙ۵۴﴾

026.054 Inna haola-i lashirthimatun qaleeloona

"Dezen zijn maar een klein groepje


وَ اِنَّہُمۡ لَنَا لَغَآئِظُوۡنَ ﴿ۙ۵۵﴾

026.055 Wa-innahum lana lagha-ithoona

en toch maken zij ons woedend.


وَ اِنَّا لَجَمِیۡعٌ حٰذِرُوۡنَ ﴿ؕ۵۶﴾

026.056 Wa-inna lajameeAAun hathiroona

Maar wij zijn allen op onze hoede."


فَاَخۡرَجۡنٰہُمۡ مِّنۡ جَنّٰتٍ وَّ عُیُوۡنٍ ﴿ۙ۵۷﴾

026.057 Faakhrajnahum min jannatin waAAuyoonin

Toen lieten Wij hen uit tuinen en bronnen wegtrekken,


وَّ کُنُوۡزٍ وَّ مَقَامٍ کَرِیۡمٍ ﴿ۙ۵۸﴾

026.058 Wakunoozin wamaqamin kareemin

bij schatten weg en uit een voortreffelijke positie.


کَذٰلِکَ ؕ وَ اَوۡرَثۡنٰہَا بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ ﴿ؕ۵۹﴾

026.059 Kathalika waawrathnaha banee isra-eela

Zo is het. En Wij lieten de IsraŽlieten het beŽrven.


فَاَتۡبَعُوۡہُمۡ مُّشۡرِقِیۡنَ ﴿۶۰﴾

026.060 FaatbaAAoohum mushriqeena

Maar zij achtervolgden hen bij zonsopgang.


فَلَمَّا تَرَآءَ الۡجَمۡعٰنِ قَالَ اَصۡحٰبُ مُوۡسٰۤی اِنَّا لَمُدۡرَکُوۡنَ ﴿ۚ۶۱﴾

026.061 Falamma taraa aljamAAani qala as-habu moosa inna lamudrakoona

En toen de beide troepenmachten elkaar zagen zeiden de mensen van Moesa: "Wij worden ingehaald."


قَالَ کَلَّا ۚ اِنَّ مَعِیَ رَبِّیۡ سَیَہۡدِیۡنِ ﴿۶۲﴾

026.062 Qala kalla inna maAAiya rabbee sayahdeeni

Hij zei: "Welnee, mijn Heer is met mij; Hij zal mij de goede richting wijzen."


فَاَوۡحَیۡنَاۤ اِلٰی مُوۡسٰۤی اَنِ اضۡرِبۡ بِّعَصَاکَ الۡبَحۡرَ ؕ فَانۡفَلَقَ فَکَانَ کُلُّ فِرۡقٍ کَالطَّوۡدِ الۡعَظِیۡمِ ﴿ۚ۶۳﴾

026.063 Faawhayna ila moosa ani idrib biAAasaka albahra fainfalaqa fakana kullu firqin kaalttawdi alAAatheemi

En Wij openbaarden aan Moesa: "Sla met jouw staf op de zee." Toen spleet zij en elke kant was als een geweldige berg.


وَ اَزۡلَفۡنَا ثَمَّ الۡاٰخَرِیۡنَ ﴿ۚ۶۴﴾

026.064 Waazlafna thamma al-akhareena

En Wij lieten de anderen daar dichtbij komen.


وَ اَنۡجَیۡنَا مُوۡسٰی وَ مَنۡ مَّعَہٗۤ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿ۚ۶۵﴾

026.065 Waanjayna moosa waman maAAahu ajmaAAeena

En Wij redden Moesa en wie er met hem waren, allen tezamen.


ثُمَّ اَغۡرَقۡنَا الۡاٰخَرِیۡنَ ﴿ؕ۶۶﴾

026.066 Thumma aghraqna al-akhareena

Toen lieten Wij de anderen verdrinken.


اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیَۃً ؕ وَ مَا کَانَ اَکۡثَرُہُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۶۷﴾

026.067 Inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mu/mineena

Daarin is zeker een teken, maar de meesten van hen zijn geen gelovigen.


وَ اِنَّ رَبَّکَ لَہُوَ الۡعَزِیۡزُ الرَّحِیۡمُ ﴿٪۶۸﴾

026.068 Wa-inna rabbaka lahuwa alAAazeezu alrraheemu

Echter, jouw Heer is de machtige, de barmhartige.


وَ اتۡلُ عَلَیۡہِمۡ نَبَاَ اِبۡرٰہِیۡمَ ﴿ۘ۶۹﴾

026.069 Waotlu AAalayhim nabaa ibraheema

En lees hun de mededeling over Ibrahiem voor,


اِذۡ قَالَ لِاَبِیۡہِ وَ قَوۡمِہٖ مَا تَعۡبُدُوۡنَ ﴿۷۰﴾

026.070 Ith qala li-abeehi waqawmihi ma taAAbudoona

toen hij tot zijn vader en zijn volk zei: "Wat dienen jullie?"


قَالُوۡا نَعۡبُدُ اَصۡنَامًا فَنَظَلُّ لَہَا عٰکِفِیۡنَ ﴿۷۱﴾

026.071 Qaloo naAAbudu asnaman fanathallu laha AAakifeena

Zij zeiden: "Wij dienen afgoden en Wij zullen hen blijven dienen."


قَالَ ہَلۡ یَسۡمَعُوۡنَکُمۡ اِذۡ تَدۡعُوۡنَ ﴿ۙ۷۲﴾

026.072 Qala hal yasmaAAoonakum ith tadAAoona

Hij zei: "Horen zij jullie als jullie roepen?


اَوۡ یَنۡفَعُوۡنَکُمۡ اَوۡ یَضُرُّوۡنَ ﴿۷۳﴾

026.073 Aw yanfaAAoonakum aw yadurroona

Of zijn zij van nut voor jullie of schaden zij?"


قَالُوۡا بَلۡ وَجَدۡنَاۤ اٰبَآءَنَا کَذٰلِکَ یَفۡعَلُوۡنَ ﴿۷۴﴾

026.074 Qaloo bal wajadna abaana kathalika yafAAaloona

Zij zeiden: "Welnee, maar wij hebben gemerkt dat onze vaderen al zo deden."


قَالَ اَفَرَءَیۡتُمۡ مَّا کُنۡتُمۡ تَعۡبُدُوۡنَ ﴿ۙ۷۵﴾

026.075 Qala afaraaytum ma kuntum taAAbudoona

Hij zei: "Hebben jullie dan wel gezien wat jullie aan het dienen waren?


اَنۡتُمۡ وَ اٰبَآؤُکُمُ الۡاَقۡدَمُوۡنَ ﴿۫ۖ۷۶﴾

026.076 Antum waabaokumu al-aqdamoona

Jullie en je verre voorvaders?


فَاِنَّہُمۡ عَدُوٌّ لِّیۡۤ اِلَّا رَبَّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿ۙ۷۷﴾

026.077 Fa-innahum AAaduwwun lee illa rabba alAAalameena

Zij zijn mij tot vijand, maar niet de Heer van de wereldbewoners


الَّذِیۡ خَلَقَنِیۡ فَہُوَ یَہۡدِیۡنِ ﴿ۙ۷۸﴾

026.078 Allathee khalaqanee fahuwa yahdeeni

die mij geschapen heeft en mij op het goede pad brengt


وَ الَّذِیۡ ہُوَ یُطۡعِمُنِیۡ وَ یَسۡقِیۡنِ ﴿ۙ۷۹﴾

026.079 Waallathee huwa yutAAimunee wayasqeeni

en Hij is het die mij spijzigt en te drinken geeft


وَ اِذَا مَرِضۡتُ فَہُوَ یَشۡفِیۡنِ ﴿۪ۙ۸۰﴾

026.080 Wa-itha maridtu fahuwa yashfeeni

en wanneer ik ziek ben, dan geneest Hij mij


وَ الَّذِیۡ یُمِیۡتُنِیۡ ثُمَّ یُحۡیِیۡنِ ﴿ۙ۸۱﴾

026.081 Waallathee yumeetunee thumma yuhyeeni

en Hij is het die mij laat sterven en dan [weer] tot leven brengt


وَ الَّذِیۡۤ اَطۡمَعُ اَنۡ یَّغۡفِرَ لِیۡ خَطِیۡٓئَتِیۡ یَوۡمَ الدِّیۡنِ ﴿ؕ۸۲﴾

026.082 Waallathee atmaAAu an yaghfira lee khatee-atee yawma alddeeni

en Hij is het van wie ik begeer dat Hij mij op de oordeelsdag mijn fout vergeeft.


رَبِّ ہَبۡ لِیۡ حُکۡمًا وَّ اَلۡحِقۡنِیۡ بِالصّٰلِحِیۡنَ ﴿ۙ۸۳﴾

026.083 Rabbi hab lee hukman waalhiqnee bialssaliheena

Mijn Heer, schenk mij oordeelskracht en voeg mij bij de rechtschapenen.


وَ اجۡعَلۡ لِّیۡ لِسَانَ صِدۡقٍ فِی الۡاٰخِرِیۡنَ ﴿ۙ۸۴﴾

026.084 WaijAAal lee lisana sidqin fee al-akhireena

En verschaf mij een betrouwbare reputatie bij het nageslacht.


وَ اجۡعَلۡنِیۡ مِنۡ وَّرَثَۃِ جَنَّۃِ النَّعِیۡمِ ﴿ۙ۸۵﴾

026.085 WaijAAalnee min warathati jannati alnnaAAeemi

En maak dat ik behoor tot hen die de tuin van de gelukzaligheid beŽrven.


وَ اغۡفِرۡ لِاَبِیۡۤ اِنَّہٗ کَانَ مِنَ الضَّآلِّیۡنَ ﴿ۙ۸۶﴾

026.086 Waighfir li-abee innahu kana mina alddalleena

En vergeef mijn vader, hij behoort tot hen die dwalen.


وَ لَا تُخۡزِنِیۡ یَوۡمَ یُبۡعَثُوۡنَ ﴿ۙ۸۷﴾

026.087 Wala tukhzinee yawma yubAAathoona

En maak mij niet te schande op de dag dat zij worden opgewekt.


یَوۡمَ لَا یَنۡفَعُ مَالٌ وَّ لَا بَنُوۡنَ ﴿ۙ۸۸﴾

026.088 Yawma la yanfaAAu malun wala banoona

Op de dag dat bezit niet baat, noch zonen.


اِلَّا مَنۡ اَتَی اللّٰہَ بِقَلۡبٍ سَلِیۡمٍ ﴿ؕ۸۹﴾

026.089 Illa man ata Allaha biqalbin saleemin

Behalve wie tot Allah komt met een zuiver hart."


وَ اُزۡلِفَتِ الۡجَنَّۃُ لِلۡمُتَّقِیۡنَ ﴿ۙ۹۰﴾

026.090 Waozlifati aljannatu lilmuttaqeena

En de tuin wordt dicht bij de godvrezenden gebracht.


وَ بُرِّزَتِ الۡجَحِیۡمُ لِلۡغٰوِیۡنَ ﴿ۙ۹۱﴾

026.091 Waburrizati aljaheemu lilghaweena

En het hellevuur wordt onthuld voor de misleiden.


