29 Tabarak Allazi

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

تَبٰرَکَ الَّذِیۡ بِیَدِہِ الۡمُلۡکُ ۫ وَ ہُوَ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرُۨ ۙ﴿۱﴾

067.001 Tabaraka allathee biyadihi almulku wahuwa AAala kulli shay-in qadeerun

Gezegend zij Hij in wiens hand de heerschappij is en Hij is almachtig.


الَّذِیۡ خَلَقَ الۡمَوۡتَ وَ الۡحَیٰوۃَ لِیَبۡلُوَکُمۡ اَیُّکُمۡ اَحۡسَنُ عَمَلًا ؕ وَ ہُوَ الۡعَزِیۡزُ الۡغَفُوۡرُ ۙ﴿۲﴾

067.002 Allathee khalaqa almawta waalhayata liyabluwakum ayyukum ahsanu AAamalan wahuwa alAAazeezu alghafooru

Hij die de dood en het leven geschapen heeft om jullie op de proef te stellen wie van jullie het beste is bij wat hij doet; Hij is de machtige, de vergevende.


الَّذِیۡ خَلَقَ سَبۡعَ سَمٰوٰتٍ طِبَاقًا ؕ مَا تَرٰی فِیۡ خَلۡقِ الرَّحۡمٰنِ مِنۡ تَفٰوُتٍ ؕ فَارۡجِعِ الۡبَصَرَ ۙ ہَلۡ تَرٰی مِنۡ فُطُوۡرٍ ﴿۳﴾

067.003 Allathee khalaqa sabAAa samawatin tibaqan ma tara fee khalqi alrrahmani min tafawutin fairjiAAi albasara hal tara min futoorin

Hij die zeven hemelen in lagen heeft geschapen. Je ziet in de schepping van de erbarmer geen tekortkoming. Kijk dan eens om of jij onvolkomenheden ziet.


ثُمَّ ارۡجِعِ الۡبَصَرَ کَرَّتَیۡنِ یَنۡقَلِبۡ اِلَیۡکَ الۡبَصَرُ خَاسِئًا وَّ ہُوَ حَسِیۡرٌ ﴿۴﴾

067.004 Thumma irjiAAi albasara karratayni yanqalib ilayka albasaru khasi-an wahuwa haseerun

En kijk nog eens tweemaal om, dan zul je jouw ogen beschaamd neerslaan, vermoeid als zij zijn.


وَ لَقَدۡ زَیَّنَّا السَّمَآءَ الدُّنۡیَا بِمَصَابِیۡحَ وَ جَعَلۡنٰہَا رُجُوۡمًا لِّلشَّیٰطِیۡنِ وَ اَعۡتَدۡنَا لَہُمۡ عَذَابَ السَّعِیۡرِ ﴿۵﴾

067.005 Walaqad zayyanna alssamaa alddunya bimasabeeha wajaAAalnaha rujooman lilshshayateeni waaAAtadna lahum AAathaba alssaAAeeri

En Wij hebben de nabije hemel met lampen opgesierd en die gemaakt om de satans ermee te stenigen. En Wij hebben voor hen de bestraffing van de vuurgloed klaargemaakt.


وَ لِلَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا بِرَبِّہِمۡ عَذَابُ جَہَنَّمَ ؕ وَ بِئۡسَ الۡمَصِیۡرُ ﴿۶﴾

067.006 Walillatheena kafaroo birabbihim AAathabu jahannama wabi/sa almaseeru

En voor hen die aan hun Heer geen geloof hechten is er de bestraffing van de hel; dat is pas een slechte bestemming!


اِذَاۤ اُلۡقُوۡا فِیۡہَا سَمِعُوۡا لَہَا شَہِیۡقًا وَّ ہِیَ تَفُوۡرُ ۙ﴿۷﴾

067.007 Itha olqoo feeha samiAAoo laha shaheeqan wahiya tafooru

Wanneer zij erin geworpen worden horen zij het gekreun ervan terwijl zij overkookt.


تَکَادُ تَمَیَّزُ مِنَ الۡغَیۡظِ ؕ کُلَّمَاۤ اُلۡقِیَ فِیۡہَا فَوۡجٌ سَاَلَہُمۡ خَزَنَتُہَاۤ اَلَمۡ یَاۡتِکُمۡ نَذِیۡرٌ ﴿۸﴾

067.008 Takadu tamayyazu mina alghaythi kullama olqiya feeha fawjun saalahum khazanatuha alam ya/tikum natheerun

Zij barst bijna van woede. Telkens als er een groep in wordt geworpen vragen haar bewakers: "Is er geen waarschuwer tot jullie gekomen?"


قَالُوۡا بَلٰی قَدۡ جَآءَنَا نَذِیۡرٌ ۬ۙ فَکَذَّبۡنَا وَ قُلۡنَا مَا نَزَّلَ اللّٰہُ مِنۡ شَیۡءٍ ۚۖ اِنۡ اَنۡتُمۡ اِلَّا فِیۡ ضَلٰلٍ کَبِیۡرٍ ﴿۹﴾

067.009 Qaloo bala qad jaana natheerun fakaththabna waqulna ma nazzala Allahu min shay-in in antum illa fee dalalin kabeerin

Dan zeggen zij: "Ja zeker, er is een waarschuwer tot ons gekomen, maar wij hebben


وَ قَالُوۡا لَوۡ کُنَّا نَسۡمَعُ اَوۡ نَعۡقِلُ مَا کُنَّا فِیۡۤ اَصۡحٰبِ السَّعِیۡرِ ﴿۱۰﴾

067.010 Waqaloo law kunna nasmaAAu aw naAAqilu ma kunna fee as-habi alssaAAeeri

En zij zeggen: "Hadden wij maar geluisterd of ons verstand gebruikt, dan waren wij nu niet bij hen die in de vuurgloed thuishoren."


فَاعۡتَرَفُوۡا بِذَنۡۢبِہِمۡ ۚ فَسُحۡقًا لِّاَصۡحٰبِ السَّعِیۡرِ ﴿۱۱﴾

067.011 FaiAAtarafoo bithanbihim fasuhqan li-as-habi alssaAAeeri

En zij erkennen hun zonden. Weg dus met hen die in de vuurgloed thuishoren!


اِنَّ الَّذِیۡنَ یَخۡشَوۡنَ رَبَّہُمۡ بِالۡغَیۡبِ لَہُمۡ مَّغۡفِرَۃٌ وَّ اَجۡرٌ کَبِیۡرٌ ﴿۱۲﴾

067.012 Inna allatheena yakhshawna rabbahum bialghaybi lahum maghfiratun waajrun kabeerun

Maar voor hen die hun Heer in het verborgen vrezen is er vergeving en een groot loon.


وَ اَسِرُّوۡا قَوۡلَکُمۡ اَوِ اجۡہَرُوۡا بِہٖ ؕ اِنَّہٗ عَلِیۡمٌۢ بِذَاتِ الصُّدُوۡرِ ﴿۱۳﴾

067.013 Waasirroo qawlakum awi ijharoo bihi innahu AAaleemun bithati alssudoori

Of jullie nu in het geheim spreken of in het openbaar, Hij weet wat er binnen in de harten is.


اَلَا یَعۡلَمُ مَنۡ خَلَقَ ؕ وَ ہُوَ اللَّطِیۡفُ الۡخَبِیۡرُ ﴿٪۱۴﴾

067.014 Ala yaAAlamu man khalaqa wahuwa allateefu alkhabeeru

Zou Hij hen die Hij geschapen heeft niet kennen; Hij is de welwillende, de welingelichte.


ہُوَ الَّذِیۡ جَعَلَ لَکُمُ الۡاَرۡضَ ذَلُوۡلًا فَامۡشُوۡا فِیۡ مَنَاکِبِہَا وَ کُلُوۡا مِنۡ رِّزۡقِہٖ ؕ وَ اِلَیۡہِ النُّشُوۡرُ ﴿۱۵﴾

067.015 Huwa allathee jaAAala lakumu al-arda thaloolan faimshoo fee manakibiha wakuloo min rizqihi wa-ilayhi alnnushooru

Hij is het die de aarde voor jullie handelbaar gemaakt heeft. Wandelt dus over haar rug en eet van het levensonderhoud dat Hij geeft. En de herrijzenis voert naar Hem.


ءَاَمِنۡتُمۡ مَّنۡ فِی السَّمَآءِ اَنۡ یَّخۡسِفَ بِکُمُ الۡاَرۡضَ فَاِذَا ہِیَ تَمُوۡرُ ﴿ۙ۱۶﴾

067.016 Aamintum man fee alssama-i an yakhsifa bikumu al-arda fa-itha hiya tamooru

Wanen jullie je er veilig voor dat Hij die in de hemel is de aarde met jullie laat wegzinken? Zij begint al te trillen!


اَمۡ اَمِنۡتُمۡ مَّنۡ فِی السَّمَآءِ اَنۡ یُّرۡسِلَ عَلَیۡکُمۡ حَاصِبًا ؕ فَسَتَعۡلَمُوۡنَ کَیۡفَ نَذِیۡرِ ﴿۱۷﴾

067.017 Am amintum man fee alssama-i an yursila AAalaykum hasiban fasataAAlamoona kayfa natheeri

Of wanen jullie je er veilig voor dat Hij die in de hemel is tegen jullie een zandstorm stuurt? Jullie zullen het weten hoe het met Mijn waarschuwing staat!


وَ لَقَدۡ کَذَّبَ الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِہِمۡ فَکَیۡفَ کَانَ نَکِیۡرِ ﴿۱۸﴾

067.018 Walaqad kaththaba allatheena min qablihim fakayfa kana nakeeri

Zij die er voor hun tijd waren hebben ook van leugens beticht. En hoe was Mijn terechtwijzing dan?


اَوَ لَمۡ یَرَوۡا اِلَی الطَّیۡرِ فَوۡقَہُمۡ صٰٓفّٰتٍ وَّ یَقۡبِضۡنَ ؔۘؕ مَا یُمۡسِکُہُنَّ اِلَّا الرَّحۡمٰنُ ؕ اِنَّہٗ بِکُلِّ شَیۡءٍۭ بَصِیۡرٌ ﴿۱۹﴾

067.019 Awa lam yaraw ila alttayri fawqahum saffatin wayaqbidna ma yumsikuhunna illa alrrahmanu innahu bikulli shay-in baseerun

Hebben zij niet gezien naar de vogels boven hen die hun vleugels uitspreiden en intrekken. Alleen de Erbarmer houdt ze vast. Hij doorziet alles.


اَمَّنۡ ہٰذَا الَّذِیۡ ہُوَ جُنۡدٌ لَّکُمۡ یَنۡصُرُکُمۡ مِّنۡ دُوۡنِ الرَّحۡمٰنِ ؕ اِنِ الۡکٰفِرُوۡنَ اِلَّا فِیۡ غُرُوۡرٍ ﴿ۚ۲۰﴾

067.020 Amman hatha allathee huwa jundun lakum yansurukum min dooni alrrahmani ini alkafiroona illa fee ghuroorin

Of wie is het die in plaats van de Erbarmer voor jullie een troepenmacht kan zijn die jullie helpt? De ongelovigen zijn slechts aan begoocheling [ten prooi gevallen].


اَمَّنۡ ہٰذَا الَّذِیۡ یَرۡزُقُکُمۡ اِنۡ اَمۡسَکَ رِزۡقَہٗ ۚ بَلۡ لَّجُّوۡا فِیۡ عُتُوٍّ وَّ نُفُوۡرٍ ﴿۲۱﴾

067.021 Amman hatha allathee yarzuqukum in amsaka rizqahu bal lajjoo fee AAutuwwin wanufoorin

Of wie is het die in jullie levensonderhoud zal voorzien als Hij Zijn voorzieningen tegenhoudt? Maar nee, zij volharden in minachting en afkeer.


اَفَمَنۡ یَّمۡشِیۡ مُکِبًّا عَلٰی وَجۡہِہٖۤ اَہۡدٰۤی اَمَّنۡ یَّمۡشِیۡ سَوِیًّا عَلٰی صِرَاطٍ مُّسۡتَقِیۡمٍ ﴿۲۲﴾

067.022 Afaman yamshee mukibban AAala wajhihi ahda amman yamshee sawiyyan AAala siratin mustaqeemin

Volgt dan iemand die wandelt terwijl hij op zijn gezicht valt het goede pad beter of iemand die rechtop een juiste weg bewandelt?


قُلۡ ہُوَ الَّذِیۡۤ اَنۡشَاَکُمۡ وَ جَعَلَ لَکُمُ السَّمۡعَ وَ الۡاَبۡصَارَ وَ الۡاَفۡـِٕدَۃَ ؕ قَلِیۡلًا مَّا تَشۡکُرُوۡنَ ﴿۲۳﴾

067.023 Qul huwa allathee anshaakum wajaAAala lakumu alssamAAa waal-absara waal-af-idata qaleelan ma tashkuroona

Zeg: "Hij is het die jullie heeft laten ontstaan en die voor jullie gehoor, gezichtsvermogen en harten heeft gemaakt; gering is de dank die jullie betuigen."


قُلۡ ہُوَ الَّذِیۡ ذَرَاَکُمۡ فِی الۡاَرۡضِ وَ اِلَیۡہِ تُحۡشَرُوۡنَ ﴿۲۴﴾

067.024 Qul huwa allathee tharaakum fee al-ardi wa-ilayhi tuhsharoona

Zeg: "Hij is het die jullie op de aarde geschapen heeft en tot Hem zullen jullie verzameld worden."


وَ یَقُوۡلُوۡنَ مَتٰی ہٰذَا الۡوَعۡدُ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۲۵﴾

067.025 Wayaqooloona mata hatha alwaAAdu in kuntum sadiqeena

En zij zeggen: "Wanneer zal deze aanzegging zich voordoen, als jullie gelijk hebben?"


قُلۡ اِنَّمَا الۡعِلۡمُ عِنۡدَ اللّٰہِ ۪ وَ اِنَّمَاۤ اَنَا نَذِیۡرٌ مُّبِیۡنٌ ﴿۲۶﴾

067.026 Qul innama alAAilmu AAinda Allahi wa-innama ana natheerun mubeenun

Zeg: "De kennis [daarover] is bij Allah. Ik ben slechts een duidelijke waarschuwer."


فَلَمَّا رَاَوۡہُ زُلۡفَۃً سِیۡٓـَٔتۡ وُجُوۡہُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا وَ قِیۡلَ ہٰذَا الَّذِیۡ کُنۡتُمۡ بِہٖ تَدَّعُوۡنَ ﴿۲۷﴾

067.027 Falamma raawhu zulfatan see-at wujoohu allatheena kafaroo waqeela hatha allathee kuntum bihi taddaAAoona

Wanneer zij het dan van dichtbij zien vertrekken de gezichten van hen die ongelovig zijn. En er wordt gezegd: "Dit is het wat jullie hebben verlangd."


قُلۡ اَرَءَیۡتُمۡ اِنۡ اَہۡلَکَنِیَ اللّٰہُ وَ مَنۡ مَّعِیَ اَوۡ رَحِمَنَا ۙ فَمَنۡ یُّجِیۡرُ الۡکٰفِرِیۡنَ مِنۡ عَذَابٍ اَلِیۡمٍ ﴿۲۸﴾

067.028 Qul araaytum in ahlakaniya Allahu waman maAAiya aw rahimana faman yujeeru alkafireena min AAathabin aleemin

Zeg: "Hoe zien jullie het, als Allah mij en wie er met mij zijn vernietigt of met ons erbarmen heeft? Maar wie zal de ongelovigen voor een pijnlijke bestraffing beschermen?"


قُلۡ ہُوَ الرَّحۡمٰنُ اٰمَنَّا بِہٖ وَ عَلَیۡہِ تَوَکَّلۡنَا ۚ فَسَتَعۡلَمُوۡنَ مَنۡ ہُوَ فِیۡ ضَلٰلٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۲۹﴾

067.029 Qul huwa alrrahmanu amanna bihi waAAalayhi tawakkalna fasataAAlamoona man huwa fee dalalin mubeenin

Zeg: "Hij is de Erbarmer. In Hem geloven wij en op Hem stellen wij ons vertrouwen. Jullie zullen wel te weten komen wie er in duidelijke dwaling verkeert."


قُلۡ اَرَءَیۡتُمۡ اِنۡ اَصۡبَحَ مَآؤُکُمۡ غَوۡرًا فَمَنۡ یَّاۡتِیۡکُمۡ بِمَآءٍ مَّعِیۡنٍ ﴿٪۳۰﴾

067.030 Qul araaytum in asbaha maokum ghawran faman ya/teekum bima-in maAAeenin

Zeg: "Hoe zien jullie het, als jullie water diep zou wegzakken, wie zou jullie dan bronwater brengen?"


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

نٓ وَ الۡقَلَمِ وَ مَا یَسۡطُرُوۡنَ ۙ﴿۱﴾

068.001 Noon waalqalami wama yasturoona

N[oen]. Bij de pen en wat zij neerschrijven.


مَاۤ اَنۡتَ بِنِعۡمَۃِ رَبِّکَ بِمَجۡنُوۡنٍ ۚ﴿۲﴾

068.002 Ma anta biniAAmati rabbika bimajnoonin

Jij bent door Allah's genade geen bezetene.


وَ اِنَّ لَکَ لَاَجۡرًا غَیۡرَ مَمۡنُوۡنٍ ۚ﴿۳﴾

068.003 Wa-inna laka laajran ghayra mamnoonin

Er is voor jou een ononderbroken loon


وَ اِنَّکَ لَعَلٰی خُلُقٍ عَظِیۡمٍ ﴿۴﴾

068.004 Wa-innaka laAAala khuluqin AAatheemin

en jij bent hoogstaand van karakter.


فَسَتُبۡصِرُ وَ یُبۡصِرُوۡنَ ۙ﴿۵﴾

068.005 Fasatubsiru wayubsiroona

Jij zult inzien en zij zullen inzien


بِاَىیِّکُمُ الۡمَفۡتُوۡنُ ﴿۶﴾

068.006 Bi-ayyikumu almaftoonu

wie van jullie de verdwaasde is.


اِنَّ رَبَّکَ ہُوَ اَعۡلَمُ بِمَنۡ ضَلَّ عَنۡ سَبِیۡلِہٖ ۪ وَ ہُوَ اَعۡلَمُ بِالۡمُہۡتَدِیۡنَ ﴿۷﴾

068.007 Inna rabbaka huwa aAAlamu biman dalla AAan sabeelihi wahuwa aAAlamu bialmuhtadeena

Jouw Heer kent wie van Zijn weg afdwaalt het best en Hij kent hen die het goede pad volgen het best.


