26 Tanzeelu Alkit

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

حٰمٓ ۚ﴿۱﴾

046.001 Ha-meem

Haa Miem


تَنۡزِیۡلُ الۡکِتٰبِ مِنَ اللّٰہِ الۡعَزِیۡزِ الۡحَکِیۡمِ ﴿۲﴾

046.002 Tanzeelu alkitabi mina Allahi alAAazeezi alhakeemi

De neerzending van het boek is gebeurd door Allah, de machtige, de wijze.


مَا خَلَقۡنَا السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ وَ مَا بَیۡنَہُمَاۤ اِلَّا بِالۡحَقِّ وَ اَجَلٍ مُّسَمًّی ؕ وَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا عَمَّاۤ اُنۡذِرُوۡا مُعۡرِضُوۡنَ ﴿۳﴾

046.003 Ma khalaqna alssamawati waal-arda wama baynahuma illa bialhaqqi waajalin musamman waallatheena kafaroo AAamma onthiroo muAAridoona

Wij hebben de hemelen en de aarde en wat er tussen beide is slechts in waarheid en voor een vastgestelde termijn geschapen, maar zij die ongelovig zijn wenden zich af van dat waarmee zij gewaarschuwd worden.


قُلۡ اَرَءَیۡتُمۡ مَّا تَدۡعُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ اَرُوۡنِیۡ مَاذَا خَلَقُوۡا مِنَ الۡاَرۡضِ اَمۡ لَہُمۡ شِرۡکٌ فِی السَّمٰوٰتِ ؕ اِیۡتُوۡنِیۡ بِکِتٰبٍ مِّنۡ قَبۡلِ ہٰذَاۤ اَوۡ اَثٰرَۃٍ مِّنۡ عِلۡمٍ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۴﴾

046.004 Qul araaytum ma tadAAoona min dooni Allahi aroonee matha khalaqoo mina al-ardi am lahum shirkun fee alssamawati eetoonee bikitabin min qabli hatha aw atharatin min AAilmin in kuntum sadiqeena

Zeg: "Hoe zien jullie wat jullie in plaats van Allah aanroepen? Laat mij dan zien wat zij van de aarde geschapen hebben. Hebben zij een aandeel in de hemelen? Brengt mij een boek dat er voor dit [boek] was of een spoor van kennis, als jullie gelijk hebben."


وَ مَنۡ اَضَلُّ مِمَّنۡ یَّدۡعُوۡا مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ مَنۡ لَّا یَسۡتَجِیۡبُ لَہٗۤ اِلٰی یَوۡمِ الۡقِیٰمَۃِ وَ ہُمۡ عَنۡ دُعَآئِہِمۡ غٰفِلُوۡنَ ﴿۵﴾

046.005 Waman adallu mimman yadAAoo min dooni Allahi man la yastajeebu lahu ila yawmi alqiyamati wahum AAan duAAa-ihim ghafiloona

En wie dwaalt er meer dan hij die, in plaats van Allah, iemand aanroept die hem tot aan de opstandingsdag geen gehoor geeft? Zij schenken aan hun gebed geen aandacht


وَ اِذَا حُشِرَ النَّاسُ کَانُوۡا لَہُمۡ اَعۡدَآءً وَّ کَانُوۡا بِعِبَادَتِہِمۡ کٰفِرِیۡنَ ﴿۶﴾

046.006 Wa-itha hushira alnnasu kanoo lahum aAAdaan wakanoo biAAibadatihim kafireena

en wanneer de mensen verzameld worden zijn zij hun tot vijand en zij betonen zich ondankbaar over de dienst aan hen.


وَ اِذَا تُتۡلٰی عَلَیۡہِمۡ اٰیٰتُنَا بَیِّنٰتٍ قَالَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لِلۡحَقِّ لَمَّا جَآءَہُمۡ ۙ ہٰذَا سِحۡرٌ مُّبِیۡنٌ ؕ﴿۷﴾

046.007 Wa-itha tutla AAalayhim ayatuna bayyinatin qala allatheena kafaroo lilhaqqi lamma jaahum hatha sihrun mubeenun

En wanneer Onze tekenen aan hen als duidelijke bewijzen worden voorgelezen zeggen zij die geen geloof hechten aan de waarheid, wanneer die tot hen komt: "Dit is duidelijk toverij."


اَمۡ یَقُوۡلُوۡنَ افۡتَرٰىہُ ؕ قُلۡ اِنِ افۡتَرَیۡتُہٗ فَلَا تَمۡلِکُوۡنَ لِیۡ مِنَ اللّٰہِ شَیۡئًا ؕ ہُوَ اَعۡلَمُ بِمَا تُفِیۡضُوۡنَ فِیۡہِ ؕ کَفٰی بِہٖ شَہِیۡدًۢا بَیۡنِیۡ وَ بَیۡنَکُمۡ ؕ وَ ہُوَ الۡغَفُوۡرُ الرَّحِیۡمُ ﴿۸﴾

046.008 Am yaqooloona iftarahu qul ini iftaraytuhu fala tamlikoona lee mina Allahi shay-an huwa aAAlamu bima tufeedoona feehi kafa bihi shaheedan baynee wabaynakum wahuwa alghafooru alrraheemu

Of zij zeggen: "Hij heeft het verzonnen." Zeg: "Als ik het verzonnen heb, dan kunnen jullie voor mij tegen Allah niets uitrichten. Hij weet het best waarmee jullie aan de slag gaan. Hij is als getuige tussen mij en jullie goed genoeg. Hij is de vergevende, de barmhartige."


قُلۡ مَا کُنۡتُ بِدۡعًا مِّنَ الرُّسُلِ وَ مَاۤ اَدۡرِیۡ مَا یُفۡعَلُ بِیۡ وَ لَا بِکُمۡ ؕ اِنۡ اَتَّبِعُ اِلَّا مَا یُوۡحٰۤی اِلَیَّ وَ مَاۤ اَنَا اِلَّا نَذِیۡرٌ مُّبِیۡنٌ ﴿۹﴾

046.009 Qul ma kuntu bidAAan mina alrrusuli wama adree ma yufAAalu bee wala bikum in attabiAAu illa ma yooha ilayya wama ana illa natheerun mubeenun

Zeg: "Ik vertegenwoordig niet iets ongehoords onder de gezanten. Ik weet ook niet wat er met mij en met jullie zal gebeuren. Ik volg slechts wat aan mij geopenbaard wordt en ik ben alleen maar een duidelijke waarschuwer."


قُلۡ اَرَءَیۡتُمۡ اِنۡ کَانَ مِنۡ عِنۡدِ اللّٰہِ وَ کَفَرۡتُمۡ بِہٖ وَ شَہِدَ شَاہِدٌ مِّنۡۢ بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ عَلٰی مِثۡلِہٖ فَاٰمَنَ وَ اسۡتَکۡبَرۡتُمۡ ؕ اِنَّ اللّٰہَ لَا یَہۡدِی الۡقَوۡمَ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿٪۱۰﴾

046.010 Qul araaytum in kana min AAindi Allahi wakafartum bihi washahida shahidun min banee isra-eela AAala mithlihi faamana waistakbartum inna Allaha la yahdee alqawma alththalimeena

Zeg: "Hoe zien jullie het? Als het toch van Allah komt, terwijl jullie er geen geloof aan hechten, hoewel iemand van de IsraŽlieten getuigenis aflegt over dat wat eraan gelijk is en dus gelooft? Maar jullie zijn hoogmoedig. Allah wijst de mensen die onrecht plegen de goede richting niet."


وَ قَالَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لِلَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا لَوۡ کَانَ خَیۡرًا مَّا سَبَقُوۡنَاۤ اِلَیۡہِ ؕ وَ اِذۡ لَمۡ یَہۡتَدُوۡا بِہٖ فَسَیَقُوۡلُوۡنَ ہٰذَاۤ اِفۡکٌ قَدِیۡمٌ ﴿۱۱﴾

046.011 Waqala allatheena kafaroo lillatheena amanoo law kana khayran ma sabaqoona ilayhi wa-ith lam yahtadoo bihi fasayaqooloona hatha ifkun qadeemun

Zij die ongelovig zijn zeggen tegen hen die geloven: "Als het iets goeds was hadden zij het niet eerder dan wij gekregen." Omdat zij zich er niet de goede richting door laten wijzen zullen zij dus zeggen: "Oude laster."


وَ مِنۡ قَبۡلِہٖ کِتٰبُ مُوۡسٰۤی اِمَامًا وَّ رَحۡمَۃً ؕ وَ ہٰذَا کِتٰبٌ مُّصَدِّقٌ لِّسَانًا عَرَبِیًّا لِّیُنۡذِرَ الَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡا ٭ۖ وَ بُشۡرٰی لِلۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿ۚ۱۲﴾

046.012 Wamin qablihi kitabu moosa imaman warahmatan wahatha kitabun musaddiqun lisanan AAarabiyyan liyunthira allatheena thalamoo wabushra lilmuhsineena

Eraan voorafgegaan is het boek van Moesa als voorbeeld en barmhartigheid. En dit is een boek dat in de Arabische taal een bevestiging geeft, om hen die onrecht plegen te waarschuwen en als goed nieuws voor hen die goed doen.


اِنَّ الَّذِیۡنَ قَالُوۡا رَبُّنَا اللّٰہُ ثُمَّ اسۡتَقَامُوۡا فَلَا خَوۡفٌ عَلَیۡہِمۡ وَ لَا ہُمۡ یَحۡزَنُوۡنَ ﴿ۚ۱۳﴾

046.013 Inna allatheena qaloo rabbuna Allahu thumma istaqamoo fala khawfun AAalayhim wala hum yahzanoona

Zij die zeggen: "Onze Heer is Allah" en die dan correct handelen hebben niets te vrezen noch zullen zij bedroefd zijn.


اُولٰٓئِکَ اَصۡحٰبُ الۡجَنَّۃِ خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا ۚ جَزَآءًۢ بِمَا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۱۴﴾

046.014 Ola-ika as-habu aljannati khalideena feeha jazaan bima kanoo yaAAmaloona

Zij zijn het die in de tuin thuishoren, waarin zij altijd zullen blijven, als een beloning voor wat zij hebben gedaan.


وَ وَصَّیۡنَا الۡاِنۡسَانَ بِوَالِدَیۡہِ اِحۡسٰنًا ؕ حَمَلَتۡہُ اُمُّہٗ کُرۡہًا وَّ وَضَعَتۡہُ کُرۡہًا ؕ وَ حَمۡلُہٗ وَ فِصٰلُہٗ ثَلٰثُوۡنَ شَہۡرًا ؕ حَتّٰۤی اِذَا بَلَغَ اَشُدَّہٗ وَ بَلَغَ اَرۡبَعِیۡنَ سَنَۃً ۙ قَالَ رَبِّ اَوۡزِعۡنِیۡۤ اَنۡ اَشۡکُرَ نِعۡمَتَکَ الَّتِیۡۤ اَنۡعَمۡتَ عَلَیَّ وَ عَلٰی وَالِدَیَّ وَ اَنۡ اَعۡمَلَ صَالِحًا تَرۡضٰہُ وَ اَصۡلِحۡ لِیۡ فِیۡ ذُرِّیَّتِیۡ ۚؕ اِنِّیۡ تُبۡتُ اِلَیۡکَ وَ اِنِّیۡ مِنَ الۡمُسۡلِمِیۡنَ ﴿۱۵﴾

046.015 Wawassayna al-insana biwalidayhi ihsanan hamalat-hu ommuhu kurhan wawadaAAat-hu kurhan wahamluhu wafisaluhu thalathoona shahran hatta itha balagha ashuddahu wabalagha arbaAAeena sanatan qala rabbi awziAAnee an ashkura niAAmataka allatee anAAamta AAalayya waAAala walidayya waan aAAmala salihan tardahu waaslih lee fee thurriyyatee innee tubtu ilayka wa-innee mina almuslimeena

En Wij hebben de mens opgedragen zijn ouders goed te behandelen -- zijn moeder heeft hem immers moeizaam gedragen en moeizaam gebaard. De zwangerschap en [de tijd erna] totdat hij gespeend wordt is dertig maanden. En wanneer hij dan volgroeid is en veertig jaar wordt zegt hij: "Mijn Heer, spoor mij aan dat ik voor Uw genade, die U mij en mijn ouders geschonken hebt, dank betuig en dat ik iets deugdelijks doe wat U bevalt. En maak voor mij dat mijn nageslacht deugdzaam is. Ik wend mij berouwvol tot U en ik behoor bij hen die zich [aan Allah] overgeven."


اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ نَتَقَبَّلُ عَنۡہُمۡ اَحۡسَنَ مَا عَمِلُوۡا وَ نَتَجَاوَزُ عَنۡ سَیِّاٰتِہِمۡ فِیۡۤ اَصۡحٰبِ الۡجَنَّۃِ ؕ وَعۡدَ الصِّدۡقِ الَّذِیۡ کَانُوۡا یُوۡعَدُوۡنَ ﴿۱۶﴾

046.016 Ola-ika allatheena nataqabbalu AAanhum ahsana ma AAamiloo wanatajawazu AAan sayyi-atihim fee as-habi aljannati waAAda alssidqi allathee kanoo yooAAadoona

Zij zijn het van wie Wij het beste dat zij deden aannemen en van wie Wij de slechte daden overslaan; zij zijn bij hen die in de tuin thuishoren. Dat is de betrouwbare toezegging die aan hen gedaan is.


وَ الَّذِیۡ قَالَ لِوَالِدَیۡہِ اُفٍّ لَّکُمَاۤ اَتَعِدٰنِنِیۡۤ اَنۡ اُخۡرَجَ وَ قَدۡ خَلَتِ الۡقُرُوۡنُ مِنۡ قَبۡلِیۡ ۚ وَ ہُمَا یَسۡتَغِیۡثٰنِ اللّٰہَ وَیۡلَکَ اٰمِنۡ ٭ۖ اِنَّ وَعۡدَ اللّٰہِ حَقٌّ ۚۖ فَیَقُوۡلُ مَا ہٰذَاۤ اِلَّاۤ اَسَاطِیۡرُ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿۱۷﴾

046.017 Waallathee qala liwalidayhi offin lakuma ataAAidaninee an okhraja waqad khalati alquroonu min qablee wahuma yastagheethani Allaha waylaka amin inna waAAda Allahi haqqun fayaqoolu ma hatha illa asateeru al-awwaleena

Maar hij die tegen zijn ouders zegt: "Foei jullie beiden, willen jullie mij aanzeggen dat ik tevoorschijn gebracht zal worden terwijl er voor mijn tijd al generaties zijn heengegaan?" En zij vragen Allah om hulp [en zeggen]: "Wee jou, geloof toch, de aanzegging van Allah is waar!" Maar hij zegt: "Dit zijn slechts fabels van hen die er eertijds waren."


اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ حَقَّ عَلَیۡہِمُ الۡقَوۡلُ فِیۡۤ اُمَمٍ قَدۡ خَلَتۡ مِنۡ قَبۡلِہِمۡ مِّنَ الۡجِنِّ وَ الۡاِنۡسِ ؕ اِنَّہُمۡ کَانُوۡا خٰسِرِیۡنَ ﴿۱۸﴾

046.018 Ola-ika allatheena haqqa AAalayhimu alqawlu fee umamin qad khalat min qablihim mina aljinni waal-insi innahum kanoo khasireena

Zij zijn het tegen wie het woord bewaarheid wordt, te midden van gemeenschappen van de djinn en de mensen die al voor hun tijd voorbijgegaan waren; zij waren verliezers.


وَ لِکُلٍّ دَرَجٰتٌ مِّمَّا عَمِلُوۡا ۚ وَ لِیُوَفِّیَہُمۡ اَعۡمَالَہُمۡ وَ ہُمۡ لَا یُظۡلَمُوۡنَ ﴿۱۹﴾

046.019 Walikullin darajatun mimma AAamiloo waliyuwaffiyahum aAAmalahum wahum la yuthlamoona

Voor een ieder zijn er rangen voor wat zij gedaan hebben en opdat Hij hun hun daden volledig zal vergoeden; hun zal geen onrecht worden gedaan.


