27 Qala Fama

قَالَ فَمَا خَطۡبُکُمۡ اَیُّہَا الۡمُرۡسَلُوۡنَ ﴿۳۱﴾

051.031 Qala fama khatbukum ayyuha almursaloona

Hij zei: "Waar komen jullie voor, o gezondenen?"


قَالُوۡۤا اِنَّاۤ اُرۡسِلۡنَاۤ اِلٰی قَوۡمٍ مُّجۡرِمِیۡنَ ﴿ۙ۳۲﴾

051.032 Qaloo inna orsilna ila qawmin mujrimeena

Zij zeiden: "Wij zijn gezonden naar misdadige mensen


لِنُرۡسِلَ عَلَیۡہِمۡ حِجَارَۃً مِّنۡ طِیۡنٍ ﴿ۙ۳۳﴾

051.033 Linursila AAalayhim hijaratan min teenin

om op hen stenen van klei neer te zenden,


مُّسَوَّمَۃً عِنۡدَ رَبِّکَ لِلۡمُسۡرِفِیۡنَ ﴿۳۴﴾

051.034 Musawwamatan AAinda rabbika lilmusrifeena

die bij jouw Heer gemerkt zijn voor de onmatigen."


فَاَخۡرَجۡنَا مَنۡ کَانَ فِیۡہَا مِنَ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿ۚ۳۵﴾

051.035 Faakhrajna man kana feeha mina almu/mineena

En Wij lieten hen die daar tot de gelovigen behoorden eruit gaan,


فَمَا وَجَدۡنَا فِیۡہَا غَیۡرَ بَیۡتٍ مِّنَ الۡمُسۡلِمِیۡنَ ﴿ۚ۳۶﴾

051.036 Fama wajadna feeha ghayra baytin mina almuslimeena

maar Wij vonden er slechts n huis van hen die zich [aan Allah] overgaven.


وَ تَرَکۡنَا فِیۡہَاۤ اٰیَۃً لِّلَّذِیۡنَ یَخَافُوۡنَ الۡعَذَابَ الۡاَلِیۡمَ ﴿ؕ۳۷﴾

051.037 Watarakna feeha ayatan lillatheena yakhafoona alAAathaba al-aleema

En Wij lieten daarin een teken achter voor hen die de pijnlijke bestraffing vrezen.


وَ فِیۡ مُوۡسٰۤی اِذۡ اَرۡسَلۡنٰہُ اِلٰی فِرۡعَوۡنَ بِسُلۡطٰنٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۳۸﴾

051.038 Wafee moosa ith arsalnahu ila firAAawna bisultanin mubeenin

Ook in [het verhaal van] Moesa, toen Wij hem met een duidelijke machtiging naar Fir'aun zonden.


فَتَوَلّٰی بِرُکۡنِہٖ وَ قَالَ سٰحِرٌ اَوۡ مَجۡنُوۡنٌ ﴿۳۹﴾

051.039 Fatawalla biruknihi waqala sahirun aw majnoonun

Die keerde zich toen met zijn garde af en zei: "Een tovenaar of een bezetene."


فَاَخَذۡنٰہُ وَ جُنُوۡدَہٗ فَنَبَذۡنٰہُمۡ فِی الۡیَمِّ وَ ہُوَ مُلِیۡمٌ ﴿ؕ۴۰﴾

051.040 Faakhathnahu wajunoodahu fanabathnahum fee alyammi wahuwa muleemun

En Wij grepen hem en zijn troepen en wierpen hen in de zee; laakbaar was hij.


وَ فِیۡ عَادٍ اِذۡ اَرۡسَلۡنَا عَلَیۡہِمُ الرِّیۡحَ الۡعَقِیۡمَ ﴿ۚ۴۱﴾

051.041 Wafee AAadin ith arsalna AAalayhimu alrreeha alAAaqeema

Ook in [het verhaal van] de 'Aad, toen Wij de barre wind tegen hen zonden,


مَا تَذَرُ مِنۡ شَیۡءٍ اَتَتۡ عَلَیۡہِ اِلَّا جَعَلَتۡہُ کَالرَّمِیۡمِ ﴿ؕ۴۲﴾

051.042 Ma tatharu min shay-in atat AAalayhi illa jaAAalat-hu kaalrrameemi

die waar hij overheen ging niets overliet, maar het als gruis maakte.


وَ فِیۡ ثَمُوۡدَ اِذۡ قِیۡلَ لَہُمۡ تَمَتَّعُوۡا حَتّٰی حِیۡنٍ ﴿۴۳﴾

051.043 Wafee thamooda ith qeela lahum tamattaAAoo hatta heenin

Ook in [het verhaal van] de Thamoed, toen Wij tot hen zeiden: "Jullie kunnen nog een tijd genieten."


فَعَتَوۡا عَنۡ اَمۡرِ رَبِّہِمۡ فَاَخَذَتۡہُمُ الصّٰعِقَۃُ وَ ہُمۡ یَنۡظُرُوۡنَ ﴿۴۴﴾

051.044 FaAAataw AAan amri rabbihim faakhathat-humu alssaAAiqatu wahum yanthuroona

Maar zij minachtten het bevel van hun Heer en toen greep de donderslag hen, terwijl zij keken.


فَمَا اسۡتَطَاعُوۡا مِنۡ قِیَامٍ وَّ مَا کَانُوۡا مُنۡتَصِرِیۡنَ ﴿ۙ۴۵﴾

051.045 Fama istataAAoo min qiyamin wama kanoo muntasireena

Toen konden zij niet meer opstaan en konden niet meer geholpen worden.


وَ قَوۡمَ نُوۡحٍ مِّنۡ قَبۡلُ ؕ اِنَّہُمۡ کَانُوۡا قَوۡمًا فٰسِقِیۡنَ ﴿٪۴۶﴾

051.046 Waqawma noohin min qablu innahum kanoo qawman fasiqeena

Ook het volk van Noeh, vroeger al; dat waren verdorven mensen.


وَ السَّمَآءَ بَنَیۡنٰہَا بِاَیۡىدٍ وَّ اِنَّا لَمُوۡسِعُوۡنَ ﴿۴۷﴾

051.047 Waalssamaa banaynaha bi-aydin wa-inna lamoosiAAoona

De hemel hebben Wij duurzaam gebouwd; Wij hebben het vermogen.


وَ الۡاَرۡضَ فَرَشۡنٰہَا فَنِعۡمَ الۡمٰہِدُوۡنَ ﴿۴۸﴾

051.048 Waal-arda farashnaha faniAAma almahidoona

En de aarde hebben Wij uitgespreid; een voortreffelijke plaatsbereider zijn Wij.


وَ مِنۡ کُلِّ شَیۡءٍ خَلَقۡنَا زَوۡجَیۡنِ لَعَلَّکُمۡ تَذَکَّرُوۡنَ ﴿۴۹﴾

051.049 Wamin kulli shay-in khalaqna zawjayni laAAallakum tathakkaroona

En alles hebben Wij paarsgewijs geschapen; misschien zullen jullie je laten vermanen.


فَفِرُّوۡۤا اِلَی اللّٰہِ ؕ اِنِّیۡ لَکُمۡ مِّنۡہُ نَذِیۡرٌ مُّبِیۡنٌ ﴿ۚ۵۰﴾

051.050 Fafirroo ila Allahi innee lakum minhu natheerun mubeenun

Vlucht dan tot Allah; ik ben voor jullie een duidelijke waarschuwer van Zijn kant.


وَ لَا تَجۡعَلُوۡا مَعَ اللّٰہِ اِلٰـہًا اٰخَرَ ؕ اِنِّیۡ لَکُمۡ مِّنۡہُ نَذِیۡرٌ مُّبِیۡنٌ ﴿ۚ۵۱﴾

051.051 Wala tajAAaloo maAAa Allahi ilahan akhara innee lakum minhu natheerun mubeenun

En stelt naast Allah geen andere god; ik ben voor jullie een duidelijke waarschuwer van Zijn kant.


کَذٰلِکَ مَاۤ اَتَی الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِہِمۡ مِّنۡ رَّسُوۡلٍ اِلَّا قَالُوۡا سَاحِرٌ اَوۡ مَجۡنُوۡنٌ ﴿ۚ۵۲﴾

051.052 Kathalika ma ata allatheena min qablihim min rasoolin illa qaloo sahirun aw majnoonun

Zo is er ook tot hen die er voor hun tijd waren geen gezant gekomen zonder dat zij zeiden: "Een tovenaar of een bezetene."


اَتَوَاصَوۡا بِہٖ ۚ بَلۡ ہُمۡ قَوۡمٌ طَاغُوۡنَ ﴿ۚ۵۳﴾

051.053 Atawasaw bihi bal hum qawmun taghoona

Hebben zij het soms aan elkaar opgedragen? Welnee, zij zijn onbeschaamde mensen.


فَتَوَلَّ عَنۡہُمۡ فَمَاۤ اَنۡتَ بِمَلُوۡمٍ ﴿٭۫۵۴﴾

051.054 Fatawalla AAanhum fama anta bimaloomin

Keer je dus van hen af; jou treft dan geen blaam.


وَّ ذَکِّرۡ فَاِنَّ الذِّکۡرٰی تَنۡفَعُ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۵۵﴾

051.055 Wathakkir fa-inna alththikra tanfaAAu almu/mineena

En vermaan, want de vermaning is nuttig voor de gelovigen.


وَ مَا خَلَقۡتُ الۡجِنَّ وَ الۡاِنۡسَ اِلَّا لِیَعۡبُدُوۡنِ ﴿۵۶﴾

051.056 Wama khalaqtu aljinna waal-insa illa liyaAAbudooni

Ik heb de mensen en de djinn slechts geschapen om Mij te dienen.


مَاۤ اُرِیۡدُ مِنۡہُمۡ مِّنۡ رِّزۡقٍ وَّ مَاۤ اُرِیۡدُ اَنۡ یُّطۡعِمُوۡنِ ﴿۵۷﴾

051.057 Ma oreedu minhum min rizqin wama oreedu an yutAAimooni

Ik wens door hen niet van levensonderhoud te worden voorzien en Ik wens niet dat zij mij voeden.


اِنَّ اللّٰہَ ہُوَ الرَّزَّاقُ ذُو الۡقُوَّۃِ الۡمَتِیۡنُ ﴿۵۸﴾

051.058 Inna Allaha huwa alrrazzaqu thoo alquwwati almateenu

Allah is de voorziener die sterke kracht heeft.


فَاِنَّ لِلَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡا ذَنُوۡبًا مِّثۡلَ ذَنُوۡبِ اَصۡحٰبِہِمۡ فَلَا یَسۡتَعۡجِلُوۡنِ ﴿۵۹﴾

051.059 Fa-inna lillatheena thalamoo thanooban mithla thanoobi as-habihim fala yastaAAjiloona

Maar voor hen die onrecht plegen is er een portie die even groot is als de portie van hun metgezellen. Zij moeten Mij dan maar niet vragen het te verhaasten.


فَوَیۡلٌ لِّلَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا مِنۡ یَّوۡمِہِمُ الَّذِیۡ یُوۡعَدُوۡنَ ﴿٪۶۰﴾

051.060 Fawaylun lillatheena kafaroo min yawmihimu allathee yooAAadoona

En wee hen die ongelovig zijn wegens hun dag die hun is aangezegd.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

وَ الطُّوۡرِ ۙ﴿۱﴾

052.001 Waalttoori

Bij de berg.


وَ کِتٰبٍ مَّسۡطُوۡرٍ ۙ﴿۲﴾

052.002 Wakitabin mastoorin

Bij een boek dat is opgetekend


فِیۡ رَقٍّ مَّنۡشُوۡرٍ ۙ﴿۳﴾

052.003 Fee raqqin manshoorin

op opengerold perkament.


وَّ الۡبَیۡتِ الۡمَعۡمُوۡرِ ۙ﴿۴﴾

052.004 Waalbayti almaAAmoori

Bij het in stand gehouden huis.


وَ السَّقۡفِ الۡمَرۡفُوۡعِ ۙ﴿۵﴾

052.005 Waalssaqfi almarfooAAi

Bij het opgeheven dak.


وَ الۡبَحۡرِ الۡمَسۡجُوۡرِ ۙ﴿۶﴾

052.006 Waalbahri almasjoori

Bij de kolkende zee.


اِنَّ عَذَابَ رَبِّکَ لَوَاقِعٌ ۙ﴿۷﴾

052.007 Inna AAathaba rabbika lawaqiAAun

De bestraffing van jouw Heer is aanstaande.


مَّا لَہٗ مِنۡ دَافِعٍ ۙ﴿۸﴾

052.008 Ma lahu min dafiAAin

Niemand kan haar afweren


یَّوۡمَ تَمُوۡرُ السَّمَآءُ مَوۡرًا ۙ﴿۹﴾

052.009 Yawma tamooru alssamao mawran

op de dag dat de hemel begint te trillen


وَّ تَسِیۡرُ الۡجِبَالُ سَیۡرًا ﴿ؕ۱۰﴾

052.010 Wataseeru aljibalu sayran

en de bergen bewegen.


فَوَیۡلٌ یَّوۡمَئِذٍ لِّلۡمُکَذِّبِیۡنَ ﴿ۙ۱۱﴾

052.011 Fawaylun yawma-ithin lilmukaththibeena

Wee op die dag de loochenaars,


الَّذِیۡنَ ہُمۡ فِیۡ خَوۡضٍ یَّلۡعَبُوۡنَ ﴿ۘ۱۲﴾

052.012 Allatheena hum fee khawdin yalAAaboona

zij die in geklets schertsen.


یَوۡمَ یُدَعُّوۡنَ اِلٰی نَارِ جَہَنَّمَ دَعًّا ﴿ؕ۱۳﴾

052.013 Yawma yudaAAAAoona ila nari jahannama daAAAAan

Op de dag dat zij in het vuur van de hel geduwd worden.


ہٰذِہِ النَّارُ الَّتِیۡ کُنۡتُمۡ بِہَا تُکَذِّبُوۡنَ ﴿۱۴﴾

052.014 Hathihi alnnaru allatee kuntum biha tukaththiboona

"Dit is het vuur waarvan jullie het bestaan loochenden.


اَفَسِحۡرٌ ہٰذَاۤ اَمۡ اَنۡتُمۡ لَا تُبۡصِرُوۡنَ ﴿ۚ۱۵﴾

052.015 Afasihrun hatha am antum la tubsiroona

Is dit dan toverij of zien jullie het niet goed?


اِصۡلَوۡہَا فَاصۡبِرُوۡۤا اَوۡ لَا تَصۡبِرُوۡا ۚ سَوَآءٌ عَلَیۡکُمۡ ؕ اِنَّمَا تُجۡزَوۡنَ مَا کُنۡتُمۡ تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۱۶﴾

052.016 Islawha faisbiroo aw la tasbiroo sawaon AAalaykum innama tujzawna ma kuntum taAAmaloona

Braadt erin en of jullie het wel of niet kunnen verdragen maakt voor jullie niet uit. Aan jullie wordt vergolden wat jullie gedaan hebben."


اِنَّ الۡمُتَّقِیۡنَ فِیۡ جَنّٰتٍ وَّ نَعِیۡمٍ ﴿ۙ۱۷﴾

052.017 Inna almuttaqeena fee jannatin wanaAAeemin

Maar de godvrezenden zullen in tuinen en in gelukzaligheid zijn,


فٰکِہِیۡنَ بِمَاۤ اٰتٰہُمۡ رَبُّہُمۡ ۚ وَ وَقٰہُمۡ رَبُّہُمۡ عَذَابَ الۡجَحِیۡمِ ﴿۱۸﴾

052.018 Fakiheena bima atahum rabbuhum wawaqahum rabbuhum AAathaba aljaheemi

blij met wat hun Heer hun geeft. En hun Heer beschermt hen tegen de bestraffing van de hel.


کُلُوۡا وَ اشۡرَبُوۡا ہَنِیۡٓـًٔۢا بِمَا کُنۡتُمۡ تَعۡمَلُوۡنَ ﴿ۙ۱۹﴾

052.019 Kuloo waishraboo hanee-an bima kuntum taAAmaloona

"Eet en drinkt met genoegen [als beloning] voor wat jullie gedaan hebbent


مُتَّکِئِیۡنَ عَلٰی سُرُرٍ مَّصۡفُوۡفَۃٍ ۚ وَ زَوَّجۡنٰہُمۡ بِحُوۡرٍ عِیۡنٍ ﴿۲۰﴾

052.020 Muttaki-eena AAala sururin masfoofatin wazawwajnahum bihoorin AAeenin

Achterovergeleund op in rijen gezette rustbedden. En Wij geven hun gezellinnen met sprekende grote ogen ten huwelijk.


وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ اتَّبَعَتۡہُمۡ ذُرِّیَّتُہُمۡ بِاِیۡمَانٍ اَلۡحَقۡنَا بِہِمۡ ذُرِّیَّتَہُمۡ وَ مَاۤ اَلَتۡنٰہُمۡ مِّنۡ عَمَلِہِمۡ مِّنۡ شَیۡءٍ ؕ کُلُّ امۡرِیًٔۢ بِمَا کَسَبَ رَہِیۡنٌ ﴿۲۱﴾

052.021 Waallatheena amanoo waittabaAAat-hum thurriyyatuhum bi-eemanin alhaqna bihim thurriyyatahum wama alatnahum min AAamalihim min shay-in kullu imri-in bima kasaba raheenun

En het nageslacht van hen die geloven en die in hun geloof door hun nageslacht gevolgd worden hebben Wij bij hen gevoegd. En Wij laten hen voor wat zij gedaan hebben in niets tekortkomen. Elke man is aansprakelijk voor wat hij begaan heeft.


وَ اَمۡدَدۡنٰہُمۡ بِفَاکِہَۃٍ وَّ لَحۡمٍ مِّمَّا یَشۡتَہُوۡنَ ﴿۲۲﴾

052.022 Waamdadnahum bifakihatin walahmin mimma yashtahoona

En Wij overladen hen met vruchten en vlees, wat zij maar begeren,


یَتَنَازَعُوۡنَ فِیۡہَا کَاۡسًا لَّا لَغۡوٌ فِیۡہَا وَ لَا تَاۡثِیۡمٌ ﴿۲۳﴾

052.023 YatanazaAAoona feeha ka/san la laghwun feeha wala ta/theemun

terwijl zij er een beker aan elkaar doorgeven waarbij er onzinnig geklets noch verleiding tot zonde voorkomt. *


وَ یَطُوۡفُ عَلَیۡہِمۡ غِلۡمَانٌ لَّہُمۡ کَاَنَّہُمۡ لُؤۡلُؤٌ مَّکۡنُوۡنٌ ﴿۲۴﴾

052.024 Wayatoofu AAalayhim ghilmanun lahum kaannahum lu/luon maknoonun

En bij hen gaan er jongelingen rond, die als goedbewaarde parels zijn, om hen te bedienen.


وَ اَقۡبَلَ بَعۡضُہُمۡ عَلٰی بَعۡضٍ یَّتَسَآءَلُوۡنَ ﴿۲۵﴾

052.025 Waaqbala baAAduhum AAala baAAdin yatasaaloona

En zij komen naar elkaar toe om elkaar te ondervragen.


قَالُوۡۤا اِنَّا کُنَّا قَبۡلُ فِیۡۤ اَہۡلِنَا مُشۡفِقِیۡنَ ﴿۲۶﴾

052.026 Qaloo inna kunna qablu fee ahlina mushfiqeena

Zij zeggen: "Vroeger, te midden van onze familie, hadden wij ontzag [voor Allah's woord].


فَمَنَّ اللّٰہُ عَلَیۡنَا وَ وَقٰىنَا عَذَابَ السَّمُوۡمِ ﴿۲۷﴾

052.027 Famanna Allahu AAalayna wawaqana AAathaba alssamoomi

Toen bewees Allah ons een gunst en beschermde ons voor de straf van de verzengende gloed.


اِنَّا کُنَّا مِنۡ قَبۡلُ نَدۡعُوۡہُ ؕ اِنَّہٗ ہُوَ الۡبَرُّ الرَّحِیۡمُ ﴿٪۲۸﴾

052.028 Inna kunna min qablu nadAAoohu innahu huwa albarru alrraheemu

Vroeger baden wij tot Hem; Hij is de welwillende, de barmhartige."


فَذَکِّرۡ فَمَاۤ اَنۡتَ بِنِعۡمَتِ رَبِّکَ بِکَاہِنٍ وَّ لَا مَجۡنُوۡنٍ ﴿ؕ۲۹﴾

052.029 Fathakkir fama anta biniAAmati rabbika bikahin wala majnoonin

Vermaan dus, want jij bent door de genade van jouw Heer geen waarzegger en geen bezetene.


اَمۡ یَقُوۡلُوۡنَ شَاعِرٌ نَّتَرَبَّصُ بِہٖ رَیۡبَ الۡمَنُوۡنِ ﴿۳۰﴾

052.030 Am yaqooloona shaAAirun natarabbasu bihi rayba almanooni

Of zeggen zij: "Een dichter. Wij wachten af wat het noodlot hem voor twijfelachtigs brengt."


قُلۡ تَرَبَّصُوۡا فَاِنِّیۡ مَعَکُمۡ مِّنَ الۡمُتَرَبِّصِیۡنَ ﴿ؕ۳۱﴾

052.031 Qul tarabbasoo fa-innee maAAakum mina almutarabbiseena

Zeg: "Wachten jullie maar af, ik behoor tot hen die samen met jullie afwachten."


اَمۡ تَاۡمُرُہُمۡ اَحۡلَامُہُمۡ بِہٰذَاۤ اَمۡ ہُمۡ قَوۡمٌ طَاغُوۡنَ ﴿ۚ۳۲﴾

052.032 Am ta/muruhum ahlamuhum bihatha am hum qawmun taghoona

Of bevelen hun verstandelijke vermogens hun dat of zijn zij onbeschaamde mensen?


اَمۡ یَقُوۡلُوۡنَ تَقَوَّلَہٗ ۚ بَلۡ لَّا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿ۚ۳۳﴾

052.033 Am yaqooloona taqawwalahu bal la yu/minoona

Of zeggen zij: "Hij heeft het bedacht."? Zeker niet, maar zij geloven niet.


فَلۡیَاۡتُوۡا بِحَدِیۡثٍ مِّثۡلِہٖۤ اِنۡ کَانُوۡا صٰدِقِیۡنَ ﴿ؕ۳۴﴾

052.034 Falya/too bihadeethin mithlihi in kanoo sadiqeena

Laten zij dan met een overeenkomstig bericht komen, als zij gelijk hebben.


اَمۡ خُلِقُوۡا مِنۡ غَیۡرِ شَیۡءٍ اَمۡ ہُمُ الۡخٰلِقُوۡنَ ﴿ؕ۳۵﴾

052.035 Am khuliqoo min ghayri shay-in am humu alkhaliqoona

Of zijn zij door niets geschapen? Of zijn zij zelf de scheppers?


اَمۡ خَلَقُوا السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ ۚ بَلۡ لَّا یُوۡقِنُوۡنَ ﴿ؕ۳۶﴾

052.036 Am khalaqoo alssamawati waal-arda bal la yooqinoona

Of hebben zij de hemelen en de aarde geschapen? Welnee, maar zij zijn niet overtuigd.


اَمۡ عِنۡدَہُمۡ خَزَآئِنُ رَبِّکَ اَمۡ ہُمُ الۡمُصَۜیۡطِرُوۡنَ ﴿ؕ۳۷﴾

052.037 Am AAindahum khaza-inu rabbika am humu almusaytiroona

Of zijn bij hen de schatkamers van jouw Heer? Of zijn zij de opperheersers?


اَمۡ لَہُمۡ سُلَّمٌ یَّسۡتَمِعُوۡنَ فِیۡہِ ۚ فَلۡیَاۡتِ مُسۡتَمِعُہُمۡ بِسُلۡطٰنٍ مُّبِیۡنٍ ﴿ؕ۳۸﴾

052.038 Am lahum sullamun yastamiAAoona feehi falya/ti mustamiAAuhum bisultanin mubeenin

Of hebben zij een ladder waarop zij kunnen staan luisteren? Dan moet hun luisteraar maar een duidelijke machtiging brengen.


اَمۡ لَہُ الۡبَنٰتُ وَ لَکُمُ الۡبَنُوۡنَ ﴿ؕ۳۹﴾

052.039 Am lahu albanatu walakumu albanoona

Of zou Hij dan dochters hebben en jullie zonen?


اَمۡ تَسۡـَٔلُہُمۡ اَجۡرًا فَہُمۡ مِّنۡ مَّغۡرَمٍ مُّثۡقَلُوۡنَ ﴿ؕ۴۰﴾

052.040 Am tas-aluhum ajran fahum min maghramin muthqaloona

Of vraag jij hun loon zodat zij met betalingsverplichtingen belast zijn?


اَمۡ عِنۡدَہُمُ الۡغَیۡبُ فَہُمۡ یَکۡتُبُوۡنَ ﴿ؕ۴۱﴾

052.041 Am AAindahumu alghaybu fahum yaktuboona

Of is het verborgene bij hen zodat zij het kunnen opschrijven?


اَمۡ یُرِیۡدُوۡنَ کَیۡدًا ؕ فَالَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا ہُمُ الۡمَکِیۡدُوۡنَ ﴿ؕ۴۲﴾

052.042 Am yureedoona kaydan faallatheena kafaroo humu almakeedoona

Of wensen zij een list te beramen? Maar zij die ongelovig zijn worden door list belaagd.


اَمۡ لَہُمۡ اِلٰہٌ غَیۡرُ اللّٰہِ ؕ سُبۡحٰنَ اللّٰہِ عَمَّا یُشۡرِکُوۡنَ ﴿۴۳﴾

052.043 Am lahum ilahun ghayru Allahi subhana Allahi AAamma yushrikoona

Of hebben zij een andere god dan Allah? Geprezen zij Hij, verheven als Hij is boven wat zij aan Hem als metgezellen toevoegen.


وَ اِنۡ یَّرَوۡا کِسۡفًا مِّنَ السَّمَآءِ سَاقِطًا یَّقُوۡلُوۡا سَحَابٌ مَّرۡکُوۡمٌ ﴿۴۴﴾

052.044 Wa-in yaraw kisfan mina alssama-i saqitan yaqooloo sahabun markoomun

En als zij een stuk uit de hemel zien vallen zeggen zij: "Een stapelwolk."


فَذَرۡہُمۡ حَتّٰی یُلٰقُوۡا یَوۡمَہُمُ الَّذِیۡ فِیۡہِ یُصۡعَقُوۡنَ ﴿ۙ۴۵﴾

052.045 Fatharhum hatta yulaqoo yawmahumu allathee feehi yusAAaqoona

Laat hen maar totdat zij hun dag tegenkomen waarop zij wezenloos neervallen;


یَوۡمَ لَا یُغۡنِیۡ عَنۡہُمۡ کَیۡدُہُمۡ شَیۡئًا وَّ لَا ہُمۡ یُنۡصَرُوۡنَ ﴿ؕ۴۶﴾

052.046 Yawma la yughnee AAanhum kayduhum shay-an wala hum yunsaroona

de dag waarop hun list hun niets baat en waarop zij geen hulp zullen krijgen.


وَ اِنَّ لِلَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡا عَذَابًا دُوۡنَ ذٰلِکَ وَ لٰکِنَّ اَکۡثَرَہُمۡ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۴۷﴾

052.047 Wa-inna lillatheena thalamoo AAathaban doona thalika walakinna aktharahum la yaAAlamoona

Voor hen die onrecht plegen is er daarnaast nog een bestraffing, maar de meesten van hen weten het niet.


وَ اصۡبِرۡ لِحُکۡمِ رَبِّکَ فَاِنَّکَ بِاَعۡیُنِنَا وَ سَبِّحۡ بِحَمۡدِ رَبِّکَ حِیۡنَ تَقُوۡمُ ﴿ۙ۴۸﴾

052.048 Waisbir lihukmi rabbika fa-innaka bi-aAAyunina wasabbih bihamdi rabbika heena taqoomu

Volhard dus geduldig tot aan het oordeel van jouw Heer; Wij hebben jou voor ogen. En prijs de lof van jouw Heer wanneer je opstaat.


وَ مِنَ الَّیۡلِ فَسَبِّحۡہُ وَ اِدۡبَارَ النُّجُوۡمِ ﴿٪۴۹﴾

052.049 Wamina allayli fasabbihhu wa-idbara alnnujoomi

Lofprijs Hem ook in de nacht en als de sterren verbleken.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

وَ النَّجۡمِ اِذَا ہَوٰی ۙ﴿۱﴾

053.001 Waalnnajmi itha hawa

Bij de ster, wanneer zij valt.


مَا ضَلَّ صَاحِبُکُمۡ وَ مَا غَوٰی ۚ﴿۲﴾

053.002 Ma dalla sahibukum wama ghawa

Jullie medeburger dwaalt niet en heeft geen afwijking,


وَ مَا یَنۡطِقُ عَنِ الۡہَوٰی ؕ﴿۳﴾

053.003 Wama yantiqu AAani alhawa

noch spreekt hij uit een bevlieging.


اِنۡ ہُوَ اِلَّا وَحۡیٌ یُّوۡحٰی ۙ﴿۴﴾

053.004 In huwa illa wahyun yooha

Dit is niet anders dan een ingegeven openbaring.


عَلَّمَہٗ شَدِیۡدُ الۡقُوٰی ۙ﴿۵﴾

053.005 AAallamahu shadeedu alquwa

Hem onderwees een grootmachtige


ذُوۡ مِرَّۃٍ ؕ فَاسۡتَوٰی ۙ﴿۶﴾

053.006 Thoo mirratin faistawa

en scherpzinnige. Evenwichtig


وَ ہُوَ بِالۡاُفُقِ الۡاَعۡلٰی ؕ﴿۷﴾

053.007 Wahuwa bial-ofuqi al-aAAla

stond hij hoog aan de horizon.


ثُمَّ دَنَا فَتَدَلّٰی ۙ﴿۸﴾

053.008 Thumma dana fatadalla

Toen naderde hij, liet zich neder --


فَکَانَ قَابَ قَوۡسَیۡنِ اَوۡ اَدۡنٰی ۚ﴿۹﴾

053.009 Fakana qaba qawsayni aw adna

op twee booglengten afstand of nog nader --


فَاَوۡحٰۤی اِلٰی عَبۡدِہٖ مَاۤ اَوۡحٰی ﴿ؕ۱۰﴾

053.010 Faawha ila AAabdihi ma awha

en gaf Zijn dienaar die openbaring.


مَا کَذَبَ الۡفُؤَادُ مَا رَاٰی ﴿۱۱﴾

053.011 Ma kathaba alfu-adu ma raa

Het hart loog niet over wat hij zag.


اَفَتُمٰرُوۡنَہٗ عَلٰی مَا یَرٰی ﴿۱۲﴾

053.012 Afatumaroonahu AAala ma yara

Zullen jullie hem dan betwisten wat hij ziet?


وَ لَقَدۡ رَاٰہُ نَزۡلَۃً اُخۡرٰی ﴿ۙ۱۳﴾

053.013 Walaqad raahu nazlatan okhra

Hij had hem reeds gezien bij een andere neerdaling,


عِنۡدَ سِدۡرَۃِ الۡمُنۡتَہٰی ﴿۱۴﴾

053.014 AAinda sidrati almuntaha

bij de lotusboom van de eindbestemming,


عِنۡدَہَا جَنَّۃُ الۡمَاۡوٰی ﴿ؕ۱۵﴾

053.015 AAindaha jannatu alma/wa

bij de tuin van de [hemelse] verblijfplaats,


اِذۡ یَغۡشَی السِّدۡرَۃَ مَا یَغۡشٰی ﴿ۙ۱۶﴾

053.016 Ith yaghsha alssidrata ma yaghsha

toen de lotusboom verhuld werd met wat hem verhulde.


مَا زَاغَ الۡبَصَرُ وَ مَا طَغٰی ﴿۱۷﴾

053.017 Ma zagha albasaru wama tagha

Zijn blik week noch dwaalde:


لَقَدۡ رَاٰی مِنۡ اٰیٰتِ رَبِّہِ الۡکُبۡرٰی ﴿۱۸﴾

053.018 Laqad raa min ayati rabbihi alkubra

Hij had een van de grootste tekenen van zijn Heer gezien.


اَفَرَءَیۡتُمُ اللّٰتَ وَ الۡعُزّٰی ﴿ۙ۱۹﴾

053.019 Afaraaytumu allata waalAAuzza

Hoe zien jullie dan al-Laat en al-'Oezza,


وَ مَنٰوۃَ الثَّالِثَۃَ الۡاُخۡرٰی ﴿۲۰﴾

053.020 Wamanata alththalithata al-okhra

en Manaat, de derde, de andere?


اَلَکُمُ الذَّکَرُ وَ لَہُ الۡاُنۡثٰی ﴿۲۱﴾

053.021 Alakumu alththakaru walahu al-ontha

Zouden jullie dan de mannelijke [kinderen] hebben en Hij de vrouwelijke?


تِلۡکَ اِذًا قِسۡمَۃٌ ضِیۡزٰی ﴿۲۲﴾

053.022 Tilka ithan qismatun deeza

Dat zou dan een onrechtvaardige verdeling zijn.


اِنۡ ہِیَ اِلَّاۤ اَسۡمَآءٌ سَمَّیۡتُمُوۡہَاۤ اَنۡتُمۡ وَ اٰبَآؤُکُمۡ مَّاۤ اَنۡزَلَ اللّٰہُ بِہَا مِنۡ سُلۡطٰنٍ ؕ اِنۡ یَّتَّبِعُوۡنَ اِلَّا الظَّنَّ وَ مَا تَہۡوَی الۡاَنۡفُسُ ۚ وَ لَقَدۡ جَآءَہُمۡ مِّنۡ رَّبِّہِمُ الۡہُدٰی ﴿ؕ۲۳﴾

053.023 In hiya illa asmaon sammaytumooha antum waabaokum ma anzala Allahu biha min sultanin in yattabiAAoona illa alththanna wama tahwa al-anfusu walaqad jaahum min rabbihimu alhuda

Het zijn slechts namen die jullie en jullie vaderen gegeven hebben en waarvoor Allah geen enkele machtiging had neergezonden. Jullie volgen slechts vermoedens en wat jullie zelf graag willen, hoewel van jullie Heer de leidraad is gekomen.