فَلَا تُطِعِ الۡمُکَذِّبِیۡنَ ﴿۸﴾

068.008 Fala tutiAAi almukaththibeena

Geef aan de loochenaars geen gehoor.


وَدُّوۡا لَوۡ تُدۡہِنُ فَیُدۡہِنُوۡنَ ﴿۹﴾

068.009 Waddoo law tudhinu fayudhinoona

Zij zouden graag willen dat jij toegeeflijk was dan zouden zij ook toegeeflijk zijn.


وَ لَا تُطِعۡ کُلَّ حَلَّافٍ مَّہِیۡنٍ ﴿ۙ۱۰﴾

068.010 Wala tutiAA kulla hallafin maheenin

Geef aan geen enkele verachtelijke edenzweerder gehoor,


ہَمَّازٍ مَّشَّآءٍۭ بِنَمِیۡمٍ ﴿ۙ۱۱﴾

068.011 Hammazin mashsha-in binameemin

een met roddel rondlopende lasteraar,


مَّنَّاعٍ لِّلۡخَیۡرِ مُعۡتَدٍ اَثِیۡمٍ ﴿ۙ۱۲﴾

068.012 MannaAAin lilkhayri muAAtadin atheemin

een zondige overtreder die het goede belet,


عُتُلٍّۭ بَعۡدَ ذٰلِکَ زَنِیۡمٍ ﴿ۙ۱۳﴾

068.013 AAutullin baAAda thalika zaneemin

een bruut en bovendien een indringer,


اَنۡ کَانَ ذَا مَالٍ وَّ بَنِیۡنَ ﴿ؕ۱۴﴾

068.014 An kana tha malin wabaneena

ook al heeft hij bezit en zonen.


اِذَا تُتۡلٰی عَلَیۡہِ اٰیٰتُنَا قَالَ اَسَاطِیۡرُ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿۱۵﴾

068.015 Itha tutla AAalayhi ayatuna qala asateeru al-awwaleena

Wanneer hem Onze tekenen worden voorgelezen, zegt hij: "Fabels van hen die er eertijds waren."


سَنَسِمُہٗ عَلَی الۡخُرۡطُوۡمِ ﴿۱۶﴾

068.016 Sanasimuhu AAala alkhurtoomi

Wij zullen hem brandmerken op zijn snoet.


اِنَّا بَلَوۡنٰہُمۡ کَمَا بَلَوۡنَاۤ اَصۡحٰبَ الۡجَنَّۃِ ۚ اِذۡ اَقۡسَمُوۡا لَیَصۡرِمُنَّہَا مُصۡبِحِیۡنَ ﴿ۙ۱۷﴾

068.017 Inna balawnahum kama balawna as-haba aljannati ith aqsamoo layasrimunnaha musbiheena

Wij hebben hen op de proef gesteld zoals Wij de bezitters van de tuin op de proef gesteld hebben toen zij zwoeren: "In de morgen zullen wij hem afoogsten!"


وَ لَا یَسۡتَثۡنُوۡنَ ﴿۱۸﴾

068.018 Wala yastathnoona

zonder een voorbehoud te maken.


فَطَافَ عَلَیۡہَا طَآئِفٌ مِّنۡ رَّبِّکَ وَ ہُمۡ نَآئِمُوۡنَ ﴿۱۹﴾

068.019 Fatafa AAalayha ta-ifun min rabbika wahum na-imoona

Toen ging er een nachtelijke bezoeking van jouw Heer rond, terwijl zij sliepen,


فَاَصۡبَحَتۡ کَالصَّرِیۡمِ ﴿ۙ۲۰﴾

068.020 Faasbahat kaalssareemi

en 's morgens was hij als afgeoogst.


فَتَنَادَوۡا مُصۡبِحِیۡنَ ﴿ۙ۲۱﴾

068.021 Fatanadaw musbiheena

Toen riepen zij 's morgens tegen elkaar:


اَنِ اغۡدُوۡا عَلٰی حَرۡثِکُمۡ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰرِمِیۡنَ ﴿۲۲﴾

068.022 Ani ighdoo AAala harthikum in kuntum sarimeena

"Gaat vroeg naar jullie akker als jullie willen afoogsten."


فَانۡطَلَقُوۡا وَ ہُمۡ یَتَخَافَتُوۡنَ ﴿ۙ۲۳﴾

068.023 Faintalaqoo wahum yatakhafatoona

En zij gingen op weg terwijl zij onder elkaar fluisterden:


اَنۡ لَّا یَدۡخُلَنَّہَا الۡیَوۡمَ عَلَیۡکُمۡ مِّسۡکِیۡنٌ ﴿ۙ۲۴﴾

068.024 An la yadkhulannaha alyawma AAalaykum miskeenun

"Vandaag zal er geen behoeftige bij jullie binnenkomen."


وَّ غَدَوۡا عَلٰی حَرۡدٍ قٰدِرِیۡنَ ﴿۲۵﴾

068.025 Waghadaw AAala hardin qadireena

En zij waren vroeg weggegaan met de bedoeling daartoe in staat te zijn.


فَلَمَّا رَاَوۡہَا قَالُوۡۤا اِنَّا لَضَآلُّوۡنَ ﴿ۙ۲۶﴾

068.026 Falamma raawha qaloo inna ladalloona

Maar toen zij het zagen zeiden zij: "Wij zijn verdwaald.


بَلۡ نَحۡنُ مَحۡرُوۡمُوۡنَ ﴿۲۷﴾

068.027 Bal nahnu mahroomoona

Nee, wij zijn beroofd!"


قَالَ اَوۡسَطُہُمۡ اَلَمۡ اَقُلۡ لَّکُمۡ لَوۡ لَا تُسَبِّحُوۡنَ ﴿۲۸﴾

068.028 Qala awsatuhum alam aqul lakum lawla tusabbihoona

De evenwichtigste onder hen zei: "Had ik het jullie niet gezegd? Als jullie [Allah] maar zouden prijzen."


قَالُوۡا سُبۡحٰنَ رَبِّنَاۤ اِنَّا کُنَّا ظٰلِمِیۡنَ ﴿۲۹﴾

068.029 Qaloo subhana rabbina inna kunna thalimeena

Zij zeiden: "Onze Heer zij geprezen, wij waren onrechtplegers."


فَاَقۡبَلَ بَعۡضُہُمۡ عَلٰی بَعۡضٍ یَّتَلَاوَمُوۡنَ ﴿۳۰﴾

068.030 Faaqbala baAAduhum AAala baAAdin yatalawamoona

Toen gingen zij elkaar verwijten maken.


قَالُوۡا یٰوَیۡلَنَاۤ اِنَّا کُنَّا طٰغِیۡنَ ﴿۳۱﴾

068.031 Qaloo ya waylana inna kunna tagheena

Zij zeiden: "Wee ons, wij waren onbeschaamd.


عَسٰی رَبُّنَاۤ اَنۡ یُّبۡدِلَنَا خَیۡرًا مِّنۡہَاۤ اِنَّاۤ اِلٰی رَبِّنَا رٰغِبُوۡنَ ﴿۳۲﴾

068.032 AAasa rabbuna an yubdilana khayran minha inna ila rabbina raghiboona

Misschien dat onze Heer ons iets beters ervoor in de plaats zal geven. Wij verlangen naar onze Heer."


کَذٰلِکَ الۡعَذَابُ ؕ وَ لَعَذَابُ الۡاٰخِرَۃِ اَکۡبَرُ ۘ لَوۡ کَانُوۡا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿٪۳۳﴾

068.033 Kathalika alAAathabu walaAAathabu al-akhirati akbaru law kanoo yaAAlamoona

Zo was de bestraffing, maar de bestraffing in het hiernamaals is nog erger. Als zij het maar wisten!


اِنَّ لِلۡمُتَّقِیۡنَ عِنۡدَ رَبِّہِمۡ جَنّٰتِ النَّعِیۡمِ ﴿۳۴﴾

068.034 Inna lilmuttaqeena AAinda rabbihim jannati alnnaAAeemi

Maar de godvrezenden hebben bij hun Heer de tuinen van de gelukzaligheid.


اَفَنَجۡعَلُ الۡمُسۡلِمِیۡنَ کَالۡمُجۡرِمِیۡنَ ﴿ؕ۳۵﴾

068.035 AfanajAAalu almuslimeena kaalmujrimeena

Zullen Wij dan hen die zich [aan Allah] hebben overgegeven als de boosdoeners behandelen?


مَا لَکُمۡ ٝ کَیۡفَ تَحۡکُمُوۡنَ ﴿ۚ۳۶﴾

068.036 Ma lakum kayfa tahkumoona

Wat is er met jullie? Hoe kunnen jullie oordelen?


اَمۡ لَکُمۡ کِتٰبٌ فِیۡہِ تَدۡرُسُوۡنَ ﴿ۙ۳۷﴾

068.037 Am lakum kitabun feehi tadrusoona

Of hebben jullie een boek, waarin jullie kunnen studeren?


اِنَّ لَکُمۡ فِیۡہِ لَمَا تَخَیَّرُوۡنَ ﴿ۚ۳۸﴾

068.038 Inna lakum feehi lama takhayyaroona

Daarin is zeker wat jullie verkiezen.


اَمۡ لَکُمۡ اَیۡمَانٌ عَلَیۡنَا بَالِغَۃٌ اِلٰی یَوۡمِ الۡقِیٰمَۃِ ۙ اِنَّ لَکُمۡ لَمَا تَحۡکُمُوۡنَ ﴿ۚ۳۹﴾

068.039 Am lakum aymanun AAalayna balighatun ila yawmi alqiyamati inna lakum lama tahkumoona

Of zijn Wij door eden die tot de opstandingsdag reiken aan jullie verplicht dat jullie zullen hebben wat jullie beslissen?


سَلۡہُمۡ اَیُّہُمۡ بِذٰلِکَ زَعِیۡمٌ ﴿ۚۛ۴۰﴾

068.040 Salhum ayyuhum bithalika zaAAeemun

Vraag hun wie van hen dat beweert.


اَمۡ لَہُمۡ شُرَکَآءُ ۚۛ فَلۡیَاۡتُوۡا بِشُرَکَآئِہِمۡ اِنۡ کَانُوۡا صٰدِقِیۡنَ ﴿۴۱﴾

068.041 Am lahum shurakao falya/too bishuraka-ihim in kanoo sadiqeena

Of hebben zij [zogenaamd goddelijke] metgezellen? Dan moeten zij maar met hun [zogenaamd goddelijke] metgezellen komen, als zij gelijk hebben.


یَوۡمَ یُکۡشَفُ عَنۡ سَاقٍ وَّ یُدۡعَوۡنَ اِلَی السُّجُوۡدِ فَلَا یَسۡتَطِیۡعُوۡنَ ﴿ۙ۴۲﴾

068.042 Yawma yukshafu AAan saqin wayudAAawna ila alssujoodi fala yastateeAAoona

Op de dag dat hun de benen ontbloot worden en zij opgeroepen worden zich eerbiedig neer te buigen, maar het dan niet kunnen,


خَاشِعَۃً اَبۡصَارُہُمۡ تَرۡہَقُہُمۡ ذِلَّۃٌ ؕ وَ قَدۡ کَانُوۡا یُدۡعَوۡنَ اِلَی السُّجُوۡدِ وَ ہُمۡ سٰلِمُوۡنَ ﴿۴۳﴾

068.043 KhashiAAatan absaruhum tarhaquhum thillatun waqad kanoo yudAAawna ila alssujoodi wahum salimoona

terwijl zij met hun deemoedige blikken met vernedering overdekt worden. Toch waren zij opgeroepen zich eerbiedig neer te buigen toen zij nog in veiligheid waren.


فَذَرۡنِیۡ وَ مَنۡ یُّکَذِّبُ بِہٰذَا الۡحَدِیۡثِ ؕ سَنَسۡتَدۡرِجُہُمۡ مِّنۡ حَیۡثُ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿ۙ۴۴﴾

068.044 Fatharnee waman yukaththibu bihatha alhadeethi sanastadrijuhum min haythu la yaAAlamoona

Laat Mij dan maar met hen die dit bericht loochenen; Wij zullen hen gaandeweg tot vernietiging brengen zonder dat zij het weten.


وَ اُمۡلِیۡ لَہُمۡ ؕ اِنَّ کَیۡدِیۡ مَتِیۡنٌ ﴿۴۵﴾

068.045 Waomlee lahum inna kaydee mateenun

En Ik zal hun uitstel geven. Mijn list staat vast.


اَمۡ تَسۡـَٔلُہُمۡ اَجۡرًا فَہُمۡ مِّنۡ مَّغۡرَمٍ مُّثۡقَلُوۡنَ ﴿ۚ۴۶﴾

068.046 Am tas-aluhum ajran fahum min maghramin muthqaloona

Of vraag jij hun loon, zodat zij met betalingsverplichtingen belast zijn?


اَمۡ عِنۡدَہُمُ الۡغَیۡبُ فَہُمۡ یَکۡتُبُوۡنَ ﴿۴۷﴾

068.047 Am AAindahumu alghaybu fahum yaktuboona

Of is het verborgene bij hen zodat zij het kunnen opschrijven?


فَاصۡبِرۡ لِحُکۡمِ رَبِّکَ وَ لَا تَکُنۡ کَصَاحِبِ الۡحُوۡتِ ۘ اِذۡ نَادٰی وَ ہُوَ مَکۡظُوۡمٌ ﴿ؕ۴۸﴾

068.048 Faisbir lihukmi rabbika wala takun kasahibi alhooti ith nada wahuwa makthoomun

Volhard dus geduldig tot aan het oordeel van jouw Heer. En wees niet als hij die in de vis was toen hij vol ingehouden woede tot zijn Heer riep.


لَوۡ لَاۤ اَنۡ تَدٰرَکَہٗ نِعۡمَۃٌ مِّنۡ رَّبِّہٖ لَنُبِذَ بِالۡعَرَآءِ وَ ہُوَ مَذۡمُوۡمٌ ﴿۴۹﴾

068.049 Lawla an tadarakahu niAAmatun min rabbihi lanubitha bialAAara-i wahuwa mathmoomun

Als hem geen genade van zijn Heer bereikt had was hij, verafschuwd als hij was, op een onbegroeide plaats uitgeworpen.


فَاجۡتَبٰہُ رَبُّہٗ فَجَعَلَہٗ مِنَ الصّٰلِحِیۡنَ ﴿۵۰﴾

068.050 Faijtabahu rabbuhu fajaAAalahu mina alssaliheena

Maar zijn Heer verhoorde hem en maakte hem tot een van de rechtschapenen.


وَ اِنۡ یَّکَادُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لَیُزۡلِقُوۡنَکَ بِاَبۡصَارِہِمۡ لَمَّا سَمِعُوا الذِّکۡرَ وَ یَقُوۡلُوۡنَ اِنَّہٗ لَمَجۡنُوۡنٌ ﴿ۘ۵۱﴾

068.051 Wa-in yakadu allatheena kafaroo layuzliqoonaka bi-absarihim lamma samiAAoo alththikra wayaqooloona innahu lamajnoonun

Zij die ongelovig zijn laten jou met hun blikken bijna uitglijden, wanneer zij de vermaning horen en zij zeggen: "Hij is bezeten."


وَ مَا ہُوَ اِلَّا ذِکۡرٌ لِّلۡعٰلَمِیۡنَ ﴿٪۵۲﴾

068.052 Wama huwa illa thikrun lilAAalameena

Toch is het niets anders dan een vermaning voor de wereldbewoners.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

اَلۡحَآقَّۃُ ۙ﴿۱﴾

069.001 Alhaqqatu

De verwerkelijking!


مَا الۡحَآقَّۃُ ۚ﴿۲﴾

069.002 Ma alhaqqatu

Wat is de verwerkelijking?


وَ مَاۤ اَدۡرٰىکَ مَا الۡحَآقَّۃُ ؕ﴿۳﴾

069.003 Wama adraka ma alhaqqatu

En hoe zul jij te weten komen wat de verwerkelijking is?


کَذَّبَتۡ ثَمُوۡدُ وَ عَادٌۢ بِالۡقَارِعَۃِ ﴿۴﴾

069.004 Kaththabat thamoodu waAAadun bialqariAAati

De Thamoed en de 'Aad loochenden de catastrofe.


فَاَمَّا ثَمُوۡدُ فَاُہۡلِکُوۡا بِالطَّاغِیَۃِ ﴿۵﴾

069.005 Faamma thamoodu faohlikoo bialttaghiyati

De Thamoed nu, zij werden door het grote geweld vernietigd.


وَ اَمَّا عَادٌ فَاُہۡلِکُوۡا بِرِیۡحٍ صَرۡصَرٍ عَاتِیَۃٍ ۙ﴿۶﴾

069.006 Waamma AAadun faohlikoo bireehin sarsarin AAatiyatin

Maar de 'Aad, zij werden door een gierende en razende wind vernietigd


سَخَّرَہَا عَلَیۡہِمۡ سَبۡعَ لَیَالٍ وَّ ثَمٰنِیَۃَ اَیَّامٍ ۙ حُسُوۡمًا ۙ فَتَرَی الۡقَوۡمَ فِیۡہَا صَرۡعٰی ۙ کَاَنَّہُمۡ اَعۡجَازُ نَخۡلٍ خَاوِیَۃٍ ۚ﴿۷﴾

069.007 Sakhkharaha AAalayhim sabAAa layalin wathamaniyata ayyamin husooman fatara alqawma feeha sarAAa kaannahum aAAjazu nakhlin khawiyatun

die Hij hen zeven nachten en acht dagen ononderbroken liet ondergaan. En je zou de mensen er hebben kunnen zien liggen alsof zij ontwortelde, holle palmstronken waren.


فَہَلۡ تَرٰی لَہُمۡ مِّنۡۢ بَاقِیَۃٍ ﴿۸﴾

069.008 Fahal tara lahum min baqiyatin

Zie jij nog overblijfselen van hen?


وَ جَآءَ فِرۡعَوۡنُ وَ مَنۡ قَبۡلَہٗ وَ الۡمُؤۡتَفِکٰتُ بِالۡخَاطِئَۃِ ۚ﴿۹﴾

069.009 Wajaa firAAawnu waman qablahu waalmu/tafikatu bialkhati-ati

Ook Fir'aun en wie er voor zijn tijd waren en de ondersteboven gekeerde steden begingen misstappen.