وَ قِیۡلَ لَہُمۡ اَیۡنَمَا کُنۡتُمۡ تَعۡبُدُوۡنَ ﴿ۙ۹۲﴾

026.092 Waqeela lahum ayna ma kuntum taAAbudoona

En tot hen wordt gezegd: "Waar is het wat jullie gewoon waren te dienen


مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ ؕ ہَلۡ یَنۡصُرُوۡنَکُمۡ اَوۡ یَنۡتَصِرُوۡنَ ﴿ؕ۹۳﴾

026.093 Min dooni Allahi hal yansuroonakum aw yantasiroona

in plaats van Allah? Komen zij jullie helpen of zullen zij zichzelf helpen?"


فَکُبۡکِبُوۡا فِیۡہَا ہُمۡ وَ الۡغَاوٗنَ ﴿ۙ۹۴﴾

026.094 Fakubkiboo feeha hum waalghawoona

En zij zullen erin gekieperd worden, zij en de misleiden


وَ جُنُوۡدُ اِبۡلِیۡسَ اَجۡمَعُوۡنَ ﴿ؕ۹۵﴾

026.095 Wajunoodu ibleesa ajmaAAoona

en de troepen van de duivel, allen tezamen.


قَالُوۡا وَ ہُمۡ فِیۡہَا یَخۡتَصِمُوۡنَ ﴿ۙ۹۶﴾

026.096 Qaloo wahum feeha yakhtasimoona

Zij zeggen terwijl zij er met elkaar twisten:


تَاللّٰہِ اِنۡ کُنَّا لَفِیۡ ضَلٰلٍ مُّبِیۡنٍ ﴿ۙ۹۷﴾

026.097 TaAllahi in kunna lafee dalalin mubeenin

"Bij Allah, wij verkeerden wel in duidelijke dwaling


اِذۡ نُسَوِّیۡکُمۡ بِرَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۹۸﴾

026.098 Ith nusawweekum birabbi alAAalameena

dat wij jullie vergeleken met de Heer van de wereldbewoners.


وَ مَاۤ اَضَلَّنَاۤ اِلَّا الۡمُجۡرِمُوۡنَ ﴿۹۹﴾

026.099 Wama adallana illa almujrimoona

En het waren alleen maar de boosdoeners die ons tot dwaling gebracht hebben.


فَمَا لَنَا مِنۡ شَافِعِیۡنَ ﴿۱۰۰﴾ۙ

026.100 Fama lana min shafiAAeena

En nu hebben wij geen bemiddelaars,


وَ لَا صَدِیۡقٍ حَمِیۡمٍ ﴿۱۰۱﴾

026.101 Wala sadeeqin hameemin

noch een echte vriend.


فَلَوۡ اَنَّ لَنَا کَرَّۃً فَنَکُوۡنَ مِنَ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۰۲﴾

026.102 Falaw anna lana karratan fanakoona mina almu/mineena

Als er een terugkeer voor ons was dan zouden wij tot de gelovigen behoren."


اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیَۃً ؕ وَ مَا کَانَ اَکۡثَرُہُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۰۳﴾

026.103 Inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mu/mineena

Daarin is zeker een teken, maar de meesten van hen zijn niet gelovig.


وَ اِنَّ رَبَّکَ لَہُوَ الۡعَزِیۡزُ الرَّحِیۡمُ ﴿۱۰۴﴾٪

026.104 Wa-inna rabbaka lahuwa alAAazeezu alrraheemu

Jouw Heer is echter werkelijk de machtige, de barmhartige.


کَذَّبَتۡ قَوۡمُ نُوۡحِۣ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۱۰۵﴾ۚۖ

026.105 Kaththabat qawmu noohin almursaleena

Het volk van Noeh betichtte de gezondenen van leugens.


اِذۡ قَالَ لَہُمۡ اَخُوۡہُمۡ نُوۡحٌ اَلَا تَتَّقُوۡنَ ﴿۱۰۶﴾ۚ

026.106 Ith qala lahum akhoohum noohun ala tattaqoona

Toen hun broeder Noeh tot hen zei: "Willen jullie niet godvrezend zijn?


اِنِّیۡ لَکُمۡ رَسُوۡلٌ اَمِیۡنٌ ﴿۱۰۷﴾ۙ

026.107 Innee lakum rasoolun ameenun

Ik ben voor jullie een betrouwbare gezant.


فَاتَّقُوا اللّٰہَ وَ اَطِیۡعُوۡنِ ﴿۱۰۸﴾ۚ

026.108 Faittaqoo Allaha waateeAAooni

Vreest dan Allah en gehoorzaamt mij.


وَ مَاۤ اَسۡـَٔلُکُمۡ عَلَیۡہِ مِنۡ اَجۡرٍ ۚ اِنۡ اَجۡرِیَ اِلَّا عَلٰی رَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۱۰۹﴾ۚ

026.109 Wama as-alukum AAalayhi min ajrin in ajriya illa AAala rabbi alAAalameena

En ik vraag jullie daarvoor geen loon. Slechts de Heer van de wereldbewoners is belast met mijn loon.


فَاتَّقُوا اللّٰہَ وَ اَطِیۡعُوۡنِ ﴿۱۱۰﴾ؕ

026.110 Faittaqoo Allaha waateeAAooni

Vreest dan Allah en gehoorzaamt mij." *


قَالُوۡۤا اَنُؤۡمِنُ لَکَ وَ اتَّبَعَکَ الۡاَرۡذَلُوۡنَ ﴿۱۱۱﴾ؕ

026.111 Qaloo anu/minu laka waittabaAAaka al-arthaloona

Zij zeiden: "Zullen wij jou geloven terwijl jij alleen maar gevolgd wordt door de allerverachtelijksten?"


قَالَ وَ مَا عِلۡمِیۡ بِمَا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۱۱۲﴾ۚ

026.112 Qala wama AAilmee bima kanoo yaAAmaloona

Hij zei: "En hoe kan ik weten wat zij gedaan hebben?


اِنۡ حِسَابُہُمۡ اِلَّا عَلٰی رَبِّیۡ لَوۡ تَشۡعُرُوۡنَ ﴿۱۱۳﴾ۚ

026.113 In hisabuhum illa AAala rabbee law tashAAuroona

Mijn Heer is belast met de afrekening met hen, als jullie het maar beseffen.


وَ مَاۤ اَنَا بِطَارِدِ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۱۴﴾ۚ

026.114 Wama ana bitaridi almu/mineena

En ik jaag hen die geloven niet weg.


اِنۡ اَنَا اِلَّا نَذِیۡرٌ مُّبِیۡنٌ ﴿۱۱۵﴾ؕ

026.115 In ana illa natheerun mubeenun

Ik ben slechts een duidelijke waarschuwere


قَالُوۡا لَئِنۡ لَّمۡ تَنۡتَہِ یٰنُوۡحُ لَتَکُوۡنَنَّ مِنَ الۡمَرۡجُوۡمِیۡنَ ﴿۱۱۶﴾ؕ

026.116 Qaloo la-in lam tantahi ya noohu latakoonanna mina almarjoomeena

Zij zeiden: "Als jij niet ophoudt, Noeh, dan behoor jij bij hen die gestenigd worden."


قَالَ رَبِّ اِنَّ قَوۡمِیۡ کَذَّبُوۡنِ ﴿۱۱۷﴾ۚۖ

026.117 Qala rabbi inna qawmee kaththabooni

Hij zei: "Mijn Heer, mijn volk beticht mij van leugens.


فَافۡتَحۡ بَیۡنِیۡ وَ بَیۡنَہُمۡ فَتۡحًا وَّ نَجِّنِیۡ وَ مَنۡ مَّعِیَ مِنَ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۱۸﴾

026.118 Faiftah baynee wabaynahum fathan wanajjinee waman maAAiya mina almu/mineena

Doe dus tussen mij en hen uitspraak en red mij en die gelovigen die met mij zijn."


فَاَنۡجَیۡنٰہُ وَ مَنۡ مَّعَہٗ فِی الۡفُلۡکِ الۡمَشۡحُوۡنِ ﴿۱۱۹﴾ۚ

026.119 Faanjaynahu waman maAAahu fee alfulki almashhooni

Toen redden Wij hem en wie er met hem in het volbeladen schip waren.


ثُمَّ اَغۡرَقۡنَا بَعۡدُ الۡبٰقِیۡنَ ﴿۱۲۰﴾ؕ

026.120 Thumma aghraqna baAAdu albaqeena

Daarna lieten Wij toen de achtergeblevenen verdrinken.


اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیَۃً ؕ وَ مَا کَانَ اَکۡثَرُہُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۲۱﴾

026.121 Inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mu/mineena

Daarin is zeker een teken, maar de meesten van hen zijn niet gelovig.


وَ اِنَّ رَبَّکَ لَہُوَ الۡعَزِیۡزُ الرَّحِیۡمُ ﴿۱۲۲﴾٪

026.122 Wa-inna rabbaka lahuwa alAAazeezu alrraheemu

Jouw Heer is echter werkelijk de machtige, de barmhartige.


کَذَّبَتۡ عَادُۨ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۱۲۳﴾ۚۖ

026.123 Kaththabat AAadun almursaleena

De 'Aad betichtten de gezondenen van leugens.


اِذۡ قَالَ لَہُمۡ اَخُوۡہُمۡ ہُوۡدٌ اَلَا تَتَّقُوۡنَ ﴿۱۲۴﴾ۚ

026.124 Ith qala lahum akhoohum hoodun ala tattaqoona

Toen hun broeder Hoed tot hen zei: "Willen jullie niet godvrezend zijn?


اِنِّیۡ لَکُمۡ رَسُوۡلٌ اَمِیۡنٌ ﴿۱۲۵﴾ۙ

026.125 Innee lakum rasoolun ameenun

Ik ben voor jullie een betrouwbare gezant.


فَاتَّقُوا اللّٰہَ وَ اَطِیۡعُوۡنِ ﴿۱۲۶﴾ۚ

026.126 Faittaqoo Allaha waateeAAooni

Vreest dan Allah en gehoorzaamt mij.


وَ مَاۤ اَسۡـَٔلُکُمۡ عَلَیۡہِ مِنۡ اَجۡرٍ ۚ اِنۡ اَجۡرِیَ اِلَّا عَلٰی رَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۱۲۷﴾ؕ

026.127 Wama as-alukum AAalayhi min ajrin in ajriya illa AAala rabbi alAAalameena

En ik vraag jullie daarvoor geen loon. Slechts de Heer van de wereldbewoners is belast met mijn loon.


اَتَبۡنُوۡنَ بِکُلِّ رِیۡعٍ اٰیَۃً تَعۡبَثُوۡنَ ﴿۱۲۸﴾

026.128 Atabnoona bikulli reeAAin ayatan taAAbathoona

Willen jullie op elke heuvel voor de grap een teken bouwen


وَ تَتَّخِذُوۡنَ مَصَانِعَ لَعَلَّکُمۡ تَخۡلُدُوۡنَ ﴿۱۲۹﴾ۚ

026.129 Watattakhithoona masaniAAa laAAallakum takhludoona

en bouwwerken maken alsof jullie er altijd zullen blijven?


وَ اِذَا بَطَشۡتُمۡ بَطَشۡتُمۡ جَبَّارِیۡنَ ﴿۱۳۰﴾ۚ

026.130 Wa-itha batashtum batashtum jabbareena

En wanneer jullie toeslaan slaan jullie als geweldenaars toe.


