25 Ilayhi Yuraddu Ilmu

اِلَیۡہِ یُرَدُّ عِلۡمُ السَّاعَۃِ ؕ وَ مَا تَخۡرُجُ مِنۡ ثَمَرٰتٍ مِّنۡ اَکۡمَامِہَا وَ مَا تَحۡمِلُ مِنۡ اُنۡثٰی وَ لَا تَضَعُ اِلَّا بِعِلۡمِہٖ ؕ وَ یَوۡمَ یُنَادِیۡہِمۡ اَیۡنَ شُرَکَآءِیۡ ۙ قَالُوۡۤا اٰذَنّٰکَ ۙ مَا مِنَّا مِنۡ شَہِیۡدٍ ﴿ۚ۴۷﴾

041.047 Ilayhi yuraddu AAilmu alssaAAati wama takhruju min thamaratin min akmamiha wama tahmilu min ontha wala tadaAAu illa biAAilmihi wayawma yunadeehim ayna shuraka-ee qaloo athannaka ma minna min shaheedin

De kennis over het uur gaat op Hem terug. Er komen geen vruchten uit hun doppen en geen vrouw is zwanger en baart zonder dat Hij het weet. En op de dag dat Hij hen toeroept: "Waar zijn dan Mijn [zogenaamd goddelijke] metgezellen", zeggen zij: "Wij delen U mee dat er bij ons geen getuige is."


وَ ضَلَّ عَنۡہُمۡ مَّا کَانُوۡا یَدۡعُوۡنَ مِنۡ قَبۡلُ وَ ظَنُّوۡا مَا لَہُمۡ مِّنۡ مَّحِیۡصٍ ﴿۴۸﴾

041.048 Wadalla AAanhum ma kanoo yadAAoona min qablu wathannoo ma lahum min maheesin

Maar dat wat zij vroeger aanriepen zijn zij kwijt en zij dachten dat er voor hen geen ontsnapping was.


لَا یَسۡـَٔمُ الۡاِنۡسَانُ مِنۡ دُعَآءِ الۡخَیۡرِ ۫ وَ اِنۡ مَّسَّہُ الشَّرُّ فَیَـُٔوۡسٌ قَنُوۡطٌ ﴿۴۹﴾

041.049 La yas-amu al-insanu min duAAa-i alkhayri wa-in massahu alshsharru fayaoosun qanootun

De mens verafschuwt het niet om voor het goede te bidden, maar als hem het kwaad treft is hij wanhopig en vertwijfeld.


وَ لَئِنۡ اَذَقۡنٰہُ رَحۡمَۃً مِّنَّا مِنۡۢ بَعۡدِ ضَرَّآءَ مَسَّتۡہُ لَیَقُوۡلَنَّ ہٰذَا لِیۡ ۙ وَ مَاۤ اَظُنُّ السَّاعَۃَ قَآئِمَۃً ۙ وَّ لَئِنۡ رُّجِعۡتُ اِلٰی رَبِّیۡۤ اِنَّ لِیۡ عِنۡدَہٗ لَلۡحُسۡنٰی ۚ فَلَنُنَبِّئَنَّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا بِمَا عَمِلُوۡا ۫ وَ لَنُذِیۡقَنَّہُمۡ مِّنۡ عَذَابٍ غَلِیۡظٍ ﴿۵۰﴾

041.050 Wala-in athaqnahu rahmatan minna min baAAdi darraa massat-hu layaqoolanna hatha lee wama athunnu alssaAAata qa-imatan wala-in rujiAAtu ila rabbee inna lee AAindahu lalhusna falanunabbi-anna allatheena kafaroo bima AAamiloo walanutheeqannahum min AAathabin ghaleethin

En als Wij hem van Onze kant barmhartigheid laten proeven na rampspoed die hem getroffen heeft dan zegt hij: "Dit komt mij toe en ik denk niet dat het uur aanstaande is en als ik naar mijn Heer word teruggebracht krijg ik bij Hem zeker het beste." Maar Wij zullen hun die ongelovig zijn meedelen wat zij deden en Wij zullen hen van een harde bestraffing laten proeven.


وَ اِذَاۤ اَنۡعَمۡنَا عَلَی الۡاِنۡسَانِ اَعۡرَضَ وَ نَاٰ بِجَانِبِہٖ ۚ وَ اِذَا مَسَّہُ الشَّرُّ فَذُوۡ دُعَآءٍ عَرِیۡضٍ ﴿۵۱﴾

041.051 Wa-itha anAAamna AAala al-insani aAArada wanaa bijanibihi wa-itha massahu alshsharru fathoo duAAa-in AAareedin

En wanneer Wij de mens genade schenken, wendt hij zich af en gaat opzij. Maar wanneer hem het kwaad treft dan is hij breedsprakig in het gebed.


قُلۡ اَرَءَیۡتُمۡ اِنۡ کَانَ مِنۡ عِنۡدِ اللّٰہِ ثُمَّ کَفَرۡتُمۡ بِہٖ مَنۡ اَضَلُّ مِمَّنۡ ہُوَ فِیۡ شِقَاقٍۭ بَعِیۡدٍ ﴿۵۲﴾

041.052 Qul araaytum in kana min AAindi Allahi thumma kafartum bihi man adallu mimman huwa fee shiqaqin baAAeedin

Zeg: "Hoe zien jullie het? Als het van Allah afkomstig is en jullie hechten er dan geen geloof aan? Wie dwaalt er meer dan wie het er vergaand mee oneens is?"


سَنُرِیۡہِمۡ اٰیٰتِنَا فِی الۡاٰفَاقِ وَ فِیۡۤ اَنۡفُسِہِمۡ حَتّٰی یَتَبَیَّنَ لَہُمۡ اَنَّہُ الۡحَقُّ ؕ اَوَ لَمۡ یَکۡفِ بِرَبِّکَ اَنَّہٗ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ شَہِیۡدٌ ﴿۵۳﴾

041.053 Sanureehim ayatina fee al-afaqi wafee anfusihim hatta yatabayyana lahum annahu alhaqqu awa lam yakfi birabbika annahu AAala kulli shay-in shaheedun

Wij zullen hun Onze tekenen aan de horizonten en in henzelf laten zien zodat het voor hen duidelijk wordt dat het de waarheid is. Is het dan niet genoeg dat jouw Heer over alles getuige is?


اَلَاۤ اِنَّہُمۡ فِیۡ مِرۡیَۃٍ مِّنۡ لِّقَآءِ رَبِّہِمۡ ؕ اَلَاۤ اِنَّہٗ بِکُلِّ شَیۡءٍ مُّحِیۡطٌ ﴿٪۵۴﴾

041.054 Ala innahum fee miryatin min liqa-i rabbihim ala innahu bikulli shay-in muheetun

Toch verkeren zij in twijfel over de ontmoeting met hun Heer en toch omvat Hij alles.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

حٰمٓ ۚ﴿۱﴾

042.001 Ha-meem

H[aa?] Mpem].


عٓسٓقٓ ﴿۲﴾

042.002 AAayn-seen-qaf

'[Ain] S[ien] K[aaf].


کَذٰلِکَ یُوۡحِیۡۤ اِلَیۡکَ وَ اِلَی الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِکَ ۙ اللّٰہُ الۡعَزِیۡزُ الۡحَکِیۡمُ ﴿۳﴾

042.003 Kathalika yoohee ilayka wa-ila allatheena min qablika Allahu alAAazeezu alhakeemu

Zo openbaart Allah, de machtige, de wijze, aan jou en aan hen die er voor jouw tijd waren.


لَہٗ مَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ مَا فِی الۡاَرۡضِ ؕ وَ ہُوَ الۡعَلِیُّ الۡعَظِیۡمُ ﴿۴﴾

042.004 Lahu ma fee alssamawati wama fee al-ardi wahuwa alAAaliyyu alAAatheemu

Van Hem is wat er in de hemelen en wat er op de aarde is en Hij is de verhevene, de geweldige.


تَکَادُ السَّمٰوٰتُ یَتَفَطَّرۡنَ مِنۡ فَوۡقِہِنَّ وَ الۡمَلٰٓئِکَۃُ یُسَبِّحُوۡنَ بِحَمۡدِ رَبِّہِمۡ وَ یَسۡتَغۡفِرُوۡنَ لِمَنۡ فِی الۡاَرۡضِ ؕ اَلَاۤ اِنَّ اللّٰہَ ہُوَ الۡغَفُوۡرُ الرَّحِیۡمُ ﴿۵﴾

042.005 Takadu alssamawatu yatafattarna min fawqihinna waalmala-ikatu yusabbihoona bihamdi rabbihim wayastaghfiroona liman fee al-ardi ala inna Allaha huwa alghafooru alrraheemu

Bijna zouden de hemelen boven hen barsten; de engelen prijzen de lof van hun Heer en zij vragen om vergeving voor wie er op de aarde zijn. Is Allah niet de vergevende, de barmhartige?


وَ الَّذِیۡنَ اتَّخَذُوۡا مِنۡ دُوۡنِہٖۤ اَوۡلِیَآءَ اللّٰہُ حَفِیۡظٌ عَلَیۡہِمۡ ۫ۖ وَ مَاۤ اَنۡتَ عَلَیۡہِمۡ بِوَکِیۡلٍ ﴿۶﴾

042.006 Waallatheena ittakhathoo min doonihi awliyaa Allahu hafeethun AAalayhim wama anta AAalayhim biwakeelin

Van hen die zich in plaats van Allah beschermers genomen hebben is Allah een bewaker en jij bent niet voogd over hen.


وَ کَذٰلِکَ اَوۡحَیۡنَاۤ اِلَیۡکَ قُرۡاٰنًا عَرَبِیًّا لِّتُنۡذِرَ اُمَّ الۡقُرٰی وَ مَنۡ حَوۡلَہَا وَ تُنۡذِرَ یَوۡمَ الۡجَمۡعِ لَا رَیۡبَ فِیۡہِ ؕ فَرِیۡقٌ فِی الۡجَنَّۃِ وَ فَرِیۡقٌ فِی السَّعِیۡرِ ﴿۷﴾

042.007 Wakathalika awhayna ilayka qur-anan AAarabiyyan litunthira omma alqura waman hawlaha watunthira yawma aljamAAi la rayba feehi fareequn fee aljannati wafareequn fee alssaAAeeri

En zo hebben Wij aan jou een Arabische Koran geopenbaard, opdat jij er de hoofdstad [Mekka] en wie er omheen wonen mee waarschuwt en opdat jij waarschuwt voor de dag van de bijeenzameling waaraan geen twijfel is: een groep in de tuin en een groep in de vuurgloed.


وَ لَوۡ شَآءَ اللّٰہُ لَجَعَلَہُمۡ اُمَّۃً وَّاحِدَۃً وَّ لٰکِنۡ یُّدۡخِلُ مَنۡ یَّشَآءُ فِیۡ رَحۡمَتِہٖ ؕ وَ الظّٰلِمُوۡنَ مَا لَہُمۡ مِّنۡ وَّلِیٍّ وَّ لَا نَصِیۡرٍ ﴿۸﴾

042.008 Walaw shaa Allahu lajaAAalahum ommatan wahidatan walakin yudkhilu man yashao fee rahmatihi waalththalimoona ma lahum min waliyyin wala naseerin

En als Allah het gewild had zou Hij hen tot ťťn gemeenschap gemaakt hebben, maar Hij laat in Zijn barmhartigheid binnengaan wie Hij wil. En de onrechtplegers hebben geen beschermer en geen helper.


اَمِ اتَّخَذُوۡا مِنۡ دُوۡنِہٖۤ اَوۡلِیَآءَ ۚ فَاللّٰہُ ہُوَ الۡوَلِیُّ وَ ہُوَ یُحۡیِ الۡمَوۡتٰی ۫ وَ ہُوَ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرٌ ٪﴿۹﴾

042.009 Ami ittakhathoo min doonihi awliyaa faAllahu huwa alwaliyyu wahuwa yuhyee almawta wahuwa AAala kulli shay-in qadeerun

Of hebben zij zich in plaats van Hem beschermers genomen? Maar Allah is de beschermer en Hij maakt de doden levend en Hij is almachtig.


وَ مَا اخۡتَلَفۡتُمۡ فِیۡہِ مِنۡ شَیۡءٍ فَحُکۡمُہٗۤ اِلَی اللّٰہِ ؕ ذٰلِکُمُ اللّٰہُ رَبِّیۡ عَلَیۡہِ تَوَکَّلۡتُ ٭ۖ وَ اِلَیۡہِ اُنِیۡبُ ﴿۱۰﴾

042.010 Wama ikhtalaftum feehi min shay-in fahukmuhu ila Allahi thalikumu Allahu rabbee AAalayhi tawakkaltu wa-ilayhi oneebu

En waarover jullie het ook oneens zijn, het oordeel erover komt Allah toe. Dat is Allah, mijn Heer. Op Hem stel ik mijn vertrouwen en tot Hem wend ik mij schuldbewust.


فَاطِرُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ جَعَلَ لَکُمۡ مِّنۡ اَنۡفُسِکُمۡ اَزۡوَاجًا وَّ مِنَ الۡاَنۡعَامِ اَزۡوَاجًا ۚ یَذۡرَؤُکُمۡ فِیۡہِ ؕ لَیۡسَ کَمِثۡلِہٖ شَیۡءٌ ۚ وَ ہُوَ السَّمِیۡعُ الۡبَصِیۡرُ ﴿۱۱﴾

042.011 Fatiru alssamawati waal-ardi jaAAala lakum min anfusikum azwajan wamina al-anAAami azwajan yathraokum feehi laysa kamithlihi shay-on wahuwa alssameeAAu albaseeru

De grondlegger van de hemelen en de aarde. Hij heeft uit jullie eigen midden echtgenotes voor jullie gemaakt en ook uit het vee paren; daarmee vermeerdert Hij jullie. Niets is aan Hem gelijk. Hij is de horende, de doorziende.


لَہٗ مَقَالِیۡدُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ۚ یَبۡسُطُ الرِّزۡقَ لِمَنۡ یَّشَآءُ وَ یَقۡدِرُ ؕ اِنَّہٗ بِکُلِّ شَیۡءٍ عَلِیۡمٌ ﴿۱۲﴾

042.012 Lahu maqaleedu alssamawati waal-ardi yabsutu alrrizqa liman yashao wayaqdiru innahu bikulli shay-in AAaleemun

Hij heeft de sleutels van de hemelen en de aarde. Hij voorziet ruimschoots in het levensonderhoud van wie Hij wil en ook met mate. Hij is alwetend. *


شَرَعَ لَکُمۡ مِّنَ الدِّیۡنِ مَا وَصّٰی بِہٖ نُوۡحًا وَّ الَّذِیۡۤ اَوۡحَیۡنَاۤ اِلَیۡکَ وَ مَا وَصَّیۡنَا بِہٖۤ اِبۡرٰہِیۡمَ وَ مُوۡسٰی وَ عِیۡسٰۤی اَنۡ اَقِیۡمُوا الدِّیۡنَ وَ لَا تَتَفَرَّقُوۡا فِیۡہِ ؕ کَبُرَ عَلَی الۡمُشۡرِکِیۡنَ مَا تَدۡعُوۡہُمۡ اِلَیۡہِ ؕ اَللّٰہُ یَجۡتَبِیۡۤ اِلَیۡہِ مَنۡ یَّشَآءُ وَ یَہۡدِیۡۤ اِلَیۡہِ مَنۡ یُّنِیۡبُ ﴿۱۳﴾

042.013 SharaAAa lakum mina alddeeni ma wassa bihi noohan waallathee awhayna ilayka wama wassayna bihi ibraheema wamoosa waAAeesa an aqeemoo alddeena wala tatafarraqoo feehi kabura AAala almushrikeena ma tadAAoohum ilayhi Allahu yajtabee ilayhi man yashao wayahdee ilayhi man yuneebu

Hij verordineert voor jullie van de godsdienst wat Hij aan Noeh had opgedragen en wat Wij aan jou geopenbaard hebben en wat Wij aan Ibrahiem, Moesa en 'Isa hadden opgedragen: Houdt de godsdienst in stand en splitst jullie daarin niet op in groepen. De veelgodendienaars vinden het erg waartoe jij hen oproept. Allah verkiest daartoe wie Hij wil en wijst wie schuldbewust is er de goede richting heen.


وَ مَا تَفَرَّقُوۡۤا اِلَّا مِنۡۢ بَعۡدِ مَا جَآءَہُمُ الۡعِلۡمُ بَغۡیًۢا بَیۡنَہُمۡ ؕ وَ لَوۡ لَا کَلِمَۃٌ سَبَقَتۡ مِنۡ رَّبِّکَ اِلٰۤی اَجَلٍ مُّسَمًّی لَّقُضِیَ بَیۡنَہُمۡ ؕ وَ اِنَّ الَّذِیۡنَ اُوۡرِثُوا الۡکِتٰبَ مِنۡۢ بَعۡدِہِمۡ لَفِیۡ شَکٍّ مِّنۡہُ مُرِیۡبٍ ﴿۱۴﴾

042.014 Wama tafarraqoo illa min baAAdi ma jaahumu alAAilmu baghyan baynahum walawla kalimatun sabaqat min rabbika ila ajalin musamman laqudiya baynahum wa-inna allatheena oorithoo alkitaba min baAAdihim lafee shakkin minhu mureebin

Zij splitsten zich uit onderlinge nijd pas nadat tot hen de kennis was gekomen in groepen op. En als er al niet eerder een woord van jouw Heer over een vastgestelde termijn gekomen was, dan was er tussen hen al een beslissing getroffen. Maar zij die na hen het boek als erfdeel hebben gekregen verkeren in hevige twijfel.