فَعَصَوۡا رَسُوۡلَ رَبِّہِمۡ فَاَخَذَہُمۡ اَخۡذَۃً رَّابِیَۃً ﴿۱۰﴾

069.010 FaAAasaw rasoola rabbihim faakhathahum akhthatan rabiyatan

Zij waren ongehoorzaam aan de gezant van hun Heer, Toen greep Hij hen met een overweldigende greep.


اِنَّا لَمَّا طَغَا الۡمَآءُ حَمَلۡنٰکُمۡ فِی الۡجَارِیَۃِ ﴿ۙ۱۱﴾

069.011 Inna lamma tagha almao hamalnakum fee aljariyati

Maar toen het water overstroomde droegen Wij jullie op het vaartuig


لِنَجۡعَلَہَا لَکُمۡ تَذۡکِرَۃً وَّ تَعِیَہَاۤ اُذُنٌ وَّاعِیَۃٌ ﴿۱۲﴾

069.012 LinajAAalaha lakum tathkiratan wataAAiyaha othunun waAAiyatun

om het voor jullie tot een vermanende herinnering te maken en opdat een opmerkzaam oor het zou opmerken.


فَاِذَا نُفِخَ فِی الصُّوۡرِ نَفۡخَۃٌ وَّاحِدَۃٌ ﴿ۙ۱۳﴾

069.013 Fa-itha nufikha fee alssoori nafkhatun wahidatun

En wanneer er éénmaal op de bazuin geblazen wordt


وَّ حُمِلَتِ الۡاَرۡضُ وَ الۡجِبَالُ فَدُکَّتَا دَکَّۃً وَّاحِدَۃً ﴿ۙ۱۴﴾

069.014 Wahumilati al-ardu waaljibalu fadukkata dakkatan wahidatan

en de aarde en de bergen opgepakt worden en in één klap vergruisd worden.


فَیَوۡمَئِذٍ وَّقَعَتِ الۡوَاقِعَۃُ ﴿ۙ۱۵﴾

069.015 Fayawma-ithin waqaAAati alwaqiAAatu

Op die dag komt het aanstaande


وَ انۡشَقَّتِ السَّمَآءُ فَہِیَ یَوۡمَئِذٍ وَّاہِیَۃٌ ﴿ۙ۱۶﴾

069.016 Wainshaqqati alssamao fahiya yawma-ithin wahiyatun

en barst de hemel, want op die dag is hij breekbaar.


وَّ الۡمَلَکُ عَلٰۤی اَرۡجَآئِہَا ؕ وَ یَحۡمِلُ عَرۡشَ رَبِّکَ فَوۡقَہُمۡ یَوۡمَئِذٍ ثَمٰنِیَۃٌ ﴿ؕ۱۷﴾

069.017 Waalmalaku AAala arja-iha wayahmilu AAarsha rabbika fawqahum yawma-ithin thamaniyatun

En de engelen staan op zijn randen. En acht dragen op die dag de troon van jouw Heer boven zich.


یَوۡمَئِذٍ تُعۡرَضُوۡنَ لَا تَخۡفٰی مِنۡکُمۡ خَافِیَۃٌ ﴿۱۸﴾

069.018 Yawma-ithin tuAAradoona la takhfa minkum khafiyatun

Op die dag worden jullie voorgeleid en blijft niets van jullie verborgen.


فَاَمَّا مَنۡ اُوۡتِیَ کِتٰبَہٗ بِیَمِیۡنِہٖ ۙ فَیَقُوۡلُ ہَآؤُمُ اقۡرَءُوۡا کِتٰبِیَہۡ ﴿ۚ۱۹﴾

069.019 Faamma man ootiya kitabahu biyameenihi fayaqoolu haomu iqraoo kitabiyah

Wie dan zijn boek in zijn rechterhand krijgt die zal zeggen: "Neemt en leest mijn boek maar voor.


اِنِّیۡ ظَنَنۡتُ اَنِّیۡ مُلٰقٍ حِسَابِیَہۡ ﴿ۚ۲۰﴾

069.020 Innee thanantu annee mulaqin hisabiyah

Ik vermoedde immers dat ik mijn afrekening tegemoet kon zien."


فَہُوَ فِیۡ عِیۡشَۃٍ رَّاضِیَۃٍ ﴿ۙ۲۱﴾

069.021 Fahuwa fee AAeeshatin radiyatin

Hij zal dan een tevreden leven leiden,


فِیۡ جَنَّۃٍ عَالِیَۃٍ ﴿ۙ۲۲﴾

069.022 Fee jannatin AAaliyatin

in een hooggelegen tuin,


قُطُوۡفُہَا دَانِیَۃٌ ﴿۲۳﴾

069.023 Qutoofuha daniyatun

met de af te plukken vruchten dichtbij.


کُلُوۡا وَ اشۡرَبُوۡا ہَنِیۡٓـئًۢا بِمَاۤ اَسۡلَفۡتُمۡ فِی الۡاَیَّامِ الۡخَالِیَۃِ ﴿۲۴﴾

069.024 Kuloo waishraboo hanee-an bima aslaftum fee al-ayyami alkhaliyati

"Eet en drinkt met genoegen [als beloning] voor wat jullie vroeger, in de dagen die voorbij zijn, gedaan hebben."


وَ اَمَّا مَنۡ اُوۡتِیَ کِتٰبَہٗ بِشِمَالِہٖ ۬ۙ فَیَقُوۡلُ یٰلَیۡتَنِیۡ لَمۡ اُوۡتَ کِتٰبِیَہۡ ﴿ۚ۲۵﴾

069.025 Waamma man ootiya kitabahu bishimalihi fayaqoolu ya laytanee lam oota kitabiyah

Maar wie zijn boek in zijn linkerhand krijgt die zal zeggen: "Wee mij, had ik mijn boek maar niet gekregen.


وَ لَمۡ اَدۡرِ مَا حِسَابِیَہۡ ﴿ۚ۲۶﴾

069.026 Walam adri ma hisabiyah

En had ik maar niet van mijn afrekening afgeweten.


یٰلَیۡتَہَا کَانَتِ الۡقَاضِیَۃَ ﴿ۚ۲۷﴾

069.027 Ya laytaha kanati alqadiyatu

Wee mij, was het maar het einde.


مَاۤ اَغۡنٰی عَنِّیۡ مَالِیَہۡ ﴿ۚ۲۸﴾

069.028 Ma aghna AAannee maliyah

Mijn bezit heeft mij niet gebaat.


ہَلَکَ عَنِّیۡ سُلۡطٰنِیَہۡ ﴿ۚ۲۹﴾

069.029 Halaka AAannee sultaniyah

Mijn gezag ben ik kwijt."


خُذُوۡہُ فَغُلُّوۡہُ ﴿ۙ۳۰﴾

069.030 Khuthoohu faghulloohu

"Grijpt hem en bindt hem.


ثُمَّ الۡجَحِیۡمَ صَلُّوۡہُ ﴿ۙ۳۱﴾

069.031 Thumma aljaheema salloohu

En laat hem dan in het hellevuur braden.


ثُمَّ فِیۡ سِلۡسِلَۃٍ ذَرۡعُہَا سَبۡعُوۡنَ ذِرَاعًا فَاسۡلُکُوۡہُ ﴿ؕ۳۲﴾

069.032 Thumma fee silsilatin tharAAuha sabAAoona thiraAAan faoslukoohu

Legt hem dan aan een ketting van zeventig ellen lang."


اِنَّہٗ کَانَ لَا یُؤۡمِنُ بِاللّٰہِ الۡعَظِیۡمِ ﴿ۙ۳۳﴾

069.033 Innahu kana la yu/minu biAllahi alAAatheemi

Hij geloofde immers niet in de geweldige Allah.


وَ لَا یَحُضُّ عَلٰی طَعَامِ الۡمِسۡکِیۡنِ ﴿ؕ۳۴﴾

069.034 Wala yahuddu AAala taAAami almiskeeni

En hij drong er niet op aan de behoeftige voedsel te geven.


فَلَیۡسَ لَہُ الۡیَوۡمَ ہٰہُنَا حَمِیۡمٌ ﴿ۙ۳۵﴾

069.035 Falaysa lahu alyawma hahuna hameemun

Vandaag heeft hij hier dus geen echte vriend


وَّ لَا طَعَامٌ اِلَّا مِنۡ غِسۡلِیۡنٍ ﴿ۙ۳۶﴾

069.036 Wala taAAamun illa min ghisleenin

en ook geen voedsel, behalve pus


لَّا یَاۡکُلُہٗۤ اِلَّا الۡخَاطِـُٔوۡنَ ﴿٪۳۷﴾

069.037 La ya/kuluhu illa alkhati-oona

dat slechts door de zondaars gegeten wordt.


فَلَاۤ اُقۡسِمُ بِمَا تُبۡصِرُوۡنَ ﴿ۙ۳۸﴾

069.038 Fala oqsimu bima tubsiroona

Niet dan? Ik zweer bij wat jullie doorzien


وَ مَا لَا تُبۡصِرُوۡنَ ﴿ۙ۳۹﴾

069.039 Wama la tubsiroona

en wat jullie niet doorzien,


اِنَّہٗ لَقَوۡلُ رَسُوۡلٍ کَرِیۡمٍ ﴿ۚۙ۴۰﴾

069.040 Innahu laqawlu rasoolin kareemin

dat wat de gezant zegt voortreffelijk is.


وَّ مَا ہُوَ بِقَوۡلِ شَاعِرٍ ؕ قَلِیۡلًا مَّا تُؤۡمِنُوۡنَ ﴿ۙ۴۱﴾

069.041 Wama huwa biqawli shaAAirin qaleelan ma tu/minoona

Het zijn niet de woorden van een dichter. Hoe weinig geloven jullie!


وَ لَا بِقَوۡلِ کَاہِنٍ ؕ قَلِیۡلًا مَّا تَذَکَّرُوۡنَ ﴿ؕ۴۲﴾

069.042 Wala biqawli kahinin qaleelan ma tathakkaroona

Noch zijn het de woorden van een waarzegger. Hoe weinig laten jullie je vermanen!


تَنۡزِیۡلٌ مِّنۡ رَّبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۴۳﴾

069.043 Tanzeelun min rabbi alAAalameena

Het is een neerzending van de Heer van de wereldbewoners.


وَ لَوۡ تَقَوَّلَ عَلَیۡنَا بَعۡضَ الۡاَقَاوِیۡلِ ﴿ۙ۴۴﴾

069.044 Walaw taqawwala AAalayna baAAda al-aqaweeli

En als hij over Ons enige uitspraken zelf bedacht had


لَاَخَذۡنَا مِنۡہُ بِالۡیَمِیۡنِ ﴿ۙ۴۵﴾

069.045 Laakhathna minhu bialyameeni

hadden Wij hem bij de rechterarm gegrepen.


ثُمَّ لَقَطَعۡنَا مِنۡہُ الۡوَتِیۡنَ ﴿۫ۖ۴۶﴾

069.046 Thumma laqataAAna minhu alwateena

Dan hadden Wij hem de levensader doorgesneden.


فَمَا مِنۡکُمۡ مِّنۡ اَحَدٍ عَنۡہُ حٰجِزِیۡنَ ﴿۴۷﴾

069.047 Fama minkum min ahadin AAanhu hajizeena

Niet een van jullie had dat van hem kunnen afweren.


وَ اِنَّہٗ لَتَذۡکِرَۃٌ لِّلۡمُتَّقِیۡنَ ﴿۴۸﴾

069.048 Wa-innahu latathkiratun lilmuttaqeena

Het is een vermaning voor de godvrezenden.


وَ اِنَّا لَنَعۡلَمُ اَنَّ مِنۡکُمۡ مُّکَذِّبِیۡنَ ﴿۴۹﴾

069.049 Wa-inna lanaAAlamu anna minkum mukaththibeena

Wij weten dat er onder jullie loochenaars zijn.


وَ اِنَّہٗ لَحَسۡرَۃٌ عَلَی الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۵۰﴾

069.050 Wa-innahu lahasratun AAala alkafireena

Het is een [reden tot] wroeging voor de ongelovigen.


وَ اِنَّہٗ لَحَقُّ الۡیَقِیۡنِ ﴿۵۱﴾

069.051 Wa-innahu lahaqqu alyaqeeni

En het is de vaststaande waarheid.


فَسَبِّحۡ بِاسۡمِ رَبِّکَ الۡعَظِیۡمِ ﴿٪۵۲﴾

069.052 Fasabbih biismi rabbika alAAatheemi

Prijs dan de geweldige naam van jouw Heer.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

سَاَلَ سَآئِلٌۢ بِعَذَابٍ وَّاقِعٍ ۙ﴿۱﴾

070.001 Saala sa-ilun biAAathabin waqiAAin

Iemand vraagt naar een aanstaande bestraffing.


لِّلۡکٰفِرِیۡنَ لَیۡسَ لَہٗ دَافِعٌ ۙ﴿۲﴾

070.002 Lilkafireena laysa lahu dafiAAun

De ongelovigen hebben daartegen geen afweer.


مِّنَ اللّٰہِ ذِی الۡمَعَارِجِ ؕ﴿۳﴾

070.003 Mina Allahi thee almaAAariji

Zij komt van Allah die de trappen beheert


تَعۡرُجُ الۡمَلٰٓئِکَۃُ وَ الرُّوۡحُ اِلَیۡہِ فِیۡ یَوۡمٍ کَانَ مِقۡدَارُہٗ خَمۡسِیۡنَ اَلۡفَ سَنَۃٍ ۚ﴿۴﴾

070.004 TaAAruju almala-ikatu waalrroohu ilayhi fee yawmin kana miqdaruhu khamseena alfa sanatin

waarlangs de engelen en de geest tot Hem opstijgen, op een dag die vijftigduizend jaren lang is.


فَاصۡبِرۡ صَبۡرًا جَمِیۡلًا ﴿۵﴾

070.005 Faisbir sabran jameelan

Wees dus maar mooi geduldig en volhardend.


اِنَّہُمۡ یَرَوۡنَہٗ بَعِیۡدًا ۙ﴿۶﴾

070.006 Innahum yarawnahu baAAeedan

Zij zullen haar van verre zien.


وَّ نَرٰىہُ قَرِیۡبًا ؕ﴿۷﴾

070.007 Wanarahu qareeban

En Wij zullen haar van dichtbij zien


یَوۡمَ تَکُوۡنُ السَّمَآءُ کَالۡمُہۡلِ ۙ﴿۸﴾

070.008 Yawma takoonu alssamao kaalmuhli

op de dag dat de hemel als gesmolten metaal zal zijn


وَ تَکُوۡنُ الۡجِبَالُ کَالۡعِہۡنِ ۙ﴿۹﴾

070.009 Watakoonu aljibalu kaalAAihni

en de bergen als wol.


وَ لَا یَسۡـَٔلُ حَمِیۡمٌ حَمِیۡمًا ﴿ۚۖ۱۰﴾

070.010 Wala yas-alu hameemun hameeman

En geen boezemvriend zal naar een boezemvriend vragen.


یُّبَصَّرُوۡنَہُمۡ ؕ یَوَدُّ الۡمُجۡرِمُ لَوۡ یَفۡتَدِیۡ مِنۡ عَذَابِ یَوۡمِئِذٍۭ بِبَنِیۡہِ ﴿ۙ۱۱﴾

070.011 Yubassaroonahum yawaddu almujrimu law yaftadee min AAathabi yawmi-ithin bibaneehi

Zij zullen elkaar te zien krijgen. De boosdoener zou zich op die dag graag van de bestraffing willen loskopen, met zijn zonen,


وَ صَاحِبَتِہٖ وَ اَخِیۡہِ ﴿ۙ۱۲﴾

070.012 Wasahibatihi waakheehi

met zijn gezellin, met zijn broers,


وَ فَصِیۡلَتِہِ الَّتِیۡ تُــٔۡوِیۡہِ ﴿ۙ۱۳﴾

070.013 Wafaseelatihi allatee tu/weehi

met zijn familie die hem toevlucht verschaft


وَ مَنۡ فِی الۡاَرۡضِ جَمِیۡعًا ۙ ثُمَّ یُنۡجِیۡہِ ﴿ۙ۱۴﴾

070.014 Waman fee al-ardi jameeAAan thumma yunjeehi

en met allen die er op de aarde zijn. En dat zou hem dan redden?


کَلَّا ؕ اِنَّہَا لَظٰی ﴿ۙ۱۵﴾

070.015 Kalla innaha latha

Zeker niet! Het is een laaiend vuur,


نَزَّاعَۃً لِّلشَّوٰی ﴿ۚۖ۱۶﴾

070.016 NazzaAAatan lilshshawa

dat de hoofdhuid wegschroeit,


تَدۡعُوۡا مَنۡ اَدۡبَرَ وَ تَوَلّٰی ﴿ۙ۱۷﴾

070.017 TadAAoo man adbara watawalla

dat hem oproept die de rug toewendde en zich afkeerde,


وَ جَمَعَ فَاَوۡعٰی ﴿۱۸﴾

070.018 WajamaAAa faawAAa

die bijeenbracht en oppotte.


اِنَّ الۡاِنۡسَانَ خُلِقَ ہَلُوۡعًا ﴿ۙ۱۹﴾

070.019 Inna al-insana khuliqa halooAAan

De mens is vreesachtig geschapen.


اِذَا مَسَّہُ الشَّرُّ جَزُوۡعًا ﴿ۙ۲۰﴾

070.020 Itha massahu alshsharru jazooAAan

Wanneer hem het kwaad treft is hij terneergeslagen.


وَّ اِذَا مَسَّہُ الۡخَیۡرُ مَنُوۡعًا ﴿ۙ۲۱﴾

070.021 Wa-itha massahu alkhayru manooAAan

En wanneer hem het goede treft houdt hij het voor zich.


