3 Tilka Rusul

تِلۡکَ الرُّسُلُ فَضَّلۡنَا بَعۡضَہُمۡ عَلٰی بَعۡضٍ ۘ مِنۡہُمۡ مَّنۡ کَلَّمَ اللّٰہُ وَ رَفَعَ بَعۡضَہُمۡ دَرَجٰتٍ ؕ وَ اٰتَیۡنَا عِیۡسَی ابۡنَ مَرۡیَمَ الۡبَیِّنٰتِ وَ اَیَّدۡنٰہُ بِرُوۡحِ الۡقُدُسِ ؕ وَ لَوۡ شَآءَ اللّٰہُ مَا اقۡتَتَلَ الَّذِیۡنَ مِنۡۢ بَعۡدِہِمۡ مِّنۡۢ بَعۡدِ مَا جَآءَتۡہُمُ الۡبَیِّنٰتُ وَ لٰکِنِ اخۡتَلَفُوۡا فَمِنۡہُمۡ مَّنۡ اٰمَنَ وَ مِنۡہُمۡ مَّنۡ کَفَرَ ؕ وَ لَوۡ شَآءَ اللّٰہُ مَا اقۡتَتَلُوۡا ۟ وَ لٰکِنَّ اللّٰہَ یَفۡعَلُ مَا یُرِیۡدُ ﴿۲۵۳﴾

002.253 Tilka alrrusulu faddalna baAAdahum AAala baAAdin minhum man kallama Allahu warafaAAa baAAdahum darajatin waatayna AAeesa ibna maryama albayyinati waayyadnahu biroohi alqudusi walaw shaa Allahu ma iqtatala allatheena min baAAdihim min baAAdi ma jaat-humu albayyinatu walakini ikhtalafoo faminhum man amana waminhum man kafara walaw shaa Allahu ma iqtataloo walakinna Allaha yafAAalu ma yureedu

2:253 Deze zijn de boodschappers. Wij gaven de voorkeur aan sommige van hen boven de andere. Met sommige van hen heeft Allah (direct) gesproken en andere heeft hij verheven in graden. Wij gaven Isa, de zoon van Maryam, de duidelijke bewijzen en we ondersteunde hem met de heilige geest (de engel Gabriel). Als Allah het had gewild, dan zouden degenen na hen (boodschappers), nadat de duidelijke bewijzen tot hen waren gekomen, niet met elkaar vechten. Maar zij twistten, sommigen van hen geloofden en sommigen van hen ontkende de waarheid. En als Allah wilde, zouden zij niet met elkaar vechten, maar Allah doet wat Hij wil.


یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اَنۡفِقُوۡا مِمَّا رَزَقۡنٰکُمۡ مِّنۡ قَبۡلِ اَنۡ یَّاۡتِیَ یَوۡمٌ لَّا بَیۡعٌ فِیۡہِ وَ لَا خُلَّۃٌ وَّ لَا شَفَاعَۃٌ ؕ وَ الۡکٰفِرُوۡنَ ہُمُ الظّٰلِمُوۡنَ ﴿۲۵۴﴾

002.254 Ya ayyuha allatheena amanoo anfiqoo mimma razaqnakum min qabli an ya/tiya yawmun la bayAAun feehi wala khullatun wala shafaAAatun waalkafiroona humu alththalimoona

2:254 O jullie die geloven! Besteed van hetgeen waarmee Wij jullie hebben voorzien, voordat er een dag komt met geen onderhandeling, geen vriendshap en geen bemiddeling. En de ongelovigen zijn de onrechtvaardigen.


اَللّٰہُ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَۚ اَلۡحَیُّ الۡقَیُّوۡمُ ۬ۚ لَا تَاۡخُذُہٗ سِنَۃٌ وَّ لَا نَوۡمٌ ؕ لَہٗ مَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ مَا فِی الۡاَرۡضِ ؕ مَنۡ ذَا الَّذِیۡ یَشۡفَعُ عِنۡدَہٗۤ اِلَّا بِاِذۡنِہٖ ؕ یَعۡلَمُ مَا بَیۡنَ اَیۡدِیۡہِمۡ وَ مَا خَلۡفَہُمۡ ۚ وَ لَا یُحِیۡطُوۡنَ بِشَیۡءٍ مِّنۡ عِلۡمِہٖۤ اِلَّا بِمَا شَآءَ ۚ وَسِعَ کُرۡسِیُّہُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ ۚ وَ لَا یَـُٔوۡدُہٗ حِفۡظُہُمَا ۚ وَ ہُوَ الۡعَلِیُّ الۡعَظِیۡمُ ﴿۲۵۵﴾

002.255 Allahu la ilaha illa huwa alhayyu alqayyoomu la ta/khuthuhu sinatun wala nawmun lahu ma fee alssamawati wama fee al-ardi man tha allathee yashfaAAu AAindahu illa bi-ithnihi yaAAlamu ma bayna aydeehim wama khalfahum wala yuheetoona bishay-in min AAilmihi illa bima shaa wasiAAa kursiyyuhu alssamawati waal-arda wala yaooduhu hifthuhuma wahuwa alAAaliyyu alAAatheemu

2:255 Allah, er is geen Deteit dan Hij, de Eeuwig Levende, de Onderhouder van alles dat bestaat. Sluimer overmand Hem niet, noch slaapt Hij. Tot Hem behoort alles wat in de hemel en aarde is. Is er iemand die bij Hem kan bemiddelen zonder Zijn toestemming? Hij weet wat gaat komen en Hij weet wat geweest is. En zij kunnen niets omvatten van Zijn Kennis, behalve van hetgeen Hij wilt. Zijn troon strekt zich uit over de hemelen en de aarde. En het waken over beide vermoeit Hem niet. En Hij is de meest Verhevenen, de meest Supreme.


لَاۤ اِکۡرَاہَ فِی الدِّیۡنِ ۟ۙ قَدۡ تَّبَیَّنَ الرُّشۡدُ مِنَ الۡغَیِّ ۚ فَمَنۡ یَّکۡفُرۡ بِالطَّاغُوۡتِ وَ یُؤۡمِنۡۢ بِاللّٰہِ فَقَدِ اسۡتَمۡسَکَ بِالۡعُرۡوَۃِ الۡوُثۡقٰی ٭ لَا انۡفِصَامَ لَہَا ؕ وَ اللّٰہُ سَمِیۡعٌ عَلِیۡمٌ ﴿۲۵۶﴾

002.256 La ikraha fee alddeeni qad tabayyana alrrushdu mina alghayyi faman yakfur bialttaghooti wayu/min biAllahi faqadi istamsaka bialAAurwati alwuthqa la infisama laha waAllahu sameeAAun AAaleemun

2:256 Er is geen dwang in de (islamitische) religie. Zeker, het rechte (pad) heeft zich onderscheiden van het slechte. Wie niet in Thaghut (valse deteiten) gelooft, maar in Allah gelooft, dan heeft hij zeker de sterke houvast gegegrepen, die niet zal breken. En Allah is Alhorende, Alwetend,


اَللّٰہُ وَلِیُّ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا ۙ یُخۡرِجُہُمۡ مِّنَ الظُّلُمٰتِ اِلَی النُّوۡرِ۬ؕ وَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡۤا اَوۡلِیٰٓـُٔہُمُ الطَّاغُوۡتُ ۙ یُخۡرِجُوۡنَہُمۡ مِّنَ النُّوۡرِ اِلَی الظُّلُمٰتِ ؕ اُولٰٓئِکَ اَصۡحٰبُ النَّارِ ۚ ہُمۡ فِیۡہَا خٰلِدُوۡنَ ﴿۲۵۷﴾

002.257 Allahu waliyyu allatheena amanoo yukhrijuhum mina alththulumati ila alnnoori waallatheena kafaroo awliyaohumu alttaghootu yukhrijoonahum mina alnnoori ila alththulumati ola-ika as-habu alnnari hum feeha khalidoona

2:257 Allah is de beschermende bewaker voor degenen die geloven. Hij brengt hun van het duisternis naar het licht. En degenen die niet geloven, hun bewakers zijn de Thaghoet (het slechte). Zij brengen hen van het licht naar de duisternis. Zij zijn de metgezellen van het vuur. Zij zullen daar voor altijd in vertoeven.


اَلَمۡ تَرَ اِلَی الَّذِیۡ حَآجَّ اِبۡرٰہٖمَ فِیۡ رَبِّہٖۤ اَنۡ اٰتٰىہُ اللّٰہُ الۡمُلۡکَ ۘ اِذۡ قَالَ اِبۡرٰہٖمُ رَبِّیَ الَّذِیۡ یُحۡیٖ وَ یُمِیۡتُ ۙ قَالَ اَنَا اُحۡیٖ وَ اُمِیۡتُ ؕ قَالَ اِبۡرٰہٖمُ فَاِنَّ اللّٰہَ یَاۡتِیۡ بِالشَّمۡسِ مِنَ الۡمَشۡرِقِ فَاۡتِ بِہَا مِنَ الۡمَغۡرِبِ فَبُہِتَ الَّذِیۡ کَفَرَ ؕ وَ اللّٰہُ لَا یَہۡدِی الۡقَوۡمَ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۲۵۸﴾ۚ

002.258 Alam tara ila allathee hajja ibraheema fee rabbihi an atahu Allahu almulka ith qala ibraheemu rabbiya allathee yuhyee wayumeetu qala ana ohyee waomeetu qala ibraheemu fa-inna Allaha ya/tee bialshshamsi mina almashriqi fa/ti biha mina almaghribi fabuhita allathee kafara waAllahu la yahdee alqawma alththalimeena

2:258 Heb je degene niet gezien, die met Ibrahiem redetwiste over zijn (Ibrahiem's) Heer, omdat Allah hem het koninkrijk gaf? Toen Ibrahiem zei: "Mijn Heer doet leven en sterven", zei hij: "Ik geef leven en veroorzaak dood". Ibrahiem zei: "Voorzeker, Allah doet de zon opkomen vanuit het oosten. Laat het dan opkomen vanuit het westen". Degene die niet geloofde was met stomheid geslagen (stomverbaasd). En Allah leidt het onrechtvaardige volk niet.


اَوۡ کَالَّذِیۡ مَرَّ عَلٰی قَرۡیَۃٍ وَّ ہِیَ خَاوِیَۃٌ عَلٰی عُرُوۡشِہَا ۚ قَالَ اَنّٰی یُحۡیٖ ہٰذِہِ اللّٰہُ بَعۡدَ مَوۡتِہَا ۚ فَاَمَاتَہُ اللّٰہُ مِائَۃَ عَامٍ ثُمَّ بَعَثَہٗ ؕ قَالَ کَمۡ لَبِثۡتَ ؕ قَالَ لَبِثۡتُ یَوۡمًا اَوۡ بَعۡضَ یَوۡمٍ ؕ قَالَ بَلۡ لَّبِثۡتَ مِائَۃَ عَامٍ فَانۡظُرۡ اِلٰی طَعَامِکَ وَ شَرَابِکَ لَمۡ یَتَسَنَّہۡ ۚ وَ انۡظُرۡ اِلٰی حِمَارِکَ وَ لِنَجۡعَلَکَ اٰیَۃً لِّلنَّاسِ وَ انۡظُرۡ اِلَی الۡعِظَامِ کَیۡفَ نُنۡشِزُہَا ثُمَّ نَکۡسُوۡہَا لَحۡمًا ؕ فَلَمَّا تَبَیَّنَ لَہٗ ۙ قَالَ اَعۡلَمُ اَنَّ اللّٰہَ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرٌ ﴿۲۵۹﴾

002.259 Aw kaallathee marra AAala qaryatin wahiya khawiyatun AAala AAurooshiha qala anna yuhyee hathihi Allahu baAAda mawtiha faamatahu Allahu mi-ata AAamin thumma baAAathahu qala kam labithta qala labithtu yawman aw baAAda yawmin qala bal labithta mi-ata AAamin faonthur ila taAAamika washarabika lam yatasannah waonthur ila himarika walinajAAalaka ayatan lilnnasi waonthur ila alAAithami kayfa nunshizuha thumma naksooha lahman falamma tabayyana lahu qala aAAlamu anna Allaha AAala kulli shay-in qadeerun

2:259 Of netals degene, die een dorp paseerde dat geruneerd was. Hij zei: "Hoe zal Allah deze tot leven brengen na haar dood?" Toen deed Allah hem sterven voor honderd jaar daarna wekte Hij hem op. Hij (Allah) zei: "Hoelang ben je (hier) gebleven?". Hij zei: "Ik ben (hier) voor een dag of een deel daarvan gebleven". Hij (Allah) zei: "Nee, jij bent 100 jaar hier gebleven. Kijk dan naar jouw eten en drinken, zij zijn niet verandert en kijk naar jouw ezel. En Wij zullen jou tot een teken maken voor de mensen. En kijk naar de botten, hoe Wij hen rangschikken en daarna bedekken met vlees." Nadat het hem duidelijk werd zei hij; "Ik weet dat Allah op elk gebied Almachtig is."


وَ اِذۡ قَالَ اِبۡرٰہٖمُ رَبِّ اَرِنِیۡ کَیۡفَ تُحۡیِ الۡمَوۡتٰی ؕ قَالَ اَوَ لَمۡ تُؤۡمِنۡ ؕ قَالَ بَلٰی وَ لٰکِنۡ لِّیَطۡمَئِنَّ قَلۡبِیۡ ؕ قَالَ فَخُذۡ اَرۡبَعَۃً مِّنَ الطَّیۡرِ فَصُرۡہُنَّ اِلَیۡکَ ثُمَّ اجۡعَلۡ عَلٰی کُلِّ جَبَلٍ مِّنۡہُنَّ جُزۡءًا ثُمَّ ادۡعُہُنَّ یَاۡتِیۡنَکَ سَعۡیًا ؕ وَ اعۡلَمۡ اَنَّ اللّٰہَ عَزِیۡزٌ حَکِیۡمٌ ﴿۲۶۰﴾

002.260 Wa-ith qala ibraheemu rabbi arinee kayfa tuhyee almawta qala awa lam tu/min qala bala walakin liyatma-inna qalbee qala fakhuth arbaAAatan mina alttayri fasurhunna ilayka thumma ijAAal AAala kulli jabalin minhunna juz-an thumma odAAuhunna ya/teenaka saAAyan waiAAlam anna Allaha AAazeezun hakeemun

2:260 En (heb jij niet gezien) toen Ibrahiem zei: "Mijn Heer, toon mij hoe U de doden doet leven". Hij (Allah) zei: "Heb jij niet geloofd"? Hij zei: "Jawel maar om mijn hart gerust te stelllen". Hij zei: "Neem vier vogels en hak ze in stukken. Zet op elk heuvel een deel, roep ze daarna. Zij zullen rennend naar jou toekomen. En weet dat Allah Almachtig, Alwijs is".


مَثَلُ الَّذِیۡنَ یُنۡفِقُوۡنَ اَمۡوَالَہُمۡ فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ کَمَثَلِ حَبَّۃٍ اَنۡۢبَتَتۡ سَبۡعَ سَنَابِلَ فِیۡ کُلِّ سُنۡۢبُلَۃٍ مِّائَۃُ حَبَّۃٍ ؕ وَ اللّٰہُ یُضٰعِفُ لِمَنۡ یَّشَآءُ ؕ وَ اللّٰہُ وَاسِعٌ عَلِیۡمٌ ﴿۲۶۱﴾

002.261 Mathalu allatheena yunfiqoona amwalahum fee sabeeli Allahi kamathali habbatin anbatat sabAAa sanabila fee kulli sunbulatin mi-atu habbatin waAllahu yudaAAifu liman yashao waAllahu wasiAAun AAaleemun

2:261 De gelijkenis van degenen die zijn vermogen op de weg van Allah uitgeven, is als een graankorrel die zeven sprietjes voortbrengt met honderd graankorrels in elk sprietje. En Allah vermenigvuldigt voor wie Hij wil. En Allah is Alomvattend, Alwetend.