وَ یَوۡمَ یُعۡرَضُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا عَلَی النَّارِ ؕ اَذۡہَبۡتُمۡ طَیِّبٰتِکُمۡ فِیۡ حَیَاتِکُمُ الدُّنۡیَا وَ اسۡتَمۡتَعۡتُمۡ بِہَا ۚ فَالۡیَوۡمَ تُجۡزَوۡنَ عَذَابَ الۡہُوۡنِ بِمَا کُنۡتُمۡ تَسۡتَکۡبِرُوۡنَ فِی الۡاَرۡضِ بِغَیۡرِ الۡحَقِّ وَ بِمَا کُنۡتُمۡ تَفۡسُقُوۡنَ ﴿٪۲۰﴾

046.020 Wayawma yuAAradu allatheena kafaroo AAala alnnari athhabtum tayyibatikum fee hayatikumu alddunya waistamtaAAtum biha faalyawma tujzawna AAathaba alhooni bima kuntum tastakbiroona fee al-ardi bighayri alhaqqi wabima kuntum tafsuqoona

En op de dag dat zij die ongelovig zijn naar het vuur worden voorgeleid [wordt gezegd]: "Jullie hebben jullie goede dingen in jullie aardse leven verbruikt en genoten. Vandaag krijgen jullie de bestraffing van de schande als vergelding, omdat jullie onterecht hoogmoedig op de aarde waren en voor het schandelijke dat jullie deden."


وَ اذۡکُرۡ اَخَا عَادٍ ؕ اِذۡ اَنۡذَرَ قَوۡمَہٗ بِالۡاَحۡقَافِ وَ قَدۡ خَلَتِ النُّذُرُ مِنۡۢ بَیۡنِ یَدَیۡہِ وَ مِنۡ خَلۡفِہٖۤ اَلَّا تَعۡبُدُوۡۤا اِلَّا اللّٰہَ ؕ اِنِّیۡۤ اَخَافُ عَلَیۡکُمۡ عَذَابَ یَوۡمٍ عَظِیۡمٍ ﴿۲۱﴾

046.021 Waothkur akha AAadin ith anthara qawmahu bial-ahqafi waqad khalati alnnuthuru min bayni yadayhi wamin khalfihi alla taAAbudoo illa Allaha innee akhafu AAalaykum AAathaba yawmin AAatheemin

En vermeld de broeder van de 'Aad toen hij zijn volk in de zandduinen waarschuwde -- waarschuwers zijn er voor hem en na hem geweest --: "Jullie moeten alleen Allah dienen. Ik vrees voor jullie de bestraffing van een geweldige dag."


قَالُوۡۤا اَجِئۡتَنَا لِتَاۡفِکَنَا عَنۡ اٰلِہَتِنَا ۚ فَاۡتِنَا بِمَا تَعِدُنَاۤ اِنۡ کُنۡتَ مِنَ الصّٰدِقِیۡنَ ﴿۲۲﴾

046.022 Qaloo aji/tana lita/fikana AAan alihatina fa/tina bima taAAiduna in kunta mina alssadiqeena

Zij zeiden: "Ben jij tot ons gekomen om ons van onze goden af te brengen? Breng maar wat jij ons aanzegt, als jij gelijk hebt."


قَالَ اِنَّمَا الۡعِلۡمُ عِنۡدَ اللّٰہِ ۫ۖ وَ اُبَلِّغُکُمۡ مَّاۤ اُرۡسِلۡتُ بِہٖ وَ لٰکِنِّیۡۤ اَرٰىکُمۡ قَوۡمًا تَجۡہَلُوۡنَ ﴿۲۳﴾

046.023 Qala innama alAAilmu AAinda Allahi waoballighukum ma orsiltu bihi walakinnee arakum qawman tajhaloona

Hij zei: "De kennis [daarover] is bij Allah. Ik verkondig jullie dat waarmee ik gezonden ben, maar ik zie dat jullie mensen zijn die niets weten."


فَلَمَّا رَاَوۡہُ عَارِضًا مُّسۡتَقۡبِلَ اَوۡدِیَتِہِمۡ ۙ قَالُوۡا ہٰذَا عَارِضٌ مُّمۡطِرُنَا ؕ بَلۡ ہُوَ مَا اسۡتَعۡجَلۡتُمۡ بِہٖ ؕ رِیۡحٌ فِیۡہَا عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿ۙ۲۴﴾

046.024 Falamma raawhu AAaridan mustaqbila awdiyatihim qaloo hatha AAaridun mumtiruna bal huwa ma istaAAjaltum bihi reehun feeha AAathabun aleemun

Toen zij het als een dikke bewolking zagen opkomen die hun valleien naderde zeiden zij: "Dat is een opkomende bewolking die ons regen brengt." "Welnee, het is wat jullie wilden verhaasten, een wind waarin een pijnlijke bestraffing is,


تُدَمِّرُ کُلَّ شَیۡءٍۭ بِاَمۡرِ رَبِّہَا فَاَصۡبَحُوۡا لَا یُرٰۤی اِلَّا مَسٰکِنُہُمۡ ؕ کَذٰلِکَ نَجۡزِی الۡقَوۡمَ الۡمُجۡرِمِیۡنَ ﴿۲۵﴾

046.025 Tudammiru kulla shay-in bi-amri rabbiha faasbahoo la yura illa masakinuhum kathalika najzee alqawma almujrimeena

die alles op bevel van zijn Heer vernietigt." 's Morgens was het zo dat slechts hun huizen gezien werden. Zo vergelden Wij aan de misdadige mensen.


وَ لَقَدۡ مَکَّنّٰہُمۡ فِیۡمَاۤ اِنۡ مَّکَّنّٰکُمۡ فِیۡہِ وَ جَعَلۡنَا لَہُمۡ سَمۡعًا وَّ اَبۡصَارًا وَّ اَفۡـِٕدَۃً ۫ۖ فَمَاۤ اَغۡنٰی عَنۡہُمۡ سَمۡعُہُمۡ وَ لَاۤ اَبۡصَارُہُمۡ وَ لَاۤ اَفۡـِٕدَتُہُمۡ مِّنۡ شَیۡءٍ اِذۡ کَانُوۡا یَجۡحَدُوۡنَ ۙ بِاٰیٰتِ اللّٰہِ وَ حَاقَ بِہِمۡ مَّا کَانُوۡا بِہٖ یَسۡتَہۡزِءُوۡنَ ﴿٪۲۶﴾

046.026 Walaqad makkannahum feema in makkannakum feehi wajaAAalna lahum samAAan waabsaran waaf-idatan fama aghna AAanhum samAAuhum wala absaruhum wala af-idatuhum min shay-in ith kanoo yajhadoona bi-ayati Allahi wahaqa bihim ma kanoo bihi yastahzi-oona

Wij hadden hun zoveel macht gegeven als Wij aan jullie niet hebben gegeven. En Wij hadden hun gehoor, gezichtsvermogen en harten gegeven, maar hun gehoor, hun gezichtsvermogen en hun harten baatten hun niets toen zij Allah's tekenen ontkenden en zij werden ingesloten door dat waarmee zij de spot dreven.


وَ لَقَدۡ اَہۡلَکۡنَا مَا حَوۡلَکُمۡ مِّنَ الۡقُرٰی وَ صَرَّفۡنَا الۡاٰیٰتِ لَعَلَّہُمۡ یَرۡجِعُوۡنَ ﴿۲۷﴾

046.027 Walaqad ahlakna ma hawlakum mina alqura wasarrafna al-ayati laAAallahum yarjiAAoona

En Wij hebben de steden rondom jullie ook vernietigd. En Wij hebben de tekenen afgewisseld; misschien zullen zij terugkeren.


فَلَوۡ لَا نَصَرَہُمُ الَّذِیۡنَ اتَّخَذُوۡا مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ قُرۡبَانًا اٰلِـہَۃً ؕ بَلۡ ضَلُّوۡا عَنۡہُمۡ ۚ وَ ذٰلِکَ اِفۡکُہُمۡ وَ مَا کَانُوۡا یَفۡتَرُوۡنَ ﴿۲۸﴾

046.028 Falawla nasarahumu allatheena ittakhathoo min dooni Allahi qurbanan alihatan bal dalloo AAanhum wathalika ifkuhum wama kanoo yaftaroona

Als zij die zij zich als goden in plaats van Allah genomen hadden om nader tot Hem te komen hen maar geholpen hadden. Maar nee, hen waren zij kwijt; dat was hun laster en wat zij verzonnen hadden.


وَ اِذۡ صَرَفۡنَاۤ اِلَیۡکَ نَفَرًا مِّنَ الۡجِنِّ یَسۡتَمِعُوۡنَ الۡقُرۡاٰنَ ۚ فَلَمَّا حَضَرُوۡہُ قَالُوۡۤا اَنۡصِتُوۡا ۚ فَلَمَّا قُضِیَ وَلَّوۡا اِلٰی قَوۡمِہِمۡ مُّنۡذِرِیۡنَ ﴿۲۹﴾

046.029 Wa-ith sarafna ilayka nafaran mina aljinni yastamiAAoona alqur-ana falamma hadaroohu qaloo ansitoo falamma qudiya wallaw ila qawmihim munthireena

En toen Wij een groep djinn naar jou toe brachten om naar de Koran te luisteren. En toen zij gekomen waren zeiden zij: "Let in stilte op." En toen het beŽindigd was, keerden zij naar hun volk terug om te waarschuwen.


قَالُوۡا یٰقَوۡمَنَاۤ اِنَّا سَمِعۡنَا کِتٰبًا اُنۡزِلَ مِنۡۢ بَعۡدِ مُوۡسٰی مُصَدِّقًا لِّمَا بَیۡنَ یَدَیۡہِ یَہۡدِیۡۤ اِلَی الۡحَقِّ وَ اِلٰی طَرِیۡقٍ مُّسۡتَقِیۡمٍ ﴿۳۰﴾

046.030 Qaloo ya qawmana inna samiAAna kitaban onzila min baAAdi moosa musaddiqan lima bayna yadayhi yahdee ila alhaqqi wa-ila tareeqin mustaqeemin

Zij zeiden: "Volk van ons! Wij hebben een boek gehoord dat na Moesa is neergezonden om wat er voor was te bevestigen. Het leidt naar de waarheid en naar een juiste weg.


یٰقَوۡمَنَاۤ اَجِیۡبُوۡا دَاعِیَ اللّٰہِ وَ اٰمِنُوۡا بِہٖ یَغۡفِرۡ لَکُمۡ مِّنۡ ذُنُوۡبِکُمۡ وَ یُجِرۡکُمۡ مِّنۡ عَذَابٍ اَلِیۡمٍ ﴿۳۱﴾

046.031 Ya qawmana ajeeboo daAAiya Allahi waaminoo bihi yaghfir lakum min thunoobikum wayujirkum min AAathabin aleemin

Volk van ons! Geeft gehoor aan hem die tot Allah oproept en gelooft in Hem, dan zal Hij jullie vergeving schenken voor zonden van jullie en jullie beschermen voor een pijnlijke bestraffing."


وَ مَنۡ لَّا یُجِبۡ دَاعِیَ اللّٰہِ فَلَیۡسَ بِمُعۡجِزٍ فِی الۡاَرۡضِ وَ لَیۡسَ لَہٗ مِنۡ دُوۡنِہٖۤ اَوۡلِیَآءُ ؕ اُولٰٓئِکَ فِیۡ ضَلٰلٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۳۲﴾

046.032 Waman la yujib daAAiya Allahi falaysa bimuAAjizin fee al-ardi walaysa lahu min doonihi awliyaa ola-ika fee dalalin mubeenin

En als iemand geen gehoor geeft aan hem die tot Allah oproept, dan kan hij er op de aarde toch niets tegen doen en buiten Allah heeft hij geen beschermers. Zij zijn het die in duidelijke dwaling verkeren.


اَوَ لَمۡ یَرَوۡا اَنَّ اللّٰہَ الَّذِیۡ خَلَقَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ وَ لَمۡ یَعۡیَ بِخَلۡقِہِنَّ بِقٰدِرٍ عَلٰۤی اَنۡ یُّحۡیَِۧ الۡمَوۡتٰی ؕ بَلٰۤی اِنَّہٗ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرٌ ﴿۳۳﴾

046.033 Awa lam yaraw anna Allaha allathee khalaqa alssamawati waal-arda walam yaAAya bikhalqihinna biqadirin AAala an yuhyiya almawta bala innahu AAala kulli shay-in qadeerun

Hebben zij dan niet gezien dat Allah, die de hemelen en de aarde geschapen heeft zonder dat de schepping ervan Hem veel inspanning kostte, de macht heeft om de doden levend te maken? Ja zeker, Hij is almachtig.


وَ یَوۡمَ یُعۡرَضُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا عَلَی النَّارِ ؕ اَلَیۡسَ ہٰذَا بِالۡحَقِّ ؕ قَالُوۡا بَلٰی وَ رَبِّنَا ؕ قَالَ فَذُوۡقُوا الۡعَذَابَ بِمَا کُنۡتُمۡ تَکۡفُرُوۡنَ ﴿۳۴﴾

046.034 Wayawma yuAAradu allatheena kafaroo AAala alnnari alaysa hatha bialhaqqi qaloo bala warabbina qala fathooqoo alAAathaba bima kuntum takfuroona

En op de dag dat zij die ongelovig zijn naar het vuur worden voorgeleid: "Is dit niet de waarheid?" Zij zeggen: "Ja zeker, bij onze Heer!" Hij zegt: "Proeft dan de bestraffing ervoor dat jullie ongelovig waren."


فَاصۡبِرۡ کَمَا صَبَرَ اُولُوا الۡعَزۡمِ مِنَ الرُّسُلِ وَ لَا تَسۡتَعۡجِلۡ لَّہُمۡ ؕ کَاَنَّہُمۡ یَوۡمَ یَرَوۡنَ مَا یُوۡعَدُوۡنَ ۙ لَمۡ یَلۡبَثُوۡۤا اِلَّا سَاعَۃً مِّنۡ نَّہَارٍ ؕ بَلٰغٌ ۚ فَہَلۡ یُہۡلَکُ اِلَّا الۡقَوۡمُ الۡفٰسِقُوۡنَ ﴿٪۳۵﴾

046.035 Faisbir kama sabara oloo alAAazmi mina alrrusuli wala tastaAAjil lahum kaannahum yawma yarawna ma yooAAadoona lam yalbathoo illa saAAatan min naharin balaghun fahal yuhlaku illa alqawmu alfasiqoona

Volhard dus geduldig zoals die profeten die vastbesloten waren geduldig volhardden en probeer niet het voor hen te verhaasten. Het zal voor hen op de dag dat zij zien wat hun toegezegd was zijn alsof het voor hen niet langer dan een uur van de dag heeft geduurd. [Dit is] een verkondiging. Zullen dan anderen dan de verdorven mensen vernietigd worden?


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

اَلَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا وَ صَدُّوۡا عَنۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ اَضَلَّ اَعۡمَالَہُمۡ ﴿۱﴾

047.001 Allatheena kafaroo wasaddoo AAan sabeeli Allahi adalla aAAmalahum

Van hen die ongelovig zijn en de weg van Allah versperren laat Hij de daden teloorgaan.


وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ وَ اٰمَنُوۡا بِمَا نُزِّلَ عَلٰی مُحَمَّدٍ وَّ ہُوَ الۡحَقُّ مِنۡ رَّبِّہِمۡ ۙ کَفَّرَ عَنۡہُمۡ سَیِّاٰتِہِمۡ وَ اَصۡلَحَ بَالَہُمۡ ﴿۲﴾

047.002 Waallatheena amanoo waAAamiloo alssalihati waamanoo bima nuzzila AAala muhammadin wahuwa alhaqqu min rabbihim kaffara AAanhum sayyi-atihim waaslaha balahum

Maar van hen die geloven, de deugdelijke daden doen en geloven in wat tot Mohammed is neergezonden -- dat is de waarheid die van hun Heer komt -- zal Hij de slechte daden verzoenen en hun toestand in orde brengen.


ذٰلِکَ بِاَنَّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوا اتَّبَعُوا الۡبَاطِلَ وَ اَنَّ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوا اتَّبَعُوا الۡحَقَّ مِنۡ رَّبِّہِمۡ ؕ کَذٰلِکَ یَضۡرِبُ اللّٰہُ لِلنَّاسِ اَمۡثَالَہُمۡ ﴿۳﴾

047.003 Thalika bi-anna allatheena kafaroo ittabaAAoo albatila waanna allatheena amanoo ittabaAAoo alhaqqa min rabbihim kathalika yadribu Allahu lilnnasi amthalahum

Dat komt omdat zij die ongelovig zijn het onware volgen en omdat zij die gelovig zijn de waarheid volgen die van hun Heer afkomstig is. Zo geeft Allah zijn voorbeelden voor de mensen.