اِلَّا الۡمُصَلِّیۡنَ ﴿ۙ۲۲﴾

070.022 Illa almusalleena

Alleen niet zij die de salaat verrichten,


الَّذِیۡنَ ہُمۡ عَلٰی صَلَاتِہِمۡ دَآئِمُوۡنَ ﴿۪ۙ۲۳﴾

070.023 Allatheena hum AAala salatihim da-imoona

die zich voortdurend aan hun salaat houden


وَ الَّذِیۡنَ فِیۡۤ اَمۡوَالِہِمۡ حَقٌّ مَّعۡلُوۡمٌ ﴿۪ۙ۲۴﴾

070.024 Waallatheena fee amwalihim haqqun maAAloomun

en van wie er een rechtmatig aandeel in hun bezittingen is


لِّلسَّآئِلِ وَ الۡمَحۡرُوۡمِ ﴿۪ۙ۲۵﴾

070.025 Lilssa-ili waalmahroomi

voor de bedelaar en de onbemiddelde,


وَ الَّذِیۡنَ یُصَدِّقُوۡنَ بِیَوۡمِ الدِّیۡنِ ﴿۪ۙ۲۶﴾

070.026 Waallatheena yusaddiqoona biyawmi alddeeni

die geloven dat de oordeelsdag waar is,


وَ الَّذِیۡنَ ہُمۡ مِّنۡ عَذَابِ رَبِّہِمۡ مُّشۡفِقُوۡنَ ﴿ۚ۲۷﴾

070.027 Waallatheena hum min AAathabi rabbihim mushfiqoona

die voor de bestraffing door hun Heer terugdeinzen --


اِنَّ عَذَابَ رَبِّہِمۡ غَیۡرُ مَاۡمُوۡنٍ ﴿۲۸﴾

070.028 Inna AAathaba rabbihim ghayru ma/moonin

de bestraffing door hun Heer, daar is niemand veilig voor --


وَ الَّذِیۡنَ ہُمۡ لِفُرُوۡجِہِمۡ حٰفِظُوۡنَ ﴿ۙ۲۹﴾

070.029 Waallatheena hum lifuroojihim hafithoona

en die hun schaamstreek kuis bewaren --


اِلَّا عَلٰۤی اَزۡوَاجِہِمۡ اَوۡ مَا مَلَکَتۡ اَیۡمَانُہُمۡ فَاِنَّہُمۡ غَیۡرُ مَلُوۡمِیۡنَ ﴿ۚ۳۰﴾

070.030 Illa AAala azwajihim aw ma malakat aymanuhum fa-innahum ghayru maloomeena

behalve bij hun echtgenotes of slavinnen waarover zij beschikken, dan valt hun niets te verwijten.


فَمَنِ ابۡتَغٰی وَرَآءَ ذٰلِکَ فَاُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡعٰدُوۡنَ ﴿ۚ۳۱﴾

070.031 Famani ibtagha waraa thalika faola-ika humu alAAadoona

Maar zij die meer begeren, zij zijn het die overtreden --


وَ الَّذِیۡنَ ہُمۡ لِاَمٰنٰتِہِمۡ وَ عَہۡدِہِمۡ رٰعُوۡنَ ﴿۪ۙ۳۲﴾

070.032 Waallatheena hum li-amanatihim waAAahdihim raAAoona

die ook goed toezicht houden op hun onderpanden en hun verbintenis,


وَ الَّذِیۡنَ ہُمۡ بِشَہٰدٰتِہِمۡ قَآئِمُوۡنَ ﴿۪ۙ۳۳﴾

070.033 Waallatheena hum bishahadatihim qa-imoona

die hun getuigenis afleggen


وَ الَّذِیۡنَ ہُمۡ عَلٰی صَلَاتِہِمۡ یُحَافِظُوۡنَ ﴿ؕ۳۴﴾

070.034 Waallatheena hum AAala salatihim yuhafithoona

en die zich aan hun salaat houden.


اُولٰٓئِکَ فِیۡ جَنّٰتٍ مُّکۡرَمُوۡنَ ﴿ؕ٪۳۵﴾

070.035 Ola-ika fee jannatin mukramoona

Zij zijn het die in tuinen worden geëerd.


فَمَالِ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا قِبَلَکَ مُہۡطِعِیۡنَ ﴿ۙ۳۶﴾

070.036 Famali allatheena kafaroo qibalaka muhtiAAeena

Wat hebben zij die ongelovig zijn toch dat zij op jou toe rennen,


عَنِ الۡیَمِیۡنِ وَ عَنِ الشِّمَالِ عِزِیۡنَ ﴿۳۷﴾

070.037 AAani alyameeni waAAani alshshimali AAizeena

van rechts en van links, in groepen?


اَیَطۡمَعُ کُلُّ امۡرِیًٔ مِّنۡہُمۡ اَنۡ یُّدۡخَلَ جَنَّۃَ نَعِیۡمٍ ﴿ۙ۳۸﴾

070.038 AyatmaAAu kullu imri-in minhum an yudkhala jannata naAAeemin

Begeert dan iedere man van hen een tuin van gelukzaligheid binnen te gaan?


کَلَّا ؕ اِنَّا خَلَقۡنٰہُمۡ مِّمَّا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۳۹﴾

070.039 Kalla inna khalaqnahum mimma yaAAlamoona

Welnee, zij weten toch waarvan Wij hen geschapen hebben.


فَلَاۤ اُقۡسِمُ بِرَبِّ الۡمَشٰرِقِ وَ الۡمَغٰرِبِ اِنَّا لَقٰدِرُوۡنَ ﴿ۙ۴۰﴾

070.040 Fala oqsimu birabbi almashariqi waalmagharibi inna laqadiroona

Niet dan? Ik zweer bij de Heer van de oostkanten en de westkanten dat Wij in staat zijn


عَلٰۤی اَنۡ نُّبَدِّلَ خَیۡرًا مِّنۡہُمۡ ۙ وَ مَا نَحۡنُ بِمَسۡبُوۡقِیۡنَ ﴿۴۱﴾

070.041 AAala an nubaddila khayran minhum wama nahnu bimasbooqeena

om hen door iets beters te vervangen en niemand kan Ons voor zijn.


فَذَرۡہُمۡ یَخُوۡضُوۡا وَ یَلۡعَبُوۡا حَتّٰی یُلٰقُوۡا یَوۡمَہُمُ الَّذِیۡ یُوۡعَدُوۡنَ ﴿ۙ۴۲﴾

070.042 Fatharhum yakhoodoo wayalAAaboo hatta yulaqoo yawmahumu allathee yooAAadoona

Laat hen maar kletsen en schertsen totdat zij hun dag tegenkomen die hun wordt aangezegd,


یَوۡمَ یَخۡرُجُوۡنَ مِنَ الۡاَجۡدَاثِ سِرَاعًا کَاَنَّہُمۡ اِلٰی نُصُبٍ یُّوۡفِضُوۡنَ ﴿ۙ۴۳﴾

070.043 Yawma yakhrujoona mina al-ajdathi siraAAan kaannahum ila nusubin yoofidoona

de dag waarop zij snel uit de graven tevoorschijn komen alsof zij zich naar hun afgod haasten,


خَاشِعَۃً اَبۡصَارُہُمۡ تَرۡہَقُہُمۡ ذِلَّۃٌ ؕ ذٰلِکَ الۡیَوۡمُ الَّذِیۡ کَانُوۡا یُوۡعَدُوۡنَ ﴿٪۴۴﴾

070.044 KhashiAAatan absaruhum tarhaquhum thillatun thalika alyawmu allathee kanoo yooAAadoona

terwijl zij met hun deemoedige blikken met vernedering overdekt worden. Dat is de dag die hun was aangezegd.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

اِنَّاۤ اَرۡسَلۡنَا نُوۡحًا اِلٰی قَوۡمِہٖۤ اَنۡ اَنۡذِرۡ قَوۡمَکَ مِنۡ قَبۡلِ اَنۡ یَّاۡتِیَہُمۡ عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿۱﴾

071.001 Inna arsalna noohan ila qawmihi an anthir qawmaka min qabli an ya/tiyahum AAathabun aleemun

Wij hebben Noeh naar zijn volk gezonden: "Waarschuw jouw volk voordat een pijnlijke bestraffing tot hen komt."


قَالَ یٰقَوۡمِ اِنِّیۡ لَکُمۡ نَذِیۡرٌ مُّبِیۡنٌ ۙ﴿۲﴾

071.002 Qala ya qawmi innee lakum natheerun mubeenun

Hij zei: "Mijn volk! Ik ben voor jullie een duidelijke waarschuwer


اَنِ اعۡبُدُوا اللّٰہَ وَ اتَّقُوۡہُ وَ اَطِیۡعُوۡنِ ۙ﴿۳﴾

071.003 Ani oAAbudoo Allaha waittaqoohu waateeAAooni

dat jullie Allah moeten dienen, Hem moeten vrezen en mij moeten gehoorzamen.


یَغۡفِرۡ لَکُمۡ مِّنۡ ذُنُوۡبِکُمۡ وَ یُؤَخِّرۡکُمۡ اِلٰۤی اَجَلٍ مُّسَمًّی ؕ اِنَّ اَجَلَ اللّٰہِ اِذَا جَآءَ لَا یُؤَخَّرُ ۘ لَوۡ کُنۡتُمۡ تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۴﴾

071.004 Yaghfir lakum min thunoobikum wayu-akhkhirkum ila ajalin musamman inna ajala Allahi itha jaa la yu-akhkharu law kuntum taAAlamoona

Dan zal Hij voor zonden van jullie vergeving schenken en jullie uitstel verlenen tot een vastgestelde termijn. Maar Allah's termijn wordt niet uitgesteld wanneer hij komt, als jullie dat maar wisten."


قَالَ رَبِّ اِنِّیۡ دَعَوۡتُ قَوۡمِیۡ لَیۡلًا وَّ نَہَارًا ۙ﴿۵﴾

071.005 Qala rabbi innee daAAawtu qawmee laylan wanaharan

Hij zei: "Mijn Heer, ik heb mijn volk nacht en dag opgeroepen,


فَلَمۡ یَزِدۡہُمۡ دُعَآءِیۡۤ اِلَّا فِرَارًا ﴿۶﴾

071.006 Falam yazidhum duAAa-ee illa firaran

maar mijn oproep heeft hen alleen maar meer laten vluchten.


وَ اِنِّیۡ کُلَّمَا دَعَوۡتُہُمۡ لِتَغۡفِرَ لَہُمۡ جَعَلُوۡۤا اَصَابِعَہُمۡ فِیۡۤ اٰذَانِہِمۡ وَ اسۡتَغۡشَوۡا ثِیَابَہُمۡ وَ اَصَرُّوۡا وَ اسۡتَکۡبَرُوا اسۡتِکۡبَارًا ۚ﴿۷﴾

071.007 Wa-innee kullama daAAawtuhum litaghfira lahum jaAAaloo asabiAAahum fee athanihim waistaghshaw thiyabahum waasarroo waistakbaroo istikbaran

En telkens als ik hen opriep, opdat U hun zou vergeven, stopten zij hun vingers in hun oren, bedekten zich met hun kleren en bleven stijfkoppig en hoogmoedig.


ثُمَّ اِنِّیۡ دَعَوۡتُہُمۡ جِہَارًا ۙ﴿۸﴾

071.008 Thumma innee daAAawtuhum jiharan

Toen riep ik hen in het openbaar op.


ثُمَّ اِنِّیۡۤ اَعۡلَنۡتُ لَہُمۡ وَ اَسۡرَرۡتُ لَہُمۡ اِسۡرَارًا ۙ﴿۹﴾

071.009 Thumma innee aAAlantu lahum waasrartu lahum israran

Toen sprak ik openlijk en in het diepste geheim met hen.


فَقُلۡتُ اسۡتَغۡفِرُوۡا رَبَّکُمۡ ؕ اِنَّہٗ کَانَ غَفَّارًا ﴿ۙ۱۰﴾

071.010 Faqultu istaghfiroo rabbakum innahu kana ghaffaran

En ik zei: 'Vraagt jullie Heer om vergeving; Hij is vergevend.


یُّرۡسِلِ السَّمَآءَ عَلَیۡکُمۡ مِّدۡرَارًا ﴿ۙ۱۱﴾

071.011 Yursili alssamaa AAalaykum midraran

Hij zal dan de hemel in overvloed over jullie laten regenen,


وَّ یُمۡدِدۡکُمۡ بِاَمۡوَالٍ وَّ بَنِیۡنَ وَ یَجۡعَلۡ لَّکُمۡ جَنّٰتٍ وَّ یَجۡعَلۡ لَّکُمۡ اَنۡہٰرًا ﴿ؕ۱۲﴾

071.012 Wayumdidkum bi-amwalin wabaneena wayajAAal lakum jannatin wayajAAal lakum anharan

jullie met bezittingen en zonen versterken, tuinen voor jullie maken en rivieren voor jullie maken.


مَا لَکُمۡ لَا تَرۡجُوۡنَ لِلّٰہِ وَقَارًا ﴿ۚ۱۳﴾

071.013 Ma lakum la tarjoona lillahi waqaran

Wat is er met jullie dat jullie van Allah geen waardigheid verwachten?


وَ قَدۡ خَلَقَکُمۡ اَطۡوَارًا ﴿۱۴﴾

071.014 Waqad khalaqakum atwaran

Hij heeft jullie toch in fasen geschapen.


اَلَمۡ تَرَوۡا کَیۡفَ خَلَقَ اللّٰہُ سَبۡعَ سَمٰوٰتٍ طِبَاقًا ﴿ۙ۱۵﴾

071.015 Alam taraw kayfa khalaqa Allahu sabAAa samawatin tibaqan

Zien jullie dan niet hoe Allah zeven hemelen in lagen geschapen heeft?


وَّ جَعَلَ الۡقَمَرَ فِیۡہِنَّ نُوۡرًا وَّ جَعَلَ الشَّمۡسَ سِرَاجًا ﴿۱۶﴾

071.016 WajaAAala alqamara feehinna nooran wajaAAala alshshamsa sirajan

En dat Hij daarin de maan tot een licht heeft gemaakt en dat Hij de zon tot een heldere lamp heeft gemaakt?


وَ اللّٰہُ اَنۡۢبَتَکُمۡ مِّنَ الۡاَرۡضِ نَبَاتًا ﴿ۙ۱۷﴾

071.017 WaAllahu anbatakum mina al-ardi nabatan

Allah heeft jullie toch uit de aarde laten ontstaan.


ثُمَّ یُعِیۡدُکُمۡ فِیۡہَا وَ یُخۡرِجُکُمۡ اِخۡرَاجًا ﴿۱۸﴾

071.018 Thumma yuAAeedukum feeha wayukhrijukum ikhrajan

Daarna zal Hij jullie in haar terug laten keren en jullie dan opnieuw tevoorschijn brengen.


وَ اللّٰہُ جَعَلَ لَکُمُ الۡاَرۡضَ بِسَاطًا ﴿ۙ۱۹﴾

071.019 WaAllahu jaAAala lakumu al-arda bisatan

En Allah heeft de aarde voor jullie tot een uitgelegd tapijt gemaakt,


لِّتَسۡلُکُوۡا مِنۡہَا سُبُلًا فِجَاجًا ﴿٪۲۰﴾

071.020 Litaslukoo minha subulan fijajan

opdat jullie er wegen en passen begaan kunnen.?"


قَالَ نُوۡحٌ رَّبِّ اِنَّہُمۡ عَصَوۡنِیۡ وَ اتَّبَعُوۡا مَنۡ لَّمۡ یَزِدۡہُ مَالُہٗ وَ وَلَدُہٗۤ اِلَّا خَسَارًا ﴿ۚ۲۱﴾

071.021 Qala noohun rabbi innahum AAasawnee waittabaAAoo man lam yazidhu maluhu wawaladuhu illa khasaran

Noeh zei: "Mijn Heer, zij gehoorzamen mij niet, maar zij volgen iemand wiens bezit en kinderen hem alleen maar meer verlies laten lijden.


وَ مَکَرُوۡا مَکۡرًا کُبَّارًا ﴿ۚ۲۲﴾

071.022 Wamakaroo makran kubbaran

En zij hebben grote listen beraamd


وَ قَالُوۡا لَا تَذَرُنَّ اٰلِہَتَکُمۡ وَ لَا تَذَرُنَّ وَدًّا وَّ لَا سُوَاعًا ۬ۙ وَّ لَا یَغُوۡثَ وَ یَعُوۡقَ وَ نَسۡرًا ﴿ۚ۲۳﴾

071.023 Waqaloo la tatharunna alihatakum wala tatharunna waddan wala suwaAAan wala yaghootha wayaAAooqa wanasran

en zij zeiden: 'Verlaat jullie goden niet. Verlaat Wadd niet, noch Soewaa', noch Jaghoeth, Ja'oek en Nasr.:


وَ قَدۡ اَضَلُّوۡا کَثِیۡرًا ۬ۚ وَ لَا تَزِدِ الظّٰلِمِیۡنَ اِلَّا ضَلٰلًا ﴿۲۴﴾

071.024 Waqad adalloo katheeran wala tazidi alththalimeena illa dalalan

En zij hebben velen tot dwaling gebracht. Laat dan de onrechtplegers alleen maar meer dwalen."


مِمَّا خَطِیۡٓــٰٔتِہِمۡ اُغۡرِقُوۡا فَاُدۡخِلُوۡا نَارًا ۬ۙ فَلَمۡ یَجِدُوۡا لَہُمۡ مِّنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ اَنۡصَارًا ﴿۲۵﴾

071.025 Mimma khatee-atihim oghriqoo faodkhiloo naran falam yajidoo lahum min dooni Allahi ansaran

Vanwege hun zonden werden zij verdronken en toen een vuur binnengebracht en zij vonden buiten Allah om voor zich geen helpers.


وَ قَالَ نُوۡحٌ رَّبِّ لَا تَذَرۡ عَلَی الۡاَرۡضِ مِنَ الۡکٰفِرِیۡنَ دَیَّارًا ﴿۲۶﴾

071.026 Waqala noohun rabbi la tathar AAala al-ardi mina alkafireena dayyaran

En Noeh zei: "Mijn Heer, laat niet een van de ongelovigen op de aarde blijven wonen.


اِنَّکَ اِنۡ تَذَرۡہُمۡ یُضِلُّوۡا عِبَادَکَ وَ لَا یَلِدُوۡۤا اِلَّا فَاجِرًا کَفَّارًا ﴿۲۷﴾

071.027 Innaka in tatharhum yudilloo AAibadaka wala yalidoo illa fajiran kaffaran

Immers, als U hen laat zullen zij Uw dienaren tot dwaling brengen en alleen maar overtreders en ondankbaren voortbrengen.


رَبِّ اغۡفِرۡ لِیۡ وَ لِوَالِدَیَّ وَ لِمَنۡ دَخَلَ بَیۡتِیَ مُؤۡمِنًا وَّ لِلۡمُؤۡمِنِیۡنَ وَ الۡمُؤۡمِنٰتِ ؕ وَ لَا تَزِدِ الظّٰلِمِیۡنَ اِلَّا تَبَارًا ﴿٪۲۸﴾

071.028 Rabbi ighfir lee waliwalidayya waliman dakhala baytiya mu/minan walilmu/mineena waalmu/minati wala tazidi alththalimeena illa tabaran

Mijn Heer, vergeef mij en mijn ouders en wie mijn huis als gelovige binnenkomen, en de gelovige mannen en vrouwen. En laat de ongelovigen alleen maar meer vernietigd worden."