اَلَّذِیۡنَ یُنۡفِقُوۡنَ اَمۡوَالَہُمۡ فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ ثُمَّ لَا یُتۡبِعُوۡنَ مَاۤ اَنۡفَقُوۡا مَنًّا وَّ لَاۤ اَذًی ۙ لَّہُمۡ اَجۡرُہُمۡ عِنۡدَ رَبِّہِمۡ ۚ وَ لَا خَوۡفٌ عَلَیۡہِمۡ وَ لَا ہُمۡ یَحۡزَنُوۡنَ ﴿۲۶۲﴾

002.262 Allatheena yunfiqoona amwalahum fee sabeeli Allahi thumma la yutbiAAoona ma anfaqoo mannan wala athan lahum ajruhum AAinda rabbihim wala khawfun AAalayhim wala hum yahzanoona

2:262 Degenen die zijn vermogen op de Weg van Allah uitgeven en niet opscheppen over de vrijgevigheid en niet kwetsen, hun beloning is bij hun Heer. Er zal geen angst op hen zijn, noch zullen zij treuren.


قَوۡلٌ مَّعۡرُوۡفٌ وَّ مَغۡفِرَۃٌ خَیۡرٌ مِّنۡ صَدَقَۃٍ یَّتۡبَعُہَاۤ اَذًی ؕ وَ اللّٰہُ غَنِیٌّ حَلِیۡمٌ ﴿۲۶۳﴾

002.263 Qawlun maAAroofun wamaghfiratun khayrun min sadaqatin yatbaAAuha athan waAllahu ghaniyyun haleemun

2:263 Een vriendelijke woord en het vragen om vergeving zijn beter dan het geven van een gift gevolgd door kwetsing. En Allah is de Bezitter van alles, Al-Haliem (meest geduldig).


یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا لَا تُبۡطِلُوۡا صَدَقٰتِکُمۡ بِالۡمَنِّ وَ الۡاَذٰی ۙ کَالَّذِیۡ یُنۡفِقُ مَالَہٗ رِئَآءَ النَّاسِ وَ لَا یُؤۡمِنُ بِاللّٰہِ وَ الۡیَوۡمِ الۡاٰخِرِؕ فَمَثَلُہٗ کَمَثَلِ صَفۡوَانٍ عَلَیۡہِ تُرَابٌ فَاَصَابَہٗ وَابِلٌ فَتَرَکَہٗ صَلۡدًا ؕ لَا یَقۡدِرُوۡنَ عَلٰی شَیۡءٍ مِّمَّا کَسَبُوۡا ؕ وَ اللّٰہُ لَا یَہۡدِی الۡقَوۡمَ الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۲۶۴﴾

002.264 Ya ayyuha allatheena amanoo la tubtiloo sadaqatikum bialmanni waal-atha kaallathee yunfiqu malahu ri-aa alnnasi wala yu/minu biAllahi waalyawmi al-akhiri famathaluhu kamathali safwanin AAalayhi turabun faasabahu wabilun fatarakahu saldan la yaqdiroona AAala shay-in mimma kasaboo waAllahu la yahdee alqawma alkafireena

2:264 O jullie die geloven: maak jullie giften niet vruchteloos door op te scheppen over de vrijgevigheid of door kwetsing of net als degene die zijn voorziening uitgeeft om gezien te worden bij de mensen en die niet in Allah en de laatste dag gelooft. Zijn gelijkenis is dat van een gladde rots met aarde erop, waarop zware regen valt en het dan kaal achter laat. Ze zijn niet in staat om iets uit hun werk te verkijgen. En Allah leidt het ongelovige volk niet.


وَ مَثَلُ الَّذِیۡنَ یُنۡفِقُوۡنَ اَمۡوَالَہُمُ ابۡتِغَآءَ مَرۡضَاتِ اللّٰہِ وَ تَثۡبِیۡتًا مِّنۡ اَنۡفُسِہِمۡ کَمَثَلِ جَنَّۃٍۭ بِرَبۡوَۃٍ اَصَابَہَا وَابِلٌ فَاٰتَتۡ اُکُلَہَا ضِعۡفَیۡنِ ۚ فَاِنۡ لَّمۡ یُصِبۡہَا وَابِلٌ فَطَلٌّ ؕ وَ اللّٰہُ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ بَصِیۡرٌ ﴿۲۶۵﴾

002.265 Wamathalu allatheena yunfiqoona amwalahumu ibtighaa mardati Allahi watathbeetan min anfusihim kamathali jannatin birabwatin asabaha wabilun faatat okulaha diAAfayni fa-in lam yusibha wabilun fatallun waAllahu bima taAAmaloona baseerun

2:265 En de gelijkenis van degenen die hun vermogen uitgeeft om Allah's tevredenheid te krijgen en om de ziel te versterken, is als een tuin op een hoogte, waarop zware regen valt, zodat het een dubbele oogst voortbrengt. Als er geen regen opvalt, dan is motregen voldoende. En Allah is Alziende over wat jullie doen.


اَیَوَدُّ اَحَدُکُمۡ اَنۡ تَکُوۡنَ لَہٗ جَنَّۃٌ مِّنۡ نَّخِیۡلٍ وَّ اَعۡنَابٍ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ ۙ لَہٗ فِیۡہَا مِنۡ کُلِّ الثَّمَرٰتِ ۙ وَ اَصَابَہُ الۡکِبَرُ وَ لَہٗ ذُرِّیَّۃٌ ضُعَفَآءُ ۪ۖ فَاَصَابَہَاۤ اِعۡصَارٌ فِیۡہِ نَارٌ فَاحۡتَرَقَتۡ ؕ کَذٰلِکَ یُبَیِّنُ اللّٰہُ لَکُمُ الۡاٰیٰتِ لَعَلَّکُمۡ تَتَفَکَّرُوۡنَ ﴿۲۶۶﴾

002.266 Ayawaddu ahadukum an takoona lahu jannatun min nakheelin waaAAnabin tajree min tahtiha al-anharu lahu feeha min kulli alththamarati waasabahu alkibaru walahu thurriyyatun duAAafao faasabaha iAAsarun feehi narun faihtaraqat kathalika yubayyinu Allahu lakumu al-ayati laAAallakum tatafakkaroona

2:266 Wenst een ieder van jullie dat er een tuin met dadel-palmen, druiven en allerlei andere soorten vruchten voor hem is. Met daaronder rivieren die stromen. En de oude leeftijd overvalt hem, terwijl zijn kinderen zwak zijn. Vervolgens komt er een vuurtornado, die het (de tuin) verbrandt. Allah maakt de tekenen aan jullie duidelijk, zodat jullie erover kunnen nadenken.


یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اَنۡفِقُوۡا مِنۡ طَیِّبٰتِ مَا کَسَبۡتُمۡ وَ مِمَّاۤ اَخۡرَجۡنَا لَکُمۡ مِّنَ الۡاَرۡضِ ۪ وَ لَا تَیَمَّمُوا الۡخَبِیۡثَ مِنۡہُ تُنۡفِقُوۡنَ وَ لَسۡتُمۡ بِاٰخِذِیۡہِ اِلَّاۤ اَنۡ تُغۡمِضُوۡا فِیۡہِ ؕ وَ اعۡلَمُوۡۤا اَنَّ اللّٰہَ غَنِیٌّ حَمِیۡدٌ ﴿۲۶۷﴾

002.267 Ya ayyuha allatheena amanoo anfiqoo min tayyibati ma kasabtum wamimma akhrajna lakum mina al-ardi wala tayammamoo alkhabeetha minhu tunfiqoona walastum bi-akhitheehi illa an tughmidoo feehi waiAAlamoo anna Allaha ghaniyyun hameedun

2:267 O jullie die geloven, geef van de goede dingen die jullie verkregen hebben en van wat Wij voor jullie uit de aarde voortgebracht hebben. En kies niet het slechte ervan om uit te geven, terwijl jullie hetzelf niet zouden aannemen, behalve met gesloten ogen. En weet dat Allah Zelfvoorzienend, Prijzenswaardig is.


اَلشَّیۡطٰنُ یَعِدُکُمُ الۡفَقۡرَ وَ یَاۡمُرُکُمۡ بِالۡفَحۡشَآءِ ۚ وَ اللّٰہُ یَعِدُکُمۡ مَّغۡفِرَۃً مِّنۡہُ وَ فَضۡلًا ؕ وَ اللّٰہُ وَاسِعٌ عَلِیۡمٌ ﴿۲۶۸﴾ۖۙ

002.268 Alshshaytanu yaAAidukumu alfaqra waya/murukum bialfahsha-i waAllahu yaAAidukum maghfiratan minhu wafadlan waAllahu wasiAAun AAaleemun

2:268 De satan(duivel) belooft jullie armoede en beveelt jullie onzedelijkheid te begaan. Terwijl Allah jullie vergiffenis en beloningen van Hem belooft. En Allah is Alomvattend, Alwetend.


یُّؤۡتِی الۡحِکۡمَۃَ مَنۡ یَّشَآءُ ۚ وَ مَنۡ یُّؤۡتَ الۡحِکۡمَۃَ فَقَدۡ اُوۡتِیَ خَیۡرًا کَثِیۡرًا ؕ وَ مَا یَذَّکَّرُ اِلَّاۤ اُولُوا الۡاَلۡبَابِ ﴿۲۶۹﴾

002.269 Yu/tee alhikmata man yashao waman yu/ta alhikmata faqad ootiya khayran katheeran wama yaththakkaru illa oloo al-albabi

2:269 Hij (Allah) schenkt Wijsheid aan wie Hij wil. En aan wie wijsheid geschonken is, dan is het goede in overvloed aan hem geschonken. En niemand laat zich vermanen dan de bezitters van verstand.


وَ مَاۤ اَنۡفَقۡتُمۡ مِّنۡ نَّفَقَۃٍ اَوۡ نَذَرۡتُمۡ مِّنۡ نَّذۡرٍ فَاِنَّ اللّٰہَ یَعۡلَمُہٗ ؕ وَ مَا لِلظّٰلِمِیۡنَ مِنۡ اَنۡصَارٍ ﴿۲۷۰﴾

002.270 Wama anfaqtum min nafaqatin aw nathartum min nathrin fa-inna Allaha yaAAlamuhu wama lilththalimeena min ansarin

2:270 En wat jullie ook uitgeven of welke eed jullie afleggen, voozeker Allah weet ervan. En voor de onrechtvaardigen zijn er geen enkel helpers.


اِنۡ تُبۡدُوا الصَّدَقٰتِ فَنِعِمَّا ہِیَ ۚ وَ اِنۡ تُخۡفُوۡہَا وَ تُؤۡتُوۡہَا الۡفُقَرَآءَ فَہُوَ خَیۡرٌ لَّکُمۡ ؕ وَ یُکَفِّرُ عَنۡکُمۡ مِّنۡ سَیِّاٰتِکُمۡ ؕ وَ اللّٰہُ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ خَبِیۡرٌ ﴿۲۷۱﴾

002.271 In tubdoo alssadaqati faniAAimma hiya wa-in tukhfooha watu/tooha alfuqaraa fahuwa khayrun lakum wayukaffiru AAankum min sayyi-atikum waAllahu bima taAAmaloona khabeerun

2:271 Het is goed als jullie de giften openlijk geven. Maar het is beter voor jullie, als jullie het (schenken) geheim houden bij het geven aan de armen. En Hij (Allah) zal jouw slechte daden van jou verwijderen. En Allah is Alwetend over hetgeen jullie doen.


لَیۡسَ عَلَیۡکَ ہُدٰىہُمۡ وَ لٰکِنَّ اللّٰہَ یَہۡدِیۡ مَنۡ یَّشَآءُ ؕ وَ مَا تُنۡفِقُوۡا مِنۡ خَیۡرٍ فَلِاَنۡفُسِکُمۡ ؕ وَ مَا تُنۡفِقُوۡنَ اِلَّا ابۡتِغَآءَ وَجۡہِ اللّٰہِ ؕ وَ مَا تُنۡفِقُوۡا مِنۡ خَیۡرٍ یُّوَفَّ اِلَیۡکُمۡ وَ اَنۡتُمۡ لَا تُظۡلَمُوۡنَ ﴿۲۷۲﴾

002.272 Laysa AAalayka hudahum walakinna Allaha yahdee man yashao wama tunfiqoo min khayrin fali-anfusikum wama tunfiqoona illa ibtighaa wajhi Allahi wama tunfiqoo min khayrin yuwaffa ilaykum waantum la tuthlamoona

2:272 Hun leiding rust niet op jou (Mohammed), maar Allah leidt wie Hij wil. En wat jullie ook van het goede uitgeven, het is ten goede (de beloning) voor jullie zelf. En jullie geven slechts uit voor het zoeken van het aanzicht van Allah. En wat jullie ook van het goede uitgeven, het zal volledig terug betaald worden. Er zal geen onrecht op jullie worden aangedaan.


لِلۡفُقَرَآءِ الَّذِیۡنَ اُحۡصِرُوۡا فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ لَا یَسۡتَطِیۡعُوۡنَ ضَرۡبًا فِی الۡاَرۡضِ ۫ یَحۡسَبُہُمُ الۡجَاہِلُ اَغۡنِیَآءَ مِنَ التَّعَفُّفِ ۚ تَعۡرِفُہُمۡ بِسِیۡمٰہُمۡ ۚ لَا یَسۡـَٔلُوۡنَ النَّاسَ اِلۡحَافًا ؕ وَ مَا تُنۡفِقُوۡا مِنۡ خَیۡرٍ فَاِنَّ اللّٰہَ بِہٖ عَلِیۡمٌ ﴿۲۷۳﴾

002.273 Lilfuqara-i allatheena ohsiroo fee sabeeli Allahi la yastateeAAoona darban fee al-ardi yahsabuhumu aljahilu aghniyaa mina alttaAAaffufi taAArifuhum biseemahum la yas-aloona alnnasa ilhafan wama tunfiqoo min khayrin fa-inna Allaha bihi AAaleemun

2:273 (De giften zijn o.a.) voor de armen die verhindert zijn op de weg van Allah en die niet in staat zijn om te reizen op aarde. Door hun bescheidenheid denken de kortzichtigen dat zij zelfvoorzienend zijn. Je herkent hen bij hun kenmerk dat zij de mensen niet opdringer vragen. En wat jullie ook van het goede uitgeven, voorzeker Allah is Alwetend erover.


اَلَّذِیۡنَ یُنۡفِقُوۡنَ اَمۡوَالَہُمۡ بِالَّیۡلِ وَ النَّہَارِ سِرًّا وَّ عَلَانِیَۃً فَلَہُمۡ اَجۡرُہُمۡ عِنۡدَ رَبِّہِمۡ ۚ وَ لَا خَوۡفٌ عَلَیۡہِمۡ وَ لَا ہُمۡ یَحۡزَنُوۡنَ ﴿۲۷۴﴾ؔ

002.274 Allatheena yunfiqoona amwalahum biallayli waalnnahari sirran waAAalaniyatan falahum ajruhum AAinda rabbihim wala khawfun AAalayhim wala hum yahzanoona

2:274 Degenen die 's nachts, overdag, in het geheim of openlijk (giften) uitgeven voor hen is hun beloning bij hun Heer. En er zal geen angst op hen rusten, noch zullen zij treuren.