فَلِذٰلِکَ فَادۡعُ ۚ وَ اسۡتَقِمۡ کَمَاۤ اُمِرۡتَ ۚ وَ لَا تَتَّبِعۡ اَہۡوَآءَہُمۡ ۚ وَ قُلۡ اٰمَنۡتُ بِمَاۤ اَنۡزَلَ اللّٰہُ مِنۡ کِتٰبٍ ۚ وَ اُمِرۡتُ لِاَعۡدِلَ بَیۡنَکُمۡ ؕ اَللّٰہُ رَبُّنَا وَ رَبُّکُمۡ ؕ لَنَاۤ اَعۡمَالُنَا وَ لَکُمۡ اَعۡمَالُکُمۡ ؕ لَا حُجَّۃَ بَیۡنَنَا وَ بَیۡنَکُمۡ ؕ اَللّٰہُ یَجۡمَعُ بَیۡنَنَا ۚ وَ اِلَیۡہِ الۡمَصِیۡرُ ﴿ؕ۱۵﴾

042.015 Falithalika faodAAu waistaqim kama omirta wala tattabiAA ahwaahum waqul amantu bima anzala Allahu min kitabin waomirtu li-aAAdila baynakum Allahu rabbuna warabbukum lana aAAmaluna walakum aAAmalukum la hujjata baynana wabaynakumu Allahu yajmaAAu baynana wa-ilayhi almaseeru

Doe daarom dus de oproep en handel correct zoals aan jou is bevolen en volg hun neigingen niet. En zeg: "Ik geloof in wat Allah als boek heeft neergezonden en aan mij is bevolen bij jullie rechtvaardig te handelen. Allah is onze Heer en jullie Heer; wij hebben onze daden en jullie hebben jullie daden. Er is tussen ons en jullie geen tegenspraak; Allah zal ons samenbrengen en bij Hem is de bestemming."


وَ الَّذِیۡنَ یُحَآجُّوۡنَ فِی اللّٰہِ مِنۡۢ بَعۡدِ مَا اسۡتُجِیۡبَ لَہٗ حُجَّتُہُمۡ دَاحِضَۃٌ عِنۡدَ رَبِّہِمۡ وَ عَلَیۡہِمۡ غَضَبٌ وَّ لَہُمۡ عَذَابٌ شَدِیۡدٌ ﴿۱۶﴾

042.016 Waallatheena yuhajjoona fee Allahi min baAAdi ma istujeeba lahu hujjatuhum dahidatun AAinda rabbihim waAAalayhim ghadabun walahum AAathabun shadeedun

En van hen die over Allah redetwisten nadat aan Hem gehoor gegeven was, is de tegenspraak bij Allah weerlegd; op hen rust toorn en voor hen is er een strenge bestraffing.


اَللّٰہُ الَّذِیۡۤ اَنۡزَلَ الۡکِتٰبَ بِالۡحَقِّ وَ الۡمِیۡزَانَ ؕ وَ مَا یُدۡرِیۡکَ لَعَلَّ السَّاعَۃَ قَرِیۡبٌ ﴿۱۷﴾

042.017 Allahu allathee anzala alkitaba bialhaqqi waalmeezani wama yudreeka laAAalla alssaAAata qareebun

Allah is het die het boek met de waarheid neergezonden heeft en ook de weegschaal. En hoe zul jij te weten komen of misschien het uur dichtbij is?


یَسۡتَعۡجِلُ بِہَا الَّذِیۡنَ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ بِہَا ۚ وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا مُشۡفِقُوۡنَ مِنۡہَا ۙ وَ یَعۡلَمُوۡنَ اَنَّہَا الۡحَقُّ ؕ اَلَاۤ اِنَّ الَّذِیۡنَ یُمَارُوۡنَ فِی السَّاعَۃِ لَفِیۡ ضَلٰلٍۭ بَعِیۡدٍ ﴿۱۸﴾

042.018 YastaAAjilu biha allatheena la yu/minoona biha waallatheena amanoo mushfiqoona minha wayaAAlamoona annaha alhaqqu ala inna allatheena yumaroona fee alssaAAati lafee dalalin baAAeedin

Zij die er niet aan geloven willen het verhaasten, maar zij die eraan geloven hebben er ontzag voor. Zij weten dat het werkelijkheid is. Zeker, zij die over het uur twisten zijn ver afgedwaald.


اَللّٰہُ لَطِیۡفٌۢ بِعِبَادِہٖ یَرۡزُقُ مَنۡ یَّشَآءُ ۚ وَ ہُوَ الۡقَوِیُّ الۡعَزِیۡزُ ﴿٪۱۹﴾

042.019 Allahu lateefun biAAibadihi yarzuqu man yashao wahuwa alqawiyyu alAAazeezu

Allah is zachtmoedig voor Zijn dienaren, Hij voorziet wie Hij wil, en Hij is de sterke, de almachtige.


مَنۡ کَانَ یُرِیۡدُ حَرۡثَ الۡاٰخِرَۃِ نَزِدۡ لَہٗ فِیۡ حَرۡثِہٖ ۚ وَ مَنۡ کَانَ یُرِیۡدُ حَرۡثَ الدُّنۡیَا نُؤۡتِہٖ مِنۡہَا وَ مَا لَہٗ فِی الۡاٰخِرَۃِ مِنۡ نَّصِیۡبٍ ﴿۲۰﴾

042.020 Man kana yureedu hartha al-akhirati nazid lahu fee harthihi waman kana yureedu hartha alddunya nu/tihi minha wama lahu fee al-akhirati min naseebin

Wie de oogst van het hiernamaals wenst, diens oogst vermeerderen Wij en wie de oogst van het tegenwoordige leven wenst, die geven Wij ervan, maar een aandeel in het hiernamaals heeft hij niet.


اَمۡ لَہُمۡ شُرَکٰٓؤُا شَرَعُوۡا لَہُمۡ مِّنَ الدِّیۡنِ مَا لَمۡ یَاۡذَنۡۢ بِہِ اللّٰہُ ؕ وَ لَوۡ لَا کَلِمَۃُ الۡفَصۡلِ لَقُضِیَ بَیۡنَہُمۡ ؕ وَ اِنَّ الظّٰلِمِیۡنَ لَہُمۡ عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿۲۱﴾

042.021 Am lahum shurakao sharaAAoo lahum mina alddeeni ma lam ya/than bihi Allahu walawla kalimatu alfasli laqudiya baynahum wa-inna alththalimeena lahum AAathabun aleemun

Of hebben zij [zogenaamde] metgezellen [van Allah] die voor hen van de godsdienst dat verordineren wat Allah niet toegestaan heeft? En als er niet een beschikkingswoord geweest was dan was er tussen hen al een beslissing getroffen. Voor de onrechtplegers is er echt een pijnlijke bestraffing.


تَرَی الظّٰلِمِیۡنَ مُشۡفِقِیۡنَ مِمَّا کَسَبُوۡا وَ ہُوَ وَاقِعٌۢ بِہِمۡ ؕ وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ فِیۡ رَوۡضٰتِ الۡجَنّٰتِ ۚ لَہُمۡ مَّا یَشَآءُوۡنَ عِنۡدَ رَبِّہِمۡ ؕ ذٰلِکَ ہُوَ الۡفَضۡلُ الۡکَبِیۡرُ ﴿۲۲﴾

042.022 Tara alththalimeena mushfiqeena mimma kasaboo wahuwa waqiAAun bihim waallatheena amanoo waAAamiloo alssalihati fee rawdati aljannati lahum ma yashaoona AAinda rabbihim thalika huwa alfadlu alkabeeru

Jij zult dan de onrechtplegers terug zien deinzen voor wat zij begaan hebben, terwijl het hen overvalt. Maar zij die geloven en de deugdelijke daden doen zullen in de hoven van de tuinen zijn. Zij hebben bij hun Heer wat zij willen. Dat is de grote goedgunstigheid.


ذٰلِکَ الَّذِیۡ یُبَشِّرُ اللّٰہُ عِبَادَہُ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ ؕ قُلۡ لَّاۤ اَسۡـَٔلُکُمۡ عَلَیۡہِ اَجۡرًا اِلَّا الۡمَوَدَّۃَ فِی الۡقُرۡبٰی ؕ وَ مَنۡ یَّقۡتَرِفۡ حَسَنَۃً نَّزِدۡ لَہٗ فِیۡہَا حُسۡنًا ؕ اِنَّ اللّٰہَ غَفُوۡرٌ شَکُوۡرٌ ﴿۲۳﴾

042.023 Thalika allathee yubashshiru Allahu AAibadahu allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati qul la as-alukum AAalayhi ajran illa almawaddata fee alqurba waman yaqtarif hasanatan nazid lahu feeha husnan inna Allaha ghafoorun shakoorun

Dat is het goede nieuws dat Allah verkondigt aan Zijn dienaren die geloven en de deugdelijke daden doen. Zeg: "Ik vraag er geen loon voor, slechts de [normale] vriendelijkheid van verwanten." En als iemand een goede daad doet, dan zullen Wij het goede daarin voor hem vermeerderen. Allah is vergevend en dank betuigend.


اَمۡ یَقُوۡلُوۡنَ افۡتَرٰی عَلَی اللّٰہِ کَذِبًا ۚ فَاِنۡ یَّشَاِ اللّٰہُ یَخۡتِمۡ عَلٰی قَلۡبِکَ ؕ وَ یَمۡحُ اللّٰہُ الۡبَاطِلَ وَ یُحِقُّ الۡحَقَّ بِکَلِمٰتِہٖ ؕ اِنَّہٗ عَلِیۡمٌۢ بِذَاتِ الصُّدُوۡرِ ﴿۲۴﴾

042.024 Am yaqooloona iftara AAala Allahi kathiban fa-in yasha-i Allahu yakhtim AAala qalbika wayamhu Allahu albatila wayuhiqqu alhaqqa bikalimatihi innahu AAaleemun bithati alssudoori

Of zeggen zij: "Hij heeft over Allah een leugen verzonnen"? Als Allah wil verzegelt Hij jouw hart. Allah wist de onzin uit en bevestigt de waarheid met Zijn woorden. Hij weet wat er binnen in de harten is.


وَ ہُوَ الَّذِیۡ یَقۡبَلُ التَّوۡبَۃَ عَنۡ عِبَادِہٖ وَ یَعۡفُوۡا عَنِ السَّیِّاٰتِ وَ یَعۡلَمُ مَا تَفۡعَلُوۡنَ ﴿ۙ۲۵﴾

042.025 Wahuwa allathee yaqbalu alttawbata AAan AAibadihi wayaAAfoo AAani alssayyi-ati wayaAAlamu ma tafAAaloona

Hij is het die het berouw van Zijn dienaren aanneemt en de slechte daden niet aanrekent en Hij weet wat jullie doen.


وَ یَسۡتَجِیۡبُ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ وَ یَزِیۡدُہُمۡ مِّنۡ فَضۡلِہٖ ؕ وَ الۡکٰفِرُوۡنَ لَہُمۡ عَذَابٌ شَدِیۡدٌ ﴿۲۶﴾

042.026 Wayastajeebu allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati wayazeeduhum min fadlihi waalkafiroona lahum AAathabun shadeedun

En Hij verhoort hen die geloven en de deugdelijke daden doen en Hij zal hun van Zijn goedgunstigheid nog meer geven. Maar de ongelovigen, voor hen is er een strenge bestraffing.


وَ لَوۡ بَسَطَ اللّٰہُ الرِّزۡقَ لِعِبَادِہٖ لَبَغَوۡا فِی الۡاَرۡضِ وَ لٰکِنۡ یُّنَزِّلُ بِقَدَرٍ مَّا یَشَآءُ ؕ اِنَّہٗ بِعِبَادِہٖ خَبِیۡرٌۢ بَصِیۡرٌ ﴿۲۷﴾

042.027 Walaw basata Allahu alrrizqa liAAibadihi labaghaw fee al-ardi walakin yunazzilu biqadarin ma yashao innahu biAAibadihi khabeerun baseerun

En als Allah ruimschoots in het levensonderhoud van Zijn dienaren zou voorzien dan zouden zij zich op de aarde onrechtmatig gedragen, maar Hij laat wat Hij wil met mate neerdalen. Allah is over Zijn dienaren goed ingelicht en Hij doorziet hen.


وَ ہُوَ الَّذِیۡ یُنَزِّلُ الۡغَیۡثَ مِنۡۢ بَعۡدِ مَا قَنَطُوۡا وَ یَنۡشُرُ رَحۡمَتَہٗ ؕ وَ ہُوَ الۡوَلِیُّ الۡحَمِیۡدُ ﴿۲۸﴾

042.028 Wahuwa allathee yunazzilu alghaytha min baAAdi ma qanatoo wayanshuru rahmatahu wahuwa alwaliyyu alhameedu

Hij is het die de regen laat neerdalen nadat zij de hoop hadden opgegeven en Hij spreidt Zijn barmhartigheid uit; Hij is de beschermheer, de lofwaardige.


وَ مِنۡ اٰیٰتِہٖ خَلۡقُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ وَ مَا بَثَّ فِیۡہِمَا مِنۡ دَآبَّۃٍ ؕ وَ ہُوَ عَلٰی جَمۡعِہِمۡ اِذَا یَشَآءُ قَدِیۡرٌ ﴿٪۲۹﴾

042.029 Wamin ayatihi khalqu alssamawati waal-ardi wama baththa feehima min dabbatin wahuwa AAala jamAAihim itha yashao qadeerun

Tot Zijn tekenen behoort de schepping van de hemelen en de aarde en de dieren die Hij erop heeft verspreid. En als Hij wil is Hij bij machte om hen bijeen te brengen.


وَ مَاۤ اَصَابَکُمۡ مِّنۡ مُّصِیۡبَۃٍ فَبِمَا کَسَبَتۡ اَیۡدِیۡکُمۡ وَ یَعۡفُوۡا عَنۡ کَثِیۡرٍ ﴿ؕ۳۰﴾

042.030 Wama asabakum min museebatin fabima kasabat aydeekum wayaAAfoo AAan katheerin

En het onheil dat jullie treft, het is voor wat jullie handen begaan hebben. Maar Hij scheldt veel kwijt.


وَ مَاۤ اَنۡتُمۡ بِمُعۡجِزِیۡنَ فِی الۡاَرۡضِ ۚۖ وَ مَا لَکُمۡ مِّنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ مِنۡ وَّلِیٍّ وَّ لَا نَصِیۡرٍ ﴿۳۱﴾

042.031 Wama antum bimuAAjizeena fee al-ardi wama lakum min dooni Allahi min waliyyin wala naseerin

En jullie kunnen er op aarde niets tegen doen en jullie hebben buiten Allah geen beschermer noch helper.


وَ مِنۡ اٰیٰتِہِ الۡجَوَارِ فِی الۡبَحۡرِ کَالۡاَعۡلَامِ ﴿ؕ۳۲﴾

042.032 Wamin ayatihi aljawari fee albahri kaal-aAAlami

En tot Zijn tekenen behoren de schepen die als bergen op de zee varen.


اِنۡ یَّشَاۡ یُسۡکِنِ الرِّیۡحَ فَیَظۡلَلۡنَ رَوَاکِدَ عَلٰی ظَہۡرِہٖ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیٰتٍ لِّکُلِّ صَبَّارٍ شَکُوۡرٍ ﴿ۙ۳۳﴾

042.033 In yasha/ yuskini alrreeha fayathlalna rawakida AAala thahrihi inna fee thalika laayatin likulli sabbarin shakoorin

Als Hij wil laat Hij de wind gaan liggen zodat zij bewegingloos op haar oppervlak blijven liggen. Daarin zijn zeker tekenen voor ieder die geduldig volhardt en die dank betuigt.


اَوۡ یُوۡبِقۡہُنَّ بِمَا کَسَبُوۡا وَ یَعۡفُ عَنۡ کَثِیۡرٍ ﴿۫۳۴﴾

042.034 Aw yoobiqhunna bima kasaboo wayaAAfu AAan katheerin

Of Hij laat ze ondergaan voor wat zij begaan hebben. Maar Hij scheldt veel kwijt.


وَّ یَعۡلَمَ الَّذِیۡنَ یُجَادِلُوۡنَ فِیۡۤ اٰیٰتِنَا ؕ مَا لَہُمۡ مِّنۡ مَّحِیۡصٍ ﴿۳۵﴾

042.035 WayaAAlama allatheena yujadiloona fee ayatina ma lahum min maheesin

Zij die over Zijn tekenen twisten moeten maar weten dat er voor hen geen ontsnapping is.