فَاِذَا لَقِیۡتُمُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا فَضَرۡبَ الرِّقَابِ ؕ حَتّٰۤی اِذَاۤ اَثۡخَنۡتُمُوۡہُمۡ فَشُدُّوا الۡوَثَاقَ ٭ۙ فَاِمَّا مَنًّۢا بَعۡدُ وَ اِمَّا فِدَآءً حَتّٰی تَضَعَ الۡحَرۡبُ اَوۡزَارَہَا ۬ۚ۟ۛ ذٰؔلِکَ ؕۛ وَ لَوۡ یَشَآءُ اللّٰہُ لَانۡتَصَرَ مِنۡہُمۡ وَ لٰکِنۡ لِّیَبۡلُوَا۠ بَعۡضَکُمۡ بِبَعۡضٍ ؕ وَ الَّذِیۡنَ قُتِلُوۡا فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ فَلَنۡ یُّضِلَّ اَعۡمَالَہُمۡ ﴿۴﴾

047.004 Fa-itha laqeetumu allatheena kafaroo fadarba alrriqabi hatta itha athkhantumoohum fashuddoo alwathaqa fa-imma mannan baAAdu wa-imma fidaan hatta tadaAAa alharbu awzaraha thalika walaw yashao Allahu laintasara minhum walakin liyabluwa baAAdakum bibaAAdin waallatheena qutiloo fee sabeeli Allahi falan yudilla aAAmalahum

En wanneer jullie hen die ongelovig zijn [in de strijd] ontmoeten, slaat hen dan dood, maar wanneer jullie dan de overhand over hen verkregen hebben boeit hen dan stevig vast, hetzij om hen later als gunst vrij te laten hetzij om hen los te laten kopen, wanneer de lasten van de oorlog zijn afgelegd. Zo is het. En als Allah zou willen zou Hij zelf zich op hen wreken, maar Hij wil jullie met elkaar op de proef stellen. En zij die op Allah's weg gedood zijn, hun daden zullen niet teloorgaan.


سَیَہۡدِیۡہِمۡ وَ یُصۡلِحُ بَالَہُمۡ ۚ﴿۵﴾

047.005 sayahdeehim wayuslihu balahum

Hij zal het voor hen goed laten aflopen en hun toestand in orde brengen.


وَ یُدۡخِلُہُمُ الۡجَنَّۃَ عَرَّفَہَا لَہُمۡ ﴿۶﴾

047.006 Wayudkhiluhumu aljannata AAarrafaha lahum

En Hij zal hen de tuin laten binnengaan die Hij aan hen bekend heeft gemaakt.


یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اِنۡ تَنۡصُرُوا اللّٰہَ یَنۡصُرۡکُمۡ وَ یُثَبِّتۡ اَقۡدَامَکُمۡ ﴿۷﴾

047.007 Ya ayyuha allatheena amanoo in tansuroo Allaha yansurkum wayuthabbit aqdamakum

Jullie die geloven! Als jullie Allah helpen dan zal Hij jullie helpen en jullie voeten stevig maken.


وَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا فَتَعۡسًا لَّہُمۡ وَ اَضَلَّ اَعۡمَالَہُمۡ ﴿۸﴾

047.008 Waallatheena kafaroo fataAAsan lahum waadalla aAAmalahum

Maar zij die ongelovig zijn, neer met hen! Hij laat hun daden teloorgaan.


ذٰلِکَ بِاَنَّہُمۡ کَرِہُوۡا مَاۤ اَنۡزَلَ اللّٰہُ فَاَحۡبَطَ اَعۡمَالَہُمۡ ﴿۹﴾

047.009 Thalika bi-annahum karihoo ma anzala Allahu faahbata aAAmalahum

Dat komt omdat zij verafschuwen wat Allah neergezonden heeft. Dus maakt Hij hun daden vruchteloos. *


اَفَلَمۡ یَسِیۡرُوۡا فِی الۡاَرۡضِ فَیَنۡظُرُوۡا کَیۡفَ کَانَ عَاقِبَۃُ الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِہِمۡ ؕ دَمَّرَ اللّٰہُ عَلَیۡہِمۡ ۫ وَ لِلۡکٰفِرِیۡنَ اَمۡثَالُہَا ﴿۱۰﴾

047.010 Afalam yaseeroo fee al-ardi fayanthuroo kayfa kana AAaqibatu allatheena min qablihim dammara Allahu AAalayhim walilkafireena amthaluha

Hebben zij dan niet op de aarde rondgereisd zodat zij konden zien hoe het einde was van hen die er voor hen waren? Allah roeide hen uit. En voor de ongelovigen zijn er overeenkomstige dingen.


ذٰلِکَ بِاَنَّ اللّٰہَ مَوۡلَی الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ اَنَّ الۡکٰفِرِیۡنَ لَا مَوۡلٰی لَہُمۡ ﴿٪۱۱﴾

047.011 Thalika bi-anna Allaha mawla allatheena amanoo waanna alkafireena la mawla lahum

Dat komt omdat Allah de beschermheer is van hen die geloven en omdat de ongelovigen geen beschermheer hebben.


اِنَّ اللّٰہَ یُدۡخِلُ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ جَنّٰتٍ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ ؕ وَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا یَتَمَتَّعُوۡنَ وَ یَاۡکُلُوۡنَ کَمَا تَاۡکُلُ الۡاَنۡعَامُ وَ النَّارُ مَثۡوًی لَّہُمۡ ﴿۱۲﴾

047.012 Inna Allaha yudkhilu allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati jannatin tajree min tahtiha al-anharu waallatheena kafaroo yatamattaAAoona waya/kuloona kama ta/kulu al-anAAamu waalnnaru mathwan lahum

Allah laat hen die geloven en de deugdelijke daden doen binnengaan in tuinen, waar de rivieren onderdoor stromen. Maar zij die ongelovig zijn genieten en eten zoals het vee eet en het vuur is een verblijfplaats voor hen.


وَ کَاَیِّنۡ مِّنۡ قَرۡیَۃٍ ہِیَ اَشَدُّ قُوَّۃً مِّنۡ قَرۡیَتِکَ الَّتِیۡۤ اَخۡرَجَتۡکَ ۚ اَہۡلَکۡنٰہُمۡ فَلَا نَاصِرَ لَہُمۡ ﴿۱۳﴾

047.013 Wakaayyin min qaryatin hiya ashaddu quwwatan min qaryatika allatee akhrajatka ahlaknahum fala nasira lahum

En hoeveel steden die sterker waren dan jouw stad die jou verdreven heeft hebben Wij niet vernietigd; en zij hadden geen helper.


اَفَمَنۡ کَانَ عَلٰی بَیِّنَۃٍ مِّنۡ رَّبِّہٖ کَمَنۡ زُیِّنَ لَہٗ سُوۡٓءُ عَمَلِہٖ وَ اتَّبَعُوۡۤا اَہۡوَآءَہُمۡ ﴿۱۴﴾

047.014 Afaman kana AAala bayyinatin min rabbihi kaman zuyyina lahu soo-o AAamalihi waittabaAAoo ahwaahum

Is dan iemand die op een duidelijk bewijs van zijn Heer steunt gelijk aan iemand voor wie de slechtheid van zijn handelen aantrekkelijk gemaakt is? Zij volgen namelijk hun grillen.


مَثَلُ الۡجَنَّۃِ الَّتِیۡ وُعِدَ الۡمُتَّقُوۡنَ ؕ فِیۡہَاۤ اَنۡہٰرٌ مِّنۡ مَّآءٍ غَیۡرِ اٰسِنٍ ۚ وَ اَنۡہٰرٌ مِّنۡ لَّبَنٍ لَّمۡ یَتَغَیَّرۡ طَعۡمُہٗ ۚ وَ اَنۡہٰرٌ مِّنۡ خَمۡرٍ لَّذَّۃٍ لِّلشّٰرِبِیۡنَ ۬ۚ وَ اَنۡہٰرٌ مِّنۡ عَسَلٍ مُّصَفًّی ؕ وَ لَہُمۡ فِیۡہَا مِنۡ کُلِّ الثَّمَرٰتِ وَ مَغۡفِرَۃٌ مِّنۡ رَّبِّہِمۡ ؕ کَمَنۡ ہُوَ خَالِدٌ فِی النَّارِ وَ سُقُوۡا مَآءً حَمِیۡمًا فَقَطَّعَ اَمۡعَآءَہُمۡ ﴿۱۵﴾

047.015 Mathalu aljannati allatee wuAAida almuttaqoona feeha anharun min ma-in ghayri asinin waanharun min labanin lam yataghayyar taAAmuhu waanharun min khamrin laththatin lilshsharibeena waanharun min AAasalin musaffan walahum feeha min kulli alththamarati wamaghfiratun min rabbihim kaman huwa khalidun fee alnnari wasuqoo maan hameeman faqattaAAa amAAaahum

De tuin die de godvrezenden is toegezegd ziet er zo uit: Er zijn rivieren van water dat niet brak is, rivieren van melk waarvan de smaak niet verandert, rivieren van wijn die aangenaam is voor de drinkers en rivieren van gezuiverde honing. En zij hebben daar allerlei vruchten en vergeving van hun Heer. [Zijn zij] als zij die altijd in het vuur blijven en gloeiend water te drinken krijgen dat hun ingewanden stuksnijdt?


وَ مِنۡہُمۡ مَّنۡ یَّسۡتَمِعُ اِلَیۡکَ ۚ حَتّٰۤی اِذَا خَرَجُوۡا مِنۡ عِنۡدِکَ قَالُوۡا لِلَّذِیۡنَ اُوۡتُوا الۡعِلۡمَ مَاذَا قَالَ اٰنِفًا ۟ اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ طَبَعَ اللّٰہُ عَلٰی قُلُوۡبِہِمۡ وَ اتَّبَعُوۡۤا اَہۡوَآءَہُمۡ ﴿۱۶﴾

047.016 Waminhum man yastamiAAu ilayka hatta itha kharajoo min AAindika qaloo lillatheena ootoo alAAilma matha qala anifan ola-ika allatheena tabaAAa Allahu AAala quloobihim waittabaAAoo ahwaahum

Onder hen zijn er die naar jou luisteren, maar wanneer zij dan bij jou zijn weggegaan zeggen zij tot hen aan wie de kennis gegeven is: "Wat heeft hij zo-even gezegd?" Zij zijn het van wie Allah de harten verzegeld heeft en zij volgen hun grillen.


وَ الَّذِیۡنَ اہۡتَدَوۡا زَادَہُمۡ ہُدًی وَّ اٰتٰہُمۡ تَقۡوٰىہُمۡ ﴿۱۷﴾

047.017 Waallatheena ihtadaw zadahum hudan waatahum taqwahum

Zij die zich op het goede pad hebben laten brengen brengt Allah nog beter op het goede pad en Hij geeft hun hun godvrezendheid.


فَہَلۡ یَنۡظُرُوۡنَ اِلَّا السَّاعَۃَ اَنۡ تَاۡتِیَہُمۡ بَغۡتَۃً ۚ فَقَدۡ جَآءَ اَشۡرَاطُہَا ۚ فَاَنّٰی لَہُمۡ اِذَا جَآءَتۡہُمۡ ذِکۡرٰىہُمۡ ﴿۱۸﴾

047.018 Fahal yanthuroona illa alssaAAata an ta/tiyahum baghtatan faqad jaa ashratuha faanna lahum itha jaat-hum thikrahum

Verwachten zij dan iets anders dan dat het uur onverwachts tot hen komt? De voortekenen ervan zijn al gekomen. Hoe zou vermaning hun tot voordeel kunnen zijn wanneer hij komt?


فَاعۡلَمۡ اَنَّہٗ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا اللّٰہُ وَ اسۡتَغۡفِرۡ لِذَنۡۢبِکَ وَ لِلۡمُؤۡمِنِیۡنَ وَ الۡمُؤۡمِنٰتِ ؕ وَ اللّٰہُ یَعۡلَمُ مُتَقَلَّبَکُمۡ وَ مَثۡوٰىکُمۡ ﴿٪۱۹﴾

047.019 FaiAAlam annahu la ilaha illa Allahu waistaghfir lithanbika walilmu/mineena waalmu/minati waAllahu yaAAlamu mutaqallabakum wamathwakum

Weet dan dat er geen god is dan Allah en vraag om vergeving voor jouw zonden en voor de gelovige mannen en vrouwen. En Allah kent jullie rondtrekken en jullie verblijfplaats.


وَ یَقُوۡلُ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا لَوۡ لَا نُزِّلَتۡ سُوۡرَۃٌ ۚ فَاِذَاۤ اُنۡزِلَتۡ سُوۡرَۃٌ مُّحۡکَمَۃٌ وَّ ذُکِرَ فِیۡہَا الۡقِتَالُ ۙ رَاَیۡتَ الَّذِیۡنَ فِیۡ قُلُوۡبِہِمۡ مَّرَضٌ یَّنۡظُرُوۡنَ اِلَیۡکَ نَظَرَ الۡمَغۡشِیِّ عَلَیۡہِ مِنَ الۡمَوۡتِ ؕ فَاَوۡلٰی لَہُمۡ ﴿ۚ۲۰﴾

047.020 Wayaqoolu allatheena amanoo lawla nuzzilat sooratun fa-itha onzilat sooratun muhkamatun wathukira feeha alqitalu raayta allatheena fee quloobihim maradun yanthuroona ilayka nathara almaghshiyyi AAalayhi mina almawti faawla lahum

En zij die geloven zeggen: "Was er maar een soera neergezonden." En als er dan een eenduidige soera wordt neergezonden waarin er van strijden sprake is, dan zie jij hen die een ziekte in hun harten hebben naar jou kijken met een blik als van iemand die voor de dood in onmacht valt. Zij kunnen het krijgen!


طَاعَۃٌ وَّ قَوۡلٌ مَّعۡرُوۡفٌ ۟ فَاِذَا عَزَمَ الۡاَمۡرُ ۟ فَلَوۡ صَدَقُوا اللّٰہَ لَکَانَ خَیۡرًا لَّہُمۡ ﴿ۚ۲۱﴾

047.021 TaAAatun waqawlun maAAroofun fa-itha AAazama al-amru falaw sadaqoo Allaha lakana khayran lahum

Gehoorzaamheid en redelijke woorden! Maar wanneer de zaak vaststaat dan zou het beter voor hen zijn als zij tegenover Allah oprecht waren geweest.


فَہَلۡ عَسَیۡتُمۡ اِنۡ تَوَلَّیۡتُمۡ اَنۡ تُفۡسِدُوۡا فِی الۡاَرۡضِ وَ تُقَطِّعُوۡۤا اَرۡحَامَکُمۡ ﴿۲۲﴾

047.022 Fahal AAasaytum in tawallaytum an tufsidoo fee al-ardi watuqattiAAoo arhamakum

Of is het, als jullie je afwenden, misschien zo dat jullie verderf zaaien op de aarde en jullie verwantschapsbanden doorsnijden?


اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ لَعَنَہُمُ اللّٰہُ فَاَصَمَّہُمۡ وَ اَعۡمٰۤی اَبۡصَارَہُمۡ ﴿۲۳﴾

047.023 Ola-ika allatheena laAAanahumu Allahu faasammahum waaAAma absarahum

Zij zijn het die Allah vervloekt. Dus heeft Hij hen doof gemaakt en hun ogen verblind.


اَفَلَا یَتَدَبَّرُوۡنَ الۡقُرۡاٰنَ اَمۡ عَلٰی قُلُوۡبٍ اَقۡفَالُہَا ﴿۲۴﴾

047.024 Afala yatadabbaroona alqur-ana am AAala quloobin aqfaluha

Overpeinzen zij de Koran dan niet? Ofwel, zijn er harten die op slot zijn?


اِنَّ الَّذِیۡنَ ارۡتَدُّوۡا عَلٰۤی اَدۡبَارِہِمۡ مِّنۡۢ بَعۡدِ مَا تَبَیَّنَ لَہُمُ الۡہُدَی ۙ الشَّیۡطٰنُ سَوَّلَ لَہُمۡ ؕ وَ اَمۡلٰی لَہُمۡ ﴿۲۵﴾

047.025 Inna allatheena irtaddoo AAala adbarihim min baAAdi ma tabayyana lahumu alhuda alshshaytanu sawwala lahum waamla lahum

Hun die hun ruggen toegekeerd hebben, nadat de leidraad hun duidelijk was geworden, heeft de satan iets wijsgemaakt en hij heeft hun uitstel beloofd.


ذٰلِکَ بِاَنَّہُمۡ قَالُوۡا لِلَّذِیۡنَ کَرِہُوۡا مَا نَزَّلَ اللّٰہُ سَنُطِیۡعُکُمۡ فِیۡ بَعۡضِ الۡاَمۡرِ ۚۖ وَ اللّٰہُ یَعۡلَمُ اِسۡرَارَہُمۡ ﴿۲۶﴾

047.026 Thalika bi-annahum qaloo lillatheena karihoo ma nazzala Allahu sanuteeAAukum fee baAAdi al-amri waAllahu yaAAlamu israrahum

Dat is zo, want zij zeggen tot hen die verafschuwen wat Allah heeft neergezonden: "Wij zullen jullie gedeeltelijk gehoorzamen." Maar Allah weet wat zij in het verborgen doen.


