23 Wama Liya

وَ مَا لِیَ لَاۤ اَعۡبُدُ الَّذِیۡ فَطَرَنِیۡ وَ اِلَیۡہِ تُرۡجَعُوۡنَ ﴿۲۲﴾

036.022 Wama liya la aAAbudu allathee fataranee wa-ilayhi turjaAAoona

En waarom zou ik niet Hem dienen die mij geschapen heeft en tot wie jullie teruggebracht zullen worden?


ءَاَتَّخِذُ مِنۡ دُوۡنِہٖۤ اٰلِہَۃً اِنۡ یُّرِدۡنِ الرَّحۡمٰنُ بِضُرٍّ لَّا تُغۡنِ عَنِّیۡ شَفَاعَتُہُمۡ شَیۡئًا وَّ لَا یُنۡقِذُوۡنِ ﴿ۚ۲۳﴾

036.023 Aattakhithu min doonihi alihatan in yuridni alrrahmanu bidurrin la tughni AAannee shafaAAatuhum shay-an wala yunqithooni

Zal ik mij in plaats van de Erbarmer andere goden nemen? Als de Erbarmer voor mij tegenspoed wenst baat hun voorspraak mij niets en kunnen zij mij ook niet redden.


اِنِّیۡۤ اِذًا لَّفِیۡ ضَلٰلٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۲۴﴾

036.024 Innee ithan lafee dalalin mubeenin

Dan zou ik werkelijk in duidelijke dwaling verkeren.


اِنِّیۡۤ اٰمَنۡتُ بِرَبِّکُمۡ فَاسۡمَعُوۡنِ ﴿ؕ۲۵﴾

036.025 Innee amantu birabbikum faismaAAooni

Ik geloof in jullie Heer; luistert dus naar mij."


قِیۡلَ ادۡخُلِ الۡجَنَّۃَ ؕ قَالَ یٰلَیۡتَ قَوۡمِیۡ یَعۡلَمُوۡنَ ﴿ۙ۲۶﴾

036.026 Qeela odkhuli aljannata qala ya layta qawmee yaAAlamoona

Tot hem werd gezegd: "Ga de tuin binnen!" Hij zei: "Ach had mijn volk maar geweten,


بِمَا غَفَرَ لِیۡ رَبِّیۡ وَ جَعَلَنِیۡ مِنَ الۡمُکۡرَمِیۡنَ ﴿۲۷﴾

036.027 Bima ghafara lee rabbee wajaAAalanee mina almukrameena

dat mijn Heer mij vergeven en tot een van de geerden gemaakt heeft." *


وَ مَاۤ اَنۡزَلۡنَا عَلٰی قَوۡمِہٖ مِنۡۢ بَعۡدِہٖ مِنۡ جُنۡدٍ مِّنَ السَّمَآءِ وَ مَا کُنَّا مُنۡزِلِیۡنَ ﴿۲۸﴾

036.028 Wama anzalna AAala qawmihi min baAAdihi min jundin mina alssama-i wama kunna munzileena

Maar na zijn tijd zonden Wij geen troepenmacht tot zijn volk, Wij zonden ook niets neer.


اِنۡ کَانَتۡ اِلَّا صَیۡحَۃً وَّاحِدَۃً فَاِذَا ہُمۡ خٰمِدُوۡنَ ﴿۲۹﴾

036.029 In kanat illa sayhatan wahidatan fa-itha hum khamidoona

Het was slechts n schreeuw en zij waren uitgeblust!


یٰحَسۡرَۃً عَلَی الۡعِبَادِ ۚؑ مَا یَاۡتِیۡہِمۡ مِّنۡ رَّسُوۡلٍ اِلَّا کَانُوۡا بِہٖ یَسۡتَہۡزِءُوۡنَ ﴿۳۰﴾

036.030 Ya hasratan AAala alAAibadi ma ya/teehim min rasoolin illa kanoo bihi yastahzi-oona

Wee de dienaren! Er komt geen gezant tot hen of zij drijven de spot met hem.


اَلَمۡ یَرَوۡا کَمۡ اَہۡلَکۡنَا قَبۡلَہُمۡ مِّنَ الۡقُرُوۡنِ اَنَّہُمۡ اِلَیۡہِمۡ لَا یَرۡجِعُوۡنَ ﴿ؕ۳۱﴾

036.031 Alam yaraw kam ahlakna qablahum mina alqurooni annahum ilayhim la yarjiAAoona

Hebben zij niet gezien hoeveel generaties Wij voor hun tijd vernietigd hebben en dat zij niet tot hen terugkeren?


وَ اِنۡ کُلٌّ لَّمَّا جَمِیۡعٌ لَّدَیۡنَا مُحۡضَرُوۡنَ ﴿٪۳۲﴾

036.032 Wa-in kullun lamma jameeAAun ladayna muhdaroona

En zij zullen allen tezamen bij Ons worden voorgeleid.


وَ اٰیَۃٌ لَّہُمُ الۡاَرۡضُ الۡمَیۡتَۃُ ۚۖ اَحۡیَیۡنٰہَا وَ اَخۡرَجۡنَا مِنۡہَا حَبًّا فَمِنۡہُ یَاۡکُلُوۡنَ ﴿۳۳﴾

036.033 Waayatun lahumu al-ardu almaytatu ahyaynaha waakhrajna minha habban faminhu ya/kuloona

En een teken voor hen is de dode aarde die Wij tot leven brengen en waaruit Wij zaadkorrels voortbrengen zodat zij ervan eten.


وَ جَعَلۡنَا فِیۡہَا جَنّٰتٍ مِّنۡ نَّخِیۡلٍ وَّ اَعۡنَابٍ وَّ فَجَّرۡنَا فِیۡہَا مِنَ الۡعُیُوۡنِ ﴿ۙ۳۴﴾

036.034 WajaAAalna feeha jannatin min nakheelin waaAAnabin wafajjarna feeha mina alAAuyooni

En Wij hebben erop tuinen van palmen en wijnstokken gemaakt en bronnen laten ontspringen,


لِیَاۡکُلُوۡا مِنۡ ثَمَرِہٖ ۙ وَ مَا عَمِلَتۡہُ اَیۡدِیۡہِمۡ ؕ اَفَلَا یَشۡکُرُوۡنَ ﴿۳۵﴾

036.035 Liya/kuloo min thamarihi wama AAamilat-hu aydeehim afala yashkuroona

opdat zij van de vruchten daarvan en van wat hun handen maken kunnen eten. Zullen zij dan geen dank betuigen?


سُبۡحٰنَ الَّذِیۡ خَلَقَ الۡاَزۡوَاجَ کُلَّہَا مِمَّا تُنۡۢبِتُ الۡاَرۡضُ وَ مِنۡ اَنۡفُسِہِمۡ وَ مِمَّا لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۳۶﴾

036.036 Subhana allathee khalaqa al-azwaja kullaha mimma tunbitu al-ardu wamin anfusihim wamimma la yaAAlamoona

Geprezen zij Hij die alles geschapen heeft wat paarsgewijze voorkomt bij wat de aarde voortbrengt, bij hen zelf en bij wat zij niet weten.


وَ اٰیَۃٌ لَّہُمُ الَّیۡلُ ۚۖ نَسۡلَخُ مِنۡہُ النَّہَارَ فَاِذَا ہُمۡ مُّظۡلِمُوۡنَ ﴿ۙ۳۷﴾

036.037 Waayatun lahumu allaylu naslakhu minhu alnnahara fa-itha hum muthlimoona

En een teken voor hen is de nacht. Wij stropen de dag ervan af en dan zijn zij in het duister!


وَ الشَّمۡسُ تَجۡرِیۡ لِمُسۡتَقَرٍّ لَّہَا ؕ ذٰلِکَ تَقۡدِیۡرُ الۡعَزِیۡزِ الۡعَلِیۡمِ ﴿ؕ۳۸﴾

036.038 Waalshshamsu tajree limustaqarrin laha thalika taqdeeru alAAazeezi alAAaleemi

En de zon loopt tot haar verblijfplaats. Dat is de verordening van de machtige, de wetende.


وَ الۡقَمَرَ قَدَّرۡنٰہُ مَنَازِلَ حَتّٰی عَادَ کَالۡعُرۡجُوۡنِ الۡقَدِیۡمِ ﴿۳۹﴾

036.039 Waalqamara qaddarnahu manazila hatta AAada kaalAAurjooni alqadeemi

En voor de maan hebben Wij standen verordend zodat zij er ten slotte uitziet als een oude verschrompelde dadelstengel.


لَا الشَّمۡسُ یَنۡۢبَغِیۡ لَہَاۤ اَنۡ تُدۡرِکَ الۡقَمَرَ وَ لَا الَّیۡلُ سَابِقُ النَّہَارِ ؕ وَ کُلٌّ فِیۡ فَلَکٍ یَّسۡبَحُوۡنَ ﴿۴۰﴾

036.040 La alshshamsu yanbaghee laha an tudrika alqamara wala allaylu sabiqu alnnahari wakullun fee falakin yasbahoona

Het past de zon niet de maan te bereiken en de nacht niet dat hij de dag inhaalt. Alle zweven zij in een hemelbaan.


وَ اٰیَۃٌ لَّہُمۡ اَنَّا حَمَلۡنَا ذُرِّیَّتَہُمۡ فِی الۡفُلۡکِ الۡمَشۡحُوۡنِ ﴿ۙ۴۱﴾

036.041 Waayatun lahum anna hamalna thurriyyatahum fee alfulki almashhooni

En een teken is het voor hen dat Wij hun nakomelingen op het volbeladen schip gedragen hebben.


وَ خَلَقۡنَا لَہُمۡ مِّنۡ مِّثۡلِہٖ مَا یَرۡکَبُوۡنَ ﴿۴۲﴾

036.042 Wakhalaqna lahum min mithlihi ma yarkaboona

En Wij hebben voor hen iets overeenkomstigs geschapen waar zij op kunnen gaan.


وَ اِنۡ نَّشَاۡ نُغۡرِقۡہُمۡ فَلَا صَرِیۡخَ لَہُمۡ وَ لَا ہُمۡ یُنۡقَذُوۡنَ ﴿ۙ۴۳﴾

036.043 Wa-in nasha/ nughriqhum fala sareekha lahum wala hum yunqathoona

En als Wij willen laten Wij hen verdrinken; dan helpt om hulp roepen niet en worden zij niet gered.


اِلَّا رَحۡمَۃً مِّنَّا وَ مَتَاعًا اِلٰی حِیۡنٍ ﴿۴۴﴾

036.044 Illa rahmatan minna wamataAAan ila heenin

Behalve uit barmhartigheid van Ons en als een tijdelijk genot.


وَ اِذَا قِیۡلَ لَہُمُ اتَّقُوۡا مَا بَیۡنَ اَیۡدِیۡکُمۡ وَ مَا خَلۡفَکُمۡ لَعَلَّکُمۡ تُرۡحَمُوۡنَ ﴿۴۵﴾

036.045 Wa-itha qeela lahumu ittaqoo ma bayna aydeekum wama khalfakum laAAallakum turhamoona

En wanneer tot hen gezegd wordt: "Vreest wat er vr jullie is en wat er achter jullie is; misschien zal aan jullie barmhartigheid bewezen worden."


وَ مَا تَاۡتِیۡہِمۡ مِّنۡ اٰیَۃٍ مِّنۡ اٰیٰتِ رَبِّہِمۡ اِلَّا کَانُوۡا عَنۡہَا مُعۡرِضِیۡنَ ﴿۴۶﴾

036.046 Wama ta/teehim min ayatin min ayati rabbihim illa kanoo AAanha muAArideena

Maar er komt geen enkel teken van hun Heer tot hen of zij keren zich ervan af.


وَ اِذَا قِیۡلَ لَہُمۡ اَنۡفِقُوۡا مِمَّا رَزَقَکُمُ اللّٰہُ ۙ قَالَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لِلَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اَنُطۡعِمُ مَنۡ لَّوۡ یَشَآءُ اللّٰہُ اَطۡعَمَہٗۤ ٭ۖ اِنۡ اَنۡتُمۡ اِلَّا فِیۡ ضَلٰلٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۴۷﴾

036.047 Wa-itha qeela lahum anfiqoo mimma razaqakumu Allahu qala allatheena kafaroo lillatheena amanoo anutAAimu man law yashao Allahu atAAamahu in antum illa fee dalalin mubeenin

En wanneer tot hen gezegd wordt: "Geeft bijdragen van wat Allah jullie voor je levensonderhoud gegeven heeft" dan zeggen zij die ongelovig zijn tegen hen die gelovig zijn: "Zullen wij voedsel geven aan wie Allah het kan geven als Hij wil? Jullie verkeren in duidelijke dwaling."


وَ یَقُوۡلُوۡنَ مَتٰی ہٰذَا الۡوَعۡدُ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۴۸﴾

036.048 Wayaqooloona mata hatha alwaAAdu in kuntum sadiqeena

En zij zeggen: "Wanneer zal deze aanzegging zich voordoen, als jullie gelijk hebben?"


مَا یَنۡظُرُوۡنَ اِلَّا صَیۡحَۃً وَّاحِدَۃً تَاۡخُذُہُمۡ وَ ہُمۡ یَخِصِّمُوۡنَ ﴿۴۹﴾

036.049 Ma yanthuroona illa sayhatan wahidatan ta/khuthuhum wahum yakhissimoona

Zij wachten slechts op n schreeuw die hen zal grijpen terwijl zij aan het twisten zijn.


فَلَا یَسۡتَطِیۡعُوۡنَ تَوۡصِیَۃً وَّ لَاۤ اِلٰۤی اَہۡلِہِمۡ یَرۡجِعُوۡنَ ﴿٪۵۰﴾

036.050 Fala yastateeAAoona tawsiyatan wala ila ahlihim yarjiAAoona

Dan zullen zij geen testament maken en ook niet meer tot hun familie terugkeren.


وَ نُفِخَ فِی الصُّوۡرِ فَاِذَا ہُمۡ مِّنَ الۡاَجۡدَاثِ اِلٰی رَبِّہِمۡ یَنۡسِلُوۡنَ ﴿۵۱﴾

036.051 Wanufikha fee alssoori fa-itha hum mina al-ajdathi ila rabbihim yansiloona

Er wordt op de bazuin geblazen en dan komen zij uit de graven naar hun Heer aangesneld.


قَالُوۡا یٰوَیۡلَنَا مَنۡۢ بَعَثَنَا مِنۡ مَّرۡقَدِنَا ٜۘؐ ہٰذَا مَا وَعَدَ الرَّحۡمٰنُ وَ صَدَقَ الۡمُرۡسَلُوۡنَ ﴿۵۲﴾

036.052 Qaloo ya waylana man baAAathana min marqadina hatha ma waAAada alrrahmanu wasadaqa almursaloona

Zij zeggen: "Wee ons! Wie heeft ons uit deze rustplaats van ons laten opstaan? Dit is wat de Erbarmer ons aangezegd had; de gezondenen hadden gelijk."


اِنۡ کَانَتۡ اِلَّا صَیۡحَۃً وَّاحِدَۃً فَاِذَا ہُمۡ جَمِیۡعٌ لَّدَیۡنَا مُحۡضَرُوۡنَ ﴿۵۳﴾

036.053 In kanat illa sayhatan wahidatan fa-itha hum jameeAAun ladayna muhdaroona

Het is slechts n schreeuw en zij worden gezamenlijk bij Ons voorgeleid.


فَالۡیَوۡمَ لَا تُظۡلَمُ نَفۡسٌ شَیۡئًا وَّ لَا تُجۡزَوۡنَ اِلَّا مَا کُنۡتُمۡ تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۵۴﴾

036.054 Faalyawma la tuthlamu nafsun shay-an wala tujzawna illa ma kuntum taAAmaloona

"Vandaag zal niemand in iets onrecht worden aangedaan. En aan jullie wordt slechts vergolden voor wat jullie hebben gedaan."


اِنَّ اَصۡحٰبَ الۡجَنَّۃِ الۡیَوۡمَ فِیۡ شُغُلٍ فٰکِہُوۡنَ ﴿ۚ۵۵﴾

036.055 Inna as-haba aljannati alyawma fee shughulin fakihoona

Zij die in de tuin thuis zijn houden zich vandaag blij bezig.


ہُمۡ وَ اَزۡوَاجُہُمۡ فِیۡ ظِلٰلٍ عَلَی الۡاَرَآئِکِ مُتَّکِـُٔوۡنَ ﴿۵۶﴾

036.056 Hum waazwajuhum fee thilalin AAala al-ara-iki muttaki-oona

Zij en hun echtgenotes zijn in een schaduwrijke omgeving terwijl zij er op ligbanken achteroverleunen.


لَہُمۡ فِیۡہَا فَاکِہَۃٌ وَّ لَہُمۡ مَّا یَدَّعُوۡنَ ﴿ۚۖ۵۷﴾

036.057 Lahum feeha fakihatun walahum ma yaddaAAoona

Zij hebben er vruchten en wat zij maar verlangen.


سَلٰمٌ ۟ قَوۡلًا مِّنۡ رَّبٍّ رَّحِیۡمٍ ﴿۵۸﴾

036.058 Salamun qawlan min rabbin raheemin

"Vrede!"is [voor hen] een [welkomst]woord dat van een barmhartige Heer komt.


وَ امۡتَازُوا الۡیَوۡمَ اَیُّہَا الۡمُجۡرِمُوۡنَ ﴿۵۹﴾

036.059 Waimtazoo alyawma ayyuha almujrimoona

"Zondert jullie vandaag van hen af, jullie boosdoeners! *


اَلَمۡ اَعۡہَدۡ اِلَیۡکُمۡ یٰبَنِیۡۤ اٰدَمَ اَنۡ لَّا تَعۡبُدُوا الشَّیۡطٰنَ ۚ اِنَّہٗ لَکُمۡ عَدُوٌّ مُّبِیۡنٌ ﴿ۙ۶۰﴾

036.060 Alam aAAhad ilaykum ya banee adama an la taAAbudoo alshshaytana innahu lakum AAaduwwun mubeenun

Heb Ik jullie, kinderen van Adam, niet opgedragen dat jullie de satan niet moeten dienen -- hij is een verklaarde vijand voor jullie --


وَّ اَنِ اعۡبُدُوۡنِیۡ ؕؔ ہٰذَا صِرَاطٌ مُّسۡتَقِیۡمٌ ﴿۶۱﴾

036.061 Waani oAAbudoonee hatha siratun mustaqeemun

en dat jullie Mij moeten dienen? Dat is een juiste weg.