اَمۡ لِلۡاِنۡسَانِ مَا تَمَنّٰی ﴿۫ۖ۲۴﴾

053.024 Am lil-insani ma tamanna

Of krijgt de mens alles wat hij wenst?


فَلِلّٰہِ الۡاٰخِرَۃُ وَ الۡاُوۡلٰی ﴿٪۲۵﴾

053.025 Falillahi al-akhiratu waal-oola

Van Allah is het hiernamaals en het tegenwoordige bestaan!


وَ کَمۡ مِّنۡ مَّلَکٍ فِی السَّمٰوٰتِ لَا تُغۡنِیۡ شَفَاعَتُہُمۡ شَیۡئًا اِلَّا مِنۡۢ بَعۡدِ اَنۡ یَّاۡذَنَ اللّٰہُ لِمَنۡ یَّشَآءُ وَ یَرۡضٰی ﴿۲۶﴾

053.026 Wakam min malakin fee alssamawati la tughnee shafaAAatuhum shay-an illa min baAAdi an ya/thana Allahu liman yashao wayarda

En hoeveel engelen zijn er niet in de hemelen wier voorspraak niets baat, behalve nadat Allah toestemming geeft voor wie Hij het wil en goedvindt.


اِنَّ الَّذِیۡنَ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ بِالۡاٰخِرَۃِ لَیُسَمُّوۡنَ الۡمَلٰٓئِکَۃَ تَسۡمِیَۃَ الۡاُنۡثٰی ﴿۲۷﴾

053.027 Inna allatheena la yu/minoona bial-akhirati layusammoona almala-ikata tasmiyata al-ontha

Zij die niet in het hiernamaals geloven geven de engelen vrouwelijke namen.


وَ مَا لَہُمۡ بِہٖ مِنۡ عِلۡمٍ ؕ اِنۡ یَّتَّبِعُوۡنَ اِلَّا الظَّنَّ ۚ وَ اِنَّ الظَّنَّ لَا یُغۡنِیۡ مِنَ الۡحَقِّ شَیۡئًا ﴿ۚ۲۸﴾

053.028 Wama lahum bihi min AAilmin in yattabiAAoona illa alththanna wa-inna alththanna la yughnee mina alhaqqi shay-an

Zij hebben daarover geen kennis. Zij volgen slechts vermoedens en vermoedens baten niets tegen de waarheid.


فَاَعۡرِضۡ عَنۡ مَّنۡ تَوَلّٰی ۬ۙ عَنۡ ذِکۡرِنَا وَ لَمۡ یُرِدۡ اِلَّا الۡحَیٰوۃَ الدُّنۡیَا ﴿ؕ۲۹﴾

053.029 FaaAArid AAan man tawalla AAan thikrina walam yurid illa alhayata alddunya

Wend je dan af van wie zich van Onze vermaning heeft afgekeerd en die slechts het tegenwoordige leven wenst.


ذٰلِکَ مَبۡلَغُہُمۡ مِّنَ الۡعِلۡمِ ؕ اِنَّ رَبَّکَ ہُوَ اَعۡلَمُ بِمَنۡ ضَلَّ عَنۡ سَبِیۡلِہٖ ۙ وَ ہُوَ اَعۡلَمُ بِمَنِ اہۡتَدٰی ﴿۳۰﴾

053.030 Thalika mablaghuhum mina alAAilmi inna rabbaka huwa aAAlamu biman dalla AAan sabeelihi wahuwa aAAlamu bimani ihtada

Zover heeft hun kennis gereikt, maar jouw Heer kent wie van Zijn weg afdwaalt het best en Hij kent hem die het goede pad volgt het best.


وَ لِلّٰہِ مَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ مَا فِی الۡاَرۡضِ ۙ لِیَجۡزِیَ الَّذِیۡنَ اَسَآءُوۡا بِمَا عَمِلُوۡا وَ یَجۡزِیَ الَّذِیۡنَ اَحۡسَنُوۡا بِالۡحُسۡنٰی ﴿ۚ۳۱﴾

053.031 Walillahi ma fee alssamawati wama fee al-ardi liyajziya allatheena asaoo bima AAamiloo wayajziya allatheena ahsanoo bialhusna

En van Allah is wat er in de hemelen en wat er op de aarde is om aan hen die verkeerd doen te vergelden wat zij gedaan hebben en de allermooiste beloning te geven aan hen die goed doen,


اَلَّذِیۡنَ یَجۡتَنِبُوۡنَ کَبٰٓئِرَ الۡاِثۡمِ وَ الۡفَوَاحِشَ اِلَّا اللَّمَمَ ؕ اِنَّ رَبَّکَ وَاسِعُ الۡمَغۡفِرَۃِ ؕ ہُوَ اَعۡلَمُ بِکُمۡ اِذۡ اَنۡشَاَکُمۡ مِّنَ الۡاَرۡضِ وَ اِذۡ اَنۡتُمۡ اَجِنَّۃٌ فِیۡ بُطُوۡنِ اُمَّہٰتِکُمۡ ۚ فَلَا تُزَکُّوۡۤا اَنۡفُسَکُمۡ ؕ ہُوَ اَعۡلَمُ بِمَنِ اتَّقٰی ٪﴿۳۲﴾

053.032 Allatheena yajtaniboona kaba-ira al-ithmi waalfawahisha illa allamama inna rabbaka wasiAAu almaghfirati huwa aAAlamu bikum ith anshaakum mina al-ardi wa-ith antum ajinnatun fee butooni ommahatikum fala tuzakkoo anfusakum huwa aAAlamu bimani ittaqa

die de grote zonden en gruwelijkheden vermijden, afgezien dan van kleine overtredingen; jouw Heer is alomvattend in Zijn vergeving. Hij kent jullie het best; toen Hij jullie uit de aarde liet ontstaan en toen jullie nog ongeboren in de buik van jullie moeders waren. Zeg dan niet van jullie zelf dat jullie gelouterd zijn; Hij weet het best wie godvrezend is.


اَفَرَءَیۡتَ الَّذِیۡ تَوَلّٰی ﴿ۙ۳۳﴾

053.033 Afaraayta allathee tawalla

Heb jij hem gezien die zich afkeert


وَ اَعۡطٰی قَلِیۡلًا وَّ اَکۡدٰی ﴿۳۴﴾

053.034 WaaAAta qaleelan waakda

en die een weinig geeft en dan niet meer?


اَعِنۡدَہٗ عِلۡمُ الۡغَیۡبِ فَہُوَ یَرٰی ﴿۳۵﴾

053.035 aAAindahu AAilmu alghaybi fahuwa yara

Heeft hij de kennis van het onzichtbare, zodat hij het ziet?


اَمۡ لَمۡ یُنَبَّاۡ بِمَا فِیۡ صُحُفِ مُوۡسٰی ﴿ۙ۳۶﴾

053.036 Am lam yunabba/ bima fee suhufi moosa

Of is hem dan niet meegedeeld wat er staat in de bladen van Moesa


وَ اِبۡرٰہِیۡمَ الَّذِیۡ وَفّٰۤی ﴿ۙ۳۷﴾

053.037 Wa-ibraheema allathee waffa

en Ibrahiem die [zijn plicht] vervulde?


اَلَّا تَزِرُ وَازِرَۃٌ وِّزۡرَ اُخۡرٰی ﴿ۙ۳۸﴾

053.038 Alla taziru waziratun wizra okhra

Dat niemand belast is met de last van een ander.


وَ اَنۡ لَّیۡسَ لِلۡاِنۡسَانِ اِلَّا مَا سَعٰی ﴿ۙ۳۹﴾

053.039 Waan laysa lil-insani illa ma saAAa

Dat de mens slechts krijgt wat hij heeft nagejaagd.


وَ اَنَّ سَعۡیَہٗ سَوۡفَ یُرٰی ﴿۪۴۰﴾

053.040 Waanna saAAyahu sawfa yura

En dat wat hij heeft nagejaagd zichtbaar zal worden.


ثُمَّ یُجۡزٰىہُ الۡجَزَآءَ الۡاَوۡفٰی ﴿ۙ۴۱﴾

053.041 Thumma yujzahu aljazaa al-awfa

Dat wordt hem dan volledig vergolden.


وَ اَنَّ اِلٰی رَبِّکَ الۡمُنۡتَہٰی ﴿ۙ۴۲﴾

053.042 Waanna ila rabbika almuntaha

En dat bij jouw Heer de eindbestemming is.


وَ اَنَّہٗ ہُوَ اَضۡحَکَ وَ اَبۡکٰی ﴿ۙ۴۳﴾

053.043 Waannahu huwa adhaka waabka

En dat Hij het is die laat lachen en die laat huilen.


وَ اَنَّہٗ ہُوَ اَمَاتَ وَ اَحۡیَا ﴿ۙ۴۴﴾

053.044 Waannahu huwa amata waahya

En die laat sterven en die leven geeft.


وَ اَنَّہٗ خَلَقَ الزَّوۡجَیۡنِ الذَّکَرَ وَ الۡاُنۡثٰی ﴿ۙ۴۵﴾

053.045 Waannahu khalaqa alzzawjayni alththakara waal-ontha

En dat Hij de beide geslachten, het mannelijke en het vrouwelijke, geschapen heeft


مِنۡ نُّطۡفَۃٍ اِذَا تُمۡنٰی ﴿۪۴۶﴾

053.046 Min nutfatin itha tumna

uit een druppel, wanneer die wordt uitgestort.


وَ اَنَّ عَلَیۡہِ النَّشۡاَۃَ الۡاُخۡرٰی ﴿ۙ۴۷﴾

053.047 Waanna AAalayhi alnnash-ata al-okhra

En dat de laatste totstandkoming Zijn taak is.


وَ اَنَّہٗ ہُوَ اَغۡنٰی وَ اَقۡنٰی ﴿ۙ۴۸﴾

053.048 Waannahu huwa aghna waaqna

En dat Hij het is die rijk maakt en die vermogen geeft.


وَ اَنَّہٗ ہُوَ رَبُّ الشِّعۡرٰی ﴿ۙ۴۹﴾

053.049 Waannahu huwa rabbu alshshiAAra

En dat Hij de Heer van Sirius is.


وَ اَنَّہٗۤ اَہۡلَکَ عَادَۨ ا الۡاُوۡلٰی ﴿ۙ۵۰﴾

053.050 Waannahu ahlaka AAadan al-oola

En dat Hij de 'Aad van eertijds heeft vernietigd


وَ ثَمُوۡدَا۠ فَمَاۤ اَبۡقٰی ﴿ۙ۵۱﴾

053.051 Wathamooda fama abqa

en ook de Thamoed -- en dat Hij toen niets overliet --


وَ قَوۡمَ نُوۡحٍ مِّنۡ قَبۡلُ ؕ اِنَّہُمۡ کَانُوۡا ہُمۡ اَظۡلَمَ وَ اَطۡغٰی ﴿ؕ۵۲﴾

053.052 Waqawma noohin min qablu innahum kanoo hum athlama waatgha

en het volk van Noeh daarvoor al. Zij waren uiterst zondig en onbeschaamd.


وَ الۡمُؤۡتَفِکَۃَ اَہۡوٰی ﴿ۙ۵۳﴾

053.053 Waalmu/tafikata ahwa

En de ondersteboven gekeerde [stad] stortte Hij naar beneden.


فَغَشّٰہَا مَا غَشّٰی ﴿ۚ۵۴﴾

053.054 Faghashshaha ma ghashsha

En die heeft Hij toen bedekt met de bedekking die Hij gaf.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکَ تَتَمَارٰی ﴿۵۵﴾

053.055 Fabi-ayyi ala-i rabbika tatamara

Welke weldaden van jouw Heer wil jij dan betwijfelen?


ہٰذَا نَذِیۡرٌ مِّنَ النُّذُرِ الۡاُوۡلٰی ﴿۵۶﴾

053.056 Hatha natheerun mina alnnuthuri al-oola

Dit is een waarschuwer als de eerdere waarschuwers.


اَزِفَتِ الۡاٰزِفَۃُ ﴿ۚ۵۷﴾

053.057 Azifati al-azifatu

De aanstaande [opstanding] is nabij.


لَیۡسَ لَہَا مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ کَاشِفَۃٌ ﴿ؕ۵۸﴾

053.058 Laysa laha min dooni Allahi kashifatun

Niemand buiten Allah kan haar opheffen.


اَفَمِنۡ ہٰذَا الۡحَدِیۡثِ تَعۡجَبُوۡنَ ﴿ۙ۵۹﴾

053.059 Afamin hatha alhadeethi taAAjaboona

Zijn jullie dan verbaasd over dit bericht?


وَ تَضۡحَکُوۡنَ وَ لَا تَبۡکُوۡنَ ﴿ۙ۶۰﴾

053.060 Watadhakoona wala tabkoona

En lachen jullie en huilen jullie niet,


وَ اَنۡتُمۡ سٰمِدُوۡنَ ﴿۶۱﴾

053.061 Waantum samidoona

afgeleid als jullie zijn?


فَاسۡجُدُوۡا لِلّٰہِ وَ اعۡبُدُوۡا ﴿٪ٛ۶۲﴾

053.062 Faosjudoo lillahi waoAAbudoo

Buigt dan eerbiedig neer voor Allah en dient [Hem]."


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

اِقۡتَرَبَتِ السَّاعَۃُ وَ انۡشَقَّ الۡقَمَرُ ﴿۱﴾

054.001 Iqtarabati alssaAAatu wainshaqqa alqamaru

Het uur is nabijgekomen en de maan is gespleten.


وَ اِنۡ یَّرَوۡا اٰیَۃً یُّعۡرِضُوۡا وَ یَقُوۡلُوۡا سِحۡرٌ مُّسۡتَمِرٌّ ﴿۲﴾

054.002 Wa-in yaraw ayatan yuAAridoo wayaqooloo sihrun mustamirrun

Maar als zij een teken zien wenden zij zich af en zeggen: "Voortdurende toverij."


وَ کَذَّبُوۡا وَ اتَّبَعُوۡۤا اَہۡوَآءَہُمۡ وَ کُلُّ اَمۡرٍ مُّسۡتَقِرٌّ ﴿۳﴾

054.003 Wakaththaboo waittabaAAoo ahwaahum wakullu amrin mustaqirrun

En zij loochenen het en zij volgen hun grillen. En alles heeft zijn vaste tijd.


وَ لَقَدۡ جَآءَہُمۡ مِّنَ الۡاَنۡۢبَآءِ مَا فِیۡہِ مُزۡدَجَرٌ ۙ﴿۴﴾

054.004 Walaqad jaahum mina al-anba-i ma feehi muzdajarun

Tot hen zijn er berichten gekomen die afschrikwekkend zijn;


حِکۡمَۃٌۢ بَالِغَۃٌ فَمَا تُغۡنِ النُّذُرُ ۙ﴿۵﴾

054.005 Hikmatun balighatun fama tughnee alnnuthuru

een doeltreffende wijsheid. Maar de waarschuwingen baten niet.


فَتَوَلَّ عَنۡہُمۡ ۘ یَوۡمَ یَدۡعُ الدَّاعِ اِلٰی شَیۡءٍ نُّکُرٍ ۙ﴿۶﴾

054.006 Fatawalla AAanhum yawma yadAAu alddaAAi ila shay-in nukurin

Keer je dus van hen af. Op de dag dat de oproeper tot iets vreselijks oproept


خُشَّعًا اَبۡصَارُہُمۡ یَخۡرُجُوۡنَ مِنَ الۡاَجۡدَاثِ کَاَنَّہُمۡ جَرَادٌ مُّنۡتَشِرٌ ۙ﴿۷﴾

054.007 KhushshaAAan absaruhum yakhrujoona mina al-ajdathi kaannahum jaradun muntashirun

en zij met hun deemoedige blikken uit de graven tevoorschijn komen alsof zij uiteengejaagde sprinkhanen zijn,


مُّہۡطِعِیۡنَ اِلَی الدَّاعِ ؕ یَقُوۡلُ الۡکٰفِرُوۡنَ ہٰذَا یَوۡمٌ عَسِرٌ ﴿۸﴾

054.008 MuhtiAAeena ila alddaAAi yaqoolu alkafiroona hatha yawmun AAasirun

terwijl zij zich voortspoeden naar de oproeper, dan zeggen de ongelovigen: "Dit is een moeilijke dag!"