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

قُلۡ اُوۡحِیَ اِلَیَّ اَنَّہُ اسۡتَمَعَ نَفَرٌ مِّنَ الۡجِنِّ فَقَالُوۡۤا اِنَّا سَمِعۡنَا قُرۡاٰنًا عَجَبًا ۙ﴿۱﴾

072.001 Qul oohiya ilayya annahu istamaAAa nafarun mina aljinni faqaloo inna samiAAna qur-anan AAajaban

Zeg: "Aan mij is geopenbaard dat er een groep djinn geluisterd heeft en dat zij toen zeiden: 'Wij hebben een wonderbaarlijke Koran gehoord


یَّہۡدِیۡۤ اِلَی الرُّشۡدِ فَاٰمَنَّا بِہٖ ؕ وَ لَنۡ نُّشۡرِکَ بِرَبِّنَاۤ اَحَدًا ۙ﴿۲﴾

072.002 Yahdee ila alrrushdi faamanna bihi walan nushrika birabbina ahadan

die naar de rechtschapenheid voert. Wij geloven er dus in en voegen niemand aan onze Heer als metgezel toe.?


وَّ اَنَّہٗ تَعٰلٰی جَدُّ رَبِّنَا مَا اتَّخَذَ صَاحِبَۃً وَّ لَا وَلَدًا ۙ﴿۳﴾

072.003 Waannahu taAAala jaddu rabbina ma ittakhatha sahibatan wala waladan

En: 'Verheven is de majesteit van onze Heer. Hij heeft zich geen metgezellin noch een kind genomen.?


وَّ اَنَّہٗ کَانَ یَقُوۡلُ سَفِیۡہُنَا عَلَی اللّٰہِ شَطَطًا ۙ﴿۴﴾

072.004 Waannahu kana yaqoolu safeehuna AAala Allahi shatatan

En: 'De dwaas onder ons zegt over Allah afwijkende dingen.?


وَّ اَنَّا ظَنَنَّاۤ اَنۡ لَّنۡ تَقُوۡلَ الۡاِنۡسُ وَ الۡجِنُّ عَلَی اللّٰہِ کَذِبًا ۙ﴿۵﴾

072.005 Waanna thananna an lan taqoola al-insu waaljinnu AAala Allahi kathiban

En: 'Wij zijn van mening dat mensen noch djinn over Allah leugens zullen mogen zeggen.?


وَّ اَنَّہٗ کَانَ رِجَالٌ مِّنَ الۡاِنۡسِ یَعُوۡذُوۡنَ بِرِجَالٍ مِّنَ الۡجِنِّ فَزَادُوۡہُمۡ رَہَقًا ۙ﴿۶﴾

072.006 Waannahu kana rijalun mina al-insi yaAAoothoona birijalin mina aljinni fazadoohum rahaqan

En: 'Er waren mannen van de mensen die hun toevlucht zochten bij mannen van de djinn en zo maakten zij hen kwaadaardiger.?


وَّ اَنَّہُمۡ ظَنُّوۡا کَمَا ظَنَنۡتُمۡ اَنۡ لَّنۡ یَّبۡعَثَ اللّٰہُ اَحَدًا ۙ﴿۷﴾

072.007 Waannahum thannoo kama thanantum an lan yabAAatha Allahu ahadan

En: 'Zij dachten evenals jullie dat Allah niemand zou laten opstaan.?


وَّ اَنَّا لَمَسۡنَا السَّمَآءَ فَوَجَدۡنٰہَا مُلِئَتۡ حَرَسًا شَدِیۡدًا وَّ شُہُبًا ۙ﴿۸﴾

072.008 Waanna lamasna alssamaa fawajadnaha muli-at harasan shadeedan washuhuban

En: 'Wij hebben de hemel afgezocht en gemerkt dat hij vol is met strenge wachters en staartsterren.?


وَّ اَنَّا کُنَّا نَقۡعُدُ مِنۡہَا مَقَاعِدَ لِلسَّمۡعِ ؕ فَمَنۡ یَّسۡتَمِعِ الۡاٰنَ یَجِدۡ لَہٗ شِہَابًا رَّصَدًا ۙ﴿۹﴾

072.009 Waanna kunna naqAAudu minha maqaAAida lilssamAAi faman yastamiAAi al-ana yajid lahu shihaban rasadan

En: 'Wij zaten er op allerlei plaatsen te luisteren, maar wie nu wil luisteren die vindt een staartster voor hem op de loer liggen.?


وَّ اَنَّا لَا نَدۡرِیۡۤ اَشَرٌّ اُرِیۡدَ بِمَنۡ فِی الۡاَرۡضِ اَمۡ اَرَادَ بِہِمۡ رَبُّہُمۡ رَشَدًا ﴿ۙ۱۰﴾

072.010 Waanna la nadree asharrun oreeda biman fee al-ardi am arada bihim rabbuhum rashadan

En: 'Wij weten niet of er iets slechts wordt beoogd met hen die er op de aarde zijn of dat hun Heer goede levenswandel voor hen beoogt.?


وَّ اَنَّا مِنَّا الصّٰلِحُوۡنَ وَ مِنَّا دُوۡنَ ذٰلِکَ ؕ کُنَّا طَرَآئِقَ قِدَدًا ﴿ۙ۱۱﴾

072.011 Waanna minna alssalihoona waminna doona thalika kunna tara-iqa qidadan

En: 'Sommigen van ons zijn rechtschapen, maar anderen zijn dat niet; wij gaan gescheiden wegen.?


وَّ اَنَّا ظَنَنَّاۤ اَنۡ لَّنۡ نُّعۡجِزَ اللّٰہَ فِی الۡاَرۡضِ وَ لَنۡ نُّعۡجِزَہٗ ہَرَبًا ﴿ۙ۱۲﴾

072.012 Wanna thananna an lan nuAAjiza Allaha fee al-ardi walan nuAAjizahu haraban

En: 'Wij zijn van mening dat wij in de aarde Allah niet kunnen ontkomen en dat wij Hem ook niet door te vluchten kunnen ontkomen.?


وَّ اَنَّا لَمَّا سَمِعۡنَا الۡہُدٰۤی اٰمَنَّا بِہٖ ؕ فَمَنۡ یُّؤۡمِنۡۢ بِرَبِّہٖ فَلَا یَخَافُ بَخۡسًا وَّ لَا رَہَقًا ﴿ۙ۱۳﴾

072.013 Waanna lamma samiAAna alhuda amanna bihi faman yu/min birabbihi fala yakhafu bakhsan wala rahaqan

En: 'Toen wij de leidraad hoorden geloofden wij erin; en wie in zijn Heer gelooft is voor geweld noch kwaadaardigheid bang.?


وَّ اَنَّا مِنَّا الۡمُسۡلِمُوۡنَ وَ مِنَّا الۡقٰسِطُوۡنَ ؕ فَمَنۡ اَسۡلَمَ فَاُولٰٓئِکَ تَحَرَّوۡا رَشَدًا ﴿۱۴﴾

072.014 Waanna minna almuslimoona waminna alqasitoona faman aslama faola-ika taharraw rashadan

En: 'Sommigen van ons hebben zich [aan Allah] overgegeven, maar anderen zijn verdoold. Zij die zich [aan Allah] overgeven, zij zijn het die naar goede levenswandel streven,


وَ اَمَّا الۡقٰسِطُوۡنَ فَکَانُوۡا لِجَہَنَّمَ حَطَبًا ﴿ۙ۱۵﴾

072.015 Waama alqasitoona fakanoo lijahannama hataban

maar de verdoolden, zij zijn brandhout voor de hel.?


وَّ اَنۡ لَّوِ اسۡتَقَامُوۡا عَلَی الطَّرِیۡقَۃِ لَاَسۡقَیۡنٰہُمۡ مَّآءً غَدَقًا ﴿ۙ۱۶﴾

072.016 Waallawi istaqamoo AAala alttareeqati laasqaynahum maan ghadaqan

En: 'Als zij op de juiste weg gebleven waren, dan hadden wij hun overvloedig water te drinken gegeven


لِّنَفۡتِنَہُمۡ فِیۡہِ ؕ وَ مَنۡ یُّعۡرِضۡ عَنۡ ذِکۡرِ رَبِّہٖ یَسۡلُکۡہُ عَذَابًا صَعَدًا ﴿ۙ۱۷﴾

072.017 Linaftinahum feehi waman yuAArid AAan thikri rabbihi yasluk-hu AAathaban saAAadan

om hen daarmee op de proef te stellen. En wie zich van de vermaning van zijn Heer afwendt, die zal Hij een ondraaglijke bestraffing laten doormaken.?


وَّ اَنَّ الۡمَسٰجِدَ لِلّٰہِ فَلَا تَدۡعُوۡا مَعَ اللّٰہِ اَحَدًا ﴿ۙ۱۸﴾

072.018 Waanna almasajida lillahi fala tadAAoo maAAa Allahi ahadan

En: 'De moskeeën behoren Allah toe; roept dus niemand behalve Allah aan.?


وَّ اَنَّہٗ لَمَّا قَامَ عَبۡدُ اللّٰہِ یَدۡعُوۡہُ کَادُوۡا یَکُوۡنُوۡنَ عَلَیۡہِ لِبَدًا ﴿ؕ٪۱۹﴾

072.019 Waannahu lamma qama AAabdu Allahi yadAAoohu kadoo yakoonoona AAalayhi libadan

En: 'Toen Allah's dienaar opstond om Hem aan te roepen zaten zij bijna boven op hem.?"


قُلۡ اِنَّمَاۤ اَدۡعُوۡا رَبِّیۡ وَ لَاۤ اُشۡرِکُ بِہٖۤ اَحَدًا ﴿۲۰﴾

072.020 Qul innama adAAoo rabbee wala oshriku bihi ahadan

Zeg: "Ik roep alleen maar mijn Heer aan en ik voeg aan Hem niemand als metgezel toe."


قُلۡ اِنِّیۡ لَاۤ اَمۡلِکُ لَکُمۡ ضَرًّا وَّ لَا رَشَدًا ﴿۲۱﴾

072.021 Qul innee la amliku lakum darran wala rashadan

Zeg: "Ik heb geen macht om jullie schade te berokkenen of tot een goede levenswandel te brengen."


قُلۡ اِنِّیۡ لَنۡ یُّجِیۡرَنِیۡ مِنَ اللّٰہِ اَحَدٌ ۬ۙ وَّ لَنۡ اَجِدَ مِنۡ دُوۡنِہٖ مُلۡتَحَدًا ﴿ۙ۲۲﴾

072.022 Qul innee lan yujeeranee mina Allahi ahadun walan ajida min doonihi multahadan

Zeg: "Niemand zal mij tegen Allah beschermen en buiten Hem zal ik geen schuilplaats vinden.


اِلَّا بَلٰغًا مِّنَ اللّٰہِ وَ رِسٰلٰتِہٖ ؕ وَ مَنۡ یَّعۡصِ اللّٰہَ وَ رَسُوۡلَہٗ فَاِنَّ لَہٗ نَارَ جَہَنَّمَ خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَاۤ اَبَدًا ﴿ؕ۲۳﴾

072.023 Illa balaghan mina Allahi warisalatihi waman yaAAsi Allaha warasoolahu fa-inna lahu nara jahannama khalideena feeha abadan

Het is slechts een verkondiging van Allah en van Zijn boodschap. En wie aan Allah en Zijn gezant ongehoorzaam is, voor hem is er het vuur van de hel. Daarin zullen zij altijd en immer blijven.


حَتّٰۤی اِذَا رَاَوۡا مَا یُوۡعَدُوۡنَ فَسَیَعۡلَمُوۡنَ مَنۡ اَضۡعَفُ نَاصِرًا وَّ اَقَلُّ عَدَدًا ﴿۲۴﴾

072.024 Hatta itha raaw ma yooAAadoona fasayaAAlamoona man adAAafu nasiran waaqallu AAadadan

Als zij dan zien wat hun wordt aangezegd zullen zij weten wie de zwakste helper en het kleinste aantal heeft."


قُلۡ اِنۡ اَدۡرِیۡۤ اَقَرِیۡبٌ مَّا تُوۡعَدُوۡنَ اَمۡ یَجۡعَلُ لَہٗ رَبِّیۡۤ اَمَدًا ﴿۲۵﴾

072.025 Qul in adree aqareebun ma tooAAadoona am yajAAalu lahu rabbee amadan

Zeg: "Ik weet niet of wat aangezegd wordt dichtbij is of dat het naar later verschoven is door mijn Heer,


عٰلِمُ الۡغَیۡبِ فَلَا یُظۡہِرُ عَلٰی غَیۡبِہٖۤ اَحَدًا ﴿ۙ۲۶﴾

072.026 AAalimu alghaybi fala yuthhiru AAala ghaybihi ahadan

die het verborgene kent en die Zijn verborgenheid aan niemand toont,


اِلَّا مَنِ ارۡتَضٰی مِنۡ رَّسُوۡلٍ فَاِنَّہٗ یَسۡلُکُ مِنۡۢ بَیۡنِ یَدَیۡہِ وَ مِنۡ خَلۡفِہٖ رَصَدًا ﴿ۙ۲۷﴾

072.027 Illa mani irtada min rasoolin fa-innahu yasluku min bayni yadayhi wamin khalfihi rasadan

behalve aan een gezant aan wie Hij een welbehagen heeft. En Hij laat voor hem en achter hem bewakers op de loer liggen,


لِّیَعۡلَمَ اَنۡ قَدۡ اَبۡلَغُوۡا رِسٰلٰتِ رَبِّہِمۡ وَ اَحَاطَ بِمَا لَدَیۡہِمۡ وَ اَحۡصٰی کُلَّ شَیۡءٍ عَدَدًا ﴿٪۲۸﴾

072.028 LiyaAAlama an qad ablaghoo risalati rabbihim waahata bima ladayhim waahsa kulla shay-in AAadadan

om te weten of zij de boodschap van hun Heer verkondigen. Hij omvat wat bij hen is en Hij heeft alles opgesomd en nauwkeurig geteld."


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

یٰۤاَیُّہَا الۡمُزَّمِّلُ ۙ﴿۱﴾

073.001 Ya ayyuha almuzzammilu

O jij in kleren gehulde!


قُمِ الَّیۡلَ اِلَّا قَلِیۡلًا ۙ﴿۲﴾

073.002 Qumi allayla illa qaleelan

Blijf op een klein gedeelte na de hele nacht op


نِّصۡفَہٗۤ اَوِ انۡقُصۡ مِنۡہُ قَلِیۡلًا ۙ﴿۳﴾

073.003 Nisfahu awi onqus minhu qaleelan

? de helft of iets minder


اَوۡ زِدۡ عَلَیۡہِ وَ رَتِّلِ الۡقُرۡاٰنَ تَرۡتِیۡلًا ؕ﴿۴﴾

073.004 Aw zid AAalayhi warattili alqur-ana tarteelan

of iets meer -- en draag de Koran achtereenvolgens voor.


اِنَّا سَنُلۡقِیۡ عَلَیۡکَ قَوۡلًا ثَقِیۡلًا ﴿۵﴾

073.005 Inna sanulqee AAalayka qawlan thaqeelan

Wij zullen jou zwaarwegende woorden opleggen.


اِنَّ نَاشِئَۃَ الَّیۡلِ ہِیَ اَشَدُّ وَطۡاً وَّ اَقۡوَمُ قِیۡلًا ؕ﴿۶﴾

073.006 Inna nashi-ata allayli hiya ashaddu wat-an waaqwamu qeelan

De nachtwaak maakt meer indruk en laat juistere dingen zeggen.


اِنَّ لَکَ فِی النَّہَارِ سَبۡحًا طَوِیۡلًا ؕ﴿۷﴾

073.007 Inna laka fee alnnahari sabhan taweelan

Immers, overdag heb jij langdurige bezigheden.


وَ اذۡکُرِ اسۡمَ رَبِّکَ وَ تَبَتَّلۡ اِلَیۡہِ تَبۡتِیۡلًا ؕ﴿۸﴾

073.008 Waothkuri isma rabbika watabattal ilayhi tabteelan

Gedenk dus de naam van jouw Heer en zonder je geheel voor Hem af,


رَبُّ الۡمَشۡرِقِ وَ الۡمَغۡرِبِ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ فَاتَّخِذۡہُ وَکِیۡلًا ﴿۹﴾

073.009 Rabbu almashriqi waalmaghribi la ilaha illa huwa faittakhithhu wakeelan

de Heer van het oosten en het westen. Er is geen god dan Hij; neem Hem dus als voogd.


وَ اصۡبِرۡ عَلٰی مَا یَقُوۡلُوۡنَ وَ اہۡجُرۡہُمۡ ہَجۡرًا جَمِیۡلًا ﴿۱۰﴾

073.010 Waisbir AAala ma yaqooloona waohjurhum hajran jameelan

En verdraag wat zij zeggen geduldig en ga minzaam bij hen weg.


وَ ذَرۡنِیۡ وَ الۡمُکَذِّبِیۡنَ اُولِی النَّعۡمَۃِ وَ مَہِّلۡہُمۡ قَلِیۡلًا ﴿۱۱﴾

073.011 Watharnee waalmukaththibeena olee alnnaAAmati wamahhilhum qaleelan

En laat Mij maar met de loochenaars die een aangenaam leven leiden en geef hun nog enig uitstel.


اِنَّ لَدَیۡنَاۤ اَنۡکَالًا وَّ جَحِیۡمًا ﴿ۙ۱۲﴾

073.012 Inna ladayna ankalan wajaheeman

Wij hebben boeien en een hellevuur bij Ons


وَّ طَعَامًا ذَا غُصَّۃٍ وَّ عَذَابًا اَلِیۡمًا ﴿٭۱۳﴾

073.013 WataAAaman tha ghussatin waAAathaban aleeman

en voedsel om in te stikken en een pijnlijke bestraffing


یَوۡمَ تَرۡجُفُ الۡاَرۡضُ وَ الۡجِبَالُ وَ کَانَتِ الۡجِبَالُ کَثِیۡبًا مَّہِیۡلًا ﴿۱۴﴾

073.014 Yawma tarjufu al-ardu waaljibalu wakanati aljibalu katheeban maheelan

op de dag dat de aarde en de bergen beven en de bergen stuifduinen worden.