اَلَّذِیۡنَ یَاۡکُلُوۡنَ الرِّبٰوا لَا یَقُوۡمُوۡنَ اِلَّا کَمَا یَقُوۡمُ الَّذِیۡ یَتَخَبَّطُہُ الشَّیۡطٰنُ مِنَ الۡمَسِّ ؕ ذٰلِکَ بِاَنَّہُمۡ قَالُوۡۤا اِنَّمَا الۡبَیۡعُ مِثۡلُ الرِّبٰوا ۘ وَ اَحَلَّ اللّٰہُ الۡبَیۡعَ وَ حَرَّمَ الرِّبٰوا ؕ فَمَنۡ جَآءَہٗ مَوۡعِظَۃٌ مِّنۡ رَّبِّہٖ فَانۡتَہٰی فَلَہٗ مَا سَلَفَ ؕ وَ اَمۡرُہٗۤ اِلَی اللّٰہِ ؕ وَ مَنۡ عَادَ فَاُولٰٓئِکَ اَصۡحٰبُ النَّارِ ۚ ہُمۡ فِیۡہَا خٰلِدُوۡنَ ﴿۲۷۵﴾

002.275 Allatheena ya/kuloona alrriba la yaqoomoona illa kama yaqoomu allathee yatakhabbatuhu alshshaytanu mina almassi thalika bi-annahum qaloo innama albayAAu mithlu alrriba waahalla Allahu albayAAa waharrama alrriba faman jaahu mawAAithatun min rabbihi faintaha falahu ma salafa waamruhu ila Allahi waman AAada faola-ika as-habu alnnari hum feeha khalidoona

2:275 Degenen die rente opvreten, zij zijn niet staat om op te staan behalve als een gedreven gek die opstaat door Satan's aanraking (pak slag). Dat is vanwege zij zeggen: "Alleen de handel is netals de rente". Terwijl Allah de handel toegestaan heeft en de rente verboden heeft. Tot wie dan ook vermaning komt van zijn Heer en hij ziet ervan af (de rente), wat gebeurt is, zijn zaak is bij Allah. En wie het (consumeren van rente) hervat, dan zij zijn de metgezellen van het vuur. Zij zullen er voor altijd in vertoeven.


یَمۡحَقُ اللّٰہُ الرِّبٰوا وَ یُرۡبِی الصَّدَقٰتِ ؕ وَ اللّٰہُ لَا یُحِبُّ کُلَّ کَفَّارٍ اَثِیۡمٍ ﴿۲۷۶﴾

002.276 Yamhaqu Allahu alrriba wayurbee alssadaqati waAllahu la yuhibbu kulla kaffarin atheemin

2:276 Allah vernietigd de rente en laat de giften toenemen. En Allah houdt niet van elke ondankbare zondenaar.


اِنَّ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ وَ اَقَامُوا الصَّلٰوۃَ وَ اٰتَوُا الزَّکٰوۃَ لَہُمۡ اَجۡرُہُمۡ عِنۡدَ رَبِّہِمۡ ۚ وَ لَا خَوۡفٌ عَلَیۡہِمۡ وَ لَا ہُمۡ یَحۡزَنُوۡنَ ﴿۲۷۷﴾

002.277 Inna allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati waaqamoo alssalata waatawoo alzzakata lahum ajruhum AAinda rabbihim wala khawfun AAalayhim wala hum yahzanoona

2:277 Voorzeker, degenen die geloofden, goede daden verrichtten, het gebed onderhielden en de zakat gaven, voor hen is de beloning bij hun Heer. En er zal geen angst op hen zijn, noch zullen zij treuren.


یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوا اتَّقُوا اللّٰہَ وَ ذَرُوۡا مَا بَقِیَ مِنَ الرِّبٰۤوا اِنۡ کُنۡتُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۲۷۸﴾

002.278 Ya ayyuha allatheena amanoo ittaqoo Allaha watharoo ma baqiya mina alrriba in kuntum mu/mineena

2:278 O jullie die geloven, vrees Allah en scheld de rente kwijt, als jullie gelovigen zijn.


فَاِنۡ لَّمۡ تَفۡعَلُوۡا فَاۡذَنُوۡا بِحَرۡبٍ مِّنَ اللّٰہِ وَ رَسُوۡلِہٖ ۚ وَ اِنۡ تُبۡتُمۡ فَلَکُمۡ رُءُوۡسُ اَمۡوَالِکُمۡ ۚ لَا تَظۡلِمُوۡنَ وَ لَا تُظۡلَمُوۡنَ ﴿۲۷۹﴾

002.279 Fa-in lam tafAAaloo fa/thanoo biharbin mina Allahi warasoolihi wa-in tubtum falakum ruoosu amwalikum la tathlimoona wala tuthlamoona

2:279 En als jullie (dit) niet doen, wees op de hoogte van een oorlog met Allah en zijn boodschapper. En als jullie berouw hebben dan is (slechts) jouw (verleende) kapitaal voor jou. Doe geen onrecht aan en er zal jullie geen onrecht worden aangedaan.


وَ اِنۡ کَانَ ذُوۡ عُسۡرَۃٍ فَنَظِرَۃٌ اِلٰی مَیۡسَرَۃٍ ؕ وَ اَنۡ تَصَدَّقُوۡا خَیۡرٌ لَّکُمۡ اِنۡ کُنۡتُمۡ تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۲۸۰﴾

002.280 Wa-in kana thoo AAusratin fanathiratun ila maysaratin waan tasaddaqoo khayrun lakum in kuntum taAAlamoona

2:280 En als de schuldenaar in moeilijkheden verkeert, stel het (de betaling) uit tot gemak. En als jullie het kwijtschelden tot gift, dan is dat beter voor julliezelf, als jullie het (maar) zouden weten.


وَ اتَّقُوۡا یَوۡمًا تُرۡجَعُوۡنَ فِیۡہِ اِلَی اللّٰہِ ٭۟ ثُمَّ تُوَفّٰی کُلُّ نَفۡسٍ مَّا کَسَبَتۡ وَ ہُمۡ لَا یُظۡلَمُوۡنَ ﴿۲۸۱﴾

002.281 Waittaqoo yawman turjaAAoona feehi ila Allahi thumma tuwaffa kullu nafsin ma kasabat wahum la yuthlamoona

2:281 En vrees een Dag waarop jullie tot Allah worden terug gebracht. Elke ziel zal dan volledig worden uitbetaald voor wat zij verdiend heeft. En zij zullen niet onrechtvaardig worden behandeld.


یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اِذَا تَدَایَنۡتُمۡ بِدَیۡنٍ اِلٰۤی اَجَلٍ مُّسَمًّی فَاکۡتُبُوۡہُ ؕ وَ لۡیَکۡتُبۡ بَّیۡنَکُمۡ کَاتِبٌۢ بِالۡعَدۡلِ ۪ وَ لَا یَاۡبَ کَاتِبٌ اَنۡ یَّکۡتُبَ کَمَا عَلَّمَہُ اللّٰہُ فَلۡیَکۡتُبۡ ۚ وَ لۡیُمۡلِلِ الَّذِیۡ عَلَیۡہِ الۡحَقُّ وَ لۡیَتَّقِ اللّٰہَ رَبَّہٗ وَ لَا یَبۡخَسۡ مِنۡہُ شَیۡئًا ؕ فَاِنۡ کَانَ الَّذِیۡ عَلَیۡہِ الۡحَقُّ سَفِیۡہًا اَوۡ ضَعِیۡفًا اَوۡ لَا یَسۡتَطِیۡعُ اَنۡ یُّمِلَّ ہُوَ فَلۡیُمۡلِلۡ وَلِیُّہٗ بِالۡعَدۡلِ ؕ وَ اسۡتَشۡہِدُوۡا شَہِیۡدَیۡنِ مِنۡ رِّجَالِکُمۡ ۚ فَاِنۡ لَّمۡ یَکُوۡنَا رَجُلَیۡنِ فَرَجُلٌ وَّ امۡرَاَتٰنِ مِمَّنۡ تَرۡضَوۡنَ مِنَ الشُّہَدَآءِ اَنۡ تَضِلَّ اِحۡدٰىہُمَا فَتُذَکِّرَ اِحۡدٰىہُمَا الۡاُخۡرٰی ؕ وَ لَا یَاۡبَ الشُّہَدَآءُ اِذَا مَا دُعُوۡا ؕ وَ لَا تَسۡـَٔمُوۡۤا اَنۡ تَکۡتُبُوۡہُ صَغِیۡرًا اَوۡ کَبِیۡرًا اِلٰۤی اَجَلِہٖ ؕ ذٰلِکُمۡ اَقۡسَطُ عِنۡدَ اللّٰہِ وَ اَقۡوَمُ لِلشَّہَادَۃِ وَ اَدۡنٰۤی اَلَّا تَرۡتَابُوۡۤا اِلَّاۤ اَنۡ تَکُوۡنَ تِجَارَۃً حَاضِرَۃً تُدِیۡرُوۡنَہَا بَیۡنَکُمۡ فَلَیۡسَ عَلَیۡکُمۡ جُنَاحٌ اَلَّا تَکۡتُبُوۡہَا ؕ وَ اَشۡہِدُوۡۤا اِذَا تَبَایَعۡتُمۡ ۪ وَ لَا یُضَآرَّ کَاتِبٌ وَّ لَا شَہِیۡدٌ ۬ؕ وَ اِنۡ تَفۡعَلُوۡا فَاِنَّہٗ فُسُوۡقٌۢ بِکُمۡ ؕ وَ اتَّقُوا اللّٰہَ ؕ وَ یُعَلِّمُکُمُ اللّٰہُ ؕ وَ اللّٰہُ بِکُلِّ شَیۡءٍ عَلِیۡمٌ ﴿۲۸۲﴾

002.282 Ya ayyuha allatheena amanoo itha tadayantum bidaynin ila ajalin musamman faoktuboohu walyaktub baynakum katibun bialAAadli wala ya/ba katibun an yaktuba kama AAallamahu Allahu falyaktub walyumlili allathee AAalayhi alhaqqu walyattaqi Allaha rabbahu wala yabkhas minhu shay-an fa-in kana allathee AAalayhi alhaqqu safeehan aw daAAeefan aw la yastateeAAu an yumilla huwa falyumlil waliyyuhu bialAAadli waistashhidoo shaheedayni min rijalikum fa-in lam yakoona rajulayni farajulun waimraatani mimman tardawna mina alshshuhada-i an tadilla ihdahuma fatuthakkira ihdahuma al-okhra wala ya/ba alshshuhadao itha ma duAAoo wala tas-amoo an taktuboohu sagheeran aw kabeeran ila ajalihi thalikum aqsatu AAinda Allahi waaqwamu lilshshahadati waadna alla tartaboo illa an takoona tijaratan hadiratan tudeeroonaha baynakum falaysa AAalaykum junahun alla taktubooha waashhidoo itha tabayaAAtum wala yudarra katibun wala shaheedun wa-in tafAAaloo fa-innahu fusooqun bikum waittaqoo Allaha wayuAAallimukumu Allahu waAllahu bikulli shay-in AAaleemun

2:282 O jullie die geloven, wanneer jullie met elkaar een lening afsluiten voor een vaste termijn, leg het schriftelijk vast. En laat een schrijver voor jullie het in eerlijkheid opschrijven. En een schrijfer mag het opschrijven niet weigeren, omdat Allah hem (het schrijven) heeft onderwezen. Laat hem dan noteren en laat degene op wie de schuld ligt dicteren en laat hem Allah, zijn Heer, vrezen. En laat hem niets van de lening verminderen. Als degenen op wie de schuld rust moeite heeft met begrijpen, zwak is of niet in staat is te dicteren, laat dan zijn voogd in eerlijkheid dicteren. En roep twee mannelijke getuigen op (voor het vastleggen van de lening). En als er geen twee mannen zijn, dan n man en twee vrouwen waarvan jullie het eens zijn om ze te laten getuigen, zodat als n van hen zich vergist, de andere haar kan verbeteren. En de getuigen mogen niet weigeren wanneer ze opgeroepen worden. En verzuim het niet om het (de schuld) op te schrijven met de bijbehorende termijn, ook al is het (de schuld) klein of groot. Dat is meer rechtvaardiger bij Allah en het zorgt voor de oprechtheid in de getuigenis en voor geen twijfel tussen jullie. Wanneer het gaat om handel tussen jullie die ter plekke plaats vindt, dan rust er geen zonde op jullie als jullie het niet opschrijven. Maar neem getuigen wanneer jullie een zakelijke overeenkomst aangaan. En de schrijfer, noch de getuigen mogen niet benadeeld worden. En als jullie het toch doen, dan voorzeker het is een zondige daad voor jullie. En vrees Allah. En Allah onderwijst en is Alwetend over alles.


وَ اِنۡ کُنۡتُمۡ عَلٰی سَفَرٍ وَّ لَمۡ تَجِدُوۡا کَاتِبًا فَرِہٰنٌ مَّقۡبُوۡضَۃٌ ؕ فَاِنۡ اَمِنَ بَعۡضُکُمۡ بَعۡضًا فَلۡیُؤَدِّ الَّذِی اؤۡتُمِنَ اَمَانَتَہٗ وَ لۡیَتَّقِ اللّٰہَ رَبَّہٗ ؕ وَ لَا تَکۡتُمُوا الشَّہَادَۃَ ؕ وَ مَنۡ یَّکۡتُمۡہَا فَاِنَّہٗۤ اٰثِمٌ قَلۡبُہٗ ؕ وَ اللّٰہُ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ عَلِیۡمٌ ﴿۲۸۳﴾

002.283 Wa-in kuntum AAala safarin walam tajidoo katiban farihanun maqboodatun fa-in amina baAAdukum baAAdan falyu-addi allathee i/tumina amanatahu walyattaqi Allaha rabbahu wala taktumoo alshshahadata waman yaktumha fa-innahu athimun qalbuhu waAllahu bima taAAmaloona AAaleemun

2:283 En als jullie op reis zijn en jullie vinden geen schrijver, geef dan een onderpand in de hand. En als een van jullie dan de andere toevertrouwd, laat degenen die vertrouwd wordt zijn vertrouwen waarmaken en Allah, zijn Heer, vrezen. En verberg niet hetgeen waar jullie getuigen van waren. En wie het verbergt dan zeker, zijn hart is zondig. En Allah is Alwetend wat jullie doen.


لِلّٰہِ مَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ مَا فِی الۡاَرۡضِ ؕ وَ اِنۡ تُبۡدُوۡا مَا فِیۡۤ اَنۡفُسِکُمۡ اَوۡ تُخۡفُوۡہُ یُحَاسِبۡکُمۡ بِہِ اللّٰہُ ؕ فَیَغۡفِرُ لِمَنۡ یَّشَآءُ وَ یُعَذِّبُ مَنۡ یَّشَآءُ ؕ وَ اللّٰہُ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرٌ ﴿۲۸۴﴾

002.284 Lillahi ma fee alssamawati wama fee al-ardi wa-in tubdoo ma fee anfusikum aw tukhfoohu yuhasibkum bihi Allahu fayaghfiru liman yashao wayuAAaththibu man yashao waAllahu AAala kulli shay-in qadeerun

2:284 Aan Allah behoort wat er in de hemelen en wat er op de aarde is. En als jullie onthullen of verbergen wat in julliezelf (harten) is, Allah zal jullie voor verantwoording roepen. Hij zal dan vergeven wie Hij wil of Hij zal straffen wie Hij wil. En Allah is Almachtig over alles.