فَمَاۤ اُوۡتِیۡتُمۡ مِّنۡ شَیۡءٍ فَمَتَاعُ الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا ۚ وَ مَا عِنۡدَ اللّٰہِ خَیۡرٌ وَّ اَبۡقٰی لِلَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَلٰی رَبِّہِمۡ یَتَوَکَّلُوۡنَ ﴿ۚ۳۶﴾

042.036 Fama ooteetum min shay-in famataAAu alhayati alddunya wama AAinda Allahi khayrun waabqa lillatheena amanoo waAAala rabbihim yatawakkaloona

Wat jullie ook gegeven is, het is het genot van het tegenwoordige leven, maar wat van Allah komt is beter en onvergankelijker voor hen die geloven en hun vertrouwen op hun Heer stellen


وَ الَّذِیۡنَ یَجۡتَنِبُوۡنَ کَبٰٓئِرَ الۡاِثۡمِ وَ الۡفَوَاحِشَ وَ اِذَا مَا غَضِبُوۡا ہُمۡ یَغۡفِرُوۡنَ ﴿ۚ۳۷﴾

042.037 Waallatheena yajtaniboona kaba-ira al-ithmi waalfawahisha wa-itha ma ghadiboo hum yaghfiroona

en die de grote zonden en gruwelijkheden vermijden en wanneer zij boos worden toch vergevensgezind zijn


وَ الَّذِیۡنَ اسۡتَجَابُوۡا لِرَبِّہِمۡ وَ اَقَامُوا الصَّلٰوۃَ ۪ وَ اَمۡرُہُمۡ شُوۡرٰی بَیۡنَہُمۡ ۪ وَ مِمَّا رَزَقۡنٰہُمۡ یُنۡفِقُوۡنَ ﴿ۚ۳۸﴾

042.038 Waallatheena istajaboo lirabbihim waaqamoo alssalata waamruhum shoora baynahum wamimma razaqnahum yunfiqoona

en die gehoor geven aan hun Heer en de salaat verrichten, wier beleid onderling beraad is en die van wat Wij hun voor hun levensonderhoud gegeven hebben bijdragen geven


وَ الَّذِیۡنَ اِذَاۤ اَصَابَہُمُ الۡبَغۡیُ ہُمۡ یَنۡتَصِرُوۡنَ ﴿۳۹﴾

042.039 Waallatheena itha asabahumu albaghyu hum yantasiroona

en die weerstand bieden wanneer hen gewelddadigheid treft.


وَ جَزٰٓؤُا سَیِّئَۃٍ سَیِّئَۃٌ مِّثۡلُہَا ۚ فَمَنۡ عَفَا وَ اَصۡلَحَ فَاَجۡرُہٗ عَلَی اللّٰہِ ؕ اِنَّہٗ لَا یُحِبُّ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۴۰﴾

042.040 Wajazao sayyi-atin sayyi-atun mithluha faman AAafa waaslaha faajruhu AAala Allahi innahu la yuhibbu alththalimeena

De vergelding voor een slechte daad is een overeenkomstige slechte daad. Maar als iemand kwijtscheldt en het weer goedmaakt, dan is zijn beloning Allah's taak; Hij bemint de onrechtplegers niet.


وَ لَمَنِ انۡتَصَرَ بَعۡدَ ظُلۡمِہٖ فَاُولٰٓئِکَ مَا عَلَیۡہِمۡ مِّنۡ سَبِیۡلٍ ﴿ؕ۴۱﴾

042.041 Walamani intasara baAAda thulmihi faola-ika ma AAalayhim min sabeelin

Maar zij die weerstand bieden nadat hun onrecht is aangedaan, hun kan men niets verwijten.


اِنَّمَا السَّبِیۡلُ عَلَی الَّذِیۡنَ یَظۡلِمُوۡنَ النَّاسَ وَ یَبۡغُوۡنَ فِی الۡاَرۡضِ بِغَیۡرِ الۡحَقِّ ؕ اُولٰٓئِکَ لَہُمۡ عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿۴۲﴾

042.042 Innama alssabeelu AAala allatheena yathlimoona alnnasa wayabghoona fee al-ardi bighayri alhaqqi ola-ika lahum AAathabun aleemun

Wel kan men hun iets verwijten die de mensen onrecht aandoen en die zich zonder enig recht op de aarde onrechtmatig gedragen; zij zijn het voor wie er een pijnlijke bestraffing is.


وَ لَمَنۡ صَبَرَ وَ غَفَرَ اِنَّ ذٰلِکَ لَمِنۡ عَزۡمِ الۡاُمُوۡرِ ﴿٪۴۳﴾

042.043 Walaman sabara waghafara inna thalika lamin AAazmi al-omoori

En als iemand geduldig volhardt en vergevensgezind blijft, dan is dat een zaak van vastbeslotenheid.


وَ مَنۡ یُّضۡلِلِ اللّٰہُ فَمَا لَہٗ مِنۡ وَّلِیٍّ مِّنۡۢ بَعۡدِہٖ ؕ وَ تَرَی الظّٰلِمِیۡنَ لَمَّا رَاَوُا الۡعَذَابَ یَقُوۡلُوۡنَ ہَلۡ اِلٰی مَرَدٍّ مِّنۡ سَبِیۡلٍ ﴿ۚ۴۴﴾

042.044 Waman yudlili Allahu fama lahu min waliyyin min baAAdihi watara alththalimeena lamma raawoo alAAathaba yaqooloona hal ila maraddin min sabeelin

Wie door Allah tot dwaling gebracht wordt heeft daarna geen beschermer meer. En je ziet de onrechtplegers zeggen wanneer zij de bestraffing zien: "Is er nog een weg om terug te keren?"


وَ تَرٰىہُمۡ یُعۡرَضُوۡنَ عَلَیۡہَا خٰشِعِیۡنَ مِنَ الذُّلِّ یَنۡظُرُوۡنَ مِنۡ طَرۡفٍ خَفِیٍّ ؕ وَ قَالَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اِنَّ الۡخٰسِرِیۡنَ الَّذِیۡنَ خَسِرُوۡۤا اَنۡفُسَہُمۡ وَ اَہۡلِیۡہِمۡ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ ؕ اَلَاۤ اِنَّ الظّٰلِمِیۡنَ فِیۡ عَذَابٍ مُّقِیۡمٍ ﴿۴۵﴾

042.045 Watarahum yuAAradoona AAalayha khashiAAeena mina alththulli yanthuroona min tarfin khafiyyin waqala allatheena amanoo inna alkhasireena allatheena khasiroo anfusahum waahleehim yawma alqiyamati ala inna alththalimeena fee AAathabin muqeemin

En jij ziet dat zij, deemoedig door de vernedering, eraan worden blootgesteld, terwijl zij steels uit de ooghoeken kijken. Maar zij die geloven zeggen: "De verliezers zijn zij die zichzelf en hun families verliezen op de opstandingsdag." Zeker, de onrechtplegers bevinden zich in een blijvende bestraffing.


وَ مَا کَانَ لَہُمۡ مِّنۡ اَوۡلِیَآءَ یَنۡصُرُوۡنَہُمۡ مِّنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ ؕ وَ مَنۡ یُّضۡلِلِ اللّٰہُ فَمَا لَہٗ مِنۡ سَبِیۡلٍ ﴿ؕ۴۶﴾

042.046 Wama kana lahum min awliyaa yansuroonahum min dooni Allahi waman yudlili Allahu fama lahu min sabeelin

Zij hebben geen beschermers die hen in plaats van Allah kunnen helpen. Wie door Allah tot dwaling wordt gebracht, voor hem is er geen weg.


اِسۡتَجِیۡبُوۡا لِرَبِّکُمۡ مِّنۡ قَبۡلِ اَنۡ یَّاۡتِیَ یَوۡمٌ لَّا مَرَدَّ لَہٗ مِنَ اللّٰہِ ؕ مَا لَکُمۡ مِّنۡ مَّلۡجَاٍ یَّوۡمَئِذٍ وَّ مَا لَکُمۡ مِّنۡ نَّکِیۡرٍ ﴿۴۷﴾

042.047 Istajeeboo lirabbikum min qabli an ya/tiya yawmun la maradda lahu mina Allahi ma lakum min malja-in yawma-ithin wama lakum min nakeerin

Geeft gehoor aan jullie Heer voordat er van Allah een dag komt waarvan geen terugkeer meer is. Voor jullie is er geen toevluchtsoord op die dag, noch een mogelijkheid te ontkennen.


فَاِنۡ اَعۡرَضُوۡا فَمَاۤ اَرۡسَلۡنٰکَ عَلَیۡہِمۡ حَفِیۡظًا ؕ اِنۡ عَلَیۡکَ اِلَّا الۡبَلٰغُ ؕ وَ اِنَّاۤ اِذَاۤ اَذَقۡنَا الۡاِنۡسَانَ مِنَّا رَحۡمَۃً فَرِحَ بِہَا ۚ وَ اِنۡ تُصِبۡہُمۡ سَیِّئَۃٌۢ بِمَا قَدَّمَتۡ اَیۡدِیۡہِمۡ فَاِنَّ الۡاِنۡسَانَ کَفُوۡرٌ ﴿۴۸﴾

042.048 Fa-in aAAradoo fama arsalnaka AAalayhim hafeethan in AAalayka illa albalaghu wa-inna itha athaqna al-insana minna rahmatan fariha biha wa-in tusibhum sayyi-atun bima qaddamat aydeehim fa-inna al-insana kafoorun

Als zij zich afwenden? Wij hebben jou niet als bewaker tot hen gezonden. Jij hebt slechts de plicht van de verkondiging. En wanneer Wij van Onze kant de mens barmhartigheid laten proeven, dan verheugt hij zich erover, maar als hem kwaad treft om wat hun handen eerder gedaan hebben dan is de mens ondankbaar.


لِلّٰہِ مُلۡکُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ یَخۡلُقُ مَا یَشَآءُ ؕیَہَبُ لِمَنۡ یَّشَآءُ اِنَاثًا وَّ یَہَبُ لِمَنۡ یَّشَآءُ الذُّکُوۡرَ ﴿ۙ۴۹﴾

042.049 Lillahi mulku alssamawati waal-ardi yakhluqu ma yashao yahabu liman yashao inathan wayahabu liman yashao alththukoora

Allah heeft de heerschappij over de hemelen en de aarde. Hij schept wat Hij wil; hij schenkt aan wie Hij wil vrouwelijk en aan wie Hij wil mannelijk nageslacht.


اَوۡ یُزَوِّجُہُمۡ ذُکۡرَانًا وَّ اِنَاثًا ۚ وَ یَجۡعَلُ مَنۡ یَّشَآءُ عَقِیۡمًا ؕ اِنَّہٗ عَلِیۡمٌ قَدِیۡرٌ ﴿۵۰﴾

042.050 Aw yuzawwijuhum thukranan wa-inathan wayajAAalu man yashao AAaqeeman innahu AAaleemun qadeerun

Of Hij geeft beide, mannelijk en vrouwelijk. En Hij maakt kinderloos wie Hij wil; Hij is wetend en vrij machtig.


وَ مَا کَانَ لِبَشَرٍ اَنۡ یُّکَلِّمَہُ اللّٰہُ اِلَّا وَحۡیًا اَوۡ مِنۡ وَّرَآیِٔ حِجَابٍ اَوۡ یُرۡسِلَ رَسُوۡلًا فَیُوۡحِیَ بِاِذۡنِہٖ مَا یَشَآءُ ؕ اِنَّہٗ عَلِیٌّ حَکِیۡمٌ ﴿۵۱﴾

042.051 Wama kana libasharin an yukallimahu Allahu illa wahyan aw min wara-i hijabin aw yursila rasoolan fayoohiya bi-ithnihi ma yashao innahu AAaliyyun hakeemun

En het is een mens niet gegeven dat Allah tot hem spreekt, anders dan door openbaring of vanachter een afscheiding of doordat Hij een gezant zendt die met Zijn toestemming openbaart wat Hij wil. Hij is verheven en wijs.


وَ کَذٰلِکَ اَوۡحَیۡنَاۤ اِلَیۡکَ رُوۡحًا مِّنۡ اَمۡرِنَا ؕ مَا کُنۡتَ تَدۡرِیۡ مَا الۡکِتٰبُ وَ لَا الۡاِیۡمَانُ وَ لٰکِنۡ جَعَلۡنٰہُ نُوۡرًا نَّہۡدِیۡ بِہٖ مَنۡ نَّشَآءُ مِنۡ عِبَادِنَا ؕ وَ اِنَّکَ لَتَہۡدِیۡۤ اِلٰی صِرَاطٍ مُّسۡتَقِیۡمٍ ﴿ۙ۵۲﴾

042.052 Wakathalika awhayna ilayka roohan min amrina ma kunta tadree ma alkitabu wala al-eemanu walakin jaAAalnahu nooran nahdee bihi man nashao min AAibadina wa-innaka latahdee ila siratin mustaqeemin

Zo hebben Wij aan jou een geest door Onze beschikking geopenbaard. Jij wist niet wat het boek, noch wat het geloof was, maar Wij hebben het tot een licht gemaakt waarmee Wij van Onze dienaren wie Wij willen de goede richting wijzen. En jij, jij wijst de richting naar een juiste weg,


صِرَاطِ اللّٰہِ الَّذِیۡ لَہٗ مَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ مَا فِی الۡاَرۡضِ ؕ اَلَاۤ اِلَی اللّٰہِ تَصِیۡرُ الۡاُمُوۡرُ ﴿٪۵۳﴾

042.053 Sirati Allahi allathee lahu ma fee alssamawati wama fee al-ardi ala ila Allahi taseeru al-omooru

naar de weg van Allah, van wie is wat er in de hemelen en wat er op de aarde is. Zeker, aan Allah worden uiteindelijk alle zaken voorgelegd.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

حٰمٓ ۚ﴿ۛ۱﴾

043.001 Ha-meem

Haa Miem


وَ الۡکِتٰبِ الۡمُبِیۡنِ ۙ﴿ۛ۲﴾

043.002 Waalkitabi almubeeni

Bij het duidelijke boek!


اِنَّا جَعَلۡنٰہُ قُرۡءٰنًا عَرَبِیًّا لَّعَلَّکُمۡ تَعۡقِلُوۡنَ ۚ﴿۳﴾

043.003 Inna jaAAalnahu qur-anan AAarabiyyan laAAallakum taAAqiloona

Wij hebben het tot een Arabische Koran gemaakt; misschien zullen jullie verstandig worden.


وَ اِنَّہٗ فِیۡۤ اُمِّ الۡکِتٰبِ لَدَیۡنَا لَعَلِیٌّ حَکِیۡمٌ ؕ﴿۴﴾

043.004 Wa-innahu fee ommi alkitabi ladayna laAAaliyyun hakeemun

En het is in het oorspronkelijke boek bij Ons, verheven en wijs.


اَفَنَضۡرِبُ عَنۡکُمُ الذِّکۡرَ صَفۡحًا اَنۡ کُنۡتُمۡ قَوۡمًا مُّسۡرِفِیۡنَ ﴿۵﴾

043.005 Afanadribu AAankumu alththikra safhan an kuntum qawman musrifeena

Zullen Wij de vermaning dan aan jullie voorbij laten gaan omdat jullie onmatig zijn?


وَ کَمۡ اَرۡسَلۡنَا مِنۡ نَّبِیٍّ فِی الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿۶﴾

043.006 Wakam arsalna min nabiyyin fee al-awwaleena

Hoeveel profeten hebben Wij al niet gezonden onder hen die er eertijds waren.


وَ مَا یَاۡتِیۡہِمۡ مِّنۡ نَّبِیٍّ اِلَّا کَانُوۡا بِہٖ یَسۡتَہۡزِءُوۡنَ ﴿۷﴾

043.007 Wama ya/teehim min nabiyyin illa kanoo bihi yastahzi-oona

En er kwam geen profeet tot hen of zij dreven de spot met hem.


فَاَہۡلَکۡنَاۤ اَشَدَّ مِنۡہُمۡ بَطۡشًا وَّ مَضٰی مَثَلُ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿۸﴾

043.008 Faahlakna ashadda minhum batshan wamada mathalu al-awwaleena

Toch hebben Wij er die meer macht dan jullie bezaten vernietigd en het voorbeeld van hen die er eertijds waren is al eerder toegepast.