وَ لَقَدۡ اَضَلَّ مِنۡکُمۡ جِبِلًّا کَثِیۡرًا ؕ اَفَلَمۡ تَکُوۡنُوۡا تَعۡقِلُوۡنَ ﴿۶۲﴾

036.062 Walaqad adalla minkum jibillan katheeran afalam takoonoo taAAqiloona

Hij heeft uit jullie midden vele schepselen tot dwaling gebracht. Hadden jullie dan geen verstand?


ہٰذِہٖ جَہَنَّمُ الَّتِیۡ کُنۡتُمۡ تُوۡعَدُوۡنَ ﴿۶۳﴾

036.063 Hathihi jahannamu allatee kuntum tooAAadoona

Dat is de hel die jullie was aangezegd.


اِصۡلَوۡہَا الۡیَوۡمَ بِمَا کُنۡتُمۡ تَکۡفُرُوۡنَ ﴿۶۴﴾

036.064 Islawha alyawma bima kuntum takfuroona

Braadt er vandaag in omdat jullie ongelovig waren."


اَلۡیَوۡمَ نَخۡتِمُ عَلٰۤی اَفۡوَاہِہِمۡ وَ تُکَلِّمُنَاۤ اَیۡدِیۡہِمۡ وَ تَشۡہَدُ اَرۡجُلُہُمۡ بِمَا کَانُوۡا یَکۡسِبُوۡنَ ﴿۶۵﴾

036.065 Alyawma nakhtimu AAala afwahihim watukallimuna aydeehim watashhadu arjuluhum bima kanoo yaksiboona

Vandaag verzegelen Wij hun monden, maar hun handen spreken tot Ons en hun voeten getuigen van wat zij begaan hebben.


وَ لَوۡ نَشَآءُ لَطَمَسۡنَا عَلٰۤی اَعۡیُنِہِمۡ فَاسۡتَبَقُوا الصِّرَاطَ فَاَنّٰی یُبۡصِرُوۡنَ ﴿۶۶﴾

036.066 Walaw nashao latamasna AAala aAAyunihim faistabaqoo alssirata faanna yubsiroona

En als Wij wilden, dan zouden Wij hun ogen het gezichtsvermogen ontnemen. Dan zouden zij naar de weg rennen, maar hoe zouden zij dan zien?


وَ لَوۡ نَشَآءُ لَمَسَخۡنٰہُمۡ عَلٰی مَکَانَتِہِمۡ فَمَا اسۡتَطَاعُوۡا مُضِیًّا وَّ لَا یَرۡجِعُوۡنَ ﴿٪۶۷﴾

036.067 Walaw nashao lamasakhnahum AAala makanatihim fama istataAAoo mudiyyan wala yarjiAAoona

En als Wij wilden, dan zouden Wij hen ter plekke van gedaante veranderen. Dan zouden zij niet vooruit kunnen gaan noch terugkeren.


وَ مَنۡ نُّعَمِّرۡہُ نُنَکِّسۡہُ فِی الۡخَلۡقِ ؕ اَفَلَا یَعۡقِلُوۡنَ ﴿۶۸﴾

036.068 Waman nuAAammirhu nunakkis-hu fee alkhalqi afala yaAAqiloona

En als Wij iemand een lang leven geven, dan laten Wij zijn gestel slechter worden. Hebben zij dan geen verstand?


وَ مَا عَلَّمۡنٰہُ الشِّعۡرَ وَ مَا یَنۡۢبَغِیۡ لَہٗ ؕ اِنۡ ہُوَ اِلَّا ذِکۡرٌ وَّ قُرۡاٰنٌ مُّبِیۡنٌ ﴿ۙ۶۹﴾

036.069 Wama AAallamnahu alshshiAAra wama yanbaghee lahu in huwa illa thikrun waqur-anun mubeenun

Wij hebben hem de dichtkunst niet geleerd, zij betaamt hem ook niet. Het is niets anders dan een vermaning en een duidelijke Koran


لِّیُنۡذِرَ مَنۡ کَانَ حَیًّا وَّ یَحِقَّ الۡقَوۡلُ عَلَی الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۷۰﴾

036.070 Liyunthira man kana hayyan wayahiqqa alqawlu AAala alkafireena

om wie er leven te waarschuwen en opdat de uitspraak aan de ongelovigen bewaarheid wordt.


اَوَ لَمۡ یَرَوۡا اَنَّا خَلَقۡنَا لَہُمۡ مِّمَّا عَمِلَتۡ اَیۡدِیۡنَاۤ اَنۡعَامًا فَہُمۡ لَہَا مٰلِکُوۡنَ ﴿۷۱﴾

036.071 Awa lam yaraw anna khalaqna lahum mimma AAamilat aydeena anAAaman fahum laha malikoona

Hebben zij dan niet gezien dat Wij als een van de dingen die Onze handen gemaakt hebben voor hen vee hebben geschapen, waarover zij dan de beschikking hebben?


وَ ذَلَّلۡنٰہَا لَہُمۡ فَمِنۡہَا رَکُوۡبُہُمۡ وَ مِنۡہَا یَاۡکُلُوۡنَ ﴿۷۲﴾

036.072 Wathallalnaha lahum faminha rakoobuhum waminha ya/kuloona

En Wij hebben ze aan hen onderworpen: sommige kunnen zij berijden en andere, daar eten zij van.


وَ لَہُمۡ فِیۡہَا مَنَافِعُ وَ مَشَارِبُ ؕ اَفَلَا یَشۡکُرُوۡنَ ﴿۷۳﴾

036.073 Walahum feeha manafiAAu wamasharibu afala yashkuroona

Zij hebben daarmee veel nuttigheden en soorten drank. Zullen zij dan niet dank betuigen?


وَ اتَّخَذُوۡا مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ اٰلِہَۃً لَّعَلَّہُمۡ یُنۡصَرُوۡنَ ﴿ؕ۷۴﴾

036.074 Waittakhathoo min dooni Allahi alihatan laAAallahum yunsaroona

Maar zij hebben zich in plaats van Allah andere goden genomen opdat zij misschien hulp zullen krijgen.


لَا یَسۡتَطِیۡعُوۡنَ نَصۡرَہُمۡ ۙ وَ ہُمۡ لَہُمۡ جُنۡدٌ مُّحۡضَرُوۡنَ ﴿۷۵﴾

036.075 La yastateeAAoona nasrahum wahum lahum jundun muhdaroona

Zij kunnen hen niet helpen, zij zijn voor hen een troepenmacht die zelf wordt voorgeleid.


فَلَا یَحۡزُنۡکَ قَوۡلُہُمۡ ۘ اِنَّا نَعۡلَمُ مَا یُسِرُّوۡنَ وَ مَا یُعۡلِنُوۡنَ ﴿۷۶﴾

036.076 Fala yahzunka qawluhum inna naAAlamu ma yusirroona wama yuAAlinoona

Laat wat zij zeggen jou niet bedroefd maken. Wij weten wat zij in het geheim en wat zij openlijk doen.


اَوَ لَمۡ یَرَ الۡاِنۡسَانُ اَنَّا خَلَقۡنٰہُ مِنۡ نُّطۡفَۃٍ فَاِذَا ہُوَ خَصِیۡمٌ مُّبِیۡنٌ ﴿۷۷﴾

036.077 Awa lam yara al-insanu anna khalaqnahu min nutfatin fa-itha huwa khaseemun mubeenun

Heeft de mens dan niet gezien dat Wij hem uit een druppel geschapen hebben? Toch is hij een duidelijke tegenstander.


وَ ضَرَبَ لَنَا مَثَلًا وَّ نَسِیَ خَلۡقَہٗ ؕ قَالَ مَنۡ یُّحۡیِ الۡعِظَامَ وَ ہِیَ رَمِیۡمٌ ﴿۷۸﴾

036.078 Wadaraba lana mathalan wanasiya khalqahu qala man yuhyee alAAithama wahiya rameemun

Hij maakt een vergelijking met Ons en vergeet hoe hij geschapen is. Hij zegt: "Wie maakt de beenderen weer levend als zij gruis zijn?"


قُلۡ یُحۡیِیۡہَا الَّذِیۡۤ اَنۡشَاَہَاۤ اَوَّلَ مَرَّۃٍ ؕ وَ ہُوَ بِکُلِّ خَلۡقٍ عَلِیۡمُۨ ﴿ۙ۷۹﴾

036.079 Qul yuhyeeha allathee anshaaha awwala marratin wahuwa bikulli khalqin AAaleemun

Zeg: "Hij die ze de eerste maal heeft laten ontstaan zal ze weer levend maken. En Hij kent alles wat geschapen is,


الَّذِیۡ جَعَلَ لَکُمۡ مِّنَ الشَّجَرِ الۡاَخۡضَرِ نَارًا فَاِذَاۤ اَنۡتُمۡ مِّنۡہُ تُوۡقِدُوۡنَ ﴿۸۰﴾

036.080 Allathee jaAAala lakum mina alshshajari al-akhdari naran fa-itha antum minhu tooqidoona

Hij die voor jullie uit groene bomen vuur gemaakt heeft zodat jullie er meteen een vuur mee kunnen ontsteken."


اَوَ لَیۡسَ الَّذِیۡ خَلَقَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ بِقٰدِرٍ عَلٰۤی اَنۡ یَّخۡلُقَ مِثۡلَہُمۡ ؕ؃ بَلٰی ٭ وَ ہُوَ الۡخَلّٰقُ الۡعَلِیۡمُ ﴿۸۱﴾

036.081 Awa laysa allathee khalaqa alssamawati waal-arda biqadirin AAala an yakhluqa mithlahum bala wahuwa alkhallaqu alAAaleemu

Is Hij die de hemelen en de aarde geschapen heeft niet bij machte iets te scheppen wat aan hen gelijk is? Ja zeker, Hij is de schepper, de wetende.


اِنَّمَاۤ اَمۡرُہٗۤ اِذَاۤ اَرَادَ شَیۡئًا اَنۡ یَّقُوۡلَ لَہٗ کُنۡ فَیَکُوۡنُ ﴿۸۲﴾

036.082 Innama amruhu itha arada shay-an an yaqoola lahu kun fayakoonu

Wanneer Hij iets wenst, is zijn bevel dat Hij ertegen zegt: "Wees" en het is.


فَسُبۡحٰنَ الَّذِیۡ بِیَدِہٖ مَلَکُوۡتُ کُلِّ شَیۡءٍ وَّ اِلَیۡہِ تُرۡجَعُوۡنَ ﴿٪۸۳﴾

036.083 Fasubhana allathee biyadihi malakootu kulli shay-in wa-ilayhi turjaAAoona

Geprezen zij dus Hij in wiens hand de heerschappij over alles is en tot wie jullie worden teruggebracht.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

وَ الصّٰٓفّٰتِ صَفًّا ۙ﴿۱﴾

037.001 Waalssaffati saffan

Bij de zich in rijen opstellenden,


فَالزّٰجِرٰتِ زَجۡرًا ۙ﴿۲﴾

037.002 Faalzzajirati zajran

de scheldend afschrikkenden


فَالتّٰلِیٰتِ ذِکۡرًا ۙ﴿۳﴾

037.003 Faalttaliyati thikran

en een vermaning voorlezenden!


اِنَّ اِلٰـہَکُمۡ لَوَاحِدٌ ﴿ؕ۴﴾

037.004 Inna ilahakum lawahidun

Voorwaar, jullie god is n,


رَبُّ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ وَ مَا بَیۡنَہُمَا وَ رَبُّ الۡمَشَارِقِ ؕ﴿۵﴾

037.005 Rabbu alssamawati waal-ardi wama baynahuma warabbu almashariqi

de Heer van de hemelen, de aarde en wat er tussen beide is en de Heer van de plaatsen van opkomst.


اِنَّا زَیَّنَّا السَّمَآءَ الدُّنۡیَا بِزِیۡنَۃِۣ الۡکَوَاکِبِ ۙ﴿۶﴾

037.006 Inna zayyanna alssamaa alddunya bizeenatin alkawakibi

Wij hebben de dichtstbijzijnde hemel met de pracht van de sterren opgesierd


وَ حِفۡظًا مِّنۡ کُلِّ شَیۡطٰنٍ مَّارِدٍ ۚ﴿۷﴾

037.007 Wahifthan min kulli shaytanin maridin

om ook elke opstandige satan af te weren,


لَا یَسَّمَّعُوۡنَ اِلَی الۡمَلَاِ الۡاَعۡلٰی وَ یُقۡذَفُوۡنَ مِنۡ کُلِّ جَانِبٍ ٭ۖ﴿۸﴾

037.008 La yassammaAAoona ila almala-i al-aAAla wayuqthafoona min kulli janibin

zodat zij niet naar de allerhoogste raad van voornaamsten kunnen luisteren. En er wordt van elke kant tegen hen aan gegooid


دُحُوۡرًا وَّ لَہُمۡ عَذَابٌ وَّاصِبٌ ۙ﴿۹﴾

037.009 Duhooran walahum AAathabun wasibun

om hen te verjagen -- en voor hen is er een voortdurende bestraffing --


اِلَّا مَنۡ خَطِفَ الۡخَطۡفَۃَ فَاَتۡبَعَہٗ شِہَابٌ ثَاقِبٌ ﴿۱۰﴾

037.010 Illa man khatifa alkhatfata faatbaAAahu shihabun thaqibun

behalve als iemand toch iets opvangt; hij wordt dan achtervolgd door een brandende staartster.


فَاسۡتَفۡتِہِمۡ اَہُمۡ اَشَدُّ خَلۡقًا اَمۡ مَّنۡ خَلَقۡنَا ؕ اِنَّا خَلَقۡنٰہُمۡ مِّنۡ طِیۡنٍ لَّازِبٍ ﴿۱۱﴾

037.011 Faistaftihim ahum ashaddu khalqan am man khalaqna inna khalaqnahum min teenin lazibin

Vraag hun maar om uitsluitsel of zij het moeilijkst te scheppen zijn of anderen die Wij geschapen hebben; hen hebben Wij van kleverige klei geschapen.


بَلۡ عَجِبۡتَ وَ یَسۡخَرُوۡنَ ﴿۪۱۲﴾

037.012 Bal AAajibta wayaskharoona

Nee, jij bent verbaasd, maar zij schimpen.


وَ اِذَا ذُکِّرُوۡا لَا یَذۡکُرُوۡنَ ﴿۪۱۳﴾

037.013 Wa-itha thukkiroo la yathkuroona

Wanneer zij vermaand worden gedenken zij niet.


وَ اِذَا رَاَوۡا اٰیَۃً یَّسۡتَسۡخِرُوۡنَ ﴿۪۱۴﴾

037.014 Wa-itha raaw ayatan yastaskhiroona

Wanneer zij een teken zien lachen zij schamper


وَ قَالُوۡۤا اِنۡ ہٰذَاۤ اِلَّا سِحۡرٌ مُّبِیۡنٌ ﴿ۚۖ۱۵﴾

037.015 Waqaloo in hatha illa sihrun mubeenun

en zeggen: "Dit is duidelijk slechts toverij.


ءَ اِذَا مِتۡنَا وَ کُنَّا تُرَابًا وَّ عِظَامًا ءَاِنَّا لَمَبۡعُوۡثُوۡنَ ﴿ۙ۱۶﴾

037.016 A-itha mitna wakunna turaban waAAithaman a-inna lamabAAoothoona

Wanneer wij gestorven zijn en stof en botten geworden, zullen wij dan opgewekt worden?


اَوَ اٰبَآؤُنَا الۡاَوَّلُوۡنَ ﴿ؕ۱۷﴾

037.017 Awa abaona al-awwaloona

En onze vaderen dan, die er eertijds waren?"


قُلۡ نَعَمۡ وَ اَنۡتُمۡ دَاخِرُوۡنَ ﴿ۚ۱۸﴾

037.018 Qul naAAam waantum dakhiroona

Zeg: "Ja zeker, en jullie zullen onderdanig zijn."


فَاِنَّمَا ہِیَ زَجۡرَۃٌ وَّاحِدَۃٌ فَاِذَا ہُمۡ یَنۡظُرُوۡنَ ﴿۱۹﴾

037.019 Fa-innama hiya zajratun wahidatun fa-itha hum yanthuroona

Dan klinkt slechts n afschrikkende kreet en dan zullen zij [staan te] kijken


وَ قَالُوۡا یٰوَیۡلَنَا ہٰذَا یَوۡمُ الدِّیۡنِ ﴿۲۰﴾

037.020 Waqaloo ya waylana hatha yawmu alddeeni

en zeggen: "Wee ons, dit is de oordeelsdag!"


ہٰذَا یَوۡمُ الۡفَصۡلِ الَّذِیۡ کُنۡتُمۡ بِہٖ تُکَذِّبُوۡنَ ﴿٪۲۱﴾

037.021 Hatha yawmu alfasli allathee kuntum bihi tukaththiboona

"Dit is de dag van de schifting die jullie hebben geloochend." *


اُحۡشُرُوا الَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡا وَ اَزۡوَاجَہُمۡ وَ مَا کَانُوۡا یَعۡبُدُوۡنَ ﴿ۙ۲۲﴾

037.022 Ohshuroo allatheena thalamoo waazwajahum wama kanoo yaAAbudoona

"Verzamelt hen die onrecht hebben gepleegd, hun echtgenoten en wat zij hebben gediend,


مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ فَاہۡدُوۡہُمۡ اِلٰی صِرَاطِ الۡجَحِیۡمِ ﴿ٙ۲۳﴾

037.023 Min dooni Allahi faihdoohum ila sirati aljaheemi

in plaats van Allah. Voert hen dan op de weg naar het hellevuur.