فَکَیۡفَ اِذَا تَوَفَّتۡہُمُ الۡمَلٰٓئِکَۃُ یَضۡرِبُوۡنَ وُجُوۡہَہُمۡ وَ اَدۡبَارَہُمۡ ﴿۲۷﴾

047.027 Fakayfa itha tawaffat-humu almala-ikatu yadriboona wujoohahum waadbarahum

En hoe zal het dan zijn wanneer de engelen hen wegnemen terwijl ze op hun gezichten en ruggen slaan?


ذٰلِکَ بِاَنَّہُمُ اتَّبَعُوۡا مَاۤ اَسۡخَطَ اللّٰہَ وَ کَرِہُوۡا رِضۡوَانَہٗ فَاَحۡبَطَ اَعۡمَالَہُمۡ ﴿٪۲۸﴾

047.028 Thalika bi-annahumu ittabaAAoo ma askhata Allaha wakarihoo ridwanahu faahbata aAAmalahum

Dat gebeurt, want zij volgen wat Allah vergramd maakt en verafschuwen Zijn welbehagen. Dus maakt Hij hun daden vruchteloos.


اَمۡ حَسِبَ الَّذِیۡنَ فِیۡ قُلُوۡبِہِمۡ مَّرَضٌ اَنۡ لَّنۡ یُّخۡرِجَ اللّٰہُ اَضۡغَانَہُمۡ ﴿۲۹﴾

047.029 Am hasiba allatheena fee quloobihim maradun an lan yukhrija Allahu adghanahum

Of rekenen zij die in hun harten een ziekte hebben erop dat Allah hun rancune niet aan het licht zal brengen?


وَ لَوۡ نَشَآءُ لَاَرَیۡنٰکَہُمۡ فَلَعَرَفۡتَہُمۡ بِسِیۡمٰہُمۡ ؕ وَ لَتَعۡرِفَنَّہُمۡ فِیۡ لَحۡنِ الۡقَوۡلِ ؕ وَ اللّٰہُ یَعۡلَمُ اَعۡمَالَکُمۡ ﴿۳۰﴾

047.030 Walaw nashao laaraynakahum falaAAaraftahum biseemahum walataAArifannahum fee lahni alqawli waAllahu yaAAlamu aAAmalakum

En als Wij zouden willen zouden Wij hen aan jou tonen, zodat jij hun kenmerken zou herkennen. Maar jij zult hen zeker aan hun dubbelzinnige manier van spreken herkennen. En Allah kent hun daden.


وَ لَنَبۡلُوَنَّکُمۡ حَتّٰی نَعۡلَمَ الۡمُجٰہِدِیۡنَ مِنۡکُمۡ وَ الصّٰبِرِیۡنَ ۙ وَ نَبۡلُوَا۠ اَخۡبَارَکُمۡ ﴿۳۱﴾

047.031 Walanabluwannakum hatta naAAlama almujahideena minkum waalssabireena wanabluwa akhbarakum

Wij zullen jullie op de proef stellen zodat Wij weten wie van jullie zich inzetten en geduldig volharden en om de berichten over jullie te toetsen.


اِنَّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا وَ صَدُّوۡا عَنۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ وَ شَآقُّوا الرَّسُوۡلَ مِنۡۢ بَعۡدِ مَا تَبَیَّنَ لَہُمُ الۡہُدٰی ۙ لَنۡ یَّضُرُّوا اللّٰہَ شَیۡئًا ؕ وَ سَیُحۡبِطُ اَعۡمَالَہُمۡ ﴿۳۲﴾

047.032 Inna allatheena kafaroo wasaddoo AAan sabeeli Allahi washaqqoo alrrasoola min baAAdi ma tabayyana lahumu alhuda lan yaduroo Allaha shay-an wasayuhbitu aAAmalahum

Zij die ongelovig zijn, Allah's weg versperren en de gezant tegenwerken nadat de leidraad hun duidelijk geworden is kunnen Allah geen enkele schade toebrengen, maar Hij zal hun daden vruchteloos maken.


یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اَطِیۡعُوا اللّٰہَ وَ اَطِیۡعُوا الرَّسُوۡلَ وَ لَا تُبۡطِلُوۡۤا اَعۡمَالَکُمۡ ﴿۳۳﴾

047.033 Ya ayyuha allatheena amanoo ateeAAoo Allaha waateeAAoo alrrasoola wala tubtiloo aAAmalakum

Jullie die geloven! Gehoorzaamt Allah en gehoorzaamt de gezant en maakt jullie daden niet waardeloos.


اِنَّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا وَ صَدُّوۡا عَنۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ ثُمَّ مَاتُوۡا وَ ہُمۡ کُفَّارٌ فَلَنۡ یَّغۡفِرَ اللّٰہُ لَہُمۡ ﴿۳۴﴾

047.034 Inna allatheena kafaroo wasaddoo AAan sabeeli Allahi thumma matoo wahum kuffarun falan yaghfira Allahu lahum

Zij die ongelovig zijn en Allah's weg versperren en dan als ongelovigen sterven, aan hen zal Allah geen vergeving schenken.


فَلَا تَہِنُوۡا وَ تَدۡعُوۡۤا اِلَی السَّلۡمِ ٭ۖ وَ اَنۡتُمُ الۡاَعۡلَوۡنَ ٭ۖ وَ اللّٰہُ مَعَکُمۡ وَ لَنۡ یَّتِرَکُمۡ اَعۡمَالَکُمۡ ﴿۳۵﴾

047.035 Fala tahinoo watadAAoo ila alssalmi waantumu al-aAAlawna waAllahu maAAakum walan yatirakum aAAmalakum

Versaagt dus niet en roept niet op tot vrede wanneer jullie toch de overhand hebben. Allah is namelijk met jullie en Hij zal jullie de vergoeding voor jullie daden niet onthouden.


اِنَّمَا الۡحَیٰوۃُ الدُّنۡیَا لَعِبٌ وَّ لَہۡوٌ ؕ وَ اِنۡ تُؤۡمِنُوۡا وَ تَتَّقُوۡا یُؤۡتِکُمۡ اُجُوۡرَکُمۡ وَ لَا یَسۡـَٔلۡکُمۡ اَمۡوَالَکُمۡ ﴿۳۶﴾

047.036 Innama alhayatu alddunya laAAibun walahwun wa-in tu/minoo watattaqoo yu/tikum ojoorakum wala yas-alkum amwalakum

Het tegenwoordige leven is slechts spel en tijdverdrijf, maar als jullie geloven en godvrezend zijn zal Hij jullie je loon geven, terwijl Hij niet om jullie bezittingen vraagt.


اِنۡ یَّسۡـَٔلۡکُمُوۡہَا فَیُحۡفِکُمۡ تَبۡخَلُوۡا وَ یُخۡرِجۡ اَضۡغَانَکُمۡ ﴿۳۷﴾

047.037 In yas-alkumooha fayuhfikum tabkhaloo wayukhrij adghanakum

Als Hij jullie erom zou vragen en erop zou aandringen, dan zouden jullie gierig zijn en zou Hij jullie rancune aan het licht brengen.


ہٰۤاَنۡتُمۡ ہٰۤؤُلَآءِ تُدۡعَوۡنَ لِتُنۡفِقُوۡا فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ ۚ فَمِنۡکُمۡ مَّنۡ یَّبۡخَلُ ۚ وَ مَنۡ یَّبۡخَلۡ فَاِنَّمَا یَبۡخَلُ عَنۡ نَّفۡسِہٖ ؕ وَ اللّٰہُ الۡغَنِیُّ وَ اَنۡتُمُ الۡفُقَرَآءُ ۚ وَ اِنۡ تَتَوَلَّوۡا یَسۡتَبۡدِلۡ قَوۡمًا غَیۡرَکُمۡ ۙ ثُمَّ لَا یَکُوۡنُوۡۤا اَمۡثَالَکُمۡ ﴿٪۳۸﴾

047.038 Ha antum haola-i tudAAawna litunfiqoo fee sabeeli Allahi faminkum man yabkhalu waman yabkhal fa-innama yabkhalu AAan nafsihi waAllahu alghaniyyu waantumu alfuqarao wa-in tatawallaw yastabdil qawman ghayrakum thumma la yakoonoo amthalakum

Dat zijn jullie dus die opgeroepen worden om bijdragen te geven op Allah's weg, maar onder jullie zijn er die gierig zijn. Maar wie gierig is, die is slechts gierig ten opzichte van zichzelf. Allah is de behoefteloze en jullie zijn de armen. Als jullie je afkeren zal Hij andere mensen in jullie plaats zetten. Dan zullen zij niet zijn zoals jullie.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

اِنَّا فَتَحۡنَا لَکَ فَتۡحًا مُّبِیۡنًا ۙ﴿۱﴾

048.001 Inna fatahna laka fathan mubeenan

Wij hebben jou een duidelijk succes laten behalen,


لِّیَغۡفِرَ لَکَ اللّٰہُ مَا تَقَدَّمَ مِنۡ ذَنۡۢبِکَ وَ مَا تَاَخَّرَ وَ یُتِمَّ نِعۡمَتَہٗ عَلَیۡکَ وَ یَہۡدِیَکَ صِرَاطًا مُّسۡتَقِیۡمًا ۙ﴿۲﴾

048.002 Liyaghfira laka Allahu ma taqaddama min thanbika wama taakhkhara wayutimma niAAmatahu AAalayka wayahdiyaka siratan mustaqeeman

opdat Allah jou je vroegere en je latere zonden vergeeft, Zijn genade aan jou volledig bewijst en jou op een juiste weg leidt


وَّ یَنۡصُرَکَ اللّٰہُ نَصۡرًا عَزِیۡزًا ﴿۳﴾

048.003 Wayansuraka Allahu nasran AAazeezan

en opdat Allah jou op een geweldige manier hulp verleent.


ہُوَ الَّذِیۡۤ اَنۡزَلَ السَّکِیۡنَۃَ فِیۡ قُلُوۡبِ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ لِیَزۡدَادُوۡۤا اِیۡمَانًا مَّعَ اِیۡمَانِہِمۡ ؕ وَ لِلّٰہِ جُنُوۡدُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ وَ کَانَ اللّٰہُ عَلِیۡمًا حَکِیۡمًا ۙ﴿۴﴾

048.004 Huwa allathee anzala alssakeenata fee quloobi almu/mineena liyazdadoo eemanan maAAa eemanihim walillahi junoodu alssamawati waal-ardi wakana Allahu AAaleeman hakeeman

Hij is het die de kalmte in de harten van de gelovigen heeft laten neerdalen opdat zij bij hun geloof nog in geloof toenemen -- van Allah zijn de troepen van de hemelen en de aarde en Allah is wetend en wijs --


لِّیُدۡخِلَ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ وَ الۡمُؤۡمِنٰتِ جَنّٰتٍ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا وَ یُکَفِّرَ عَنۡہُمۡ سَیِّاٰتِہِمۡ ؕ وَ کَانَ ذٰلِکَ عِنۡدَ اللّٰہِ فَوۡزًا عَظِیۡمًا ۙ﴿۵﴾

048.005 Liyudkhila almu/mineena waalmu/minati jannatin tajree min tahtiha al-anharu khalideena feeha wayukaffira AAanhum sayyi-atihim wakana thalika AAinda Allahi fawzan AAatheeman

om de gelovige mannen en vrouwen tuinen te laten binnengaan waar de rivieren onderdoor stromen terwijl zij daar altijd in blijven en om hun hun slechte daden kwijt te schelden -- dat is een geweldige triomf bij Allah --


وَّ یُعَذِّبَ الۡمُنٰفِقِیۡنَ وَ الۡمُنٰفِقٰتِ وَ الۡمُشۡرِکِیۡنَ وَ الۡمُشۡرِکٰتِ الظَّآنِّیۡنَ بِاللّٰہِ ظَنَّ السَّوۡءِ ؕ عَلَیۡہِمۡ دَآئِرَۃُ السَّوۡءِ ۚ وَ غَضِبَ اللّٰہُ عَلَیۡہِمۡ وَ لَعَنَہُمۡ وَ اَعَدَّ لَہُمۡ جَہَنَّمَ ؕ وَ سَآءَتۡ مَصِیۡرًا ﴿۶﴾

048.006 WayuAAaththiba almunafiqeena waalmunafiqati waalmushrikeena waalmushrikati alththanneena biAllahi thanna alssaw-i AAalayhim da-iratu alssaw-i waghadiba Allahu AAalayhim walaAAanahum waaAAadda lahum jahannama wasaat maseeran

en om de huichelaars en de huichelaarsters en de veelgodendienaars en -dienaressen die over Allah slechte gedachten hebben te straffen. Voor hen is de wending ten slechte, Allah is op hen vertoornd, Hij vervloekt hen en heeft voor hen de hel klaargemaakt; dat is een slechte bestemming.


وَ لِلّٰہِ جُنُوۡدُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ وَ کَانَ اللّٰہُ عَزِیۡزًا حَکِیۡمًا ﴿۷﴾

048.007 Walillahi junoodu alssamawati waal-ardi wakana Allahu AAazeezan hakeeman

Van Allah zijn de troepen van de hemelen en de aarde en Allah is wetend en wijs.


اِنَّاۤ اَرۡسَلۡنٰکَ شَاہِدًا وَّ مُبَشِّرًا وَّ نَذِیۡرًا ۙ﴿۸﴾

048.008 Inna arsalnaka shahidan wamubashshiran wanatheeran

Wij hebben jou gezonden als getuige, als verkondiger van goed nieuws en als waarschuwer,


لِّتُؤۡمِنُوۡا بِاللّٰہِ وَ رَسُوۡلِہٖ وَ تُعَزِّرُوۡہُ وَ تُوَقِّرُوۡہُ ؕ وَ تُسَبِّحُوۡہُ بُکۡرَۃً وَّ اَصِیۡلًا ﴿۹﴾

048.009 Litu/minoo biAllahi warasoolihi watuAAazziroohu watuwaqqiroohu watusabbihoohu bukratan waaseelan

opdat jullie geloven in Allah en Zijn gezant, Hem bijstaan, Hem vereren en Hem 's ochtends en 's avonds prijzen.


اِنَّ الَّذِیۡنَ یُبَایِعُوۡنَکَ اِنَّمَا یُبَایِعُوۡنَ اللّٰہَ ؕ یَدُ اللّٰہِ فَوۡقَ اَیۡدِیۡہِمۡ ۚ فَمَنۡ نَّکَثَ فَاِنَّمَا یَنۡکُثُ عَلٰی نَفۡسِہٖ ۚ وَ مَنۡ اَوۡفٰی بِمَا عٰہَدَ عَلَیۡہُ اللّٰہَ فَسَیُؤۡتِیۡہِ اَجۡرًا عَظِیۡمًا ﴿٪۱۰﴾

048.010 Inna allatheena yubayiAAoonaka innama yubayiAAoona Allaha yadu Allahi fawqa aydeehim faman nakatha fa-innama yankuthu AAala nafsihi waman awfa bima AAahada AAalayhu Allaha fasayu/teehi ajran AAatheeman

Zij die jou trouw zweren, zweren Allah trouw. Allah's hand is op hun handen gelegd. En wie [die eed] breekt, die breekt hem tot zijn eigen nadeel. Maar wie de verbintenis die hij met Allah gesloten heeft nakomt, die zal Hij een geweldig loon geven.


سَیَقُوۡلُ لَکَ الۡمُخَلَّفُوۡنَ مِنَ الۡاَعۡرَابِ شَغَلَتۡنَاۤ اَمۡوَالُنَا وَ اَہۡلُوۡنَا فَاسۡتَغۡفِرۡ لَنَا ۚ یَقُوۡلُوۡنَ بِاَلۡسِنَتِہِمۡ مَّا لَیۡسَ فِیۡ قُلُوۡبِہِمۡ ؕ قُلۡ فَمَنۡ یَّمۡلِکُ لَکُمۡ مِّنَ اللّٰہِ شَیۡئًا اِنۡ اَرَادَ بِکُمۡ ضَرًّا اَوۡ اَرَادَ بِکُمۡ نَفۡعًا ؕ بَلۡ کَانَ اللّٰہُ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ خَبِیۡرًا ﴿۱۱﴾

048.011 Sayaqoolu laka almukhallafoona mina al-aAArabi shaghalatna amwaluna waahloona faistaghfir lana yaqooloona bi-alsinatihim ma laysa fee quloobihim qul faman yamliku lakum mina Allahi shay-an in arada bikum darran aw arada bikum nafAAan bal kana Allahu bima taAAmaloona khabeeran

Zij van de bedoeÔenen die achtergelaten zijn zullen tot jou zeggen: "Onze bezittingen en onze families hielden ons bezig. Vraag dus vergeving voor ons." Met hun tongen zeggen zij wat niet in hun harten is. Zeg: "Wie zou voor jullie tegen Allah ook maar iets kunnen uitrichten als Hij jullie schade wenst te berokkenen of als Hij jullie voordeel wenst te geven?" Integendeel, Allah is over wat jullie doen welingelicht.