وَ لَئِنۡ سَاَلۡتَہُمۡ مَّنۡ خَلَقَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ لَیَقُوۡلُنَّ خَلَقَہُنَّ الۡعَزِیۡزُ الۡعَلِیۡمُ ﴿ۙ۹﴾

043.009 Wala-in saaltahum man khalaqa alssamawati waal-arda layaqoolunna khalaqahunna alAAazeezu alAAaleemu

Als jij hun vraagt wie de hemelen en de aarde heeft geschapen zeggen zij: "De machtige, de wetende heeft ze geschapene


الَّذِیۡ جَعَلَ لَکُمُ الۡاَرۡضَ مَہۡدًا وَّ جَعَلَ لَکُمۡ فِیۡہَا سُبُلًا لَّعَلَّکُمۡ تَہۡتَدُوۡنَ ﴿ۚ۱۰﴾

043.010 Allathee jaAAala lakumu al-arda mahdan wajaAAala lakum feeha subulan laAAallakum tahtadoona

Hij is het die voor jullie de aarde tot een wiegenbed heeft gemaakt en die daarop wegen heeft gemaakt -- opdat jullie je misschien de goede richting zullen laten wijzen --


وَ الَّذِیۡ نَزَّلَ مِنَ السَّمَآءِ مَآءًۢ بِقَدَرٍ ۚ فَاَنۡشَرۡنَا بِہٖ بَلۡدَۃً مَّیۡتًا ۚ کَذٰلِکَ تُخۡرَجُوۡنَ ﴿۱۱﴾

043.011 Waallathee nazzala mina alssama-i maan biqadarin faansharna bihi baldatan maytan kathalika tukhrajoona

en die uit de hemel met mate water heeft laten neerdalen -- Wij wekken daarmee dan een dode streek weer tot leven. Zo zullen jullie tevoorschijn worden gebracht --


وَ الَّذِیۡ خَلَقَ الۡاَزۡوَاجَ کُلَّہَا وَ جَعَلَ لَکُمۡ مِّنَ الۡفُلۡکِ وَ الۡاَنۡعَامِ مَا تَرۡکَبُوۡنَ ﴿ۙ۱۲﴾

043.012 Waallathee khalaqa al-azwaja kullaha wajaAAala lakum mina alfulki waal-anAAami ma tarkaboona

en die alle paren geschapen heeft en die voor jullie schepen gemaakt heeft en vee waarop jullie kunnen rijden,


لِتَسۡتَوٗا عَلٰی ظُہُوۡرِہٖ ثُمَّ تَذۡکُرُوۡا نِعۡمَۃَ رَبِّکُمۡ اِذَا اسۡتَوَیۡتُمۡ عَلَیۡہِ وَ تَقُوۡلُوۡا سُبۡحٰنَ الَّذِیۡ سَخَّرَ لَنَا ہٰذَا وَ مَا کُنَّا لَہٗ مُقۡرِنِیۡنَ ﴿ۙ۱۳﴾

043.013 Litastawoo AAala thuhoorihi thumma tathkuroo niAAmata rabbikum itha istawaytum AAalayhi wataqooloo subhana allathee sakhkhara lana hatha wama kunna lahu muqrineena

opdat jullie er boven op plaats nemen. Gedenkt dan de genade van jullie Heer, wanneer jullie erop hebben plaats genomen en zeggen: "Geprezen zij Hij die dit voor ons dienstbaar heeft gemaakt; wij waren daartoe niet in staat.


وَ اِنَّاۤ اِلٰی رَبِّنَا لَمُنۡقَلِبُوۡنَ ﴿۱۴﴾

043.014 Wa-inna ila rabbina lamunqaliboona

Wij zullen zeker tot onze Heer omkeren."


وَ جَعَلُوۡا لَہٗ مِنۡ عِبَادِہٖ جُزۡءًا ؕ اِنَّ الۡاِنۡسَانَ لَکَفُوۡرٌ مُّبِیۡنٌ ﴿ؕ٪۱۵﴾

043.015 WajaAAaloo lahu min AAibadihi juz-an inna al-insana lakafoorun mubeenun

Maar zij maakten sommigen van Zijn dienaren tot een deel van Hem. De mens is werkelijk duidelijk ondankbaar.


اَمِ اتَّخَذَ مِمَّا یَخۡلُقُ بَنٰتٍ وَّ اَصۡفٰکُمۡ بِالۡبَنِیۡنَ ﴿۱۶﴾

043.016 Ami ittakhatha mimma yakhluqu banatin waasfakum bialbaneena

Of heeft Hij zich uit wat Hij schept dochters genomen en voor jullie de zonen uitgekozen?


وَ اِذَا بُشِّرَ اَحَدُہُمۡ بِمَا ضَرَبَ لِلرَّحۡمٰنِ مَثَلًا ظَلَّ وَجۡہُہٗ مُسۡوَدًّا وَّ ہُوَ کَظِیۡمٌ ﴿۱۷﴾

043.017 Wa-itha bushshira ahaduhum bima daraba lilrrahmani mathalan thalla wajhuhu muswaddan wahuwa katheemun

Wanneer een van hen het goede nieuws krijgt van wat voor de Erbarmer kenmerkend zou zijn, dan betrekt zijn gezicht en is hij vol ingehouden woede.


اَوَ مَنۡ یُّنَشَّؤُا فِی الۡحِلۡیَۃِ وَ ہُوَ فِی الۡخِصَامِ غَیۡرُ مُبِیۡنٍ ﴿۱۸﴾

043.018 Awaman yunashshao fee alhilyati wahuwa fee alkhisami ghayru mubeenin

Of zulken die in weelde worden grootgebracht en die zich in twistgesprekken niet duidelijk kunnen uitdrukken?


وَ جَعَلُوا الۡمَلٰٓئِکَۃَ الَّذِیۡنَ ہُمۡ عِبٰدُ الرَّحۡمٰنِ اِنَاثًا ؕ اَشَہِدُوۡا خَلۡقَہُمۡ ؕ سَتُکۡتَبُ شَہَادَتُہُمۡ وَ یُسۡـَٔلُوۡنَ ﴿۱۹﴾

043.019 WajaAAaloo almala-ikata allatheena hum AAibadu alrrahmani inathan ashahidoo khalqahum satuktabu shahadatuhum wayus-aloona

Zij maken de engelen die de dienaren van de Erbarmer zijn tot vrouwelijke wezens. Waren zij soms getuige van hun schepping? Hun getuigenis zal worden opgeschreven en zij zullen worden ondervraagd.


وَ قَالُوۡا لَوۡ شَآءَ الرَّحۡمٰنُ مَا عَبَدۡنٰہُمۡ ؕ مَا لَہُمۡ بِذٰلِکَ مِنۡ عِلۡمٍ ٭ اِنۡ ہُمۡ اِلَّا یَخۡرُصُوۡنَ ﴿ؕ۲۰﴾

043.020 Waqaloo law shaa alrrahmanu ma AAabadnahum ma lahum bithalika min AAilmin in hum illa yakhrusoona

En zij zeggen: "Als de Erbarmer gewild had hadden wij hen niet gediend." Daar hebben zij geen weet van; zij gissen slechts.


اَمۡ اٰتَیۡنٰہُمۡ کِتٰبًا مِّنۡ قَبۡلِہٖ فَہُمۡ بِہٖ مُسۡتَمۡسِکُوۡنَ ﴿۲۱﴾

043.021 Am ataynahum kitaban min qablihi fahum bihi mustamsikoona

Of hadden Wij hun vroeger al een boek gegeven waaraan zij kunnen vasthouden?


بَلۡ قَالُوۡۤا اِنَّا وَجَدۡنَاۤ اٰبَآءَنَا عَلٰۤی اُمَّۃٍ وَّ اِنَّا عَلٰۤی اٰثٰرِہِمۡ مُّہۡتَدُوۡنَ ﴿۲۲﴾

043.022 Bal qaloo inna wajadna abaana AAala ommatin wa-inna AAala atharihim muhtadoona

Welnee, maar zij zeggen: "Wij hebben gemerkt dat onze vaderen tot een [geloofs]gemeenschap behoorden en in hun spoor gaan wij in de goede richting."


وَ کَذٰلِکَ مَاۤ اَرۡسَلۡنَا مِنۡ قَبۡلِکَ فِیۡ قَرۡیَۃٍ مِّنۡ نَّذِیۡرٍ اِلَّا قَالَ مُتۡرَفُوۡہَاۤ ۙ اِنَّا وَجَدۡنَاۤ اٰبَآءَنَا عَلٰۤی اُمَّۃٍ وَّ اِنَّا عَلٰۤی اٰثٰرِہِمۡ مُّقۡتَدُوۡنَ ﴿۲۳﴾

043.023 Wakathalika ma arsalna min qablika fee qaryatin min natheerin illa qala mutrafooha inna wajadna abaana AAala ommatin wa-inna AAala atharihim muqtadoona

En zo hebben Wij vůůr jouw tijd geen waarschuwer naar een stad gezonden zonder dat haar inwoners die een luxeleven leidden zeiden: "Wij hebben gemerkt dat onze vaderen tot een [geloofs]gemeenschap behoorden en in hun spoor gaan wij verder." *


قٰلَ اَوَ لَوۡ جِئۡتُکُمۡ بِاَہۡدٰی مِمَّا وَجَدۡتُّمۡ عَلَیۡہِ اٰبَآءَکُمۡ ؕ قَالُوۡۤا اِنَّا بِمَاۤ اُرۡسِلۡتُمۡ بِہٖ کٰفِرُوۡنَ ﴿۲۴﴾

043.024 Qala awa law ji/tukum bi-ahda mimma wajadtum AAalayhi abaakum qaloo inna bima orsiltum bihi kafiroona

Hij zei: "En als ik dan tot jullie kom met een betere leidraad dan die waarvan jullie gemerkt hebben dat jullie vaderen zich eraan hielden?" Zij zeiden: "Waarmee jullie gezonden zijn, daaraan hechten wij geen geloof."


فَانۡتَقَمۡنَا مِنۡہُمۡ فَانۡظُرۡ کَیۡفَ کَانَ عَاقِبَۃُ الۡمُکَذِّبِیۡنَ ﴿٪۲۵﴾

043.025 Faintaqamna minhum faonthur kayfa kana AAaqibatu almukaththibeena

Dus namen Wij wraak op hen. En kijk dan hoe het einde was van de loochenaars!


وَ اِذۡ قَالَ اِبۡرٰہِیۡمُ لِاَبِیۡہِ وَ قَوۡمِہٖۤ اِنَّنِیۡ بَرَآءٌ مِّمَّا تَعۡبُدُوۡنَ ﴿ۙ۲۶﴾

043.026 Wa-ith qala ibraheemu li-abeehi waqawmihi innanee baraon mimma taAAbudoona

En toen Ibrahiem tot zijn vader en zijn volk zei: "Ik heb niets te maken met wat jullie dienen,


اِلَّا الَّذِیۡ فَطَرَنِیۡ فَاِنَّہٗ سَیَہۡدِیۡنِ ﴿۲۷﴾

043.027 Illa allathee fataranee fa-innahu sayahdeeni

maar alleen met Hem die mij geschapen heeft; Hij zal mij op het goede pad brengen."


وَ جَعَلَہَا کَلِمَۃًۢ بَاقِیَۃً فِیۡ عَقِبِہٖ لَعَلَّہُمۡ یَرۡجِعُوۡنَ ﴿۲۸﴾

043.028 WajaAAalaha kalimatan baqiyatan fee AAaqibihi laAAallahum yarjiAAoona

Dat maakte hij tot een blijvende uitspraak in zijn nageslacht. Misschien zullen zij terugkeren.


بَلۡ مَتَّعۡتُ ہٰۤؤُلَآءِ وَ اٰبَآءَہُمۡ حَتّٰی جَآءَہُمُ الۡحَقُّ وَ رَسُوۡلٌ مُّبِیۡنٌ ﴿۲۹﴾

043.029 Bal mattaAAtu haola-i waabaahum hatta jaahumu alhaqqu warasoolun mubeenun

Maar Ik heb dezen daar en hun vaderen nog laten genieten totdat de waarheid en een duidelijke gezant tot hen kwamen.


وَ لَمَّا جَآءَہُمُ الۡحَقُّ قَالُوۡا ہٰذَا سِحۡرٌ وَّ اِنَّا بِہٖ کٰفِرُوۡنَ ﴿۳۰﴾

043.030 Walamma jaahumu alhaqqu qaloo hatha sihrun wa-inna bihi kafiroona

En toen de waarheid tot hen kwam zeiden zij: "Dit is toverij en wij hechten er geen geloof aan."


وَ قَالُوۡا لَوۡ لَا نُزِّلَ ہٰذَا الۡقُرۡاٰنُ عَلٰی رَجُلٍ مِّنَ الۡقَرۡیَتَیۡنِ عَظِیۡمٍ ﴿۳۱﴾

043.031 Waqaloo lawla nuzzila hatha alqur-anu AAala rajulin mina alqaryatayni AAatheemun

En zij zeiden: "Had deze Koran niet tot een aanzienlijk man uit de beide steden neergezonden kunnen worden?"


اَہُمۡ یَقۡسِمُوۡنَ رَحۡمَتَ رَبِّکَ ؕ نَحۡنُ قَسَمۡنَا بَیۡنَہُمۡ مَّعِیۡشَتَہُمۡ فِی الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا وَ رَفَعۡنَا بَعۡضَہُمۡ فَوۡقَ بَعۡضٍ دَرَجٰتٍ لِّیَتَّخِذَ بَعۡضُہُمۡ بَعۡضًا سُخۡرِیًّا ؕ وَ رَحۡمَتُ رَبِّکَ خَیۡرٌ مِّمَّا یَجۡمَعُوۡنَ ﴿۳۲﴾

043.032 Ahum yaqsimoona rahmata rabbika nahnu qasamna baynahum maAAeeshatahum fee alhayati alddunya warafaAAna baAAdahum fawqa baAAdin darajatin liyattakhitha baAAduhum baAAdan sukhriyyan warahmatu rabbika khayrun mimma yajmaAAoona

Verdelen zij soms de barmhartigheid van hun Heer? Wij zijn het die onder hen hun levensbehoeften in het tegenwoordige leven hebben verdeeld en wij hebben sommigen van hen hogere rangen dan anderen gegeven opdat de een de ander in dienst neemt. Maar de barmhartigheid van jouw Heer is beter dan wat zij bijeenbrengen.


وَ لَوۡ لَاۤ اَنۡ یَّکُوۡنَ النَّاسُ اُمَّۃً وَّاحِدَۃً لَّجَعَلۡنَا لِمَنۡ یَّکۡفُرُ بِالرَّحۡمٰنِ لِبُیُوۡتِہِمۡ سُقُفًا مِّنۡ فِضَّۃٍ وَّ مَعَارِجَ عَلَیۡہَا یَظۡہَرُوۡنَ ﴿ۙ۳۳﴾

043.033 Walawla an yakoona alnnasu ommatan wahidatan lajaAAalna liman yakfuru bialrrahmani libuyootihim suqufan min fiddatin wamaAAarija AAalayha yathharoona

En als de mensen niet ťťn gemeenschap waren geweest, dan hadden Wij aan hen die aan de Erbarmer geen geloof hechten voor hun huizen daken van zilver gegeven en trappen om omhoog te gaan,


وَ لِبُیُوۡتِہِمۡ اَبۡوَابًا وَّ سُرُرًا عَلَیۡہَا یَتَّکِـُٔوۡنَ ﴿ۙ۳۴﴾

043.034 Walibuyootihim abwaban wasururan AAalayha yattaki-oona

en deuren voor hun huizen en rustbanken waarop zij achteroverleunen,


وَ زُخۡرُفًا ؕ وَ اِنۡ کُلُّ ذٰلِکَ لَمَّا مَتَاعُ الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا ؕ وَ الۡاٰخِرَۃُ عِنۡدَ رَبِّکَ لِلۡمُتَّقِیۡنَ ﴿٪۳۵﴾

043.035 Wazukhrufan wa-in kullu thalika lamma mataAAu alhayati alddunya waal-akhiratu AAinda rabbika lilmuttaqeena

en pracht en praal. Dat alles is slechts het vruchtgebruik van het tegenwoordige leven, maar het hiernamaals is bij jouw Heer voor de godvrezenden.


وَ مَنۡ یَّعۡشُ عَنۡ ذِکۡرِ الرَّحۡمٰنِ نُقَیِّضۡ لَہٗ شَیۡطٰنًا فَہُوَ لَہٗ قَرِیۡنٌ ﴿۳۶﴾

043.036 Waman yaAAshu AAan thikri alrrahmani nuqayyid lahu shaytanan fahuwa lahu qareenun

En wie zich voor de vermaning van de Erbarmer blind houdt, voor hem maken Wij een satan die dan een kameraad voor hem is --


وَ اِنَّہُمۡ لَیَصُدُّوۡنَہُمۡ عَنِ السَّبِیۡلِ وَ یَحۡسَبُوۡنَ اَنَّہُمۡ مُّہۡتَدُوۡنَ ﴿۳۷﴾

043.037 Wa-innahum layasuddoonahum AAani alssabeeli wayahsaboona annahum muhtadoona

die zullen hun dan de weg versperren, maar zij denken dat zij op het goede pad zijn --


حَتّٰۤی اِذَا جَآءَنَا قَالَ یٰلَیۡتَ بَیۡنِیۡ وَ بَیۡنَکَ بُعۡدَ الۡمَشۡرِقَیۡنِ فَبِئۡسَ الۡقَرِیۡنُ ﴿۳۸﴾

043.038 Hatta itha jaana qala ya layta baynee wabaynaka buAAda almashriqayni fabi/sa alqareenu

en wanneer hij dan tot Ons komt, zegt hij: "Ach, was er tussen mij en U een afstand als tussen oost en west!" Dat is dus pas een slechte kameraad.