اِنَّاۤ اَرۡسَلۡنَاۤ اِلَیۡکُمۡ رَسُوۡلًا ۬ۙ شَاہِدًا عَلَیۡکُمۡ کَمَاۤ اَرۡسَلۡنَاۤ اِلٰی فِرۡعَوۡنَ رَسُوۡلًا ﴿ؕ۱۵﴾

073.015 Inna arsalna ilaykum rasoolan shahidan AAalaykum kama arsalna ila firAAawna rasoolan

Wij hebben een gezant tot jullie gezonden om over jullie getuige te zijn, zoals Wij een gezant tot Fir'aun gezonden hebben.


فَعَصٰی فِرۡعَوۡنُ الرَّسُوۡلَ فَاَخَذۡنٰہُ اَخۡذًا وَّبِیۡلًا ﴿۱۶﴾

073.016 FaAAasa firAAawnu alrrasoola faakhathnahu akhthan wabeelan

Maar Fir'aun was ongehoorzaam aan de gezant en dus grepen Wij hem op een afschuwelijke manier.


فَکَیۡفَ تَتَّقُوۡنَ اِنۡ کَفَرۡتُمۡ یَوۡمًا یَّجۡعَلُ الۡوِلۡدَانَ شِیۡبَۨا ﴿٭ۖ۱۷﴾

073.017 Fakayfa tattaqoona in kafartum yawman yajAAalu alwildana sheeban

Hoe zouden jullie je dan, als jullie ongelovig blijven, willen beschermen tegen een dag waarop de kinderen tot grijsaards worden,


السَّمَآءُ مُنۡفَطِرٌۢ بِہٖ ؕ کَانَ وَعۡدُہٗ مَفۡعُوۡلًا ﴿۱۸﴾

073.018 Alssamao munfatirun bihi kana waAAduhu mafAAoolan

waarop de hemel splijt? Zijn aanzegging wordt uitgevoerd.


اِنَّ ہٰذِہٖ تَذۡکِرَۃٌ ۚ فَمَنۡ شَآءَ اتَّخَذَ اِلٰی رَبِّہٖ سَبِیۡلًا ﴿٪۱۹﴾

073.019 Inna hathihi tathkiratun faman shaa ittakhatha ila rabbihi sabeelan

Dit is een vermaning en wie wil, slaat de weg naar zijn Heer in.


اِنَّ رَبَّکَ یَعۡلَمُ اَنَّکَ تَقُوۡمُ اَدۡنٰی مِنۡ ثُلُثَیِ الَّیۡلِ وَ نِصۡفَہٗ وَ ثُلُثَہٗ وَ طَآئِفَۃٌ مِّنَ الَّذِیۡنَ مَعَکَ ؕ وَ اللّٰہُ یُقَدِّرُ الَّیۡلَ وَ النَّہَارَ ؕ عَلِمَ اَنۡ لَّنۡ تُحۡصُوۡہُ فَتَابَ عَلَیۡکُمۡ فَاقۡرَءُوۡا مَا تَیَسَّرَ مِنَ الۡقُرۡاٰنِ ؕ عَلِمَ اَنۡ سَیَکُوۡنُ مِنۡکُمۡ مَّرۡضٰی ۙ وَ اٰخَرُوۡنَ یَضۡرِبُوۡنَ فِی الۡاَرۡضِ یَبۡتَغُوۡنَ مِنۡ فَضۡلِ اللّٰہِ ۙ وَ اٰخَرُوۡنَ یُقَاتِلُوۡنَ فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ ۫ۖ فَاقۡرَءُوۡا مَا تَیَسَّرَ مِنۡہُ ۙ وَ اَقِیۡمُوا الصَّلٰوۃَ وَ اٰتُوا الزَّکٰوۃَ وَ اَقۡرِضُوا اللّٰہَ قَرۡضًا حَسَنًا ؕ وَ مَا تُقَدِّمُوۡا لِاَنۡفُسِکُمۡ مِّنۡ خَیۡرٍ تَجِدُوۡہُ عِنۡدَ اللّٰہِ ہُوَ خَیۡرًا وَّ اَعۡظَمَ اَجۡرًا ؕ وَ اسۡتَغۡفِرُوا اللّٰہَ ؕ اِنَّ اللّٰہَ غَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿٪۲۰﴾

073.020 Inna rabbaka yaAAlamu annaka taqoomu adna min thuluthayi allayli wanisfahu wathuluthahu wata-ifatun mina allatheena maAAaka waAllahu yuqaddiru allayla waalnnahara AAalima an lan tuhsoohu fataba AAalaykum faiqraoo ma tayassara mina alqur-ani AAalima an sayakoonu minkum marda waakharoona yadriboona fee al-ardi yabtaghoona min fadli Allahi waakharoona yuqatiloona fee sabeeli Allahi faiqraoo ma tayassara minhu waaqeemoo alssalata waatoo alzzakata waaqridoo Allaha qardan hasanan wama tuqaddimoo li-anfusikum min khayrin tajidoohu AAinda Allahi huwa khayran waaAAthama ajran waistaghfiroo Allaha inna Allaha ghafoorun raheemun

Jouw Heer weet dat jij bijna tweederde van de nacht opblijft, of de helft, of een derde, samen met een groep van hen die bij jou horen. Allah bepaalt de maat van de nacht en de dag. Hij weet dat jullie het niet kunnen en heeft zich genadig tot jullie gewend. Leest dus uit de Koran een gemakkelijk gedeelte voor. Hij weet dat er onder jullie zieken zullen zijn en anderen die op de aarde rondtrekken om naar Allah's gunst te streven en anderen die op Allah's weg strijden. Leest er dus een gemakkelijk gedeelte uit voor, verricht de salaat, geeft de zakaat en geeft aan Allah een goede lening. En wat jullie eerder aan goeds gedaan hebben voor jullie zelf, dat zullen jullie bij Allah als nog beter en geweldiger beloond vinden. En vraagt Allah om vergeving; Allah is vergevend en barmhartig.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

یٰۤاَیُّہَا الۡمُدَّثِّرُ ۙ﴿۱﴾

074.001 Ya ayyuha almuddaththiru

O jij ommantelde!


قُمۡ فَاَنۡذِرۡ ۪ۙ﴿۲﴾

074.002 Qum faanthir

Sta op en waarschuw.


وَ رَبَّکَ فَکَبِّرۡ ۪﴿ۙ۳﴾

074.003 Warabbaka fakabbir

Jouw Heer, verheerlijk Hem.


وَ ثِیَابَکَ فَطَہِّرۡ ۪﴿ۙ۴﴾

074.004 Wathiyabaka fatahhir

Jouw kleren, reinig ze.


وَ الرُّجۡزَ فَاہۡجُرۡ ۪﴿ۙ۵﴾

074.005 Waalrrujza faohjur

De gruwel, vermijd die.


وَ لَا تَمۡنُنۡ تَسۡتَکۡثِرُ ۪﴿ۙ۶﴾

074.006 Wala tamnun tastakthiru

Doe niet wel om meer te krijgen.


وَ لِرَبِّکَ فَاصۡبِرۡ ؕ﴿۷﴾

074.007 Walirabbika faisbir

En op jouw Heer, wacht geduldig.


فَاِذَا نُقِرَ فِی النَّاقُوۡرِ ۙ﴿۸﴾

074.008 Fa-itha nuqira fee alnnaqoori

Wanneer dan op de hoorn geblazen wordt,


فَذٰلِکَ یَوۡمَئِذٍ یَّوۡمٌ عَسِیۡرٌ ۙ﴿۹﴾

074.009 Fathalika yawma-ithin yawmun AAaseerun

dat is dan op die dag een moeilijke dag,


عَلَی الۡکٰفِرِیۡنَ غَیۡرُ یَسِیۡرٍ ﴿۱۰﴾

074.010 AAala alkafireena ghayru yaseerin

voor de ongelovigen niet gemakkelijk.


ذَرۡنِیۡ وَ مَنۡ خَلَقۡتُ وَحِیۡدًا ﴿ۙ۱۱﴾

074.011 Tharnee waman khalaqtu waheedan

En laat Mij maar met hen die Ik alleen geschapen heb


وَّ جَعَلۡتُ لَہٗ مَالًا مَّمۡدُوۡدًا ﴿ۙ۱۲﴾

074.012 WajaAAaltu lahu malan mamdoodan

en aan wie Ik uitgestrekt bezit gegeven heb


وَّ بَنِیۡنَ شُہُوۡدًا ﴿ۙ۱۳﴾

074.013 Wabaneena shuhoodan

en aanwezige zonen.


وَّ مَہَّدۡتُّ لَہٗ تَمۡہِیۡدًا ﴿ۙ۱۴﴾

074.014 Wamahhadtu lahu tamheedan

En Ik had voor hem een goede plaats bereid,


ثُمَّ یَطۡمَعُ اَنۡ اَزِیۡدَ ﴿٭ۙ۱۵﴾

074.015 Thumma yatmaAAu an azeeda

maar dan verlangt hij van Mij nog meer!


کَلَّا ؕ اِنَّہٗ کَانَ لِاٰیٰتِنَا عَنِیۡدًا ﴿ؕ۱۶﴾

074.016 Kalla innahu kana li-ayatina AAaneedan

Welnee, want hij was tegen Onze tekenen weerspannig.


سَاُرۡہِقُہٗ صَعُوۡدًا ﴿ؕ۱۷﴾

074.017 Saorhiquhu saAAoodan

Ik zal hem ondraaglijke kwelling opleggen.


اِنَّہٗ فَکَّرَ وَ قَدَّرَ ﴿ۙ۱۸﴾

074.018 Innahu fakkara waqaddara

Hij dacht en wikte.


فَقُتِلَ کَیۡفَ قَدَّرَ ﴿ۙ۱۹﴾

074.019 Faqutila kayfa qaddara

Doodvallen kan hij, hoe hij wikte.


ثُمَّ قُتِلَ کَیۡفَ قَدَّرَ ﴿ۙ۲۰﴾

074.020 Thumma qutila kayfa qaddara

En nog eens doodvallen kan hij, hoe hij wikte.


ثُمَّ نَظَرَ ﴿ۙ۲۱﴾

074.021 Thumma nathara

Toen keek hij.


ثُمَّ عَبَسَ وَ بَسَرَ ﴿ۙ۲۲﴾

074.022 Thumma AAabasa wabasara

Toen fronste hij en grijnsde.


ثُمَّ اَدۡبَرَ وَ اسۡتَکۡبَرَ ﴿ۙ۲۳﴾

074.023 Thumma adbara waistakbara

Toen keerde hij de rug toe en was hoogmoedig.


فَقَالَ اِنۡ ہٰذَاۤ اِلَّا سِحۡرٌ یُّؤۡثَرُ ﴿ۙ۲۴﴾

074.024 Faqala in hatha illa sihrun yu/tharu

En hij zei: "Dit is slechts toverij die wordt doorverteld;


اِنۡ ہٰذَاۤ اِلَّا قَوۡلُ الۡبَشَرِ ﴿ؕ۲۵﴾

074.025 In hatha illa qawlu albashari

dit zijn slechts de woorden van een mens."


سَاُصۡلِیۡہِ سَقَرَ ﴿۲۶﴾

074.026 Saosleehi saqara

Ik zal hem in de hellehitte laten braden.


وَ مَاۤ اَدۡرٰىکَ مَا سَقَرُ ﴿ؕ۲۷﴾

074.027 Wama adraka ma saqaru

En hoe zul jij te weten komen wat de hellehitte is?


لَا تُبۡقِیۡ وَ لَا تَذَرُ ﴿ۚ۲۸﴾

074.028 La tubqee wala tatharu

Zij laat niets over en zij laat niets achter.


لَوَّاحَۃٌ لِّلۡبَشَرِ ﴿ۚۖ۲۹﴾

074.029 Lawwahatun lilbashari

Zij verzengt de huid.


عَلَیۡہَا تِسۡعَۃَ عَشَرَ ﴿ؕ۳۰﴾

074.030 AAalayha tisAAata AAashara

Negentien hebben er opzicht over haar.


وَ مَا جَعَلۡنَاۤ اَصۡحٰبَ النَّارِ اِلَّا مَلٰٓئِکَۃً ۪ وَّ مَا جَعَلۡنَا عِدَّتَہُمۡ اِلَّا فِتۡنَۃً لِّلَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا ۙ لِیَسۡتَیۡقِنَ الَّذِیۡنَ اُوۡتُوا الۡکِتٰبَ وَ یَزۡدَادَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اِیۡمَانًا وَّ لَا یَرۡتَابَ الَّذِیۡنَ اُوۡتُوا الۡکِتٰبَ وَ الۡمُؤۡمِنُوۡنَ ۙ وَ لِیَقُوۡلَ الَّذِیۡنَ فِیۡ قُلُوۡبِہِمۡ مَّرَضٌ وَّ الۡکٰفِرُوۡنَ مَاذَاۤ اَرَادَ اللّٰہُ بِہٰذَا مَثَلًا ؕ کَذٰلِکَ یُضِلُّ اللّٰہُ مَنۡ یَّشَآءُ وَ یَہۡدِیۡ مَنۡ یَّشَآءُ ؕ وَ مَا یَعۡلَمُ جُنُوۡدَ رَبِّکَ اِلَّا ہُوَ ؕ وَ مَا ہِیَ اِلَّا ذِکۡرٰی لِلۡبَشَرِ ﴿٪۳۱﴾

074.031 Wama jaAAalna as-haba alnnari illa mala-ikatan wama jaAAalna AAiddatahum illa fitnatan lillatheena kafaroo liyastayqina allatheena ootoo alkitaba wayazdada allatheena amanoo eemanan wala yartaba allatheena ootoo alkitaba waalmu/minoona waliyaqoola allatheena fee quloobihim maradun waalkafiroona matha arada Allahu bihatha mathalan kathalika yudillu Allahu man yashao wayahdee man yashao wama yaAAlamu junooda rabbika illa huwa wama hiya illa thikra lilbashari

Wij hebben slechts engelen als vuurwachters aangesteld en Wij hebben hun aantal voor hen die ongelovig zijn alleen maar tot een verzoeking gemaakt. Ook opdat zij aan wie het boek gegeven is overtuigd worden, opdat zij die geloven hun geloof nog vermeerderen, opdat zij aan wie het boek gegeven is en zij die geloven niet twijfelen en opdat zij die in hun harten een ziekte hebben en de ongelovigen zullen zeggen: "Wat bedoelt Allah bijvoorbeeld hiermee?" Zo brengt Allah wie Hij wil tot dwaling en brengt Hij wie Hij wil op het goede pad. En slechts Hij kent de troepenmachten van jouw Heer. Het is slechts een vermaning voor de mensen.


کَلَّا وَ الۡقَمَرِ ﴿ۙ۳۲﴾

074.032 Kalla waalqamari

Nee toch! Bij de maan!


وَ الَّیۡلِ اِذۡ اَدۡبَرَ ﴿ۙ۳۳﴾

074.033 Waallayli ith adbara

Bij de nacht wanneer hij de rug toekeert!


وَ الصُّبۡحِ اِذَاۤ اَسۡفَرَ ﴿ۙ۳۴﴾

074.034 Waalssubhi itha asfara

Bij de morgen wanneer hij gloort!


اِنَّہَا لَاِحۡدَی الۡکُبَرِ ﴿ۙ۳۵﴾

074.035 Innaha la-ihda alkubari

Het is een van de grootste [rampen]!


نَذِیۡرًا لِّلۡبَشَرِ ﴿ۙ۳۶﴾

074.036 Natheeran lilbashari

Als een waarschuwing voor de mensen,


لِمَنۡ شَآءَ مِنۡکُمۡ اَنۡ یَّتَقَدَّمَ اَوۡ یَتَاَخَّرَ ﴿ؕ۳۷﴾

074.037 Liman shaa minkum an yataqaddama aw yataakhkhara

voor wie er uit jullie midden vooruit willen komen of achterblijven.


کُلُّ نَفۡسٍۭ بِمَا کَسَبَتۡ رَہِیۡنَۃٌ ﴿ۙ۳۸﴾

074.038 Kullu nafsin bima kasabat raheenatun

Iedere persoon is aansprakelijk voor wat hij begaan heeft,


اِلَّاۤ اَصۡحٰبَ الۡیَمِیۡنِ ﴿ؕۛ۳۹﴾

074.039 Illa as-haba alyameeni

behalve zij die rechts staan.


فِیۡ جَنّٰتٍ ۟ؕۛ یَتَسَآءَلُوۡنَ ﴿ۙ۴۰﴾

074.040 Fee jannatin yatasaaloona

In tuinen doen zij bij elkaar navraag


عَنِ الۡمُجۡرِمِیۡنَ ﴿ۙ۴۱﴾

074.041 AAani almujrimeena

naar de boosdoeners.


مَا سَلَکَکُمۡ فِیۡ سَقَرَ ﴿۴۲﴾

074.042 Ma salakakum fee saqara

"Wat heeft jullie de hellehitte binnengevoerd?"


قَالُوۡا لَمۡ نَکُ مِنَ الۡمُصَلِّیۡنَ ﴿ۙ۴۳﴾

074.043 Qaloo lam naku mina almusalleena

Zij zullen zeggen: "Wij hebben niet bij hen behoord die de salaat baden,


وَ لَمۡ نَکُ نُطۡعِمُ الۡمِسۡکِیۡنَ ﴿ۙ۴۴﴾

074.044 Walam naku nutAAimu almiskeena

wij hebben geen voedsel aan de behoeftige gegeven,


وَ کُنَّا نَخُوۡضُ مَعَ الۡخَآئِضِیۡنَ ﴿ۙ۴۵﴾

074.045 Wakunna nakhoodu maAAa alkha-ideena

wij hebben meegekletst met hen die kletsen


وَ کُنَّا نُکَذِّبُ بِیَوۡمِ الدِّیۡنِ ﴿ۙ۴۶﴾

074.046 Wakunna nukaththibu biyawmi alddeeni

en wij hebben de oordeelsdag geloochend


حَتّٰۤی اَتٰىنَا الۡیَقِیۡنُ ﴿ؕ۴۷﴾

074.047 Hatta atana alyaqeenu

totdat de zekerheid [van de dood] tot ons kwam."


فَمَا تَنۡفَعُہُمۡ شَفَاعَۃُ الشّٰفِعِیۡنَ ﴿ؕ۴۸﴾

074.048 Fama tanfaAAuhum shafaAAatu alshshafiAAeena

Maar de voorspraak van de bemiddelaars zal voor hen geen nut hebben.


فَمَا لَہُمۡ عَنِ التَّذۡکِرَۃِ مُعۡرِضِیۡنَ ﴿ۙ۴۹﴾

074.049 Fama lahum AAani alttathkirati muAArideena

Wat is er dan met hen dat zij zich van de vermaning afwenden?