وَ قِفُوۡہُمۡ اِنَّہُمۡ مَّسۡئُوۡلُوۡنَ ﴿ۙ۲۴﴾

037.024 Waqifoohum innahum masooloona

En laat hen zich opstellen, want zij moeten verantwoording afleggen."


مَا لَکُمۡ لَا تَنَاصَرُوۡنَ ﴿۲۵﴾

037.025 Ma lakum la tanasaroona

"Waarom hebben jullie elkaar niet geholpen?"


بَلۡ ہُمُ الۡیَوۡمَ مُسۡتَسۡلِمُوۡنَ ﴿۲۶﴾

037.026 Bal humu alyawma mustaslimoona

Maar nee, vandaag geven zij zich over.


وَ اَقۡبَلَ بَعۡضُہُمۡ عَلٰی بَعۡضٍ یَّتَسَآءَلُوۡنَ ﴿۲۷﴾

037.027 Waaqbala baAAduhum AAala baAAdin yatasaaloona

Zij komen op elkaar toe om elkaar te ondervragen.


قَالُوۡۤا اِنَّکُمۡ کُنۡتُمۡ تَاۡتُوۡنَنَا عَنِ الۡیَمِیۡنِ ﴿۲۸﴾

037.028 Qaloo innakum kuntum ta/toonana AAani alyameeni

Zij zeggen: "Jullie kwamen altijd van rechts op ons toe."


قَالُوۡا بَلۡ لَّمۡ تَکُوۡنُوۡا مُؤۡمِنِیۡنَ ﴿ۚ۲۹﴾

037.029 Qaloo bal lam takoonoo mu/mineena

Zij zeggen: "Welnee, wij waren geen gelovigen


وَ مَا کَانَ لَنَا عَلَیۡکُمۡ مِّنۡ سُلۡطٰنٍ ۚ بَلۡ کُنۡتُمۡ قَوۡمًا طٰغِیۡنَ ﴿۳۰﴾

037.030 Wama kana lana AAalaykum min sultanin bal kuntum qawman tagheena

en wij hadden geen macht over jullie, maar jullie waren onbeschaamde mensen.


فَحَقَّ عَلَیۡنَا قَوۡلُ رَبِّنَاۤ ٭ۖ اِنَّا لَذَآئِقُوۡنَ ﴿۳۱﴾

037.031 Fahaqqa AAalayna qawlu rabbina inna latha-iqoona

En dus is de uitspraak van onze Heer tegen ons bewaarheid. Wij zullen het proeven.


فَاَغۡوَیۡنٰکُمۡ اِنَّا کُنَّا غٰوِیۡنَ ﴿۳۲﴾

037.032 Faaghwaynakum inna kunna ghaweena

Wij hebben jullie misleid, maar wij waren zelf misleid."


فَاِنَّہُمۡ یَوۡمَئِذٍ فِی الۡعَذَابِ مُشۡتَرِکُوۡنَ ﴿۳۳﴾

037.033 Fa-innahum yawma-ithin fee alAAathabi mushtarikoona

Op die dag zijn zij dus deelgenoten in de bestraffing.


اِنَّا کَذٰلِکَ نَفۡعَلُ بِالۡمُجۡرِمِیۡنَ ﴿۳۴﴾

037.034 Inna kathalika nafAAalu bialmujrimeena

Zo doen Wij met de boosdoeners.


اِنَّہُمۡ کَانُوۡۤا اِذَا قِیۡلَ لَہُمۡ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا اللّٰہُ ۙ یَسۡتَکۡبِرُوۡنَ ﴿ۙ۳۵﴾

037.035 Innahum kanoo itha qeela lahum la ilaha illa Allahu yastakbiroona

Toen tot hen gezegd werd: "Er is geen god dan Allah" waren zij hoogmoedig


وَ یَقُوۡلُوۡنَ اَئِنَّا لَتَارِکُوۡۤا اٰلِہَتِنَا لِشَاعِرٍ مَّجۡنُوۡنٍ ﴿ؕ۳۶﴾

037.036 Wayaqooloona a-inna latarikoo alihatina lishaAAirin majnoonin

en zeiden: "Zullen wij onze goden voor een bezeten dichter verlaten?"


بَلۡ جَآءَ بِالۡحَقِّ وَ صَدَّقَ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۳۷﴾

037.037 Bal jaa bialhaqqi wasaddaqa almursaleena

Welnee, hij is met de waarheid gekomen en bevestigt de gezondenen.


اِنَّکُمۡ لَذَآئِقُوا الۡعَذَابِ الۡاَلِیۡمِ ﴿ۚ۳۸﴾

037.038 Innakum latha-iqoo alAAathabi al-aleemi

Maar jullie zullen de pijnlijke bestraffing proeven.


وَ مَا تُجۡزَوۡنَ اِلَّا مَا کُنۡتُمۡ تَعۡمَلُوۡنَ ﴿ۙ۳۹﴾

037.039 Wama tujzawna illa ma kuntum taAAmaloona

En aan jullie wordt slechts vergolden wat jullie gedaan hebben.


اِلَّا عِبَادَ اللّٰہِ الۡمُخۡلَصِیۡنَ ﴿۴۰﴾

037.040 Illa AAibada Allahi almukhlaseena

Maar [dat geldt] niet voor de toegewijde dienaren van Allah.


اُولٰٓئِکَ لَہُمۡ رِزۡقٌ مَّعۡلُوۡمٌ ﴿ۙ۴۱﴾

037.041 Ola-ika lahum rizqun maAAloomun

Zij zijn het voor wie er een vastgestelde voorziening is:


فَوَاکِہُ ۚ وَ ہُمۡ مُّکۡرَمُوۡنَ ﴿ۙ۴۲﴾

037.042 Fawakihu wahum mukramoona

Vruchten; en zij worden geerd


فِیۡ جَنّٰتِ النَّعِیۡمِ ﴿ۙ۴۳﴾

037.043 Fee jannati alnnaAAeemi

in de tuinen van de gelukzaligheid;


عَلٰی سُرُرٍ مُّتَقٰبِلِیۡنَ ﴿۴۴﴾

037.044 AAala sururin mutaqabileena

op rustbanken zitten zij tegenover elkaar,


یُطَافُ عَلَیۡہِمۡ بِکَاۡسٍ مِّنۡ مَّعِیۡنٍۭ ﴿ۙ۴۵﴾

037.045 Yutafu AAalayhim bika/sin min maAAeenin

terwijl een drinkbeker bij hen wordt rondgegeven [waarin een drank is] uit een bron,


بَیۡضَآءَ لَذَّۃٍ لِّلشّٰرِبِیۡنَ ﴿ۚۖ۴۶﴾

037.046 Baydaa laththatin lilshsharibeena

die helderwit is en aangenaam voor de drinkers,


لَا فِیۡہَا غَوۡلٌ وَّ لَا ہُمۡ عَنۡہَا یُنۡزَفُوۡنَ ﴿۴۷﴾

037.047 La feeha ghawlun wala hum AAanha yunzafoona

zonder iets schadelijks erin en waarvan zij niet beneveld raken.


وَ عِنۡدَہُمۡ قٰصِرٰتُ الطَّرۡفِ عِیۡنٌ ﴿ۙ۴۸﴾

037.048 WaAAindahum qasiratu alttarfi AAeenun

En bij hen zijn gezellinnen met afgewende blikken en met grote ogen,


کَاَنَّہُنَّ بَیۡضٌ مَّکۡنُوۡنٌ ﴿۴۹﴾

037.049 Kaannahunna baydun maknoonun

alsof zij goed bewaarde eieren zijn.


فَاَقۡبَلَ بَعۡضُہُمۡ عَلٰی بَعۡضٍ یَّتَسَآءَلُوۡنَ ﴿۵۰﴾

037.050 Faaqbala baAAduhum AAala baAAdin yatasaaloona

Zij komen op elkaar toe om elkaar te ondervragen.


قَالَ قَآئِلٌ مِّنۡہُمۡ اِنِّیۡ کَانَ لِیۡ قَرِیۡنٌ ﴿ۙ۵۱﴾

037.051 Qala qa-ilun minhum innee kana lee qareenun

Iemand uit hun midden zegt: "Ik had een kameraad,


یَّقُوۡلُ اَئِنَّکَ لَمِنَ الۡمُصَدِّقِیۡنَ ﴿۵۲﴾

037.052 Yaqoolu a-innaka lamina almusaddiqeena

die zei: 'Ben jij echt een van hen die denken dat het waar is?


ءَ اِذَا مِتۡنَا وَ کُنَّا تُرَابًا وَّ عِظَامًا ءَ اِنَّا لَمَدِیۡنُوۡنَ ﴿۵۳﴾

037.053 A-itha mitna wakunna turaban waAAithaman a-inna lamadeenoona

Wanneer wij gestorven zijn en stof en botten geworden, zullen wij dan geoordeeld worden??"


قَالَ ہَلۡ اَنۡتُمۡ مُّطَّلِعُوۡنَ ﴿۵۴﴾

037.054 Qala hal antum muttaliAAoona

Hij zegt: "Willen jullie naar beneden kijken?"


فَاطَّلَعَ فَرَاٰہُ فِیۡ سَوَآءِ الۡجَحِیۡمِ ﴿۵۵﴾

037.055 FaittalaAAa faraahu fee sawa-i aljaheemi

Dan kijkt hij naar beneden en ziet hem midden in het hellevuur.


قَالَ تَاللّٰہِ اِنۡ کِدۡتَّ لَتُرۡدِیۡنِ ﴿ۙ۵۶﴾

037.056 Qala taAllahi in kidta laturdeeni

Hij zegt: "Bij Allah, bijna had jij mij in het verderf gestort.


وَ لَوۡ لَا نِعۡمَۃُ رَبِّیۡ لَکُنۡتُ مِنَ الۡمُحۡضَرِیۡنَ ﴿۵۷﴾

037.057 Walawla niAAmatu rabbee lakuntu mina almuhdareena

Zonder Allah's genade zou ik een van hen geweest zijn die voorgeleid worden.


اَفَمَا نَحۡنُ بِمَیِّتِیۡنَ ﴿ۙ۵۸﴾

037.058 Afama nahnu bimayyiteena

Maar wij zijn toch niet dood?


اِلَّا مَوۡتَتَنَا الۡاُوۡلٰی وَ مَا نَحۡنُ بِمُعَذَّبِیۡنَ ﴿۵۹﴾

037.059 Illa mawtatana al-oola wama nahnu bimuAAaththabeena

Alleen onze eerste dood hebben we gehad. En wij worden toch ook niet gestraft?


اِنَّ ہٰذَا لَہُوَ الۡفَوۡزُ الۡعَظِیۡمُ ﴿۶۰﴾

037.060 Inna hatha lahuwa alfawzu alAAatheemu

Dit is de geweldige triomf!


لِمِثۡلِ ہٰذَا فَلۡیَعۡمَلِ الۡعٰمِلُوۡنَ ﴿۶۱﴾

037.061 Limithli hatha falyaAAmali alAAamiloona

Iets dergelijks, daar moet men naar toewerken."


اَذٰلِکَ خَیۡرٌ نُّزُلًا اَمۡ شَجَرَۃُ الزَّقُّوۡمِ ﴿۶۲﴾

037.062 Athalika khayrun nuzulan am shajaratu alzzaqqoomi

Is dat beter als gastverblijf of de zakkoemboom?


اِنَّا جَعَلۡنٰہَا فِتۡنَۃً لِّلظّٰلِمِیۡنَ ﴿۶۳﴾

037.063 Inna jaAAalnaha fitnatan lilththalimeena

Wij hebben die tot een verzoeking gemaakt voor de onrechtplegers.


اِنَّہَا شَجَرَۃٌ تَخۡرُجُ فِیۡۤ اَصۡلِ الۡجَحِیۡمِ ﴿ۙ۶۴﴾

037.064 Innaha shajaratun takhruju fee asli aljaheemi

Het is een boom die uit de oorsprong van het hellevuur tevoorschijn komt,


طَلۡعُہَا کَاَنَّہٗ رُءُوۡسُ الشَّیٰطِیۡنِ ﴿۶۵﴾

037.065 TalAAuha kaannahu ruoosu alshshayateeni

waarvan de knoppen zijn als satanskoppen.


فَاِنَّہُمۡ لَاٰکِلُوۡنَ مِنۡہَا فَمَالِـُٔوۡنَ مِنۡہَا الۡبُطُوۡنَ ﴿ؕ۶۶﴾

037.066 Fa-innahum laakiloona minha famali-oona minha albutoona

Daar eten zij van en vullen hun buiken ermee.


ثُمَّ اِنَّ لَہُمۡ عَلَیۡہَا لَشَوۡبًا مِّنۡ حَمِیۡمٍ ﴿ۚ۶۷﴾

037.067 Thumma inna lahum AAalayha lashawban min hameemin

Daaroverheen krijgen zij dan een mengsel van gloeiend water.


ثُمَّ اِنَّ مَرۡجِعَہُمۡ لَا۠ اِلَی الۡجَحِیۡمِ ﴿۶۸﴾

037.068 Thumma inna marjiAAahum la-ila aljaheemi

Hun terugkeer is dan naar het hellevuur.


اِنَّہُمۡ اَلۡفَوۡا اٰبَآءَہُمۡ ضَآلِّیۡنَ ﴿ۙ۶۹﴾

037.069 Innahum alfaw abaahum dalleena

Zij hebben hun vaderen in dwaling aangetroffen


فَہُمۡ عَلٰۤی اٰثٰرِہِمۡ یُہۡرَعُوۡنَ ﴿۷۰﴾

037.070 Fahum AAala atharihim yuhraAAoona

en zijn hen achterna gesneld.


وَ لَقَدۡ ضَلَّ قَبۡلَہُمۡ اَکۡثَرُ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿ۙ۷۱﴾

037.071 Walaqad dalla qablahum aktharu al-awwaleena

Voor hun tijd verkeerden de meesten van hen die er eertijds waren al in dwaling,


وَ لَقَدۡ اَرۡسَلۡنَا فِیۡہِمۡ مُّنۡذِرِیۡنَ ﴿۷۲﴾

037.072 Walaqad arsalna feehim munthireena

hoewel Wij in hun midden waarschuwers hadden gezonden.


فَانۡظُرۡ کَیۡفَ کَانَ عَاقِبَۃُ الۡمُنۡذَرِیۡنَ ﴿ۙ۷۳﴾

037.073 Faonthur kayfa kana AAaqibatu almunthareena

Kijk dan hoe het einde was van de gewaarschuwden!


اِلَّا عِبَادَ اللّٰہِ الۡمُخۡلَصِیۡنَ ﴿٪۷۴﴾

037.074 Illa AAibada Allahi almukhlaseena

Maar [dat geldt] niet voor de toegewijde dienaren van Allah.


وَ لَقَدۡ نَادٰىنَا نُوۡحٌ فَلَنِعۡمَ الۡمُجِیۡبُوۡنَ ﴿۫ۖ۷۵﴾

037.075 Walaqad nadana noohun falaniAAma almujeeboona

Noeh had tot Ons geroepen; een voortreffelijk verhoorder [zijn Wij].


وَ نَجَّیۡنٰہُ وَ اَہۡلَہٗ مِنَ الۡکَرۡبِ الۡعَظِیۡمِ ﴿۫ۖ۷۶﴾

037.076 Wanajjaynahu waahlahu mina alkarbi alAAatheemi

En Wij redden hem en zijn familie uit de geweldige benardheid


وَ جَعَلۡنَا ذُرِّیَّتَہٗ ہُمُ الۡبٰقِیۡنَ ﴿۫ۖ۷۷﴾

037.077 WajaAAalna thurriyyatahu humu albaqeena

en maakten dat het zijn nakomelingen waren die overbleven.


وَ تَرَکۡنَا عَلَیۡہِ فِی الۡاٰخِرِیۡنَ ﴿۫ۖ۷۸﴾

037.078 Watarakna AAalayhi fee al-akhireena

En Wij lieten voor hem een goede naam bij het nageslacht na.


سَلٰمٌ عَلٰی نُوۡحٍ فِی الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۷۹﴾

037.079 Salamun AAala noohin fee alAAalameena

Vrede zij met Noeh onder de wereldbewoners!


اِنَّا کَذٰلِکَ نَجۡزِی الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۸۰﴾

037.080 Inna kathalika najzee almuhsineena

Zo belonen Wij hen die goed doen.


اِنَّہٗ مِنۡ عِبَادِنَا الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۸۱﴾

037.081 Innahu min AAibadina almu/mineena

Hij behoort tot Onze gelovige dienaren.


ثُمَّ اَغۡرَقۡنَا الۡاٰخَرِیۡنَ ﴿۸۲﴾

037.082 Thumma aghraqna al-akhareena

Toen lieten Wij de anderen verdrinken. *


وَ اِنَّ مِنۡ شِیۡعَتِہٖ لَاِبۡرٰہِیۡمَ ﴿ۘ۸۳﴾

037.083 Wa-inna min sheeAAatihi la-ibraheema

Tot zijn groepering behoorde ook Ibrahiem.


اِذۡ جَآءَ رَبَّہٗ بِقَلۡبٍ سَلِیۡمٍ ﴿۸۴﴾

037.084 Ith jaa rabbahu biqalbin saleemin

Toen hij tot zijn Heer kwam met een zuiver hart.


اِذۡ قَالَ لِاَبِیۡہِ وَ قَوۡمِہٖ مَاذَا تَعۡبُدُوۡنَ ﴿ۚ۸۵﴾

037.085 Ith qala li-abeehi waqawmihi matha taAAbudoona

Toen hij tot zijn vader en zijn volk kwam en zei: "Wat dienen jullie toch?


اَئِفۡکًا اٰلِہَۃً دُوۡنَ اللّٰہِ تُرِیۡدُوۡنَ ﴿ؕ۸۶﴾

037.086 A-ifkan alihatan doona Allahi tureedoona

Wensen jullie iets lasterlijks: andere goden in plaats van Allah?


فَمَا ظَنُّکُمۡ بِرَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۸۷﴾

037.087 Fama thannukum birabbi alAAalameena

En wat is jullie mening over de Heer van de wereldbewoners?"