کَذَّبَتۡ قَبۡلَہُمۡ قَوۡمُ نُوۡحٍ فَکَذَّبُوۡا عَبۡدَنَا وَ قَالُوۡا مَجۡنُوۡنٌ وَّ ازۡدُجِرَ ﴿۹﴾

054.009 Kaththabat qablahum qawmu noohin fakaththaboo AAabdana waqaloo majnoonun waizdujira

Voor hun tijd had het volk van Noeh al gezegd dat het leugens waren; zij betichtten Onze dienaar namelijk van leugen. Zij zeiden: "Een bezetene." Hij werd door hen afgeschrikt.


فَدَعَا رَبَّہٗۤ اَنِّیۡ مَغۡلُوۡبٌ فَانۡتَصِرۡ ﴿۱۰﴾

054.010 FadaAAa rabbahu annee maghloobun faintasir

En hij bad tot zijn Heer: "Ik ben verslagen, kom dus te hulp."


فَفَتَحۡنَاۤ اَبۡوَابَ السَّمَآءِ بِمَآءٍ مُّنۡہَمِرٍ ﴿۫ۖ۱۱﴾

054.011 Fafatahna abwaba alssama-i bima-in munhamirin

Toen openden Wij de poorten van de hemel met neergutsend water.


وَّ فَجَّرۡنَا الۡاَرۡضَ عُیُوۡنًا فَالۡتَقَی الۡمَآءُ عَلٰۤی اَمۡرٍ قَدۡ قُدِرَ ﴿ۚ۱۲﴾

054.012 Wafajjarna al-arda AAuyoonan failtaqa almao AAala amrin qad qudira

En Wij lieten de aarde in bronnen uitbarsten, zodat het water bij elkaar kwam volgens een vastgelegde beschikking.


وَ حَمَلۡنٰہُ عَلٰی ذَاتِ اَلۡوَاحٍ وَّ دُسُرٍ ﴿ۙ۱۳﴾

054.013 Wahamalnahu AAala thati alwahin wadusurin

Maar hem droegen Wij op het uit planken en pennen gemaakte [schip],


تَجۡرِیۡ بِاَعۡیُنِنَا ۚ جَزَآءً لِّمَنۡ کَانَ کُفِرَ ﴿۱۴﴾

054.014 Tajree bi-aAAyunina jazaan liman kana kufira

dat voor Onze ogen bleef varen, als beloning voor hem die ondankbaar behandeld was.


وَ لَقَدۡ تَّرَکۡنٰہَاۤ اٰیَۃً فَہَلۡ مِنۡ مُّدَّکِرٍ ﴿۱۵﴾

054.015 Walaqad taraknaha ayatan fahal min muddakirin

En Wij lieten het achter als een teken. Maar is er dan iemand die zich laat vermanen?


فَکَیۡفَ کَانَ عَذَابِیۡ وَ نُذُرِ ﴿۱۶﴾

054.016 Fakayfa kana AAathabee wanuthuri

En hoe waren Mijn bestraffing en Mijn waarschuwingen dan?


وَ لَقَدۡ یَسَّرۡنَا الۡقُرۡاٰنَ لِلذِّکۡرِ فَہَلۡ مِنۡ مُّدَّکِرٍ ﴿۱۷﴾

054.017 Walaqad yassarna alqur-ana lilththikri fahal min muddakirin

Wij hebben de Koran toch gemakkelijk gemaakt om erdoor vermaand te worden; maar is er dan iemand die zich laat vermanen?


کَذَّبَتۡ عَادٌ فَکَیۡفَ کَانَ عَذَابِیۡ وَ نُذُرِ ﴿۱۸﴾

054.018 Kaththabat AAadun fakayfa kana AAathabee wanuthuri

De 'Aad hadden gezegd dat het leugens waren. En hoe waren Mijn bestraffing en Mijn waarschuwingen dan?


اِنَّاۤ اَرۡسَلۡنَا عَلَیۡہِمۡ رِیۡحًا صَرۡصَرًا فِیۡ یَوۡمِ نَحۡسٍ مُّسۡتَمِرٍّ ﴿ۙ۱۹﴾

054.019 Inna arsalna AAalayhim reehan sarsaran fee yawmi nahsin mustamirrin

Wij zonden tegen hen een gierende wind op een langdurige, onheilspellende dag


تَنۡزِعُ النَّاسَ ۙ کَاَنَّہُمۡ اَعۡجَازُ نَخۡلٍ مُّنۡقَعِرٍ ﴿۲۰﴾

054.020 TanziAAu alnnasa kaannahum aAAjazu nakhlin munqaAAirin

die de mensen wegrukte als ontwortelde palmstronken.


فَکَیۡفَ کَانَ عَذَابِیۡ وَ نُذُرِ ﴿۲۱﴾

054.021 Fakayfa kana AAathabee wanuthuri

En hoe waren Mijn bestraffing en Mijn waarschuwingen dan?


وَ لَقَدۡ یَسَّرۡنَا الۡقُرۡاٰنَ لِلذِّکۡرِ فَہَلۡ مِنۡ مُّدَّکِرٍ ﴿٪۲۲﴾

054.022 Walaqad yassarna alqur-ana lilththikri fahal min muddakirin

Wij hebben de Koran toch gemakkelijk gemaakt om erdoor vermaand te worden; maar is er dan iemand die zich laat vermanen?


کَذَّبَتۡ ثَمُوۡدُ بِالنُّذُرِ ﴿۲۳﴾

054.023 Kaththabat thamoodu bialnnuthuri

De Thamoed hadden gezegd dat de waarschuwingen leugens waren.


فَقَالُوۡۤا اَبَشَرًا مِّنَّا وَاحِدًا نَّتَّبِعُہٗۤ ۙ اِنَّاۤ اِذًا لَّفِیۡ ضَلٰلٍ وَّ سُعُرٍ ﴿۲۴﴾

054.024 Faqaloo abasharan minna wahidan nattabiAAuhu inna ithan lafee dalalin wasuAAurin

En zij zeiden: "En mens uit ons midden, zullen wij die volgen? Dan zouden wij toch wel in dwaling verkeren en waanzinnig zijn.


ءَاُلۡقِیَ الذِّکۡرُ عَلَیۡہِ مِنۡۢ بَیۡنِنَا بَلۡ ہُوَ کَذَّابٌ اَشِرٌ ﴿۲۵﴾

054.025 Aolqiya alththikru AAalayhi min baynina bal huwa kaththabun ashirun

Zou uit ons midden de vermaning aan hem zijn opgelegd? Welnee, hij is een arrogante leugenaar."


سَیَعۡلَمُوۡنَ غَدًا مَّنِ الۡکَذَّابُ الۡاَشِرُ ﴿۲۶﴾

054.026 SayaAAlamoona ghadan mani alkaththabu al-ashiru

Morgen zullen zij weten wie de arrogante leugenaar is.


اِنَّا مُرۡسِلُوا النَّاقَۃِ فِتۡنَۃً لَّہُمۡ فَارۡتَقِبۡہُمۡ وَ اصۡطَبِرۡ ﴿۫۲۷﴾

054.027 Inna mursiloo alnnaqati fitnatan lahum fairtaqibhum waistabir

Wij zullen de kameelmerrie als een beproeving voor hen zenden. Let dus op hen, wacht maar af en wees geduldig.


وَ نَبِّئۡہُمۡ اَنَّ الۡمَآءَ قِسۡمَۃٌۢ بَیۡنَہُمۡ ۚ کُلُّ شِرۡبٍ مُّحۡتَضَرٌ ﴿۲۸﴾

054.028 Wanabbi/hum anna almaa qismatun baynahum kullu shirbin muhtadarun

En deel hun mee dat het water tussen hen verdeeld moet worden. Elke portie om te drinken op zijn beurt.


فَنَادَوۡا صَاحِبَہُمۡ فَتَعَاطٰی فَعَقَرَ ﴿۲۹﴾

054.029 Fanadaw sahibahum fataAAata faAAaqara

Toen riepen zij hun medeburger. Hij sloeg toe en sneed de hielpezen door.


فَکَیۡفَ کَانَ عَذَابِیۡ وَ نُذُرِ ﴿۳۰﴾

054.030 Fakayfa kana AAathabee wanuthuri

En hoe waren Mijn bestraffing en Mijn waarschuwingen dan?


اِنَّاۤ اَرۡسَلۡنَا عَلَیۡہِمۡ صَیۡحَۃً وَّاحِدَۃً فَکَانُوۡا کَہَشِیۡمِ الۡمُحۡتَظِرِ ﴿۳۱﴾

054.031 Inna arsalna AAalayhim sayhatan wahidatan fakanoo kahasheemi almuhtathiri

Wij zonden slechts n schreeuw tegen hen en zij waren als de droge takken van iemand die een omheining maakt.


وَ لَقَدۡ یَسَّرۡنَا الۡقُرۡاٰنَ لِلذِّکۡرِ فَہَلۡ مِنۡ مُّدَّکِرٍ ﴿۳۲﴾

054.032 Walaqad yassarna alqur-ana lilththikri fahal min muddakirin

Wij hebben de Koran toch gemakkelijk gemaakt om erdoor vermaand te worden; maar is er dan iemand die zich laat vermanen?


کَذَّبَتۡ قَوۡمُ لُوۡطٍۭ بِالنُّذُرِ ﴿۳۳﴾

054.033 Kaththabat qawmu lootin bialnnuthuri

Het volk van Loet had gezegd dat de waarschuwingen leugens waren.


اِنَّاۤ اَرۡسَلۡنَا عَلَیۡہِمۡ حَاصِبًا اِلَّاۤ اٰلَ لُوۡطٍ ؕ نَجَّیۡنٰہُمۡ بِسَحَرٍ ﴿ۙ۳۴﴾

054.034 Inna arsalna AAalayhim hasiban illa ala lootin najjaynahum bisaharin

Wij zonden over hen een regen van stenen, behalve op de familie van Loet die Wij in de morgenschemering redden,


نِّعۡمَۃً مِّنۡ عِنۡدِنَا ؕ کَذٰلِکَ نَجۡزِیۡ مَنۡ شَکَرَ ﴿۳۵﴾

054.035 NiAAmatan min AAindina kathalika najzee man shakara

als een daad van genade van Onze kant; zo belonen Wij wie dank betuigt.


وَ لَقَدۡ اَنۡذَرَہُمۡ بَطۡشَتَنَا فَتَمَارَوۡا بِالنُّذُرِ ﴿۳۶﴾

054.036 Walaqad antharahum batshatana fatamaraw bialnnuthuri

Hij had hen voor Ons geweld gewaarschuwd, maar zij twijfelden aan de waarschuwingen.


وَ لَقَدۡ رَاوَدُوۡہُ عَنۡ ضَیۡفِہٖ فَطَمَسۡنَاۤ اَعۡیُنَہُمۡ فَذُوۡقُوۡا عَذَابِیۡ وَ نُذُرِ ﴿۳۷﴾

054.037 Walaqad rawadoohu AAan dayfihi fatamasna aAAyunahum fathooqoo AAathabee wanuthuri

Zij probeerden hem zijn gasten af te troggelen. Toen ontnamen Wij hun ogen het gezichtsvermogen: "Proeft dan Mijn bestraffing en Mijn waarschuwingen!"


وَ لَقَدۡ صَبَّحَہُمۡ بُکۡرَۃً عَذَابٌ مُّسۡتَقِرٌّ ﴿ۚ۳۸﴾

054.038 Walaqad sabbahahum bukratan AAathabun mustaqirrun

En een blijvende bestraffing kwam 's ochtends over hen:


فَذُوۡقُوۡا عَذَابِیۡ وَ نُذُرِ ﴿۳۹﴾

054.039 Fathooqoo AAathabee wanuthuri

"Proeft dan Mijn bestraffing en Mijn waarschuwingen!"


وَ لَقَدۡ یَسَّرۡنَا الۡقُرۡاٰنَ لِلذِّکۡرِ فَہَلۡ مِنۡ مُّدَّکِرٍ ﴿٪۴۰﴾

054.040 Walaqad yassarna alqur-ana lilththikri fahal min muddakirin

Wij hebben de Koran toch gemakkelijk gemaakt om erdoor vermaand te worden; maar is er dan iemand die zich laat vermanen?


وَ لَقَدۡ جَآءَ اٰلَ فِرۡعَوۡنَ النُّذُرُ ﴿ۚ۴۱﴾

054.041 Walaqad jaa ala firAAawna alnnuthuru

Ook tot de mensen van Fir'aun kwamen de waarschuwingen.


کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا کُلِّہَا فَاَخَذۡنٰہُمۡ اَخۡذَ عَزِیۡزٍ مُّقۡتَدِرٍ ﴿۴۲﴾

054.042 Kaththaboo bi-ayatina kulliha faakhathnahum akhtha AAazeezin muqtadirin

Zij loochenden al Onze tekenen en dus grepen Wij hen zoals een krachtige machthebber dat doet.


اَکُفَّارُکُمۡ خَیۡرٌ مِّنۡ اُولٰٓئِکُمۡ اَمۡ لَکُمۡ بَرَآءَۃٌ فِی الزُّبُرِ ﴿ۚ۴۳﴾

054.043 Akuffarukum khayrun min ola-ikum am lakum baraatun fee alzzuburi

Zijn de ongelovigen van jullie beter dan die? Of is er voor jullie een vrijbrief in de Zoeboer?


اَمۡ یَقُوۡلُوۡنَ نَحۡنُ جَمِیۡعٌ مُّنۡتَصِرٌ ﴿۴۴﴾

054.044 Am yaqooloona nahnu jameeAAun muntasirun

Of zeggen zij: "Wij zullen tezamen overwinnen."?


سَیُہۡزَمُ الۡجَمۡعُ وَ یُوَلُّوۡنَ الدُّبُرَ ﴿۴۵﴾

054.045 Sayuhzamu aljamAAu wayuwalloona alddubura

Gezamenlijk worden zij verslagen en zij zullen de rug toekeren.


بَلِ السَّاعَۃُ مَوۡعِدُہُمۡ وَ السَّاعَۃُ اَدۡہٰی وَ اَمَرُّ ﴿۴۶﴾

054.046 Bali alssaAAatu mawAAiduhum waalssaAAatu adha waamarru

Ja zeker, het uur is het voor hen aangewezen tijdstip en het uur is nog vreselijker en bitterder.


اِنَّ الۡمُجۡرِمِیۡنَ فِیۡ ضَلٰلٍ وَّ سُعُرٍ ﴿ۘ۴۷﴾

054.047 Inna almujrimeena fee dalalin wasuAAurin

De boosdoeners verkeren in dwaling en zijn waanzinnig.


یَوۡمَ یُسۡحَبُوۡنَ فِی النَّارِ عَلٰی وُجُوۡہِہِمۡ ؕ ذُوۡقُوۡا مَسَّ سَقَرَ ﴿۴۸﴾

054.048 Yawma yushaboona fee alnnari AAala wujoohihim thooqoo massa saqara

Op de dag dat zij op hun gezichten [ter aarde geworpen] in het vuur gesleurd worden: "Proeft dan de aanraking met de hellegloed."


اِنَّا کُلَّ شَیۡءٍ خَلَقۡنٰہُ بِقَدَرٍ ﴿۴۹﴾

054.049 Inna kulla shay-in khalaqnahu biqadarin

Wij hebben alles op maat geschapen.


وَ مَاۤ اَمۡرُنَاۤ اِلَّا وَاحِدَۃٌ کَلَمۡحٍۭ بِالۡبَصَرِ ﴿۵۰﴾

054.050 Wama amruna illa wahidatun kalamhin bialbasari

En Onze beschikking is slechts n [woord], als een oogwenk.


وَ لَقَدۡ اَہۡلَکۡنَاۤ اَشۡیَاعَکُمۡ فَہَلۡ مِنۡ مُّدَّکِرٍ ﴿۵۱﴾

054.051 Walaqad ahlakna ashyaAAakum fahal min muddakirin

Wij hebben jullie soortgenoten vernietigd, maar is er dan iemand die zich laat vermanen?


وَ کُلُّ شَیۡءٍ فَعَلُوۡہُ فِی الزُّبُرِ ﴿۵۲﴾

054.052 Wakullu shay-in faAAaloohu fee alzzuburi

En alles wat zij gedaan hebben staat in de Zoeboer.


وَ کُلُّ صَغِیۡرٍ وَّ کَبِیۡرٍ مُّسۡتَطَرٌ ﴿۵۳﴾

054.053 Wakullu sagheerin wakabeerin mustatarun

En alles, klein en groot staat opgetekend.


اِنَّ الۡمُتَّقِیۡنَ فِیۡ جَنّٰتٍ وَّ نَہَرٍ ﴿ۙ۵۴﴾

054.054 Inna almuttaqeena fee jannatin wanaharin

De godvrezenden zullen in tuinen en bij rivieren zijn,


فِیۡ مَقۡعَدِ صِدۡقٍ عِنۡدَ مَلِیۡکٍ مُّقۡتَدِرٍ ﴿٪۵۵﴾

054.055 Fee maqAAadi sidqin AAinda maleekin muqtadirin

op een waarachtige zetel bij een machtige koning.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

اَلرَّحۡمٰنُ ۙ﴿۱﴾

055.001 Alrrahmanu

De Erbarmer,


عَلَّمَ الۡقُرۡاٰنَ ؕ﴿۲﴾

055.002 AAallama alqur-ana

Hij onderwees de Koran,


خَلَقَ الۡاِنۡسَانَ ۙ﴿۳﴾

055.003 Khalaqa al-insana

Hij schiep de mens,


عَلَّمَہُ الۡبَیَانَ ﴿۴﴾

055.004 AAallamahu albayana

Hij onderwees hem de uiteenzetting.