وَ لَنۡ یَّنۡفَعَکُمُ الۡیَوۡمَ اِذۡ ظَّلَمۡتُمۡ اَنَّکُمۡ فِی الۡعَذَابِ مُشۡتَرِکُوۡنَ ﴿۳۹﴾

043.039 Walan yanfaAAakumu alyawma ith thalamtum annakum fee alAAathabi mushtarikoona

Het zal jullie vandaag, omdat jullie onrecht gepleegd hebben, niet baten dat jullie deelgenoten in de bestraffing zijn.


اَفَاَنۡتَ تُسۡمِعُ الصُّمَّ اَوۡ تَہۡدِی الۡعُمۡیَ وَ مَنۡ کَانَ فِیۡ ضَلٰلٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۴۰﴾

043.040 Afaanta tusmiAAu alssumma aw tahdee alAAumya waman kana fee dalalin mubeenin

Kun jij dan de doven laten horen of de blinden en wie in duidelijke dwaling verkeren de goede richting wijzen?


فَاِمَّا نَذۡہَبَنَّ بِکَ فَاِنَّا مِنۡہُمۡ مُّنۡتَقِمُوۡنَ ﴿ۙ۴۱﴾

043.041 Fa-imma nathhabanna bika fa-inna minhum muntaqimoona

Als Wij jou wegnemen, dan zullen Wij wraak op hen nemen,


اَوۡ نُرِیَنَّکَ الَّذِیۡ وَعَدۡنٰہُمۡ فَاِنَّا عَلَیۡہِمۡ مُّقۡتَدِرُوۡنَ ﴿۴۲﴾

043.042 Aw nuriyannaka allathee waAAadnahum fa-inna AAalayhim muqtadiroona

of Wij zullen jou wat Wij hun hebben aangezegd laten zien, want Wij hebben de macht over hen.


فَاسۡتَمۡسِکۡ بِالَّذِیۡۤ اُوۡحِیَ اِلَیۡکَ ۚ اِنَّکَ عَلٰی صِرَاطٍ مُّسۡتَقِیۡمٍ ﴿۴۳﴾

043.043 Faistamsik biallathee oohiya ilayka innaka AAala siratin mustaqeemin

Houd vast aan wat aan jou is geopenbaard; jij bent op een juiste weg.


وَ اِنَّہٗ لَذِکۡرٌ لَّکَ وَ لِقَوۡمِکَ ۚ وَ سَوۡفَ تُسۡـَٔلُوۡنَ ﴿۴۴﴾

043.044 Wa-innahu lathikrun laka waliqawmika wasawfa tus-aloona

Het is namelijk een vermaning voor jou en jouw volk en jullie zullen verantwoording moeten afleggen.


وَ سۡـَٔلۡ مَنۡ اَرۡسَلۡنَا مِنۡ قَبۡلِکَ مِنۡ رُّسُلِنَاۤ اَجَعَلۡنَا مِنۡ دُوۡنِ الرَّحۡمٰنِ اٰلِـہَۃً یُّعۡبَدُوۡنَ ﴿٪۴۵﴾

043.045 Wais-al man arsalna min qablika min rusulina ajaAAalna min dooni alrrahmani alihatan yuAAbadoona

En vraag aan gezanten die Wij voor jouw tijd gezonden hebben of Wij in plaats van de Erbarmer goden gemaakt hebben die zij moeten dienen.


وَ لَقَدۡ اَرۡسَلۡنَا مُوۡسٰی بِاٰیٰتِنَاۤ اِلٰی فِرۡعَوۡنَ وَ مَلَا۠ئِہٖ فَقَالَ اِنِّیۡ رَسُوۡلُ رَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۴۶﴾

043.046 Walaqad arsalna moosa bi-ayatina ila firAAawna wamala-ihi faqala innee rasoolu rabbi alAAalameena

Wij hebben Moesa met Onze tekenen naar Fir'aun en zijn raad van voornaamsten gezonden en hij zei: "Ik ben de gezant van de Heer van de wereldbewoners."


فَلَمَّا جَآءَہُمۡ بِاٰیٰتِنَاۤ اِذَا ہُمۡ مِّنۡہَا یَضۡحَکُوۡنَ ﴿۴۷﴾

043.047 Falamma jaahum bi-ayatina itha hum minha yadhakoona

Maar toen hij met Onze tekenen tot hen kwam, toen begonnen zij er meteen om te lachen.


وَ مَا نُرِیۡہِمۡ مِّنۡ اٰیَۃٍ اِلَّا ہِیَ اَکۡبَرُ مِنۡ اُخۡتِہَا ۫ وَ اَخَذۡنٰہُمۡ بِالۡعَذَابِ لَعَلَّہُمۡ یَرۡجِعُوۡنَ ﴿۴۸﴾

043.048 Wama nureehim min ayatin illa hiya akbaru min okhtiha waakhathnahum bialAAathabi laAAallahum yarjiAAoona

Toch lieten Wij hun alleen maar tekenen zien waarvan het ene nog groter was dan het andere. En Wij grepen hen met de bestraffing, opdat zij misschien terug zouden keren.


وَ قَالُوۡا یٰۤاَیُّہَ السّٰحِرُ ادۡعُ لَنَا رَبَّکَ بِمَا عَہِدَ عِنۡدَکَ ۚ اِنَّنَا لَمُہۡتَدُوۡنَ ﴿۴۹﴾

043.049 Waqaloo ya ayyuha alsahiru odAAu lana rabbaka bima AAahida AAindaka innana lamuhtadoona

En zij zeiden: "O tovenaar, bid voor ons tot jouw Heer op grond van wat Hij jou opgedragen heeft, dan zullen wij het goede pad volgen."


فَلَمَّا کَشَفۡنَا عَنۡہُمُ الۡعَذَابَ اِذَا ہُمۡ یَنۡکُثُوۡنَ ﴿۵۰﴾

043.050 Falamma kashafna AAanhumu alAAathaba itha hum yankuthoona

Maar toen Wij de bestraffing voor hen ophieven, braken zij meteen hun woord.


وَ نَادٰی فِرۡعَوۡنُ فِیۡ قَوۡمِہٖ قَالَ یٰقَوۡمِ اَلَیۡسَ لِیۡ مُلۡکُ مِصۡرَ وَ ہٰذِہِ الۡاَنۡہٰرُ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِیۡ ۚ اَفَلَا تُبۡصِرُوۡنَ ﴿ؕ۵۱﴾

043.051 Wanada firAAawnu fee qawmihi qala ya qawmi alaysa lee mulku misra wahathihi al-anharu tajree min tahtee afala tubsiroona

En Fir'aun liet onder zijn volk omroepen: "Mijn volk, heb ik niet de heerschappij over Egypte en deze rivieren die beneden mij langsstromen? Hebben jullie dan geen inzicht?


اَمۡ اَنَا خَیۡرٌ مِّنۡ ہٰذَا الَّذِیۡ ہُوَ مَہِیۡنٌ ۬ۙ وَّ لَا یَکَادُ یُبِیۡنُ ﴿۵۲﴾

043.052 Am ana khayrun min hatha allathee huwa maheenun wala yakadu yubeenu

Is het niet zo dat ik beter ben dan deze hier die verachtelijk is en die zich nauwelijks kan uitdrukken?


فَلَوۡ لَاۤ اُلۡقِیَ عَلَیۡہِ اَسۡوِرَۃٌ مِّنۡ ذَہَبٍ اَوۡ جَآءَ مَعَہُ الۡمَلٰٓئِکَۃُ مُقۡتَرِنِیۡنَ ﴿۵۳﴾

043.053 Falawla olqiya AAalayhi aswiratun min thahabin aw jaa maAAahu almala-ikatu muqtarineena

Als hem nu armbanden van goud waren omgehangen of de engelen als begeleiding met hem waren meegekomen?"


فَاسۡتَخَفَّ قَوۡمَہٗ فَاَطَاعُوۡہُ ؕ اِنَّہُمۡ کَانُوۡا قَوۡمًا فٰسِقِیۡنَ ﴿۵۴﴾

043.054 Faistakhaffa qawmahu faataAAoohu innahum kanoo qawman fasiqeena

Zo bracht hij zijn volk aan het weifelen en zij gehoorzaamden hem; zij waren verdorven mensen.


فَلَمَّاۤ اٰسَفُوۡنَا انۡتَقَمۡنَا مِنۡہُمۡ فَاَغۡرَقۡنٰہُمۡ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿ۙ۵۵﴾

043.055 Falamma asafoona intaqamna minhum faaghraqnahum ajmaAAeena

Toen zij Ons dan kwaad gemaakt hadden namen Wij wraak op hen en verdronken hen allen tezamen.


فَجَعَلۡنٰہُمۡ سَلَفًا وَّ مَثَلًا لِّلۡاٰخِرِیۡنَ ﴿٪۵۶﴾

043.056 FajaAAalnahum salafan wamathalan lil-akhireena

Zo maakten Wij hen tot voorlopers en voorbeeld voor de lateren.


وَ لَمَّا ضُرِبَ ابۡنُ مَرۡیَمَ مَثَلًا اِذَا قَوۡمُکَ مِنۡہُ یَصِدُّوۡنَ ﴿۵۷﴾

043.057 Walamma duriba ibnu maryama mathalan itha qawmuka minhu yasiddoona

En toen de zoon van Marjam als voorbeeld werd aangehaald, begon jouw volk daarover meteen te schreeuwen.


وَ قَالُوۡۤاءَ اٰلِہَتُنَا خَیۡرٌ اَمۡ ہُوَ ؕ مَا ضَرَبُوۡہُ لَکَ اِلَّا جَدَلًا ؕ بَلۡ ہُمۡ قَوۡمٌ خَصِمُوۡنَ ﴿۵۸﴾

043.058 Waqaloo aalihatuna khayrun am huwa ma daraboohu laka illa jadalan bal hum qawmun khasimoona

En zij zeiden: "Zijn onze goden beter of hij?" Maar zij haalden hem alleen maar als voorbeeld aan om te twisten. Ja zeker, zij zijn twistzieke mensen.


اِنۡ ہُوَ اِلَّا عَبۡدٌ اَنۡعَمۡنَا عَلَیۡہِ وَ جَعَلۡنٰہُ مَثَلًا لِّبَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ ﴿ؕ۵۹﴾

043.059 In huwa illa AAabdun anAAamna AAalayhi wajaAAalnahu mathalan libanee isra-eela

Hij is slechts een dienaar aan wie Wij genade geschonken hebben en die Wij tot een voorbeeld voor de IsraŽlieten hebben gemaakt.


وَ لَوۡ نَشَآءُ لَجَعَلۡنَا مِنۡکُمۡ مَّلٰٓئِکَۃً فِی الۡاَرۡضِ یَخۡلُفُوۡنَ ﴿۶۰﴾

043.060 Walaw nashao lajaAAalna minkum mala-ikatan fee al-ardi yakhlufoona

En als Wij wilden hadden Wij uit jullie midden engelen gemaakt die jullie op de aarde hadden opgevolgd.


وَ اِنَّہٗ لَعِلۡمٌ لِّلسَّاعَۃِ فَلَا تَمۡتَرُنَّ بِہَا وَ اتَّبِعُوۡنِ ؕ ہٰذَا صِرَاطٌ مُّسۡتَقِیۡمٌ ﴿۶۱﴾

043.061 Wa-innahu laAAilmun lilssaAAati fala tamtarunna biha waittabiAAooni hatha siratun mustaqeemun

En hij is een kenteken voor het uur. Twijfelt er dus niet aan en volgt mij; dat is een juiste weg.


وَ لَا یَصُدَّنَّکُمُ الشَّیۡطٰنُ ۚ اِنَّہٗ لَکُمۡ عَدُوٌّ مُّبِیۡنٌ ﴿۶۲﴾

043.062 Wala yasuddannakumu alshshaytanu innahu lakum AAaduwwun mubeenun

En laat de satan jullie er niet van afhouden; hij is voor jullie een verklaarde vijand.


وَ لَمَّا جَآءَ عِیۡسٰی بِالۡبَیِّنٰتِ قَالَ قَدۡ جِئۡتُکُمۡ بِالۡحِکۡمَۃِ وَ لِاُبَیِّنَ لَکُمۡ بَعۡضَ الَّذِیۡ تَخۡتَلِفُوۡنَ فِیۡہِ ۚ فَاتَّقُوا اللّٰہَ وَ اَطِیۡعُوۡنِ ﴿۶۳﴾

043.063 Walamma jaa AAeesa bialbayyinati qala qad ji/tukum bialhikmati wali-obayyina lakum baAAda allathee takhtalifoona feehi faittaqoo Allaha waateeAAooni

Toen 'Isa met de duidelijke bewijzen kwam zei hij: "Ik ben met de wijsheid tot jullie gekomen en ik zal jullie enige van de dingen waarover jullie het oneens zijn duidelijk maken. En vreest Allah en gehoorzaamt mij.


اِنَّ اللّٰہَ ہُوَ رَبِّیۡ وَ رَبُّکُمۡ فَاعۡبُدُوۡہُ ؕ ہٰذَا صِرَاطٌ مُّسۡتَقِیۡمٌ ﴿۶۴﴾

043.064 Inna Allaha huwa rabbee warabbukum faoAAbudoohu hatha siratun mustaqeemun

Allah is mijn Heer en Hij is jullie Heer. Dient Hem dus, dat is een juiste weg."


فَاخۡتَلَفَ الۡاَحۡزَابُ مِنۡۢ بَیۡنِہِمۡ ۚ فَوَیۡلٌ لِّلَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡا مِنۡ عَذَابِ یَوۡمٍ اَلِیۡمٍ ﴿۶۵﴾

043.065 Faikhtalafa al-ahzabu min baynihim fawaylun lillatheena thalamoo min AAathabi yawmin aleemin

Maar de partijen waren het onderling oneens. Wee dus hen die onrecht plegen wegens de bestraffing op een pijnlijke dag.


ہَلۡ یَنۡظُرُوۡنَ اِلَّا السَّاعَۃَ اَنۡ تَاۡتِیَہُمۡ بَغۡتَۃً وَّ ہُمۡ لَا یَشۡعُرُوۡنَ ﴿۶۶﴾

043.066 Hal yanthuroona illa alssaAAata an ta/tiyahum baghtatan wahum la yashAAuroona

Verwachten zij dan iets anders dan dat het uur onverwachts tot hen komt zonder dat zij het beseffen?


اَلۡاَخِلَّآءُ یَوۡمَئِذٍۭ بَعۡضُہُمۡ لِبَعۡضٍ عَدُوٌّ اِلَّا الۡمُتَّقِیۡنَ ﴿ؕ٪۶۷﴾

043.067 Al-akhillao yawma-ithin baAAduhum libaAAdin AAaduwwun illa almuttaqeena

Vrienden zullen op die dag elkaar tot vijand zijn, alleen de godvrezenden niet.


یٰعِبَادِ لَا خَوۡفٌ عَلَیۡکُمُ الۡیَوۡمَ وَ لَاۤ اَنۡتُمۡ تَحۡزَنُوۡنَ ﴿ۚ۶۸﴾

043.068 Ya AAibadi la khawfun AAalaykumu alyawma wala antum tahzanoona

"Mijn dienaren! Jullie hebben niets te vrezen noch zullen jullie bedroefd zijn.


اَلَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا بِاٰیٰتِنَا وَ کَانُوۡا مُسۡلِمِیۡنَ ﴿ۚ۶۹﴾

043.069 Allatheena amanoo bi-ayatina wakanoo muslimeena

Jullie die in Onze tekenen geloofden en zich [aan Allah] hadden overgegeven,


اُدۡخُلُوا الۡجَنَّۃَ اَنۡتُمۡ وَ اَزۡوَاجُکُمۡ تُحۡبَرُوۡنَ ﴿۷۰﴾

043.070 Odkhuloo aljannata antum waazwajukum tuhbaroona

gaat de tuin binnen, jullie en jullie echtgenotes, om verblijd te worden."


یُطَافُ عَلَیۡہِمۡ بِصِحَافٍ مِّنۡ ذَہَبٍ وَّ اَکۡوَابٍ ۚ وَ فِیۡہَا مَا تَشۡتَہِیۡہِ الۡاَنۡفُسُ وَ تَلَذُّ الۡاَعۡیُنُ ۚ وَ اَنۡتُمۡ فِیۡہَا خٰلِدُوۡنَ ﴿ۚ۷۱﴾

043.071 Yutafu AAalayhim bisihafin min thahabin waakwabin wafeeha ma tashtaheehi al-anfusu watalaththu al-aAAyunu waantum feeha khalidoona

Bij hen worden schotels van goud en bekers rondgegeven. En daarin is wat de zielen begeren en wat aangenaam voor de ogen is. "En jullie zullen daarin altijd blijven.