فَنَظَرَ نَظۡرَۃً فِی النُّجُوۡمِ ﴿ۙ۸۸﴾

037.088 Fanathara nathratan fee alnnujoomi

Toen keek hij opmerkzaam naar de sterren


فَقَالَ اِنِّیۡ سَقِیۡمٌ ﴿۸۹﴾

037.089 Faqala innee saqeemun

en zei: "Ik ben ziek."


فَتَوَلَّوۡا عَنۡہُ مُدۡبِرِیۡنَ ﴿۹۰﴾

037.090 Fatawallaw AAanhu mudbireena

Dus keerden zij hem de rug toe.


فَرَاغَ اِلٰۤی اٰلِہَتِہِمۡ فَقَالَ اَلَا تَاۡکُلُوۡنَ ﴿ۚ۹۱﴾

037.091 Faragha ila alihatihim faqala ala ta/kuloona

Toen wendde hij zich tersluiks tot hun goden en zei: "Eten jullie dan niet?


مَا لَکُمۡ لَا تَنۡطِقُوۡنَ ﴿۹۲﴾

037.092 Ma lakum la tantiqoona

Waarom spreken jullie niet?"


فَرَاغَ عَلَیۡہِمۡ ضَرۡبًۢا بِالۡیَمِیۡنِ ﴿۹۳﴾

037.093 Faragha AAalayhim darban bialyameeni

En hij begon ze met zijn rechterhand kapot te slaan.


فَاَقۡبَلُوۡۤا اِلَیۡہِ یَزِفُّوۡنَ ﴿۹۴﴾

037.094 Faaqbaloo ilayhi yaziffoona

Toen kwamen zij wel op hem toe rennen.


قَالَ اَتَعۡبُدُوۡنَ مَا تَنۡحِتُوۡنَ ﴿ۙ۹۵﴾

037.095 Qala ataAAbudoona ma tanhitoona

Hij zei: "Dienen jullie wat jullie zelf uitgehouwen hebben?


وَ اللّٰہُ خَلَقَکُمۡ وَ مَا تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۹۶﴾

037.096 WaAllahu khalaqakum wama taAAmaloona

Maar Allah heeft jullie en wat jullie maken geschapen."


قَالُوا ابۡنُوۡا لَہٗ بُنۡیَانًا فَاَلۡقُوۡہُ فِی الۡجَحِیۡمِ ﴿۹۷﴾

037.097 Qaloo ibnoo lahu bunyanan faalqoohu fee aljaheemi

Zij zeiden: "Trekt voor hem een gebouw op en werpt hem dan in het helse vuur."


فَاَرَادُوۡا بِہٖ کَیۡدًا فَجَعَلۡنٰہُمُ الۡاَسۡفَلِیۡنَ ﴿۹۸﴾

037.098 Faaradoo bihi kaydan fajaAAalnahumu al-asfaleena

Zij wilden tegen hem graag een list beramen, maar Wij maakten hen tot de onderliggenden.


وَ قَالَ اِنِّیۡ ذَاہِبٌ اِلٰی رَبِّیۡ سَیَہۡدِیۡنِ ﴿۹۹﴾

037.099 Waqala innee thahibun ila rabbee sayahdeeni

En hij zei: "Ik ga tot mijn Heer, Hij zal mij op het goede pad brengen.


رَبِّ ہَبۡ لِیۡ مِنَ الصّٰلِحِیۡنَ ﴿۱۰۰﴾

037.100 Rabbi hab lee mina alssaliheena

Mijn Heer, schenk mij iemand die rechtschapen is."


فَبَشَّرۡنٰہُ بِغُلٰمٍ حَلِیۡمٍ ﴿۱۰۱﴾

037.101 Fabashsharnahu bighulamin haleemin

Daarop verkondigden Wij hem het goede nieuws van een zachtmoedige jongen.


فَلَمَّا بَلَغَ مَعَہُ السَّعۡیَ قَالَ یٰبُنَیَّ اِنِّیۡۤ اَرٰی فِی الۡمَنَامِ اَنِّیۡۤ اَذۡبَحُکَ فَانۡظُرۡ مَاذَا تَرٰی ؕ قَالَ یٰۤاَبَتِ افۡعَلۡ مَا تُؤۡمَرُ ۫ سَتَجِدُنِیۡۤ اِنۡ شَآءَ اللّٰہُ مِنَ الصّٰبِرِیۡنَ ﴿۱۰۲﴾

037.102 Falamma balagha maAAahu alssaAAya qala ya bunayya innee ara fee almanami annee athbahuka faonthur matha tara qala ya abati ifAAal ma tu/maru satajidunee in shaa Allahu mina alssabireena

Toen die zover was dat hij met hem mee kon gaan zei hij: "Mijn zoon, ik heb in de slaap gezien dat ik je zal offeren. Zie eens wat jij ervan vindt." Hij zei: "Mijn vader, doe wat je bevolen is. Je zult merken dat ik, als Allah het wil, iemand ben die geduldig volhardt."


فَلَمَّاۤ اَسۡلَمَا وَ تَلَّہٗ لِلۡجَبِیۡنِ ﴿۱۰۳﴾ۚ

037.103 Falamma aslama watallahu liljabeeni

Toen zij zich beiden [aan Allah's wil] overgegeven hadden en hij hem op zijn voorhoofd had neergelegd,


وَ نَادَیۡنٰہُ اَنۡ یّٰۤاِبۡرٰہِیۡمُ ﴿۱۰۴﴾ۙ

037.104 Wanadaynahu an ya ibraheemu

riepen Wij hem: "Ibrahiem!


قَدۡ صَدَّقۡتَ الرُّءۡیَا ۚ اِنَّا کَذٰلِکَ نَجۡزِی الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۱۰۵﴾

037.105 Qad saddaqta alrru/ya inna kathalika najzee almuhsineena

Jij hebt de droom doen uitkomen. Zo belonen Wij hen die goed doen.


اِنَّ ہٰذَا لَہُوَ الۡبَلٰٓـؤُا الۡمُبِیۡنُ ﴿۱۰۶﴾

037.106 Inna hatha lahuwa albalao almubeenu

Dit was duidelijk een beproeving."


وَ فَدَیۡنٰہُ بِذِبۡحٍ عَظِیۡمٍ ﴿۱۰۷﴾

037.107 Wafadaynahu bithibhin AAatheemin

En Wij gaven voor hem een geweldig offer in de plaats.


وَ تَرَکۡنَا عَلَیۡہِ فِی الۡاٰخِرِیۡنَ ﴿۱۰۸﴾ۖ

037.108 Watarakna AAalayhi fee al-akhireena

En Wij lieten voor hem een goede naam bij het nageslacht na.


سَلٰمٌ عَلٰۤی اِبۡرٰہِیۡمَ ﴿۱۰۹﴾

037.109 Salamun AAala ibraheema

Vrede zij met Ibrahiem!


کَذٰلِکَ نَجۡزِی الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۱۱۰﴾

037.110 Kathalika najzee almuhsineena

Zo belonen Wij hen die goed doen.


اِنَّہٗ مِنۡ عِبَادِنَا الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۱۱﴾

037.111 Innahu min AAibadina almu/mineena

Hij behoort tot Onze gelovige dienaren.


وَ بَشَّرۡنٰہُ بِاِسۡحٰقَ نَبِیًّا مِّنَ الصّٰلِحِیۡنَ ﴿۱۱۲﴾

037.112 Wabashsharnahu bi-ishaqa nabiyyan mina alssaliheena

En Wij verkondigden hem het goede nieuws van Ishaak die een profeet uit het midden van de rechtschapenen zou zijn.


وَ بٰرَکۡنَا عَلَیۡہِ وَ عَلٰۤی اِسۡحٰقَ ؕ وَ مِنۡ ذُرِّیَّتِہِمَا مُحۡسِنٌ وَّ ظَالِمٌ لِّنَفۡسِہٖ مُبِیۡنٌ ﴿۱۱۳﴾٪

037.113 Wabarakna AAalayhi waAAala ishaqa wamin thurriyyatihima muhsinun wathalimun linafsihi mubeenun

Wij zegenden hem en Ishaak. En onder hun nageslacht zijn er die goed doen en die zich duidelijk onrecht aandoen.


وَ لَقَدۡ مَنَنَّا عَلٰی مُوۡسٰی وَ ہٰرُوۡنَ ﴿۱۱۴﴾ۚ

037.114 Walaqad mananna AAala moosa waharoona

Wij hebben aan Moesa en Haroen een gunst bewezen.


وَ نَجَّیۡنٰہُمَا وَ قَوۡمَہُمَا مِنَ الۡکَرۡبِ الۡعَظِیۡمِ ﴿۱۱۵﴾ۚ

037.115 Wanajjaynahuma waqawmahuma mina alkarbi alAAatheemi

En Wij redden hen beiden en hun volk uit de geweldige benardheid.


وَ نَصَرۡنٰہُمۡ فَکَانُوۡا ہُمُ الۡغٰلِبِیۡنَ ﴿۱۱۶﴾ۚ

037.116 Wanasarnahum fakanoo humu alghalibeena

Wij hielpen hen en dus waren zij de overwinnaars.


وَ اٰتَیۡنٰہُمَا الۡکِتٰبَ الۡمُسۡتَبِیۡنَ ﴿۱۱۷﴾ۚ

037.117 Waataynahuma alkitaba almustabeena

En Wij gaven hun beiden het overduidelijke boek


وَ ہَدَیۡنٰہُمَا الصِّرَاطَ الۡمُسۡتَقِیۡمَ ﴿۱۱۸﴾ۚ

037.118 Wahadaynahuma alssirata almustaqeema

en leidden hen op de juiste weg.


وَ تَرَکۡنَا عَلَیۡہِمَا فِی الۡاٰخِرِیۡنَ ﴿۱۱۹﴾ۙ

037.119 Watarakna AAalayhima fee al-akhireena

En Wij lieten voor hen een goede naam bij het nageslacht na.


سَلٰمٌ عَلٰی مُوۡسٰی وَ ہٰرُوۡنَ ﴿۱۲۰﴾

037.120 Salamun AAala moosa waharoona

Vrede zij met Moesa en Haroen!


اِنَّا کَذٰلِکَ نَجۡزِی الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۱۲۱﴾

037.121 Inna kathalika najzee almuhsineena

Zo belonen Wij hen die goed doen.


اِنَّہُمَا مِنۡ عِبَادِنَا الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۲۲﴾

037.122 Innahuma min AAibadina almu/mineena

Zij behoren tot Onze gelovige dienaren.


وَ اِنَّ اِلۡیَاسَ لَمِنَ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۱۲۳﴾ؕ

037.123 Wa-inna ilyasa lamina almursaleena

Ook Iljaas behoorde tot de gezondenen.


اِذۡ قَالَ لِقَوۡمِہٖۤ اَلَا تَتَّقُوۡنَ ﴿۱۲۴﴾

037.124 Ith qala liqawmihi ala tattaqoona

Toen hij tot zijn volk zei: "Zullen jullie niet godvrezend worden?


اَتَدۡعُوۡنَ بَعۡلًا وَّ تَذَرُوۡنَ اَحۡسَنَ الۡخَالِقِیۡنَ ﴿۱۲۵﴾ۙ

037.125 AtadAAoona baAAlan watatharoona ahsana alkhaliqeena

Roepen jullie Bal aan en verlaten jullie de beste van de scheppers,


اللّٰہَ رَبَّکُمۡ وَ رَبَّ اٰبَآئِکُمُ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿۱۲۶﴾

037.126 Allaha rabbakum warabba aba-ikumu al-awwaleena

Allah, jullie Heer en de Heer van jullie vaderen die er eertijds waren?"


فَکَذَّبُوۡہُ فَاِنَّہُمۡ لَمُحۡضَرُوۡنَ ﴿۱۲۷﴾ۙ

037.127 Fakaththaboohu fa-innahum lamuhdaroona

Maar zij betichtten hem van leugens en dus worden zij zeker voorgeleid.


اِلَّا عِبَادَ اللّٰہِ الۡمُخۡلَصِیۡنَ ﴿۱۲۸﴾

037.128 Illa AAibada Allahi almukhlaseena

Maar [dat geldt] niet voor de toegewijde dienaren van Allah.


وَ تَرَکۡنَا عَلَیۡہِ فِی الۡاٰخِرِیۡنَ ﴿۱۲۹﴾ۙ

037.129 Watarakna AAalayhi fee al-akhireena

En Wij lieten voor hem een goede naam bij het nageslacht na.


سَلٰمٌ عَلٰۤی اِلۡ یَاسِیۡنَ ﴿۱۳۰﴾

037.130 Salamun AAala il yaseena

Vrede zij met Il-jasien!


اِنَّا کَذٰلِکَ نَجۡزِی الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۱۳۱﴾

037.131 Inna kathalika najzee almuhsineena

Zo belonen Wij hen die goed doen.


اِنَّہٗ مِنۡ عِبَادِنَا الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۳۲﴾

037.132 Innahu min AAibadina almu/mineena

Hij behoort tot Onze gelovige dienaren.


وَ اِنَّ لُوۡطًا لَّمِنَ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۱۳۳﴾ؕ

037.133 Wa-inna lootan lamina almursaleena

Ook Loet behoorde tot de gezondenen.


اِذۡ نَجَّیۡنٰہُ وَ اَہۡلَہٗۤ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿۱۳۴﴾ۙ

037.134 Ith najjaynahu waahlahu ajmaAAeena

Toen Wij hem en zijn familie allen tezamen redden,


اِلَّا عَجُوۡزًا فِی الۡغٰبِرِیۡنَ ﴿۱۳۵﴾

037.135 Illa AAajoozan fee alghabireena

behalve een oude vrouw [die] bij de achterblijvers [bleef].


ثُمَّ دَمَّرۡنَا الۡاٰخَرِیۡنَ ﴿۱۳۶﴾

037.136 Thumma dammarna al-akhareena

Toen vernietigden Wij de anderen.


وَ اِنَّکُمۡ لَتَمُرُّوۡنَ عَلَیۡہِمۡ مُّصۡبِحِیۡنَ ﴿۱۳۷﴾

037.137 Wa-innakum latamurroona AAalayhim musbiheena

Jullie komen er immers nog voorbij, 's morgens


وَ بِالَّیۡلِ ؕ اَفَلَا تَعۡقِلُوۡنَ ﴿۱۳۸﴾٪

037.138 Wabiallayli afala taAAqiloona

en 's nachts. Hebben jullie dan geen verstand?


وَ اِنَّ یُوۡنُسَ لَمِنَ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۱۳۹﴾ؕ

037.139 Wa-inna yoonusa lamina almursaleena

Ook Joenoes behoorde tot de gezondenen.


اِذۡ اَبَقَ اِلَی الۡفُلۡکِ الۡمَشۡحُوۡنِ ﴿۱۴۰﴾ۙ

037.140 Ith abaqa ila alfulki almashhooni

Toen hij naar het volbeladen schip wegliep


فَسَاہَمَ فَکَانَ مِنَ الۡمُدۡحَضِیۡنَ ﴿۱۴۱﴾ۚ

037.141 Fasahama fakana mina almudhadeena

en het lot wierp; maar hij was een van de verliezers.


فَالۡتَقَمَہُ الۡحُوۡتُ وَ ہُوَ مُلِیۡمٌ ﴿۱۴۲﴾

037.142 Failtaqamahu alhootu wahuwa muleemun

Toen slokte de vis hem op, laakbaar als hij was.


فَلَوۡ لَاۤ اَنَّہٗ کَانَ مِنَ الۡمُسَبِّحِیۡنَ ﴿۱۴۳﴾ۙ

037.143 Falawla annahu kana mina almusabbiheena

En als hij niet tot hen die lofprijzen behoord had,


لَلَبِثَ فِیۡ بَطۡنِہٖۤ اِلٰی یَوۡمِ یُبۡعَثُوۡنَ ﴿۱۴۴﴾ۚؒ

037.144 Lalabitha fee batnihi ila yawmi yubAAathoona

dan was hij in zijn buik gebleven tot de dag waarop men wordt opgewekt. *


فَنَبَذۡنٰہُ بِالۡعَرَآءِ وَ ہُوَ سَقِیۡمٌ ﴿۱۴۵﴾ۚ

037.145 Fanabathnahu bialAAara-i wahuwa saqeemun

Wij wierpen hem toen, ziek als hij was, op een onbegroeide plaats.


وَ اَنۡۢبَتۡنَا عَلَیۡہِ شَجَرَۃً مِّنۡ یَّقۡطِیۡنٍ ﴿۱۴۶﴾ۚ

037.146 Waanbatna AAalayhi shajaratan min yaqteenin

En Wij lieten boven hem een pompoenplant groeien.


وَ اَرۡسَلۡنٰہُ اِلٰی مِائَۃِ اَلۡفٍ اَوۡ یَزِیۡدُوۡنَ ﴿۱۴۷﴾ۚ

037.147 Waarsalnahu ila mi-ati alfin aw yazeedoona

En Wij zonden hem naar honderdduizend [mensen] -- of het waren er nog meer --


فَاٰمَنُوۡا فَمَتَّعۡنٰہُمۡ اِلٰی حِیۡنٍ ﴿۱۴۸﴾ؕ

037.148 Faamanoo famattaAAnahum ila heenin

die toen geloofden. Hen lieten Wij toen nog een tijd genieten.


فَاسۡتَفۡتِہِمۡ اَلِرَبِّکَ الۡبَنَاتُ وَ لَہُمُ الۡبَنُوۡنَ ﴿۱۴۹﴾ۙ

037.149 Faistaftihim alirabbika albanatu walahumu albanoona

Vraag hun dan om uitsluitsel of jouw Heer de dochters heeft en zij de zonen.


اَمۡ خَلَقۡنَا الۡمَلٰٓئِکَۃَ اِنَاثًا وَّ ہُمۡ شٰہِدُوۡنَ ﴿۱۵۰﴾

037.150 Am khalaqna almala-ikata inathan wahum shahidoona

Of hebben Wij de engelen als vrouwelijke wezens geschapen terwijl zij er getuige van waren?