کَاَنَّہُمۡ حُمُرٌ مُّسۡتَنۡفِرَۃٌ ﴿ۙ۵۰﴾

074.050 Kaannahum humurun mustanfiratun

Alsof zij opgeschrikte ezels zijn


فَرَّتۡ مِنۡ قَسۡوَرَۃٍ ﴿ؕ۵۱﴾

074.051 Farrat min qaswaratin

die voor een leeuw vluchten.


بَلۡ یُرِیۡدُ کُلُّ امۡرِیًٔ مِّنۡہُمۡ اَنۡ یُّؤۡتٰی صُحُفًا مُّنَشَّرَۃً ﴿ۙ۵۲﴾

074.052 Bal yureedu kullu imri-in minhum an yu/ta suhufan munashsharatan

Maar toch wil een ieder van hen dat hem opengeslagen bladen gegeven worden.


کَلَّا ؕ بَلۡ لَّا یَخَافُوۡنَ الۡاٰخِرَۃَ ﴿ؕ۵۳﴾

074.053 Kalla bal la yakhafoona al-akhirata

Ja zeker! Maar zij zijn niet bang voor het hiernamaals.


کَلَّاۤ اِنَّہٗ تَذۡکِرَۃٌ ﴿ۚ۵۴﴾

074.054 Kalla innahu tathkiratun

Ja zeker! Het is een vermaning.


فَمَنۡ شَآءَ ذَکَرَہٗ ﴿ؕ۵۵﴾

074.055 Faman shaa thakarahu

En wie wil denkt daaraan.


وَ مَا یَذۡکُرُوۡنَ اِلَّاۤ اَنۡ یَّشَآءَ اللّٰہُ ؕ ہُوَ اَہۡلُ التَّقۡوٰی وَ اَہۡلُ الۡمَغۡفِرَۃِ ﴿٪۵۶﴾

074.056 Wama yathkuroona illa an yashaa Allahu huwa ahlu alttaqwa waahlu almaghfirati

Maar zij denken er slechts aan als Allah het wil. Hem komt het toe gevreesd te worden en Hem komt het toe te vergeven.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

لَاۤ اُقۡسِمُ بِیَوۡمِ الۡقِیٰمَۃِ ۙ﴿۱﴾

075.001 La oqsimu biyawmi alqiyamati

Niet dan? Ik zweer bij de opstandingsdag!


وَ لَاۤ اُقۡسِمُ بِالنَّفۡسِ اللَّوَّامَۃِ ؕ﴿۲﴾

075.002 Wala oqsimu bialnnafsi allawwamati

Niet dan? Ik zweer bij de ziel die zichzelf verwijten maakt!


اَیَحۡسَبُ الۡاِنۡسَانُ اَلَّنۡ نَّجۡمَعَ عِظَامَہٗ ؕ﴿۳﴾

075.003 Ayahsabu al-insanu allan najmaAAa AAithamahu

Rekent de mens erop dat Wij zijn beenderen niet bijeen zullen brengen?


بَلٰی قٰدِرِیۡنَ عَلٰۤی اَنۡ نُّسَوِّیَ بَنَانَہٗ ﴿۴﴾

075.004 Bala qadireena AAala an nusawwiya bananahu

Zeker, Wij zijn in staat om zijn vingertoppen te vormen.


بَلۡ یُرِیۡدُ الۡاِنۡسَانُ لِیَفۡجُرَ اَمَامَہٗ ۚ﴿۵﴾

075.005 Bal yureedu al-insanu liyafjura amamahu

Maar de mens wenst er maar op los te leven.


یَسۡـَٔلُ اَیَّانَ یَوۡمُ الۡقِیٰمَۃِ ؕ﴿۶﴾

075.006 Yas-alu ayyana yawmu alqiyamati

Hij vraagt wanneer de opstandingsdag zal zijn.


فَاِذَا بَرِقَ الۡبَصَرُ ۙ﴿۷﴾

075.007 Fa-itha bariqa albasaru

Wanneer dan de ogen verblind worden


وَ خَسَفَ الۡقَمَرُ ۙ﴿۸﴾

075.008 Wakhasafa alqamaru

en de maan wordt verduisterd


وَ جُمِعَ الشَّمۡسُ وَ الۡقَمَرُ ۙ﴿۹﴾

075.009 WajumiAAa alshshamsu waalqamaru

en de zon en de maan worden samengevoegd,


یَقُوۡلُ الۡاِنۡسَانُ یَوۡمَئِذٍ اَیۡنَ الۡمَفَرُّ ﴿ۚ۱۰﴾

075.010 Yaqoolu al-insanu yawma-ithin ayna almafarru

op die dag zal de mens zeggen: "Waar is een toevluchtsoord?"


کَلَّا لَا وَزَرَ ﴿ؕ۱۱﴾

075.011 Kalla la wazara

Welnee, er is geen schuilplaats.


اِلٰی رَبِّکَ یَوۡمَئِذِۣ الۡمُسۡتَقَرُّ ﴿ؕ۱۲﴾

075.012 Ila rabbika yawma-ithin almustaqarru

Bij jouw Heer is op die dag de verblijfplaats.


یُنَبَّؤُا الۡاِنۡسَانُ یَوۡمَئِذٍۭ بِمَا قَدَّمَ وَ اَخَّرَ ﴿ؕ۱۳﴾

075.013 Yunabbao al-insanu yawma-ithin bima qaddama waakhkhara

Aan de mensen zal op die dag worden meegedeeld wat zij vroeger en later gedaan hebben.


بَلِ الۡاِنۡسَانُ عَلٰی نَفۡسِہٖ بَصِیۡرَۃٌ ﴿ۙ۱۴﴾

075.014 Bali al-insanu AAala nafsihi baseeratun

Ja zeker, de mens zal een duidelijk bewijs tegen zichzelf zijn,


وَّ لَوۡ اَلۡقٰی مَعَاذِیۡرَہٗ ﴿ؕ۱۵﴾

075.015 Walaw alqa maAAatheerahu

ook al draagt hij zijn verontschuldigingen aan.


لَا تُحَرِّکۡ بِہٖ لِسَانَکَ لِتَعۡجَلَ بِہٖ ﴿ؕ۱۶﴾

075.016 La tuharrik bihi lisanaka litaAAjala bihi

Beweeg niet je tong ermee om je ermee te haasten.


اِنَّ عَلَیۡنَا جَمۡعَہٗ وَ قُرۡاٰنَہٗ ﴿ۚۖ۱۷﴾

075.017 Inna AAalayna jamAAahu waqur-anahu

Het is Onze taak hem te verzamelen en voor te lezen.


فَاِذَا قَرَاۡنٰہُ فَاتَّبِعۡ قُرۡاٰنَہٗ ﴿ۚ۱۸﴾

075.018 Fa-itha qara/nahu faittabiAA qur-anahu

En als Wij hem voorlezen volg dan de voorlezing ervan.


ثُمَّ اِنَّ عَلَیۡنَا بَیَانَہٗ ﴿ؕ۱۹﴾

075.019 Thumma inna AAalayna bayanahu

En dan is het Onze taak hem uiteen te zetten.


کَلَّا بَلۡ تُحِبُّوۡنَ الۡعَاجِلَۃَ ﴿ۙ۲۰﴾

075.020 Kalla bal tuhibboona alAAajilata

Maar nee, jullie beminnen het snel voorbijgaande


وَ تَذَرُوۡنَ الۡاٰخِرَۃَ ﴿ؕ۲۱﴾

075.021 Watatharoona al-akhirata

en veronachtzamen het hiernamaals.


وُجُوۡہٌ یَّوۡمَئِذٍ نَّاضِرَۃٌ ﴿ۙ۲۲﴾

075.022 Wujoohun yawma-ithin nadiratun

Stralende gezichten zijn er op die dag


اِلٰی رَبِّہَا نَاظِرَۃٌ ﴿ۚ۲۳﴾

075.023 Ila rabbiha nathiratun

die naar hun Heer kijken.


وَ وُجُوۡہٌ یَّوۡمَئِذٍۭ بَاسِرَۃٌ ﴿ۙ۲۴﴾

075.024 Wawujoohun yawma-ithin basiratun

En grijnzende gezichten zijn er op die dag


تَظُنُّ اَنۡ یُّفۡعَلَ بِہَا فَاقِرَۃٌ ﴿ؕ۲۵﴾

075.025 Tathunnu an yufAAala biha faqiratun

die wel vermoeden dat hun iets ontzettends wordt aangedaan.


کَلَّاۤ اِذَا بَلَغَتِ التَّرَاقِیَ ﴿ۙ۲۶﴾

075.026 Kalla itha balaghati alttaraqiya

Ja zeker, wanneer [door de levensadem] het sleutelbeen bereikt wordt


وَ قِیۡلَ مَنۡ ٜ رَاقٍ ﴿ۙ۲۷﴾

075.027 Waqeela man raqin

en er gezegd wordt: "Wie kan bezweren?"


وَّ ظَنَّ اَنَّہُ الۡفِرَاقُ ﴿ۙ۲۸﴾

075.028 Wathanna annahu alfiraqu

en [de betrokkene] vermoedt dat het het afscheid is


وَ الۡتَفَّتِ السَّاقُ بِالسَّاقِ ﴿ۙ۲۹﴾

075.029 Wailtaffati alssaqu bialssaqi

en de benen over elkaar gelegd zijn,


اِلٰی رَبِّکَ یَوۡمَئِذِۣ الۡمَسَاقُ ﴿ؕ٪۳۰﴾

075.030 Ila rabbika yawma-ithin almasaqu

op die dag wordt men naar jouw Heer gedreven.


فَلَا صَدَّقَ وَ لَا صَلّٰی ﴿ۙ۳۱﴾

075.031 Fala saddaqa wala salla

Hij dacht immers dat het niet waar was en bad de salaat niet!


وَ لٰکِنۡ کَذَّبَ وَ تَوَلّٰی ﴿ۙ۳۲﴾

075.032 Walakin kaththaba watawalla

Maar hij loochende het en keerde zich af.


ثُمَّ ذَہَبَ اِلٰۤی اَہۡلِہٖ یَتَمَطّٰی ﴿ؕ۳۳﴾

075.033 Thumma thahaba ila ahlihi yatamatta

Toen ging hij snoevend naar zijn familie.


اَوۡلٰی لَکَ فَاَوۡلٰی ﴿ۙ۳۴﴾

075.034 Awla laka faawla

Wacht maar jij, wacht maar,


ثُمَّ اَوۡلٰی لَکَ فَاَوۡلٰی ﴿ؕ۳۵﴾

075.035 Thumma awla laka faawla

En nog eens: Wacht maar jij, wacht maar.


اَیَحۡسَبُ الۡاِنۡسَانُ اَنۡ یُّتۡرَکَ سُدًی ﴿ؕ۳۶﴾

075.036 Ayahsabu al-insanu an yutraka sudan

Rekent de mens erop dat hij ongemoeid gelaten wordt?


اَلَمۡ یَکُ نُطۡفَۃً مِّنۡ مَّنِیٍّ یُّمۡنٰی ﴿ۙ۳۷﴾

075.037 Alam yaku nutfatan min manayyin yumna

Was hij niet een druppel zaad dat werd uitgestort?


ثُمَّ کَانَ عَلَقَۃً فَخَلَقَ فَسَوّٰی ﴿ۙ۳۸﴾

075.038 Thumma kana AAalaqatan fakhalaqa fasawwa

Daarna was hij een bloedklonter. Toen schiep Hij, vormde


فَجَعَلَ مِنۡہُ الزَّوۡجَیۡنِ الذَّکَرَ وَ الۡاُنۡثٰی ﴿ؕ۳۹﴾

075.039 FajaAAala minhu alzzawjayni alththakara waal-ontha

en maakte er de twee geslachten uit: het mannelijke en het vrouwelijke.


اَلَیۡسَ ذٰلِکَ بِقٰدِرٍ عَلٰۤی اَنۡ یُّحۡیَِۧ الۡمَوۡتٰی ﴿٪۴۰﴾

075.040 Alaysa thalika biqadirin AAala an yuhyiya almawta

Is dat niet Hij die in staat is de doden levend te maken?


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

ہَلۡ اَتٰی عَلَی الۡاِنۡسَانِ حِیۡنٌ مِّنَ الدَّہۡرِ لَمۡ یَکُنۡ شَیۡئًا مَّذۡکُوۡرًا ﴿۱﴾

076.001 Hal ata AAala al-insani heenun mina alddahri lam yakun shay-an mathkooran

Is er niet een tijdsperiode geweest dat de mens niets noemenswaards was?


اِنَّا خَلَقۡنَا الۡاِنۡسَانَ مِنۡ نُّطۡفَۃٍ اَمۡشَاجٍ ٭ۖ نَّبۡتَلِیۡہِ فَجَعَلۡنٰہُ سَمِیۡعًۢا بَصِیۡرًا ﴿۲﴾

076.002 Inna khalaqna al-insana min nutfatin amshajin nabtaleehi fajaAAalnahu sameeAAan baseeran

Wij hebben de mens uit een druppel geschapen, uit een mengsel om hem te toetsen. En Wij hebben hem horend en ziend gemaakt.


اِنَّا ہَدَیۡنٰہُ السَّبِیۡلَ اِمَّا شَاکِرًا وَّ اِمَّا کَفُوۡرًا ﴿۳﴾

076.003 Inna hadaynahu alssabeela imma shakiran wa-imma kafooran

Wij hebben hem de goede weg gewezen, of hij nu dankbaar of ondankbaar is.


اِنَّاۤ اَعۡتَدۡنَا لِلۡکٰفِرِیۡنَ سَلٰسِلَا۠ وَ اَغۡلٰلًا وَّ سَعِیۡرًا ﴿۴﴾

076.004 Inna aAAtadna lilkafireena salasila waaghlalan wasaAAeeran

Voor de ongelovigen hebben Wij kettingen, halsketenen en een vuurgloed klaargemaakt.


اِنَّ الۡاَبۡرَارَ یَشۡرَبُوۡنَ مِنۡ کَاۡسٍ کَانَ مِزَاجُہَا کَافُوۡرًا ۚ﴿۵﴾

076.005 Inna al-abrara yashraboona min ka/sin kana mizajuha kafooran

Maar de vromen zullen drinken uit een beker die met kamfer is bijgemengd


عَیۡنًا یَّشۡرَبُ بِہَا عِبَادُ اللّٰہِ یُفَجِّرُوۡنَہَا تَفۡجِیۡرًا ﴿۶﴾

076.006 AAaynan yashrabu biha AAibadu Allahi yufajjiroonaha tafjeeran

uit een bron waaruit Allah's dienaren drinken en die zij rijkelijk uit de aarde laten ontspringen.


یُوۡفُوۡنَ بِالنَّذۡرِ وَ یَخَافُوۡنَ یَوۡمًا کَانَ شَرُّہٗ مُسۡتَطِیۡرًا ﴿۷﴾

076.007 Yoofoona bialnnathri wayakhafoona yawman kana sharruhu mustateeran

Zij vervullen hun geloften en zijn bang voor een dag waarvan het kwaad om zich heen grijpt.


وَ یُطۡعِمُوۡنَ الطَّعَامَ عَلٰی حُبِّہٖ مِسۡکِیۡنًا وَّ یَتِیۡمًا وَّ اَسِیۡرًا ﴿۸﴾

076.008 WayutAAimona alttaAAama AAala hubbihi miskeenan wayateeman waaseeran

En zij geven, hoe lief zij het ook hebben, voedsel aan behoeftige, wees en gevangene.


اِنَّمَا نُطۡعِمُکُمۡ لِوَجۡہِ اللّٰہِ لَا نُرِیۡدُ مِنۡکُمۡ جَزَآءً وَّ لَا شُکُوۡرًا ﴿۹﴾

076.009 Innama nutAAimukum liwajhi Allahi la nureedu minkum jazaan wala shukooran

"Wij geven jullie voedsel ter wille van Allah; Wij wensen van jullie geen loon of dank.


اِنَّا نَخَافُ مِنۡ رَّبِّنَا یَوۡمًا عَبُوۡسًا قَمۡطَرِیۡرًا ﴿۱۰﴾

076.010 Inna nakhafu min rabbina yawman AAaboosan qamtareeran

Wij vrezen van Onze Heer een angstaanjagende en vreeswekkende dag."


فَوَقٰہُمُ اللّٰہُ شَرَّ ذٰلِکَ الۡیَوۡمِ وَ لَقّٰہُمۡ نَضۡرَۃً وَّ سُرُوۡرًا ﴿ۚ۱۱﴾

076.011 Fawaqahumu Allahu sharra thalika alyawmi walaqqahum nadratan wasurooran

Maar Allah beschermt hen voor het kwaad van die dag en maakt hen stralend en blij.


وَ جَزٰىہُمۡ بِمَا صَبَرُوۡا جَنَّۃً وَّ حَرِیۡرًا ﴿ۙ۱۲﴾

076.012 Wajazahum bima sabaroo jannatan wahareeran

En Hij beloont hen, omdat zij geduldig hebben volhard, met een tuin en met zijde.


مُّتَّکِـِٕیۡنَ فِیۡہَا عَلَی الۡاَرَآئِکِ ۚ لَا یَرَوۡنَ فِیۡہَا شَمۡسًا وَّ لَا زَمۡہَرِیۡرًا ﴿ۚ۱۳﴾

076.013 Muttaki-eena feeha AAala al-ara-iki la yarawna feeha shamsan wala zamhareeran

Daarin liggen zij achterovergeleund op ligbanken terwijl zij er geen zon en geen kou zien.


وَ دَانِیَۃً عَلَیۡہِمۡ ظِلٰلُہَا وَ ذُلِّلَتۡ قُطُوۡفُہَا تَذۡلِیۡلًا ﴿۱۴﴾

076.014 Wadaniyatan AAalayhim thilaluha wathullilat qutoofuha tathleelan

De schaduwen zullen er dichtbij zijn en de vruchten hangen er voor het grijpen.


وَ یُطَافُ عَلَیۡہِمۡ بِاٰنِیَۃٍ مِّنۡ فِضَّۃٍ وَّ اَکۡوَابٍ کَانَتۡ قَؔوَارِیۡرَا۠ ﴿ۙ۱۵﴾

076.015 Wayutafu AAalayhim bi-aniyatin min fiddatin waakwabin kanat qawareera

Een kelk van zilver wordt bij hen rondgegeven en bekers die van kristal zijn,


قَؔ‍وَارِیۡرَا۠ مِنۡ فِضَّۃٍ قَدَّرُوۡہَا تَقۡدِیۡرًا ﴿۱۶﴾

076.016 Qawareera min fiddatin qaddarooha taqdeeran

van zilverwit kristal, die zij precies vol hebben geschonken.