فَاتَّقُوا اللّٰہَ وَ اَطِیۡعُوۡنِ ﴿۱۳۱﴾ۚ

026.131 Faittaqoo Allaha waateeAAooni

Vreest dan Allah en gehoorzaamt mij.


وَ اتَّقُوا الَّذِیۡۤ اَمَدَّکُمۡ بِمَا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۱۳۲﴾ۚ

026.132 Waittaqoo allathee amaddakum bima taAAlamoona

En vreest Hem die jullie heeft versterkt met wat jullie weten.


اَمَدَّکُمۡ بِاَنۡعَامٍ وَّ بَنِیۡنَ ﴿۱۳۳﴾ۚۙ

026.133 Amaddakum bi-anAAamin wabaneena

Hij heeft jullie versterkt met vee en zonen


وَ جَنّٰتٍ وَّ عُیُوۡنٍ ﴿۱۳۴﴾ۚ

026.134 Wajannatin waAAuyoonin

en met tuinen en bronnen.


اِنِّیۡۤ اَخَافُ عَلَیۡکُمۡ عَذَابَ یَوۡمٍ عَظِیۡمٍ ﴿۱۳۵﴾ؕ

026.135 Innee akhafu AAalaykum AAathaba yawmin AAatheemin

Ik vrees voor jullie de bestraffing van een geweldige dag."


قَالُوۡا سَوَآءٌ عَلَیۡنَاۤ اَوَ عَظۡتَ اَمۡ لَمۡ تَکُنۡ مِّنَ الۡوٰعِظِیۡنَ ﴿۱۳۶﴾ۙ

026.136 Qaloo sawaon AAalayna awaAAathta am lam takun mina alwaAAitheena

Zij zeiden: "Het maakt ons niet uit of jij ons aanspoort of niet behoort tot hen die aansporen.


اِنۡ ہٰذَاۤ اِلَّا خُلُقُ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿۱۳۷﴾ۙ

026.137 In hatha illa khuluqu al-awwaleena

Dit is slechts een gewoonte van hen die er eertijds waren.


وَ مَا نَحۡنُ بِمُعَذَّبِیۡنَ ﴿۱۳۸﴾ۚ

026.138 Wama nahnu bimuAAaththabeena

En wij zijn het niet die gestraft worden."


فَکَذَّبُوۡہُ فَاَہۡلَکۡنٰہُمۡ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیَۃً ؕ وَ مَا کَانَ اَکۡثَرُہُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۳۹﴾

026.139 Fakaththaboohu faahlaknahum inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mu/mineena

Toen betichtten zij hem van leugens en vernietigden Wij hen. Daarin is zeker een teken, maar de meesten van hen zijn niet gelovig.


وَ اِنَّ رَبَّکَ لَہُوَ الۡعَزِیۡزُ الرَّحِیۡمُ ﴿۱۴۰﴾٪

026.140 Wa-inna rabbaka lahuwa alAAazeezu alrraheemu

Jouw Heer is echter werkelijk de machtige, de barmhartige.


کَذَّبَتۡ ثَمُوۡدُ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۱۴۱﴾ۚۖ

026.141 Kaththabat thamoodu almursaleena

De Thamoed betichtten de gezondenen van leugens.


اِذۡ قَالَ لَہُمۡ اَخُوۡہُمۡ صٰلِحٌ اَلَا تَتَّقُوۡنَ ﴿۱۴۲﴾ۚ

026.142 Ith qala lahum akhoohum salihun ala tattaqoona

Toen hun broeder Salih tot hen zei: "Willen jullie niet godvrezend zijn?


اِنِّیۡ لَکُمۡ رَسُوۡلٌ اَمِیۡنٌ ﴿۱۴۳﴾ۙ

026.143 Innee lakum rasoolun ameenun

Ik ben voor jullie een betrouwbare gezant.


فَاتَّقُوا اللّٰہَ وَ اَطِیۡعُوۡنِ ﴿۱۴۴﴾ۚ

026.144 Faittaqoo Allaha waateeAAooni

Vreest dan Allah en gehoorzaamt mij.


وَ مَاۤ اَسۡـَٔلُکُمۡ عَلَیۡہِ مِنۡ اَجۡرٍ ۚ اِنۡ اَجۡرِیَ اِلَّا عَلٰی رَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۱۴۵﴾ؕ

026.145 Wama as-alukum AAalayhi min ajrin in ajriya illa AAala rabbi alAAalameena

En ik vraag jullie daarvoor geen loon. Slechts de Heer van de wereldbewoners is belast met mijn loon.


اَتُتۡرَکُوۡنَ فِیۡ مَا ہٰہُنَاۤ اٰمِنِیۡنَ ﴿۱۴۶﴾ۙ

026.146 Atutrakoona fee ma hahuna amineena

Zullen jullie dan in veiligheid gelaten worden in wat er hier is,


فِیۡ جَنّٰتٍ وَّ عُیُوۡنٍ ﴿۱۴۷﴾ۙ

026.147 Fee jannatin waAAuyoonin

te midden van tuinen en bronnen


وَّ زُرُوۡعٍ وَّ نَخۡلٍ طَلۡعُہَا ہَضِیۡمٌ ﴿۱۴۸﴾ۚ

026.148 WazurooAAin wanakhlin talAAuha hadeemun

en landbouwgewassen en palmen waarvan de bloeiwijze zacht is?


وَ تَنۡحِتُوۡنَ مِنَ الۡجِبَالِ بُیُوۡتًا فٰرِہِیۡنَ ﴿۱۴۹﴾ۚ

026.149 Watanhitoona mina aljibali buyootan fariheena

En zullen jullie in de bergen vaardig huizen uithouwen?


فَاتَّقُوا اللّٰہَ وَ اَطِیۡعُوۡنِ ﴿۱۵۰﴾ۚ

026.150 Faittaqoo Allaha waateeAAooni

Vreest dan Allah en gehoorzaamt mij.


وَ لَا تُطِیۡعُوۡۤا اَمۡرَ الۡمُسۡرِفِیۡنَ ﴿۱۵۱﴾ۙ

026.151 Wala tuteeAAoo amra almusrifeena

En gehoorzaamt niet het bevel van onmatigen,


الَّذِیۡنَ یُفۡسِدُوۡنَ فِی الۡاَرۡضِ وَ لَا یُصۡلِحُوۡنَ ﴿۱۵۲﴾

026.152 Allatheena yufsidoona fee al-ardi wala yuslihoona

die Op de aarde verderf zaaien en die geen orde op zaken stellen."


قَالُوۡۤا اِنَّمَاۤ اَنۡتَ مِنَ الۡمُسَحَّرِیۡنَ ﴿۱۵۳﴾ۚ

026.153 Qaloo innama anta mina almusahhareena

Zij zeiden: "Maar jij behoort tot hen die betoverd zijn.


مَاۤ اَنۡتَ اِلَّا بَشَرٌ مِّثۡلُنَا ۚۖ فَاۡتِ بِاٰیَۃٍ اِنۡ کُنۡتَ مِنَ الصّٰدِقِیۡنَ ﴿۱۵۴﴾

026.154 Ma anta illa basharun mithluna fa/ti bi-ayatin in kunta mina alssadiqeena

Jij bent slechts een mens zoals wij. Breng dan een teken, als jij behoort tot hen die gelijk hebben."


قَالَ ہٰذِہٖ نَاقَۃٌ لَّہَا شِرۡبٌ وَّ لَکُمۡ شِرۡبُ یَوۡمٍ مَّعۡلُوۡمٍ ﴿۱۵۵﴾ۚ

026.155 Qala hathihi naqatun laha shirbun walakum shirbu yawmin maAAloomin

Hij zei: "Dit is een kameelmerrie die haar tijd om te drinken heeft en jullie hebben je tijd om te drinken op een vastgestelde dag.


وَ لَا تَمَسُّوۡہَا بِسُوۡٓءٍ فَیَاۡخُذَکُمۡ عَذَابُ یَوۡمٍ عَظِیۡمٍ ﴿۱۵۶﴾

026.156 Wala tamassooha bisoo-in faya/khuthakum AAathabu yawmin AAatheemin

En treft haar niet met kwaad, want dan zal de bestraffing van een geweldige dag jullie grijpen."


فَعَقَرُوۡہَا فَاَصۡبَحُوۡا نٰدِمِیۡنَ ﴿۱۵۷﴾ۙ

026.157 FaAAaqarooha faasbahoo nadimeena

Maar zij sneden haar hielpezen door en kregen er 's morgens spijt van.


فَاَخَذَہُمُ الۡعَذَابُ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیَۃً ؕ وَ مَا کَانَ اَکۡثَرُہُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۵۸﴾

026.158 Faakhathahumu alAAathabu inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mu/mineena

Toen greep de bestraffing hen. Daarin is zeker een teken, maar de meesten van hen zijn niet gelovig.


وَ اِنَّ رَبَّکَ لَہُوَ الۡعَزِیۡزُ الرَّحِیۡمُ ﴿۱۵۹﴾

026.159 Wa-inna rabbaka lahuwa alAAazeezu alrraheemu

Echter, jouw Heer is werkelijk de machtige, de barmhartige.


کَذَّبَتۡ قَوۡمُ لُوۡطِۣ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۱۶۰﴾ۚۖ

026.160 Kaththabat qawmu lootin almursaleena

Het volk van Loet betichtte de gezondenen van leugens.


اِذۡ قَالَ لَہُمۡ اَخُوۡہُمۡ لُوۡطٌ اَلَا تَتَّقُوۡنَ ﴿۱۶۱﴾ۚ

026.161 Ith qala lahum akhoohum lootun ala tattaqoona

Toen hun broeder Loet tot hen zei: "Willen jullie niet godvrezend zijn?


اِنِّیۡ لَکُمۡ رَسُوۡلٌ اَمِیۡنٌ ﴿۱۶۲﴾ۙ

026.162 Innee lakum rasoolun ameenun

Ik ben voor jullie een betrouwbare gezant.


فَاتَّقُوا اللّٰہَ وَ اَطِیۡعُوۡنِ ﴿۱۶۳﴾ۚ

026.163 Faittaqoo Allaha waateeAAooni

Vreest dan Allah en gehoorzaamt mij.


وَ مَاۤ اَسۡـَٔلُکُمۡ عَلَیۡہِ مِنۡ اَجۡرٍ ۚ اِنۡ اَجۡرِیَ اِلَّا عَلٰی رَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۱۶۴﴾ؕ

026.164 Wama as-alukum AAalayhi min ajrin in ajriya illa AAala rabbi alAAalameena

En ik vraag jullie daarvoor geen loon. Slechts de Heer van de wereldbewoners is belast met mijn loon.


اَتَاۡتُوۡنَ الذُّکۡرَانَ مِنَ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۱۶۵﴾ۙ

026.165 Ata/toona alththukrana mina alAAalameena

Zullen jullie tot de mannen onder de wereldbewoners gaan?


وَ تَذَرُوۡنَ مَا خَلَقَ لَکُمۡ رَبُّکُمۡ مِّنۡ اَزۡوَاجِکُمۡ ؕ بَلۡ اَنۡتُمۡ قَوۡمٌ عٰدُوۡنَ ﴿۱۶۶﴾

026.166 Watatharoona ma khalaqa lakum rabbukum min azwajikum bal antum qawmun AAadoona

En echtgenotes die Allah voor jullie geschapen heeft verwaarlozen? Ja zeker, jullie zijn mensen die overtredingen begaan."