اٰمَنَ الرَّسُوۡلُ بِمَاۤ اُنۡزِلَ اِلَیۡہِ مِنۡ رَّبِّہٖ وَ الۡمُؤۡمِنُوۡنَ ؕ کُلٌّ اٰمَنَ بِاللّٰہِ وَ مَلٰٓئِکَتِہٖ وَ کُتُبِہٖ وَ رُسُلِہٖ ۟ لَا نُفَرِّقُ بَیۡنَ اَحَدٍ مِّنۡ رُّسُلِہٖ ۟ وَ قَالُوۡا سَمِعۡنَا وَ اَطَعۡنَا ٭۫ غُفۡرَانَکَ رَبَّنَا وَ اِلَیۡکَ الۡمَصِیۡرُ ﴿۲۸۵﴾

002.285 Amana alrrasoolu bima onzila ilayhi min rabbihi waalmu/minoona kullun amana biAllahi wamala-ikatihi wakutubihi warusulihi la nufarriqu bayna ahadin min rusulihi waqaloo samiAAna waataAAna ghufranaka rabbana wa-ilayka almaseeru

2:285 De Boodschapper gelooft in wat aan hem van zijn Heer is geopenbaard en de gelovigen ook. Allen geloven in Allah, in Zijn Engelen, in Zijn Boeken en in Zijn Boodschappers. Wij maken geen onderscheid tussen Zijn Boodschappers. En zij zeiden: "Wij hebben gehoord en wij gehoorzamen. Vergeef ons, onze Heer en tot U is ons terugkeer".


لَا یُکَلِّفُ اللّٰہُ نَفۡسًا اِلَّا وُسۡعَہَا ؕ لَہَا مَا کَسَبَتۡ وَ عَلَیۡہَا مَا اکۡتَسَبَتۡ ؕ رَبَّنَا لَا تُؤَاخِذۡنَاۤ اِنۡ نَّسِیۡنَاۤ اَوۡ اَخۡطَاۡنَا ۚ رَبَّنَا وَ لَا تَحۡمِلۡ عَلَیۡنَاۤ اِصۡرًا کَمَا حَمَلۡتَہٗ عَلَی الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِنَا ۚ رَبَّنَا وَ لَا تُحَمِّلۡنَا مَا لَا طَاقَۃَ لَنَا بِہٖ ۚ وَ اعۡفُ عَنَّا ٝ وَ اغۡفِرۡ لَنَا ٝ وَ ارۡحَمۡنَا ٝ اَنۡتَ مَوۡلٰىنَا فَانۡصُرۡنَا عَلَی الۡقَوۡمِ الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۲۸۶﴾

002.286 La yukallifu Allahu nafsan illa wusAAaha laha ma kasabat waAAalayha ma iktasabat rabbana la tu-akhithna in naseena aw akhta/na rabbana wala tahmil AAalayna isran kama hamaltahu AAala allatheena min qablina rabbana wala tuhammilna ma la taqata lana bihi waoAAfu AAanna waighfir lana wairhamna anta mawlana faonsurna AAala alqawmi alkafireena

2:286 Allah belast een ziel naar zijn capaciteit. Voor hem is hetgeen (de beloning) wat hij verdiend heeft en tegen hem is what hij (als bestraffing) verdiend heeft. (Zeg:) "Onze Heer verwijt ons niet als wij vergeten of fouten maken. Onze Heer, belast ons niet zoals U degenen vr ons belast heeft. Onze Heer belast ons niet met wat wij niet kunnen dragen en scheld ons kwijt en vergeef ons en wees ons genadig. U bent onze Meester en help ons tegen het ongelovige volk".


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

الٓمَّٓ ۙ﴿۱﴾

003.001 Alif-lam-meem

3:1 Alief Laam Miem.


اللّٰہُ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ ۙ الۡحَیُّ الۡقَیُّوۡمُ ؕ﴿۲﴾

003.002 Allahu la ilaha illa huwa alhayyu alqayyoomu

3:2 Allah, er is geen deteit behalve Hij, de Eeuwig Levende, de Onderhouder van alles dat bestaat.


نَزَّلَ عَلَیۡکَ الۡکِتٰبَ بِالۡحَقِّ مُصَدِّقًا لِّمَا بَیۡنَ یَدَیۡہِ وَ اَنۡزَلَ التَّوۡرٰىۃَ وَ الۡاِنۡجِیۡلَ ۙ﴿۳﴾

003.003 Nazzala AAalayka alkitaba bialhaqqi musaddiqan lima bayna yadayhi waanzala alttawrata waal-injeela

3:3 Hij openbaarde aan jou het boek der waarheid, bevestigend in de voorafgaande boeken. En Hij openbaarde de Taurat (Torah) en de Injiel


مِنۡ قَبۡلُ ہُدًی لِّلنَّاسِ وَ اَنۡزَلَ الۡفُرۡقَانَ ۬ؕ اِنَّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا بِاٰیٰتِ اللّٰہِ لَہُمۡ عَذَابٌ شَدِیۡدٌ ؕ وَ اللّٰہُ عَزِیۡزٌ ذُو انۡتِقَامٍ ﴿۴﴾

003.004 Min qablu hudan lilnnasi waanzala alfurqana inna allatheena kafaroo bi-ayati Allahi lahum AAathabun shadeedun waAllahu AAazeezun thoo intiqamin

3:4 voorafgaand, als leiding voor de mensheid. En Hij openbaarde de Foerqan. Voorzeker, degenen die niet in de Tekenen van Allah geloven, voor hen is er een zware straf. En Allah is Almachtig, de Machthebber over Vergelding.


اِنَّ اللّٰہَ لَا یَخۡفٰی عَلَیۡہِ شَیۡءٌ فِی الۡاَرۡضِ وَ لَا فِی السَّمَآءِ ؕ﴿۵﴾

003.005 Inna Allaha la yakhfa AAalayhi shay-on fee al-ardi wala fee alssama/-i

3:5 Voorzeker Allah, niets is verborgen voor Hem, niet op aarde en niet in de hemel.


ہُوَ الَّذِیۡ یُصَوِّرُکُمۡ فِی الۡاَرۡحَامِ کَیۡفَ یَشَآءُ ؕ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ الۡعَزِیۡزُ الۡحَکِیۡمُ ﴿۶﴾

003.006 Huwa allathee yusawwirukum fee al-arhami kayfa yashao la ilaha illa huwa alAAazeezu alhakeemu

3:6 Hij is degene die jullie in de baarmoeder vormt, hoe Hij wil. Er is geen deteit behalve Hij, de Almachtige, de Alwijze.


ہُوَ الَّذِیۡۤ اَنۡزَلَ عَلَیۡکَ الۡکِتٰبَ مِنۡہُ اٰیٰتٌ مُّحۡکَمٰتٌ ہُنَّ اُمُّ الۡکِتٰبِ وَ اُخَرُ مُتَشٰبِہٰتٌ ؕ فَاَمَّا الَّذِیۡنَ فِیۡ قُلُوۡبِہِمۡ زَیۡغٌ فَیَتَّبِعُوۡنَ مَا تَشَابَہَ مِنۡہُ ابۡتِغَآءَ الۡفِتۡنَۃِ وَ ابۡتِغَآءَ تَاۡوِیۡلِہٖ ۚ؃ وَ مَا یَعۡلَمُ تَاۡوِیۡلَہٗۤ اِلَّا اللّٰہُ ۘؔ وَ الرّٰسِخُوۡنَ فِی الۡعِلۡمِ یَقُوۡلُوۡنَ اٰمَنَّا بِہٖ ۙ کُلٌّ مِّنۡ عِنۡدِ رَبِّنَا ۚ وَ مَا یَذَّکَّرُ اِلَّاۤ اُولُوا الۡاَلۡبَابِ ﴿۷﴾

003.007 Huwa allathee anzala AAalayka alkitaba minhu ayatun muhkamatun hunna ommu alkitabi waokharu mutashabihatun faamma allatheena fee quloobihim zayghun fayattabiAAoona ma tashabaha minhu ibtighaa alfitnati waibtighaa ta/weelihi wama yaAAlamu ta/weelahu illa Allahu waalrrasikhoona fee alAAilmi yaqooloona amanna bihi kullun min AAindi rabbina wama yaththakkaru illa oloo al-albabi

3:7 Hij is Degene die het boek aan jou heeft geopenbaard. Daarin zijn eenduidige verzen, deze vormen het fundament van het boek, en andere (verzen) zijn voor meer uitleg vatbaar. Degenen die verdorvenheid in hun harten hebben volgen (altijd) de meerduidigheid (mutashabihat), zoekende naar Fitnah/onenigheid en naar de ware uitleg ervan. En niemand weet de uitleg ervan behalve Allah. En degenen die rijk zijn in kennis, zeggen: "Wij geloven er in, alles is van onze Heer". En niemand zal zich zelf vermanen, behalve de bezitter van verstand.


رَبَّنَا لَا تُزِغۡ قُلُوۡبَنَا بَعۡدَ اِذۡ ہَدَیۡتَنَا وَ ہَبۡ لَنَا مِنۡ لَّدُنۡکَ رَحۡمَۃً ۚ اِنَّکَ اَنۡتَ الۡوَہَّابُ ﴿۸﴾

003.008 Rabbana la tuzigh quloobana baAAda ith hadaytana wahab lana min ladunka rahmatan innaka anta alwahhabu

3:8 (Zeg:) "Onze Heer, laat onze harten niet afwijken nadat U ons geleid heeft en schenk ons Uw barmhartigheid. Voorzeker, U bent de Schenker".


رَبَّنَاۤ اِنَّکَ جَامِعُ النَّاسِ لِیَوۡمٍ لَّا رَیۡبَ فِیۡہِ ؕ اِنَّ اللّٰہَ لَا یُخۡلِفُ الۡمِیۡعَادَ ﴿۹﴾

003.009 Rabbana innaka jamiAAu alnnasi liyawmin la rayba feehi inna Allaha la yukhlifu almeeAAada

3:9 (Zeg:) "Onze Heer! Voorzeker, U zult de mensheid verzamelen op een Dag, er is geen twijfel daaraan". Voorzeker, Allah, breekt geen beloftes.


اِنَّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لَنۡ تُغۡنِیَ عَنۡہُمۡ اَمۡوَالُہُمۡ وَ لَاۤ اَوۡلَادُہُمۡ مِّنَ اللّٰہِ شَیۡئًا ؕ وَ اُولٰٓئِکَ ہُمۡ وَقُوۡدُ النَّارِ ﴿ۙ۱۰﴾

003.010 Inna allatheena kafaroo lan tughniya AAanhum amwaluhum wala awladuhum mina Allahi shay-an waola-ika hum waqoodu alnnari

3:10 Voorzeker, degene die niet geloven, nooit zullen hun rijkdommen, en noch zullen hun kinderen iets baten tegen (de bestraffing van) Allah. En zij zijn degenen die de brandstof voor de hel zijn.


کَدَاۡبِ اٰلِ فِرۡعَوۡنَ ۙ وَ الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِہِمۡ ؕ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا ۚ فَاَخَذَہُمُ اللّٰہُ بِذُنُوۡبِہِمۡ ؕ وَ اللّٰہُ شَدِیۡدُ الۡعِقَابِ ﴿۱۱﴾

003.011 Kada/bi ali firAAawna waallatheena min qablihim kaththaboo bi-ayatina faakhathahumu Allahu bithunoobihim waAllahu shadeedu alAAiqabi

3:11 Net als het gedrag van Farao's volk en van degenen die voor hun tijd leefden. Zij loochenden Onze tekenen. Dus greep Allah hen voor hun zonden. En Allah is streng in het bestraffen.


قُلۡ لِّلَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا سَتُغۡلَبُوۡنَ وَ تُحۡشَرُوۡنَ اِلٰی جَہَنَّمَ ؕ وَ بِئۡسَ الۡمِہَادُ ﴿۱۲﴾

003.012 Qul lillatheena kafaroo satughlaboona watuhsharoona ila jahannama wabi/sa almihadu

3:12 Zeg tot degenen die niet geloven: "Jullie zullen overmeesterd worden en naar de Hel verzameld worden. Dat is een zeer slechte rustplaats.


قَدۡ کَانَ لَکُمۡ اٰیَۃٌ فِیۡ فِئَتَیۡنِ الۡتَقَتَا ؕ فِئَۃٌ تُقَاتِلُ فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ وَ اُخۡرٰی کَافِرَۃٌ یَّرَوۡنَہُمۡ مِّثۡلَیۡہِمۡ رَاۡیَ الۡعَیۡنِ ؕ وَ اللّٰہُ یُؤَیِّدُ بِنَصۡرِہٖ مَنۡ یَّشَآءُ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَعِبۡرَۃً لِّاُولِی الۡاَبۡصَارِ ﴿۱۳﴾

003.013 Qad kana lakum ayatun fee fi-atayni iltaqata fi-atun tuqatilu fee sabeeli Allahi waokhra kafiratun yarawnahum mithlayhim ra/ya alAAayni waAllahu yu-ayyidu binasrihi man yashao inna fee thalika laAAibratan li-olee al-absari

3:13 Zeker, de veldslag van de twee legers, dat was een teken voor jullie. Een groep vechtende op de weg van Allah en de andere (vechtende op de weg van Thagoet) waren de niet gelovigen . Zij zagen hen als het dubbele van hun eigen aantal, in het gezichtsveld van hun ogen. En Allah ondersteunt wie Hij wil met Zijn hulp. Voorzeker, daarin is zeker een lering voor de bezitters van inzicht.


زُیِّنَ لِلنَّاسِ حُبُّ الشَّہَوٰتِ مِنَ النِّسَآءِ وَ الۡبَنِیۡنَ وَ الۡقَنَاطِیۡرِ الۡمُقَنۡطَرَۃِ مِنَ الذَّہَبِ وَ الۡفِضَّۃِ وَ الۡخَیۡلِ الۡمُسَوَّمَۃِ وَ الۡاَنۡعَامِ وَ الۡحَرۡثِ ؕ ذٰلِکَ مَتَاعُ الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا ۚ وَ اللّٰہُ عِنۡدَہٗ حُسۡنُ الۡمَاٰبِ ﴿۱۴﴾

003.014 Zuyyina lilnnasi hubbu alshshahawati mina alnnisa-i waalbaneena waalqanateeri almuqantarati mina alththahabi waalfiddati waalkhayli almusawwamati waal-anAAami waalharthi thalika mataAAu alhayati alddunya waAllahu AAindahu husnu almaabi

3:14 Voor de mensheid is het genot van de dingen die zij verlangen verleidelijk gemaakt, zoals vrouwen, zonen, opgestapelde hopen van goud en zilver, gemerkte paarden, vee, en bebouwd land. Dat zijn de voorzieningen van het wereldse leven. Maar Allah!, bij Hem is er een voortreffelijk verblijfplaats om er naar terug te keren.