وَ تِلۡکَ الۡجَنَّۃُ الَّتِیۡۤ اُوۡرِثۡتُمُوۡہَا بِمَا کُنۡتُمۡ تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۷۲﴾

043.072 Watilka aljannatu allatee oorithtumooha bima kuntum taAAmaloona

Dat is de tuin die jullie beŽrfd hebben voor wat jullie hebben gedaan.


لَکُمۡ فِیۡہَا فَاکِہَۃٌ کَثِیۡرَۃٌ مِّنۡہَا تَاۡکُلُوۡنَ ﴿۷۳﴾

043.073 Lakum feeha fakihatun katheeratun minha ta/kuloona

Jullie hebben daarin veel vruchten waarvan jullie kunnen eten."


اِنَّ الۡمُجۡرِمِیۡنَ فِیۡ عَذَابِ جَہَنَّمَ خٰلِدُوۡنَ ﴿ۚۖ۷۴﴾

043.074 Inna almujrimeena fee AAathabi jahannama khalidoona

De boosdoeners zullen altijd in de bestraffing van de hel blijven.


لَا یُفَتَّرُ عَنۡہُمۡ وَ ہُمۡ فِیۡہِ مُبۡلِسُوۡنَ ﴿ۚ۷۵﴾

043.075 La yufattaru AAanhum wahum feehi mublisoona

Zij zal voor hen niet getemperd worden en zij zullen in wanhoop terneergeslagen zijn.


وَ مَا ظَلَمۡنٰہُمۡ وَ لٰکِنۡ کَانُوۡا ہُمُ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۷۶﴾

043.076 Wama thalamnahum walakin kanoo humu alththalimeena

En Wij hebben hun geen onrecht aangedaan, maar zij waren het die onrecht pleegden.


وَ نَادَوۡا یٰمٰلِکُ لِیَقۡضِ عَلَیۡنَا رَبُّکَ ؕ قَالَ اِنَّکُمۡ مّٰکِثُوۡنَ ﴿۷۷﴾

043.077 Wanadaw ya maliku liyaqdi AAalayna rabbuka qala innakum makithoona

En zij roepen: "O Malik, laat jouw Heer een einde aan ons maken." Hij zegt: "Jullie blijven hier."


لَقَدۡ جِئۡنٰکُمۡ بِالۡحَقِّ وَ لٰکِنَّ اَکۡثَرَکُمۡ لِلۡحَقِّ کٰرِہُوۡنَ ﴿۷۸﴾

043.078 Laqad ji/nakum bialhaqqi walakinna aktharakum lilhaqqi karihoona

Wij hebben jullie de waarheid gebracht, maar de meesten van jullie verafschuwen de waarheid.


اَمۡ اَبۡرَمُوۡۤا اَمۡرًا فَاِنَّا مُبۡرِمُوۡنَ ﴿ۚ۷۹﴾

043.079 Am abramoo amran fa-inna mubrimoona

Of hebben zij een of ander plan gemaakt? Wij kunnen ook plannen maken.


اَمۡ یَحۡسَبُوۡنَ اَنَّا لَا نَسۡمَعُ سِرَّہُمۡ وَ نَجۡوٰىہُمۡ ؕ بَلٰی وَ رُسُلُنَا لَدَیۡہِمۡ یَکۡتُبُوۡنَ ﴿۸۰﴾

043.080 Am yahsaboona anna la nasmaAAu sirrahum wanajwahum bala warusuluna ladayhim yaktuboona

Of rekenen zij erop dat Wij hun geheime en vertrouwelijke gesprekken niet horen? Zeker wel, en Onze gezanten schrijven het bij hen op.


قُلۡ اِنۡ کَانَ لِلرَّحۡمٰنِ وَلَدٌ ٭ۖ فَاَنَا اَوَّلُ الۡعٰبِدِیۡنَ ﴿۸۱﴾

043.081 Qul in kana lilrrahmani waladun faana awwalu alAAabideena

Zeg: "Als de Erbarmer een kind had zou ik de eerste van de aanbidders zijn.


سُبۡحٰنَ رَبِّ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ رَبِّ الۡعَرۡشِ عَمَّا یَصِفُوۡنَ ﴿۸۲﴾

043.082 Subhana rabbi alssamawati waal-ardi rabbi alAAarshi AAamma yasifoona

Geprezen zij de Heer van de hemelen en de aarde, de Heer van de troon, en verheven is Hij boven wat zij toeschrijven."


فَذَرۡہُمۡ یَخُوۡضُوۡا وَ یَلۡعَبُوۡا حَتّٰی یُلٰقُوۡا یَوۡمَہُمُ الَّذِیۡ یُوۡعَدُوۡنَ ﴿۸۳﴾

043.083 Fatharhum yakhoodoo wayalAAaboo hatta yulaqoo yawmahumu allathee yooAAadoona

Laat hen maar kletsen en schertsen totdat zij hun dag tegenkomen die hun wordt aangezegd.


وَ ہُوَ الَّذِیۡ فِی السَّمَآءِ اِلٰہٌ وَّ فِی الۡاَرۡضِ اِلٰہٌ ؕ وَ ہُوَ الۡحَکِیۡمُ الۡعَلِیۡمُ ﴿۸۴﴾

043.084 Wahuwa allathee fee alssama-i ilahun wafee al-ardi ilahun wahuwa alhakeemu alAAaleemu

En Hij is het die in de hemel god is en die op de aarde god is; Hij is de wijze, de wetende.


وَ تَبٰرَکَ الَّذِیۡ لَہٗ مُلۡکُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ وَ مَا بَیۡنَہُمَا ۚ وَ عِنۡدَہٗ عِلۡمُ السَّاعَۃِ ۚ وَ اِلَیۡہِ تُرۡجَعُوۡنَ ﴿۸۵﴾

043.085 Watabaraka allathee lahu mulku alssamawati waal-ardi wama baynahuma waAAindahu AAilmu alssaAAati wa-ilayhi turjaAAoona

Gezegend zij Hij die de heerschappij heeft over de hemelen en de aarde en wat er tussen beide is. En bij Hem is de kennis over het uur en tot Hem worden jullie teruggebracht.


وَ لَا یَمۡلِکُ الَّذِیۡنَ یَدۡعُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِہِ الشَّفَاعَۃَ اِلَّا مَنۡ شَہِدَ بِالۡحَقِّ وَ ہُمۡ یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۸۶﴾

043.086 Wala yamliku allatheena yadAAoona min doonihi alshshafaAAata illa man shahida bialhaqqi wahum yaAAlamoona

Zij die jullie in plaats van Hem aanroepen beschikken niet over voorspraak, behalve zij die van de waarheid getuigen en die kennis hebben.


وَ لَئِنۡ سَاَلۡتَہُمۡ مَّنۡ خَلَقَہُمۡ لَیَقُوۡلُنَّ اللّٰہُ فَاَنّٰی یُؤۡفَکُوۡنَ ﴿ۙ۸۷﴾

043.087 Wala-in saaltahum man khalaqahum layaqoolunna Allahu faanna yu/fakoona

En als jij hun vraagt wie hen geschapen heeft zeggen zij: "Allah." Hoe kunnen zij dan zo zijn afgeleid?


وَ قِیۡلِہٖ یٰرَبِّ اِنَّ ہٰۤؤُلَآءِ قَوۡمٌ لَّا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿ۘ۸۸﴾

043.088 Waqeelihi ya rabbi inna haola-i qawmun la yu/minoona

En [bij Hem is de kennis ] erover dat hij zegt: "Mijn Heer, dezen hier zijn mensen die niet geloven."


فَاصۡفَحۡ عَنۡہُمۡ وَ قُلۡ سَلٰمٌ ؕ فَسَوۡفَ یَعۡلَمُوۡنَ ﴿٪۸۹﴾

043.089 Faisfah AAanhum waqul salamun fasawfa yaAAlamoona

Schenk maar geen aandacht aan hen en zeg: "Vrede". Zij zullen het weten!


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

حٰمٓ ﴿ۚۛ۱﴾

044.001 Ha-meem

H[aa?] M[iem].


وَ الۡکِتٰبِ الۡمُبِیۡنِ ۙ﴿ۛ۲﴾

044.002 Waalkitabi almubeeni

Bij het duidelijke boek!


اِنَّاۤ اَنۡزَلۡنٰہُ فِیۡ لَیۡلَۃٍ مُّبٰرَکَۃٍ اِنَّا کُنَّا مُنۡذِرِیۡنَ ﴿۳﴾

044.003 Inna anzalnahu fee laylatin mubarakatin inna kunna munthireena

Wij hebben het in een gezegende nacht neergezonden -- Wij hebben steeds gewaarschuwd --


فِیۡہَا یُفۡرَقُ کُلُّ اَمۡرٍ حَکِیۡمٍ ۙ﴿۴﴾

044.004 Feeha yufraqu kullu amrin hakeemin

waarin iedere wijze beschikking afzonderlijk wordt beslist,


اَمۡرًا مِّنۡ عِنۡدِنَا ؕ اِنَّا کُنَّا مُرۡسِلِیۡنَ ۚ﴿۵﴾

044.005 Amran min AAindina inna kunna mursileena

als een beschikking van Onze kant. Wij hebben steeds [gezanten] gezonden --


رَحۡمَۃً مِّنۡ رَّبِّکَ ؕ اِنَّہٗ ہُوَ السَّمِیۡعُ الۡعَلِیۡمُ ۙ﴿۶﴾

044.006 Rahmatan min rabbika innahu huwa alssameeAAu alAAaleemu

als een barmhartigheid van jouw Heer. Hij is de horende, de wetende,


رَبِّ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ وَ مَا بَیۡنَہُمَا ۘ اِنۡ کُنۡتُمۡ مُّوۡقِنِیۡنَ ﴿۷﴾

044.007 Rabbi alssamawati waal-ardi wama baynahuma in kuntum mooqineena

de Heer van de hemelen en de aarde en wat er tussen beide is, als jullie ervan overtuigd zijn.


لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ یُحۡیٖ وَ یُمِیۡتُ ؕ رَبُّکُمۡ وَ رَبُّ اٰبَآئِکُمُ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿۸﴾

044.008 La ilaha illa huwa yuhyee wayumeetu rabbukum warabbu aba-ikumu al-awwaleena

Er is geen god dan Hij. Hij geeft leven en laat sterven, jullie Heer en de Heer van jullie vaderen die er eertijds waren.


بَلۡ ہُمۡ فِیۡ شَکٍّ یَّلۡعَبُوۡنَ ﴿۹﴾

044.009 Bal hum fee shakkin yalAAaboona

Toch schertsen zij in hun twijfel.


فَارۡتَقِبۡ یَوۡمَ تَاۡتِی السَّمَآءُ بِدُخَانٍ مُّبِیۡنٍ ﴿ۙ۱۰﴾

044.010 Fairtaqib yawma ta/tee alssamao bidukhanin mubeenin

Wacht dan de dag maar af waarop de hemel met duidelijke rook zal komen


یَّغۡشَی النَّاسَ ؕ ہٰذَا عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿۱۱﴾

044.011 Yaghsha alnnasa hatha AAathabun aleemun

die de mensen zal bedekken; dat is een pijnlijke bestraffing.


رَبَّنَا اکۡشِفۡ عَنَّا الۡعَذَابَ اِنَّا مُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۱۲﴾

044.012 Rabbana ikshif AAanna alAAathaba inna mu/minoona

"Onze Heer, hef de bestraffing voor ons op, want wij zijn gelovigen."


اَنّٰی لَہُمُ الذِّکۡرٰی وَ قَدۡ جَآءَہُمۡ رَسُوۡلٌ مُّبِیۡنٌ ﴿ۙ۱۳﴾

044.013 Anna lahumu alththikra waqad jaahum rasoolun mubeenun

Hoe zou vermaning hun tot voordeel hebben kunnen zijn, terwijl er toch een duidelijke gezant tot hen gekomen is?


ثُمَّ تَوَلَّوۡا عَنۡہُ وَ قَالُوۡا مُعَلَّمٌ مَّجۡنُوۡنٌ ﴿ۘ۱۴﴾

044.014 Thumma tawallaw AAanhu waqaloo muAAallamun majnoonun

Toen keerden zij zich van hem af en zeiden: "Iemand die elders onderwezen is en die bezeten is."


اِنَّا کَاشِفُوا الۡعَذَابِ قَلِیۡلًا اِنَّکُمۡ عَآئِدُوۡنَ ﴿ۘ۱۵﴾

044.015 Inna kashifoo alAAathabi qaleelan innakum AAa-idoona

Wij zullen de bestraffing een korte tijd opheffen, maar jullie zullen terugvallen.


یَوۡمَ نَبۡطِشُ الۡبَطۡشَۃَ الۡکُبۡرٰی ۚ اِنَّا مُنۡتَقِمُوۡنَ ﴿۱۶﴾

044.016 Yawma nabtishu albatshata alkubra inna muntaqimoona

Op de dag dat Wij met groot geweld toeslaan zullen Wij zeker wraaknemen.


وَ لَقَدۡ فَتَنَّا قَبۡلَہُمۡ قَوۡمَ فِرۡعَوۡنَ وَ جَآءَہُمۡ رَسُوۡلٌ کَرِیۡمٌ ﴿ۙ۱۷﴾

044.017 Walaqad fatanna qablahum qawma firAAawna wajaahum rasoolun kareemun

Wij hebben vůůr hun tijd het volk van Fir'aun aan verzoeking blootgesteld. Tot hen kwam een voortreffelijk gezant:


اَنۡ اَدُّوۡۤا اِلَیَّ عِبَادَ اللّٰہِ ؕ اِنِّیۡ لَکُمۡ رَسُوۡلٌ اَمِیۡنٌ ﴿ۙ۱۸﴾

044.018 An addoo ilayya AAibada Allahi innee lakum rasoolun ameenun

"Draagt de dienaren van Allah aan mij over. Ik ben voor jullie een betrouwbaar gezant.


وَّ اَنۡ لَّا تَعۡلُوۡا عَلَی اللّٰہِ ۚ اِنِّیۡۤ اٰتِیۡکُمۡ بِسُلۡطٰنٍ مُّبِیۡنٍ ﴿ۚ۱۹﴾

044.019 Waan la taAAloo AAala Allahi innee ateekum bisultanin mubeenin

En weest niet hovaardig tegenover Allah, want ik ben met een duidelijke machtiging tot jullie gekomen.


وَ اِنِّیۡ عُذۡتُ بِرَبِّیۡ وَ رَبِّکُمۡ اَنۡ تَرۡجُمُوۡنِ ﴿۫۲۰﴾

044.020 Wa-innee AAuthtu birabbee warabbikum an tarjumooni

En ik zoek bescherming bij mijn Heer en jullie Heer dat jullie mij niet zullen stenigen.


وَ اِنۡ لَّمۡ تُؤۡمِنُوۡا لِیۡ فَاعۡتَزِلُوۡنِ ﴿۲۱﴾

044.021 Wa-in lam tu/minoo lee faiAAtazilooni

En als jullie mij niet geloven laat mij dan alleen."


فَدَعَا رَبَّہٗۤ اَنَّ ہٰۤؤُلَآءِ قَوۡمٌ مُّجۡرِمُوۡنَ ﴿ؓ۲۲﴾

044.022 FadaAAa rabbahu anna haola-i qawmun mujrimoona

Toen riep hij zijn Heer aan: "Dezen zijn misdadige mensen."


فَاَسۡرِ بِعِبَادِیۡ لَیۡلًا اِنَّکُمۡ مُّتَّبَعُوۡنَ ﴿ۙ۲۳﴾

044.023 Faasri biAAibadee laylan innakum muttabaAAoona

"Vertrek 's nachts met Mijn dienaren, want jullie zullen achtervolgd worden.


وَ اتۡرُکِ الۡبَحۡرَ رَہۡوًا ؕ اِنَّہُمۡ جُنۡدٌ مُّغۡرَقُوۡنَ ﴿۲۴﴾

044.024 Waotruki albahra rahwan innahum jundun mughraqoona

En laat de zee kalm achter; zij zijn een verdronken troepenmacht."


کَمۡ تَرَکُوۡا مِنۡ جَنّٰتٍ وَّ عُیُوۡنٍ ﴿ۙ۲۵﴾

044.025 Kam tarakoo min jannatin waAAuyoonin

Hoeveel lieten zij niet achter: tuinen en bronnen,


وَّ زُرُوۡعٍ وَّ مَقَامٍ کَرِیۡمٍ ﴿ۙ۲۶﴾

044.026 WazurooAAin wamaqamin kareemin

landbouwgewassen en een voortreffelijke positie


وَّ نَعۡمَۃٍ کَانُوۡا فِیۡہَا فٰکِہِیۡنَ ﴿ۙ۲۷﴾

044.027 WanaAAmatin kanoo feeha fakiheena

en een aangenaam leven waarover zij blij waren.


کَذٰلِکَ ۟ وَ اَوۡرَثۡنٰہَا قَوۡمًا اٰخَرِیۡنَ ﴿۲۸﴾

044.028 Kathalika waawrathnaha qawman akhareena

Zo was het. En Wij lieten andere mensen het beŽrven.