قَالُوۡا لَئِنۡ لَّمۡ تَنۡتَہِ یٰلُوۡطُ لَتَکُوۡنَنَّ مِنَ الۡمُخۡرَجِیۡنَ ﴿۱۶۷﴾

026.167 Qaloo la-in lam tantahi ya lootu latakoonanna mina almukhrajeena

Zij zeiden: "Als jij niet ophoudt, Loet, dan behoor jij bij hen die verdreven worden."


قَالَ اِنِّیۡ لِعَمَلِکُمۡ مِّنَ الۡقَالِیۡنَ ﴿۱۶۸﴾ؕ

026.168 Qala innee liAAamalikum mina alqaleena

Hij zei: "Ik behoor tot hen die jullie handelwijze verafschuwen.


رَبِّ نَجِّنِیۡ وَ اَہۡلِیۡ مِمَّا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۱۶۹﴾

026.169 Rabbi najjinee waahlee mimma yaAAmaloona

Mijn Heer, red mij en mijn huisgenoten van wat zij doen."


فَنَجَّیۡنٰہُ وَ اَہۡلَہٗۤ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿۱۷۰﴾ۙ

026.170 Fanajjaynahu waahlahu ajmaAAeena

En Wij redden hem en zijn huisgenoten, allen tezamen,


اِلَّا عَجُوۡزًا فِی الۡغٰبِرِیۡنَ ﴿۱۷۱﴾ۚ

026.171 Illa AAajoozan fee alghabireena

behalve een oude vrouw te midden van hen die achterbleven.


ثُمَّ دَمَّرۡنَا الۡاٰخَرِیۡنَ ﴿۱۷۲﴾ۚ

026.172 Thumma dammarna al-akhareena

Toen vernietigden Wij de anderen.


وَ اَمۡطَرۡنَا عَلَیۡہِمۡ مَّطَرًا ۚ فَسَآءَ مَطَرُ الۡمُنۡذَرِیۡنَ ﴿۱۷۳﴾

026.173 Waamtarna AAalayhim mataran fasaa mataru almunthareena

En Wij lieten regen op hen vallen; slecht was die regen voor hen die gewaarschuwd waren.


اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیَۃً ؕ وَ مَا کَانَ اَکۡثَرُہُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۷۴﴾

026.174 Inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mu/mineena

Daarin is zeker een teken, maar de meesten van hen zijn niet gelovig.


وَ اِنَّ رَبَّکَ لَہُوَ الۡعَزِیۡزُ الرَّحِیۡمُ ﴿۱۷۵﴾

026.175 Wa-inna rabbaka lahuwa alAAazeezu alrraheemu

Jouw Heer is echter werkelijk de machtige, de barmhartige.


کَذَّبَ اَصۡحٰبُ لۡـَٔـیۡکَۃِ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۱۷۶﴾ۚۖ

026.176 Kaththaba as-habu al-aykati almursaleena

De mensen van het kreupelbos betichtten de gezondenen van leugens.


اِذۡ قَالَ لَہُمۡ شُعَیۡبٌ اَلَا تَتَّقُوۡنَ ﴿۱۷۷﴾ۚ

026.177 Ith qala lahum shuAAaybun ala tattaqoona

Toen Sjoe'aib tot hen zei: "Willen jullie niet godvrezend zijn?


اِنِّیۡ لَکُمۡ رَسُوۡلٌ اَمِیۡنٌ ﴿۱۷۸﴾ۙ

026.178 Innee lakum rasoolun ameenun

Ik ben voor jullie een betrouwbare gezant.


فَاتَّقُوا اللّٰہَ وَ اَطِیۡعُوۡنِ ﴿۱۷۹﴾ۚ

026.179 Faittaqoo Allaha waateeAAooni

Vreest dan Allah en gehoorzaamt mij.


وَ مَاۤ اَسۡـَٔلُکُمۡ عَلَیۡہِ مِنۡ اَجۡرٍ ۚ اِنۡ اَجۡرِیَ اِلَّا عَلٰی رَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۱۸۰﴾ؕ

026.180 Wama as-alukum AAalayhi min ajrin in ajriya illa AAala rabbi alAAalameena

En ik vraag jullie daarvoor geen loon. Slechts de Heer van de wereldbewoners is belast met mijn loon. *


اَوۡفُوا الۡکَیۡلَ وَ لَا تَکُوۡنُوۡا مِنَ الۡمُخۡسِرِیۡنَ ﴿۱۸۱﴾ۚ

026.181 Awfoo alkayla wala takoonoo mina almukhsireena

En geeft volle maat en behoort niet tot hen die verlies veroorzaken.


وَ زِنُوۡا بِالۡقِسۡطَاسِ الۡمُسۡتَقِیۡمِ ﴿۱۸۲﴾ۚ

026.182 Wazinoo bialqistasi almustaqeemi

En weegt met de juiste weegschaal.


وَ لَا تَبۡخَسُوا النَّاسَ اَشۡیَآءَہُمۡ وَ لَا تَعۡثَوۡا فِی الۡاَرۡضِ مُفۡسِدِیۡنَ ﴿۱۸۳﴾ۚ

026.183 Wala tabkhasoo alnnasa ashyaahum wala taAAthaw fee al-ardi mufsideena

En doet de mensen niet tekort in de dingen die van hen zijn en veroorzaakt geen ellende op de aarde door verderf te zaaien.


وَ اتَّقُوا الَّذِیۡ خَلَقَکُمۡ وَ الۡجِبِلَّۃَ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿۱۸۴﴾ؕ

026.184 Waittaqoo allathee khalaqakum waaljibillata al-awwaleena

En vreest Hem die zowel jullie als de schepselen die er eertijds waren geschapen heeft."


قَالُوۡۤا اِنَّمَاۤ اَنۡتَ مِنَ الۡمُسَحَّرِیۡنَ ﴿۱۸۵﴾ۙ

026.185 Qaloo innama anta mina almusahhareena

Zij zeiden: "Maar jij behoort tot hen die betoverd zijn.


وَ مَاۤ اَنۡتَ اِلَّا بَشَرٌ مِّثۡلُنَا وَ اِنۡ نَّظُنُّکَ لَمِنَ الۡکٰذِبِیۡنَ ﴿۱۸۶﴾ۚ

026.186 Wama anta illa basharun mithluna wa-in nathunnuka lamina alkathibeena

En jij bent slechts een mens zoals wij en wij denken dat jij behoort tot hen die liegen.


فَاَسۡقِطۡ عَلَیۡنَا کِسَفًا مِّنَ السَّمَآءِ اِنۡ کُنۡتَ مِنَ الصّٰدِقِیۡنَ ﴿۱۸۷﴾ؕ

026.187 Faasqit AAalayna kisafan mina alssama-i in kunta mina alssadiqeena

Laat dan stukken uit de hemel op ons neervallen als jij behoort tot hen die gelijk hebben."


قَالَ رَبِّیۡۤ اَعۡلَمُ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۱۸۸﴾

026.188 Qala rabbee aAAlamu bima taAAmaloona

Hij zei: "Mijn Heer weet het best wat jullie doen."


فَکَذَّبُوۡہُ فَاَخَذَہُمۡ عَذَابُ یَوۡمِ الظُّلَّۃِ ؕ اِنَّہٗ کَانَ عَذَابَ یَوۡمٍ عَظِیۡمٍ ﴿۱۸۹﴾

026.189 Fakaththaboohu faakhathahum AAathabu yawmi alththullati innahu kana AAathaba yawmin AAatheemin

Maar zij betichtten hem van leugens. Toen greep hen de bestraffing van de dag van de stapelwolk. Dat was de bestraffing van een geweldige dag.


اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیَۃً ؕ وَ مَا کَانَ اَکۡثَرُہُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۹۰﴾

026.190 Inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mu/mineena

Daarin is zeker een teken, maar de meesten van hen zijn niet gelovig.


وَ اِنَّ رَبَّکَ لَہُوَ الۡعَزِیۡزُ الرَّحِیۡمُ ﴿۱۹۱﴾

026.191 Wa-inna rabbaka lahuwa alAAazeezu alrraheemu

Jouw Heer is echter werkelijk de machtige, de barmhartige.


وَ اِنَّہٗ لَتَنۡزِیۡلُ رَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۱۹۲﴾ؕ

026.192 Wa-innahu latanzeelu rabbi alAAalameena

Dit is een neerzending van de Heer van de wereldbewoners --


نَزَلَ بِہِ الرُّوۡحُ الۡاَمِیۡنُ ﴿۱۹۳﴾ۙ

026.193 Nazala bihi alrroohu al-ameenu

daarmee is de betrouwbare geest neergedaald


عَلٰی قَلۡبِکَ لِتَکُوۡنَ مِنَ الۡمُنۡذِرِیۡنَ ﴿۱۹۴﴾

026.194 AAala qalbika litakoona mina almunthireena

tot jouw hart, opdat jij tot de waarschuwers zou behoren --


بِلِسَانٍ عَرَبِیٍّ مُّبِیۡنٍ ﴿۱۹۵﴾ؕ

026.195 Bilisanin AAarabiyyin mubeenin

in duidelijke Arabische taal.


وَ اِنَّہٗ لَفِیۡ زُبُرِ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿۱۹۶﴾

026.196 Wa-innahu lafee zuburi al-awwaleena

En hij staat in de Zoeboer van hen die er eertijds waren.


اَوَ لَمۡ یَکُنۡ لَّہُمۡ اٰیَۃً اَنۡ یَّعۡلَمَہٗ عُلَمٰٓؤُا بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ ﴿۱۹۷﴾ؕ

026.197 Awa lam yakun lahum ayatan an yaAAlamahu AAulamao banee isra-eela

Is het dan geen teken voor hen dat de geleerden van de IsraŽlieten hem kennen?


وَ لَوۡ نَزَّلۡنٰہُ عَلٰی بَعۡضِ الۡاَعۡجَمِیۡنَ ﴿۱۹۸﴾ۙ

026.198 Walaw nazzalnahu AAala baAAdi al-aAAjameena

Als Wij hem tot een vreemdtalige neergezonden hadden


فَقَرَاَہٗ عَلَیۡہِمۡ مَّا کَانُوۡا بِہٖ مُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۹۹﴾ؕ

026.199 Faqaraahu AAalayhim ma kanoo bihi mu/mineena

en die hem aan hen had voorgelezen, dan hadden zij er niet in geloofd.


کَذٰلِکَ سَلَکۡنٰہُ فِیۡ قُلُوۡبِ الۡمُجۡرِمِیۡنَ ﴿۲۰۰﴾ؕ

026.200 Kathalika salaknahu fee quloobi almujrimeena

Zo hebben Wij hem in de harten van de boosdoeners laten gaan.


لَا یُؤۡمِنُوۡنَ بِہٖ حَتّٰی یَرَوُا الۡعَذَابَ الۡاَلِیۡمَ ﴿۲۰۱﴾ۙ

026.201 La yu/minoona bihi hatta yarawoo alAAathaba al-aleema

Zij geloven er niet in totdat zij de pijnlijke bestraffing zien


فَیَاۡتِیَہُمۡ بَغۡتَۃً وَّ ہُمۡ لَا یَشۡعُرُوۡنَ ﴿۲۰۲﴾ۙ

026.202 Faya/tiyahum baghtatan wahum la yashAAuroona

die onverwachts tot hen komt, zonder dat zij het beseffen.