اَلَاۤ اِنَّہُمۡ مِّنۡ اِفۡکِہِمۡ لَیَقُوۡلُوۡنَ ﴿۱۵۱﴾ۙ

037.151 Ala innahum min ifkihim layaqooloona

Met hun lasterlijke leugen zeggen zij immers:


وَلَدَ اللّٰہُ ۙ وَ اِنَّہُمۡ لَکٰذِبُوۡنَ ﴿۱۵۲﴾

037.152 Walada Allahu wa-innahum lakathiboona

"Allah heeft kinderen verwekt." Leugenaars zijn zij!


اَصۡطَفَی الۡبَنَاتِ عَلَی الۡبَنِیۡنَ ﴿۱۵۳﴾ؕ

037.153 Astafa albanati AAala albaneena

Heeft Hij de dochters boven de zonen verkozen?


مَا لَکُمۡ ۟ کَیۡفَ تَحۡکُمُوۡنَ ﴿۱۵۴﴾

037.154 Ma lakum kayfa tahkumoona

Wat is er met jullie? Hoe kunnen jullie oordelen?


اَفَلَا تَذَکَّرُوۡنَ ﴿۱۵۵﴾ۚ

037.155 Afala tathakkaroona

Laten jullie je dan niet vermanen?


اَمۡ لَکُمۡ سُلۡطٰنٌ مُّبِیۡنٌ ﴿۱۵۶﴾ۙ

037.156 Am lakum sultanun mubeenun

Of hebben jullie een duidelijke machtiging?


فَاۡتُوۡا بِکِتٰبِکُمۡ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۱۵۷﴾

037.157 Fa/too bikitabikum in kuntum sadiqeena

Brengt dan jullie boek als jullie gelijk hebben.


وَ جَعَلُوۡا بَیۡنَہٗ وَ بَیۡنَ الۡجِنَّۃِ نَسَبًا ؕ وَ لَقَدۡ عَلِمَتِ الۡجِنَّۃُ اِنَّہُمۡ لَمُحۡضَرُوۡنَ ﴿۱۵۸﴾ۙ

037.158 WajaAAaloo baynahu wabayna aljinnati nasaban walaqad AAalimati aljinnatu innahum lamuhdaroona

En zij hebben verwantschap tussen Hem en de djinn gefabriceerd, maar de djinn weten dat zij zullen worden voorgeleid --


سُبۡحٰنَ اللّٰہِ عَمَّا یَصِفُوۡنَ ﴿۱۵۹﴾ۙ

037.159 Subhana Allahi AAamma yasifoona

Allah zij geprezen, verheven als Hij is boven wat zij toeschrijven --


اِلَّا عِبَادَ اللّٰہِ الۡمُخۡلَصِیۡنَ ﴿۱۶۰﴾

037.160 Illa AAibada Allahi almukhlaseena

alleen niet de toegewijde dienaren van Allah.


فَاِنَّکُمۡ وَ مَا تَعۡبُدُوۡنَ ﴿۱۶۱﴾ۙ

037.161 Fa-innakum wama taAAbudoona

"En jullie dan, en wat jullie dienen?


مَاۤ اَنۡتُمۡ عَلَیۡہِ بِفٰتِنِیۡنَ ﴿۱۶۲﴾ۙ

037.162 Ma antum AAalayhi bifatineena

Jullie kunnen niemand tegen Hem ophitsen,


اِلَّا مَنۡ ہُوَ صَالِ الۡجَحِیۡمِ ﴿۱۶۳﴾

037.163 Illa man huwa sali aljaheemi

behalve dan wie er braadt in het hellevuur.


وَ مَا مِنَّاۤ اِلَّا لَہٗ مَقَامٌ مَّعۡلُوۡمٌ ﴿۱۶۴﴾ۙ

037.164 Wama minna illa lahu maqamun maAAloomun

Er is niemand van ons of hij heeft een vastgestelde positie.


وَّ اِنَّا لَنَحۡنُ الصَّآفُّوۡنَ ﴿۱۶۵﴾ۚ

037.165 Wa-inna lanahnu alssaffoona

Maar wij, wij zijn het die zich in rijen opstellen


وَ اِنَّا لَنَحۡنُ الۡمُسَبِّحُوۡنَ ﴿۱۶۶﴾

037.166 Wa-inna lanahnu almusabbihoona

en wij, wij zijn het die lofprijzen."


وَ اِنۡ کَانُوۡا لَیَقُوۡلُوۡنَ ﴿۱۶۷﴾ۙ

037.167 Wa-in kanoo layaqooloona

Zij zeiden steeds:


لَوۡ اَنَّ عِنۡدَنَا ذِکۡرًا مِّنَ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿۱۶۸﴾ۙ

037.168 Law anna AAindana thikran mina al-awwaleena

"Als wij maar een vermaning hadden als van hen die er eertijds waren,


لَکُنَّا عِبَادَ اللّٰہِ الۡمُخۡلَصِیۡنَ ﴿۱۶۹﴾

037.169 Lakunna AAibada Allahi almukhlaseena

dan zouden wij Allah's toegewijde dienaren zijn."


فَکَفَرُوۡا بِہٖ فَسَوۡفَ یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۱۷۰﴾

037.170 Fakafaroo bihi fasawfa yaAAlamoona

Toch hechtten zij er geen geloof aan, maar zij zullen het weten.


وَ لَقَدۡ سَبَقَتۡ کَلِمَتُنَا لِعِبَادِنَا الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۱۷۱﴾ۚۖ

037.171 Walaqad sabaqat kalimatuna liAAibadina almursaleena

Ons woord was al eerder tot Onze dienaren, de gezondenen, gekomen.


اِنَّہُمۡ لَہُمُ الۡمَنۡصُوۡرُوۡنَ ﴿۱۷۲﴾۪

037.172 Innahum lahumu almansooroona

Zij waren het aan wie hulp werd verleend.


وَ اِنَّ جُنۡدَنَا لَہُمُ الۡغٰلِبُوۡنَ ﴿۱۷۳﴾

037.173 Wa-inna jundana lahumu alghaliboona

En Onze troepenmacht, zij zijn de overwinnaars.


فَتَوَلَّ عَنۡہُمۡ حَتّٰی حِیۡنٍ ﴿۱۷۴﴾ۙ

037.174 Fatawalla AAanhum hatta heenin

Keer je dus tijdelijk van hen af.


وَّ اَبۡصِرۡہُمۡ فَسَوۡفَ یُبۡصِرُوۡنَ ﴿۱۷۵﴾

037.175 Waabsirhum fasawfa yubsiroona

En kijk naar hen, zij zullen naar jou kijken.


اَفَبِعَذَابِنَا یَسۡتَعۡجِلُوۡنَ ﴿۱۷۶﴾

037.176 AfabiAAathabina yastaAAjiloona

Willen zij dan Onze bestraffing verhaasten?


فَاِذَا نَزَلَ بِسَاحَتِہِمۡ فَسَآءَ صَبَاحُ الۡمُنۡذَرِیۡنَ ﴿۱۷۷﴾

037.177 Fa-itha nazala bisahatihim fasaa sabahu almunthareena

En wanneer die in hun gebied neerkomt zal dat een slechte morgen voor de gewaarschuwden zijn.


وَ تَوَلَّ عَنۡہُمۡ حَتّٰی حِیۡنٍ ﴿۱۷۸﴾ۙ

037.178 Watawalla AAanhum hatta heenin

Keer je tijdelijk van hen af.


وَّ اَبۡصِرۡ فَسَوۡفَ یُبۡصِرُوۡنَ ﴿۱۷۹﴾

037.179 Waabsir fasawfa yubsiroona

En kijk, zij zullen naar jou kijken.


سُبۡحٰنَ رَبِّکَ رَبِّ الۡعِزَّۃِ عَمَّا یَصِفُوۡنَ ﴿۱۸۰﴾ۚ

037.180 Subhana rabbika rabbi alAAizzati AAamma yasifoona

Geprezen zij jouw Heer, de Heer van de macht, verheven als Hij is boven wat zij toeschrijven.


وَ سَلٰمٌ عَلَی الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۱۸۱﴾ۚ

037.181 Wasalamun AAala almursaleena

En vrede zij met de gezondenen.


وَ الۡحَمۡدُ لِلّٰہِ رَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۱۸۲﴾٪

037.182 Waalhamdu lillahi rabbi alAAalameena

En lof zij Allah, de Heer van de wereldbewoners.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

صٓ وَ الۡقُرۡاٰنِ ذِی الذِّکۡرِ ؕ﴿۱﴾

038.001 Sad waalqur-ani thee alththikri

S[aad]. Bij de Koran met de vermaning!


بَلِ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا فِیۡ عِزَّۃٍ وَّ شِقَاقٍ ﴿۲﴾

038.002 Bali allatheena kafaroo fee AAizzatin washiqaqin

Jazeker, zij die ongelovig zijn zijn hoogmoedig en zij zijn het oneens.


کَمۡ اَہۡلَکۡنَا مِنۡ قَبۡلِہِمۡ مِّنۡ قَرۡنٍ فَنَادَوۡا وَّ لَاتَ حِیۡنَ مَنَاصٍ ﴿۳﴾

038.003 Kam ahlakna min qablihim min qarnin fanadaw walata heena manasin

Hoeveel generaties hebben Wij reeds vr hun tijd vernietigd. Zij riepen dan, maar er was geen tijd meer om te ontkomen.


وَ عَجِبُوۡۤا اَنۡ جَآءَہُمۡ مُّنۡذِرٌ مِّنۡہُمۡ ۫ وَ قَالَ الۡکٰفِرُوۡنَ ہٰذَا سٰحِرٌ کَذَّابٌ ۖ﴿ۚ۴﴾

038.004 WaAAajiboo an jaahum munthirun minhum waqala alkafiroona hatha sahirun kaththabun

Zij verbazen zich dat er tot hen een waarschuwer uit hun midden gekomen is. De ongelovigen zeggen: "Dit is een leugenachtige tovenaar.


اَجَعَلَ الۡاٰلِہَۃَ اِلٰـہًا وَّاحِدًا ۚۖ اِنَّ ہٰذَا لَشَیۡءٌ عُجَابٌ ﴿۵﴾

038.005 AjaAAala al-alihata ilahan wahidan inna hatha lashay-on AAujabun

Wil hij de goden dan tot n god maken? Dit is wel iets wonderlijks."


وَ انۡطَلَقَ الۡمَلَاُ مِنۡہُمۡ اَنِ امۡشُوۡا وَ اصۡبِرُوۡا عَلٰۤی اٰلِہَتِکُمۡ ۚۖ اِنَّ ہٰذَا لَشَیۡءٌ یُّرَادُ ۖ﴿ۚ۶﴾

038.006 Waintalaqa almalao minhum ani imshoo waisbiroo AAala alihatikum inna hatha lashay-on yuradu

En de voornaamsten onder hen gaan verder: "Gaat voort en houdt vast aan jullie goden; dat is iets wat gewenst moet worden.


مَا سَمِعۡنَا بِہٰذَا فِی الۡمِلَّۃِ الۡاٰخِرَۃِ ۚۖ اِنۡ ہٰذَاۤ اِلَّا اخۡتِلَاقٌ ۖ﴿ۚ۷﴾

038.007 Ma samiAAna bihatha fee almillati al-akhirati in hatha illa ikhtilaqun

Wij hebben dit in het laatste geloof niet eens gehoord; dit is slechts een uitvindsel.


ءَ اُنۡزِلَ عَلَیۡہِ الذِّکۡرُ مِنۡۢ بَیۡنِنَا ؕ بَلۡ ہُمۡ فِیۡ شَکٍّ مِّنۡ ذِکۡرِیۡ ۚ بَلۡ لَّمَّا یَذُوۡقُوۡا عَذَابِ ؕ﴿۸﴾

038.008 Aonzila AAalayhi alththikru min baynina bal hum fee shakkin min thikree bal lamma yathooqoo AAathabi

Is uit ons midden tot hem de vermaning neergezonden?" Welnee, zij verkeren in twijfel over Mijn vermaning. Nee, zij hebben Mijn bestraffing nog niet geproefd.


اَمۡ عِنۡدَہُمۡ خَزَآئِنُ رَحۡمَۃِ رَبِّکَ الۡعَزِیۡزِ الۡوَہَّابِ ۚ﴿۹﴾

038.009 Am AAindahum khaza-inu rahmati rabbika alAAazeezi alwahhabi

Of zijn bij hen de schatkamers van de barmhartigheid van jouw Heer, de machtige, de vrijgevige?


اَمۡ لَہُمۡ مُّلۡکُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ وَ مَا بَیۡنَہُمَا ۟ فَلۡیَرۡتَقُوۡا فِی الۡاَسۡبَابِ ﴿۱۰﴾

038.010 Am lahum mulku alssamawati waal-ardi wama baynahuma falyartaqoo fee al-asbabi

Of hebben zij de heerschappij over de hemelen en de aarde en wat tussen beide is? Laten zij dan maar op de ladders omhoogklimmen.


جُنۡدٌ مَّا ہُنَالِکَ مَہۡزُوۡمٌ مِّنَ الۡاَحۡزَابِ ﴿۱۱﴾

038.011 Jundun ma hunalika mahzoomun mina al-ahzabi

Een troepenmacht van de partijen is het die daar verslagen is.


کَذَّبَتۡ قَبۡلَہُمۡ قَوۡمُ نُوۡحٍ وَّ عَادٌ وَّ فِرۡعَوۡنُ ذُو الۡاَوۡتَادِ ﴿ۙ۱۲﴾

038.012 Kaththabat qablahum qawmu noohin waAAadun wafirAAawnu thoo al-awtadi

Voor hun tijd had het volk van Noeh van leugens beticht en ook de 'Aad en Fir'aun van de tentpinnen,


وَ ثَمُوۡدُ وَ قَوۡمُ لُوۡطٍ وَّ اَصۡحٰبُ لۡـَٔیۡکَۃِ ؕ اُولٰٓئِکَ الۡاَحۡزَابُ ﴿۱۳﴾

038.013 Wathamoodu waqawmu lootin waas-habu al-aykati ola-ika al-ahzabu

en de Thamoed en het volk van Loet en de mensen van het kreupelbos; dat waren de partijen.


اِنۡ کُلٌّ اِلَّا کَذَّبَ الرُّسُلَ فَحَقَّ عِقَابِ ﴿٪۱۴﴾

038.014 In kullun illa kaththaba alrrusula fahaqqa AAiqabi

Zij allen hebben niet anders gedaan dan de gezanten van leugens betichten en dus is de afstraffing bewaarheid.


وَ مَا یَنۡظُرُ ہٰۤؤُلَآءِ اِلَّا صَیۡحَۃً وَّاحِدَۃً مَّا لَہَا مِنۡ فَوَاقٍ ﴿۱۵﴾

038.015 Wama yanthuru haola-i illa sayhatan wahidatan ma laha min fawaqin

Dezen hebben niets anders te verwachten dan n schreeuw die geen onderbreking heeft.


وَ قَالُوۡا رَبَّنَا عَجِّلۡ لَّنَا قِطَّنَا قَبۡلَ یَوۡمِ الۡحِسَابِ ﴿۱۶﴾

038.016 Waqaloo rabbana AAajjil lana qittana qabla yawmi alhisabi

En zij zeggen: "Onze Heer, geef ons snel ons aandeel, nog voor de dag van de afrekening."


اِصۡبِرۡ عَلٰی مَا یَقُوۡلُوۡنَ وَ اذۡکُرۡ عَبۡدَنَا دَاوٗدَ ذَا الۡاَیۡدِ ۚ اِنَّہٗۤ اَوَّابٌ ﴿۱۷﴾

038.017 Isbir AAala ma yaqooloona waothkur AAabdana dawooda tha al-aydi innahu awwabun

Verdraag wat zij zeggen geduldig en denk aan Onze dienaar Dawoed, de solide; hij was schuldbewust.


اِنَّا سَخَّرۡنَا الۡجِبَالَ مَعَہٗ یُسَبِّحۡنَ بِالۡعَشِیِّ وَ الۡاِشۡرَاقِ ﴿ۙ۱۸﴾

038.018 Inna sakhkharna aljibala maAAahu yusabbihna bialAAashiyyi waal-ishraqi

Wij maakten de bergen samen met hem dienstbaar, zodat zij Ons in de avond en bij zonsopgang prijzen,


وَ الطَّیۡرَ مَحۡشُوۡرَۃً ؕ کُلٌّ لَّہٗۤ اَوَّابٌ ﴿۱۹﴾

038.019 Waalttayra mahshooratan kullun lahu awwabun

en ook de verzamelde vogels; alles wendde zich schuldbewust tot Hem.


وَ شَدَدۡنَا مُلۡکَہٗ وَ اٰتَیۡنٰہُ الۡحِکۡمَۃَ وَ فَصۡلَ الۡخِطَابِ ﴿۲۰﴾

038.020 Washadadna mulkahu waataynahu alhikmata wafasla alkhitabi

En Wij versterkten zijn heerschappij en gaven hem wijsheid en onderscheidingsvermogen.


وَ ہَلۡ اَتٰىکَ نَبَؤُا الۡخَصۡمِ ۘ اِذۡ تَسَوَّرُوا الۡمِحۡرَابَ ﴿ۙ۲۱﴾

038.021 Wahal ataka nabao alkhasmi ith tasawwaroo almihraba

Is het bericht over het getwist tot jou gekomen toen zij over de muren van het paleisgebouw klommen?


اِذۡ دَخَلُوۡا عَلٰی دَاوٗدَ فَفَزِعَ مِنۡہُمۡ قَالُوۡا لَا تَخَفۡ ۚ خَصۡمٰنِ بَغٰی بَعۡضُنَا عَلٰی بَعۡضٍ فَاحۡکُمۡ بَیۡنَنَا بِالۡحَقِّ وَ لَا تُشۡطِطۡ وَ اہۡدِنَاۤ اِلٰی سَوَآءِ الصِّرَاطِ ﴿۲۲﴾

038.022 Ith dakhaloo AAala dawooda fafaziAAa minhum qaloo la takhaf khasmani bagha baAAduna AAala baAAdin faohkum baynana bialhaqqi wala tushtit waihdina ila sawa-i alssirati

Toen zij bij Dawoed binnenkwamen en hij van hen schrok, maar zij zeiden: "Wees niet bang. Wij zijn twee tegenstanders, een van ons heeft de ander onrechtvaardig behandeld. Oordeel dus naar waarheid tussen ons en wijk er niet van af en leid ons naar de correcte uitweg.