فَمَا بَکَتۡ عَلَیۡہِمُ السَّمَآءُ وَ الۡاَرۡضُ وَ مَا کَانُوۡا مُنۡظَرِیۡنَ ﴿٪۲۹﴾

044.029 Fama bakat AAalayhimu alssamao waal-ardu wama kanoo munthareena

De hemel schreide niet over hen, noch de aarde. Aan hen werd geen uitstel meer verleend.


وَ لَقَدۡ نَجَّیۡنَا بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ مِنَ الۡعَذَابِ الۡمُہِیۡنِ ﴿ۙ۳۰﴾

044.030 Walaqad najjayna banee isra-eela mina alAAathabi almuheeni

Maar Wij redden de IsraŽlieten van de vernederende bestraffing


مِنۡ فِرۡعَوۡنَ ؕ اِنَّہٗ کَانَ عَالِیًا مِّنَ الۡمُسۡرِفِیۡنَ ﴿۳۱﴾

044.031 Min firAAawna innahu kana AAaliyan mina almusrifeena

van Fir'aun. Hij had de overhand en behoorde tot de onmatigen.


وَ لَقَدِ اخۡتَرۡنٰہُمۡ عَلٰی عِلۡمٍ عَلَی الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿ۚ۳۲﴾

044.032 Walaqadi ikhtarnahum AAala AAilmin AAala alAAalameena

Maar op grond van kennis hadden Wij hen boven de wereldbewoners uitgekozen.


وَ اٰتَیۡنٰہُمۡ مِّنَ الۡاٰیٰتِ مَا فِیۡہِ بَلٰٓـؤٌا مُّبِیۡنٌ ﴿۳۳﴾

044.033 Waataynahum mina al-ayati ma feehi balaon mubeenun

En Wij gaven hun tekenen waarin een duidelijke beproeving was.


اِنَّ ہٰۤؤُلَآءِ لَیَقُوۡلُوۡنَ ﴿ۙ۳۴﴾

044.034 Inna haola-i layaqooloona

Dezen hier zeggen:


اِنۡ ہِیَ اِلَّا مَوۡتَتُنَا الۡاُوۡلٰی وَ مَا نَحۡنُ بِمُنۡشَرِیۡنَ ﴿۳۵﴾

044.035 In hiya illa mawtatuna al-oola wama nahnu bimunshareena

"Er is alleen maar onze eerste dood en wij worden niet opgewekt.


فَاۡتُوۡا بِاٰبَآئِنَاۤ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۳۶﴾

044.036 Fa/too bi-aba-ina in kuntum sadiqeena

Brengt onze vaderen toch, als jullie gelijk hebben."


اَہُمۡ خَیۡرٌ اَمۡ قَوۡمُ تُبَّعٍ ۙ وَّ الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِہِمۡ ؕ اَہۡلَکۡنٰہُمۡ ۫ اِنَّہُمۡ کَانُوۡا مُجۡرِمِیۡنَ ﴿۳۷﴾

044.037 Ahum khayrun am qawmu tubbaAAin waallatheena min qablihim ahlaknahum innahum kanoo mujrimeena

Zijn zij beter of het volk van Toebba' en zij die er voor hun tijd waren? Hen hebben Wij vernietigd; zij waren boosdoeners.


وَ مَا خَلَقۡنَا السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ وَ مَا بَیۡنَہُمَا لٰعِبِیۡنَ ﴿۳۸﴾

044.038 Wama khalaqna alssamawati waal-arda wama baynahuma laAAibeena

Wij hebben de hemelen en de aarde en wat er tussen beide is niet als een spel geschapen.


مَا خَلَقۡنٰہُمَاۤ اِلَّا بِالۡحَقِّ وَ لٰکِنَّ اَکۡثَرَہُمۡ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۳۹﴾

044.039 Ma khalaqnahuma illa bialhaqqi walakinna aktharahum la yaAAlamoona

Wij hebben beide slechts in waarheid geschapen, maar de meesten van hen weten het niet.


اِنَّ یَوۡمَ الۡفَصۡلِ مِیۡقَاتُہُمۡ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿ۙ۴۰﴾

044.040 Inna yawma alfasli meeqatuhum ajmaAAeena

De dag van de schifting is de afgesproken tijd voor hen allen tezamen.


یَوۡمَ لَا یُغۡنِیۡ مَوۡلًی عَنۡ مَّوۡلًی شَیۡئًا وَّ لَا ہُمۡ یُنۡصَرُوۡنَ ﴿ۙ۴۱﴾

044.041 Yawma la yughnee mawlan AAan mawlan shay-an wala hum yunsaroona

Op de dag dat een beschermheer een beschermeling niets baat, terwijl zij ook geen hulp zullen krijgen,


اِلَّا مَنۡ رَّحِمَ اللّٰہُ ؕ اِنَّہٗ ہُوَ الۡعَزِیۡزُ الرَّحِیۡمُ ﴿٪۴۲﴾

044.042 Illa man rahima Allahu innahu huwa alAAazeezu alrraheemu

behalve zij met wie Allah erbarmen heeft; Hij is de machtige, de barmhartige.


اِنَّ شَجَرَتَ الزَّقُّوۡمِ ﴿ۙ۴۳﴾

044.043 Inna shajarata alzzaqqoomi

De zakkoemboom


طَعَامُ الۡاَثِیۡمِ ﴿ۖۛۚ۴۴﴾

044.044 TaAAamu al-atheemi

is voedsel voor de zondaar.


کَالۡمُہۡلِ ۚۛ یَغۡلِیۡ فِی الۡبُطُوۡنِ ﴿ۙ۴۵﴾

044.045 Kaalmuhli yaghlee fee albutooni

Als gesmolten metaal kookt het in de buiken,


کَغَلۡیِ الۡحَمِیۡمِ ﴿۴۶﴾

044.046 Kaghalyi alhameemi

zoals gloeiend water kookt.


خُذُوۡہُ فَاعۡتِلُوۡہُ اِلٰی سَوَآءِ الۡجَحِیۡمِ ﴿٭ۖ۴۷﴾

044.047 Khuthoohu faiAAtiloohu ila sawa-i aljaheemi

"Grijpt hem en sleurt hem midden in het hellevuur.


ثُمَّ صُبُّوۡا فَوۡقَ رَاۡسِہٖ مِنۡ عَذَابِ الۡحَمِیۡمِ ﴿ؕ۴۸﴾

044.048 Thumma subboo fawqa ra/sihi min AAathabi alhameemi

En giet dan als bestraffing gloeiend water op zijn hoofd.


ذُقۡ ۚۙ اِنَّکَ اَنۡتَ الۡعَزِیۡزُ الۡکَرِیۡمُ ﴿۴۹﴾

044.049 Thuq innaka anta alAAazeezu alkareemu

Proef dan, jij bent toch de machtige, de voortreffelijke."


اِنَّ ہٰذَا مَا کُنۡتُمۡ بِہٖ تَمۡتَرُوۡنَ ﴿۵۰﴾

044.050 Inna hatha ma kuntum bihi tamtaroona

Dit is het waarover jullie twijfelden.


اِنَّ الۡمُتَّقِیۡنَ فِیۡ مَقَامٍ اَمِیۡنٍ ﴿ۙ۵۱﴾

044.051 Inna almuttaqeena fee maqamin ameenin

De godvrezenden zullen op een betrouwbare plaats zijn,


فِیۡ جَنّٰتٍ وَّ عُیُوۡنٍ ﴿ۚۙ۵۲﴾

044.052 Fee jannatin waAAuyoonin

te midden van tuinen en bronnen.


یَّلۡبَسُوۡنَ مِنۡ سُنۡدُسٍ وَّ اِسۡتَبۡرَقٍ مُّتَقٰبِلِیۡنَ ﴿ۚۙ۵۳﴾

044.053 Yalbasoona min sundusin wa-istabraqin mutaqabileena

Zij kleden zich met zijde en brokaat en zij zitten tegenover elkaar.


کَذٰلِکَ ۟ وَ زَوَّجۡنٰہُمۡ بِحُوۡرٍ عِیۡنٍ ﴿ؕ۵۴﴾

044.054 Kathalika wazawwajnahum bihoorin AAeenin

Zo is het! En Wij geven hun gezellinnen met sprekende grote ogen ten huwelijk.


یَدۡعُوۡنَ فِیۡہَا بِکُلِّ فَاکِہَۃٍ اٰمِنِیۡنَ ﴿ۙ۵۵﴾

044.055 YadAAoona feeha bikulli fakihatin amineena

Zij kunnen daarin veilig om allerlei vruchten vragen.


لَا یَذُوۡقُوۡنَ فِیۡہَا الۡمَوۡتَ اِلَّا الۡمَوۡتَۃَ الۡاُوۡلٰی ۚ وَ وَقٰہُمۡ عَذَابَ الۡجَحِیۡمِ ﴿ۙ۵۶﴾

044.056 La yathooqoona feeha almawta illa almawtata al-oola wawaqahum AAathaba aljaheemi

Zij zullen daar, behalve de eerste dood, de dood niet proeven en Hij beschermt hen tegen de bestraffing van het hellevuur.


فَضۡلًا مِّنۡ رَّبِّکَ ؕ ذٰلِکَ ہُوَ الۡفَوۡزُ الۡعَظِیۡمُ ﴿۵۷﴾

044.057 Fadlan min rabbika thalika huwa alfawzu alAAatheemu

Het is goedgunstigheid van jouw Heer. Dat is de geweldige triomf!


فَاِنَّمَا یَسَّرۡنٰہُ بِلِسَانِکَ لَعَلَّہُمۡ یَتَذَکَّرُوۡنَ ﴿۵۸﴾

044.058 Fa-innama yassarnahu bilisanika laAAallahum yatathakkaroona

Wij hebben hem jouw taal gemakkelijk gemaakt; misschien laten zij zich vermanen.


فَارۡتَقِبۡ اِنَّہُمۡ مُّرۡتَقِبُوۡنَ ﴿٪۵۹﴾

044.059 Fairtaqib innahum murtaqiboona

Wacht dus af; zij wachten ook af.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

حٰمٓ ۚ﴿۱﴾

045.001 Ha-meem

H[aa?] M[iem].


تَنۡزِیۡلُ الۡکِتٰبِ مِنَ اللّٰہِ الۡعَزِیۡزِ الۡحَکِیۡمِ ﴿۲﴾

045.002 Tanzeelu alkitabi mina Allahi alAAazeezi alhakeemi

De neerzending van het boek is gebeurd door Allah, de machtige, de wijze.


اِنَّ فِی السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ لَاٰیٰتٍ لِّلۡمُؤۡمِنِیۡنَ ؕ﴿۳﴾

045.003 Inna fee alssamawati waal-ardi laayatin lilmu/mineena

In de hemelen en de aarde zijn zeker tekenen voor de gelovigen.


وَ فِیۡ خَلۡقِکُمۡ وَ مَا یَبُثُّ مِنۡ دَآبَّۃٍ اٰیٰتٌ لِّقَوۡمٍ یُّوۡقِنُوۡنَ ۙ﴿۴﴾

045.004 Wafee khalqikum wama yabuththu min dabbatin ayatun liqawmin yooqinoona

Ook in jullie schepping en de dieren die Hij heeft verspreid zijn tekenen voor mensen die vast overtuigd zijn.


وَ اخۡتِلَافِ الَّیۡلِ وَ النَّہَارِ وَ مَاۤ اَنۡزَلَ اللّٰہُ مِنَ السَّمَآءِ مِنۡ رِّزۡقٍ فَاَحۡیَا بِہِ الۡاَرۡضَ بَعۡدَ مَوۡتِہَا وَ تَصۡرِیۡفِ الرِّیٰحِ اٰیٰتٌ لِّقَوۡمٍ یَّعۡقِلُوۡنَ ﴿۵﴾

045.005 Waikhtilafi allayli waalnnahari wama anzala Allahu mina alssama-i min rizqin faahya bihi al-arda baAAda mawtiha watasreefi alrriyahi ayatun liqawmin yaAAqiloona

En in het verschil van nacht en dag en in wat Allah als levensonderhoud uit de hemel heeft laten neerdalen en waarmee Hij de aarde weer laat herleven nadat zij dood was en in het besturen van de winden zijn tekenen voor mensen die verstandig zijn.


تِلۡکَ اٰیٰتُ اللّٰہِ نَتۡلُوۡہَا عَلَیۡکَ بِالۡحَقِّ ۚ فَبِاَیِّ حَدِیۡثٍۭ بَعۡدَ اللّٰہِ وَ اٰیٰتِہٖ یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۶﴾

045.006 Tilka ayatu Allahi natlooha AAalayka bialhaqqi fabi-ayyi hadeethin baAAda Allahi waayatihi yu/minoona

Dat zijn Allah's tekenen. Wij lezen ze aan jou in waarheid voor. Aan welk bericht zullen zij dan na [dat van] Allah en Zijn tekenen nog geloven?


وَیۡلٌ لِّکُلِّ اَفَّاکٍ اَثِیۡمٍ ۙ﴿۷﴾

045.007 Waylun likulli affakin atheemin

Wee elke zondige lasteraar,


یَّسۡمَعُ اٰیٰتِ اللّٰہِ تُتۡلٰی عَلَیۡہِ ثُمَّ یُصِرُّ مُسۡتَکۡبِرًا کَاَنۡ لَّمۡ یَسۡمَعۡہَا ۚ فَبَشِّرۡہُ بِعَذَابٍ اَلِیۡمٍ ﴿۸﴾

045.008 YasmaAAu ayati Allahi tutla AAalayhi thumma yusirru mustakbiran kaan lam yasmaAAha fabashshirhu biAAathabin aleemin

die Allah's tekenen die Wij aan hem voorlezen hoort en dan in zijn hoogmoed volhardt alsof hij het niet gehoord had. Verkondig hem dus een pijnlijke bestraffing.


وَ اِذَا عَلِمَ مِنۡ اٰیٰتِنَا شَیۡئَۨا اتَّخَذَہَا ہُزُوًا ؕ اُولٰٓئِکَ لَہُمۡ عَذَابٌ مُّہِیۡنٌ ؕ﴿۹﴾

045.009 Wa-itha AAalima min ayatina shay-an ittakhathaha huzuwan ola-ika lahum AAathabun muheenun

En wanneer hij iets van Onze tekenen weet dan drijft hij de spot ermee. Zij zijn het voor wie er een vernederende bestraffing is.


مِنۡ وَّرَآئِہِمۡ جَہَنَّمُ ۚ وَ لَا یُغۡنِیۡ عَنۡہُمۡ مَّا کَسَبُوۡا شَیۡئًا وَّ لَا مَا اتَّخَذُوۡا مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ اَوۡلِیَآءَ ۚ وَ لَہُمۡ عَذَابٌ عَظِیۡمٌ ﴿ؕ۱۰﴾

045.010 Min wara-ihim jahannamu wala yughnee AAanhum ma kasaboo shay-an wala ma ittakhathoo min dooni Allahi awliyaa walahum AAathabun AAatheemun

Achter hen is de hel en wat zij zich verworven hebben baat hun niets, noch wat zij zich in plaats van Allah als beschermers genomen hebben; voor hen is er een geweldige bestraffing.


ہٰذَا ہُدًی ۚ وَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا بِاٰیٰتِ رَبِّہِمۡ لَہُمۡ عَذَابٌ مِّنۡ رِّجۡزٍ اَلِیۡمٌ ﴿٪۱۱﴾

045.011 Hatha hudan waallatheena kafaroo bi-ayati rabbihim lahum AAathabun min rijzin aleemin

Dit is een leidraad en voor hen die geen geloof hechten aan de tekenen van hun Heer is er een bestraffing door een pijnlijke plaag.


اَللّٰہُ الَّذِیۡ سَخَّرَ لَکُمُ الۡبَحۡرَ لِتَجۡرِیَ الۡفُلۡکُ فِیۡہِ بِاَمۡرِہٖ وَ لِتَبۡتَغُوۡا مِنۡ فَضۡلِہٖ وَ لَعَلَّکُمۡ تَشۡکُرُوۡنَ ﴿ۚ۱۲﴾

045.012 Allahu allathee sakhkhara lakumu albahra litajriya alfulku feehi bi-amrihi walitabtaghoo min fadlihi walaAAallakum tashkuroona

Allah is het die de zee aan jullie dienstbaar heeft gemaakt, opdat de schepen op Zijn bevel varen en opdat jullie naar een gunst van Hem streven; misschien zullen jullie dank betuigen.


وَ سَخَّرَ لَکُمۡ مَّا فِی السَّمٰوٰتِ وَ مَا فِی الۡاَرۡضِ جَمِیۡعًا مِّنۡہُ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیٰتٍ لِّقَوۡمٍ یَّتَفَکَّرُوۡنَ ﴿۱۳﴾

045.013 Wasakhkhara lakum ma fee alssamawati wama fee al-ardi jameeAAan minhu inna fee thalika laayatin liqawmin yatafakkaroona

En Hij heeft wat er in de hemelen en wat er op de aarde is aan jullie dienstbaar gemaakt. Het komt alles van Hem. Daarin zijn tekenen voor mensen die nadenken.