قُلۡ اَؤُنَبِّئُکُمۡ بِخَیۡرٍ مِّنۡ ذٰلِکُمۡ ؕ لِلَّذِیۡنَ اتَّقَوۡا عِنۡدَ رَبِّہِمۡ جَنّٰتٌ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا وَ اَزۡوَاجٌ مُّطَہَّرَۃٌ وَّ رِضۡوَانٌ مِّنَ اللّٰہِ ؕ وَ اللّٰہُ بَصِیۡرٌۢ بِالۡعِبَادِ ﴿ۚ۱۵﴾

003.015 Qul aonabbi-okum bikhayrin min thalikum lillatheena ittaqaw AAinda rabbihim jannatun tajree min tahtiha al-anharu khalideena feeha waazwajun mutahharatun waridwanun mina Allahi waAllahu baseerun bialAAibadi

3:15 Zeg: "Zal ik jullie informeren over iets beter dan dat? Voor degenen die Taqwah hebben, bij zijn Heer zijn er tuinen waaronder rivieren stromen, eeuwig vertoevend erin, met pure echtgenotes, en de tevredenheid van Allah. En Allah is Alziende over zijn dienaren.


اَلَّذِیۡنَ یَقُوۡلُوۡنَ رَبَّنَاۤ اِنَّنَاۤ اٰمَنَّا فَاغۡفِرۡ لَنَا ذُنُوۡبَنَا وَ قِنَا عَذَابَ النَّارِ ﴿ۚ۱۶﴾

003.016 Allatheena yaqooloona rabbana innana amanna faighfir lana thunoobana waqina AAathaba alnnari

3:16 Dit zijn degenen die zeggen: "Onze Heer, voorzeker, we hebben geloofd, dus vergeef onze zondes en bescherm ons tegen de bestraffing van de Hel".


اَلصّٰبِرِیۡنَ وَ الصّٰدِقِیۡنَ وَ الۡقٰنِتِیۡنَ وَ الۡمُنۡفِقِیۡنَ وَ الۡمُسۡتَغۡفِرِیۡنَ بِالۡاَسۡحَارِ ﴿۱۷﴾

003.017 Alssabireena waalssadiqeena waalqaniteena waalmunfiqeena waalmustaghfireena bial-ashari

3:17 (Zij zijn) De geduldigen, de waarheidsgetrouwen, de gehoorzamen, degenen die uitgeven (zoekende naar de welbehagen van Allah) en degenen die zoeken naar de vergiffenis (van Allah in de nachten) voor zonsopgang.


شَہِدَ اللّٰہُ اَنَّہٗ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ ۙ وَ الۡمَلٰٓئِکَۃُ وَ اُولُوا الۡعِلۡمِ قَآئِمًۢا بِالۡقِسۡطِ ؕ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ الۡعَزِیۡزُ الۡحَکِیۡمُ ﴿ؕ۱۸﴾

003.018 Shahida Allahu annahu la ilaha illa huwa waalmala-ikatu waoloo alAAilmi qa-iman bialqisti la ilaha illa huwa alAAazeezu alhakeemu

3:18 Allah getuigt dat er geen deteit is dan Hij. En (zo doen) de Engelen en de bezitters van kennis, standvastig in gerechtigheid. Er is geen deteit dan Hij, de Almachtige, de Alwijze.


اِنَّ الدِّیۡنَ عِنۡدَ اللّٰہِ الۡاِسۡلَامُ ۟ وَ مَا اخۡتَلَفَ الَّذِیۡنَ اُوۡتُوا الۡکِتٰبَ اِلَّا مِنۡۢ بَعۡدِ مَا جَآءَہُمُ الۡعِلۡمُ بَغۡیًۢا بَیۡنَہُمۡ ؕ وَ مَنۡ یَّکۡفُرۡ بِاٰیٰتِ اللّٰہِ فَاِنَّ اللّٰہَ سَرِیۡعُ الۡحِسَابِ ﴿۱۹﴾

003.019 Inna alddeena AAinda Allahi al-islamu wama ikhtalafa allatheena ootoo alkitaba illa min baAAdi ma jaahumu alAAilmu baghyan baynahum waman yakfur bi-ayati Allahi fa-inna Allaha sareeAAu alhisabi

3:19 Voorzeker, de religie van Allah is de Islam. Degenen aan wie het boek gegeven was verschilden pas van mening nadat de kennis tot hen kwam, uit onderlinge afgunst. En wie de Tekenen van Allah loochent, dan voorzeker, Allah is snel in het afrekenen.


فَاِنۡ حَآجُّوۡکَ فَقُلۡ اَسۡلَمۡتُ وَجۡہِیَ لِلّٰہِ وَ مَنِ اتَّبَعَنِ ؕ وَ قُلۡ لِّلَّذِیۡنَ اُوۡتُوا الۡکِتٰبَ وَ الۡاُمِّیّٖنَ ءَاَسۡلَمۡتُمۡ ؕ فَاِنۡ اَسۡلَمُوۡا فَقَدِ اہۡتَدَوۡا ۚ وَ اِنۡ تَوَلَّوۡا فَاِنَّمَا عَلَیۡکَ الۡبَلٰغُ ؕ وَ اللّٰہُ بَصِیۡرٌۢ بِالۡعِبَادِ ﴿۲۰﴾

003.020 Fa-in hajjooka faqul aslamtu wajhiya lillahi wamani ittabaAAani waqul lillatheena ootoo alkitaba waal-ommiyyeena aaslamtum fa-in aslamoo faqadi ihtadaw wa-in tawallaw fa-innama AAalayka albalaghu waAllahu baseerun bialAAibadi

3:20 En als zij dan met jou redetwisten, zeg dan: "Ik heb mijzelf onderworpen aan Allah en (zo ook) degenen die mij volgen". En zeg tegen degenen aan wie het Boek gegeven is en aan de analfabeten: "Hebben jullie jezelf onderworpen (aan Allah)"? Als zij zich onderworpen hebben, dan zeker, zij zijn geleid. Maar als zij zich afkeren, dan rust er slechts op jou (de plicht van) het verkondigen. En Allah is Alziende over zijn dienaren.


اِنَّ الَّذِیۡنَ یَکۡفُرُوۡنَ بِاٰیٰتِ اللّٰہِ وَ یَقۡتُلُوۡنَ النَّبِیّٖنَ بِغَیۡرِ حَقٍّ ۙ وَّ یَقۡتُلُوۡنَ الَّذِیۡنَ یَاۡمُرُوۡنَ بِالۡقِسۡطِ مِنَ النَّاسِ ۙ فَبَشِّرۡہُمۡ بِعَذَابٍ اَلِیۡمٍ ﴿۲۱﴾

003.021 Inna allatheena yakfuroona bi-ayati Allahi wayaqtuloona alnnabiyyeena bighayri haqqin wayaqtuloona allatheena ya/muroona bialqisti mina alnnasi fabashshirhum biAAathabin aleemin

3:21 Voorzeker, degenen die niet in de Tekenen van Allah geloven, en zonder enig recht de profeten doden en degenen doden die tot gerechtigheid onder de mensen bevelen, verkondig hen een pijnlijke straf.


اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ حَبِطَتۡ اَعۡمَالُہُمۡ فِی الدُّنۡیَا وَ الۡاٰخِرَۃِ ۫ وَ مَا لَہُمۡ مِّنۡ نّٰصِرِیۡنَ ﴿۲۲﴾

003.022 Ola-ika allatheena habitat aAAmaluhum fee alddunya waal-akhirati wama lahum min nasireena

3:22 Zij zijn het van wie de daden, zowel in deze wereld als voor het hiernamaals, vruchteloos zijn. En er zullen voor hen geen helpers zijn.


اَلَمۡ تَرَ اِلَی الَّذِیۡنَ اُوۡتُوۡا نَصِیۡبًا مِّنَ الۡکِتٰبِ یُدۡعَوۡنَ اِلٰی کِتٰبِ اللّٰہِ لِیَحۡکُمَ بَیۡنَہُمۡ ثُمَّ یَتَوَلّٰی فَرِیۡقٌ مِّنۡہُمۡ وَ ہُمۡ مُّعۡرِضُوۡنَ ﴿۲۳﴾

003.023 Alam tara ila allatheena ootoo naseeban mina alkitabi yudAAawna ila kitabi Allahi liyahkuma baynahum thumma yatawalla fareequn minhum wahum muAAridoona

3:23 Heb jij degenen niet gezien aan wie een deel van het boek werd gegeven? Zij werden opgeroepen tot Allah's boek, zodat het tussen hen zou verzoenen. Vervolgens, wende een groep ervan af en zij zijn degenen die er afkerig van zijn.


ذٰلِکَ بِاَنَّہُمۡ قَالُوۡا لَنۡ تَمَسَّنَا النَّارُ اِلَّاۤ اَیَّامًا مَّعۡدُوۡدٰتٍ ۪ وَ غَرَّہُمۡ فِیۡ دِیۡنِہِمۡ مَّا کَانُوۡا یَفۡتَرُوۡنَ ﴿۲۴﴾

003.024 Thalika bi-annahum qaloo lan tamassana alnnaru illa ayyaman maAAdoodatin wagharrahum fee deenihim ma kanoo yaftaroona

3:24 Dat is omdat zij zeggen: "De hel zal ons slechts voor een aantal dagen aanraken". En hetgeen wat zij (de leiders) bedachten in hun religie heeft hun (de volgelingen) bedrogen.


فَکَیۡفَ اِذَا جَمَعۡنٰہُمۡ لِیَوۡمٍ لَّا رَیۡبَ فِیۡہِ ۟ وَ وُفِّیَتۡ کُلُّ نَفۡسٍ مَّا کَسَبَتۡ وَ ہُمۡ لَا یُظۡلَمُوۡنَ ﴿۲۵﴾

003.025 Fakayfa itha jamaAAnahum liyawmin la rayba feehi wawuffiyat kullu nafsin ma kasabat wahum la yuthlamoona

3:25 Hoe zal het dan zijn, wanneer Wij hen verzamelen op een Dag waaraan geen twijfel is. En elke Nafs zal volledig worden uitbetaald voor wat zij verdiende. En er zal geen onrecht worden aangedaan op hen.


قُلِ اللّٰہُمَّ مٰلِکَ الۡمُلۡکِ تُؤۡتِی الۡمُلۡکَ مَنۡ تَشَآءُ وَ تَنۡزِعُ الۡمُلۡکَ مِمَّنۡ تَشَآءُ ۫ وَ تُعِزُّ مَنۡ تَشَآءُ وَ تُذِلُّ مَنۡ تَشَآءُ ؕ بِیَدِکَ الۡخَیۡرُ ؕ اِنَّکَ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرٌ ﴿۲۶﴾

003.026 Quli allahumma malika almulki tu/tee almulka man tashao watanziAAu almulka mimman tashao watuAAizzu man tashao watuthillu man tashao biyadika alkhayru innaka AAala kulli shay-in qadeerun

3:26 Zeg: "O Allah, Eigenaar van het Koninkrijk. U geeft het koninkrijk aan wie U wilt en U ontneemt het met kracht van wie U wilt, en U eert wie U wilt en U vernedert wie U wilt. In Uw hand is al het goede. Voorzeker, U bent over alles Almachtig".


تُوۡلِجُ الَّیۡلَ فِی النَّہَارِ وَ تُوۡلِجُ النَّہَارَ فِی الَّیۡلِ ۫ وَ تُخۡرِجُ الۡحَیَّ مِنَ الۡمَیِّتِ وَ تُخۡرِجُ الۡمَیِّتَ مِنَ الۡحَیِّ ۫ وَ تَرۡزُقُ مَنۡ تَشَآءُ بِغَیۡرِ حِسَابٍ ﴿۲۷﴾

003.027 Tooliju allayla fee alnnahari watooliju alnnahara fee allayli watukhriju alhayya mina almayyiti watukhriju almayyita mina alhayyi watarzuqu man tashao bighayri hisabin

3:27 "U laat de nacht overgaan in de dag en U laat de dag overgaan in de nacht. En U brengt het levende voort uit de dode en U brengt de dode voort uit het levende. En U geeft voorzieningen zonder een verrekening aan wie U wilt".


لَا یَتَّخِذِ الۡمُؤۡمِنُوۡنَ الۡکٰفِرِیۡنَ اَوۡلِیَآءَ مِنۡ دُوۡنِ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ۚ وَ مَنۡ یَّفۡعَلۡ ذٰلِکَ فَلَیۡسَ مِنَ اللّٰہِ فِیۡ شَیۡءٍ اِلَّاۤ اَنۡ تَتَّقُوۡا مِنۡہُمۡ تُقٰىۃً ؕ وَ یُحَذِّرُکُمُ اللّٰہُ نَفۡسَہٗ ؕ وَ اِلَی اللّٰہِ الۡمَصِیۡرُ ﴿۲۸﴾

003.028 La yattakhithi almu/minoona alkafireena awliyaa min dooni almu/mineena waman yafAAal thalika falaysa mina Allahi fee shay-in illa an tattaqoo minhum tuqatan wayuhaththirukumu Allahu nafsahu wa-ila Allahi almaseeru

3:28 Laten de gelovigen, de ongelovigen niet als Awliyaa (boezem vrienden) nemen in plaats van de gelovigen. En wie het (toch) doet, dan krijgt hij geen enkel steun van Allah. Behalve als jullie jullie zelf beschermen tegen hen met de bescherming van kennis. En Allah Zelf, waarschuwt jullie voor hen en tot Allah is de definitieve terugkeer.


قُلۡ اِنۡ تُخۡفُوۡا مَا فِیۡ صُدُوۡرِکُمۡ اَوۡ تُبۡدُوۡہُ یَعۡلَمۡہُ اللّٰہُ ؕ وَ یَعۡلَمُ مَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ مَا فِی الۡاَرۡضِ ؕ وَ اللّٰہُ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرٌ ﴿۲۹﴾

003.029 Qul in tukhfoo ma fee sudoorikum aw tubdoohu yaAAlamhu Allahu wayaAAlamu ma fee alssamawati wama fee al-ardi waAllahu AAala kulli shay-in qadeerun

3:29 Zeg: "Wat jullie in jullie borsten verbergen of ervan bekendmaken, Allah weet ervan". En Hij weet wat in de hemelen en wat op aarde is. En Allah is over alles Almachtig".


یَوۡمَ تَجِدُ کُلُّ نَفۡسٍ مَّا عَمِلَتۡ مِنۡ خَیۡرٍ مُّحۡضَرًا ۚۖۛ وَّ مَا عَمِلَتۡ مِنۡ سُوۡٓءٍ ۚۛ تَوَدُّ لَوۡ اَنَّ بَیۡنَہَا وَ بَیۡنَہٗۤ اَمَدًۢا بَعِیۡدًا ؕ وَ یُحَذِّرُکُمُ اللّٰہُ نَفۡسَہٗ ؕ وَ اللّٰہُ رَءُوۡفٌۢ بِالۡعِبَادِ ﴿۳۰﴾

003.030 Yawma tajidu kullu nafsin ma AAamilat min khayrin muhdaran wama AAamilat min soo-in tawaddu law anna baynaha wabaynahu amadan baAAeedan wayuhaththirukumu Allahu nafsahu waAllahu raoofun bialAAibadi

3:30 Op de Dag, waarop elke Nafs aangereikt krijgt wat hij goed gedaan heeft en wat hij slecht gedaan heeft, zal hij wensen dat er een grote afstand was tussen hem en het (zijn slechte daden). En Allah zelf waarschuwt jullie en Allah is meest barmhartig naar Zijn dienaren (iedereen, dus ook naar de ongelovigen) toe.