اَلشَّمۡسُ وَ الۡقَمَرُ بِحُسۡبَانٍ ﴿۪۵﴾

055.005 Alshshamsu waalqamaru bihusbanin

De zon en de maan gaan volgens een berekening.


وَّ النَّجۡمُ وَ الشَّجَرُ یَسۡجُدٰنِ ﴿۶﴾

055.006 Waalnnajmu waalshshajaru yasjudani

De ster en de bomen buigen zich eerbiedig neer.


وَ السَّمَآءَ رَفَعَہَا وَ وَضَعَ الۡمِیۡزَانَ ۙ﴿۷﴾

055.007 Waalssamaa rafaAAaha wawadaAAa almeezana

De hemel heeft Hij opgeheven en Hij heeft de weegschaal opgesteld,


اَلَّا تَطۡغَوۡا فِی الۡمِیۡزَانِ ﴿۸﴾

055.008 Alla tatghaw fee almeezani

opdat jullie bij het wegen niet over de schreef gaan,


وَ اَقِیۡمُوا الۡوَزۡنَ بِالۡقِسۡطِ وَ لَا تُخۡسِرُوا الۡمِیۡزَانَ ﴿۹﴾

055.009 Waaqeemoo alwazna bialqisti wala tukhsiroo almeezana

maar het gewicht rechtvaardig vaststellen en de weegschaal niet te weinig laten wegen.


وَ الۡاَرۡضَ وَضَعَہَا لِلۡاَنَامِ ﴿ۙ۱۰﴾

055.010 Waal-arda wadaAAaha lil-anami

En de aarde heeft Hij voor de schepselen klaargezet.


فِیۡہَا فَاکِہَۃٌ ۪ۙ وَّ النَّخۡلُ ذَاتُ الۡاَکۡمَامِ ﴿ۖ۱۱﴾

055.011 Feeha fakihatun waalnnakhlu thatu al-akmami

Daarop zijn vruchten en palmen met hulzen


وَ الۡحَبُّ ذُو الۡعَصۡفِ وَ الرَّیۡحَانُ ﴿ۚ۱۲﴾

055.012 Waalhabbu thoo alAAasfi waalrrayhani

en zaadkorrels aan halmen en welriekende planten.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿۱۳﴾

055.013 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


خَلَقَ الۡاِنۡسَانَ مِنۡ صَلۡصَالٍ کَالۡفَخَّارِ ﴿ۙ۱۴﴾

055.014 Khalaqa al-insana min salsalin kaalfakhkhari

Hij schiep de mens uit steenaarde zoals aardewerk.


وَ خَلَقَ الۡجَآنَّ مِنۡ مَّارِجٍ مِّنۡ نَّارٍ ﴿ۚ۱۵﴾

055.015 Wakhalaqa aljanna min marijin min narin

En de djinn schiep Hij uit de gloed van het vuur.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿۱۶﴾

055.016 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


رَبُّ الۡمَشۡرِقَیۡنِ وَ رَبُّ الۡمَغۡرِبَیۡنِ ﴿ۚ۱۷﴾

055.017 Rabbu almashriqayni warabbu almaghribayni

De Heer van de beide oostkanten en de beide westkanten.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿۱۸﴾

055.018 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


مَرَجَ الۡبَحۡرَیۡنِ یَلۡتَقِیٰنِ ﴿ۙ۱۹﴾

055.019 Maraja albahrayni yaltaqiyani

Hij heeft de beide zeen vrij laten stromen zodat zij elkaar ontmoeten,


بَیۡنَہُمَا بَرۡزَخٌ لَّا یَبۡغِیٰنِ ﴿ۚ۲۰﴾

055.020 Baynahuma barzakhun la yabghiyani

met tussen beide een versperring om niet te ver te gaan.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿۲۱﴾

055.021 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


یَخۡرُجُ مِنۡہُمَا اللُّؤۡلُؤُ وَ الۡمَرۡجَانُ ﴿ۚ۲۲﴾

055.022 Yakhruju minhuma allu/luo waalmarjanu

Daaruit komen parels en koraal.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿۲۳﴾

055.023 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


وَ لَہُ الۡجَوَارِ الۡمُنۡشَئٰتُ فِی الۡبَحۡرِ کَالۡاَعۡلَامِ ﴿ۚ۲۴﴾

055.024 Walahu aljawari almunshaatu fee albahri kaal-aAAlami

En van Hem zijn de schepen die met volle zeilen als bergen op de zee varen.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿٪۲۵﴾

055.025 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


کُلُّ مَنۡ عَلَیۡہَا فَانٍ ﴿ۚۖ۲۶﴾

055.026 Kullu man AAalayha fanin

Een ieder die er op de aarde is zal vergaan,


وَّ یَبۡقٰی وَجۡہُ رَبِّکَ ذُو الۡجَلٰلِ وَ الۡاِکۡرَامِ ﴿ۚ۲۷﴾

055.027 Wayabqa wajhu rabbika thoo aljalali waal-ikrami

maar jouw Heers gelaat van majesteit en eer blijft bestaan.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿۲۸﴾

055.028 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


یَسۡـَٔلُہٗ مَنۡ فِی السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ کُلَّ یَوۡمٍ ہُوَ فِیۡ شَاۡنٍ ﴿ۚ۲۹﴾

055.029 Yas-aluhu man fee alssamawati waal-ardi kulla yawmin huwa fee sha/nin

Allen in de hemelen en op de aarde wenden zich met vragen tot Hem. Elke dag houdt Hij zich met iets bezig.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿۳۰﴾

055.030 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


سَنَفۡرُغُ لَکُمۡ اَیُّہَ الثَّقَلٰنِ ﴿ۚ۳۱﴾

055.031 Sanafrughu lakum ayyuha alththaqalani

Wij zullen Ons bezighouden met jullie, die beiden zwaar wegen.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿۳۲﴾

055.032 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


یٰمَعۡشَرَ الۡجِنِّ وَ الۡاِنۡسِ اِنِ اسۡتَطَعۡتُمۡ اَنۡ تَنۡفُذُوۡا مِنۡ اَقۡطَارِ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ فَانۡفُذُوۡا ؕ لَا تَنۡفُذُوۡنَ اِلَّا بِسُلۡطٰنٍ ﴿ۚ۳۳﴾

055.033 Ya maAAshara aljinni waal-insi ini istataAAtum an tanfuthoo min aqtari alssamawati waal-ardi faonfuthoo la tanfuthoona illa bisultanin

O djinn en mensen, hier bijeen! Als jullie uit de gebieden van de hemelen en de aarde weg kunnen komen, maakt dan dat jullie wegkomen! Maar jullie kunnen slechts met een machtiging wegkomen.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿۳۴﴾

055.034 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


یُرۡسَلُ عَلَیۡکُمَا شُوَاظٌ مِّنۡ نَّارٍ ۬ۙ وَّ نُحَاسٌ فَلَا تَنۡتَصِرٰنِ ﴿ۚ۳۵﴾

055.035 Yursalu AAalaykuma shuwathun min narin wanuhasun fala tantasirani

Laaiend vuur en gloeiend koper zal over jullie worden uitgestort en jullie zullen geen hulp vinden.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿۳۶﴾

055.036 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


فَاِذَا انۡشَقَّتِ السَّمَآءُ فَکَانَتۡ وَرۡدَۃً کَالدِّہَانِ ﴿ۚ۳۷﴾

055.037 Fa-itha inshaqqati alssamao fakanat wardatan kaalddihani

Als dan de hemel barst en rood wordt als scharlaken leer.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿۳۸﴾

055.038 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


فَیَوۡمَئِذٍ لَّا یُسۡـَٔلُ عَنۡ ذَنۡۢبِہٖۤ اِنۡسٌ وَّ لَا جَآنٌّ ﴿ۚ۳۹﴾

055.039 Fayawma-ithin la yus-alu AAan thanbihi insun wala jannun

Op die dag zullen mensen noch djinn naar hun zonden worden gevraagd.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿۴۰﴾

055.040 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


یُعۡرَفُ الۡمُجۡرِمُوۡنَ بِسِیۡمٰہُمۡ فَیُؤۡخَذُ بِالنَّوَاصِیۡ وَ الۡاَقۡدَامِ ﴿ۚ۴۱﴾

055.041 YuAArafu almujrimoona biseemahum fayu/khathu bialnnawasee waal-aqdami

De boosdoeners zullen herkend worden aan hun kenmerk en men zal hen bij de kuif en de voeten grijpen.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿۴۲﴾

055.042 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


ہٰذِہٖ جَہَنَّمُ الَّتِیۡ یُکَذِّبُ بِہَا الۡمُجۡرِمُوۡنَ ﴿ۘ۴۳﴾

055.043 Hathihi jahannamu allatee yukaththibu biha almujrimoona

Dit is de hel waarvan de boosdoeners het bestaan loochenden.


یَطُوۡفُوۡنَ بَیۡنَہَا وَ بَیۡنَ حَمِیۡمٍ اٰنٍ ﴿ۚ۴۴﴾

055.044 Yatoofoona baynaha wabayna hameemin anin

Zij lopen tussen haar en gloeiend heet water heen en weer.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿٪۴۵﴾

055.045 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


وَ لِمَنۡ خَافَ مَقَامَ رَبِّہٖ جَنَّتٰنِ ﴿ۚ۴۶﴾

055.046 Waliman khafa maqama rabbihi jannatani

Maar voor wie vreest om voor zijn Heer te staan zijn er twee tuinen.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿ۙ۴۷﴾

055.047 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


ذَوَاتَاۤ اَفۡنَانٍ ﴿ۚ۴۸﴾

055.048 Thawata afnanin

Vol met allerlei zijtakken.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿۴۹﴾

055.049 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


فِیۡہِمَا عَیۡنٰنِ تَجۡرِیٰنِ ﴿ۚ۵۰﴾

055.050 Feehima AAaynani tajriyani

Daarin zijn twee bronnen die stromen.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿۵۱﴾

055.051 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


فِیۡہِمَا مِنۡ کُلِّ فَاکِہَۃٍ زَوۡجٰنِ ﴿ۚ۵۲﴾

055.052 Feehima min kulli fakihatin zawjani

Daarin zijn er van elke vrucht twee soorten.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿۵۳﴾

055.053 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


مُتَّکِـِٕیۡنَ عَلٰی فُرُشٍۭ بَطَآئِنُہَا مِنۡ اِسۡتَبۡرَقٍ ؕ وَ جَنَا الۡجَنَّتَیۡنِ دَانٍ ﴿ۚ۵۴﴾

055.054 Muttaki-eena AAala furushin bata-inuha min istabraqin wajana aljannatayni danin

Zij leunen achterover op rustbedden die aan de binnenkant met brokaat zijn gevoerd en de vruchten van de beide tuinen hangen dichtbij.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿۵۵﴾

055.055 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


فِیۡہِنَّ قٰصِرٰتُ الطَّرۡفِ ۙ لَمۡ یَطۡمِثۡہُنَّ اِنۡسٌ قَبۡلَہُمۡ وَ لَا جَآنٌّ ﴿ۚ۵۶﴾

055.056 Feehinna qasiratu alttarfi lam yatmithhunna insun qablahum wala jannun

Daarbij zijn er gezellinnen met afgewende blikken die voor hun tijd door mensen noch djinn waren aangeraakt.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿ۚ۵۷﴾

055.057 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


کَاَنَّہُنَّ الۡیَاقُوۡتُ وَ الۡمَرۡجَانُ ﴿ۚ۵۸﴾

055.058 Kaannahunna alyaqootu waalmarjanu

Alsof zij saffieren en koralen zijn.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿۵۹﴾

055.059 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


ہَلۡ جَزَآءُ الۡاِحۡسَانِ اِلَّا الۡاِحۡسَانُ ﴿ۚ۶۰﴾

055.060 Hal jazao al-ihsani illa al-ihsanu

Is de beloning voor goed doen iets anders dan goed doen?


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿۶۱﴾

055.061 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


وَ مِنۡ دُوۡنِہِمَا جَنَّتٰنِ ﴿ۚ۶۲﴾

055.062 Wamin doonihima jannatani

En daarnaast zijn er nog twee tuinen.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿ۙ۶۳﴾

055.063 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


مُدۡہَآ مَّتٰنِ ﴿ۚ۶۴﴾

055.064 Mudhammatani

Donkergroene.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿ۚ۶۵﴾

055.065 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


فِیۡہِمَا عَیۡنٰنِ نَضَّاخَتٰنِ ﴿ۚ۶۶﴾

055.066 Feehima AAaynani naddakhatani

Daarin zijn twee bruisende bronnen.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿۶۷﴾

055.067 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


فِیۡہِمَا فَاکِہَۃٌ وَّ نَخۡلٌ وَّ رُمَّانٌ ﴿ۚ۶۸﴾

055.068 Feehima fakihatun wanakhlun warummanun

Daarin zijn vruchten, palmen en granaatappelen.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿ۚ۶۹﴾

055.069 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


فِیۡہِنَّ خَیۡرٰتٌ حِسَانٌ ﴿ۚ۷۰﴾

055.070 Feehinna khayratun hisanun

Daarbij zijn er goede en mooie vrouwen.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿ۚ۷۱﴾

055.071 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


حُوۡرٌ مَّقۡصُوۡرٰتٌ فِی الۡخِیَامِ ﴿ۚ۷۲﴾

055.072 Hoorun maqsooratun fee alkhiyami

Met sprekende grote [ogen], in tenten afgezonderd.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿ۚ۷۳﴾

055.073 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


لَمۡ یَطۡمِثۡہُنَّ اِنۡسٌ قَبۡلَہُمۡ وَ لَا جَآنٌّ ﴿ۚ۷۴﴾

055.074 Lam yatmithhunna insun qablahum wala jannun

Die voor hun tijd door mensen noch djinn waren aangeraakt.


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿ۚ۷۵﴾

055.075 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


مُتَّکِـِٕیۡنَ عَلٰی رَفۡرَفٍ خُضۡرٍ وَّ عَبۡقَرِیٍّ حِسَانٍ ﴿ۚ۷۶﴾

055.076 Muttaki-eena AAala rafrafin khudrin waAAabqariyyin hisanin

Achterovergeleund op groene kussens en onvoorstelbaar mooie [tapijten].


فَبِاَیِّ اٰلَآءِ رَبِّکُمَا تُکَذِّبٰنِ ﴿۷۷﴾

055.077 Fabi-ayyi ala-i rabbikuma tukaththibani

Welke weldaden van jullie beider Heer loochenen jullie dan?


تَبٰرَکَ اسۡمُ رَبِّکَ ذِی الۡجَلٰلِ وَ الۡاِکۡرَامِ ﴿٪۷۸﴾

055.078 Tabaraka ismu rabbika thee aljalali waal-ikrami

Gezegend zij de naam van jouw Heer vol majesteit en eer.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

اِذَا وَقَعَتِ الۡوَاقِعَۃُ ۙ﴿۱﴾

056.001 Itha waqaAAati alwaqiAAatu

Wanneer het aanstaande komt,


لَیۡسَ لِوَقۡعَتِہَا کَاذِبَۃٌ ۘ﴿۲﴾

056.002 Laysa liwaqAAatiha kathibatun

waarvan niemand de komst kan loochenen,


خَافِضَۃٌ رَّافِعَۃٌ ۙ﴿۳﴾

056.003 Khafidatun rafiAAatun

vernedert en verhoogt het.


اِذَا رُجَّتِ الۡاَرۡضُ رَجًّا ۙ﴿۴﴾

056.004 Itha rujjati al-ardu rajjan

Wanneer de aarde hevig door elkaar wordt geschud


وَّ بُسَّتِ الۡجِبَالُ بَسًّا ۙ﴿۵﴾

056.005 Wabussati aljibalu bassan

en de bergen geheel worden verbrijzeld


فَکَانَتۡ ہَبَآءً مُّنۡۢبَثًّا ۙ﴿۶﴾

056.006 Fakanat habaan munbaththan

en dan verspreid stof worden,


وَّ کُنۡتُمۡ اَزۡوَاجًا ثَلٰثَۃً ؕ﴿۷﴾

056.007 Wakuntum azwajan thalathatan

dan zullen jullie er in drie groepen zijn:


فَاَصۡحٰبُ الۡمَیۡمَنَۃِ ۬ۙ مَاۤ اَصۡحٰبُ الۡمَیۡمَنَۃِ ؕ﴿۸﴾

056.008 Faas-habu almaymanati ma as-habu almaymanati

Zij dan die aan de rechterkant staan -- wie zijn zij die aan de rechterkant staan?


وَ اَصۡحٰبُ الۡمَشۡـَٔمَۃِ ۬ۙ مَاۤ اَصۡحٰبُ الۡمَشۡـَٔمَۃِ ؕ﴿۹﴾

056.009 Waas-habu almash-amati ma as-habu almash-amati

En zij die aan de sinistere kant staan -- wie zijn zij die aan de sinistere kant staan?