فَیَقُوۡلُوۡا ہَلۡ نَحۡنُ مُنۡظَرُوۡنَ ﴿۲۰۳﴾ؕ

026.203 Fayaqooloo hal nahnu muntharoona

Dan zeggen zij: "Wordt aan ons uitstel verleend?"


اَفَبِعَذَابِنَا یَسۡتَعۡجِلُوۡنَ ﴿۲۰۴﴾

026.204 AfabiAAathabina yastaAAjiloona

Willen zij dan Onze bestraffing verhaasten?


اَفَرَءَیۡتَ اِنۡ مَّتَّعۡنٰہُمۡ سِنِیۡنَ ﴿۲۰۵﴾ۙ

026.205 Afaraayta in mattaAAnahum sineena

Hoe zie jij het dan als Wij hun jarenlang vruchtgebruik hebben gegeven,


ثُمَّ جَآءَہُمۡ مَّا کَانُوۡا یُوۡعَدُوۡنَ ﴿۲۰۶﴾ۙ

026.206 Thumma jaahum ma kanoo yooAAadoona

dat dan tot hen komt wat hun was aangezegd?


مَاۤ اَغۡنٰی عَنۡہُمۡ مَّا کَانُوۡا یُمَتَّعُوۡنَ ﴿۲۰۷﴾ؕ

026.207 Ma aghna AAanhum ma kanoo yumattaAAoona

Dan baat hun het vruchtgebruik niet dat zij genieten.


وَ مَاۤ اَہۡلَکۡنَا مِنۡ قَرۡیَۃٍ اِلَّا لَہَا مُنۡذِرُوۡنَ ﴿۲۰۸﴾٭ۖۛ

026.208 Wama ahlakna min qaryatin illa laha munthiroona

En Wij hebben geen enkele stad vernietigd zonder dat zij waarschuwers had gehad


ذِکۡرٰی ۟ۛ وَ مَا کُنَّا ظٰلِمِیۡنَ ﴿۲۰۹﴾

026.209 Thikra wama kunna thalimeena

ter vermaning; Wij hebben namelijk geen onrecht gepleegd.


وَ مَا تَنَزَّلَتۡ بِہِ الشَّیٰطِیۡنُ ﴿۲۱۰﴾

026.210 Wama tanazzalat bihi alshshayateenu

De satans zijn er niet mee neergedaald.


وَ مَا یَنۡۢبَغِیۡ لَہُمۡ وَ مَا یَسۡتَطِیۡعُوۡنَ ﴿۲۱۱﴾ؕ

026.211 Wama yanbaghee lahum wama yastateeAAoona

Het past hun niet en zij kunnen het niet.


اِنَّہُمۡ عَنِ السَّمۡعِ لَمَعۡزُوۡلُوۡنَ ﴿۲۱۲﴾ؕ

026.212 Innahum AAani alssamAAi lamaAAzooloona

Zij zijn van het horen uitgesloten.


فَلَا تَدۡعُ مَعَ اللّٰہِ اِلٰـہًا اٰخَرَ فَتَکُوۡنَ مِنَ الۡمُعَذَّبِیۡنَ ﴿۲۱۳﴾ۚ

026.213 Fala tadAAu maAAa Allahi ilahan akhara fatakoona mina almuAAaththabeena

Roep dus naast Allah geen andere god aan, anders zul jij tot de bestraften behoren.


وَ اَنۡذِرۡ عَشِیۡرَتَکَ الۡاَقۡرَبِیۡنَ ﴿۲۱۴﴾ۙ

026.214 Waanthir AAasheerataka al-aqrabeena

En waarschuw jouw naaste familieleden.


وَ اخۡفِضۡ جَنَاحَکَ لِمَنِ اتَّبَعَکَ مِنَ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۲۱۵﴾ۚ

026.215 Waikhfid janahaka limani ittabaAAaka mina almu/mineena

En wees ontvankelijk voor die gelovigen die jou volgen.


فَاِنۡ عَصَوۡکَ فَقُلۡ اِنِّیۡ بَرِیۡٓءٌ مِّمَّا تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۲۱۶﴾ۚ

026.216 Fa-in AAasawka faqul innee baree-on mimma taAAmaloona

En als zij aan jou ongehoorzaam zijn zeg dan: "Ik heb niets te maken met wat jullie doen."


وَ تَوَکَّلۡ عَلَی الۡعَزِیۡزِ الرَّحِیۡمِ ﴿۲۱۷﴾ۙ

026.217 Watawakkal AAala alAAazeezi alrraheemi

En stel je vertrouwen op de machtige, de barmhartige,


الَّذِیۡ یَرٰىکَ حِیۡنَ تَقُوۡمُ ﴿۲۱۸﴾ۙ

026.218 Allathee yaraka heena taqoomu

die jou ziet wanneer jij rechtop staat


وَ تَقَلُّبَکَ فِی السّٰجِدِیۡنَ ﴿۲۱۹﴾

026.219 Wataqallubaka fee alssajideena

en wanneer jij je heen en weer wendt met hen die zich eerbiedig neerbuigen.


اِنَّہٗ ہُوَ السَّمِیۡعُ الۡعَلِیۡمُ ﴿۲۲۰﴾

026.220 Innahu huwa alssameeAAu alAAaleemu

Hij is de horende, de wetende.


ہَلۡ اُنَبِّئُکُمۡ عَلٰی مَنۡ تَنَزَّلُ الشَّیٰطِیۡنُ ﴿۲۲۱﴾ؕ

026.221 Hal onabbi-okum AAala man tanazzalu alshshayateenu

Zal Ik jullie meedelen tot wie de satans neerdalen?


تَنَزَّلُ عَلٰی کُلِّ اَفَّاکٍ اَثِیۡمٍ ﴿۲۲۲﴾ۙ

026.222 Tanazzalu AAala kulli affakin atheemin

Zij dalen neer tot elke zondige lasteraar.


یُّلۡقُوۡنَ السَّمۡعَ وَ اَکۡثَرُہُمۡ کٰذِبُوۡنَ ﴿۲۲۳﴾ؕ

026.223 Yulqoona alssamAAa waaktharuhum kathiboona

Dezen luisteren scherp en de meesten van hen zijn leugenaars.


وَ الشُّعَرَآءُ یَتَّبِعُہُمُ الۡغَاوٗنَ ﴿۲۲۴﴾ؕ

026.224 WaalshshuAAarao yattabiAAuhumu alghawoona

En de dichters, de misleiden volgen hen.


اَلَمۡ تَرَ اَنَّہُمۡ فِیۡ کُلِّ وَادٍ یَّہِیۡمُوۡنَ ﴿۲۲۵﴾ۙ

026.225 Alam tara annahum fee kulli wadin yaheemoona

Zie jij niet dat zij in elke vallei rondzwerven


وَ اَنَّہُمۡ یَقُوۡلُوۡنَ مَا لَا یَفۡعَلُوۡنَ ﴿۲۲۶﴾ۙ

026.226 Waannahum yaqooloona ma la yafAAaloona

en dat zij zeggen wat zij niet doen?


اِلَّا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ وَ ذَکَرُوا اللّٰہَ کَثِیۡرًا وَّ انۡتَصَرُوۡا مِنۡۢ بَعۡدِ مَا ظُلِمُوۡا ؕ وَ سَیَعۡلَمُ الَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡۤا اَیَّ مُنۡقَلَبٍ یَّنۡقَلِبُوۡنَ ﴿۲۲۷﴾

026.227 Illa allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati wathakaroo Allaha katheeran waintasaroo min baAAdi ma thulimoo wasayaAAlamu allatheena thalamoo ayya munqalabin yanqaliboona

Maar niet zij die geloven, de deugdelijke daden doen en Allah veelvuldig gedenken en die zich verweren nadat hun onrecht is aangedaan. En zij die onrecht plegen zullen te weten komen wat voor omkeer zij zullen meemaken.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

طٰسٓ ۟ تِلۡکَ اٰیٰتُ الۡقُرۡاٰنِ وَ کِتَابٍ مُّبِیۡنٍ ۙ﴿۱﴾

027.001 Ta-seen tilka ayatu alqur-ani wakitabin mubeenin

T[aa?] S[ien]. Dit zijn de tekenen van de Koran en een duidelijk boek.


ہُدًی وَّ بُشۡرٰی لِلۡمُؤۡمِنِیۡنَ ۙ﴿۲﴾

027.002 Hudan wabushra lilmu/mineena

Een leidraad en goed nieuws voor de gelovigen,


الَّذِیۡنَ یُقِیۡمُوۡنَ الصَّلٰوۃَ وَ یُؤۡتُوۡنَ الزَّکٰوۃَ وَ ہُمۡ بِالۡاٰخِرَۃِ ہُمۡ یُوۡقِنُوۡنَ ﴿۳﴾

027.003 Allatheena yuqeemoona alssalata wayu/toona alzzakata wahum bial-akhirati hum yooqinoona

die de salaat verrichten en de zakaat geven, terwijl zij van het hiernamaals vast overtuigd zijn.


اِنَّ الَّذِیۡنَ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ بِالۡاٰخِرَۃِ زَیَّنَّا لَہُمۡ اَعۡمَالَہُمۡ فَہُمۡ یَعۡمَہُوۡنَ ؕ﴿۴﴾

027.004 Inna allatheena la yu/minoona bial-akhirati zayyanna lahum aAAmalahum fahum yaAAmahoona

Voor hen die niet in het hiernamaals geloven hebben Wij hun daden mooi laten lijken, zodat zij doorgaan met dwalen.


اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ لَہُمۡ سُوۡٓءُ الۡعَذَابِ وَ ہُمۡ فِی الۡاٰخِرَۃِ ہُمُ الۡاَخۡسَرُوۡنَ ﴿۵﴾

027.005 Ola-ika allatheena lahum soo-o alAAathabi wahum fee al-akhirati humu al-akhsaroona

Zij zijn het voor wie de vreselijke bestraffing is en zij zijn in het hiernamaals de grootste verliezers.


وَ اِنَّکَ لَتُلَقَّی الۡقُرۡاٰنَ مِنۡ لَّدُنۡ حَکِیۡمٍ عَلِیۡمٍ ﴿۶﴾

027.006 Wa-innaka latulaqqa alqur-ana min ladun hakeemin AAaleemin

En aan jou wordt de Koran overgebracht van de kant van een wijze en wetende.


اِذۡ قَالَ مُوۡسٰی لِاَہۡلِہٖۤ اِنِّیۡۤ اٰنَسۡتُ نَارًا ؕ سَاٰتِیۡکُمۡ مِّنۡہَا بِخَبَرٍ اَوۡ اٰتِیۡکُمۡ بِشِہَابٍ قَبَسٍ لَّعَلَّکُمۡ تَصۡطَلُوۡنَ ﴿۷﴾

027.007 Ith qala moosa li-ahlihi innee anastu naran saateekum minha bikhabarin aw ateekum bishihabin qabasin laAAallakum tastaloona

Toen Moesa tot zijn mensen zei: "Ik heb een vuur waargenomen, ik zal jullie er bericht van brengen of ik breng jullie een brandende fakkel; misschien zullen jullie [erdoor] verwarmd worden."