قُلۡ اِنۡ کُنۡتُمۡ تُحِبُّوۡنَ اللّٰہَ فَاتَّبِعُوۡنِیۡ یُحۡبِبۡکُمُ اللّٰہُ وَ یَغۡفِرۡ لَکُمۡ ذُنُوۡبَکُمۡ ؕ وَ اللّٰہُ غَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۳۱﴾

003.031 Qul in kuntum tuhibboona Allaha faittabiAAoonee yuhbibkumu Allahu wayaghfir lakum thunoobakum waAllahu ghafoorun raheemun

3:31 Zeg: "Als jullie van Allah houden, volg mij dan. Allah zal van jullie houden en Hij zal jullie zonden voor jullie vergeven. En Allah is Vergevensgezind, meest Genadevol".


قُلۡ اَطِیۡعُوا اللّٰہَ وَ الرَّسُوۡلَ ۚ فَاِنۡ تَوَلَّوۡا فَاِنَّ اللّٰہَ لَا یُحِبُّ الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۳۲﴾

3:32 Zeg: "Gehoorzaam Allah en de Boodschapper". Als zij dan afwenden, voorzeker, Allah houdt niet van de ongelovigen.


اِنَّ اللّٰہَ اصۡطَفٰۤی اٰدَمَ وَ نُوۡحًا وَّ اٰلَ اِبۡرٰہِیۡمَ وَ اٰلَ عِمۡرٰنَ عَلَی الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿ۙ۳۳﴾

003.033 Inna Allaha istafa adama wanoohan waala ibraheema waala AAimrana AAala alAAalameena

3:33 Voorzeker, Allah verkoos Adam, Noach, de familie van Abraham en de familie van Imraan boven de werelden.


ذُرِّیَّۃًۢ بَعۡضُہَا مِنۡۢ بَعۡضٍ ؕ وَ اللّٰہُ سَمِیۡعٌ عَلِیۡمٌ ﴿ۚ۳۴﴾

003.034 Thurriyyatan baAAduha min baAAdin waAllahu sameeAAun AAaleemun

3:34 Zij zijn nakomelingen van n na de ander. En Allah is Alhorend, Alwetend.


اِذۡ قَالَتِ امۡرَاَتُ عِمۡرٰنَ رَبِّ اِنِّیۡ نَذَرۡتُ لَکَ مَا فِیۡ بَطۡنِیۡ مُحَرَّرًا فَتَقَبَّلۡ مِنِّیۡ ۚ اِنَّکَ اَنۡتَ السَّمِیۡعُ الۡعَلِیۡمُ ﴿۳۵﴾

003.035 Ith qalati imraatu AAimrana rabbi innee nathartu laka ma fee batnee muharraran fataqabbal minnee innaka anta alssameeAAu alAAaleemu

3:35 Toen de vrouw van Imraan zei: "Mijn Heer! Voorzeker, ik heb gezworen tot U dat ik hetgeen wat in mijn baarmoeder is, toewijd aan u. Accepteer het van mij. Voorzeker, U bent de Alhorende, de Alwetende".


فَلَمَّا وَضَعَتۡہَا قَالَتۡ رَبِّ اِنِّیۡ وَضَعۡتُہَاۤ اُنۡثٰی ؕ وَ اللّٰہُ اَعۡلَمُ بِمَا وَضَعَتۡ ؕ وَ لَیۡسَ الذَّکَرُ کَالۡاُنۡثٰی ۚ وَ اِنِّیۡ سَمَّیۡتُہَا مَرۡیَمَ وَ اِنِّیۡۤ اُعِیۡذُہَا بِکَ وَ ذُرِّیَّتَہَا مِنَ الشَّیۡطٰنِ الرَّجِیۡمِ ﴿۳۶﴾

003.036 Falamma wadaAAat-ha qalat rabbi innee wadaAAtuha ontha waAllahu aAAlamu bima wadaAAat walaysa alththakaru kaalontha wa-innee sammaytuha maryama wa-innee oAAeethuha bika wathurriyyataha mina alshshaytani alrrajeemi

3:36 Toen zij haar gebaard had, zei ze: "Mijn Heer, voorzeker ik heb een meisje gebaard". En Allah weet beter wat zij gebaard had. De man is niet gelijk aan de vrouw. (Ze zei:)"En ik heb haar Maryam genoemd en ik zoek toevlucht voor haar en voor haar nageslacht bij U tegen de satan."


فَتَقَبَّلَہَا رَبُّہَا بِقَبُوۡلٍ حَسَنٍ وَّ اَنۡۢبَتَہَا نَبَاتًا حَسَنًا ۙ وَّ کَفَّلَہَا زَکَرِیَّا ۚؕ کُلَّمَا دَخَلَ عَلَیۡہَا زَکَرِیَّا الۡمِحۡرَابَ ۙ وَجَدَ عِنۡدَہَا رِزۡقًا ۚ قَالَ یٰمَرۡیَمُ اَنّٰی لَکِ ہٰذَا ؕ قَالَتۡ ہُوَ مِنۡ عِنۡدِ اللّٰہِ ؕ اِنَّ اللّٰہَ یَرۡزُقُ مَنۡ یَّشَآءُ بِغَیۡرِ حِسَابٍ ﴿۳۷﴾

003.037 Fataqabbalaha rabbuha biqaboolin hasanin waanbataha nabatan hasanan wakaffalaha zakariyya kullama dakhala AAalayha zakariyya almihraba wajada AAindaha rizqan qala ya maryamu anna laki hatha qalat huwa min AAindi Allahi inna Allaha yarzuqu man yashao bighayri hisabin

3:37 Toen verhoorde haar Heer haar (smeekgebed) met een mooie uitwerking en deed haar (Maryam) goed opgroeien en legde haar in de zorg van Zakaria. Telkens wanneer Zakaria bij haar in de gebedsruimte binnenkwam, trof hij voorzieningen bij haar aan. Hij zei: "O Maryam, waar komt dit vandaan"? Zij zei: "Dit komt van Allah, voorzeker, Allah geeft voorzieningen aan wie Hij wil zonder een verrekening".


ہُنَالِکَ دَعَا زَکَرِیَّا رَبَّہٗ ۚ قَالَ رَبِّ ہَبۡ لِیۡ مِنۡ لَّدُنۡکَ ذُرِّیَّۃً طَیِّبَۃً ۚ اِنَّکَ سَمِیۡعُ الدُّعَآءِ ﴿۳۸﴾

003.038 Hunalika daAAa zakariyya rabbahu qala rabbi hab lee min ladunka thurriyyatan tayyibatan innaka sameeAAu aldduAAa/-i

3:38 Daarop riep Zakaria zijn Heer aan, hij zei: "O, mijn Heer, schenk mij van U een zuiver nageslacht. Voorzeker, U bent de verhoorder van het gebed".


فَنَادَتۡہُ الۡمَلٰٓئِکَۃُ وَ ہُوَ قَآئِمٌ یُّصَلِّیۡ فِی الۡمِحۡرَابِ ۙ اَنَّ اللّٰہَ یُبَشِّرُکَ بِیَحۡیٰی مُصَدِّقًۢا بِکَلِمَۃٍ مِّنَ اللّٰہِ وَ سَیِّدًا وَّ حَصُوۡرًا وَّ نَبِیًّا مِّنَ الصّٰلِحِیۡنَ ﴿۳۹﴾

003.039 Fanadat-hu almala-ikatu wahuwa qa-imun yusallee fee almihrabi anna Allaha yubashshiruka biyahya musaddiqan bikalimatin mina Allahi wasayyidan wahasooran wanabiyyan mina alssaliheena

3:39 Toen hij staande aan het bidden was in de gebedsruimte, riepen de engelen hem aan: "Voorzeker Allah, geeft jou het goede nieuws van (de geboorte van jouw zoon) Yahya, die het woord van Allah ("Wees!"; de schepping van Isa en zijn profeetschap) bekrachtigt, en die (Yahya) nobel, kuis, en een profeet is, behorende tot de rechtvaardigen."


قَالَ رَبِّ اَنّٰی یَکُوۡنُ لِیۡ غُلٰمٌ وَّ قَدۡ بَلَغَنِیَ الۡکِبَرُ وَ امۡرَاَتِیۡ عَاقِرٌ ؕ قَالَ کَذٰلِکَ اللّٰہُ یَفۡعَلُ مَا یَشَآءُ ﴿۴۰﴾

003.040 Qala rabbi anna yakoonu lee ghulamun waqad balaghaniya alkibaru waimraatee AAaqirun qala kathalika Allahu yafAAalu ma yasha/o

3:40 Hij zei: "O mijn Heer, hoe kan er voor mij een zoon zijn, waarlijk, de oude leeftijd heeft mij bereikt en mijn vrouw is onvruchtbaar?" Hij (Allah) zei: "Het zal gebeuren, Allah doet wat Hij wil."


قَالَ رَبِّ اجۡعَلۡ لِّیۡۤ اٰیَۃً ؕ قَالَ اٰیَتُکَ اَلَّا تُکَلِّمَ النَّاسَ ثَلٰثَۃَ اَیَّامٍ اِلَّا رَمۡزًا ؕ وَ اذۡکُرۡ رَّبَّکَ کَثِیۡرًا وَّ سَبِّحۡ بِالۡعَشِیِّ وَ الۡاِبۡکَارِ ﴿٪۴۱

003.041 Qala rabbi ijAAal lee ayatan qala ayatuka alla tukallima alnnasa thalathata ayyamin illa ramzan waothkur rabbaka katheeran wasabbih bialAAashiyyi waal-ibkari

3:41 Hij zei: "Mijn Heer, geef mij een teken." Hij (Allah) zei: "Jouw teken is, dat jij voor drie dagen tegen de mensen niet kan spreken, behalve door middel van gebaren. En gedenk jouw Heer veel en verheerlijk Hem in de avond en in de ochtend."


وَ اِذۡ قَالَتِ الۡمَلٰٓئِکَۃُ یٰمَرۡیَمُ اِنَّ اللّٰہَ اصۡطَفٰکِ وَ طَہَّرَکِ وَ اصۡطَفٰکِ عَلٰی نِسَآءِ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۴۲﴾

003.042 Wa-ith qalati almala-ikatu ya maryamu inna Allaha istafaki watahharaki waistafaki AAala nisa-i alAAalameena

3:42 En toen de Engelen zeiden: "O Maryam! Voorzeker Allah heeft jou gekozen, jou gezuiverd en jou uitverkoren boven de vrouwen van de werelden.


یٰمَرۡیَمُ اقۡنُتِیۡ لِرَبِّکِ وَ اسۡجُدِیۡ وَ ارۡکَعِیۡ مَعَ الرّٰکِعِیۡنَ ﴿۴۳﴾

003.043 Ya maryamu oqnutee lirabbiki waosjudee wairkaAAee maAAa alrrakiAAeena

3:43 O Maryam! Wees gehoorzaam tot jouw Heer, prostreer en buig met degenen die neerbuigen".


ذٰلِکَ مِنۡ اَنۡۢبَآءِ الۡغَیۡبِ نُوۡحِیۡہِ اِلَیۡکَ ؕ وَ مَا کُنۡتَ لَدَیۡہِمۡ اِذۡ یُلۡقُوۡنَ اَقۡلَامَہُمۡ اَیُّہُمۡ یَکۡفُلُ مَرۡیَمَ ۪ وَ مَا کُنۡتَ لَدَیۡہِمۡ اِذۡ یَخۡتَصِمُوۡنَ ﴿۴۴﴾

003.044 Thalika min anba-i alghaybi nooheehi ilayka wama kunta ladayhim ith yulqoona aqlamahum ayyuhum yakfulu maryama wama kunta ladayhim ith yakhtasimoona

3:44 Dat zijn berichten van het ongeziene die Wij aan jou (Mohammed) openbaren. En jij was niet met hen toen zij hun pennen worpen om te besluiten welke van hen de voogd over Maryam zou nemen, noch was jij daar toen zij (erover) redetwisten.


اِذۡ قَالَتِ الۡمَلٰٓئِکَۃُ یٰمَرۡیَمُ اِنَّ اللّٰہَ یُبَشِّرُکِ بِکَلِمَۃٍ مِّنۡہُ ٭ۖ اسۡمُہُ الۡمَسِیۡحُ عِیۡسَی ابۡنُ مَرۡیَمَ وَجِیۡہًا فِی الدُّنۡیَا وَ الۡاٰخِرَۃِ وَ مِنَ الۡمُقَرَّبِیۡنَ ﴿ۙ۴۵﴾

003.045 Ith qalati almala-ikatu ya maryamu inna Allaha yubashshiruki bikalimatin minhu ismuhu almaseehu AAeesa ibnu maryama wajeehan fee alddunya waal-akhirati wamina almuqarrabeena

3:45 (Gedenk) toen de Engelen zeiden: "O Maryam! Voorzeker, Allah geef het goede nieuws van n van Zijn woorden ("Wees!"). Zijn naam is de Messias Isa, zoon van Maryam, geerd in deze wereld en in het hiernamaals, en behorend tot degenen die dicht bij (Allah) gebracht wordt.


وَ یُکَلِّمُ النَّاسَ فِی الۡمَہۡدِ وَ کَہۡلًا وَّ مِنَ الصّٰلِحِیۡنَ ﴿۴۶﴾

003.046 Wayukallimu alnnasa fee almahdi wakahlan wamina alssaliheena

3:46 En hij zal tot de mensen spreken vanuit de wieg en in volwassenheid. En hij zal behoren tot de rechtvaardigen".


قَالَتۡ رَبِّ اَنّٰی یَکُوۡنُ لِیۡ وَلَدٌ وَّ لَمۡ یَمۡسَسۡنِیۡ بَشَرٌ ؕ قَالَ کَذٰلِکِ اللّٰہُ یَخۡلُقُ مَا یَشَآءُ ؕ اِذَا قَضٰۤی اَمۡرًا فَاِنَّمَا یَقُوۡلُ لَہٗ کُنۡ فَیَکُوۡنُ ﴿۴۷﴾

003.047 Qalat rabbi anna yakoonu lee waladun walam yamsasnee basharun qala kathaliki Allahu yakhluqu ma yashao itha qada amran fa-innama yaqoolu lahu kun fayakoonu

3:47 Zij (Maryam) zei: "Mijn Heer, hoe kan ik een kind krijgen als geen man mijn heeft aangeraakt?" Hij (Allah) zei: "Het zal gebeuren, Allah schept wat Hij wil". Hij verordent een zaak, dan zegt Hij er slechts tegen "Wees!", en het geschiedt.


وَ یُعَلِّمُہُ الۡکِتٰبَ وَ الۡحِکۡمَۃَ وَ التَّوۡرٰىۃَ وَ الۡاِنۡجِیۡلَ ﴿ۚ۴۸﴾

003.048 WayuAAallimuhu alkitaba waalhikmata waalttawrata waal-injeela

3:48 En Hij zal hem het boek (de Kuran), de wijsheid (de Hadies), de Taurat en de Injiel onderwijzen.