بَلۡ ظَنَنۡتُمۡ اَنۡ لَّنۡ یَّنۡقَلِبَ الرَّسُوۡلُ وَ الۡمُؤۡمِنُوۡنَ اِلٰۤی اَہۡلِیۡہِمۡ اَبَدًا وَّ زُیِّنَ ذٰلِکَ فِیۡ قُلُوۡبِکُمۡ وَ ظَنَنۡتُمۡ ظَنَّ السَّوۡءِ ۚۖ وَ کُنۡتُمۡ قَوۡمًۢا بُوۡرًا ﴿۱۲﴾

048.012 Bal thanantum an lan yanqaliba alrrasoolu waalmu/minoona ila ahleehim abadan wazuyyina thalika fee quloobikum wathanantum thanna alssaw-i wakuntum qawman booran

Ja zeker, jullie dachten dat de gezant en de gelovigen nooit meer naar hun families zouden terugkeren. En in jullie harten leek dat aantrekkelijk. Jullie hadden slechte gedachten en jullie waren verloren mensen.


وَ مَنۡ لَّمۡ یُؤۡمِنۡۢ بِاللّٰہِ وَ رَسُوۡلِہٖ فَاِنَّاۤ اَعۡتَدۡنَا لِلۡکٰفِرِیۡنَ سَعِیۡرًا ﴿۱۳﴾

048.013 Waman lam yu/min biAllahi warasoolihi fa-inna aAAtadna lilkafireena saAAeeran

En wie niet in Allah en Zijn gezant gelooft? Wij hebben voor de ongelovigen een vuurgloed klaargemaakt.


وَ لِلّٰہِ مُلۡکُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ یَغۡفِرُ لِمَنۡ یَّشَآءُ وَ یُعَذِّبُ مَنۡ یَّشَآءُ ؕ وَ کَانَ اللّٰہُ غَفُوۡرًا رَّحِیۡمًا ﴿۱۴﴾

048.014 Walillahi mulku alssamawati waal-ardi yaghfiru liman yashao wayuAAaththibu man yashao wakana Allahu ghafooran raheeman

En Allah heeft de heerschappij over de hemelen en de aarde. Hij vergeeft aan wie Hij wil en Hij bestraft wie Hij wil. En Allah is vergevend en barmhartig.


سَیَقُوۡلُ الۡمُخَلَّفُوۡنَ اِذَا انۡطَلَقۡتُمۡ اِلٰی مَغَانِمَ لِتَاۡخُذُوۡہَا ذَرُوۡنَا نَتَّبِعۡکُمۡ ۚ یُرِیۡدُوۡنَ اَنۡ یُّبَدِّلُوۡا کَلٰمَ اللّٰہِ ؕ قُلۡ لَّنۡ تَتَّبِعُوۡنَا کَذٰلِکُمۡ قَالَ اللّٰہُ مِنۡ قَبۡلُ ۚ فَسَیَقُوۡلُوۡنَ بَلۡ تَحۡسُدُوۡنَنَا ؕ بَلۡ کَانُوۡا لَا یَفۡقَہُوۡنَ اِلَّا قَلِیۡلًا ﴿۱۵﴾

048.015 Sayaqoolu almukhallafoona itha intalaqtum ila maghanima lita/khuthooha tharoona nattabiAAkum yureedoona an yubaddiloo kalama Allahi qul lan tattabiAAoona kathalikum qala Allahu min qablu fasayaqooloona bal tahsudoonana bal kanoo la yafqahoona illa qaleelan

Wanneer jullie uittrekken om buit te behalen zullen de achtergelatenen zeggen: "Laat ons jullie volgen" in hun wens Allah's woorden te veranderen. Zeg: "Jullie zullen ons niet volgen. Zo heeft Allah het van tevoren gezegd." En zij zullen zeggen: "Welnee, jullie misgunnen het ons." Integendeel, zij begrijpen slechts weinig.


قُلۡ لِّلۡمُخَلَّفِیۡنَ مِنَ الۡاَعۡرَابِ سَتُدۡعَوۡنَ اِلٰی قَوۡمٍ اُولِیۡ بَاۡسٍ شَدِیۡدٍ تُقَاتِلُوۡنَہُمۡ اَوۡ یُسۡلِمُوۡنَ ۚ فَاِنۡ تُطِیۡعُوۡا یُؤۡتِکُمُ اللّٰہُ اَجۡرًا حَسَنًا ۚ وَ اِنۡ تَتَوَلَّوۡا کَمَا تَوَلَّیۡتُمۡ مِّنۡ قَبۡلُ یُعَذِّبۡکُمۡ عَذَابًا اَلِیۡمًا ﴿۱۶﴾

048.016 Qul lilmukhallafeena mina al-aAArabi satudAAawna ila qawmin olee ba/sin shadeedin tuqatiloonahum aw yuslimoona fa-in tuteeAAoo yu/tikumu Allahu ajran hasanan wa-in tatawallaw kama tawallaytum min qablu yuAAaththibkum AAathaban aleeman

Zeg tot de bedoeÔenen die achtergelaten zijn: "Jullie zullen worden opgeroepen [tot de strijd] tegen mensen van geweldige sterkte. Jullie zullen tegen hen strijden of zij geven zich over [aan Allah]. En als jullie gehoorzamen zal Allah jullie een goed loon geven, maar als jullie je afkeren, zoals jullie je vroeger hebben afgekeerd, dan zal Hij jullie met een pijnlijke bestraffing straffen."


لَیۡسَ عَلَی الۡاَعۡمٰی حَرَجٌ وَّ لَا عَلَی الۡاَعۡرَجِ حَرَجٌ وَّ لَا عَلَی الۡمَرِیۡضِ حَرَجٌ ؕ وَ مَنۡ یُّطِعِ اللّٰہَ وَ رَسُوۡلَہٗ یُدۡخِلۡہُ جَنّٰتٍ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ ۚ وَ مَنۡ یَّتَوَلَّ یُعَذِّبۡہُ عَذَابًا اَلِیۡمًا ﴿٪۱۷﴾

048.017 Laysa AAala al-aAAma harajun wala AAala al-aAAraji harajun wala AAala almareedi harajun waman yutiAAi Allaha warasoolahu yudkhilhu jannatin tajree min tahtiha al-anharu waman yatawalla yuAAaththibhu AAathaban aleeman

De blinde treft geen blaam, de kreupele treft geen blaam en de zieke treft geen blaam en wie Allah en Zijn gezant gehoorzaamt die zal Hij tuinen laten binnengaan waar de rivieren onderdoor stromen, maar wie zich afkeert, die zal Hij met een pijnlijke bestraffing straffen.


لَقَدۡ رَضِیَ اللّٰہُ عَنِ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ اِذۡ یُبَایِعُوۡنَکَ تَحۡتَ الشَّجَرَۃِ فَعَلِمَ مَا فِیۡ قُلُوۡبِہِمۡ فَاَنۡزَلَ السَّکِیۡنَۃَ عَلَیۡہِمۡ وَ اَثَابَہُمۡ فَتۡحًا قَرِیۡبًا ﴿ۙ۱۸﴾

048.018 Laqad radiya Allahu AAani almu/mineena ith yubayiAAoonaka tahta alshshajarati faAAalima ma fee quloobihim faanzala alsakeenata AAalayhim waathabahum fathan qareeban

Allah was met de gelovigen ingenomen toen zij jou onder de boom trouw zwoeren en Hij weet wat er in hun harten is en Hij liet dus de kalmte op hen neerdalen en beloonde hen met een spoedig succes


وَّ مَغَانِمَ کَثِیۡرَۃً یَّاۡخُذُوۡنَہَا ؕ وَ کَانَ اللّٰہُ عَزِیۡزًا حَکِیۡمًا ﴿۱۹﴾

048.019 Wamaghanima katheeratan ya/khuthoonaha wakana Allahu AAazeezan hakeeman

en veel buit die zij zullen behalen. En Allah is machtig en wijs.


وَعَدَکُمُ اللّٰہُ مَغَانِمَ کَثِیۡرَۃً تَاۡخُذُوۡنَہَا فَعَجَّلَ لَکُمۡ ہٰذِہٖ وَ کَفَّ اَیۡدِیَ النَّاسِ عَنۡکُمۡ ۚ وَ لِتَکُوۡنَ اٰیَۃً لِّلۡمُؤۡمِنِیۡنَ وَ یَہۡدِیَکُمۡ صِرَاطًا مُّسۡتَقِیۡمًا ﴿ۙ۲۰﴾

048.020 WaAAadakumu Allahu maghanima katheeratan ta/khuthoonaha faAAajjala lakum hathihi wakaffa aydiya alnnasi AAankum walitakoona ayatan lilmu/mineena wayahdiyakum siratan mustaqeeman

Allah heeft jullie veel buit toegezegd die jullie zullen behalen. Hij heeft dus een deel voor jullie verhaast en de handen van de mensen van jullie afgehouden. En wel opdat het een teken voor de gelovigen zou zijn en het hen op een juiste weg zou leiden.


وَّ اُخۡرٰی لَمۡ تَقۡدِرُوۡا عَلَیۡہَا قَدۡ اَحَاطَ اللّٰہُ بِہَا ؕ وَ کَانَ اللّٰہُ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرًا ﴿۲۱﴾

048.021 Waokhra lam taqdiroo AAalayha qad ahata Allahu biha wakana Allahu AAala kulli shay-in qadeeran

En ook een ander deel, dat jullie nog niet hebben kunnen behalen, is door Allah reeds omsingeld; Allah is almachtig.


وَ لَوۡ قٰتَلَکُمُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لَوَلَّوُا الۡاَدۡبَارَ ثُمَّ لَا یَجِدُوۡنَ وَلِیًّا وَّ لَا نَصِیۡرًا ﴿۲۲﴾

048.022 Walaw qatalakumu allatheena kafaroo lawallawoo al-adbara thumma la yajidoona waliyyan wala naseeran

En als zij die ongelovig zijn tegen jullie gestreden hadden, dan zouden zij jullie de rug hebben toegekeerd. Dan zouden zij geen beschermer en geen helper gevonden hebben,


سُنَّۃَ اللّٰہِ الَّتِیۡ قَدۡ خَلَتۡ مِنۡ قَبۡلُ ۚۖ وَ لَنۡ تَجِدَ لِسُنَّۃِ اللّٰہِ تَبۡدِیۡلًا ﴿۲۳﴾

048.023 Sunnata Allahi allatee qad khalat min qablu walan tajida lisunnati Allahi tabdeelan

volgens Allah's gebruikelijke behandeling van hen die voor jullie tijd zijn heengegaan en jij zult in Allah's gebruikelijke behandeling geen wijziging vinden.


وَ ہُوَ الَّذِیۡ کَفَّ اَیۡدِیَہُمۡ عَنۡکُمۡ وَ اَیۡدِیَکُمۡ عَنۡہُمۡ بِبَطۡنِ مَکَّۃَ مِنۡۢ بَعۡدِ اَنۡ اَظۡفَرَکُمۡ عَلَیۡہِمۡ ؕ وَ کَانَ اللّٰہُ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ بَصِیۡرًا ﴿۲۴﴾

048.024 Wahuwa allathee kaffa aydiyahum AAankum waaydiyakum AAanhum bibatni makkata min baAAdi an athfarakum AAalayhim wakana Allahu bima taAAmaloona baseeran

Hij is het namelijk die in het dal van Mekka hun handen van jullie en jullie handen van hen afgehouden heeft, nadat Hij jullie over hen had laten zegevieren. Allah doorziet wel wat jullie doen.


ہُمُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا وَ صَدُّوۡکُمۡ عَنِ الۡمَسۡجِدِ الۡحَرَامِ وَ الۡہَدۡیَ مَعۡکُوۡفًا اَنۡ یَّبۡلُغَ مَحِلَّہٗ ؕ وَ لَوۡ لَا رِجَالٌ مُّؤۡمِنُوۡنَ وَ نِسَآءٌ مُّؤۡمِنٰتٌ لَّمۡ تَعۡلَمُوۡہُمۡ اَنۡ تَطَـُٔوۡہُمۡ فَتُصِیۡبَکُمۡ مِّنۡہُمۡ مَّعَرَّۃٌۢ بِغَیۡرِ عِلۡمٍ ۚ لِیُدۡخِلَ اللّٰہُ فِیۡ رَحۡمَتِہٖ مَنۡ یَّشَآءُ ۚ لَوۡ تَزَیَّلُوۡا لَعَذَّبۡنَا الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا مِنۡہُمۡ عَذَابًا اَلِیۡمًا ﴿۲۵﴾

048.025 Humu allatheena kafaroo wasaddookum AAani almasjidi alharami waalhadya maAAkoofan an yablugha mahillahu walawla rijalun mu/minoona wanisaon mu/minatun lam taAAlamoohum an tataoohum fatuseebakum minhum maAAarratun bighayri AAilmin liyudkhila Allahu fee rahmatihi man yashao law tazayyaloo laAAaththabna allatheena kafaroo minhum AAathaban aleeman

Zij zijn het die ongelovig zijn en die jullie de weg naar de heilige moskee versperren, terwijl de offergave verhinderd wordt zijn bestemming [om geslacht te worden] te bereiken. En als jullie gelovige mannen en vrouwen die er waren, maar die jullie niet kenden, niet onder de voet gelopen zouden hebben en jullie vanwege hen dus door iets afschuwelijks getroffen zouden worden? Het was opdat Allah wie Hij wil in Zijn barmhartigheid zou laten binnengaan. Als zij zich onderscheiden hadden, dan zouden Wij hen uit hun midden die ongelovig zijn met een pijnlijke bestraffing gestraft hebben.


اِذۡ جَعَلَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا فِیۡ قُلُوۡبِہِمُ الۡحَمِیَّۃَ حَمِیَّۃَ الۡجَاہِلِیَّۃِ فَاَنۡزَلَ اللّٰہُ سَکِیۡنَتَہٗ عَلٰی رَسُوۡلِہٖ وَ عَلَی الۡمُؤۡمِنِیۡنَ وَ اَلۡزَمَہُمۡ کَلِمَۃَ التَّقۡوٰی وَ کَانُوۡۤا اَحَقَّ بِہَا وَ اَہۡلَہَا ؕ وَ کَانَ اللّٰہُ بِکُلِّ شَیۡءٍ عَلِیۡمًا ﴿٪۲۶﴾

048.026 Ith jaAAala allatheena kafaroo fee quloobihimu alhamiyyata hamiyyata aljahiliyyati faanzala Allahu sakeenatahu AAala rasoolihi waAAala almu/mineena waalzamahum kalimata alttaqwa wakanoo ahaqqa biha waahlaha wakana Allahu bikulli shay-in AAaleeman

Toen zij die ongelovig zijn de minachting -- de minachting van de tijd van onwetendheid -- in hun harten lieten ontvlammen en Allah Zijn kalmte op Zijn gezant en op de gelovigen liet neerdalen en maakte dat zij zich aan het woord van de godvrezendheid hielden; zij hadden daar het meeste recht op en waren het waardig. En Allah is alwetend.


لَقَدۡ صَدَقَ اللّٰہُ رَسُوۡلَہُ الرُّءۡیَا بِالۡحَقِّ ۚ لَتَدۡخُلُنَّ الۡمَسۡجِدَ الۡحَرَامَ اِنۡ شَآءَ اللّٰہُ اٰمِنِیۡنَ ۙ مُحَلِّقِیۡنَ رُءُوۡسَکُمۡ وَ مُقَصِّرِیۡنَ ۙ لَا تَخَافُوۡنَ ؕ فَعَلِمَ مَا لَمۡ تَعۡلَمُوۡا فَجَعَلَ مِنۡ دُوۡنِ ذٰلِکَ فَتۡحًا قَرِیۡبًا ﴿۲۷﴾

048.027 Laqad sadaqa Allahu rasoolahu alrru/ya bialhaqqi latadkhulunna almasjida alharama in shaa Allahu amineena muhalliqeena ruoosakum wamuqassireena la takhafoona faAAalima ma lam taAAlamoo fajaAAala min dooni thalika fathan qareeban

Allah heeft voor Zijn gezant het visioen in werkelijkheid waargemaakt. Jullie zullen als Allah het wil de heilige moskee met geschoren hoofden en bijgeknipt veilig binnengaan zonder bang te zijn. Hij weet immers wat jullie niet weten en Hij verleende daarnaast een spoedig succes.