فَلَمَّا جَآءَہَا نُوۡدِیَ اَنۡۢ بُوۡرِکَ مَنۡ فِی النَّارِ وَ مَنۡ حَوۡلَہَا ؕ وَ سُبۡحٰنَ اللّٰہِ رَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۸﴾

027.008 Falamma jaaha noodiya an boorika man fee alnnari waman hawlaha wasubhana Allahi rabbi alAAalameena

Toen hij daar kwam werd hem toegeroepen: "Gezegend is Hij die in het vuur is en wie er rondom is en Allah zij geprezen, de Heer van de wereldbewoners.


یٰمُوۡسٰۤی اِنَّہٗۤ اَنَا اللّٰہُ الۡعَزِیۡزُ الۡحَکِیۡمُ ۙ﴿۹﴾

027.009 Ya moosa innahu ana Allahu alAAazeezu alhakeemu

O Moesa, Ik ben het, Allah, de machtige, de wijze."


وَ اَلۡقِ عَصَاکَ ؕ فَلَمَّا رَاٰہَا تَہۡتَزُّ کَاَنَّہَا جَآنٌّ وَّلّٰی مُدۡبِرًا وَّ لَمۡ یُعَقِّبۡ ؕ یٰمُوۡسٰی لَا تَخَفۡ ۟ اِنِّیۡ لَا یَخَافُ لَدَیَّ الۡمُرۡسَلُوۡنَ ﴿٭ۖ۱۰﴾

027.010 Waalqi AAasaka falamma raaha tahtazzu kaannaha jannun walla mudbiran walam yuAAaqqib ya moosa la takhaf innee la yakhafu ladayya almursaloona

En: "Werp je staf." Maar toen hij zag dat hij zich bewoog als een slang keerde hij hem de rug toe en draaide zich niet meer om. "O Moesa, wees niet bang. Bij Mij zijn de gezondenen niet bang,


اِلَّا مَنۡ ظَلَمَ ثُمَّ بَدَّلَ حُسۡنًۢا بَعۡدَ سُوۡٓءٍ فَاِنِّیۡ غَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۱۱﴾

027.011 Illa man thalama thumma baddala husnan baAAda soo-in fa-innee ghafoorun raheemun

behalve hij die onrecht pleegt. Maar als hij het na de slechte daad door iets goeds vervangt, dan ben Ik vergevend en barmhartig.


وَ اَدۡخِلۡ یَدَکَ فِیۡ جَیۡبِکَ تَخۡرُجۡ بَیۡضَآءَ مِنۡ غَیۡرِ سُوۡٓءٍ ۟ فِیۡ تِسۡعِ اٰیٰتٍ اِلٰی فِرۡعَوۡنَ وَ قَوۡمِہٖ ؕ اِنَّہُمۡ کَانُوۡا قَوۡمًا فٰسِقِیۡنَ ﴿۱۲﴾

027.012 Waadkhil yadaka fee jaybika takhruj baydaa min ghayri soo-in fee tisAAi ayatin ila firAAawna waqawmihi innahum kanoo qawman fasiqeena

En steek je hand in je boezem, dan zal zij wit, maar zonder iets slechts tevoorschijn komen als een van negen tekenen voor Fir'aun en zijn volk. Zij zijn verdorven mensen."


فَلَمَّا جَآءَتۡہُمۡ اٰیٰتُنَا مُبۡصِرَۃً قَالُوۡا ہٰذَا سِحۡرٌ مُّبِیۡنٌ ﴿ۚ۱۳﴾

027.013 Falamma jaat-hum ayatuna mubsiratan qaloo hatha sihrun mubeenun

Toen dan Onze tekenen duidelijk zichtbaar tot hen kwamen zeiden zij: "Dit is duidelijk toverij."


وَ جَحَدُوۡا بِہَا وَ اسۡتَیۡقَنَتۡہَاۤ اَنۡفُسُہُمۡ ظُلۡمًا وَّ عُلُوًّا ؕ فَانۡظُرۡ کَیۡفَ کَانَ عَاقِبَۃُ الۡمُفۡسِدِیۡنَ ﴿٪۱۴﴾

027.014 Wajahadoo biha waistayqanat-ha anfusuhum thulman waAAuluwwan faonthur kayfa kana AAaqibatu almufsideena

En zij verwierpen ze uit onrechtmatigheid en hovaardij, hoewel zij zelf overtuigd waren. Kijk dan hoe het einde was van de verderfbrengers.


وَ لَقَدۡ اٰتَیۡنَا دَاوٗدَ وَ سُلَیۡمٰنَ عِلۡمًا ۚ وَ قَالَا الۡحَمۡدُ لِلّٰہِ الَّذِیۡ فَضَّلَنَا عَلٰی کَثِیۡرٍ مِّنۡ عِبَادِہِ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۵﴾

027.015 Walaqad atayna dawooda wasulaymana AAilman waqala alhamdu lillahi allathee faddalana AAala katheerin min AAibadihi almu/mineena

En Wij hebben aan Dawoed en Soelaimaan kennis gegeven en zij zeiden: "Lof zij Allah die ons boven velen van Zijn gelovige dienaren heeft verkozen."


وَ وَرِثَ سُلَیۡمٰنُ دَاوٗدَ وَ قَالَ یٰۤاَیُّہَا النَّاسُ عُلِّمۡنَا مَنۡطِقَ الطَّیۡرِ وَ اُوۡتِیۡنَا مِنۡ کُلِّ شَیۡءٍ ؕ اِنَّ ہٰذَا لَہُوَ الۡفَضۡلُ الۡمُبِیۡنُ ﴿۱۶﴾

027.016 Wawaritha sulaymanu dawooda waqala ya ayyuha alnnasu AAullimna mantiqa alttayri waooteena min kulli shay-in inna hatha lahuwa alfadlu almubeenu

En Soelaimaan werd Dawoeds erfgenaam en hij zei: "O mensen, aan ons is de spraak van de vogels onderwezen en aan ons is van alles gegeven; dit is een duidelijke goedgunstigheid."


وَ حُشِرَ لِسُلَیۡمٰنَ جُنُوۡدُہٗ مِنَ الۡجِنِّ وَ الۡاِنۡسِ وَ الطَّیۡرِ فَہُمۡ یُوۡزَعُوۡنَ ﴿۱۷﴾

027.017 Wahushira lisulaymana junooduhu mina aljinni waal-insi waalttayri fahum yoozaAAoona

En voor Soelaimaan werden zijn troepen verzameld -- djinn, mensen en vogels -- en zij werden in het gelid gezet.


حَتّٰۤی اِذَاۤ اَتَوۡا عَلٰی وَادِ النَّمۡلِ ۙ قَالَتۡ نَمۡلَۃٌ یّٰۤاَیُّہَا النَّمۡلُ ادۡخُلُوۡا مَسٰکِنَکُمۡ ۚ لَا یَحۡطِمَنَّکُمۡ سُلَیۡمٰنُ وَ جُنُوۡدُہٗ ۙ وَ ہُمۡ لَا یَشۡعُرُوۡنَ ﴿۱۸﴾

027.018 Hatta itha ataw AAala wadi alnnamli qalat namlatun ya ayyuha alnnamlu odkhuloo masakinakum la yahtimannakum sulaymanu wajunooduhu wahum la yashAAuroona

Toen zij dan in de vallei van de mieren kwamen zei een mier: "O mieren, gaat jullie woningen binnen opdat Soelaimaan en zijn troepen jullie niet zonder het te merken vertrappen."


فَتَبَسَّمَ ضَاحِکًا مِّنۡ قَوۡلِہَا وَ قَالَ رَبِّ اَوۡزِعۡنِیۡۤ اَنۡ اَشۡکُرَ نِعۡمَتَکَ الَّتِیۡۤ اَنۡعَمۡتَ عَلَیَّ وَ عَلٰی وَالِدَیَّ وَ اَنۡ اَعۡمَلَ صَالِحًا تَرۡضٰىہُ وَ اَدۡخِلۡنِیۡ بِرَحۡمَتِکَ فِیۡ عِبَادِکَ الصّٰلِحِیۡنَ ﴿۱۹﴾

027.019 Fatabassama dahikan min qawliha waqala rabbi awziAAnee an ashkura niAAmataka allatee anAAamta AAalayya waAAala walidayya waan aAAmala salihan tardahu waadkhilnee birahmatika fee AAibadika alssaliheena

Toen glimlachte hij omdat hij om haar woorden moest lachen en zei: "Mijn Heer, spoor mij aan dat ik voor Uw genade die U mij en mijn ouders geschonken hebt dank betuig en dat ik iets deugdelijks doe dat U bevalt en laat mij met Uw rechtschapen dienaren in Uw barmhartigheid binnengaan."


وَ تَفَقَّدَ الطَّیۡرَ فَقَالَ مَا لِیَ لَاۤ اَرَی الۡہُدۡہُدَ ۫ۖ اَمۡ کَانَ مِنَ الۡغَآئِبِیۡنَ ﴿۲۰﴾

027.020 Watafaqqada alttayra faqala ma liya la ara alhudhuda am kana mina algha-ibeena

En hij keek of er bij de vogels een miste en zei: "Hoe komt het dat ik de hop niet zie? Of is die bij de afwezigen?


لَاُعَذِّبَنَّہٗ عَذَابًا شَدِیۡدًا اَوۡ لَاَاذۡبَحَنَّہٗۤ اَوۡ لَیَاۡتِیَنِّیۡ بِسُلۡطٰنٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۲۱﴾

027.021 LaoAAaththibannahu AAathaban shadeedan aw laathbahannahu aw laya/tiyannee bisultanin mubeenin

Ik zal hem streng bestraffen of ik zal hem slachten of hij moet mij een duidelijke machtiging brengen."


فَمَکَثَ غَیۡرَ بَعِیۡدٍ فَقَالَ اَحَطۡتُّ بِمَا لَمۡ تُحِطۡ بِہٖ وَ جِئۡتُکَ مِنۡ سَبَاٍۭ بِنَبَاٍ یَّقِیۡنٍ ﴿۲۲﴾

027.022 Famakatha ghayra baAAeedin faqala ahattu bima lam tuhit bihi waji/tuka min saba-in binaba-in yaqeenin

Hij bleef toen niet lang meer weg en zei: "Ik omvat [met mijn kennis] wat jij niet omvat en ik ben uit Saba? naar jou gekomen met een vaststaand bericht.


اِنِّیۡ وَجَدۡتُّ امۡرَاَۃً تَمۡلِکُہُمۡ وَ اُوۡتِیَتۡ مِنۡ کُلِّ شَیۡءٍ وَّ لَہَا عَرۡشٌ عَظِیۡمٌ ﴿۲۳﴾

027.023 Innee wajadtu imraatan tamlikuhum waootiyat min kulli shay-in walaha AAarshun AAatheemun

Ik heb gemerkt dat een vrouw over hen heerst aan wie van alles is gegeven en die een geweldige troon heeft.