وَ رَسُوۡلًا اِلٰی بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ ۬ۙ اَنِّیۡ قَدۡ جِئۡتُکُمۡ بِاٰیَۃٍ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ ۙ اَنِّیۡۤ اَخۡلُقُ لَکُمۡ مِّنَ الطِّیۡنِ کَہَیۡـَٔۃِ الطَّیۡرِ فَاَنۡفُخُ فِیۡہِ فَیَکُوۡنُ طَیۡرًۢا بِاِذۡنِ اللّٰہِ ۚ وَ اُبۡرِیُٔ الۡاَکۡمَہَ وَ الۡاَبۡرَصَ وَ اُحۡیِ الۡمَوۡتٰی بِاِذۡنِ اللّٰہِ ۚ وَ اُنَبِّئُکُمۡ بِمَا تَاۡکُلُوۡنَ وَ مَا تَدَّخِرُوۡنَ ۙ فِیۡ بُیُوۡتِکُمۡ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیَۃً لَّکُمۡ اِنۡ کُنۡتُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿ۚ۴۹﴾

003.049 Warasoolan ila banee isra-eela annee qad ji/tukum bi-ayatin min rabbikum annee akhluqu lakum mina altteeni kahay-ati alttayri faanfukhu feehi fayakoonu tayran bi-ithni Allahi waobri-o al-akmaha waal-abrasa waohyee almawta bi-ithni Allahi waonabbi-okum bima ta/kuloona wama taddakhiroona fee buyootikum inna fee thalika laayatan lakum in kuntum mu/mineena

3:49 En Hij zal hem een Boodschapper maken voor de kinderen van Isral, die zegt: "Voorzeker, ik ben tot jullie gekomen met een teken van jullie Heer, dat ik van klei de vorm van een vogel maak, vervolgens blaas ik erin en het wordt een vogel met de toestemming van Allah. En Ik genees de blinden en de lepralijder. En Ik geef leven aan de dode met de toestemming van Allah. En ik informeer jullie van wat jullie eten en wat jullie in jullie huizen bewaren. Voorzeker, daarin is zeker een teken voor jullie, als jullie geloven."


وَ مُصَدِّقًا لِّمَا بَیۡنَ یَدَیَّ مِنَ التَّوۡرٰىۃِ وَ لِاُحِلَّ لَکُمۡ بَعۡضَ الَّذِیۡ حُرِّمَ عَلَیۡکُمۡ وَ جِئۡتُکُمۡ بِاٰیَۃٍ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ ۟ فَاتَّقُوا اللّٰہَ وَ اَطِیۡعُوۡنِ ﴿۵۰﴾

003.050 Wamusaddiqan lima bayna yadayya mina alttawrati wali-ohilla lakum baAAda allathee hurrima AAalaykum waji/tukum bi-ayatin min rabbikum faittaqoo Allaha waateeAAooni

3:50 "En (ik ben gekomen om) hetgeen van de Taurat dat voor mij (tijd geopenbaard) was, te bevestigen. En dat ik sommige zaken dat voor jullie verboden was gesteld, wettig te maken. En ik ben met een teken van jullie Heer gekomen. Dus vreest Allah en gehoorzaamt mij".


اِنَّ اللّٰہَ رَبِّیۡ وَ رَبُّکُمۡ فَاعۡبُدُوۡہُ ؕ ہٰذَا صِرَاطٌ مُّسۡتَقِیۡمٌ ﴿۵۱﴾

003.051 Inna Allaha rabbee warabbukum faoAAbudoohu hatha siratun mustaqeemun

3:51 "Voorzeker, Allah is mijn Heer en jullie Heer, aanbid Hem dus, dit is de rechte Pad".


فَلَمَّاۤ اَحَسَّ عِیۡسٰی مِنۡہُمُ الۡکُفۡرَ قَالَ مَنۡ اَنۡصَارِیۡۤ اِلَی اللّٰہِ ؕ قَالَ الۡحَوَارِیُّوۡنَ نَحۡنُ اَنۡصَارُ اللّٰہِ ۚ اٰمَنَّا بِاللّٰہِ ۚ وَ اشۡہَدۡ بِاَنَّا مُسۡلِمُوۡنَ ﴿۵۲﴾

003.052 Falamma ahassa AAeesa minhumu alkufra qala man ansaree ila Allahi qala alhawariyyoona nahnu ansaru Allahi amanna biAllahi waishhad bi-anna muslimoona

3:52 Toen Isa ongeloof bij hen bemerkte, zei hij: "Wie zullen mij helpers zijn op de weg naar Allah"? De discipelen zeiden: "Wij zijn de dienaren van Allah. Wij geloven in Allah en wij getuigen dat we moslims zijn."


رَبَّنَاۤ اٰمَنَّا بِمَاۤ اَنۡزَلۡتَ وَ اتَّبَعۡنَا الرَّسُوۡلَ فَاکۡتُبۡنَا مَعَ الشّٰہِدِیۡنَ ﴿۵۳﴾

003.053 Rabbana amanna bima anzalta waittabaAAna alrrasoola faoktubna maAAa alshshahideena

3:53 "Onze Heer, wij geloven in wat U geopenbaard heeft en wij volgen de Boodschapper, schrijf ons daarom tot de getuigen".


وَ مَکَرُوۡا وَ مَکَرَ اللّٰہُ ؕ وَ اللّٰہُ خَیۡرُ الۡمٰکِرِیۡنَ ﴿٪۵۴﴾

003.054 Wamakaroo wamakara Allahu waAllahu khayru almakireena

3:54 En zij (de ongelovigen) maakte een complot (om Isa te doden) en Allah maakte een tegen plan (daarvoor). En Allah is het beste in het maken van plannen.


اِذۡ قَالَ اللّٰہُ یٰعِیۡسٰۤی اِنِّیۡ مُتَوَفِّیۡکَ وَ رَافِعُکَ اِلَیَّ وَ مُطَہِّرُکَ مِنَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا وَ جَاعِلُ الَّذِیۡنَ اتَّبَعُوۡکَ فَوۡقَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡۤا اِلٰی یَوۡمِ الۡقِیٰمَۃِ ۚ ثُمَّ اِلَیَّ مَرۡجِعُکُمۡ فَاَحۡکُمُ بَیۡنَکُمۡ فِیۡمَا کُنۡتُمۡ فِیۡہِ تَخۡتَلِفُوۡنَ ﴿۵۵﴾

3:55 En toen Allah (Zijn plan bekend maakte en) zei: "O Isa! Voorzeker, Ik neem jou tot Mij in zijn geheel (dus levend) en doe jou opstijgen tot Mij en zal jou reinigen van de ongelovigen. En ik zal op de Dag desoordeels degenen die jou volgen, superior maken over degenen die niet geloven. Vervolgens, is jullie terugkeer tot Mij en Ik zal berechten waarover jullie in verschillen.


فَاَمَّا الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا فَاُعَذِّبُہُمۡ عَذَابًا شَدِیۡدًا فِی الدُّنۡیَا وَ الۡاٰخِرَۃِ ۫ وَ مَا لَہُمۡ مِّنۡ نّٰصِرِیۡنَ ﴿۵۶﴾

003.056 Faamma allatheena kafaroo faoAAaththibuhum AAathaban shadeedan fee alddunya waal-akhirati wama lahum min nasireena

3:56 Wat de ongelovigen betreft, Ik zal hen dan in het wereldse leven en in het hiernamaals straffen met een zware straf. En er zullen geen helpers voor hen zijn.


وَ اَمَّا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ فَیُوَفِّیۡہِمۡ اُجُوۡرَہُمۡ ؕ وَ اللّٰہُ لَا یُحِبُّ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۵۷﴾

003.057 Waamma allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati fayuwaffeehim ojoorahum waAllahu la yuhibbu alththalimeena

3:57 En wat betreft degenen die gelovigen en goede daden verrichtten, Hij zal hen hun beloningen volledig schenken. En Allah houdt niet van de onrechtvaardigen."


ذٰلِکَ نَتۡلُوۡہُ عَلَیۡکَ مِنَ الۡاٰیٰتِ وَ الذِّکۡرِ الۡحَکِیۡمِ ﴿۵۸﴾

003.058 Thalika natloohu AAalayka mina al-ayati waalththikri alhakeemi

3:58 Dat is wat Wij van de verzen en de ware gebeurtenissen aan jou (Mohammed) reciteren.


اِنَّ مَثَلَ عِیۡسٰی عِنۡدَ اللّٰہِ کَمَثَلِ اٰدَمَ ؕ خَلَقَہٗ مِنۡ تُرَابٍ ثُمَّ قَالَ لَہٗ کُنۡ فَیَکُوۡنُ ﴿۵۹﴾

003.059 Inna mathala AAeesa AAinda Allahi kamathali adama khalaqahu min turabin thumma qala lahu kun fayakoonu

3:59 Voorzeker, bij Allah is de schepping van Isa gelijk aan die van Adam. Hij schiep hem uit stof en zei vervolgens tot hem, "Wees!", en hij was.


اَلۡحَقُّ مِنۡ رَّبِّکَ فَلَا تَکُنۡ مِّنَ الۡمُمۡتَرِیۡنَ ﴿۶۰﴾

003.060 Alhaqqu min rabbika fala takun mina almumtareena

3:60 De waarheid komt van jouw Heer, behoor dus niet tot de twijfelaars.


فَمَنۡ حَآجَّکَ فِیۡہِ مِنۡۢ بَعۡدِ مَا جَآءَکَ مِنَ الۡعِلۡمِ فَقُلۡ تَعَالَوۡا نَدۡعُ اَبۡنَآءَنَا وَ اَبۡنَآءَکُمۡ وَ نِسَآءَنَا وَ نِسَآءَکُمۡ وَ اَنۡفُسَنَا وَ اَنۡفُسَکُمۡ ۟ ثُمَّ نَبۡتَہِلۡ فَنَجۡعَلۡ لَّعۡنَتَ اللّٰہِ عَلَی الۡکٰذِبِیۡنَ ﴿۶۱﴾

003.061 Faman hajjaka feehi min baAAdi ma jaaka mina alAAilmi faqul taAAalaw nadAAu abnaana waabnaakum wanisaana wanisaakum waanfusana waanfusakum thumma nabtahil fanajAAal laAAnata Allahi AAala alkathibeena

3:61 Wie dan met jou erover (Isa) redetwist, nadat de kennis tot jou is gekomen, zeg dan: "Kom, laten we onze zonen en jullie zonen, onze vrouwen en jullie vrouwen, en wijzelf en jullie zelf bij elkaar roepen. Laten wij dan nederig bidden en de vloek van Allah over de leugenaars roepen."


اِنَّ ہٰذَا لَہُوَ الۡقَصَصُ الۡحَقُّ ۚ وَ مَا مِنۡ اِلٰہٍ اِلَّا اللّٰہُ ؕ وَ اِنَّ اللّٰہَ لَہُوَ الۡعَزِیۡزُ الۡحَکِیۡمُ ﴿۶۲﴾

003.062 Inna hatha lahuwa alqasasu alhaqqu wama min ilahin illa Allahu wa-inna Allaha lahuwa alAAazeezu alhakeemu

3:62 Voorzeker, dit is zeker de ware gebeurtenis. En er is geen andere deteit dan Allah. En waarlijk, Allah!, zeker Hij is de Almachtige, de Alwijze.


فَاِنۡ تَوَلَّوۡا فَاِنَّ اللّٰہَ عَلِیۡمٌۢ بِالۡمُفۡسِدِیۡنَ ﴿۶۳﴾

003.063 Fa-in tawallaw fa-inna Allaha AAaleemun bialmufsideena

3:63 En als zij zich afkeren, dan voorzeker Allah is Alwetend over de verderfzaaiers.


قُلۡ یٰۤاَہۡلَ الۡکِتٰبِ تَعَالَوۡا اِلٰی کَلِمَۃٍ سَوَآءٍۢ بَیۡنَنَا وَ بَیۡنَکُمۡ اَلَّا نَعۡبُدَ اِلَّا اللّٰہَ وَ لَا نُشۡرِکَ بِہٖ شَیۡئًا وَّ لَا یَتَّخِذَ بَعۡضُنَا بَعۡضًا اَرۡبَابًا مِّنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ ؕ فَاِنۡ تَوَلَّوۡا فَقُوۡلُوا اشۡہَدُوۡا بِاَنَّا مُسۡلِمُوۡنَ ﴿۶۴﴾

003.064 Qul ya ahla alkitabi taAAalaw ila kalimatin sawa-in baynana wabaynakum alla naAAbuda illa Allaha wala nushrika bihi shay-an wala yattakhitha baAAduna baAAdan arbaban min dooni Allahi fa-in tawallaw faqooloo ishhadoo bi-anna muslimoona

3:64 Zeg: "O mensen van het boek! Kom tot een woord dat overeenkomstig is tussen jullie en ons, dat wij niemand aanbidden behalve Allah, en dat wij geen enkel gelijke naast Hem plaatsen en dat sommige van ons anderen niet als heren naast Allah nemen". Als zij zich dan afkeren, zegt dan: "Getuig dat wij moslims zijn".


یٰۤاَہۡلَ الۡکِتٰبِ لِمَ تُحَآجُّوۡنَ فِیۡۤ اِبۡرٰہِیۡمَ وَ مَاۤ اُنۡزِلَتِ التَّوۡرٰىۃُ وَ الۡاِنۡجِیۡلُ اِلَّا مِنۡۢ بَعۡدِہٖ ؕ اَفَلَا تَعۡقِلُوۡنَ ﴿۶۵﴾

003.065 Ya ahla alkitabi lima tuhajjoona fee ibraheema wama onzilati alttawratu waal-injeelu illa min baAAdihi afala taAAqiloona

3:65 O mensen van het Boek! Waarom redetwisten jullie over Abraham, terwijl de Taurat en de Injiel na hem zijn geopenbaard"? Waarom gebruiken jullie dan je verstand niet"?


ہٰۤاَنۡتُمۡ ہٰۤؤُلَآءِ حَاجَجۡتُمۡ فِیۡمَا لَکُمۡ بِہٖ عِلۡمٌ فَلِمَ تُحَآجُّوۡنَ فِیۡمَا لَیۡسَ لَکُمۡ بِہٖ عِلۡمٌ ؕ وَ اللّٰہُ یَعۡلَمُ وَ اَنۡتُمۡ لَا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۶۶﴾

003.066 Ha antum haola-i hajajtum feema lakum bihi AAilmun falima tuhajjoona feema laysa lakum bihi AAilmun waAllahu yaAAlamu waantum la taAAlamoona

3:66 Zie! Jullie zijn degenen die redetwisten over iets waar jullie kennis van hebben, maar waarom redetwisten jullie dan over iets waar jullie geen kennis van hebben? En Allah weet, terwijl jullie niet weten.


مَا کَانَ اِبۡرٰہِیۡمُ یَہُوۡدِیًّا وَّ لَا نَصۡرَانِیًّا وَّ لٰکِنۡ کَانَ حَنِیۡفًا مُّسۡلِمًا ؕ وَ مَا کَانَ مِنَ الۡمُشۡرِکِیۡنَ ﴿۶۷﴾

003.067 Ma kana ibraheemu yahoodiyyan wala nasraniyyan walakin kana haneefan musliman wama kana mina almushrikeena

3:67 Abraham was geen Jood, noch Christen, maar hij was een hanifan Moslim (zuiver aanbiddend). En hij behoorde niet tot de veelgodenaanbidders.