ہُوَ الَّذِیۡۤ اَرۡسَلَ رَسُوۡلَہٗ بِالۡہُدٰۦ وَ دِیۡنِ الۡحَقِّ لِیُظۡہِرَہٗ عَلَی الدِّیۡنِ کُلِّہٖ ؕ وَ کَفٰی بِاللّٰہِ شَہِیۡدًا ﴿ؕ۲۸﴾

048.028 Huwa allathee arsala rasoolahu bialhuda wadeeni alhaqqi liyuthhirahu AAala alddeeni kullihi wakafa biAllahi shaheedan

Hij is het die Zijn gezant met de leidraad en de ware godsdienst gezonden heeft om hem te laten zegevieren over de gehele godsdienst. En Allah is goed genoeg als getuige.


مُحَمَّدٌ رَّسُوۡلُ اللّٰہِ ؕ وَ الَّذِیۡنَ مَعَہٗۤ اَشِدَّآءُ عَلَی الۡکُفَّارِ رُحَمَآءُ بَیۡنَہُمۡ تَرٰىہُمۡ رُکَّعًا سُجَّدًا یَّبۡتَغُوۡنَ فَضۡلًا مِّنَ اللّٰہِ وَ رِضۡوَانًا ۫ سِیۡمَاہُمۡ فِیۡ وُجُوۡہِہِمۡ مِّنۡ اَثَرِ السُّجُوۡدِ ؕ ذٰلِکَ مَثَلُہُمۡ فِی التَّوۡرٰىۃِ ۚۖۛ وَ مَثَلُہُمۡ فِی الۡاِنۡجِیۡلِ ۚ۟ۛ کَزَرۡعٍ اَخۡرَجَ شَطۡـَٔہٗ فَاٰزَرَہٗ فَاسۡتَغۡلَظَ فَاسۡتَوٰی عَلٰی سُوۡقِہٖ یُعۡجِبُ الزُّرَّاعَ لِیَغِیۡظَ بِہِمُ الۡکُفَّارَ ؕ وَعَدَ اللّٰہُ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ مِنۡہُمۡ مَّغۡفِرَۃً وَّ اَجۡرًا عَظِیۡمًا ﴿٪۲۹﴾

048.029 Muhammadun rasoolu Allahi waallatheena maAAahu ashiddao AAala alkuffari ruhamao baynahum tarahum rukkaAAan sujjadan yabtaghoona fadlan mina Allahi waridwanan seemahum fee wujoohihim min athari alssujoodi thalika mathaluhum fee alttawrati wamathaluhum fee al-injeeli kazarAAin akhraja shat-ahu faazarahu faistaghlatha faistawa AAala sooqihi yuAAjibu alzzurraAAa liyagheetha bihimu alkuffara waAAada Allahu allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati minhum maghfiratan waajran AAatheeman

Mohammed is de gezant van Allah. En zij die met hem zijn zijn streng tegen de ongelovigen, maar onderling barmhartig. Jij ziet hen buigen en zich eerbiedig neerbuigen in hun streven naar goedgunstigheid van Allah en welgevallen. Hun kenteken is op hun gezicht als gevolg van het zich eerbiedig neerbuigen. Zo worden zij gekenschetst in de Taura en in de Indjiel worden zij gekenschetst als zaad dat zijn loten laat ontspruiten en dan sterker laat worden. Dan worden zij dikker en staan stevig op hun stengels zodat zij de zaaiers bevallen. Zo wil Hij door hen de ongelovigen woedend maken. Allah heeft degenen onder hen die geloven en de deugdelijke daden doen vergeving toegezegd en een geweldig loon.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا لَا تُقَدِّمُوۡا بَیۡنَ یَدَیِ اللّٰہِ وَ رَسُوۡلِہٖ وَ اتَّقُوا اللّٰہَ ؕ اِنَّ اللّٰہَ سَمِیۡعٌ عَلِیۡمٌ ﴿۱﴾

049.001 Ya ayyuha allatheena amanoo la tuqaddimoo bayna yadayi Allahi warasoolihi waittaqoo Allaha inna Allaha sameeAAun AAaleemun

Jullie die geloven! Loopt niet vooruit op Allah en Zijn gezant en vreest Allah. Allah is horend en wetend.


یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا لَا تَرۡفَعُوۡۤا اَصۡوَاتَکُمۡ فَوۡقَ صَوۡتِ النَّبِیِّ وَ لَا تَجۡہَرُوۡا لَہٗ بِالۡقَوۡلِ کَجَہۡرِ بَعۡضِکُمۡ لِبَعۡضٍ اَنۡ تَحۡبَطَ اَعۡمَالُکُمۡ وَ اَنۡتُمۡ لَا تَشۡعُرُوۡنَ ﴿۲﴾

049.002 Ya ayyuha allatheena amanoo la tarfaAAoo aswatakum fawqa sawti alnnabiyyi wala tajharoo lahu bialqawli kajahri baAAdikum libaAAdin an tahbata aAAmalukum waantum la tashAAuroona

Jullie die geloven! Verheft jullie stemmen niet boven de stem van de profeet uit en spreekt tot hem niet met zo?n luide stem als jullie onderling doen, opdat jullie daden niet vruchteloos worden zonder dat jullie het beseffen.


اِنَّ الَّذِیۡنَ یَغُضُّوۡنَ اَصۡوَاتَہُمۡ عِنۡدَ رَسُوۡلِ اللّٰہِ اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ امۡتَحَنَ اللّٰہُ قُلُوۡبَہُمۡ لِلتَّقۡوٰی ؕ لَہُمۡ مَّغۡفِرَۃٌ وَّ اَجۡرٌ عَظِیۡمٌ ﴿۳﴾

049.003 Inna allatheena yaghuddoona aswatahum AAinda rasooli Allahi ola-ika allatheena imtahana Allahu quloobahum lilttaqwa lahum maghfiratun waajrun AAatheemun

Zij die met zachte stem bij de gezant van Allah spreken die zijn het van wie Allah de harten op godvrezendheid onderzocht heeft. Voor hen is er vergeving en een geweldig loon.


اِنَّ الَّذِیۡنَ یُنَادُوۡنَکَ مِنۡ وَّرَآءِ الۡحُجُرٰتِ اَکۡثَرُہُمۡ لَا یَعۡقِلُوۡنَ ﴿۴﴾

049.004 Inna allatheena yunadoonaka min wara-i alhujurati aktharuhum la yaAAqiloona

Zij die van buiten naar jou roepen als jij in de binnenkamers bent, van hen zijn de meesten niet verstandig.


وَ لَوۡ اَنَّہُمۡ صَبَرُوۡا حَتّٰی تَخۡرُجَ اِلَیۡہِمۡ لَکَانَ خَیۡرًا لَّہُمۡ ؕ وَ اللّٰہُ غَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۵﴾

049.005 Walaw annahum sabaroo hatta takhruja ilayhim lakana khayran lahum waAllahu ghafoorun raheemun

En als zij geduldig zouden zijn totdat jij tot hen naar buiten komt zou dat beter voor hen zijn. En Allah is vergevend en barmhartig.


یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اِنۡ جَآءَکُمۡ فَاسِقٌۢ بِنَبَاٍ فَتَبَیَّنُوۡۤا اَنۡ تُصِیۡبُوۡا قَوۡمًۢا بِجَہَالَۃٍ فَتُصۡبِحُوۡا عَلٰی مَا فَعَلۡتُمۡ نٰدِمِیۡنَ ﴿۶﴾

049.006 Ya ayyuha allatheena amanoo in jaakum fasiqun binaba-in fatabayyanoo an tuseeboo qawman bijahalatin fatusbihoo AAala ma faAAaltum nadimeena

Jullie die geloven! Als een verdorvene met een mededeling tot jullie komt zorgt dan dat jullie duidelijke inlichtingen inwinnen, opdat jullie niet in onwetendheid mensen treffen en wroeging krijgen over wat jullie gedaan hebben.


وَ اعۡلَمُوۡۤا اَنَّ فِیۡکُمۡ رَسُوۡلَ اللّٰہِ ؕ لَوۡ یُطِیۡعُکُمۡ فِیۡ کَثِیۡرٍ مِّنَ الۡاَمۡرِ لَعَنِتُّمۡ وَ لٰکِنَّ اللّٰہَ حَبَّبَ اِلَیۡکُمُ الۡاِیۡمَانَ وَ زَیَّنَہٗ فِیۡ قُلُوۡبِکُمۡ وَ کَرَّہَ اِلَیۡکُمُ الۡکُفۡرَ وَ الۡفُسُوۡقَ وَ الۡعِصۡیَانَ ؕ اُولٰٓئِکَ ہُمُ الرّٰشِدُوۡنَ ۙ﴿۷﴾

049.007 WaiAAlamoo anna feekum rasoola Allahi law yuteeAAukum fee katheerin mina al-amri laAAanittum walakinna Allaha habbaba ilaykumu al-eemana wazayyanahu fee quloobikum wakarraha ilaykumu alkufra waalfusooqa waalAAisyana ola-ika humu alrrashidoona

En weet dat de gezant van Allah in jullie midden is. Als hij jullie in veel van het beleid zou gehoorzamen dan zouden jullie het moeilijk krijgen. Maar Allah heeft het geloof bij jullie geliefd gemaakt en het in jullie harten aantrekkelijk gemaakt. En Hij heeft jullie het ongeloof, de schandelijkheid en de ongehoorzaamheid laten verafschuwen. Zij zijn het die zich op de goede weg bevinden,


فَضۡلًا مِّنَ اللّٰہِ وَ نِعۡمَۃً ؕ وَ اللّٰہُ عَلِیۡمٌ حَکِیۡمٌ ﴿۸﴾

049.008 Fadlan mina Allahi waniAAmatan waAllahu AAaleemun hakeemun

als een gunst van Allah en genade. Allah is wetend en wijs.


وَ اِنۡ طَآئِفَتٰنِ مِنَ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ اقۡتَتَلُوۡا فَاَصۡلِحُوۡا بَیۡنَہُمَا ۚ فَاِنۡۢ بَغَتۡ اِحۡدٰىہُمَا عَلَی الۡاُخۡرٰی فَقَاتِلُوا الَّتِیۡ تَبۡغِیۡ حَتّٰی تَفِیۡٓءَ اِلٰۤی اَمۡرِ اللّٰہِ ۚ فَاِنۡ فَآءَتۡ فَاَصۡلِحُوۡا بَیۡنَہُمَا بِالۡعَدۡلِ وَ اَقۡسِطُوۡا ؕ اِنَّ اللّٰہَ یُحِبُّ الۡمُقۡسِطِیۡنَ ﴿۹﴾

049.009 Wa-in ta-ifatani mina almu/mineena iqtataloo faaslihoo baynahuma fa-in baghat ihdahuma AAala al-okhra faqatiloo allatee tabghee hatta tafee-a ila amri Allahi fa-in faat faaslihoo baynahuma bialAAadli waaqsitoo inna Allaha yuhibbu almuqsiteena

En als twee groepen van de gelovigen met elkaar strijden, sticht dan vrede tussen hen. En als een van beide zich onrechtmatig tegenover de andere gedraagt strijdt dan tegen die groep die zich onrechtmatig gedraagt, totdat zij zich weer aan Allah's bevel houdt. En als zij zich er dan weer aan houdt sticht dan op een billijke manier vrede tussen beide en handelt daarbij rechtvaardig. Allah bemint hen die rechtvaardig handelen.


اِنَّمَا الۡمُؤۡمِنُوۡنَ اِخۡوَۃٌ فَاَصۡلِحُوۡا بَیۡنَ اَخَوَیۡکُمۡ وَ اتَّقُوا اللّٰہَ لَعَلَّکُمۡ تُرۡحَمُوۡنَ ﴿٪۱۰﴾

049.010 Innama almu/minoona ikhwatun faaslihoo bayna akhawaykum waittaqoo Allaha laAAallakum turhamoona

De gelovigen zijn immers broeders. Sticht dus vrede tussen jullie beide broeders en vreest Allah; misschien zal aan jullie barmhartigheid bewezen worden.


یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا لَا یَسۡخَرۡ قَوۡمٌ مِّنۡ قَوۡمٍ عَسٰۤی اَنۡ یَّکُوۡنُوۡا خَیۡرًا مِّنۡہُمۡ وَ لَا نِسَآءٌ مِّنۡ نِّسَآءٍ عَسٰۤی اَنۡ یَّکُنَّ خَیۡرًا مِّنۡہُنَّ ۚ وَ لَا تَلۡمِزُوۡۤا اَنۡفُسَکُمۡ وَ لَا تَنَابَزُوۡا بِالۡاَلۡقَابِ ؕ بِئۡسَ الِاسۡمُ الۡفُسُوۡقُ بَعۡدَ الۡاِیۡمَانِ ۚ وَ مَنۡ لَّمۡ یَتُبۡ فَاُولٰٓئِکَ ہُمُ الظّٰلِمُوۡنَ ﴿۱۱﴾

049.011 Ya ayyuha allatheena amanoo la yaskhar qawmun min qawmin AAasa an yakoonoo khayran minhum wala nisaon min nisa-in AAasa an yakunna khayran minhunna wala talmizoo anfusakum wala tanabazoo bial-alqabi bi/sa al-ismu alfusooqu baAAda al-eemani waman lam yatub faola-ika humu alththalimoona

Jullie die geloven! Mensen moeten elkaar niet belachelijk maken. Misschien zijn zij juist beter dan zij! En ook vrouwen moeten dat niet doen. Misschien zijn zij juist beter dan zij! En maakt geen aanmerkingen op elkaar en geeft elkaar geen scheldnamen. Schandelijkheid, dat is pas een slechte naam, nadat het geloof is aangenomen. En wie geen berouw tonen, dat zijn dan de onrechtplegers.


یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوا اجۡتَنِبُوۡا کَثِیۡرًا مِّنَ الظَّنِّ ۫ اِنَّ بَعۡضَ الظَّنِّ اِثۡمٌ وَّ لَا تَجَسَّسُوۡا وَ لَا یَغۡتَبۡ بَّعۡضُکُمۡ بَعۡضًا ؕ اَیُحِبُّ اَحَدُکُمۡ اَنۡ یَّاۡکُلَ لَحۡمَ اَخِیۡہِ مَیۡتًا فَکَرِہۡتُمُوۡہُ ؕ وَ اتَّقُوا اللّٰہَ ؕ اِنَّ اللّٰہَ تَوَّابٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۱۲﴾

049.012 Ya ayyuha allatheena amanoo ijtaniboo katheeran mina alththanni inna baAAda alththanni ithmun wala tajassasoo wala yaghtab baAAdukum baAAdan ayuhibbu ahadukum an ya/kula lahma akheehi maytan fakarihtumoohu waittaqoo Allaha inna Allaha tawwabun raheemun

Jullie die geloven! Vermijdt vele vermoedens -- sommige vermoedens zijn zonde -- en spioneert niet en roddelt niet over elkaar. Zou een van jullie graag het vlees van zijn dode broeder eten? Dat zouden jullie toch verafschuwen. En vreest Allah; Allah is een genadegever en barmhartig.