وَجَدۡتُّہَا وَ قَوۡمَہَا یَسۡجُدُوۡنَ لِلشَّمۡسِ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ وَ زَیَّنَ لَہُمُ الشَّیۡطٰنُ اَعۡمَالَہُمۡ فَصَدَّہُمۡ عَنِ السَّبِیۡلِ فَہُمۡ لَا یَہۡتَدُوۡنَ ﴿ۙ۲۴﴾

027.024 Wajadtuha waqawmaha yasjudoona lilshshamsi min dooni Allahi wazayyana lahumu alshshaytanu aAAmalahum fasaddahum AAani alssabeeli fahum la yahtadoona

Ik heb gemerkt dat zij en haar volk zich eerbiedig voor de zon neerbuigen in plaats van voor Allah, dat de satan hun daden voor hen mooi heeft laten lijken en hun de weg versperd heeft; zij volgen dus het goede pad niet,


اَلَّا یَسۡجُدُوۡا لِلّٰہِ الَّذِیۡ یُخۡرِجُ الۡخَبۡءَ فِی السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ وَ یَعۡلَمُ مَا تُخۡفُوۡنَ وَ مَا تُعۡلِنُوۡنَ ﴿۲۵﴾

027.025 Alla yasjudoo lillahi allathee yukhriju alkhabaa fee alssamawati waal-ardi wayaAAlamu ma tukhfoona wama tuAAlinoona

zodat zij zich niet eerbiedig voor Allah neerbuigen die het verborgene in de hemelen en de aarde tevoorschijn brengt en die weet wat jullie in het verborgen, en wat jullie openlijk doen.


اَللّٰہُ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ رَبُّ الۡعَرۡشِ الۡعَظِیۡمِ ﴿ٛ۲۶﴾

027.026 Allahu la ilaha illa huwa rabbu alAAarshi alAAatheemi

Allah, er is geen god dan hij, de Heer van de geweldige troon." -- *


قَالَ سَنَنۡظُرُ اَصَدَقۡتَ اَمۡ کُنۡتَ مِنَ الۡکٰذِبِیۡنَ ﴿۲۷﴾

027.027 Qala sananthuru asadaqta am kunta mina alkathibeena

Hij zei: "We zullen zien of jij gelijk hebt of dat jij tot de leugenaars behoort.


اِذۡہَبۡ بِّکِتٰبِیۡ ہٰذَا فَاَلۡقِہۡ اِلَیۡہِمۡ ثُمَّ تَوَلَّ عَنۡہُمۡ فَانۡظُرۡ مَا ذَا یَرۡجِعُوۡنَ ﴿۲۸﴾

027.028 Ithhab bikitabee hatha faalqih ilayhim thumma tawalla AAanhum faonthur matha yarjiAAoona

Breng deze brief van mij weg en overhandig hem aan hen. Wend je dan van hen af en kijk wat zij terugzeggen."


قَالَتۡ یٰۤاَیُّہَا الۡمَلَؤُا اِنِّیۡۤ اُلۡقِیَ اِلَیَّ کِتٰبٌ کَرِیۡمٌ ﴿۲۹﴾

027.029 Qalat ya ayyuha almalao innee olqiya ilayya kitabun kareemun

Zij zei: "Raad van voornaamsten! Aan mij is een voortreffelijke brief overhandigd.


اِنَّہٗ مِنۡ سُلَیۡمٰنَ وَ اِنَّہٗ بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ ﴿ۙ۳۰﴾

027.030 Innahu min sulaymana wa-innahu bismi Allahi alrrahmani alrraheemi

Hij is van Soelaimaan en hij luidt: In de naam van Allah, de erbarmer, de barmhartige.


اَلَّا تَعۡلُوۡا عَلَیَّ وَ اۡتُوۡنِیۡ مُسۡلِمِیۡنَ ﴿٪۳۱﴾

027.031 Alla taAAloo AAalayya wa/toonee muslimeena

Weest niet hovaardig tegenover mij en komt tot mij als [mensen] die zich [aan Allah] hebben overgegeven."


قَالَتۡ یٰۤاَیُّہَا الۡمَلَؤُا اَفۡتُوۡنِیۡ فِیۡۤ اَمۡرِیۡ ۚ مَا کُنۡتُ قَاطِعَۃً اَمۡرًا حَتّٰی تَشۡہَدُوۡنِ ﴿۳۲﴾

027.032 Qalat ya ayyuha almalao aftoonee fee amree ma kuntu qatiAAatan amran hatta tashhadoona

Zij zei: "Raad van voornaamsten! Geeft mij uitsluitsel over wat ik zal beschikken; ik tref geen beschikking zonder dat jullie er getuige van zijn."


قَالُوۡا نَحۡنُ اُولُوۡا قُوَّۃٍ وَّ اُولُوۡا بَاۡسٍ شَدِیۡدٍ ۬ۙ وَّ الۡاَمۡرُ اِلَیۡکِ فَانۡظُرِیۡ مَاذَا تَاۡمُرِیۡنَ ﴿۳۳﴾

027.033 Qaloo nahnu oloo quwwatin waoloo ba/sin shadeedin waal-amru ilayki faonthuree matha ta/mureena

Zij zeiden: "Wij bezitten een strijdmacht en kunnen hevig geweld uitoefenen, maar de beschikking is aan jou. Kijk maar wat je wilt bevelen."


قَالَتۡ اِنَّ الۡمُلُوۡکَ اِذَا دَخَلُوۡا قَرۡیَۃً اَفۡسَدُوۡہَا وَ جَعَلُوۡۤا اَعِزَّۃَ اَہۡلِہَاۤ اَذِلَّۃً ۚ وَ کَذٰلِکَ یَفۡعَلُوۡنَ ﴿۳۴﴾

027.034 Qalat inna almulooka itha dakhaloo qaryatan afsadooha wajaAAaloo aAAizzata ahliha athillatan wakathalika yafAAaloona

Zij zei: "Wanneer koningen een stad binnentrekken brengen zij haar tot verderf en maken de machtigen onder haar mensen tot onderworpelingen. Zo doen zij.


وَ اِنِّیۡ مُرۡسِلَۃٌ اِلَیۡہِمۡ بِہَدِیَّۃٍ فَنٰظِرَۃٌۢ بِمَ یَرۡجِعُ الۡمُرۡسَلُوۡنَ ﴿۳۵﴾

027.035 Wa-innee mursilatun ilayhim bihadiyyatin fanathiratun bima yarjiAAu almursaloona

Ik zal naar hen een geschenk zenden en kijken waarmee de gezondenen terugkeren."


فَلَمَّا جَآءَ سُلَیۡمٰنَ قَالَ اَتُمِدُّوۡنَنِ بِمَالٍ ۫ فَمَاۤ اٰتٰىنَِۧ اللّٰہُ خَیۡرٌ مِّمَّاۤ اٰتٰىکُمۡ ۚ بَلۡ اَنۡتُمۡ بِہَدِیَّتِکُمۡ تَفۡرَحُوۡنَ ﴿۳۶﴾

027.036 Falamma jaa sulaymana qala atumiddoonani bimalin fama ataniya Allahu khayrun mimma atakum bal antum bihadiyyatikum tafrahoona

Toen hij dan bij Soelaimaan kwam zei deze: "Willen jullie mij met bezit overladen? Wat Allah mij gegeven heeft is beter dan wat jullie mij geven. Jullie echter verheugen je over jullie geschenk.


اِرۡجِعۡ اِلَیۡہِمۡ فَلَنَاۡتِیَنَّہُمۡ بِجُنُوۡدٍ لَّا قِبَلَ لَہُمۡ بِہَا وَ لَنُخۡرِجَنَّہُمۡ مِّنۡہَاۤ اَذِلَّۃً وَّ ہُمۡ صٰغِرُوۡنَ ﴿۳۷﴾

027.037 IrjiAA ilayhim falana/tiyannahum bijunoodin la qibala lahum biha walanukhrijannahum minha athillatan wahum saghiroona

Keer naar hen terug, wij zullen met troepen tot hen komen waartegen geen weerstand geboden kan worden en wij zullen hen er als onderworpelingen die onderdanig zijn uit verdrijven."


قَالَ یٰۤاَیُّہَا الۡمَلَؤُا اَیُّکُمۡ یَاۡتِیۡنِیۡ بِعَرۡشِہَا قَبۡلَ اَنۡ یَّاۡتُوۡنِیۡ مُسۡلِمِیۡنَ ﴿۳۸﴾

027.038 Qala ya ayyuha almalao ayyukum ya/teenee biAAarshiha qabla an ya/toonee muslimeena

Hij zei: "Raad van voornaamsten! Wie van jullie brengt mij haar troon voordat zij tot mij komen als [mensen] die zich [aan Allah] hebben overgegeven?"


قَالَ عِفۡرِیۡتٌ مِّنَ الۡجِنِّ اَنَا اٰتِیۡکَ بِہٖ قَبۡلَ اَنۡ تَقُوۡمَ مِنۡ مَّقَامِکَ ۚ وَ اِنِّیۡ عَلَیۡہِ لَقَوِیٌّ اَمِیۡنٌ ﴿۳۹﴾

027.039 Qala AAifreetun mina aljinni ana ateeka bihi qabla an taqooma min maqamika wa-inne AAalayhi laqawiyyun ameenun

Een 'ifriet van de djinn zei: "Ik zal hem jou brengen voordat jij van jouw plaats opstaat. Ik heb er de kracht voor en ben betrouwbaar."


قَالَ الَّذِیۡ عِنۡدَہٗ عِلۡمٌ مِّنَ الۡکِتٰبِ اَنَا اٰتِیۡکَ بِہٖ قَبۡلَ اَنۡ یَّرۡتَدَّ اِلَیۡکَ طَرۡفُکَ ؕ فَلَمَّا رَاٰہُ مُسۡتَقِرًّا عِنۡدَہٗ قَالَ ہٰذَا مِنۡ فَضۡلِ رَبِّیۡ ۟ۖ لِیَبۡلُوَنِیۡۤ ءَاَشۡکُرُ اَمۡ اَکۡفُرُ ؕ وَ مَنۡ شَکَرَ فَاِنَّمَا یَشۡکُرُ لِنَفۡسِہٖ ۚ وَ مَنۡ کَفَرَ فَاِنَّ رَبِّیۡ غَنِیٌّ کَرِیۡمٌ ﴿۴۰﴾

027.040 Qala allathee AAindahu AAilmun mina alkitabi ana ateeka bihi qabla an yartadda ilayka tarfuka falamma raahu mustaqirran AAindahu qala hatha min fadli rabbee liyabluwanee aashkuru am akfuru waman shakara fa-innama yashkuru linafsihi waman kafara fa-inna rabbee ghaniyyun kareemun

Hij die kennis van het boek had zei: "Ik breng hem je voordat jij met je oog hebt geknipperd." En toen hij hem daar bij zich zag staan zei hij: "Dit is een gunst van mijn Heer om mij op de proef te stellen of ik dank zal betuigen of ondankbaar ben. En wie dank betuigt doet dat in zijn eigen voordeel en wie ondankbaar is? mijn Heer is behoefteloos en edel."


قَالَ نَکِّرُوۡا لَہَا عَرۡشَہَا نَنۡظُرۡ اَتَہۡتَدِیۡۤ اَمۡ تَکُوۡنُ مِنَ الَّذِیۡنَ لَا یَہۡتَدُوۡنَ ﴿۴۱﴾

027.041 Qala nakkiroo laha AAarshaha nanthur atahtadee am takoonu mina allatheena la yahtadoona

Hij zei: "Maak haar troon voor haar onherkenbaar, dan zullen wij kijken of haar de goede richting gewezen is of dat zij behoort bij hen die het goede pad niet volgen."