وَ یُسۡقَوۡنَ فِیۡہَا کَاۡسًا کَانَ مِزَاجُہَا زَنۡجَبِیۡلًا ﴿ۚ۱۷﴾

076.017 Wayusqawna feeha ka/san kana mizajuha zanjabeelan

En daar krijgen zij uit een beker te drinken waarin gember is bijgemengd,


عَیۡنًا فِیۡہَا تُسَمّٰی سَلۡسَبِیۡلًا ﴿۱۸﴾

076.018 AAaynan feeha tusamma salsabeelan

uit een bron daar, die Salsabiel heet. *


وَ یَطُوۡفُ عَلَیۡہِمۡ وِلۡدَانٌ مُّخَلَّدُوۡنَ ۚ اِذَا رَاَیۡتَہُمۡ حَسِبۡتَہُمۡ لُؤۡلُؤًا مَّنۡثُوۡرًا ﴿۱۹﴾

076.019 Wayatoofu AAalayhim wildanun mukhalladoona itha raaytahum hasibtahum lu/lu-an manthooran

En bij hen gaan altijd jong blijvende jongelingen rond. Wanneer jij hen ziet denk je dat zij rondgestrooide parels zijn.


وَ اِذَا رَاَیۡتَ ثَمَّ رَاَیۡتَ نَعِیۡمًا وَّ مُلۡکًا کَبِیۡرًا ﴿۲۰﴾

076.020 Wa-itha raayta thamma raayta naAAeeman wamulkan kabeeran

En wanneer jij het ziet dan zie jij gelukzaligheid en een grote heerschappij.


عٰلِیَہُمۡ ثِیَابُ سُنۡدُسٍ خُضۡرٌ وَّ اِسۡتَبۡرَقٌ ۫ وَّ حُلُّوۡۤا اَسَاوِرَ مِنۡ فِضَّۃٍ ۚ وَ سَقٰہُمۡ رَبُّہُمۡ شَرَابًا طَہُوۡرًا ﴿۲۱﴾

076.021 AAaliyahum thiyabu sundusin khudrun wa-istabraqun wahulloo asawira min fiddatin wasaqahum rabbuhum sharaban tahooran

Zij hebben kleren van groene zijde en brokaat aangetrokken en dragen armbanden van zilver en hun Heer geeft hun zuivere drank te drinken.


اِنَّ ہٰذَا کَانَ لَکُمۡ جَزَآءً وَّ کَانَ سَعۡیُکُمۡ مَّشۡکُوۡرًا ﴿٪۲۲﴾

076.022 Inna hatha kana lakum jazaan wakana saAAyukum mashkooran

"Dit is als beloning voor jullie en jullie worden bedankt voor wat jullie hebben nagestreefd."


اِنَّا نَحۡنُ نَزَّلۡنَا عَلَیۡکَ الۡقُرۡاٰنَ تَنۡزِیۡلًا ﴿ۚ۲۳﴾

076.023 Inna nahnu nazzalna AAalayka alqur-ana tanzeelan

Wij hebben de Koran werkelijk tot jou neergezonden.


فَاصۡبِرۡ لِحُکۡمِ رَبِّکَ وَ لَا تُطِعۡ مِنۡہُمۡ اٰثِمًا اَوۡ کَفُوۡرًا ﴿ۚ۲۴﴾

076.024 Faisbir lihukmi rabbika wala tutiAA minhum athiman aw kafooran

Wacht dus geduldig het oordeel van jouw Heer af en gehoorzaam van hen geen zondaar of een ongelovige.


وَ اذۡکُرِ اسۡمَ رَبِّکَ بُکۡرَۃً وَّ اَصِیۡلًا ﴿ۖۚ۲۵﴾

076.025 Waothkuri isma rabbika bukratan waaseelan

En gedenk de naam van jouw Heer 's ochtends en 's avonds.


وَ مِنَ الَّیۡلِ فَاسۡجُدۡ لَہٗ وَ سَبِّحۡہُ لَیۡلًا طَوِیۡلًا ﴿۲۶﴾

076.026 Wamina allayli faosjud lahu wasabbihhu laylan taweelan

En een deel van de nacht, buig je dan eerbiedig voor Hem neer en prijs Hem de nacht lang.


اِنَّ ہٰۤؤُلَآءِ یُحِبُّوۡنَ الۡعَاجِلَۃَ وَ یَذَرُوۡنَ وَرَآءَہُمۡ یَوۡمًا ثَقِیۡلًا ﴿۲۷﴾

076.027 Inna haola-i yuhibboona alAAajilata wayatharoona waraahum yawman thaqeelan

Dezen hier beminnen het snel voorbijgaande en veronachtzamen een zware dag.


نَحۡنُ خَلَقۡنٰہُمۡ وَ شَدَدۡنَاۤ اَسۡرَہُمۡ ۚ وَ اِذَا شِئۡنَا بَدَّلۡنَاۤ اَمۡثَالَہُمۡ تَبۡدِیۡلًا ﴿۲۸﴾

076.028 Nahnu khalaqnahum washadadna asrahum wa-itha shi/na baddalna amthalahum tabdeelan

Wij hebben hen geschapen en hun kracht gegeven en wanneer Wij willen vervangen Wij hen door gelijksoortigen.


اِنَّ ہٰذِہٖ تَذۡکِرَۃٌ ۚ فَمَنۡ شَآءَ اتَّخَذَ اِلٰی رَبِّہٖ سَبِیۡلًا ﴿۲۹﴾

076.029 Inna hathihi tathkiratun faman shaa ittakhatha ila rabbihi sabeelan

Dit is een vermaning en wie wil slaat de weg naar zijn Heer in.


وَ مَا تَشَآءُوۡنَ اِلَّاۤ اَنۡ یَّشَآءَ اللّٰہُ ؕ اِنَّ اللّٰہَ کَانَ عَلِیۡمًا حَکِیۡمًا ﴿٭ۖ۳۰﴾

076.030 Wama tashaoona illa an yashaa Allahu inna Allaha kana AAaleeman hakeeman

Maar jullie willen het slechts als Allah het wil. Allah is wetend en wijs.


یُّدۡخِلُ مَنۡ یَّشَآءُ فِیۡ رَحۡمَتِہٖ ؕ وَ الظّٰلِمِیۡنَ اَعَدَّ لَہُمۡ عَذَابًا اَلِیۡمًا ﴿٪۳۱﴾

076.031 Yudkhilu man yashao fee rahmatihi waalththalimeena aAAadda lahum AAathaban aleeman

Hij laat wie Hij wil in Zijn barmhartigheid binnengaan. En de onrechtplegers, voor hen heeft Hij een pijnlijke bestraffing klaargemaakt.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

وَ الۡمُرۡسَلٰتِ عُرۡفًا ۙ﴿۱﴾

077.001 Waalmursalati AAurfan

Bij de achtereenvolgens losgelatenen!


فَالۡعٰصِفٰتِ عَصۡفًا ۙ﴿۲﴾

077.002 FaalAAasifati AAasfan

En de er op los stormenden!


وَّ النّٰشِرٰتِ نَشۡرًا ۙ﴿۳﴾

077.003 Waalnnashirati nashran

En de wijd verspreidenden!


فَالۡفٰرِقٰتِ فَرۡقًا ۙ﴿۴﴾

077.004 Faalfariqati farqan

En de duidelijk onderscheidenden!


فَالۡمُلۡقِیٰتِ ذِکۡرًا ۙ﴿۵﴾

077.005 Faalmulqiyati thikran

En de vermaning brengenden,


عُذۡرًا اَوۡ نُذۡرًا ۙ﴿۶﴾

077.006 AAuthran aw nuthran

ter verontschuldiging of ter waarschuwing!


اِنَّمَا تُوۡعَدُوۡنَ لَوَاقِعٌ ؕ﴿۷﴾

077.007 Innama tooAAadoona lawaqiAAun

Wat jullie is aangezegd gebeurt.


فَاِذَا النُّجُوۡمُ طُمِسَتۡ ۙ﴿۸﴾

077.008 Fa-itha alnnujoomu tumisat

Wanneer dan de sterren worden uitgewist.


وَ اِذَا السَّمَآءُ فُرِجَتۡ ۙ﴿۹﴾

077.009 Wa-itha alssamao furijat

En wanneer de hemel wordt gesplitst.


وَ اِذَا الۡجِبَالُ نُسِفَتۡ ﴿ۙ۱۰﴾

077.010 Wa-itha aljibalu nusifat

En wanneer de bergen worden verstrooid.


وَ اِذَا الرُّسُلُ اُقِّتَتۡ ﴿ؕ۱۱﴾

077.011 Wa-itha alrrusulu oqqitat

En wanneer voor de gezanten de tijd is bepaald,


لِاَیِّ یَوۡمٍ اُجِّلَتۡ ﴿ؕ۱۲﴾

077.012 Li-ayyi yawmin ojjilat

voor welke dag de termijn is vastgesteld,


لِیَوۡمِ الۡفَصۡلِ ﴿ۚ۱۳﴾

077.013 Liyawmi alfasli

voor de dag van de schifting.


وَ مَاۤ اَدۡرٰىکَ مَا یَوۡمُ الۡفَصۡلِ ﴿ؕ۱۴﴾

077.014 Wama adraka ma yawmu alfasli

En hoe zul jij te weten komen wat de dag van de schifting is?


وَیۡلٌ یَّوۡمَئِذٍ لِّلۡمُکَذِّبِیۡنَ ﴿۱۵﴾

077.015 Waylun yawma-ithin lilmukaththibeena

Wee op die dag de loochenaars!


اَلَمۡ نُہۡلِکِ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿ؕ۱۶﴾

077.016 Alam nuhliki al-awwaleena

Hebben Wij hen die er eertijds waren niet vernietigd?


ثُمَّ نُتۡبِعُہُمُ الۡاٰخِرِیۡنَ ﴿۱۷﴾

077.017 Thumma nutbiAAuhumu al-akhireena

Maar dan laten Wij de lateren hen volgen.


کَذٰلِکَ نَفۡعَلُ بِالۡمُجۡرِمِیۡنَ ﴿۱۸﴾

077.018 Kathalika nafAAalu bialmujrimeena

Zo doen Wij met de boosdoeners.


وَیۡلٌ یَّوۡمَئِذٍ لِّلۡمُکَذِّبِیۡنَ ﴿۱۹﴾

077.019 Waylun yawma-ithin lilmukaththibeena

Wee op die dag de loochenaars!


اَلَمۡ نَخۡلُقۡکُّمۡ مِّنۡ مَّآءٍ مَّہِیۡنٍ ﴿ۙ۲۰﴾

077.020 Alam nakhluqkum min ma-in maheenin

Hebben Wij uit verachtelijk water niet jullie geschapen,


فَجَعَلۡنٰہُ فِیۡ قَرَارٍ مَّکِیۡنٍ ﴿ۙ۲۱﴾

077.021 FajaAAalnahu fee qararin makeenin

die Wij toen in een solide verblijfplaats legden,


اِلٰی قَدَرٍ مَّعۡلُوۡمٍ ﴿ۙ۲۲﴾

077.022 Ila qadarin maAAloomin

tot een vastgestelde duur?


فَقَدَرۡنَا ٭ۖ فَنِعۡمَ الۡقٰدِرُوۡنَ ﴿۲۳﴾

077.023 Faqadarna faniAAma alqadiroona

Wij hebben die bepaald en een voortreffelijke bepaler zijn Wij.


وَیۡلٌ یَّوۡمَئِذٍ لِّلۡمُکَذِّبِیۡنَ ﴿۲۴﴾

077.024 Waylun yawma-ithin lilmukaththibeena

Wee op die dag de loochenaars!


اَلَمۡ نَجۡعَلِ الۡاَرۡضَ کِفَاتًا ﴿ۙ۲۵﴾

077.025 Alam najAAali al-arda kifatan

Hebben Wij de aarde niet gemaakt voor het opnemen


اَحۡیَآءً وَّ اَمۡوَاتًا ﴿ۙ۲۶﴾

077.026 Ahyaan waamwatan

van levenden en doden?


وَّ جَعَلۡنَا فِیۡہَا رَوَاسِیَ شٰمِخٰتٍ وَّ اَسۡقَیۡنٰکُمۡ مَّآءً فُرَاتًا ﴿ؕ۲۷﴾

077.027 WajaAAalna feeha rawasiya shamikhatin waasqaynakum maan furatan

En Wij hebben stevige hoog uitstekende bergen op haar gemaakt en jullie fris water te drinken gegeven.


وَیۡلٌ یَّوۡمَئِذٍ لِّلۡمُکَذِّبِیۡنَ ﴿۲۸﴾

077.028 Waylun yawma-ithin lilmukaththibeena

Wee op die dag de loochenaars!


اِنۡطَلِقُوۡۤا اِلٰی مَا کُنۡتُمۡ بِہٖ تُکَذِّبُوۡنَ ﴿ۚ۲۹﴾

077.029 Intaliqoo ila ma kuntum bihi tukaththiboona

"Gaat op weg naar wat jullie altijd loochenden.


اِنۡطَلِقُوۡۤا اِلٰی ظِلٍّ ذِیۡ ثَلٰثِ شُعَبٍ ﴿ۙ۳۰﴾

077.030 Intaliqoo ila thillin thee thalathi shuAAabin

Gaat op weg naar een schaduw van drie takken,


لَّا ظَلِیۡلٍ وَّ لَا یُغۡنِیۡ مِنَ اللَّہَبِ ﴿ؕ۳۱﴾

077.031 La thaleelin wala yughnee mina allahabi

die geen schaduw geeft en die niet tegen de vuurgloed helpt."


اِنَّہَا تَرۡمِیۡ بِشَرَرٍ کَالۡقَصۡرِ ﴿ۚ۳۲﴾

077.032 Innaha tarmee bishararin kaalqasri

Hij schiet vonken torenhoog,


کَاَنَّہٗ جِمٰلَتٌ صُفۡرٌ ﴿ؕ۳۳﴾

077.033 Kaannahu jimalatun sufrun

alsof het gele kamelen waren.


وَیۡلٌ یَّوۡمَئِذٍ لِّلۡمُکَذِّبِیۡنَ ﴿۳۴﴾

077.034 Waylun yawma-ithin lilmukaththibeena

Wee op die dag de loochenaars!


ہٰذَا یَوۡمُ لَا یَنۡطِقُوۡنَ ﴿ۙ۳۵﴾

077.035 Hatha yawmu la yantiqoona

Dit is de dag waarop zij niet spreken.


وَ لَا یُؤۡذَنُ لَہُمۡ فَیَعۡتَذِرُوۡنَ ﴿۳۶﴾

077.036 Wala yu/thanu lahum fayaAAtathiroona

En het wordt hun niet toegestaan zich te verontschuldigen.


وَیۡلٌ یَّوۡمَئِذٍ لِّلۡمُکَذِّبِیۡنَ ﴿۳۷﴾

077.037 Waylun yawma-ithin lilmukaththibeena

Wee op die dag de loochenaars!


ہٰذَا یَوۡمُ الۡفَصۡلِ ۚ جَمَعۡنٰکُمۡ وَ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿۳۸﴾

077.038 Hatha yawmu alfasli jamaAAnakum waal-awwaleena

"Dit is de dag van de schifting waarop wij jullie en hen die er eertijds waren bijeenbrengen.


فَاِنۡ کَانَ لَکُمۡ کَیۡدٌ فَکِیۡدُوۡنِ ﴿۳۹﴾

077.039 Fa-in kana lakum kaydun fakeedooni

En als jullie nog een list hebben, gebruikt die dan tegen Mij."


وَیۡلٌ یَّوۡمَئِذٍ لِّلۡمُکَذِّبِیۡنَ ﴿٪۴۰﴾

077.040 Waylun yawma-ithin lilmukaththibeena

Wee op die dag de loochenaars!


اِنَّ الۡمُتَّقِیۡنَ فِیۡ ظِلٰلٍ وَّ عُیُوۡنٍ ﴿ۙ۴۱﴾

077.041 Inna almuttaqeena fee thilalin waAAuyoonin

Maar de godvrezenden zijn in schaduwen en bij bronnen


وَّ فَوَاکِہَ مِمَّا یَشۡتَہُوۡنَ ﴿ؕ۴۲﴾

077.042 Wafawakiha mimma yashtahoona

en bij vruchten die zij maar verlangen.


کُلُوۡا وَ اشۡرَبُوۡا ہَنِیۡٓــًٔۢا بِمَا کُنۡتُمۡ تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۴۳﴾

077.043 Kuloo waishraboo hanee-an bima kuntum taAAmaloona

"Eet en drinkt met genoegen [als beloning] voor wat jullie gedaan hebben."


اِنَّا کَذٰلِکَ نَجۡزِی الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۴۴﴾

077.044 Inna kathalika najzee almuhsineena

Zo belonen Wij hen die goed doen.


وَیۡلٌ یَّوۡمَئِذٍ لِّلۡمُکَذِّبِیۡنَ ﴿۴۵﴾

077.045 Waylun yawma-ithin lilmukaththibeena

Wee op die dag de loochenaars!


کُلُوۡا وَ تَمَتَّعُوۡا قَلِیۡلًا اِنَّکُمۡ مُّجۡرِمُوۡنَ ﴿۴۶﴾

077.046 Kuloo watamattaAAoo qaleelan innakum mujrimoona

"Eet en geniet nog even, want jullie zijn boosdoeners."


وَیۡلٌ یَّوۡمَئِذٍ لِّلۡمُکَذِّبِیۡنَ ﴿۴۷﴾

077.047 Waylun yawma-ithin lilmukaththibeena

Wee op die dag de loochenaars!


وَ اِذَا قِیۡلَ لَہُمُ ارۡکَعُوۡا لَا یَرۡکَعُوۡنَ ﴿۴۸﴾

077.048 Wa-itha qeela lahumu irkaAAoo la yarkaAAoona

En wanneer tot hen gezegd wordt: "Buigt" dan kunnen zij niet buigen.


وَیۡلٌ یَّوۡمَئِذٍ لِّلۡمُکَذِّبِیۡنَ ﴿۴۹﴾

077.049 Waylun yawma-ithin lilmukaththibeena

Wee op die dag de loochenaars!


فَبِاَیِّ حَدِیۡثٍۭ بَعۡدَہٗ یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿٪۵۰﴾

077.050 Fabi-ayyi hadeethin baAAdahu yu/minoona

Aan welk bericht zullen zij dan hierna nog geloven?



www.kuran.nl