یٰۤاَیُّہَا النَّاسُ اِنَّا خَلَقۡنٰکُمۡ مِّنۡ ذَکَرٍ وَّ اُنۡثٰی وَ جَعَلۡنٰکُمۡ شُعُوۡبًا وَّ قَبَآئِلَ لِتَعَارَفُوۡا ؕ اِنَّ اَکۡرَمَکُمۡ عِنۡدَ اللّٰہِ اَتۡقٰکُمۡ ؕ اِنَّ اللّٰہَ عَلِیۡمٌ خَبِیۡرٌ ﴿۱۳﴾

049.013 Ya ayyuha alnnasu inna khalaqnakum min thakarin waontha wajaAAalnakum shuAAooban waqaba-ila litaAAarafoo inna akramakum AAinda Allahi atqakum inna Allaha AAaleemun khabeerun

O mensen, Wij hebben jullie uit een man en een vrouw geschapen en Wij hebben jullie tot volkeren en stammen gemaakt opdat jullie elkaar zouden kennen. De voortreffelijkste van jullie is bij Allah de godvrezendste. Allah is wetend en welingelicht. *


قَالَتِ الۡاَعۡرَابُ اٰمَنَّا ؕ قُلۡ لَّمۡ تُؤۡمِنُوۡا وَ لٰکِنۡ قُوۡلُوۡۤا اَسۡلَمۡنَا وَ لَمَّا یَدۡخُلِ الۡاِیۡمَانُ فِیۡ قُلُوۡبِکُمۡ ؕ وَ اِنۡ تُطِیۡعُوا اللّٰہَ وَ رَسُوۡلَہٗ لَا یَلِتۡکُمۡ مِّنۡ اَعۡمَالِکُمۡ شَیۡئًا ؕ اِنَّ اللّٰہَ غَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۱۴﴾

049.014 Qalati al-aAArabu amanna qul lam tu/minoo walakin qooloo aslamna walamma yadkhuli al-eemanu fee quloobikum wa-in tuteeAAoo Allaha warasoolahu la yalitkum min aAAmalikum shay-an inna Allaha ghafoorun raheemun

De bedoeÔenen zeggen: "Wij geloven." Zeg: "Jullie geloven niet, maar zeg: 'Wij hebben ons [aan Allah] overgegeven.? Het geloof is nog niet in jullie harten binnengekomen, maar als jullie Allah en Zijn gezant gehoorzamen, dan zal Hij jullie voor je daden niets tekort laten komen. Allah is wetend en wijs."


اِنَّمَا الۡمُؤۡمِنُوۡنَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا بِاللّٰہِ وَ رَسُوۡلِہٖ ثُمَّ لَمۡ یَرۡتَابُوۡا وَ جٰہَدُوۡا بِاَمۡوَالِہِمۡ وَ اَنۡفُسِہِمۡ فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ ؕ اُولٰٓئِکَ ہُمُ الصّٰدِقُوۡنَ ﴿۱۵﴾

049.015 Innama almu/minoona allatheena amanoo biAllahi warasoolihi thumma lam yartaboo wajahadoo bi-amwalihim waanfusihim fee sabeeli Allahi ola-ika humu alssadiqoona

De gelovigen, dat zijn zij die in Allah en Zijn gezant geloven en dan niet twijfelen en die zich met hun bezittingen en hun eigen persoon op Allah's weg inspannen; zij zijn het die oprecht zijn.


قُلۡ اَتُعَلِّمُوۡنَ اللّٰہَ بِدِیۡنِکُمۡ ؕ وَ اللّٰہُ یَعۡلَمُ مَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ مَا فِی الۡاَرۡضِ ؕ وَ اللّٰہُ بِکُلِّ شَیۡءٍ عَلِیۡمٌ ﴿۱۶﴾

049.016 Qul atuAAallimoona Allaha bideenikum waAllahu yaAAlamu ma fee alssamawati wama fee al-ardi waAllahu bikulli shay-in AAaleemun

Zeg: "Willen jullie dan Allah over jullie godsdienst beleren, terwijl Allah weet wat er in de hemelen en wat er op de aarde is?" Allah is alwetend.


یَمُنُّوۡنَ عَلَیۡکَ اَنۡ اَسۡلَمُوۡا ؕ قُلۡ لَّا تَمُنُّوۡا عَلَیَّ اِسۡلَامَکُمۡ ۚ بَلِ اللّٰہُ یَمُنُّ عَلَیۡکُمۡ اَنۡ ہَدٰىکُمۡ لِلۡاِیۡمَانِ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۱۷﴾

049.017 Yamunnoona AAalayka an aslamoo qul la tamunnoo AAalayya islamakum bali Allahu yamunnu AAalaykum an hadakum lil-eemani in kuntum sadiqeena

Zij beschouwen het als een gunst aan jou dat zij zich [aan Allah] hebben overgegeven. Zeg: "Beschouwt jullie overgave niet als een gunst aan mij. Integendeel, Allah heeft jullie een gunst bewezen dat Hij jullie tot het geloof geleid heeft, als jullie oprecht zijn."


اِنَّ اللّٰہَ یَعۡلَمُ غَیۡبَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ وَ اللّٰہُ بَصِیۡرٌۢ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ ﴿٪۱۸﴾

049.018 Inna Allaha yaAAlamu ghayba alssamawati waal-ardi waAllahu baseerun bima taAAmaloona

Allah kent het verborgene van de hemelen en de aarde en Allah doorziet wel wat jullie doen.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

قٓ ۟ۚ وَ الۡقُرۡاٰنِ الۡمَجِیۡدِ ۚ﴿۱﴾

050.001 Qaf waalqur-ani almajeedi

K[aaf]. Bij de glorierijke Koran!


بَلۡ عَجِبُوۡۤا اَنۡ جَآءَہُمۡ مُّنۡذِرٌ مِّنۡہُمۡ فَقَالَ الۡکٰفِرُوۡنَ ہٰذَا شَیۡءٌ عَجِیۡبٌ ۚ﴿۲﴾

050.002 Bal AAajiboo an jaahum munthirun minhum faqala alkafiroona hatha shay-on AAajeebun

Ja zeker, zij verbazen zich dat er tot hen een waarschuwer uit hun midden gekomen is en dus zeggen de ongelovigen: "Dit is wel iets wonderlijks.


ءَاِذَا مِتۡنَا وَ کُنَّا تُرَابًا ۚ ذٰلِکَ رَجۡعٌۢ بَعِیۡدٌ ﴿۳﴾

050.003 A-itha mitna wakunna turaban thalika rajAAun baAAeedun

Zullen wij dan als wij gestorven zijn en stof geworden zijn?? Dat is toch een vergezochte terugkeer!)


قَدۡ عَلِمۡنَا مَا تَنۡقُصُ الۡاَرۡضُ مِنۡہُمۡ ۚ وَ عِنۡدَنَا کِتٰبٌ حَفِیۡظٌ ﴿۴﴾

050.004 Qad AAalimna ma tanqusu al-ardu minhum waAAindana kitabun hafeethun

Wij weten wel wat de aarde van hen verteert; bij Ons is een boek dat [alles] bewaart.


بَلۡ کَذَّبُوۡا بِالۡحَقِّ لَمَّا جَآءَہُمۡ فَہُمۡ فِیۡۤ اَمۡرٍ مَّرِیۡجٍ ﴿۵﴾

050.005 Bal kaththaboo bialhaqqi lamma jaahum fahum fee amrin mareejin

Maar nee, zij hebben de waarheid geloochend toen die tot hen kwam. Zij verkeren dus in een verwarde toestand.


اَفَلَمۡ یَنۡظُرُوۡۤا اِلَی السَّمَآءِ فَوۡقَہُمۡ کَیۡفَ بَنَیۡنٰہَا وَ زَیَّنّٰہَا وَ مَا لَہَا مِنۡ فُرُوۡجٍ ﴿۶﴾

050.006 Afalam yanthuroo ila alssama-i fawqahum kayfa banaynaha wazayyannaha wama laha min furoojin

Kijken zij dan niet naar de hemel boven hen, hoe Wij die gebouwd en opgesierd hebben en dat er geen barsten in zijn?


وَ الۡاَرۡضَ مَدَدۡنٰہَا وَ اَلۡقَیۡنَا فِیۡہَا رَوَاسِیَ وَ اَنۡۢبَتۡنَا فِیۡہَا مِنۡ کُلِّ زَوۡجٍۭ بَہِیۡجٍ ۙ﴿۷﴾

050.007 Waal-arda madadnaha waalqayna feeha rawasiya waanbatna feeha min kulli zawjin baheejin

En de aarde hebben Wij uitgebreid en erop stevige bergen aangebracht. En Wij hebben er allerlei kostelijke soorten op laten groeien,


تَبۡصِرَۃً وَّ ذِکۡرٰی لِکُلِّ عَبۡدٍ مُّنِیۡبٍ ﴿۸﴾

050.008 Tabsiratan wathikra likulli AAabdin muneebin

als een verduidelijking en een vermaning voor iedere schuldbewuste dienaar.


وَ نَزَّلۡنَا مِنَ السَّمَآءِ مَآءً مُّبٰرَکًا فَاَنۡۢبَتۡنَا بِہٖ جَنّٰتٍ وَّ حَبَّ الۡحَصِیۡدِ ۙ﴿۹﴾

050.009 Wanazzalna mina alssama-i maan mubarakan faanbatna bihi jannatin wahabba alhaseedi

En Wij hebben uit de hemel gezegend water laten neerdalen en daarmee tuinen en graan voor de oogst laten groeien


وَ النَّخۡلَ بٰسِقٰتٍ لَّہَا طَلۡعٌ نَّضِیۡدٌ ﴿ۙ۱۰﴾

050.010 Waalnnakhla basiqatin laha talAAun nadeedun

en palmen die hoog oprijzen en boven elkaar geplaatste bloeiwijzen hebben,


رِّزۡقًا لِّلۡعِبَادِ ۙ وَ اَحۡیَیۡنَا بِہٖ بَلۡدَۃً مَّیۡتًا ؕ کَذٰلِکَ الۡخُرُوۡجُ ﴿۱۱﴾

050.011 Rizqan lilAAibadi waahyayna bihi baldatan maytan kathalika alkhurooju

als levensonderhoud voor de dienaren. En Wij brengen daarmee een dode streek tot leven. Zo is ook het tevoorschijn komen [van de doden].


کَذَّبَتۡ قَبۡلَہُمۡ قَوۡمُ نُوۡحٍ وَّ اَصۡحٰبُ الرَّسِّ وَ ثَمُوۡدُ ﴿ۙ۱۲﴾

050.012 Kaththabat qablahum qawmu noohin waas-habu alrrassi wathamoodu

Voor hun tijd heeft het volk van Noeh van leugens beticht en ook de mensen van de bron en de Thamoed


وَ عَادٌ وَّ فِرۡعَوۡنُ وَ اِخۡوَانُ لُوۡطٍ ﴿ۙ۱۳﴾

050.013 WaAAadun wafirAAawnu wa-ikhwanu lootin

en de 'Aad en Fir'aun en de broeders van Loet


وَّ اَصۡحٰبُ الۡاَیۡکَۃِ وَ قَوۡمُ تُبَّعٍ ؕ کُلٌّ کَذَّبَ الرُّسُلَ فَحَقَّ وَعِیۡدِ ﴿۱۴﴾

050.014 Waas-habu al-aykati waqawmu tubbaAAin kullun kaththaba alrrusula fahaqqa waAAeedi

en de mensen van het kreupelbos en het volk van Toebba', allen betichtten zij de gezanten van leugens, dus werd Mijn aanzegging bewaarheid.


اَفَعَیِیۡنَا بِالۡخَلۡقِ الۡاَوَّلِ ؕ بَلۡ ہُمۡ فِیۡ لَبۡسٍ مِّنۡ خَلۡقٍ جَدِیۡدٍ ﴿٪۱۵﴾

050.015 AfaAAayeena bialkhalqi al-awwali bal hum fee labsin min khalqin jadeedin

Heeft de eerste schepping Ons dan inspanning gekost? Welnee, maar zij zijn in verwarring over een nieuwe schepping.


وَ لَقَدۡ خَلَقۡنَا الۡاِنۡسَانَ وَ نَعۡلَمُ مَا تُوَسۡوِسُ بِہٖ نَفۡسُہٗ ۚۖ وَ نَحۡنُ اَقۡرَبُ اِلَیۡہِ مِنۡ حَبۡلِ الۡوَرِیۡدِ ﴿۱۶﴾

050.016 Walaqad khalaqna al-insana wanaAAlamu ma tuwaswisu bihi nafsuhu wanahnu aqrabu ilayhi min habli alwareedi

Wij hebben de mens toch geschapen en Wij weten wat hij zichzelf influistert. Wij zijn namelijk dichter bij hem dan de halsslagader.


اِذۡ یَتَلَقَّی الۡمُتَلَقِّیٰنِ عَنِ الۡیَمِیۡنِ وَ عَنِ الشِّمَالِ قَعِیۡدٌ ﴿۱۷﴾

050.017 Ith yatalaqqa almutalaqqiyani AAani alyameeni waAAani alshshimali qaAAeedun

Wanneer de beide ontvangers, aan de rechter- en de linkerkant zittend, [hem] zullen ontvangen


مَا یَلۡفِظُ مِنۡ قَوۡلٍ اِلَّا لَدَیۡہِ رَقِیۡبٌ عَتِیۡدٌ ﴿۱۸﴾

050.018 Ma yalfithu min qawlin illa ladayhi raqeebun AAateedun

kan hij geen woord uitbrengen zonder dat er een bewaker klaarstaat.


وَ جَآءَتۡ سَکۡرَۃُ الۡمَوۡتِ بِالۡحَقِّ ؕ ذٰلِکَ مَا کُنۡتَ مِنۡہُ تَحِیۡدُ ﴿۱۹﴾

050.019 Wajaat sakratu almawti bialhaqqi thalika ma kunta minhu taheedu

En de roes van de dood brengt de waarheid; dat is het wat jullie ontweken.


وَ نُفِخَ فِی الصُّوۡرِ ؕ ذٰلِکَ یَوۡمُ الۡوَعِیۡدِ ﴿۲۰﴾

050.020 Wanufikha fee alssoori thalika yawmu alwaAAeedi

En er wordt op de bazuin geblazen; dat is de dag van de aanzegging.


وَ جَآءَتۡ کُلُّ نَفۡسٍ مَّعَہَا سَآئِقٌ وَّ شَہِیۡدٌ ﴿۲۱﴾

050.021 Wajaat kullu nafsin maAAaha sa-iqun washaheedun

En elke persoon komt met een voortdrijver bij zich en een getuige.


لَقَدۡ کُنۡتَ فِیۡ غَفۡلَۃٍ مِّنۡ ہٰذَا فَکَشَفۡنَا عَنۡکَ غِطَآءَکَ فَبَصَرُکَ الۡیَوۡمَ حَدِیۡدٌ ﴿۲۲﴾

050.022 Laqad kunta fee ghaflatin min hatha fakashafna AAanka ghitaaka fabasaruka alyawma hadeedun

[En tot hem wordt gezegd:] "Jij hebt hierop niet gelet, maar wij hebben jouw bedekking van je afgenomen, zodat je blik vandaag scherp is."


وَ قَالَ قَرِیۡنُہٗ ہٰذَا مَا لَدَیَّ عَتِیۡدٌ ﴿ؕ۲۳﴾

050.023 Waqala qareenuhu hatha ma ladayya AAateedun

En zijn kameraad zegt: "Dit is wat bij mij klaarstaat."


اَلۡقِیَا فِیۡ جَہَنَّمَ کُلَّ کَفَّارٍ عَنِیۡدٍ ﴿ۙ۲۴﴾

050.024 Alqiya fee jahannama kulla kaffarin AAaneedin

[En tot die twee wordt gezegd:] "Jullie beiden moeten elke weerspannige ongelovige in de hel werpen,


مَّنَّاعٍ لِّلۡخَیۡرِ مُعۡتَدٍ مُّرِیۡبِۣ ﴿ۙ۲۵﴾

050.025 MannaAAin lilkhayri muAAtadin mureebin

die het goede tegenhoudt, overtredingen begaat, in twijfel verkeert,


الَّذِیۡ جَعَلَ مَعَ اللّٰہِ اِلٰـہًا اٰخَرَ فَاَلۡقِیٰہُ فِی الۡعَذَابِ الشَّدِیۡدِ ﴿۲۶﴾

050.026 Allathee jaAAala maAAa Allahi ilahan akhara faalqiyahu fee alAAathabi alshshadeedi

en die naast Allah een andere god stelt. Werpt hem dus in de pijnlijke bestraffing." *


قَالَ قَرِیۡنُہٗ رَبَّنَا مَاۤ اَطۡغَیۡتُہٗ وَ لٰکِنۡ کَانَ فِیۡ ضَلٰلٍۭ بَعِیۡدٍ ﴿۲۷﴾

050.027 Qala qareenuhu rabbana ma atghaytuhu walakin kana fee dalalin baAAeedin

Zijn kameraad zegt: "Onze Heer, ik heb hem niet opstandig gemaakt; hij verkeerde zelf in verregaande dwaling."


قَالَ لَا تَخۡتَصِمُوۡا لَدَیَّ وَ قَدۡ قَدَّمۡتُ اِلَیۡکُمۡ بِالۡوَعِیۡدِ ﴿۲۸﴾

050.028 Qala la takhtasimoo ladayya waqad qaddamtu ilaykum bialwaAAeedi

Hij zegt: "Twist in Mijn bijzijn niet met elkaar. Ik heb jullie de aanzegging vroeger al gegeven.