اِنَّ ہٰذَاۤ اَخِیۡ ۟ لَہٗ تِسۡعٌ وَّ تِسۡعُوۡنَ نَعۡجَۃً وَّ لِیَ نَعۡجَۃٌ وَّاحِدَۃٌ ۟ فَقَالَ اَکۡفِلۡنِیۡہَا وَ عَزَّنِیۡ فِی الۡخِطَابِ ﴿۲۳﴾

038.023 Inna hatha akhee lahu tisAAun watisAAoona naAAjatan waliya naAAjatun wahidatun faqala akfilneeha waAAazzanee fee alkhitabi

Dit is mijn broer, hij heeft negenennegentig schapen en ik heb maar n schaap en hij zei: 'Laat mij ervoor zorgen.? En hij heeft mij overreed."


قَالَ لَقَدۡ ظَلَمَکَ بِسُؤَالِ نَعۡجَتِکَ اِلٰی نِعَاجِہٖ ؕ وَ اِنَّ کَثِیۡرًا مِّنَ الۡخُلَطَآءِ لَیَبۡغِیۡ بَعۡضُہُمۡ عَلٰی بَعۡضٍ اِلَّا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ وَ قَلِیۡلٌ مَّا ہُمۡ ؕ وَ ظَنَّ دَاوٗدُ اَنَّمَا فَتَنّٰہُ فَاسۡتَغۡفَرَ رَبَّہٗ وَ خَرَّ رَاکِعًا وَّ اَنَابَ ﴿ٛ۲۴﴾

038.024 Qala laqad thalamaka bisu-ali naAAjatika ila niAAajihi wa-inna katheeran mina alkhulata-i layabghee baAAduhum AAala baAAdin illa allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati waqaleelun ma hum wathanna dawoodu annama fatannahu faistaghfara rabbahu wakharra rakiAAan waanaba

En hij zei: "Hij heeft jou onrecht aangedaan door jouw schaap nog bij zijn schapen te vragen. Velen van hen die gemeenschappelijk eigendom hebben behandelen elkaar onrechtmatig. Alleen niet zij die geloven en de deugdelijke daden doen, maar met hoe weinigen zijn zij!" En Dawoed vermoedde wel dat Wij hem in verzoeking gebracht hadden en hij vroeg zijn Heer om vergeving, viel buigend neer en betoonde zich schuldbewust. --


فَغَفَرۡنَا لَہٗ ذٰلِکَ ؕ وَ اِنَّ لَہٗ عِنۡدَنَا لَزُلۡفٰی وَ حُسۡنَ مَاٰبٍ ﴿۲۵﴾

038.025 Faghafarna lahu thalika wa-inna lahu AAindana lazulfa wahusna maabin

En Wij vergaven hem dat; hij staat Ons na en heeft een goede terugkomst.


یٰدَاوٗدُ اِنَّا جَعَلۡنٰکَ خَلِیۡفَۃً فِی الۡاَرۡضِ فَاحۡکُمۡ بَیۡنَ النَّاسِ بِالۡحَقِّ وَ لَا تَتَّبِعِ الۡہَوٰی فَیُضِلَّکَ عَنۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ ؕ اِنَّ الَّذِیۡنَ یَضِلُّوۡنَ عَنۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ لَہُمۡ عَذَابٌ شَدِیۡدٌۢ بِمَا نَسُوۡا یَوۡمَ الۡحِسَابِ ﴿٪۲۶﴾

038.026 Ya dawoodu inna jaAAalnaka khaleefatan fee al-ardi faohkum bayna alnnasi bialhaqqi wala tattabiAAi alhawa fayudillaka AAan sabeeli Allahi inna allatheena yadilloona AAan sabeeli Allahi lahum AAathabun shadeedun bima nasoo yawma alhisabi

O Dawoed, Wij hebben jou tot opvolger op de aarde gemaakt. Oordeel dus naar waarheid tussen de mensen en volg [je eigen] neiging niet, want die zal je van Allah's weg doen afdwalen; voor hen die van Allah's weg afdwalen is er een strenge bestraffing omdat zij de dag van de afrekening hebben vergeten.


وَ مَا خَلَقۡنَا السَّمَآءَ وَ الۡاَرۡضَ وَ مَا بَیۡنَہُمَا بَاطِلًا ؕ ذٰلِکَ ظَنُّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا ۚ فَوَیۡلٌ لِّلَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا مِنَ النَّارِ ﴿ؕ۲۷﴾

038.027 Wama khalaqna alssamaa waal-arda wama baynahuma batilan thalika thannu allatheena kafaroo fawaylun lillatheena kafaroo mina alnnari

En Wij hebben de hemel en de aarde en wat er tussen beide is niet voor niets geschapen. Dat denken zij die ongelovig zijn. Wee hen die ongelovig zijn, wegens het vuur.


اَمۡ نَجۡعَلُ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ کَالۡمُفۡسِدِیۡنَ فِی الۡاَرۡضِ ۫ اَمۡ نَجۡعَلُ الۡمُتَّقِیۡنَ کَالۡفُجَّارِ ﴿۲۸﴾

038.028 Am najAAalu allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati kaalmufsideena fee al-ardi am najAAalu almuttaqeena kaalfujjari

Of zullen Wij hen die geloven en de deugdelijke daden doen soms zo behandelen als hen die op de aarde verderf zaaien? Of behandelen Wij de godvrezenden als de overtreders?


کِتٰبٌ اَنۡزَلۡنٰہُ اِلَیۡکَ مُبٰرَکٌ لِّیَدَّبَّرُوۡۤا اٰیٰتِہٖ وَ لِیَتَذَکَّرَ اُولُوا الۡاَلۡبَابِ ﴿۲۹﴾

038.029 Kitabun anzalnahu ilayka mubarakun liyaddabbaroo ayatihi waliyatathakkara oloo al-albabi

[De Koran] is een gezegend boek dat Wij naar jou hebben neergezonden, opdat zij de verzen ervan overdenken en opdat de verstandigen zich laten vermanen.


وَ وَہَبۡنَا لِدَاوٗدَ سُلَیۡمٰنَ ؕ نِعۡمَ الۡعَبۡدُ ؕ اِنَّہٗۤ اَوَّابٌ ﴿ؕ۳۰﴾

038.030 Wawahabna lidawooda sulaymana niAAma alAAabdu innahu awwabun

En Wij hebben aan Dawoed Soelaimaan geschonken, een voortreffelijk dienaar; hij was schuldbewust.


اِذۡ عُرِضَ عَلَیۡہِ بِالۡعَشِیِّ الصّٰفِنٰتُ الۡجِیَادُ ﴿ۙ۳۱﴾

038.031 Ith AAurida AAalayhi bialAAashiyyi alssafinatu aljiyadu

Toen hem 's avonds de lichtvoetige renpaarden werden voorgeleid,


فَقَالَ اِنِّیۡۤ اَحۡبَبۡتُ حُبَّ الۡخَیۡرِ عَنۡ ذِکۡرِ رَبِّیۡ ۚ حَتّٰی تَوَارَتۡ بِالۡحِجَابِ ﴿ٝ۳۲﴾

038.032 Faqala innee ahbabtu hubba alkhayri AAan thikri rabbee hatta tawarat bialhijabi

toen zei hij: "Ik heb bezit meer lief dan het gedenken van Allah" en toen zij uit het gezicht verdwenen:


رُدُّوۡہَا عَلَیَّ ؕ فَطَفِقَ مَسۡحًۢا بِالسُّوۡقِ وَ الۡاَعۡنَاقِ ﴿۳۳﴾

038.033 Ruddooha AAalayya fatafiqa mashan bialssooqi waal-aAAnaqi

"Brengt ze naar mij terug." Toen begon hij ze over de benen en de halzen te strijken.


وَ لَقَدۡ فَتَنَّا سُلَیۡمٰنَ وَ اَلۡقَیۡنَا عَلٰی کُرۡسِیِّہٖ جَسَدًا ثُمَّ اَنَابَ ﴿۳۴﴾

038.034 Walaqad fatanna sulaymana waalqayna AAala kursiyyihi jasadan thumma anaba

Wij hadden Soelaimaan werkelijk aan verzoeking blootgesteld. En Wij zetten op zijn troon [iets wat alleen maar] een lichaam [was]. Toen betoonde hij zich schuldbewust.


قَالَ رَبِّ اغۡفِرۡ لِیۡ وَ ہَبۡ لِیۡ مُلۡکًا لَّا یَنۡۢبَغِیۡ لِاَحَدٍ مِّنۡۢ بَعۡدِیۡ ۚ اِنَّکَ اَنۡتَ الۡوَہَّابُ ﴿۳۵﴾

038.035 Qala rabbi ighfir lee wahab lee mulkan la yanbaghee li-ahadin min baAAdee innaka anta alwahhabu

Hij zei: "Mijn Heer, vergeef mij en schenk mij een heerschappij die na mij voor niemand meer passend is; U bent de vrijgevige."


فَسَخَّرۡنَا لَہُ الرِّیۡحَ تَجۡرِیۡ بِاَمۡرِہٖ رُخَآءً حَیۡثُ اَصَابَ ﴿ۙ۳۶﴾

038.036 Fasakhkharna lahu alrreeha tajree bi-amrihi rukhaan haythu asaba

En Wij maakten de wind aan hem dienstbaar, zodat die zich zachtjes op zijn bevel spoedde naar waar hij hem heen stuurde.


وَ الشَّیٰطِیۡنَ کُلَّ بَنَّآءٍ وَّ غَوَّاصٍ ﴿ۙ۳۷﴾

038.037 Waalshshayateena kulla banna-in waghawwasin

En ook de satans, elke bouwer en duiker,


وَّ اٰخَرِیۡنَ مُقَرَّنِیۡنَ فِی الۡاَصۡفَادِ ﴿۳۸﴾

038.038 Waakhareena muqarraneena fee al-asfadi

en anderen in boeien aaneengeketend.


ہٰذَا عَطَآؤُنَا فَامۡنُنۡ اَوۡ اَمۡسِکۡ بِغَیۡرِ حِسَابٍ ﴿۳۹﴾

038.039 Hatha AAataona faomnun aw amsik bighayri hisabin

"Dit is Onze gave, geef overvloedig of terughoudend, zonder af te rekenen.


وَ اِنَّ لَہٗ عِنۡدَنَا لَزُلۡفٰی وَ حُسۡنَ مَاٰبٍ ﴿٪۴۰﴾

038.040 Wa-inna lahu AAindana lazulfa wahusna maabin

Hij staat Ons na en heeft een goede terugkomst."


وَ اذۡکُرۡ عَبۡدَنَاۤ اَیُّوۡبَ ۘ اِذۡ نَادٰی رَبَّہٗۤ اَنِّیۡ مَسَّنِیَ الشَّیۡطٰنُ بِنُصۡبٍ وَّ عَذَابٍ ﴿ؕ۴۱﴾

038.041 Waothkur AAabdana ayyooba ith nada rabbahu annee massaniya alshshaytanu binusbin waAAathabin

En denk aan Onze dienaar Ajjoeb, toen hij tot zijn Heer riep: "De satan heeft mij met tegenspoed en kwelling getroffen."


اُرۡکُضۡ بِرِجۡلِکَ ۚ ہٰذَا مُغۡتَسَلٌۢ بَارِدٌ وَّ شَرَابٌ ﴿۴۲﴾

038.042 Orkud birijlika hatha mughtasalun baridun washarabun

"Stamp met je voet, dit is water voor een koel bad en een dronk."


وَ وَہَبۡنَا لَہٗۤ اَہۡلَہٗ وَ مِثۡلَہُمۡ مَّعَہُمۡ رَحۡمَۃً مِّنَّا وَ ذِکۡرٰی لِاُولِی الۡاَلۡبَابِ ﴿۴۳﴾

038.043 Wawahabna lahu ahlahu wamithlahum maAAahum rahmatan minna wathikra li-olee al-albabi

En Wij gaven hem zijn familie terug en nog eens zoveel met hen, uit barmhartigheid van Onze kant en als vermaning voor de verstandigen.


وَ خُذۡ بِیَدِکَ ضِغۡثًا فَاضۡرِبۡ بِّہٖ وَ لَا تَحۡنَثۡ ؕ اِنَّا وَجَدۡنٰہُ صَابِرًا ؕ نِعۡمَ الۡعَبۡدُ ؕ اِنَّہٗۤ اَوَّابٌ ﴿۴۴﴾

038.044 Wakhuth biyadika dighthan faidrib bihi wala tahnath inna wajadnahu sabiran niAAma alAAabdu innahu awwabun

En "neem een bundel [twijgen] in je hand en sla ermee en breek je eed niet." Wij merkten dat hij geduldig had volhard, een voortreffelijk dienaar; hij was schuldbewust.


وَ اذۡکُرۡ عِبٰدَنَاۤ اِبۡرٰہِیۡمَ وَ اِسۡحٰقَ وَ یَعۡقُوۡبَ اُولِی الۡاَیۡدِیۡ وَ الۡاَبۡصَارِ ﴿۴۵﴾

038.045 Waothkur AAibadana ibraheema wa-ishaqa wayaAAqooba olee al-aydee waal-absari

En denk aan Onze dienaren Ibrahiem, Ishaak en Ja'koeb die kracht en inzicht hadden.


اِنَّاۤ اَخۡلَصۡنٰہُمۡ بِخَالِصَۃٍ ذِکۡرَی الدَّارِ ﴿ۚ۴۶﴾

038.046 Inna akhlasnahum bikhalisatin thikra alddari

Wij hebben hen met iets bijzonders gekenmerkt: het denken aan de [laatste] woning.


وَ اِنَّہُمۡ عِنۡدَنَا لَمِنَ الۡمُصۡطَفَیۡنَ الۡاَخۡیَارِ ﴿ؕ۴۷﴾

038.047 Wa-innahum AAindana lamina almustafayna al-akhyari

Bij Ons behoren zij bij de uitverkorenen, de goeden.


وَ اذۡکُرۡ اِسۡمٰعِیۡلَ وَ الۡیَسَعَ وَ ذَاالۡکِفۡلِ ؕ وَ کُلٌّ مِّنَ الۡاَخۡیَارِ ﴿ؕ۴۸﴾

038.048 Waothkur ismaAAeela wa-ilyasaAAa watha alkifli wakullun mina al-akhyari

En denk aan Isma'iel, al-Jasa? en Dzoe-l-Kifl. Ieder [van hen] behoorde tot de goeden.


ہٰذَا ذِکۡرٌ ؕ وَ اِنَّ لِلۡمُتَّقِیۡنَ لَحُسۡنَ مَاٰبٍ ﴿ۙ۴۹﴾

038.049 Hatha thikrun wa-inna lilmuttaqeena lahusna maabin

Dit is een vermaning. Voor de godvrezenden zal er een goede terugkomst zijn:


جَنّٰتِ عَدۡنٍ مُّفَتَّحَۃً لَّہُمُ الۡاَبۡوَابُ ﴿ۚ۵۰﴾

038.050 Jannati AAadnin mufattahatan lahumu al-abwabu

De tuinen van 'Adn, waarvan de poorten voor hen open staan.


مُتَّکِـِٕیۡنَ فِیۡہَا یَدۡعُوۡنَ فِیۡہَا بِفَاکِہَۃٍ کَثِیۡرَۃٍ وَّ شَرَابٍ ﴿۵۱﴾

038.051 Muttaki-eena feeha yadAAoona feeha bifakihatin katheeratin washarabin

Daarin leunen zij achterover terwijl zij er om veel vruchten en drank kunnen vragen. *


وَ عِنۡدَہُمۡ قٰصِرٰتُ الطَّرۡفِ اَتۡرَابٌ ﴿۵۲﴾

038.052 WaAAindahum qasiratu alttarfi atrabun

En bij hen zijn even oude gezellinnen met afgewende blikken.


ہٰذَا مَا تُوۡعَدُوۡنَ لِیَوۡمِ الۡحِسَابِ ﴿ؓ۵۳﴾

038.053 Hatha ma tooAAadoona liyawmi alhisabi

Dit is wat jullie voor de dag van de afrekening wordt toegezegd.


اِنَّ ہٰذَا لَرِزۡقُنَا مَا لَہٗ مِنۡ نَّفَادٍ ﴿ۚۖ۵۴﴾

038.054 Inna hatha larizquna ma lahu min nafadin

Dit is Onze voorziening; zij is onvergankelijk.


ہٰذَا ؕ وَ اِنَّ لِلطّٰغِیۡنَ لَشَرَّ مَاٰبٍ ﴿ۙ۵۵﴾

038.055 Hatha wa-inna lilttagheena lasharra maabin

Zo is het. Maar voor de onbeschaamden zal er een slechte terugkomst zijn:


جَہَنَّمَ ۚ یَصۡلَوۡنَہَا ۚ فَبِئۡسَ الۡمِہَادُ ﴿۵۶﴾

038.056 Jahannama yaslawnaha fabi/sa almihadu

De hel waarin zij zullen braden. Dat is pas een slechte rustplaats!


ہٰذَا ۙ فَلۡیَذُوۡقُوۡہُ حَمِیۡمٌ وَّ غَسَّاقٌ ﴿ۙ۵۷﴾

038.057 Hatha falyathooqoohu hameemun waghassaqun

Zo is het. Laten zij het maar proeven: gloeiend water en etter,


وَّ اٰخَرُ مِنۡ شَکۡلِہٖۤ اَزۡوَاجٌ ﴿ؕ۵۸﴾

038.058 Waakharu min shaklihi azwajun

en andere, gelijksoortige dingen.