وَ السّٰبِقُوۡنَ السّٰبِقُوۡنَ ﴿ۚۙ۱۰﴾

056.010 Waalssabiqoona alssabiqoona

Maar de eerstgekomenen zijn het eerst gekomen;


اُولٰٓئِکَ الۡمُقَرَّبُوۡنَ ﴿ۚ۱۱﴾

056.011 Ola-ika almuqarraboona

zij zijn het die in de nabijheid [van Allah] zijn gebracht,


فِیۡ جَنّٰتِ النَّعِیۡمِ ﴿۱۲﴾

056.012 Fee jannati alnnaAAeemi

in de tuinen van de gelukzaligheid:


ثُلَّۃٌ مِّنَ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿ۙ۱۳﴾

056.013 Thullatun mina al-awwaleena

een groep van hen die er eertijds waren


وَ قَلِیۡلٌ مِّنَ الۡاٰخِرِیۡنَ ﴿ؕ۱۴﴾

056.014 Waqaleelun mina al-akhireena

en weinig van hen die er later waren,


عَلٰی سُرُرٍ مَّوۡضُوۡنَۃٍ ﴿ۙ۱۵﴾

056.015 AAala sururin mawdoonatin

op rustbanken met inlegwerk,


مُّتَّکِـِٕیۡنَ عَلَیۡہَا مُتَقٰبِلِیۡنَ ﴿۱۶﴾

056.016 Muttaki-eena AAalayha mutaqabileena

waarop zij tegenover elkaar zittend achteroverleunen.


یَطُوۡفُ عَلَیۡہِمۡ وِلۡدَانٌ مُّخَلَّدُوۡنَ ﴿ۙ۱۷﴾

056.017 Yatoofu AAalayhim wildanun mukhalladoona

Bij hen gaan altijd jong blijvende jongelingen rond


بِاَکۡوَابٍ وَّ اَبَارِیۡقَ ۬ۙ وَ کَاۡسٍ مِّنۡ مَّعِیۡنٍ ﴿ۙ۱۸﴾

056.018 Bi-akwabin waabareeqa waka/sin min maAAeenin

met bekers en kruiken en een drinkbeker [waarin een drank is] uit een bron,


لَّا یُصَدَّعُوۡنَ عَنۡہَا وَ لَا یُنۡزِفُوۡنَ ﴿ۙ۱۹﴾

056.019 La yusaddaAAoona AAanha wala yunzifoona

waarvan zij geen hoofdpijn krijgen en waarvan zij niet beneveld raken,


وَ فَاکِہَۃٍ مِّمَّا یَتَخَیَّرُوۡنَ ﴿ۙ۲۰﴾

056.020 Wafakihatin mimma yatakhayyaroona

en vruchten die zij voor zich uitkiezen


وَ لَحۡمِ طَیۡرٍ مِّمَّا یَشۡتَہُوۡنَ ﴿ؕ۲۱﴾

056.021 Walahmi tayrin mimma yashtahoona

en vlees van gevogelte, wat zij maar begeren.


وَ حُوۡرٌ عِیۡنٌ ﴿ۙ۲۲﴾

056.022 Wahoorun AAeenun

En er zijn gezellinnen met sprekende grote ogen,


کَاَمۡثَالِ اللُّؤۡلُؤَ الۡمَکۡنُوۡنِ ﴿ۚ۲۳﴾

056.023 Kaamthali allu/lui almaknooni

die als welbewaarde parels zijn.


جَزَآءًۢ بِمَا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۲۴﴾

056.024 Jazaan bima kanoo yaAAmaloona

Als beloning voor wat zij gedaan hebben.


لَا یَسۡمَعُوۡنَ فِیۡہَا لَغۡوًا وَّ لَا تَاۡثِیۡمًا ﴿ۙ۲۵﴾

056.025 La yasmaAAoona feeha laghwan wala ta/theeman

Zij horen er geen onzinnig geklets noch verleiding tot zonde,


اِلَّا قِیۡلًا سَلٰمًا سَلٰمًا ﴿۲۶﴾

056.026 Illa qeelan salaman salaman

alleen maar het gezegde: Vrede, vrede!


وَ اَصۡحٰبُ الۡیَمِیۡنِ ۬ۙ مَاۤ اَصۡحٰبُ الۡیَمِیۡنِ ﴿ؕ۲۷﴾

056.027 Waas-habu alyameeni ma as-habu alyameeni

En zij die rechts staan -- wie zijn zij die rechts staan?


فِیۡ سِدۡرٍ مَّخۡضُوۡدٍ ﴿ۙ۲۸﴾

056.028 Fee sidrin makhdoodin

Te midden van lotusbomen zonder doornen zijn zij,


وَّ طَلۡحٍ مَّنۡضُوۡدٍ ﴿ۙ۲۹﴾

056.029 Watalhin mandoodin

en opeengepakte bananen,


وَّ ظِلٍّ مَّمۡدُوۡدٍ ﴿ۙ۳۰﴾

056.030 Wathillin mamdoodin

uitgestrekte schaduw,


وَّ مَآءٍ مَّسۡکُوۡبٍ ﴿ۙ۳۱﴾

056.031 Wama-in maskoobin

vrij stromend water


وَّ فَاکِہَۃٍ کَثِیۡرَۃٍ ﴿ۙ۳۲﴾

056.032 Wafakihatin katheeratin

en veel vruchten,


لَّا مَقۡطُوۡعَۃٍ وَّ لَا مَمۡنُوۡعَۃٍ ﴿ۙ۳۳﴾

056.033 La maqtooAAatin wala mamnooAAatin

zonder ophouden en niet onbereikbaar,


وَّ فُرُشٍ مَّرۡفُوۡعَۃٍ ﴿ؕ۳۴﴾

056.034 Wafurushin marfooAAatin

op verhoogde rustbedden.


اِنَّاۤ اَنۡشَاۡنٰہُنَّ اِنۡشَآءً ﴿ۙ۳۵﴾

056.035 Inna ansha/nahunna inshaan

Wij hebben haar laten ontstaan.


فَجَعَلۡنٰہُنَّ اَبۡکَارًا ﴿ۙ۳۶﴾

056.036 FajaAAalnahunna abkaran

En Wij hebben haar tot maagden gemaakt,


عُرُبًا اَتۡرَابًا ﴿ۙ۳۷﴾

056.037 AAuruban atraban

als vurig beminnende even oude gezellinnen


لِّاَصۡحٰبِ الۡیَمِیۡنِ ﴿ؕ٪۳۸﴾

056.038 Li-as-habi alyameeni

voor hen die rechts staan:


ثُلَّۃٌ مِّنَ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿ۙ۳۹﴾

056.039 Thullatun mina al-awwaleena

Een groep van hen die er eertijds waren


وَ ثُلَّۃٌ مِّنَ الۡاٰخِرِیۡنَ ﴿ؕ۴۰﴾

056.040 Wathullatun mina al-akhireena

en weinig van hen die er later waren.


وَ اَصۡحٰبُ الشِّمَالِ ۬ۙ مَاۤ اَصۡحٰبُ الشِّمَالِ ﴿ؕ۴۱﴾

056.041 Waas-habu alshshimali ma as-habu alshshimali

En zij die links staan -- wie zijn zij die links staan?


فِیۡ سَمُوۡمٍ وَّ حَمِیۡمٍ ﴿ۙ۴۲﴾

056.042 Fee samoomin wahameemin

In een verzengende gloed en in gloeiend water staan zij


وَّ ظِلٍّ مِّنۡ یَّحۡمُوۡمٍ ﴿ۙ۴۳﴾

056.043 Wathillin min yahmoomin

en in de schaduw van zwarte rook,


لَّا بَارِدٍ وَّ لَا کَرِیۡمٍ ﴿۴۴﴾

056.044 La baridin wala kareemin

die niet koud is noch weldadig.


اِنَّہُمۡ کَانُوۡا قَبۡلَ ذٰلِکَ مُتۡرَفِیۡنَ ﴿ۚۖ۴۵﴾

056.045 Innahum kanoo qabla thalika mutrafeena

Voordien leefden zij in luxe


وَ کَانُوۡا یُصِرُّوۡنَ عَلَی الۡحِنۡثِ الۡعَظِیۡمِ ﴿ۚ۴۶﴾

056.046 Wakanoo yusirroona AAala alhinthi alAAatheemi

en volhardden in de geweldige zonde.


وَ کَانُوۡا یَقُوۡلُوۡنَ ۬ۙ اَئِذَا مِتۡنَا وَ کُنَّا تُرَابًا وَّ عِظَامًا ءَاِنَّا لَمَبۡعُوۡثُوۡنَ ﴿ۙ۴۷﴾

056.047 Wakanoo yaqooloona a-itha mitna wakunna turaban waAAithaman a-inna lamabAAoothoona

Zij zeiden: "Wanneer wij gestorven zijn en stof en botten geworden, zullen wij dan opgewekt worden?


اَوَ اٰبَآؤُنَا الۡاَوَّلُوۡنَ ﴿۴۸﴾

056.048 Awa abaona al-awwaloona

En onze vaderen dan, die er eertijds waren?"


قُلۡ اِنَّ الۡاَوَّلِیۡنَ وَ الۡاٰخِرِیۡنَ ﴿ۙ۴۹﴾

056.049 Qul inna al-awwaleena waal-akhireena

Zeg: "Zij die er eertijds waren en zij die er later waren


لَمَجۡمُوۡعُوۡنَ ۬ۙ اِلٰی مِیۡقَاتِ یَوۡمٍ مَّعۡلُوۡمٍ ﴿۵۰﴾

056.050 LamajmooAAoona ila meeqati yawmin maAAloomin

zullen bijeengebracht worden op de afgesproken tijd van een vastgestelde dag.


ثُمَّ اِنَّکُمۡ اَیُّہَا الضَّآلُّوۡنَ الۡمُکَذِّبُوۡنَ ﴿ۙ۵۱﴾

056.051 Thumma innakum ayyuha alddalloona almukaththiboona

Dan zullen jullie, o dwalers, die zeiden dat het leugens waren


لَاٰکِلُوۡنَ مِنۡ شَجَرٍ مِّنۡ زَقُّوۡمٍ ﴿ۙ۵۲﴾

056.052 Laakiloona min shajarin min zaqqoomin

eten van zakkoembomen


فَمَالِـُٔوۡنَ مِنۡہَا الۡبُطُوۡنَ ﴿ۚ۵۳﴾

056.053 Famali-oona minha albutoona

en daarvan de buiken vullen.


فَشٰرِبُوۡنَ عَلَیۡہِ مِنَ الۡحَمِیۡمِ ﴿ۚ۵۴﴾

056.054 Fashariboona AAalayhi mina alhameemi

En dan zullen jullie daarbij gloeiend water drinken


فَشٰرِبُوۡنَ شُرۡبَ الۡہِیۡمِ ﴿ؕ۵۵﴾

056.055 Fashariboona shurba alheemi

en dan zullen jullie drinken als een verdorste kameel."


ہٰذَا نُزُلُہُمۡ یَوۡمَ الدِّیۡنِ ﴿ؕ۵۶﴾

056.056 Hatha nuzuluhum yawma alddeeni

Dit is hun gastverblijf op de oordeelsdag.


نَحۡنُ خَلَقۡنٰکُمۡ فَلَوۡ لَا تُصَدِّقُوۡنَ ﴿۵۷﴾

056.057 Nahnu khalaqnakum falawla tusaddiqoona

Wij zijn het die jullie geschapen hebben. Waarom willen jullie het niet geloven?


اَفَرَءَیۡتُمۡ مَّا تُمۡنُوۡنَ ﴿ؕ۵۸﴾

056.058 Afaraaytum ma tumnoona

Hoe zien jullie [het zaad] dat jullie uitstorten dan?


ءَاَنۡتُمۡ تَخۡلُقُوۡنَہٗۤ اَمۡ نَحۡنُ الۡخٰلِقُوۡنَ ﴿۵۹﴾

056.059 Aantum takhluqoonahu am nahnu alkhaliqoona

Zijn jullie het die het scheppen of zijn Wij de schepper?


نَحۡنُ قَدَّرۡنَا بَیۡنَکُمُ الۡمَوۡتَ وَ مَا نَحۡنُ بِمَسۡبُوۡقِیۡنَ ﴿ۙ۶۰﴾

056.060 Nahnu qaddarna baynakumu almawta wama nahnu bimasbooqeena

Wij hebben voor jullie de dood verordend en niemand kan Ons voor zijn,


عَلٰۤی اَنۡ نُّبَدِّلَ اَمۡثَالَکُمۡ وَ نُنۡشِئَکُمۡ فِیۡ مَا لَا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۶۱﴾

056.061 AAala an nubaddila amthalakum wanunshi-akum fee ma la taAAlamoona

wanneer Wij [jullie] door gelijksoortigen willen vervangen en jullie opnieuw laten ontstaan in een vorm die jullie niet kennen.


وَ لَقَدۡ عَلِمۡتُمُ النَّشۡاَۃَ الۡاُوۡلٰی فَلَوۡ لَا تَذَکَّرُوۡنَ ﴿۶۲﴾

056.062 Walaqad AAalimtumu alnnash-ata al-oola falawla tathakkaroona

Jullie kennen toch de eerste totstandkoming; waarom laten jullie je dan niet vermanen?


اَفَرَءَیۡتُمۡ مَّا تَحۡرُثُوۡنَ ﴿ؕ۶۳﴾

056.063 Afaraaytum ma tahruthoona

Hoe zien jullie het dan als jullie het land bewerken?


ءَاَنۡتُمۡ تَزۡرَعُوۡنَہٗۤ اَمۡ نَحۡنُ الزّٰرِعُوۡنَ ﴿۶۴﴾

056.064 Aantum tazraAAoonahu am nahnu alzzariAAoona

Zaaien jullie het in of zijn Wij het die zaaien?


لَوۡ نَشَآءُ لَجَعَلۡنٰہُ حُطَامًا فَظَلۡتُمۡ تَفَکَّہُوۡنَ ﴿۶۵﴾

056.065 Law nashao lajaAAalnahu hutaman fathaltum tafakkahoona

Als Wij wilden maakten Wij het tot gruis. Dan zouden jullie verbijsterd staan te kijken:


اِنَّا لَمُغۡرَمُوۡنَ ﴿ۙ۶۶﴾

056.066 Inna lamughramoona

"Wij zijn met schulden beladen.


بَلۡ نَحۡنُ مَحۡرُوۡمُوۡنَ ﴿۶۷﴾

056.067 Bal nahnu mahroomoona

Nee, ons is alles ontroofd."


اَفَرَءَیۡتُمُ الۡمَآءَ الَّذِیۡ تَشۡرَبُوۡنَ ﴿ؕ۶۸﴾

056.068 Afaraaytumu almaa allathee tashraboona

Hoe zien jullie het water dan dat jullie drinken?


ءَاَنۡتُمۡ اَنۡزَلۡتُمُوۡہُ مِنَ الۡمُزۡنِ اَمۡ نَحۡنُ الۡمُنۡزِلُوۡنَ ﴿۶۹﴾

056.069 Aantum anzaltumoohu mina almuzni am nahnu almunziloona

Hebben jullie het uit de wolken neer laten komen of hebben Wij het neer laten dalen?


لَوۡ نَشَآءُ جَعَلۡنٰہُ اُجَاجًا فَلَوۡ لَا تَشۡکُرُوۡنَ ﴿۷۰﴾

056.070 Law nashao jaAAalnahu ojajan falawla tashkuroona

Als Wij wilden hadden Wij het pekelig gemaakt; waarom betuigen jullie dan geen dank?


اَفَرَءَیۡتُمُ النَّارَ الَّتِیۡ تُوۡرُوۡنَ ﴿ؕ۷۱﴾

056.071 Afaraaytumu alnnara allatee tooroona

Hoe zien jullie het vuur dan dat jullie ontsteken?


ءَاَنۡتُمۡ اَنۡشَاۡتُمۡ شَجَرَتَہَاۤ اَمۡ نَحۡنُ الۡمُنۡشِـُٔوۡنَ ﴿۷۲﴾

056.072 Aantum ansha/tum shajarataha am nahnu almunshi-oona

Hebben jullie de bomen ervoor laten ontstaan of hebben Wij ze laten ontstaan?


نَحۡنُ جَعَلۡنٰہَا تَذۡکِرَۃً وَّ مَتَاعًا لِّلۡمُقۡوِیۡنَ ﴿ۚ۷۳﴾

056.073 Nahnu jaAAalnaha tathkiratan wamataAAan lilmuqweena

Wij hebben het als een vermaning gemaakt en voor de woestijnbewoners als iets om te gebruiken.


فَسَبِّحۡ بِاسۡمِ رَبِّکَ الۡعَظِیۡمِ ﴿٪ؓ۷۴﴾

056.074 Fasabbih biismi rabbika alAAatheemi

Prijs dan de geweldige naam van jouw Heer.