فَلَمَّا جَآءَتۡ قِیۡلَ اَہٰکَذَا عَرۡشُکِ ؕ قَالَتۡ کَاَنَّہٗ ہُوَ ۚ وَ اُوۡتِیۡنَا الۡعِلۡمَ مِنۡ قَبۡلِہَا وَ کُنَّا مُسۡلِمِیۡنَ ﴿۴۲﴾

027.042 Falamma jaat qeela ahakatha AAarshuki qalat kaannahu huwa waooteena alAAilma min qabliha wakunna muslimeena

Toen zij dan kwam zei men tot haar: "Is dit jouw troon?" Zij zei: "Het is alsof het hem is." [Soelaimaan zei:] "Aan ons was voor haar tijd al kennis gegeven en wij hadden ons [aan Allah] overgegeven."


وَ صَدَّہَا مَا کَانَتۡ تَّعۡبُدُ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ ؕ اِنَّہَا کَانَتۡ مِنۡ قَوۡمٍ کٰفِرِیۡنَ ﴿۴۳﴾

027.043 Wasaddaha ma kanat taAAbudu min dooni Allahi innaha kanat min qawmin kafireena

Maar wat zij in plaats van Allah dienden had haar [van het goede pad] afgehouden. Zij behoorde tot ongelovige mensen.


قِیۡلَ لَہَا ادۡخُلِی الصَّرۡحَ ۚ فَلَمَّا رَاَتۡہُ حَسِبَتۡہُ لُجَّۃً وَّ کَشَفَتۡ عَنۡ سَاقَیۡہَا ؕ قَالَ اِنَّہٗ صَرۡحٌ مُّمَرَّدٌ مِّنۡ قَوَارِیۡرَ ۬ؕ قَالَتۡ رَبِّ اِنِّیۡ ظَلَمۡتُ نَفۡسِیۡ وَ اَسۡلَمۡتُ مَعَ سُلَیۡمٰنَ لِلّٰہِ رَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿٪۴۴﴾

027.044 Qeela laha odkhulee alssarha falamma raat-hu hasibat-hu lujjatan wakashafat AAan saqayha qala innahu sarhun mumarradun min qawareera qalat rabbi innee thalamtu nafsee waaslamtu maAAa sulaymana lillahi rabbi alAAalameena

Men zei tot haar: "Treed het paleis binnen." En toen zij het zag dacht zij dat het diep water was en zij ontblootte haar benen. Hij zei: "Het is een met glasplaten bekleed paleis." Zij zei: "Mijn Heer, ik heb mijzelf onrecht aangedaan en ik geef mij samen met Soelaimaan over aan Allah, de Heer van de wereldbewoners."


وَ لَقَدۡ اَرۡسَلۡنَاۤ اِلٰی ثَمُوۡدَ اَخَاہُمۡ صٰلِحًا اَنِ اعۡبُدُوا اللّٰہَ فَاِذَا ہُمۡ فَرِیۡقٰنِ یَخۡتَصِمُوۡنَ ﴿۴۵﴾

027.045 Walaqad arsalna ila thamooda akhahum salihan ani oAAbudoo Allaha fa-itha hum fareeqani yakhtasimoona

En Wij hebben tot de Thamoed hun broeder Salih gezonden: "Dient Allah!" Toen waren zij opeens twee groepen die met elkaar twistten.


قَالَ یٰقَوۡمِ لِمَ تَسۡتَعۡجِلُوۡنَ بِالسَّیِّئَۃِ قَبۡلَ الۡحَسَنَۃِ ۚ لَوۡ لَا تَسۡتَغۡفِرُوۡنَ اللّٰہَ لَعَلَّکُمۡ تُرۡحَمُوۡنَ ﴿۴۶﴾

027.046 Qala ya qawmi lima tastaAAjiloona bialssayyi-ati qabla alhasanati lawla tastaghfiroona Allaha laAAallakum turhamoona

Hij zei: "O mensen, waarom wensen jullie het slechte eerder dan het goede te verhaasten? Vroegen jullie Allah maar om vergeving; misschien zal aan jullie barmhartigheid bewezen worden."


قَالُوا اطَّیَّرۡنَا بِکَ وَ بِمَنۡ مَّعَکَ ؕ قَالَ طٰٓئِرُکُمۡ عِنۡدَ اللّٰہِ بَلۡ اَنۡتُمۡ قَوۡمٌ تُفۡتَنُوۡنَ ﴿۴۷﴾

027.047 Qaloo ittayyarna bika wabiman maAAaka qala ta-irukum AAinda Allahi bal antum qawmun tuftanoona

Zij zeiden: "Wij zien in jou en wie met jou zijn een slecht voorteken." Hij zei: "Jullie slechte voorteken is bij Allah. Ja zeker, jullie zijn mensen die in verzoeking gebracht worden."


وَ کَانَ فِی الۡمَدِیۡنَۃِ تِسۡعَۃُ رَہۡطٍ یُّفۡسِدُوۡنَ فِی الۡاَرۡضِ وَ لَا یُصۡلِحُوۡنَ ﴿۴۸﴾

027.048 Wakana fee almadeenati tisAAatu rahtin yufsidoona fee al-ardi wala yuslihoona

En er was in de stad een bende van negen die op de aarde verderf zaaiden en die geen orde op zaken stelden.


قَالُوۡا تَقَاسَمُوۡا بِاللّٰہِ لَنُبَیِّتَنَّہٗ وَ اَہۡلَہٗ ثُمَّ لَنَقُوۡلَنَّ لِوَلِیِّہٖ مَا شَہِدۡنَا مَہۡلِکَ اَہۡلِہٖ وَ اِنَّا لَصٰدِقُوۡنَ ﴿۴۹﴾

027.049 Qaloo taqasamoo biAllahi lanubayyitannahu waahlahu thumma lanaqoolanna liwaliyyihi ma shahidna mahlika ahlihi wa-inna lasadiqoona

Zij zeiden: "Zweert met elkaar bij Allah dat wij hem en zijn huisgenoten 's nachts zullen overvallen en dan zullen wij tegen zijn beschermer zeggen: Wij waren geen getuige van zijn vernietiging en wij spreken de waarheid."


وَ مَکَرُوۡا مَکۡرًا وَّ مَکَرۡنَا مَکۡرًا وَّ ہُمۡ لَا یَشۡعُرُوۡنَ ﴿۵۰﴾

027.050 Wamakaroo makran wamakarna makran wahum la yashAAuroona

Zij maakten plannen en Wij maakten plannen zonder dat zij het beseften.


فَانۡظُرۡ کَیۡفَ کَانَ عَاقِبَۃُ مَکۡرِہِمۡ ۙ اَنَّا دَمَّرۡنٰہُمۡ وَ قَوۡمَہُمۡ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿۵۱﴾

027.051 Faonthur kayfa kana AAaqibatu makrihim anna dammarnahum waqawmahum ajmaAAeena

Kijk dan hoe het einde was van hun plannenmakerij: Wij vernietigden hen en hun volk allen tezamen!


فَتِلۡکَ بُیُوۡتُہُمۡ خَاوِیَۃًۢ بِمَا ظَلَمُوۡا ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیَۃً لِّقَوۡمٍ یَّعۡلَمُوۡنَ ﴿۵۲﴾

027.052 Fatilka buyootuhum khawiyatan bima thalamoo inna fee thalika laayatan liqawmin yaAAlamoona

Dat zijn hun huizen, verlaten en vervallen omdat zij onrecht pleegden. Daarin is een teken voor mensen die weten.


وَ اَنۡجَیۡنَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ کَانُوۡا یَتَّقُوۡنَ ﴿۵۳﴾

027.053 Waanjayna allatheena amanoo wakanoo yattaqoona

Maar Wij redden hen die geloofden en godvrezend waren.


وَ لُوۡطًا اِذۡ قَالَ لِقَوۡمِہٖۤ اَتَاۡتُوۡنَ الۡفَاحِشَۃَ وَ اَنۡتُمۡ تُبۡصِرُوۡنَ ﴿۵۴﴾

027.054 Walootan ith qala liqawmihi ata/toona alfahishata waantum tubsiroona

En Loet, toen hij tot zijn volk zei: "Zullen jullie een gruweldaad begaan hoewel jullie het doorzien?


اَئِنَّکُمۡ لَتَاۡتُوۡنَ الرِّجَالَ شَہۡوَۃً مِّنۡ دُوۡنِ النِّسَآءِ ؕ بَلۡ اَنۡتُمۡ قَوۡمٌ تَجۡہَلُوۡنَ ﴿۵۵﴾

027.055 A-innakum lata/toona alrrijala shahwatan min dooni alnnisa-i bal antum qawmun tajhaloona

Zullen jullie uit begeerte tot de mannen gaan in plaats van tot de vrouwen? Ja zeker, jullie zijn mensen die niets weten." *


فَمَا کَانَ جَوَابَ قَوۡمِہٖۤ اِلَّاۤ اَنۡ قَالُوۡۤا اَخۡرِجُوۡۤا اٰلَ لُوۡطٍ مِّنۡ قَرۡیَتِکُمۡ ۚ اِنَّہُمۡ اُنَاسٌ یَّتَطَہَّرُوۡنَ ﴿۵۶﴾

027.056 Fama kana jawaba qawmihi illa an qaloo akhrijoo ala lootin min qaryatikum innahum onasun yatatahharoona

En het antwoord van zijn volk was slechts dat zij zeiden: "Verdrijft de familie van Loet uit jullie stad, want zij zijn mensen die zich rein houden."


فَاَنۡجَیۡنٰہُ وَ اَہۡلَہٗۤ اِلَّا امۡرَاَتَہٗ ۫ قَدَّرۡنٰہَا مِنَ الۡغٰبِرِیۡنَ ﴿۵۷﴾

027.057 Faanjaynahu waahlahu illa imraatahu qaddarnaha mina alghabireena

Toen redden Wij hem en zijn familie, behalve zijn vrouw; Wij hebben verordend dat zij tot de achterblijvers behoorde.


وَ اَمۡطَرۡنَا عَلَیۡہِمۡ مَّطَرًا ۚ فَسَآءَ مَطَرُ الۡمُنۡذَرِیۡنَ ﴿٪۵۸﴾

027.058 Waamtarna AAalayhim mataran fasaa mataru almunthareena

En Wij lieten regen op hen vallen; slecht was die regen voor hen die gewaarschuwd waren.


قُلِ الۡحَمۡدُ لِلّٰہِ وَ سَلٰمٌ عَلٰی عِبَادِہِ الَّذِیۡنَ اصۡطَفٰی ؕ آٰللّٰہُ خَیۡرٌ اَمَّا یُشۡرِکُوۡنَ ﴿ؕ۵۹﴾

027.059 Quli alhamdu lillahi wasalamun AAala AAibadihi allatheena istafa allahu khayrun amma yushrikoona

Zeg: "Lof zij Allah en vrede met Zijn dienaren die Hij heeft uitverkoren." Is Allah beter of wat zij als metgezellen aan Hem toeschrijven?



www.kuran.nl