ہٰذَا فَوۡجٌ مُّقۡتَحِمٌ مَّعَکُمۡ ۚ لَا مَرۡحَبًۢا بِہِمۡ ؕ اِنَّہُمۡ صَالُوا النَّارِ ﴿۵۹﴾

038.059 Hatha fawjun muqtahimun maAAakum la marhaban bihim innahum saloo alnnari

Dit is een groep die zich samen met jullie naar binnen stort. "Zij zijn niet welkom! Zij zullen braden in het vuur."


قَالُوۡا بَلۡ اَنۡتُمۡ ۟ لَا مَرۡحَبًۢا بِکُمۡ ؕ اَنۡتُمۡ قَدَّمۡتُمُوۡہُ لَنَا ۚ فَبِئۡسَ الۡقَرَارُ ﴿۶۰﴾

038.060 Qaloo bal antum la marhaban bikum antum qaddamtumoohu lana fabi/sa alqararu

Zij zeggen: "Nee hoor, jullie zijn niet welkom. Jullie hebben ons dit geleverd. Dat is pas een slechte standplaats!"


قَالُوۡا رَبَّنَا مَنۡ قَدَّمَ لَنَا ہٰذَا فَزِدۡہُ عَذَابًا ضِعۡفًا فِی النَّارِ ﴿۶۱﴾

038.061 Qaloo rabbana man qaddama lana hatha fazidhu AAathaban diAAfan fee alnnari

Zij zeggen: "Onze Heer, wie ons dit heeft geleverd, geef hem een dubbele bestraffing in het vuur."


وَ قَالُوۡا مَا لَنَا لَا نَرٰی رِجَالًا کُنَّا نَعُدُّہُمۡ مِّنَ الۡاَشۡرَارِ ﴿ؕ۶۲﴾

038.062 Waqaloo ma lana la nara rijalan kunna naAAudduhum mina al-ashrari

En zij zeggen: "Waarom zien wij bepaalde mannen niet die wij tot de slechten rekenden?


اَتَّخَذۡنٰہُمۡ سِخۡرِیًّا اَمۡ زَاغَتۡ عَنۡہُمُ الۡاَبۡصَارُ ﴿۶۳﴾

038.063 Attakhathnahum sikhriyyan am zaghat AAanhumu al-absaru

Hebben wij hen [onterecht] belachelijk gemaakt of kijken onze ogen langs hen heen?"


اِنَّ ذٰلِکَ لَحَقٌّ تَخَاصُمُ اَہۡلِ النَّارِ ﴿٪۶۴﴾

038.064 Inna thalika lahaqqun takhasumu ahli alnnari

Dat is waar. [Zo is] het getwist van de bewoners van het vuur.


قُلۡ اِنَّمَاۤ اَنَا مُنۡذِرٌ ٭ۖ وَّ مَا مِنۡ اِلٰہٍ اِلَّا اللّٰہُ الۡوَاحِدُ الۡقَہَّارُ ﴿ۚ۶۵﴾

038.065 Qul innama ana munthirun wama min ilahin illa Allahu alwahidu alqahharu

Zeg: "Ik ben slechts een waarschuwer en er is geen andere god dan Allah, de ene, de albeheerser,


رَبُّ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ وَ مَا بَیۡنَہُمَا الۡعَزِیۡزُ الۡغَفَّارُ ﴿۶۶﴾

038.066 Rabbu alssamawati waal-ardi wama baynahuma alAAazeezu alghaffaru

de Heer van de hemelen en de aarde en wat tussen beide is, de machtige, de vergever."


قُلۡ ہُوَ نَبَؤٌا عَظِیۡمٌ ﴿ۙ۶۷﴾

038.067 Qul huwa nabaon AAatheemun

Zeg: "Het is een geweldige mededeling,


اَنۡتُمۡ عَنۡہُ مُعۡرِضُوۡنَ ﴿۶۸﴾

038.068 Antum AAanhu muAAridoona

waarvan jullie je afwenden.


مَا کَانَ لِیَ مِنۡ عِلۡمٍۭ بِالۡمَلَاِ الۡاَعۡلٰۤی اِذۡ یَخۡتَصِمُوۡنَ ﴿۶۹﴾

038.069 Ma kana liya min AAilmin bialmala-i al-aAAla ith yakhtasimoona

Ik had geen kennis van de allerhoogste raad van voornaamsten, toen zij met elkaar twistten.


اِنۡ یُّوۡحٰۤی اِلَیَّ اِلَّاۤ اَنَّمَاۤ اَنَا نَذِیۡرٌ مُّبِیۡنٌ ﴿۷۰﴾

038.070 In yooha ilayya illa annama ana natheerun mubeenun

Aan mij is slechts geopenbaard dat ik een duidelijke waarschuwer ben."


اِذۡ قَالَ رَبُّکَ لِلۡمَلٰٓئِکَۃِ اِنِّیۡ خَالِقٌۢ بَشَرًا مِّنۡ طِیۡنٍ ﴿۷۱﴾

038.071 Ith qala rabbuka lilmala-ikati innee khaliqun basharan min teenin

Toen jouw Heer tot de engelen zei: "Ik ga een mens uit klei scheppen.


فَاِذَا سَوَّیۡتُہٗ وَ نَفَخۡتُ فِیۡہِ مِنۡ رُّوۡحِیۡ فَقَعُوۡا لَہٗ سٰجِدِیۡنَ ﴿۷۲﴾

038.072 Fa-itha sawwaytuhu wanafakhtu feehi min roohee faqaAAoo lahu sajideena

En als Ik hem gevormd heb en hem iets van Mijn geest heb ingeblazen, valt dan in eerbiedige buiging voor hem neer."


فَسَجَدَ الۡمَلٰٓئِکَۃُ کُلُّہُمۡ اَجۡمَعُوۡنَ ﴿ۙ۷۳﴾

038.073 Fasajada almala-ikatu kulluhum ajmaAAoona

En de engelen bogen zich allen tezamen eerbiedig voor hem neer.


اِلَّاۤ اِبۡلِیۡسَ ؕ اِسۡتَکۡبَرَ وَ کَانَ مِنَ الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۷۴﴾

038.074 Illa ibleesa istakbara wakana mina alkafireena

Alleen Iblies niet, hij was hoogmoedig en behoorde tot de ongelovigen.


قَالَ یٰۤاِبۡلِیۡسُ مَا مَنَعَکَ اَنۡ تَسۡجُدَ لِمَا خَلَقۡتُ بِیَدَیَّ ؕ اَسۡتَکۡبَرۡتَ اَمۡ کُنۡتَ مِنَ الۡعَالِیۡنَ ﴿۷۵﴾

038.075 Qala ya ibleesu ma manaAAaka an tasjuda lima khalaqtu biyadayya astakbarta am kunta mina alAAaleena

Hij zei: "O Iblies, wat verhindert jou je eerbiedig neer te buigen voor wat Ik eigenhandig geschapen heb? Ben jij hoogmoedig of behoor jij tot hen die de overhand hebben?"


قَالَ اَنَا خَیۡرٌ مِّنۡہُ ؕ خَلَقۡتَنِیۡ مِنۡ نَّارٍ وَّ خَلَقۡتَہٗ مِنۡ طِیۡنٍ ﴿۷۶﴾

038.076 Qala ana khayrun minhu khalaqtanee min narin wakhalaqtahu min teenin

Hij zei: "Ik ben beter dan hij, U hebt mij uit vuur geschapen en hem hebt U uit klei geschapen."


قَالَ فَاخۡرُجۡ مِنۡہَا فَاِنَّکَ رَجِیۡمٌ ﴿ۚۖ۷۷﴾

038.077 Qala faokhruj minha fa-innaka rajeemun

Hij zei: "Ga hier weg, jij zult door steniging vervloekt zijn!


وَّ اِنَّ عَلَیۡکَ لَعۡنَتِیۡۤ اِلٰی یَوۡمِ الدِّیۡنِ ﴿۷۸﴾

038.078 Wa-inna AAalayka laAAnatee ila yawmi alddeeni

En Mijn vloek zal tot de oordeelsdag op je rusten."


قَالَ رَبِّ فَاَنۡظِرۡنِیۡۤ اِلٰی یَوۡمِ یُبۡعَثُوۡنَ ﴿۷۹﴾

038.079 Qala rabbi faanthirnee ila yawmi yubAAathoona

Hij zei: "Mijn Heer, verleen mij uitstel tot de dag waarop zij worden opgewekte


قَالَ فَاِنَّکَ مِنَ الۡمُنۡظَرِیۡنَ ﴿ۙ۸۰﴾

038.080 Qala fa-innaka mina almunthareena

Hij zei: "Jij behoort bij hen die uitstel hebben gekregen


اِلٰی یَوۡمِ الۡوَقۡتِ الۡمَعۡلُوۡمِ ﴿۸۱﴾

038.081 Ila yawmi alwaqti almaAAloomi

tot de dag van de vastgestelde tijd."


قَالَ فَبِعِزَّتِکَ لَاُغۡوِیَنَّہُمۡ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿ۙ۸۲﴾

038.082 Qala fabiAAizzatika laoghwiyannahum ajmaAAeena

Hij zei: "Bij Uw macht, ik zal hen zeker allen misleiden,


اِلَّا عِبَادَکَ مِنۡہُمُ الۡمُخۡلَصِیۡنَ ﴿۸۳﴾

038.083 Illa AAibadaka minhumu almukhlaseena

behalve Uw toegewijde dienaren onder hen."


قَالَ فَالۡحَقُّ ۫ وَ الۡحَقَّ اَقُوۡلُ ﴿ۚ۸۴﴾

038.084 Qala faalhaqqu waalhaqqa aqoolu

Hij zei: "De waarheid is -- en Ik spreek de waarheid --:


لَاَمۡلَـَٔنَّ جَہَنَّمَ مِنۡکَ وَ مِمَّنۡ تَبِعَکَ مِنۡہُمۡ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿۸۵﴾

038.085 Laamlaanna jahannama minka wamimman tabiAAaka minhum ajmaAAeena

Ik zal de hel met jou en met hen die jou volgen vullen, allen tezamen."


قُلۡ مَاۤ اَسۡـَٔلُکُمۡ عَلَیۡہِ مِنۡ اَجۡرٍ وَّ مَاۤ اَنَا مِنَ الۡمُتَکَلِّفِیۡنَ ﴿۸۶﴾

038.086 Qul ma as-alukum AAalayhi min ajrin wama ana mina almutakallifeena

Zeg: "Ik vraag jullie er geen loon voor en ik behoor niet tot hen die zichzelf [met zoiets] belasten.


اِنۡ ہُوَ اِلَّا ذِکۡرٌ لِّلۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۸۷﴾

038.087 In huwa illa thikrun lilAAalameena

Het is slechts een vermaning voor de wereldbewoners.


وَ لَتَعۡلَمُنَّ نَبَاَہٗ بَعۡدَ حِیۡنٍ ﴿٪۸۸﴾

038.088 WalataAAlamunna nabaahu baAAda heenin

En jullie zullen over een tijd de mededeling daarover kennen."


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

تَنۡزِیۡلُ الۡکِتٰبِ مِنَ اللّٰہِ الۡعَزِیۡزِ الۡحَکِیۡمِ ﴿۱﴾

039.001 Tanzeelu alkitabi mina Allahi alAAazeezi alhakeemi

De neerzending van het boek is gebeurd door Allah, de machtige, de wijze.


اِنَّاۤ اَنۡزَلۡنَاۤ اِلَیۡکَ الۡکِتٰبَ بِالۡحَقِّ فَاعۡبُدِ اللّٰہَ مُخۡلِصًا لَّہُ الدِّیۡنَ ؕ﴿۲﴾

039.002 Inna anzalna ilayka alkitaba bialhaqqi faoAAbudi Allaha mukhlisan lahu alddeena

Wij hebben het boek met de waarheid naar jou neergezonden. Dien Allah dus en wijd de godsdienst geheel aan Hem.


اَلَا لِلّٰہِ الدِّیۡنُ الۡخَالِصُ ؕ وَ الَّذِیۡنَ اتَّخَذُوۡا مِنۡ دُوۡنِہٖۤ اَوۡلِیَآءَ ۘ مَا نَعۡبُدُہُمۡ اِلَّا لِیُقَرِّبُوۡنَاۤ اِلَی اللّٰہِ زُلۡفٰی ؕ اِنَّ اللّٰہَ یَحۡکُمُ بَیۡنَہُمۡ فِیۡ مَا ہُمۡ فِیۡہِ یَخۡتَلِفُوۡنَ ۬ؕ اِنَّ اللّٰہَ لَا یَہۡدِیۡ مَنۡ ہُوَ کٰذِبٌ کَفَّارٌ ﴿۳﴾

039.003 Ala lillahi alddeenu alkhalisu waallatheena ittakhathoo min doonihi awliyaa ma naAAbuduhum illa liyuqarriboona ila Allahi zulfa inna Allaha yahkumu baynahum fee ma hum feehi yakhtalifoona inna Allaha la yahdee man huwa kathibun kaffarun

Behoort de zuivere godsdienst niet Allah toe? Zij die zich in plaats van Hem beschermers nemen [zeggen]: "Wij dienen hen slechts opdat zij ons nader tot Allah brengen." Allah zal tussen hen oordelen over dat waarover zij het oneens zijn. Allah wijst wie een ongelovige leugenaar is de goede richting niet.


لَوۡ اَرَادَ اللّٰہُ اَنۡ یَّتَّخِذَ وَلَدًا لَّاصۡطَفٰی مِمَّا یَخۡلُقُ مَا یَشَآءُ ۙ سُبۡحٰنَہٗ ؕ ہُوَ اللّٰہُ الۡوَاحِدُ الۡقَہَّارُ ﴿۴﴾

039.004 Law arada Allahu an yattakhitha waladan laistafa mimma yakhluqu ma yashao subhanahu huwa Allahu alwahidu alqahharu

Als Allah gewenst had zich een kind te nemen, dan had Hij uit wat Hij geschapen heeft uitgekozen wat Hij had gewild. Geprezen zij Hij! Hij is Allah, de ene, de albeheerser.


خَلَقَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ بِالۡحَقِّ ۚ یُکَوِّرُ الَّیۡلَ عَلَی النَّہَارِ وَ یُکَوِّرُ النَّہَارَ عَلَی الَّیۡلِ وَ سَخَّرَ الشَّمۡسَ وَ الۡقَمَرَ ؕ کُلٌّ یَّجۡرِیۡ لِاَجَلٍ مُّسَمًّی ؕ اَلَا ہُوَ الۡعَزِیۡزُ الۡغَفَّارُ ﴿۵﴾

039.005 Khalaqa alssamawati waal-arda bialhaqqi yukawwiru allayla AAala alnnahari wayukawwiru alnnahara AAala allayli wasakhkhara alshshamsa waalqamara kullun yajree li-ajalin musamman ala huwa alAAazeezu alghaffaru

Hij heeft de hemelen en de aarde in waarheid geschapen. Hij legt de nacht over de dag en Hij legt de dag over de nacht en Hij heeft de zon en de maan dienstbaar gemaakt; alles loopt tot een vastgestelde termijn. Is Hij niet de machtige, de vergevende?


خَلَقَکُمۡ مِّنۡ نَّفۡسٍ وَّاحِدَۃٍ ثُمَّ جَعَلَ مِنۡہَا زَوۡجَہَا وَ اَنۡزَلَ لَکُمۡ مِّنَ الۡاَنۡعَامِ ثَمٰنِیَۃَ اَزۡوَاجٍ ؕ یَخۡلُقُکُمۡ فِیۡ بُطُوۡنِ اُمَّہٰتِکُمۡ خَلۡقًا مِّنۡۢ بَعۡدِ خَلۡقٍ فِیۡ ظُلُمٰتٍ ثَلٰثٍ ؕ ذٰلِکُمُ اللّٰہُ رَبُّکُمۡ لَہُ الۡمُلۡکُ ؕ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ ۚ فَاَنّٰی تُصۡرَفُوۡنَ ﴿۶﴾

039.006 Khalaqakum min nafsin wahidatin thumma jaAAala minha zawjaha waanzala lakum mina al-anAAami thamaniyata azwajin yakhluqukum fee butooni ommahatikum khalqan min baAAdi khalqin fee thulumatin thalathin thalikumu Allahu rabbukum lahu almulku la ilaha illa huwa faanna tusrafoona

Hij heeft jullie uit n wezen geschapen en toen heeft Hij er zijn echtgenote uit gemaakt. En Hij heeft van het vee acht paarsgewijs voorkomende dieren naar jullie neergezonden. Hij schept jullie in de buiken van jullie moeders, de ene schepping na de andere in drievoudige duisternis. Dat is Allah, jullie Heer. Hij heeft de heerschappij. Er is geen god dan Hij. Hoe kunnen jullie je dan zo laten verstrooien?


اِنۡ تَکۡفُرُوۡا فَاِنَّ اللّٰہَ غَنِیٌّ عَنۡکُمۡ ۟ وَ لَا یَرۡضٰی لِعِبَادِہِ الۡکُفۡرَ ۚ وَ اِنۡ تَشۡکُرُوۡا یَرۡضَہُ لَکُمۡ ؕ وَ لَا تَزِرُ وَازِرَۃٌ وِّزۡرَ اُخۡرٰی ؕ ثُمَّ اِلٰی رَبِّکُمۡ مَّرۡجِعُکُمۡ فَیُنَبِّئُکُمۡ بِمَا کُنۡتُمۡ تَعۡمَلُوۡنَ ؕ اِنَّہٗ عَلِیۡمٌۢ بِذَاتِ الصُّدُوۡرِ ﴿۷﴾

039.007 In takfuroo fa-inna Allaha ghaniyyun AAankum wala yarda liAAibadihi alkufra wa-in tashkuroo yardahu lakum wala taziru waziratun wizra okhra thumma ila rabbikum marjiAAukum fayunabbi-okum bima kuntum taAAmaloona innahu AAaleemun bithati alssudoori

Als jullie ongelovig zijn, Allah heeft jullie niet nodig. Hem bevalt het ongeloof bij zijn dienaren niet, maar als jullie dank betuigen dan bevalt Hem dat bij jullie. Niemand is belast met de last van een ander. En vervolgens is jullie terugkeer tot jullie Heer. Hij zal jullie dan meedelen wat jullie aan het doen waren. Hij weet wat er binnen in de harten is.