فَلَاۤ اُقۡسِمُ بِمَوٰقِعِ النُّجُوۡمِ ﴿ۙ۷۵﴾

056.075 Fala oqsimu bimawaqiAAi alnnujoomi

Niet dan, Ik zweer bij het neervallen van de sterren --


وَ اِنَّہٗ لَقَسَمٌ لَّوۡ تَعۡلَمُوۡنَ عَظِیۡمٌ ﴿ۙ۷۶﴾

056.076 Wa-innahu laqasamun law taAAlamoona AAatheemun

en dat is een geweldige eed, als jullie dat maar wisten --


اِنَّہٗ لَقُرۡاٰنٌ کَرِیۡمٌ ﴿ۙ۷۷﴾

056.077 Innahu laqur-anun kareemun

dat het werkelijk een voortreffelijke Koran is


فِیۡ کِتٰبٍ مَّکۡنُوۡنٍ ﴿ۙ۷۸﴾

056.078 Fee kitabin maknoonin

in een goedbewaard boek


لَّا یَمَسُّہٗۤ اِلَّا الۡمُطَہَّرُوۡنَ ﴿ؕ۷۹﴾

056.079 La yamassuhu illa almutahharoona

dat slechts zij die rein gemaakt zijn zullen aanraken:


تَنۡزِیۡلٌ مِّنۡ رَّبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۸۰﴾

056.080 Tanzeelun min rabbi alAAalameena

Een neerzending door de Heer van de wereldbewoners.


اَفَبِہٰذَا الۡحَدِیۡثِ اَنۡتُمۡ مُّدۡہِنُوۡنَ ﴿ۙ۸۱﴾

056.081 Afabihatha alhadeethi antum mudhinoona

Is het dan over dit bericht dat jullie toegeeflijk zijn?


وَ تَجۡعَلُوۡنَ رِزۡقَکُمۡ اَنَّکُمۡ تُکَذِّبُوۡنَ ﴿۸۲﴾

056.082 WatajAAaloona rizqakum annakum tukaththiboona

Maar jullie maken het tot jullie dagelijkse kost het te loochenen.


فَلَوۡ لَاۤ اِذَا بَلَغَتِ الۡحُلۡقُوۡمَ ﴿ۙ۸۳﴾

056.083 Falawla itha balaghati alhulqooma

Waarom [brengen jullie de levensadem] wanneer hij de keel bereikt niet [terug],


وَ اَنۡتُمۡ حِیۡنَئِذٍ تَنۡظُرُوۡنَ ﴿ۙ۸۴﴾

056.084 Waantum heena-ithin tanthuroona

terwijl jullie op die tijd toekijken?


وَ نَحۡنُ اَقۡرَبُ اِلَیۡہِ مِنۡکُمۡ وَ لٰکِنۡ لَّا تُبۡصِرُوۡنَ ﴿۸۵﴾

056.085 Wanahnu aqrabu ilayhi minkum walakin la tubsiroona

Maar Wij zijn dichter bij hem dan jullie. Jullie zien het echter niet.


فَلَوۡ لَاۤ اِنۡ کُنۡتُمۡ غَیۡرَ مَدِیۡنِیۡنَ ﴿ۙ۸۶﴾

056.086 Falawla in kuntum ghayra madeeneena

Waarom, als jullie niet geoordeeld zullen worden,


تَرۡجِعُوۡنَہَاۤ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۸۷﴾

056.087 TarjiAAoonaha in kuntum sadiqeena

brengen jullie hem dan niet terug, als jullie gelijk hebben?


فَاَمَّاۤ اِنۡ کَانَ مِنَ الۡمُقَرَّبِیۡنَ ﴿ۙ۸۸﴾

056.088 Faamma in kana mina almuqarrabeena

En als hij behoort tot hen die in de nabijheid van Allah zijn gebracht,


فَرَوۡحٌ وَّ رَیۡحَانٌ ۬ۙ وَّ جَنَّتُ نَعِیۡمٍ ﴿۸۹﴾

056.089 Farawhun warayhanun wajannatu naAAeemin

dan zijn er een koele bries, welriekende planten en een tuin van gelukzaligheid.


وَ اَمَّاۤ اِنۡ کَانَ مِنۡ اَصۡحٰبِ الۡیَمِیۡنِ ﴿ۙ۹۰﴾

056.090 Waamma in kana min as-habi alyameeni

En als hij behoort tot hen die rechts staan,


فَسَلٰمٌ لَّکَ مِنۡ اَصۡحٰبِ الۡیَمِیۡنِ ﴿ؕ۹۱﴾

056.091 Fasalamun laka min as-habi alyameeni

dan is er "vrede zij met jou" van hen die rechts staan.


وَ اَمَّاۤ اِنۡ کَانَ مِنَ الۡمُکَذِّبِیۡنَ الضَّآلِّیۡنَ ﴿ۙ۹۲﴾

056.092 Waamma in kana mina almukaththibeena alddalleena

En als hij behoort tot de dwalende loochenaars,


فَنُزُلٌ مِّنۡ حَمِیۡمٍ ﴿ۙ۹۳﴾

056.093 Fanuzulun min hameemin

dan is er een gastverblijf in gloeiend water


وَّ تَصۡلِیَۃُ جَحِیۡمٍ ﴿۹۴﴾

056.094 Watasliyatu jaheemin

en gebraden worden in het hellevuur.


اِنَّ ہٰذَا لَہُوَ حَقُّ الۡیَقِیۡنِ ﴿ۚ۹۵﴾

056.095 Inna hatha lahuwa haqqu alyaqeeni

Dit is de vaststaande waarheid.


فَسَبِّحۡ بِاسۡمِ رَبِّکَ الۡعَظِیۡمِ ﴿٪۹۶﴾

056.096 Fasabbih biismi rabbika alAAatheemi

Prijs dan de geweldige naam van jouw Heer.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

سَبَّحَ لِلّٰہِ مَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ۚ وَ ہُوَ الۡعَزِیۡزُ الۡحَکِیۡمُ ﴿۱﴾

057.001 Sabbaha lillahi ma fee alssamawati waal-ardi wahuwa alAAazeezu alhakeemu

Wat er in de hemelen is en wat er op de aarde is prijst Allah en Hij is de machtige, de wijze.


لَہٗ مُلۡکُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ۚ یُحۡیٖ وَ یُمِیۡتُ ۚ وَ ہُوَ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرٌ ﴿۲﴾

057.002 Lahu mulku alssamawati waal-ardi yuhyee wayumeetu wahuwa AAala kulli shay-in qadeerun

Hij heeft de heerschappij over de hemelen en de aarde. Hij geeft leven en laat sterven en Hij is almachtig.


ہُوَ الۡاَوَّلُ وَ الۡاٰخِرُ وَ الظَّاہِرُ وَ الۡبَاطِنُ ۚ وَ ہُوَ بِکُلِّ شَیۡءٍ عَلِیۡمٌ ﴿۳﴾

057.003 Huwa al-awwalu waal-akhiru waalththahiru waalbatinu wahuwa bikulli shay-in AAaleemun

Hij is de eerste en de laatste, de zichtbare en de verborgene en Hij is alwetend.


ہُوَ الَّذِیۡ خَلَقَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ فِیۡ سِتَّۃِ اَیَّامٍ ثُمَّ اسۡتَوٰی عَلَی الۡعَرۡشِ ؕ یَعۡلَمُ مَا یَلِجُ فِی الۡاَرۡضِ وَ مَا یَخۡرُجُ مِنۡہَا وَ مَا یَنۡزِلُ مِنَ السَّمَآءِ وَ مَا یَعۡرُجُ فِیۡہَا ؕ وَ ہُوَ مَعَکُمۡ اَیۡنَ مَا کُنۡتُمۡ ؕ وَ اللّٰہُ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ بَصِیۡرٌ ﴿۴﴾

057.004 Huwa allathee khalaqa alssamawati waal-arda fee sittati ayyamin thumma istawa AAala alAAarshi yaAAlamu ma yaliju fee al-ardi wama yakhruju minha wama yanzilu mina alssama-i wama yaAAruju feeha wahuwa maAAakum ayna ma kuntum waAllahu bima taAAmaloona baseerun

Hij is het die de hemelen en de aarde in zes dagen geschapen heeft. Toen vestigde Hij zich op de troon. Hij kent wat in de aarde gaat en wat eruit komt, wat uit de hemel afdaalt en wat erin opstijgt en Hij is met jullie waar jullie zijn. Allah doorziet wel wat jullie doen.


لَہٗ مُلۡکُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ وَ اِلَی اللّٰہِ تُرۡجَعُ الۡاُمُوۡرُ ﴿۵﴾

057.005 Lahu mulku alssamawati waal-ardi wa-ila Allahi turjaAAu al-omooru

Hij heeft de heerschappij over de hemelen en de aarde en aan Allah worden de zaken voorgelegd.


یُوۡلِجُ الَّیۡلَ فِی النَّہَارِ وَ یُوۡلِجُ النَّہَارَ فِی الَّیۡلِ ؕ وَ ہُوَ عَلِیۡمٌۢ بِذَاتِ الصُّدُوۡرِ ﴿۶﴾

057.006 Yooliju allayla fee alnnahari wayooliju alnnahara fee allayi wahuwa AAaleemun bithati alssudoori

Hij laat de dag overgaan in de nacht en Hij weet wat er binnen in de harten is.


اٰمِنُوۡا بِاللّٰہِ وَ رَسُوۡلِہٖ وَ اَنۡفِقُوۡا مِمَّا جَعَلَکُمۡ مُّسۡتَخۡلَفِیۡنَ فِیۡہِ ؕ فَالَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا مِنۡکُمۡ وَ اَنۡفَقُوۡا لَہُمۡ اَجۡرٌ کَبِیۡرٌ ﴿۷﴾

057.007 Aminoo biAllahi warasoolihi waanfiqoo mimma jaAAalakum mustakhlafeena feehi faallatheena amanoo minkum waanfaqoo lahum ajrun kabeerun

Gelooft in Allah en Zijn gezant en geeft bijdragen van datgene waarover Hij jullie als opvolgers heeft aangesteld. Zij dan uit jullie midden die geloven en bijdragen geven, voor hen is er een groot loon.


وَ مَا لَکُمۡ لَا تُؤۡمِنُوۡنَ بِاللّٰہِ ۚ وَ الرَّسُوۡلُ یَدۡعُوۡکُمۡ لِتُؤۡمِنُوۡا بِرَبِّکُمۡ وَ قَدۡ اَخَذَ مِیۡثَاقَکُمۡ اِنۡ کُنۡتُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۸﴾

057.008 Wama lakum la tu/minoona biAllahi waalrrasoolu yadAAookum litu/minoo birabbikum waqad akhatha meethaqakum in kuntum mu/mineena

Wat hebben jullie toch dat jullie niet in Allah geloven, hoewel de gezant jullie oproept om in jullie Heer te geloven? Hij is toch een verdrag met jullie aangegaan als jullie gelovig zijn.


ہُوَ الَّذِیۡ یُنَزِّلُ عَلٰی عَبۡدِہٖۤ اٰیٰتٍۭ بَیِّنٰتٍ لِّیُخۡرِجَکُمۡ مِّنَ الظُّلُمٰتِ اِلَی النُّوۡرِ ؕ وَ اِنَّ اللّٰہَ بِکُمۡ لَرَءُوۡفٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۹﴾

057.009 Huwa allathee yunazzilu AAala AAabdihi ayatin bayyinatin liyukhrijakum mina alththulumati ila alnnoori wa-inna Allaha bikum laraoofun raheemun

Hij is het die tot Zijn dienaar duidelijke tekenen neergezonden heeft om jullie uit de duisternis naar het licht te brengen. Allah is vol mededogen met jullie en barmhartig.


وَ مَا لَکُمۡ اَلَّا تُنۡفِقُوۡا فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ وَ لِلّٰہِ مِیۡرَاثُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ لَا یَسۡتَوِیۡ مِنۡکُمۡ مَّنۡ اَنۡفَقَ مِنۡ قَبۡلِ الۡفَتۡحِ وَ قٰتَلَ ؕ اُولٰٓئِکَ اَعۡظَمُ دَرَجَۃً مِّنَ الَّذِیۡنَ اَنۡفَقُوۡا مِنۡۢ بَعۡدُ وَ قٰتَلُوۡا ؕ وَ کُلًّا وَّعَدَ اللّٰہُ الۡحُسۡنٰی ؕ وَ اللّٰہُ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ خَبِیۡرٌ ﴿٪۱۰﴾

057.010 Wama lakum alla tunfiqoo fee sabeeli Allahi walillahi meerathu alssamawati waal-ardi la yastawee minkum man anfaqa min qabli alfathi waqatala ola-ika aAAthamu darajatan mina allatheena anfaqoo min baAAdu waqataloo wakullan waAAada Allahu alhusna waAllahu bima taAAmaloona khabeerun

Wat hebben jullie toch dat jullie geen bijdragen op Allah's weg geven? Aan Allah behoort immers de erfenis toe van de hemelen en de aarde. Niet gelijk [aan de anderen] zijn uit jullie midden zij die al voor het succes bijdragen gaven en streden. Zij zijn het die een hogere rang hebben dan zij die erna bijdragen zijn gaan geven en zijn gaan strijden. Maar aan allen heeft Allah het mooiste toegezegd. Allah is welingelicht over wat jullie doen.


مَنۡ ذَا الَّذِیۡ یُقۡرِضُ اللّٰہَ قَرۡضًا حَسَنًا فَیُضٰعِفَہٗ لَہٗ وَ لَہٗۤ اَجۡرٌ کَرِیۡمٌ ﴿ۚ۱۱﴾

057.011 Man tha allathee yuqridu Allaha qardan hasanan fayudaAAifahu lahu walahu ajrun kareemun

Wie is het die aan Allah een goede lening geeft? Hij zal het dan voor hem verdubbelen en hij krijgt een voortreffelijk loon.


یَوۡمَ تَرَی الۡمُؤۡمِنِیۡنَ وَ الۡمُؤۡمِنٰتِ یَسۡعٰی نُوۡرُہُمۡ بَیۡنَ اَیۡدِیۡہِمۡ وَ بِاَیۡمَانِہِمۡ بُشۡرٰىکُمُ الۡیَوۡمَ جَنّٰتٌ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا ؕ ذٰلِکَ ہُوَ الۡفَوۡزُ الۡعَظِیۡمُ ﴿ۚ۱۲﴾

057.012 Yawma tara almu/mineena waalmu/minati yasAAa nooruhum bayna aydeehim wabi-aymanihim bushrakumu alyawma jannatun tajree min tahtiha al-anharu khalideena feeha thalika huwa alfawzu alAAatheemu

Op de dag dat jij de gelovige mannen en vrouwen ziet terwijl hun licht voor hen en rechts van hen schijnt: "Goed nieuws is er vandaag voor jullie: tuinen waar de rivieren onderdoor stromen, waarin jullie altijd zullen blijven." Dat is de geweldige triomf.


یَوۡمَ یَقُوۡلُ الۡمُنٰفِقُوۡنَ وَ الۡمُنٰفِقٰتُ لِلَّذِیۡنَ اٰمَنُوا انۡظُرُوۡنَا نَقۡتَبِسۡ مِنۡ نُّوۡرِکُمۡ ۚ قِیۡلَ ارۡجِعُوۡا وَرَآءَکُمۡ فَالۡتَمِسُوۡا نُوۡرًا ؕ فَضُرِبَ بَیۡنَہُمۡ بِسُوۡرٍ لَّہٗ بَابٌ ؕ بَاطِنُہٗ فِیۡہِ الرَّحۡمَۃُ وَ ظَاہِرُہٗ مِنۡ قِبَلِہِ الۡعَذَابُ ﴿ؕ۱۳﴾

057.013 Yawma yaqoolu almunafiqoona waalmunafiqatu lillatheena amanoo onthuroona naqtabis min noorikum qeela irjiAAoo waraakum failtamisoo nooran faduriba baynahum bisoorin lahu babun batinuhu feehi alrrahmatu wathahiruhu min qibalihi alAAathabu

Op de dag dat de huichelaars en de huichelaarsters zeggen tot hen die geloven: "Wacht toch, dan kunnen wij van jullie licht [het onze] aansteken." Dan wordt er tot hen gezegd: "Gaat maar naar achteren terug en zoekt zelf maar licht." Dan wordt er tussen hen een muur opgetrokken, met een poort; aan de binnenkant ervan is barmhartigheid, maar aan de buitenkant, ervoor, is de bestraffing.


یُنَادُوۡنَہُمۡ اَلَمۡ نَکُنۡ مَّعَکُمۡ ؕ قَالُوۡا بَلٰی وَ لٰکِنَّکُمۡ فَتَنۡتُمۡ اَنۡفُسَکُمۡ وَ تَرَبَّصۡتُمۡ وَ ارۡتَبۡتُمۡ وَ غَرَّتۡکُمُ الۡاَمَانِیُّ حَتّٰی جَآءَ اَمۡرُ اللّٰہِ وَ غَرَّکُمۡ بِاللّٰہِ الۡغَرُوۡرُ ﴿۱۴﴾

057.014 Yunadoonahum alam nakun maAAakum qaloo bala walakinnakum fatantum anfusakum watarabbastum wairtabtum wagharratkumu al-amaniyyu hatta jaa amru Allahi wagharrakum biAllahi algharooru

Zij roepen hen toe: "Waren wij niet met jullie?" Zij zeggen: "Zeker wel, maar jullie hebben jezelf in verzoeking gebracht, jullie hebben afgewacht en getwijfeld en jullie wensen hebben jullie begoocheld tot Allah's beschikking kwam. De begoochelaar heeft jullie namelijk met betrekking tot Allah begoocheld.