قُلۡ لِّلَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا یَغۡفِرُوۡا لِلَّذِیۡنَ لَا یَرۡجُوۡنَ اَیَّامَ اللّٰہِ لِیَجۡزِیَ قَوۡمًۢا بِمَا کَانُوۡا یَکۡسِبُوۡنَ ﴿۱۴﴾

045.014 Qul lillatheena amanoo yaghfiroo lillatheena la yarjoona ayyama Allahi liyajziya qawman bima kanoo yaksiboona

Zeg aan hen die geloven dat zij hun die Allah's dagen niet verwachten moeten vergeven, opdat Hij aan mensen vergeldt voor wat zij begaan hebben.


مَنۡ عَمِلَ صَالِحًا فَلِنَفۡسِہٖ ۚ وَ مَنۡ اَسَآءَ فَعَلَیۡہَا ۫ ثُمَّ اِلٰی رَبِّکُمۡ تُرۡجَعُوۡنَ ﴿۱۵﴾

045.015 Man AAamila salihan falinafsihi waman asaa faAAalayha thumma ila rabbikum turjaAAoona

Als iemand deugdelijk handelt is het in zijn eigen voordeel, maar als iemand verkeerd doet dan is het in zijn nadeel. Voorts zullen jullie tot jullie Heer worden teruggebracht.


وَ لَقَدۡ اٰتَیۡنَا بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ الۡکِتٰبَ وَ الۡحُکۡمَ وَ النُّبُوَّۃَ وَ رَزَقۡنٰہُمۡ مِّنَ الطَّیِّبٰتِ وَ فَضَّلۡنٰہُمۡ عَلَی الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿ۚ۱۶﴾

045.016 Walaqad atayna banee isra-eela alkitaba waalhukma waalnnubuwwata warazaqnahum mina alttayyibati wafaddalnahum AAala alAAalameena

Wij hebben aan de IsraŽlieten het boek, de oordeelskracht en het profeetschap gegeven, Wij hebben met goede dingen in hun onderhoud voorzien en Wij hebben hen boven de wereldbewoners verkozen.


وَ اٰتَیۡنٰہُمۡ بَیِّنٰتٍ مِّنَ الۡاَمۡرِ ۚ فَمَا اخۡتَلَفُوۡۤا اِلَّا مِنۡۢ بَعۡدِ مَا جَآءَہُمُ الۡعِلۡمُ ۙ بَغۡیًۢا بَیۡنَہُمۡ ؕ اِنَّ رَبَّکَ یَقۡضِیۡ بَیۡنَہُمۡ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ فِیۡمَا کَانُوۡا فِیۡہِ یَخۡتَلِفُوۡنَ ﴿۱۷﴾

045.017 Waataynahum bayyinatin mina al-amri fama ikhtalafoo illa min baAAdi ma jaahumu alAAilmu baghyan baynahum inna rabbaka yaqdee baynahum yawma alqiyamati feema kanoo feehi yakhtalifoona

En Wij hebben hun duidelijke bewijzen van de ordening gegeven. Zij werden het er slechts uit onderlinge nijd over oneens nadat de kennis tot hen gekomen was. Jouw Heer zal op de opstandingsdag tussen hen oordelen over dat waarover zij het oneens waren.


ثُمَّ جَعَلۡنٰکَ عَلٰی شَرِیۡعَۃٍ مِّنَ الۡاَمۡرِ فَاتَّبِعۡہَا وَ لَا تَتَّبِعۡ اَہۡوَآءَ الَّذِیۡنَ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۱۸﴾

045.018 Thumma jaAAalnaka AAala shareeAAatin mina al-amri faittabiAAha wala tattabiAA ahwaa allatheena la yaAAlamoona

Daarna hebben Wij voor jou een normatieve richting van de ordening bepaald. Volg die dus en volg niet de grillen van hen die geen kennis hebben.


اِنَّہُمۡ لَنۡ یُّغۡنُوۡا عَنۡکَ مِنَ اللّٰہِ شَیۡئًا ؕ وَ اِنَّ الظّٰلِمِیۡنَ بَعۡضُہُمۡ اَوۡلِیَآءُ بَعۡضٍ ۚ وَ اللّٰہُ وَلِیُّ الۡمُتَّقِیۡنَ ﴿۱۹﴾

045.019 Innahum lan yughnoo AAanka mina Allahi shay-an wa-inna alththalimeena baAAduhum awliyao baAAdin waAllahu waliyyu almuttaqeena

Zij zullen jou tegen Allah helemaal niet baten. De onrechtplegers zijn elkaars beschermers, maar Allah is de beschermer van de godvrezenden.


ہٰذَا بَصَآئِرُ لِلنَّاسِ وَ ہُدًی وَّ رَحۡمَۃٌ لِّقَوۡمٍ یُّوۡقِنُوۡنَ ﴿۲۰﴾

045.020 Hatha basa-iru lilnnasi wahudan warahmatun liqawmin yooqinoona

Dit zijn inzichtelijke bewijzen voor de mensen en een leidraad en barmhartigheid voor mensen die vast overtuigd zijn.


اَمۡ حَسِبَ الَّذِیۡنَ اجۡتَرَحُوا السَّیِّاٰتِ اَنۡ نَّجۡعَلَہُمۡ کَالَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ ۙ سَوَآءً مَّحۡیَاہُمۡ وَ مَمَاتُہُمۡ ؕ سَآءَ مَا یَحۡکُمُوۡنَ ﴿٪۲۱﴾

045.021 Am hasiba allatheena ijtarahoo alssayyi-ati an najAAalahum kaallatheena amanoo waAAamiloo alssalihati sawaan mahyahum wamamatuhum saa ma yahkumoona

Of rekenen zij die misdaden begaan erop dat Wij hen in hun leven en hun sterven gelijk zullen behandelen als hen die geloven en de deugdelijke daden doen? Slecht is het wat zij oordelen.


وَ خَلَقَ اللّٰہُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ بِالۡحَقِّ وَ لِتُجۡزٰی کُلُّ نَفۡسٍۭ بِمَا کَسَبَتۡ وَ ہُمۡ لَا یُظۡلَمُوۡنَ ﴿۲۲﴾

045.022 Wakhalaqa Allahu alssamawati waal-arda bialhaqqi walitujza kullu nafsin bima kasabat wahum la yuthlamoona

Allah heeft de hemelen en de aarde in waarheid geschapen en aan iedereen zal vergolden worden wat hij begaan heeft en hun zal geen onrecht worden aangedaan.


اَفَرَءَیۡتَ مَنِ اتَّخَذَ اِلٰـہَہٗ ہَوٰىہُ وَ اَضَلَّہُ اللّٰہُ عَلٰی عِلۡمٍ وَّ خَتَمَ عَلٰی سَمۡعِہٖ وَ قَلۡبِہٖ وَ جَعَلَ عَلٰی بَصَرِہٖ غِشٰوَۃً ؕ فَمَنۡ یَّہۡدِیۡہِ مِنۡۢ بَعۡدِ اللّٰہِ ؕ اَفَلَا تَذَکَّرُوۡنَ ﴿۲۳﴾

045.023 Afaraayta mani ittakhatha ilahahu hawahu waadallahu Allahu AAala AAilmin wakhatama AAala samAAihi waqalbihi wajaAAala AAala basarihi ghishawatan faman yahdeehi min baAAdi Allahi afala tathakkaroona

Heb je gezien naar hem die zijn grillen tot zijn god maakt? Allah heeft hem bewust tot dwaling gebracht en zijn gehoor en zijn hart verzegeld en over zijn ogen is een sluier. Wie zou hem na Allah nog de weg kunnen wijzen? Zullen jullie je niet laten vermanen?


وَ قَالُوۡا مَا ہِیَ اِلَّا حَیَاتُنَا الدُّنۡیَا نَمُوۡتُ وَ نَحۡیَا وَ مَا یُہۡلِکُنَاۤ اِلَّا الدَّہۡرُ ۚ وَ مَا لَہُمۡ بِذٰلِکَ مِنۡ عِلۡمٍ ۚ اِنۡ ہُمۡ اِلَّا یَظُنُّوۡنَ ﴿۲۴﴾

045.024 Waqaloo ma hiya illa hayatuna alddunya namootu wanahya wama yuhlikuna illa alddahru wama lahum bithalika min AAilmin in hum illa yathunnoona

Zij zeggen: "Er is alleen maar ons tegenwoordige leven; wij sterven en wij leven en alleen door de tijd worden wij omgebracht." Zij hebben daarvan geen kennis. Zij hebben alleen maar vermoedens.


وَ اِذَا تُتۡلٰی عَلَیۡہِمۡ اٰیٰتُنَا بَیِّنٰتٍ مَّا کَانَ حُجَّتَہُمۡ اِلَّاۤ اَنۡ قَالُوا ائۡتُوۡا بِاٰبَآئِنَاۤ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۲۵﴾

045.025 Wa-itha tutla AAalayhim ayatuna bayyinatin ma kana hujjatahum illa an qaloo i/too bi-aba-ina in kuntum sadiqeena

En wanneer Onze duidelijke tekenen aan hen worden voorgelezen, dan is hun argument slechts dat zij zeggen: "Brengt onze vaderen, als jullie gelijk hebben."


قُلِ اللّٰہُ یُحۡیِیۡکُمۡ ثُمَّ یُمِیۡتُکُمۡ ثُمَّ یَجۡمَعُکُمۡ اِلٰی یَوۡمِ الۡقِیٰمَۃِ لَا رَیۡبَ فِیۡہِ وَ لٰکِنَّ اَکۡثَرَ النَّاسِ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿٪۲۶﴾

045.026 Quli Allahu yuhyeekum thumma yumeetukum thumma yajmaAAukum ila yawmi alqiyamati la rayba feehi walakinna akthara alnnasi la yaAAlamoona

Zeg: "Allah geeft jullie leven. Dan laat Hij jullie sterven en dan brengt Hij jullie bijeen voor de opstandingsdag waaraan geen twijfel is, maar de meeste mensen weten het niet."


وَ لِلّٰہِ مُلۡکُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ وَ یَوۡمَ تَقُوۡمُ السَّاعَۃُ یَوۡمَئِذٍ یَّخۡسَرُ الۡمُبۡطِلُوۡنَ ﴿۲۷﴾

045.027 Walillahi mulku alssamawati waal-ardi wayawma taqoomu alssaAAatu yawma-ithin yakhsaru almubtiloona

Allah heeft de heerschappij over de hemelen en de aarde en op de dag dat het uur aanbreekt, op die dag zullen zij die zeggen dat het niet waar is verloren zijn.


وَ تَرٰی کُلَّ اُمَّۃٍ جَاثِیَۃً ۟ کُلُّ اُمَّۃٍ تُدۡعٰۤی اِلٰی کِتٰبِہَا ؕ اَلۡیَوۡمَ تُجۡزَوۡنَ مَا کُنۡتُمۡ تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۲۸﴾

045.028 Watara kulla ommatin jathiyatan kullu ommatin tudAAa ila kitabiha alyawma tujzawna ma kuntum taAAmaloona

En dan zie jij iedere gemeenschap neergeknield. Iedere gemeenschap wordt tot haar boek geroepen: "Vandaag wordt aan jullie vergolden wat jullie gedaan hebben.


ہٰذَا کِتٰبُنَا یَنۡطِقُ عَلَیۡکُمۡ بِالۡحَقِّ ؕ اِنَّا کُنَّا نَسۡتَنۡسِخُ مَا کُنۡتُمۡ تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۲۹﴾

045.029 Hatha kitabuna yantiqu AAalaykum bialhaqqi inna kunna nastansikhu ma kuntum taAAmaloona

Dit is Ons boek, het spreekt de waarheid over jullie uit. Wij hebben wat jullie deden genoteerd."


فَاَمَّا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ فَیُدۡخِلُہُمۡ رَبُّہُمۡ فِیۡ رَحۡمَتِہٖ ؕ ذٰلِکَ ہُوَ الۡفَوۡزُ الۡمُبِیۡنُ ﴿۳۰﴾

045.030 Faamma allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati fayudkhiluhum rabbuhum fee rahmatihi thalika huwa alfawzu almubeenu

Wat hen betreft die geloven en de deugdelijke daden doen, hen zal hun Heer in Zijn barmhartigheid laten binnengaan. Dat is de duidelijke triomf!


وَ اَمَّا الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا ۟ اَفَلَمۡ تَکُنۡ اٰیٰتِیۡ تُتۡلٰی عَلَیۡکُمۡ فَاسۡتَکۡبَرۡتُمۡ وَ کُنۡتُمۡ قَوۡمًا مُّجۡرِمِیۡنَ ﴿۳۱﴾

045.031 Waamma allatheena kafaroo afalam takun ayatee tutla AAalaykum faistakbartum wakuntum qawman mujrimeena

Maar wat hen betreft die ongelovig zijn: "Waren Mijn tekenen jullie niet voorgelezen? Maar jullie waren hoogmoedige en misdadige mensen."


وَ اِذَا قِیۡلَ اِنَّ وَعۡدَ اللّٰہِ حَقٌّ وَّ السَّاعَۃُ لَا رَیۡبَ فِیۡہَا قُلۡتُمۡ مَّا نَدۡرِیۡ مَا السَّاعَۃُ ۙ اِنۡ نَّظُنُّ اِلَّا ظَنًّا وَّ مَا نَحۡنُ بِمُسۡتَیۡقِنِیۡنَ ﴿۳۲﴾

045.032 Wa-itha qeela inna waAAda Allahi haqqun waalssaAAatu la rayba feeha qultum ma nadree ma alssaAAatu in nathunnu illa thannan wama nahnu bimustayqineena

En wanneer gezegd werd: "Allah's aanzegging is waar en het uur, daaraan is geen twijfel", zeiden jullie: "Wij weten niet wat het uur is. Wij hebben alleen maar een vermoeden, maar wij zijn niet overtuigd."


وَ بَدَا لَہُمۡ سَیِّاٰتُ مَا عَمِلُوۡا وَ حَاقَ بِہِمۡ مَّا کَانُوۡا بِہٖ یَسۡتَہۡزِءُوۡنَ ﴿۳۳﴾

045.033 Wabada lahum sayyi-atu ma AAamiloo wahaqa bihim ma kanoo bihi yastahzi-oona

De slechte daden die zij begaan hebben worden dan voor hen zichtbaar en zij worden door datgene waarmee zij de spot dreven ingesloten.


وَ قِیۡلَ الۡیَوۡمَ نَنۡسٰکُمۡ کَمَا نَسِیۡتُمۡ لِقَآءَ یَوۡمِکُمۡ ہٰذَا وَ مَاۡوٰىکُمُ النَّارُ وَ مَا لَکُمۡ مِّنۡ نّٰصِرِیۡنَ ﴿۳۴﴾

045.034 Waqeela alyawma nansakum kama naseetum liqaa yawmikum hatha wama/wakumu alnnaru wama lakum min nasireena

En er wordt gezegd: "Vandaag vergeten Wij jullie zoals jullie deze dag van jullie vergeten hebben, jullie verblijfplaats is het vuur en jullie hebben geen helpers.


ذٰلِکُمۡ بِاَنَّکُمُ اتَّخَذۡتُمۡ اٰیٰتِ اللّٰہِ ہُزُوًا وَّ غَرَّتۡکُمُ الۡحَیٰوۃُ الدُّنۡیَا ۚ فَالۡیَوۡمَ لَا یُخۡرَجُوۡنَ مِنۡہَا وَ لَا ہُمۡ یُسۡتَعۡتَبُوۡنَ ﴿۳۵﴾

045.035 Thalikum bi-annakumu ittakhathtum ayati Allahi huzuwan wagharratkumu alhayatu alddunya faalyawma la yukhrajoona minha wala hum yustaAAtaboona

Dat is zo omdat jullie met de tekenen van Allah de spot gedreven hebben en omdat het tegenwoordige leven jullie begoocheld heeft." Vandaag zullen zij er dus niet uitgehaald worden, noch zullen zij een kans krijgen om het goed te maken.


فَلِلّٰہِ الۡحَمۡدُ رَبِّ السَّمٰوٰتِ وَ رَبِّ الۡاَرۡضِ رَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۳۶﴾

045.036 Falillahi alhamdu rabbi alssamawati warabbi al-ardi rabbi alAAalameena

Maar lof zij Allah de Heer van de hemelen, de Heer van de aarde en de Heer van de wereldbewoners.


وَ لَہُ الۡکِبۡرِیَآءُ فِی السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ۪ وَ ہُوَ الۡعَزِیۡزُ الۡحَکِیۡمُ ﴿٪۳۷﴾

045.037 Walahu alkibriyao fee alssamawati waal-ardi wahuwa alAAazeezu alhakeemu

En Hij heeft de hoogste macht in de hemelen en op de aarde en Hij is de machtige, de wijze.



www.kuran.nl