مَا یُبَدَّلُ الۡقَوۡلُ لَدَیَّ وَ مَاۤ اَنَا بِظَلَّامٍ لِّلۡعَبِیۡدِ ﴿٪۲۹﴾

050.029 Ma yubaddalu alqawlu ladayya wama ana bithallamin lilAAabeedi

De uitspraak wordt bij Mij niet veranderd en Ik geef geen onrechtvaardige behandeling aan de dienaren


یَوۡمَ نَقُوۡلُ لِجَہَنَّمَ ہَلِ امۡتَلَاۡتِ وَ تَقُوۡلُ ہَلۡ مِنۡ مَّزِیۡدٍ ﴿۳۰﴾

050.030 Yawma naqoolu lijahannama hali imtala/ti wataqoolu hal min mazeedin

op de dag dat Wij tot de hel zeggen: 'Ben je al vol?? en dat zij zegt: 'Komt er nog meer??"


وَ اُزۡلِفَتِ الۡجَنَّۃُ لِلۡمُتَّقِیۡنَ غَیۡرَ بَعِیۡدٍ ﴿۳۱﴾

050.031 Waozlifati aljannatu lilmuttaqeena ghayra baAAeedin

En de tuin wordt dicht bij de godvrezenden gebracht, niet ver van hen vandaan.


ہٰذَا مَا تُوۡعَدُوۡنَ لِکُلِّ اَوَّابٍ حَفِیۡظٍ ﴿ۚ۳۲﴾

050.032 Hatha ma tooAAadoona likulli awwabin hafeethin

"Dit is wat aan jullie is toegezegd voor ieder die schuldbewust is en zich aan [de godsdienst] houdt,


مَنۡ خَشِیَ الرَّحۡمٰنَ بِالۡغَیۡبِ وَ جَآءَ بِقَلۡبٍ مُّنِیۡبِۣ ﴿ۙ۳۳﴾

050.033 Man khashiya alrrahmana bialghaybi wajaa biqalbin muneebin

die de Erbarmer in het verborgene vreest en met een schuldbewust hart komt.


ادۡخُلُوۡہَا بِسَلٰمٍ ؕ ذٰلِکَ یَوۡمُ الۡخُلُوۡدِ ﴿۳۴﴾

050.034 Odkhulooha bisalamin thalika yawmu alkhuloodi

Gaat in vrede binnen." Dat is de dag van de eeuwigheid.


لَہُمۡ مَّا یَشَآءُوۡنَ فِیۡہَا وَلَدَیۡنَا مَزِیۡدٌ ﴿۳۵﴾

050.035 Lahum ma yashaoona feeha waladayna mazeedun

Daarin hebben zij wat zij willen en bij Ons is er nog meer.


وَ کَمۡ اَہۡلَکۡنَا قَبۡلَہُمۡ مِّنۡ قَرۡنٍ ہُمۡ اَشَدُّ مِنۡہُمۡ بَطۡشًا فَنَقَّبُوۡا فِی الۡبِلَادِ ؕ ہَلۡ مِنۡ مَّحِیۡصٍ ﴿۳۶﴾

050.036 Wakam ahlakna qablahum min qarnin hum ashaddu minhum batshan fanaqqaboo fee albiladi hal min maheesin

Hoeveel generaties hebben Wij al niet voor hun tijd vernietigd die meer macht bezaten dan zij. Toch zochten zij het land af of er geen ontsnapping was.


اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَذِکۡرٰی لِمَنۡ کَانَ لَہٗ قَلۡبٌ اَوۡ اَلۡقَی السَّمۡعَ وَ ہُوَ شَہِیۡدٌ ﴿۳۷﴾

050.037 Inna fee thalika lathikra liman kana lahu qalbun aw alqa alssamAAa wahuwa shaheedun

Daarin is een vermaning voor wie een hart heeft of wie scherp luistert als hij er getuige van is.


وَ لَقَدۡ خَلَقۡنَا السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ وَ مَا بَیۡنَہُمَا فِیۡ سِتَّۃِ اَیَّامٍ ٭ۖ وَّ مَا مَسَّنَا مِنۡ لُّغُوۡبٍ ﴿۳۸﴾

050.038 Walaqad khalaqna alssamawati waal-arda wama baynahuma fee sittati ayyamin wama massana min lughoobin

Wij hebben de hemelen en de aarde en wat er tussen beide is in zes dagen geschapen en Wij zijn niet door uitputting overvallen.


فَاصۡبِرۡ عَلٰی مَا یَقُوۡلُوۡنَ وَ سَبِّحۡ بِحَمۡدِ رَبِّکَ قَبۡلَ طُلُوۡعِ الشَّمۡسِ وَ قَبۡلَ الۡغُرُوۡبِ ﴿ۚ۳۹﴾

050.039 Faisbir AAala ma yaqooloona wasabbih bihamdi rabbika qabla tulooAAi alshshamsi waqabla alghuroobi

Verdraag wat zij zeggen dus geduldig en prijs de lof van jouw Heer voor zonsopgang en na zonsondergang


وَ مِنَ الَّیۡلِ فَسَبِّحۡہُ وَ اَدۡبَارَ السُّجُوۡدِ ﴿۴۰﴾

050.040 Wamina allayli fasabbihhu waadbara alssujoodi

en prijs Hem 's nachts en na afloop van de eerbiedige neerbuiging.


وَ اسۡتَمِعۡ یَوۡمَ یُنَادِ الۡمُنَادِ مِنۡ مَّکَانٍ قَرِیۡبٍ ﴿ۙ۴۱﴾

050.041 WaistamiAA yawma yunadi almunadi min makanin qareebin

En luister op de dag dat de oproeper van een nabije plaats roept.


یَّوۡمَ یَسۡمَعُوۡنَ الصَّیۡحَۃَ بِالۡحَقِّ ؕ ذٰلِکَ یَوۡمُ الۡخُرُوۡجِ ﴿۴۲﴾

050.042 Yawma yasmaAAoona alssayhata bialhaqqi thalika yawmu alkhurooji

Op de dag dat zij de schreeuw in waarheid zullen horen; dat is de dag waarop [de doden] tevoorschijn komen.


اِنَّا نَحۡنُ نُحۡیٖ وَ نُمِیۡتُ وَ اِلَیۡنَا الۡمَصِیۡرُ ﴿ۙ۴۳﴾

050.043 Inna nahnu nuhyee wanumeetu wa-ilayna almaseeru

Wij geven leven en Wij laten sterven en bij Ons is de bestemming.


یَوۡمَ تَشَقَّقُ الۡاَرۡضُ عَنۡہُمۡ سِرَاعًا ؕ ذٰلِکَ حَشۡرٌ عَلَیۡنَا یَسِیۡرٌ ﴿۴۴﴾

050.044 Yawma tashaqqaqu al-ardu AAanhum siraAAan thalika hashrun AAalayna yaseerun

Op de dag dat de aarde voor hen uiteensplijt zodat zij snel [tevoorschijn] komen. Dat is een gemakkelijk verzamelen voor Ons.


نَحۡنُ اَعۡلَمُ بِمَا یَقُوۡلُوۡنَ وَ مَاۤ اَنۡتَ عَلَیۡہِمۡ بِجَبَّارٍ ۟ فَذَکِّرۡ بِالۡقُرۡاٰنِ مَنۡ یَّخَافُ وَعِیۡدِ ﴿٪۴۵﴾

050.045 Nahnu aAAlamu bima yaqooloona wama anta AAalayhim bijabbarin fathakkir bialqur-ani man yakhafu waAAeedi

Wij weten het best wat zij zeggen en jij bent geen bewindvoerder over hen. Vermaan dan met de Koran wie Mijn aanzegging vreest.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

وَالذّٰرِیٰتِ ذَرۡوًا ۙ﴿۱﴾

051.001 Waalththariyati tharwan

Bij de heftig opjagenden,


فَالۡحٰمِلٰتِ وِقۡرًا ۙ﴿۲﴾

051.002 Faalhamilati wiqran

bij de last dragenden,


فَالۡجٰرِیٰتِ یُسۡرًا ۙ﴿۳﴾

051.003 Faaljariyati yusran

bij de gemakkelijk voortsnellenden


فَالۡمُقَسِّمٰتِ اَمۡرًا ۙ﴿۴﴾

051.004 Faalmuqassimati amran

en bij de bevel verdelenden!


اِنَّمَا تُوۡعَدُوۡنَ لَصَادِقٌ ۙ﴿۵﴾

051.005 Innama tooAAadoona lasadiqun

Wat jullie is aangezegd is zeker waar


وَّ اِنَّ الدِّیۡنَ لَوَاقِعٌ ؕ﴿۶﴾

051.006 Wa-inna alddeena lawaqiAAun

en het oordeel is zeker aanstaande.


وَ السَّمَآءِ ذَاتِ الۡحُبُکِ ۙ﴿۷﴾

051.007 Waalssama-i thati alhubuki

Bij de hemel met zijn banen!


اِنَّکُمۡ لَفِیۡ قَوۡلٍ مُّخۡتَلِفٍ ۙ﴿۸﴾

051.008 Innakum lafee qawlin mukhtalifin

Jullie zijn het in wat jullie zeggen oneens.


یُّؤۡفَکُ عَنۡہُ مَنۡ اُفِکَ ﴿ؕ۹﴾

051.009 Yu/faku AAanhu man ofika

Wie zich laat afleiden wordt van hem afgeleid.


قُتِلَ الۡخَرّٰصُوۡنَ ﴿ۙ۱۰﴾

051.010 Qutila alkharrasoona

Doodvallen kunnen zij die slechts gissen,


الَّذِیۡنَ ہُمۡ فِیۡ غَمۡرَۃٍ سَاہُوۡنَ ﴿ۙ۱۱﴾

051.011 Allatheena hum fee ghamratin sahoona

die in een waan blijven.


یَسۡـَٔلُوۡنَ اَیَّانَ یَوۡمُ الدِّیۡنِ ﴿ؕ۱۲﴾

051.012 Yas-aloona ayyana yawmu alddeeni

Zij vragen wanneer de oordeelsdag zal zijn.


یَوۡمَ ہُمۡ عَلَی النَّارِ یُفۡتَنُوۡنَ ﴿۱۳﴾

051.013 Yawma hum AAala alnnari yuftanoona

Op de dag dat zij aan de beproeving van het vuur worden blootgesteld.


ذُوۡقُوۡا فِتۡنَتَکُمۡ ؕ ہٰذَا الَّذِیۡ کُنۡتُمۡ بِہٖ تَسۡتَعۡجِلُوۡنَ ﴿۱۴﴾

051.014 Thooqoo fitnatakum hatha allathee kuntum bihi tastaAAjiloona

"Proeft jullie beproeving, dit is het wat jullie wilden verhaasten."


اِنَّ الۡمُتَّقِیۡنَ فِیۡ جَنّٰتٍ وَّ عُیُوۡنٍ ﴿ۙ۱۵﴾

051.015 Inna almuttaqeena fee jannatin waAAuyoonin

Maar de godvrezenden zullen in tuinen en bij bronnen zijn.


اٰخِذِیۡنَ مَاۤ اٰتٰہُمۡ رَبُّہُمۡ ؕ اِنَّہُمۡ کَانُوۡا قَبۡلَ ذٰلِکَ مُحۡسِنِیۡنَ ﴿ؕ۱۶﴾

051.016 Akhitheena ma atahum rabbuhum innahum kanoo qabla thalika muhsineena

Zij nemen wat hun Heer hun geeft; zij waren immers voordien mensen die goed deden.


کَانُوۡا قَلِیۡلًا مِّنَ الَّیۡلِ مَا یَہۡجَعُوۡنَ ﴿۱۷﴾

051.017 Kanoo qaleelan mina allayli ma yahjaAAoona

's Nachts sliepen zij slechts weinig


وَ بِالۡاَسۡحَارِ ہُمۡ یَسۡتَغۡفِرُوۡنَ ﴿۱۸﴾

051.018 Wabial-ashari hum yastaghfiroona

en in de morgenschemering vroegen zij om vergeving


وَ فِیۡۤ اَمۡوَالِہِمۡ حَقٌّ لِّلسَّآئِلِ وَ الۡمَحۡرُوۡمِ ﴿۱۹﴾

051.019 Wafee amwalihim haqqun lilssa-ili waalmahroomi

en een rechtmatig aandeel in hun bezittingen was voor de bedelaar en de onbemiddelde.


وَ فِی الۡاَرۡضِ اٰیٰتٌ لِّلۡمُوۡقِنِیۡنَ ﴿ۙ۲۰﴾

051.020 Wafee al-ardi ayatun lilmooqineena

Op de aarde zijn er tekenen voor hen die vast overtuigd zijn,


وَ فِیۡۤ اَنۡفُسِکُمۡ ؕ اَفَلَا تُبۡصِرُوۡنَ ﴿۲۱﴾

051.021 Wafee anfusikum afala tubsiroona

en in jullie zelf. Hebben jullie dan geen inzicht?


وَ فِی السَّمَآءِ رِزۡقُکُمۡ وَ مَا تُوۡعَدُوۡنَ ﴿۲۲﴾

051.022 Wafee alssama-i rizqukum wama tooAAadoona

En in de hemel is jullie levensonderhoud en wat jullie wordt toegezegd.


فَوَ رَبِّ السَّمَآءِ وَ الۡاَرۡضِ اِنَّہٗ لَحَقٌّ مِّثۡلَ مَاۤ اَنَّکُمۡ تَنۡطِقُوۡنَ ﴿٪۲۳﴾

051.023 Fawarabbi alssama-i waal-ardi innahu lahaqqun mithla ma annakum tantiqoona

Bij de Heer van de hemel en de aarde, het is zo waar als dat jullie kunnen spreken.


ہَلۡ اَتٰىکَ حَدِیۡثُ ضَیۡفِ اِبۡرٰہِیۡمَ الۡمُکۡرَمِیۡنَ ﴿ۘ۲۴﴾

051.024 Hal ataka hadeethu dayfi ibraheema almukrameena

Is het verhaal van de geŽerde gasten van Ibrahiem tot jullie gekomen?


اِذۡ دَخَلُوۡا عَلَیۡہِ فَقَالُوۡا سَلٰمًا ؕ قَالَ سَلٰمٌ ۚ قَوۡمٌ مُّنۡکَرُوۡنَ ﴿ۚ۲۵﴾

051.025 Ith dakhaloo AAalayhi faqaloo salaman qala salamun qawmun munkaroona

Toen zij bij hem binnengingen en "Vrede" zeiden, zei hij: "Vrede, onbekende mensen."


فَرَاغَ اِلٰۤی اَہۡلِہٖ فَجَآءَ بِعِجۡلٍ سَمِیۡنٍ ﴿ۙ۲۶﴾

051.026 Faragha ila ahlihi fajaa biAAijlin sameenin

Hij wendde zich toen heimelijk tot zijn huisgenoten en bracht een gemest kalf.


فَقَرَّبَہٗۤ اِلَیۡہِمۡ قَالَ اَلَا تَاۡکُلُوۡنَ ﴿۫۲۷﴾

051.027 Faqarrabahu ilayhim qala ala ta/kuloona

Dat zette hij hun toen voor. Hij zei: "Willen jullie niet eten?"


فَاَوۡجَسَ مِنۡہُمۡ خِیۡفَۃً ؕ قَالُوۡا لَا تَخَفۡ ؕ وَ بَشَّرُوۡہُ بِغُلٰمٍ عَلِیۡمٍ ﴿۲۸﴾

051.028 Faawjasa minhum kheefatan qaloo la takhaf wabashsharoohu bighulamin AAaleemin

Toen werd hij door vrees voor hen bevangen. Zij zeiden: "Wees niet bang" en verkondigden hem het goede nieuws van een verstandige jongen.


فَاَقۡبَلَتِ امۡرَاَتُہٗ فِیۡ صَرَّۃٍ فَصَکَّتۡ وَجۡہَہَا وَ قَالَتۡ عَجُوۡزٌ عَقِیۡمٌ ﴿۲۹﴾

051.029 Faaqbalati imraatuhu fee sarratin fasakkat wajhaha waqalat AAajoozun AAaqeemun

Toen kwam zijn vrouw er schreeuwend aan. Zij sloeg zich in het gezicht en zei: "Een onvruchtbare oude vrouw!"


قَالُوۡا کَذٰلِکِ ۙ قَالَ رَبُّکِ ؕ اِنَّہٗ ہُوَ الۡحَکِیۡمُ الۡعَلِیۡمُ ﴿۳۰﴾

051.030 Qaloo kathaliki qala rabbuki innahu huwa alhakeemu alAAaleemu

Zij zeiden: "Zo heeft jouw Heer het gezegd. Hij is de wijze, de wetende." *



www.kuran.nl