فَالۡیَوۡمَ لَا یُؤۡخَذُ مِنۡکُمۡ فِدۡیَۃٌ وَّ لَا مِنَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا ؕ مَاۡوٰىکُمُ النَّارُ ؕ ہِیَ مَوۡلٰىکُمۡ ؕ وَ بِئۡسَ الۡمَصِیۡرُ ﴿۱۵﴾

057.015 Faalyawma la yu/khathu minkum fidyatun wala mina allatheena kafaroo ma/wakumu alnnaru hiya mawlakum wabi/sa almaseeru

Vandaag wordt er van jullie geen losprijs aangenomen en ook niet van hen die ongelovig zijn. Jullie verblijfplaats is het vuur; dat is jullie beschermer en dat is pas een slechte bestemming!"


اَلَمۡ یَاۡنِ لِلَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اَنۡ تَخۡشَعَ قُلُوۡبُہُمۡ لِذِکۡرِ اللّٰہِ وَ مَا نَزَلَ مِنَ الۡحَقِّ ۙ وَ لَا یَکُوۡنُوۡا کَالَّذِیۡنَ اُوۡتُوا الۡکِتٰبَ مِنۡ قَبۡلُ فَطَالَ عَلَیۡہِمُ الۡاَمَدُ فَقَسَتۡ قُلُوۡبُہُمۡ ؕ وَ کَثِیۡرٌ مِّنۡہُمۡ فٰسِقُوۡنَ ﴿۱۶﴾

057.016 Alam ya/ni lillatheena amanoo an takhshaAAa quloobuhum lithikri Allahi wama nazala mina alhaqqi wala yakoonoo kaallatheena ootoo alkitaba min qablu fatala AAalayhimu al-amadu faqasat quloobuhum wakatheerun minhum fasiqoona

Is het voor hen die geloven niet tijd dat hun harten zich verootmoedigen voor Allah's vermaning en wat Hij van de waarheid heeft neergezonden? En weest niet zoals zij aan wie het boek vroeger al gegeven was. De tijd duurde hun toen te lang, hun harten verhardden zich en velen van hen werden verdorven.


اِعۡلَمُوۡۤا اَنَّ اللّٰہَ یُحۡیِ الۡاَرۡضَ بَعۡدَ مَوۡتِہَا ؕ قَدۡ بَیَّنَّا لَکُمُ الۡاٰیٰتِ لَعَلَّکُمۡ تَعۡقِلُوۡنَ ﴿۱۷﴾

057.017 IAAlamoo anna Allaha yuhyee al-arda baAAda mawtiha qad bayyanna lakumu al-ayati laAAallakum taAAqiloona

Weet dat Allah de aarde na haar dood laat herleven. Wij hebben jullie de tekenen duidelijk gemaakt; misschien zullen jullie verstandig worden.


اِنَّ الۡمُصَّدِّقِیۡنَ وَ الۡمُصَّدِّقٰتِ وَ اَقۡرَضُوا اللّٰہَ قَرۡضًا حَسَنًا یُّضٰعَفُ لَہُمۡ وَ لَہُمۡ اَجۡرٌ کَرِیۡمٌ ﴿۱۸﴾

057.018 Inna almussaddiqeena waalmussaddiqati waaqradoo Allaha qardan hasanan yudaAAafu lahum walahum ajrun kareemun

De mannen en vrouwen die aalmoezen geven en die aan Allah een goede lening geven; Hij zal het voor hen verdubbelen en zij krijgen een voortreffelijk loon.


وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا بِاللّٰہِ وَ رُسُلِہٖۤ اُولٰٓئِکَ ہُمُ الصِّدِّیۡقُوۡنَ ٭ۖ وَ الشُّہَدَآءُ عِنۡدَ رَبِّہِمۡ ؕ لَہُمۡ اَجۡرُہُمۡ وَ نُوۡرُہُمۡ ؕ وَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا وَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَاۤ اُولٰٓئِکَ اَصۡحٰبُ الۡجَحِیۡمِ ﴿٪۱۹﴾

057.019 Waallatheena amanoo biAllahi warusulihi ola-ika humu alssiddeeqoona waalshshuhadao AAinda rabbihim lahum ajruhum wanooruhum waallatheena kafaroo wakaththaboo bi-ayatina ola-ika as-habu aljaheemi

Zij die in Allah en Zijn gezanten geloven, zij zijn het die de oprechten en de getuigen bij hun Heer zijn. Zij krijgen hun loon en hun licht. Maar zij die ongelovig zijn en Onze tekenen loochenen, zij zijn het die in het hellevuur thuishoren.


اِعۡلَمُوۡۤا اَنَّمَا الۡحَیٰوۃُ الدُّنۡیَا لَعِبٌ وَّ لَہۡوٌ وَّ زِیۡنَۃٌ وَّ تَفَاخُرٌۢ بَیۡنَکُمۡ وَ تَکَاثُرٌ فِی الۡاَمۡوَالِ وَ الۡاَوۡلَادِ ؕ کَمَثَلِ غَیۡثٍ اَعۡجَبَ الۡکُفَّارَ نَبَاتُہٗ ثُمَّ یَہِیۡجُ فَتَرٰىہُ مُصۡفَرًّا ثُمَّ یَکُوۡنُ حُطَامًا ؕ وَ فِی الۡاٰخِرَۃِ عَذَابٌ شَدِیۡدٌ ۙ وَّ مَغۡفِرَۃٌ مِّنَ اللّٰہِ وَ رِضۡوَانٌ ؕ وَ مَا الۡحَیٰوۃُ الدُّنۡیَاۤ اِلَّا مَتَاعُ الۡغُرُوۡرِ ﴿۲۰﴾

057.020 IAAlamoo annama alhayatu alddunya laAAibun walahwun wazeenatun watafakhurun baynakum watakathurun fee al-amwali waal-awladi kamathali ghaythin aAAjaba alkuffara nabatuhu thumma yaheeju fatarahu musfarran thumma yakoonu hutaman wafee al-akhirati AAathabun shadeedun wamaghfiratun mina Allahi waridwanun wama alhayatu alddunya illa mataAAu alghuroori

Weet dat het tegenwoordige leven slechts spel en tijdverdrijf, pracht en onderling gepraal en streven naar meer bezittingen en kinderen is. Het is bijvoorbeeld als met regen; de plantengroei die ervan komt bevalt de ongelovigen. Dan verdort het en jij ziet het geel worden en dan wordt het tot gruis. En in het hiernamaals is er een strenge bestraffing en barmhartigheid van Allah en welbehagen. Het tegenwoordige leven is slechts begoochelend genot.


سَابِقُوۡۤا اِلٰی مَغۡفِرَۃٍ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ وَ جَنَّۃٍ عَرۡضُہَا کَعَرۡضِ السَّمَآءِ وَ الۡاَرۡضِ ۙ اُعِدَّتۡ لِلَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا بِاللّٰہِ وَ رُسُلِہٖ ؕ ذٰلِکَ فَضۡلُ اللّٰہِ یُؤۡتِیۡہِ مَنۡ یَّشَآءُ ؕ وَ اللّٰہُ ذُو الۡفَضۡلِ الۡعَظِیۡمِ ﴿۲۱﴾

057.021 Sabiqoo ila maghfiratin min rabbikum wajannatin AAarduha kaAAardi alssama-i waal-ardi oAAiddat lillatheena amanoo biAllahi warusulihi thalika fadlu Allahi yu/teehi man yashao waAllahu thoo alfadli alAAatheemi

Spoedt dus voort naar vergeving van jullie Heer en naar een tuin zo breed als de breedte van de hemel en de aarde, die klaargemaakt is voor hen die in Allah en Zijn gezanten geloven. Dat is Allah's goedgunstigheid die Hij geeft aan wie Hij wil. Allah is vol van geweldige goedgunstigheid.


مَاۤ اَصَابَ مِنۡ مُّصِیۡبَۃٍ فِی الۡاَرۡضِ وَ لَا فِیۡۤ اَنۡفُسِکُمۡ اِلَّا فِیۡ کِتٰبٍ مِّنۡ قَبۡلِ اَنۡ نَّبۡرَاَہَا ؕ اِنَّ ذٰلِکَ عَلَی اللّٰہِ یَسِیۡرٌ ﴿ۚۖ۲۲﴾

057.022 Ma asaba min museebatin fee al-ardi wala fee anfusikum illa fee kitabin min qabli an nabraaha inna thalika AAala Allahi yaseerun

Geen onheil valt op de aarde of bij jullie zelf voor of het staat in een boek voordat Wij het laten gebeuren. Dat is voor Allah gemakkelijk.


لِّکَیۡلَا تَاۡسَوۡا عَلٰی مَا فَاتَکُمۡ وَ لَا تَفۡرَحُوۡا بِمَاۤ اٰتٰىکُمۡ ؕ وَ اللّٰہُ لَا یُحِبُّ کُلَّ مُخۡتَالٍ فَخُوۡرِۣ ﴿ۙ۲۳﴾

057.023 Likayla ta/saw AAala ma fatakum wala tafrahoo bima atakum waAllahu la yuhibbu kulla mukhtalin fakhoorin

Het is, opdat jullie niet bekommerd raken over wat jullie ontgaan is en je niet verheugen over wat tot jullie komt. En Allah bemint geen enkele ingebeelde en verwaande,


الَّذِیۡنَ یَبۡخَلُوۡنَ وَ یَاۡمُرُوۡنَ النَّاسَ بِالۡبُخۡلِ ؕ وَ مَنۡ یَّتَوَلَّ فَاِنَّ اللّٰہَ ہُوَ الۡغَنِیُّ الۡحَمِیۡدُ ﴿۲۴﴾

057.024 Allatheena yabkhaloona waya/muroona alnnasa bialbukhli waman yatawalla fa-inna Allaha huwa alghaniyyu alhameedu

die gierig zijn en die de mensen opdragen gierig te zijn. En als iemand zich afkeert? Allah is de behoefteloze, de lofwaardige.


لَقَدۡ اَرۡسَلۡنَا رُسُلَنَا بِالۡبَیِّنٰتِ وَ اَنۡزَلۡنَا مَعَہُمُ الۡکِتٰبَ وَ الۡمِیۡزَانَ لِیَقُوۡمَ النَّاسُ بِالۡقِسۡطِ ۚ وَ اَنۡزَلۡنَا الۡحَدِیۡدَ فِیۡہِ بَاۡسٌ شَدِیۡدٌ وَّ مَنَافِعُ لِلنَّاسِ وَ لِیَعۡلَمَ اللّٰہُ مَنۡ یَّنۡصُرُہٗ وَ رُسُلَہٗ بِالۡغَیۡبِ ؕ اِنَّ اللّٰہَ قَوِیٌّ عَزِیۡزٌ ﴿٪۲۵﴾

057.025 Laqad arsalna rusulana bialbayyinati waanzalna maAAahumu alkitaba waalmeezana liyaqooma alnnasu bialqisti waanzalna alhadeeda feehi ba/sun shadeedun wamanafiAAu lilnnasi waliyaAAlama Allahu man yansuruhu warusulahu bialghaybi inna Allaha qawiyyun AAazeezun

Wij hebben Onze gezanten met de duidelijke bewijzen gezonden en Wij hebben het boek en de weegschaal met hen neergezonden, opdat de mensen de rechtvaardigheid in stand houden. En Wij hebben het ijzer neergezonden. Daarin is geweldige kracht en veel nuttigheid voor de mensen, opdat Allah weet wie Hem en Zijn gezanten in het verborgen helpen. Allah is krachtig en machtig.


وَ لَقَدۡ اَرۡسَلۡنَا نُوۡحًا وَّ اِبۡرٰہِیۡمَ وَ جَعَلۡنَا فِیۡ ذُرِّیَّتِہِمَا النُّبُوَّۃَ وَ الۡکِتٰبَ فَمِنۡہُمۡ مُّہۡتَدٍ ۚ وَ کَثِیۡرٌ مِّنۡہُمۡ فٰسِقُوۡنَ ﴿۲۶﴾

057.026 Walaqad arsalna noohan wa-ibraheema wajaAAalna fee thurriyyatihima alnnubuwwata waalkitaba faminhum muhtadin wakatheerun minhum fasiqoona

Wij hebben Noeh en Ibrahiem gezonden en Wij hebben in hun beider nageslacht het profeetschap en het boek tot stand gebracht. Sommigen volgden het goede pad, maar velen van hen waren verdorven.


ثُمَّ قَفَّیۡنَا عَلٰۤی اٰثَارِہِمۡ بِرُسُلِنَا وَ قَفَّیۡنَا بِعِیۡسَی ابۡنِ مَرۡیَمَ وَ اٰتَیۡنٰہُ الۡاِنۡجِیۡلَ ۬ۙ وَ جَعَلۡنَا فِیۡ قُلُوۡبِ الَّذِیۡنَ اتَّبَعُوۡہُ رَاۡفَۃً وَّ رَحۡمَۃً ؕ وَ رَہۡبَانِیَّۃَۨ ابۡتَدَعُوۡہَا مَا کَتَبۡنٰہَا عَلَیۡہِمۡ اِلَّا ابۡتِغَآءَ رِضۡوَانِ اللّٰہِ فَمَا رَعَوۡہَا حَقَّ رِعَایَتِہَا ۚ فَاٰتَیۡنَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا مِنۡہُمۡ اَجۡرَہُمۡ ۚ وَ کَثِیۡرٌ مِّنۡہُمۡ فٰسِقُوۡنَ ﴿۲۷﴾

057.027 Thumma qaffayna AAala atharihim birusulina waqaffayna biAAeesa ibni maryama waataynahu al-injeela wajaAAalna fee quloobi allatheena ittabaAAoohu ra/fatan warahmatan warahbaniyyatan ibtadaAAooha ma katabnaha AAalayhim illa ibtighaa ridwani Allahi fama raAAawha haqqa riAAayatiha faatayna allatheena amanoo minhum ajrahum wakatheerun minhum fasiqoona

Toen lieten Wij Onze gezanten in hun spoor volgen. Wij lieten 'Isa, de zoon van Marjam daarna volgen en gaven hem de Indjiel. En Wij legden mededogen en barmhartigheid in de harten van hen die hem volgden en ook monnikschap dat zij uitgevonden hebben. Wij hadden het hun niet voorgeschreven, maar het kwam voort uit hun streven naar Allah's welbehagen. Echter zij leefden het niet op de juiste manier na. Dus gaven Wij hun uit hun midden die geloofden hun loon, maar velen van hen waren verdorven.


یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوا اتَّقُوا اللّٰہَ وَ اٰمِنُوۡا بِرَسُوۡلِہٖ یُؤۡتِکُمۡ کِفۡلَیۡنِ مِنۡ رَّحۡمَتِہٖ وَ یَجۡعَلۡ لَّکُمۡ نُوۡرًا تَمۡشُوۡنَ بِہٖ وَ یَغۡفِرۡ لَکُمۡ ؕ وَ اللّٰہُ غَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿ۚۙ۲۸﴾

057.028 Ya ayyuha allatheena amanoo ittaqoo Allaha waaminoo birasoolihi yu/tikum kiflayni min rahmatihi wayajAAal lakum nooran tamshoona bihi wayaghfir lakum waAllahu ghafoorun raheemun

Jullie die geloven! Vreest Allah en gelooft in Zijn gezant zodat Hij jullie twee porties van Zijn barmhartigheid geeft, voor jullie een licht maakt waarin jullie kunnen wandelen en jullie vergeeft; Allah is vergevend en barmhartig.


لِّئَلَّا یَعۡلَمَ اَہۡلُ الۡکِتٰبِ اَلَّا یَقۡدِرُوۡنَ عَلٰی شَیۡءٍ مِّنۡ فَضۡلِ اللّٰہِ وَ اَنَّ الۡفَضۡلَ بِیَدِ اللّٰہِ یُؤۡتِیۡہِ مَنۡ یَّشَآءُ ؕ وَ اللّٰہُ ذُو الۡفَضۡلِ الۡعَظِیۡمِ ﴿٪۲۹﴾

057.029 Li-alla yaAAlama ahlu alkitabi alla yaqdiroona AAala shay-in min fadli Allahi waanna alfadla biyadi Allahi yu/teehi man yashao waAllahu thoo alfadli alAAatheemi

De mensen van het boek moeten goed weten dat zij niet de beschikking hebben over iets van Allah's goedgunstigheid en dat de goedgunstigheid in Allah's hand is; Hij geeft die aan wie Hij wil en Allah is vol van geweldige goedgunstigheid.



www.kuran.nl