وَ اِذَا مَسَّ الۡاِنۡسَانَ ضُرٌّ دَعَا رَبَّہٗ مُنِیۡبًا اِلَیۡہِ ثُمَّ اِذَا خَوَّلَہٗ نِعۡمَۃً مِّنۡہُ نَسِیَ مَا کَانَ یَدۡعُوۡۤا اِلَیۡہِ مِنۡ قَبۡلُ وَ جَعَلَ لِلّٰہِ اَنۡدَادًا لِّیُضِلَّ عَنۡ سَبِیۡلِہٖ ؕ قُلۡ تَمَتَّعۡ بِکُفۡرِکَ قَلِیۡلًا ٭ۖ اِنَّکَ مِنۡ اَصۡحٰبِ النَّارِ ﴿۸﴾

039.008 Wa-itha massa al-insana durrun daAAa rabbahu muneeban ilayhi thumma itha khawwalahu niAAmatan minhu nasiya ma kana yadAAoo ilayhi min qablu wajaAAala lillahi andadan liyudilla AAan sabeelihi qul tamattaAA bikufrika qaleelan innaka min as-habi alnnari

En wanneer de mens tegenspoed treft, roept hij zijn Heer aan, terwijl hij zich schuldbewust tot Hem wendt, maar daarna, wanneer Hij hem van Zijn kant genade schenkt, vergeet hij wat hij daarvoor tot Hem geroepen had. En hij schrijft aan Allah gelijken toe om [anderen] van Zijn weg af te laten dwalen. Zeg: "Geniet in jouw ongeloof nog maar een weinig; jij behoort tot hen die in het vuur thuishoren."


اَمَّنۡ ہُوَ قَانِتٌ اٰنَآءَ الَّیۡلِ سَاجِدًا وَّ قَآئِمًا یَّحۡذَرُ الۡاٰخِرَۃَ وَ یَرۡجُوۡا رَحۡمَۃَ رَبِّہٖ ؕ قُلۡ ہَلۡ یَسۡتَوِی الَّذِیۡنَ یَعۡلَمُوۡنَ وَ الَّذِیۡنَ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ؕ اِنَّمَا یَتَذَکَّرُ اُولُوا الۡاَلۡبَابِ ٪﴿۹﴾

039.009 Amman huwa qanitun anaa allayli sajidan waqa-iman yahtharu al-akhirata wayarjoo rahmata rabbihi qul hal yastawee allatheena yaAAlamoona waallatheena la yaAAlamoona innama yatathakkaru oloo al-albabi

Is iemand die gedurende de nacht onderdanigheid toont, terwijl hij zich eerbiedig neerbuigt en opstaat, op zijn hoede is voor het hiernamaals en op de barmhartigheid van Zijn Heer hoopt?? Zeg: "Zijn zij die weten en zij die niet weten gelijk? Slechts de verstandigen laten zich vermanen."


قُلۡ یٰعِبَادِ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوا اتَّقُوۡا رَبَّکُمۡ ؕ لِلَّذِیۡنَ اَحۡسَنُوۡا فِیۡ ہٰذِہِ الدُّنۡیَا حَسَنَۃٌ ؕ وَ اَرۡضُ اللّٰہِ وَاسِعَۃٌ ؕ اِنَّمَا یُوَفَّی الصّٰبِرُوۡنَ اَجۡرَہُمۡ بِغَیۡرِ حِسَابٍ ﴿۱۰﴾

039.010 Qul ya AAibadi allatheena amanoo ittaqoo rabbakum lillatheena ahsanoo fee hathihi alddunya hasanatun waardu Allahi wasiAAatun innama yuwaffa alssabiroona ajrahum bighayri hisabin

Zeg: "Mijn dienaren, die gelovig zijn! Vreest jullie Heer. Voor hen die in dit tegenwoordige leven goed doen is er iets goeds en Allah's aarde is wijd. Maar aan hen die geduldig volharden zal hun volle loon gegeven worden, zonder afrekening."


قُلۡ اِنِّیۡۤ اُمِرۡتُ اَنۡ اَعۡبُدَ اللّٰہَ مُخۡلِصًا لَّہُ الدِّیۡنَ ﴿ۙ۱۱﴾

039.011 Qul innee omirtu an aAAbuda Allaha mukhlisan lahu alddeena

Zeg: "Mij is bevolen Allah te dienen door de godsdienst geheel aan Hem te wijden.


وَ اُمِرۡتُ لِاَنۡ اَکُوۡنَ اَوَّلَ الۡمُسۡلِمِیۡنَ ﴿۱۲﴾

039.012 Waomirtu li-an akoona awwala almuslimeena

En mij is bevolen de eerste te zijn van hen die zich [aan Allah] overgeven."


قُلۡ اِنِّیۡۤ اَخَافُ اِنۡ عَصَیۡتُ رَبِّیۡ عَذَابَ یَوۡمٍ عَظِیۡمٍ ﴿۱۳﴾

039.013 Qul innee akhafu in AAasaytu rabbee AAathaba yawmin AAatheemin

Zeg: "Ik vrees voor een geweldige dag als ik aan mijn Heer ongehoorzaam ben."


قُلِ اللّٰہَ اَعۡبُدُ مُخۡلِصًا لَّہٗ دِیۡنِیۡ ﴿ۙ۱۴﴾

039.014 Quli Allaha aAAbudu mukhlisan lahu deenee

Zeg: "Allah dien ik door mijn godsdienst geheel aan Hem te wijden.


فَاعۡبُدُوۡا مَا شِئۡتُمۡ مِّنۡ دُوۡنِہٖ ؕ قُلۡ اِنَّ الۡخٰسِرِیۡنَ الَّذِیۡنَ خَسِرُوۡۤا اَنۡفُسَہُمۡ وَ اَہۡلِیۡہِمۡ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ ؕ اَلَا ذٰلِکَ ہُوَ الۡخُسۡرَانُ الۡمُبِیۡنُ ﴿۱۵﴾

039.015 FaoAAbudoo ma shi/tum min doonihi qul inna alkhasireena allatheena khasiroo anfusahum waahleehim yawma alqiyamati ala thalika huwa alkhusranu almubeenu

En dient maar wat jullie willen in plaats van Hem." Zeg: "De verliezers zijn zij die zichzelf en hun families verliezen op de opstandingsdag. Is dat niet het duidelijke verlies?"


لَہُمۡ مِّنۡ فَوۡقِہِمۡ ظُلَلٌ مِّنَ النَّارِ وَ مِنۡ تَحۡتِہِمۡ ظُلَلٌ ؕ ذٰلِکَ یُخَوِّفُ اللّٰہُ بِہٖ عِبَادَہٗ ؕ یٰعِبَادِ فَاتَّقُوۡنِ ﴿۱۶﴾

039.016 Lahum min fawqihim thulalun mina alnnari wamin tahtihim thulalun thalika yukhawwifu Allahu bihi AAibadahu ya AAibadi faittaqooni

Zij hebben boven zich stapelwolken van vuur en onder zich stapelwolken. Daarmee jaagt Allah Zijn dienaren vrees aan. Mijn dienaren, weest godvrezend!


وَ الَّذِیۡنَ اجۡتَنَبُوا الطَّاغُوۡتَ اَنۡ یَّعۡبُدُوۡہَا وَ اَنَابُوۡۤا اِلَی اللّٰہِ لَہُمُ الۡبُشۡرٰی ۚ فَبَشِّرۡ عِبَادِ ﴿ۙ۱۷﴾

039.017 Waallatheena ijtanaboo alttaghoota an yaAAbudooha waanaboo ila Allahi lahumu albushra fabashshir AAibadi

Voor hen die het vermijden de Taghoet te dienen en die zich schuldbewust tot Allah wenden is er goed nieuws. Verkondig het goede nieuws dus aan Mijn dienaren,


الَّذِیۡنَ یَسۡتَمِعُوۡنَ الۡقَوۡلَ فَیَتَّبِعُوۡنَ اَحۡسَنَہٗ ؕ اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ ہَدٰىہُمُ اللّٰہُ وَ اُولٰٓئِکَ ہُمۡ اُولُوا الۡاَلۡبَابِ ﴿۱۸﴾

039.018 Allatheena yastamiAAoona alqawla fayattabiAAoona ahsanahu ola-ika allatheena hadahumu Allahu waola-ika hum oloo al-albabi

die het woord horen en dan het beste ervan volgen. Zij zijn het die Allah op het goede pad brengt en dat zijn zij, de verstandigen.


اَفَمَنۡ حَقَّ عَلَیۡہِ کَلِمَۃُ الۡعَذَابِ ؕ اَفَاَنۡتَ تُنۡقِذُ مَنۡ فِی النَّارِ ﴿ۚ۱۹﴾

039.019 Afaman haqqa AAalayhi kalimatu alAAathabi afaanta tunqithu man fee alnnari

En als voor iemand het woord van de bestraffing is bewaarheid? kun jij dan iemand redden die in het vuur is?


لٰکِنِ الَّذِیۡنَ اتَّقَوۡا رَبَّہُمۡ لَہُمۡ غُرَفٌ مِّنۡ فَوۡقِہَا غُرَفٌ مَّبۡنِیَّۃٌ ۙ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ ۬ؕ وَعۡدَ اللّٰہِ ؕ لَا یُخۡلِفُ اللّٰہُ الۡمِیۡعَادَ ﴿۲۰﴾

039.020 Lakini allatheena ittaqaw rabbahum lahum ghurafun min fawqiha ghurafun mabniyyatun tajree min tahtiha al-anharu waAAda Allahi la yukhlifu Allahu almeeAAada

Maar voor hen die hun Heer vrezen zijn er [feest]zalen waarboven [feest] zalen gebouwd zijn en waar de rivieren onderdoor stromen. Allah's toezegging is het. Allah zal de afspraak niet afzeggen.


اَلَمۡ تَرَ اَنَّ اللّٰہَ اَنۡزَلَ مِنَ السَّمَآءِ مَآءً فَسَلَکَہٗ یَنَابِیۡعَ فِی الۡاَرۡضِ ثُمَّ یُخۡرِجُ بِہٖ زَرۡعًا مُّخۡتَلِفًا اَلۡوَانُہٗ ثُمَّ یَہِیۡجُ فَتَرٰىہُ مُصۡفَرًّا ثُمَّ یَجۡعَلُہٗ حُطَامًا ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَذِکۡرٰی لِاُولِی الۡاَلۡبَابِ ﴿٪۲۱﴾

039.021 Alam tara anna Allaha anzala mina alssama-i maan fasalakahu yanabeeAAa fee al-ardi thumma yukhriju bihi zarAAan mukhtalifan alwanuhu thumma yaheeju fatarahu musfarran thumma yajAAaluhu hutaman inna fee thalika lathikra li-olee al-albabi

Zie jij dan niet dat Allah water uit de hemel laat neerdalen en dan naar bronnen in de aarde laat gaan? Dan brengt Hij er landbouwgewassen van allerlei soorten mee voort. Dan verdorren zij en jij ziet ze geel worden en dan maakt Hij ze tot gruis. Daarin is een vermaning voor de verstandigen.


اَفَمَنۡ شَرَحَ اللّٰہُ صَدۡرَہٗ لِلۡاِسۡلَامِ فَہُوَ عَلٰی نُوۡرٍ مِّنۡ رَّبِّہٖ ؕ فَوَیۡلٌ لِّلۡقٰسِیَۃِ قُلُوۡبُہُمۡ مِّنۡ ذِکۡرِ اللّٰہِ ؕ اُولٰٓئِکَ فِیۡ ضَلٰلٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۲۲﴾

039.022 Afaman sharaha Allahu sadrahu lil-islami fahuwa AAala noorin min rabbihi fawaylun lilqasiyati quloobuhum min thikri Allahi ola-ika fee dalalin mubeenin

Is dan iemand wiens hart Allah opengesteld heeft voor de overgave [aan Allah] en die zich in een licht dat van zijn Heer afkomstig is bevindt?? Wee dus hen van wie de harten hard zijn zodat zij Allah niet gedenken. Zij zijn het die in duidelijke dwaling verkeren.


اَللّٰہُ نَزَّلَ اَحۡسَنَ الۡحَدِیۡثِ کِتٰبًا مُّتَشَابِہًا مَّثَانِیَ ٭ۖ تَقۡشَعِرُّ مِنۡہُ جُلُوۡدُ الَّذِیۡنَ یَخۡشَوۡنَ رَبَّہُمۡ ۚ ثُمَّ تَلِیۡنُ جُلُوۡدُہُمۡ وَ قُلُوۡبُہُمۡ اِلٰی ذِکۡرِ اللّٰہِ ؕ ذٰلِکَ ہُدَی اللّٰہِ یَہۡدِیۡ بِہٖ مَنۡ یَّشَآءُ ؕ وَ مَنۡ یُّضۡلِلِ اللّٰہُ فَمَا لَہٗ مِنۡ ہَادٍ ﴿۲۳﴾

039.023 Allahu nazzala ahsana alhadeethi kitaban mutashabihan mathaniya taqshaAAirru minhu juloodu allatheena yakhshawna rabbahum thumma taleenu julooduhum waquloobuhum ila thikri Allahi thalika huda Allahi yahdee bihi man yashao waman yudlili Allahu fama lahu min hadin

Allah heeft het beste nieuws neergezonden, een boek met op elkaar lijkende herhaalde gedeelten waarvan bij hen die hun Heer vrezen de rillingen over hun huid lopen. Daarna ontspannen hun huid en hun harten zich om Allah te gedenken. Dat is Allah's leidraad waarmee Hij leidt wie Hij wil. En als Allah iemand tot dwaling brengt, dan is er voor hem niemand die de goede richting wijst.


اَفَمَنۡ یَّتَّقِیۡ بِوَجۡہِہٖ سُوۡٓءَ الۡعَذَابِ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ ؕ وَ قِیۡلَ لِلظّٰلِمِیۡنَ ذُوۡقُوۡا مَا کُنۡتُمۡ تَکۡسِبُوۡنَ ﴿۲۴﴾

039.024 Afaman yattaqee biwajhihi soo-a alAAathabi yawma alqiyamati waqeela lilththalimeena thooqoo ma kuntum taksiboona

Is dan iemand die zich op de opstandingsdag met zijn gezicht voor de vreselijke bestraffing beschermt?? Tot de onrechtplegers wordt namelijk gezegd: "Proeft wat jullie begaan hebben."


کَذَّبَ الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِہِمۡ فَاَتٰىہُمُ الۡعَذَابُ مِنۡ حَیۡثُ لَا یَشۡعُرُوۡنَ ﴿۲۵﴾

039.025 Kaththaba allatheena min qablihim faatahumu alAAathabu min haythu la yashAAuroona

Zij die er voor hun tijd waren hebben ook van leugens beticht, maar toen kwam de bestraffing tot hen vanwaar zij het niet beseften.


فَاَذَاقَہُمُ اللّٰہُ الۡخِزۡیَ فِی الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا ۚ وَ لَعَذَابُ الۡاٰخِرَۃِ اَکۡبَرُ ۘ لَوۡ کَانُوۡا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۲۶﴾

039.026 Faathaqahumu Allahu alkhizya fee alhayati alddunya walaAAathabu al-akhirati akbaru law kanoo yaAAlamoona

En Allah liet hen in het tegenwoordige leven de schande proeven, maar de bestraffing in het hiernamaals is nog erger. Als zij het maar wisten.


وَ لَقَدۡ ضَرَبۡنَا لِلنَّاسِ فِیۡ ہٰذَا الۡقُرۡاٰنِ مِنۡ کُلِّ مَثَلٍ لَّعَلَّہُمۡ یَتَذَکَّرُوۡنَ ﴿ۚ۲۷﴾

039.027 Walaqad darabna lilnnasi fee hatha alqur-ani min kulli mathalin laAAallahum yatathakkaroona

En Wij hebben in deze Koran allerlei voorbeelden voor de mensen gegeven; misschien laten zij zich vermanen.


قُرۡاٰنًا عَرَبِیًّا غَیۡرَ ذِیۡ عِوَجٍ لَّعَلَّہُمۡ یَتَّقُوۡنَ ﴿۲۸﴾

039.028 Qur-anan AAarabiyyan ghayra thee AAiwajin laAAallahum yattaqoona

Een Arabische Koran die geen afwijking heeft; misschien zullen zij godvrezend worden.


ضَرَبَ اللّٰہُ مَثَلًا رَّجُلًا فِیۡہِ شُرَکَآءُ مُتَشٰکِسُوۡنَ وَ رَجُلًا سَلَمًا لِّرَجُلٍ ؕ ہَلۡ یَسۡتَوِیٰنِ مَثَلًا ؕ اَلۡحَمۡدُ لِلّٰہِ ۚ بَلۡ اَکۡثَرُہُمۡ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۲۹﴾

039.029 Daraba Allahu mathalan rajulan feehi shurakao mutashakisoona warajulan salaman lirajulin hal yastawiyani mathalan alhamdu lillahi bal aktharuhum la yaAAlamoona

Allah geeft als voorbeeld een man die meerdere ruzinde bazen heeft en een man die volledig aan n man toebehoort. Zijn die twee bijvoorbeeld gelijk? Lof zij Allah! Maar de meesten van hen weten het niet.


اِنَّکَ مَیِّتٌ وَّ اِنَّہُمۡ مَّیِّتُوۡنَ ﴿۫۳۰﴾

039.030 Innaka mayyitun wa-innahum mayyitoona

Jij bent sterfelijk en zij zijn sterfelijk.


ثُمَّ اِنَّکُمۡ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ عِنۡدَ رَبِّکُمۡ تَخۡتَصِمُوۡنَ ﴿٪۳۱﴾

039.031 Thumma innakum yawma alqiyamati AAinda rabbikum takhtasimoona

Dan zullen jullie op de opstandingsdag met elkaar twisten. *



www.kuran.nl