اِنَّ اَوۡلَی النَّاسِ بِاِبۡرٰہِیۡمَ لَلَّذِیۡنَ اتَّبَعُوۡہُ وَ ہٰذَا النَّبِیُّ وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا ؕ وَ اللّٰہُ وَلِیُّ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۶۸﴾

003.068 Inna awla alnnasi bi-ibraheema lallatheena ittabaAAoohu wahatha alnnabiyyu waallatheena amanoo waAllahu waliyyu almu/mineena

3:68 Voorzeker, de mensen die het meeste aanspraak maken op een band met Abraham, zijn degenen die hem volgden (van het volk van Abraham), en die deze profeet (Mohammed) volgen en degenen die geloven. En Allah is de Beschermer van de gelovigen.


وَدَّتۡ طَّآئِفَۃٌ مِّنۡ اَہۡلِ الۡکِتٰبِ لَوۡ یُضِلُّوۡنَکُمۡ ؕ وَ مَا یُضِلُّوۡنَ اِلَّاۤ اَنۡفُسَہُمۡ وَ مَا یَشۡعُرُوۡنَ ﴿۶۹﴾

003.069 Waddat ta-ifatun min ahli alkitabi law yudilloonakum wama yudilloona illa anfusahum wama yashAAuroona

3:69 Een groep onder de mensen van het boek wensten dat zij jou in dwalen konden brengen. Maar zij laten niemand behalve zichzelf dwalen, zonder dat zij het merken.


یٰۤاَہۡلَ الۡکِتٰبِ لِمَ تَکۡفُرُوۡنَ بِاٰیٰتِ اللّٰہِ وَ اَنۡتُمۡ تَشۡہَدُوۡنَ ﴿۷۰﴾

003.070 Ya ahla alkitabi lima takfuroona bi-ayati Allahi waantum tashhadoona

3:70 O mensen van het boek! Waarom verwerpen jullie de Tekenen van Allah, terwijl jullie zelf getuigen (over de waarheid)?


یٰۤاَہۡلَ الۡکِتٰبِ لِمَ تَلۡبِسُوۡنَ الۡحَقَّ بِالۡبَاطِلِ وَ تَکۡتُمُوۡنَ الۡحَقَّ وَ اَنۡتُمۡ تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۷۱﴾

003.071 Ya ahla alkitabi lima talbisoona alhaqqa bialbatili wataktumoona alhaqqa waantum taAAlamoona

3:71 O mensen van het boek! Waarom vermengen jullie de waarheid met de valsheid en verbergen jullie de waarheid terwijl jullie het weten (dat het de waarheid is)?


وَ قَالَتۡ طَّآئِفَۃٌ مِّنۡ اَہۡلِ الۡکِتٰبِ اٰمِنُوۡا بِالَّذِیۡۤ اُنۡزِلَ عَلَی الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَجۡہَ النَّہَارِ وَ اکۡفُرُوۡۤا اٰخِرَہٗ لَعَلَّہُمۡ یَرۡجِعُوۡنَ ﴿ۚۖ۷۲﴾

003.072 Waqalat ta-ifatun min ahli alkitabi aminoo biallathee onzila AAala allatheena amanoo wajha alnnahari waokfuroo akhirahu laAAallahum yarjiAAoona

3:72 En een groep onder de mensen van het boek zeiden: "Geloof aan het begin van de dag, in hetgeen wat aan de gelovigen geopenbaard was, maar verwerp het aan het eind van de dag, misschien zullen zij (de gelovigen) dan terugkeren (naar ongeloof, door het creren van twijfel).


وَ لَا تُؤۡمِنُوۡۤا اِلَّا لِمَنۡ تَبِعَ دِیۡنَکُمۡ ؕ قُلۡ اِنَّ الۡہُدٰی ہُدَی اللّٰہِ ۙ اَنۡ یُّؤۡتٰۤی اَحَدٌ مِّثۡلَ مَاۤ اُوۡتِیۡتُمۡ اَوۡ یُحَآجُّوۡکُمۡ عِنۡدَ رَبِّکُمۡ ؕ قُلۡ اِنَّ الۡفَضۡلَ بِیَدِ اللّٰہِ ۚ یُؤۡتِیۡہِ مَنۡ یَّشَآءُ ؕ وَ اللّٰہُ وَاسِعٌ عَلِیۡمٌ ﴿ۚۙ۷۳﴾

003.073 Wala tu/minoo illa liman tabiAAa deenakum qul inna alhuda huda Allahi an yu/ta ahadun mithla ma ooteetum aw yuhajjookum AAinda rabbikum qul inna alfadla biyadi Allahi yu/teehi man yashao waAllahu wasiAAun AAaleemun

3:73 En geloof niemand (onder de gelovigen) behalve als het iemand is die jullie religie volgt". Zeg: "Voorzeker, de ware leiding is de leiding van Allah. Het is Zijn wil dat Hij iemand zegent met het gelijke van wat voorheen aan jullie gegeven was of dat (met sterke argumenten zodat) zij met jullie kunnen redetwisten in de nabijheid van jullie Heer". Zeg: "Voorzeker, de gunsten bevinden zich in de Hand van Allah. Hij geeft het aan wie Hij wil en Allah is Allesomvattend, Alwetend.


یَّخۡتَصُّ بِرَحۡمَتِہٖ مَنۡ یَّشَآءُ ؕ وَ اللّٰہُ ذُو الۡفَضۡلِ الۡعَظِیۡمِ ﴿۷۴﴾

003.074 Yakhtassu birahmatihi man yashao waAllahu thoo alfadli alAAatheemi

3:74 Hij kent Zijn Barmhartigheid toe aan wie Hij wil en Allah is de Bezitter van de grootste Geschenken.


وَ مِنۡ اَہۡلِ الۡکِتٰبِ مَنۡ اِنۡ تَاۡمَنۡہُ بِقِنۡطَارٍ یُّؤَدِّہٖۤ اِلَیۡکَ ۚ وَ مِنۡہُمۡ مَّنۡ اِنۡ تَاۡمَنۡہُ بِدِیۡنَارٍ لَّا یُؤَدِّہٖۤ اِلَیۡکَ اِلَّا مَادُمۡتَ عَلَیۡہِ قَآئِمًا ؕ ذٰلِکَ بِاَنَّہُمۡ قَالُوۡا لَیۡسَ عَلَیۡنَا فِی الۡاُمِّیّٖنَ سَبِیۡلٌ ۚ وَ یَقُوۡلُوۡنَ عَلَی اللّٰہِ الۡکَذِبَ وَ ہُمۡ یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۷۵﴾

003.075 Wamin ahli alkitabi man in ta/manhu biqintarin yu-addihi ilayka waminhum man in ta/manhu bideenarin la yu-addihi ilayka illa ma dumta AAalayhi qa-iman thalika bi-annahum qaloo laysa AAalayna fee al-ommiyyeena sabeelun wayaqooloona AAala Allahi alkathiba wahum yaAAlamoona

3:75 En onder de mensen van het boek zijn er (mensen) die, als jij hem een schat toevertrouwt zal hij het aan jou teruggeven. En onder hen zijn er (ook mensen) als jij hem een dinar toevertrouwt zal hij het niet teruggeven, alleen pas na herhaaldelijk erop aandringen. Dit (praten ze goed) door te zeggen: "Op ons rust er geen verantwoording tot de ongeletterde (m.b.t. tot Allah's boodschap)". (Implicerend dat dit opgelegd is door Allah). En zij spreken over Allah de leugen uit terwijl zij het weten.


بَلٰی مَنۡ اَوۡفٰی بِعَہۡدِہٖ وَ اتَّقٰی فَاِنَّ اللّٰہَ یُحِبُّ الۡمُتَّقِیۡنَ ﴿۷۶﴾

003.076 Bala man awfa biAAahdihi waittaqa fa-inna Allaha yuhibbu almuttaqeena

3:76 Nee! Wie dan ook zijn verbond vervult en Allah vreest, dan voorzeker Allah houdt van de Mutaqoens (degenen die Taqwah hebben).


اِنَّ الَّذِیۡنَ یَشۡتَرُوۡنَ بِعَہۡدِ اللّٰہِ وَ اَیۡمَانِہِمۡ ثَمَنًا قَلِیۡلًا اُولٰٓئِکَ لَا خَلَاقَ لَہُمۡ فِی الۡاٰخِرَۃِ وَ لَا یُکَلِّمُہُمُ اللّٰہُ وَ لَا یَنۡظُرُ اِلَیۡہِمۡ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ وَ لَا یُزَکِّیۡہِمۡ ۪ وَ لَہُمۡ عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿۷۷﴾

003.077 Inna allatheena yashtaroona biAAahdi Allahi waaymanihim thamanan qaleelan ola-ika la khalaqa lahum fee al-akhirati wala yukallimuhumu Allahu wala yanthuru ilayhim yawma alqiyamati wala yuzakkeehim walahum AAathabun aleemun

3:77 Voorzeker, voor degenen die het verbond met Allah en hun eden (plechtige beloftes) voor kleine prijs verruilen, is er geen aandeel in het hiernamaals. En Allah zal niet tot hen spreken, noch zal Hij naar hen kijken op de Dag des oordeels, en noch zal Hij hen zuiveren. Voor hen is er een pijnlijke straf.


وَ اِنَّ مِنۡہُمۡ لَفَرِیۡقًا یَّلۡوٗنَ اَلۡسِنَتَہُمۡ بِالۡکِتٰبِ لِتَحۡسَبُوۡہُ مِنَ الۡکِتٰبِ وَ مَا ہُوَ مِنَ الۡکِتٰبِ ۚ وَ یَقُوۡلُوۡنَ ہُوَ مِنۡ عِنۡدِ اللّٰہِ وَ مَا ہُوَ مِنۡ عِنۡدِ اللّٰہِ ۚ وَ یَقُوۡلُوۡنَ عَلَی اللّٰہِ الۡکَذِبَ وَ ہُمۡ یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۷۸﴾

003.078 Wa-inna minhum lafareeqan yalwoona alsinatahum bialkitabi litahsaboohu mina alkitabi wama huwa mina alkitabi wayaqooloona huwa min AAindi Allahi wama huwa min AAindi Allahi wayaqooloona AAala Allahi alkathiba wahum yaAAlamoona

3:78 En voorzeker, onder hen is er een groep die hun tongen verdraaien tijdens de voordracht van het boek, zodat jullie denken dat het in het boek vermeld staat, terwijl het niet in het boek vermeld staat. En zij zeggen: "Het komt van Allah," terwijl het niet van Allah komt. En zij zeggen leugens over Allah, terwijl zij het weten.


مَا کَانَ لِبَشَرٍ اَنۡ یُّؤۡتِیَہُ اللّٰہُ الۡکِتٰبَ وَ الۡحُکۡمَ وَ النُّبُوَّۃَ ثُمَّ یَقُوۡلَ لِلنَّاسِ کُوۡنُوۡا عِبَادًا لِّیۡ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ وَ لٰکِنۡ کُوۡنُوۡا رَبّٰنِیّٖنَ بِمَا کُنۡتُمۡ تُعَلِّمُوۡنَ الۡکِتٰبَ وَ بِمَا کُنۡتُمۡ تَدۡرُسُوۡنَ ﴿ۙ۷۹﴾

003.079 Ma kana libasharin an yu/tiyahu Allahu alkitaba waalhukma waalnnubuwwata thumma yaqoola lilnnasi koonoo AAibadan lee min dooni Allahi walakin koonoo rabbaniyyeena bima kuntum tuAAallimoona alkitaba wabima kuntum tadrusoona

3:79 Het is niet reel voor een mens, nadat hem het Boek, de wijsheid en het profeetschap gegeven is, om te zeggen tegen de mensen: "Wees aanbidders van mij naast Allah". Echter hij zal zeggen: "Wees aanbidder van De Heer, omdat jullie het boek onderwijzen en bestuderen."


وَ لَا یَاۡمُرَکُمۡ اَنۡ تَتَّخِذُوا الۡمَلٰٓئِکَۃَ وَ النَّبِیّٖنَ اَرۡبَابًا ؕ اَیَاۡمُرُکُمۡ بِالۡکُفۡرِ بَعۡدَ اِذۡ اَنۡتُمۡ مُّسۡلِمُوۡنَ ﴿۸۰﴾

003.080 Wala ya/murakum an tattakhithoo almala-ikata waalnnabiyyeena arbaban aya/murukum bialkufri baAAda ith antum muslimoona

3:80 En Hij zal jullie niet bevelen om de engelen en de profeten als heren te nemen. Zou hij jullie bevelen tot ongeloof nadat jullie moslims zijn geworden?


وَ اِذۡ اَخَذَ اللّٰہُ مِیۡثَاقَ النَّبِیّٖنَ لَمَاۤ اٰتَیۡتُکُمۡ مِّنۡ کِتٰبٍ وَّ حِکۡمَۃٍ ثُمَّ جَآءَکُمۡ رَسُوۡلٌ مُّصَدِّقٌ لِّمَا مَعَکُمۡ لَتُؤۡمِنُنَّ بِہٖ وَ لَتَنۡصُرُنَّہٗ ؕ قَالَ ءَاَقۡرَرۡتُمۡ وَ اَخَذۡتُمۡ عَلٰی ذٰلِکُمۡ اِصۡرِیۡ ؕ قَالُوۡۤا اَقۡرَرۡنَا ؕ قَالَ فَاشۡہَدُوۡا وَ اَنَا مَعَکُمۡ مِّنَ الشّٰہِدِیۡنَ ﴿۸۱﴾

003.081 Wa-ith akhatha Allahu meethaqa alnnabiyyeena lama ataytukum min kitabin wahikmatin thumma jaakum rasoolun musaddiqun lima maAAakum latu/minunna bihi walatansurunnahu qala aaqrartum waakhathtum AAala thalikum isree qaloo aqrarna qala faishhadoo waana maAAakum mina alshshahideena

3:81 En (gedenk) toen Allah een verbond aanging met de profeten: "Voorzeker, (het maakt niet uit) wat Ik van het boek en de wijsheid aan jullie gegeven heb, wanneer er een boodschapper tot jullie komt, die hetgeen bevestigt dat bij jullie is, dan moeten jullie in hem geloven en hem helpen." Hij (Allah) zei:" Stemmen jullie hiermee in en gaan jullie op deze voorwaarde Mijn verbond aan?" Zei zeiden: "Wij accepteren (het verbond)." Hij zei:" Getuig dan en Ik behoor met jullie tot de getuigen."


فَمَنۡ تَوَلّٰی بَعۡدَ ذٰلِکَ فَاُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡفٰسِقُوۡنَ ﴿۸۲﴾

003.082 Faman tawalla baAAda thalika faola-ika humu alfasiqoona

3:82 Wie zich dan daarna afwendt, dat zijn degene die Fasiqun zijn (degenen die zich afkeren van Allah's gehoorzaamheid).


اَفَغَیۡرَ دِیۡنِ اللّٰہِ یَبۡغُوۡنَ وَ لَہٗۤ اَسۡلَمَ مَنۡ فِی السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ طَوۡعًا وَّ کَرۡہًا وَّ اِلَیۡہِ یُرۡجَعُوۡنَ ﴿۸۳﴾

003.083 Afaghayra deeni Allahi yabghoona walahu aslama man fee alssamawati waal-ardi tawAAan wakarhan wa-ilayhi yurjaAAoona

3:83 Dus, zoeken ze een andere religie dan die van Allah? Terwijl al hetgeen wat in de hemelen en op de aarde is gewillig of ongewillig aan Hem onderworpen heeft. En tot Hem zullen zij terugkeren.


قُلۡ اٰمَنَّا بِاللّٰہِ وَ مَاۤ اُنۡزِلَ عَلَیۡنَا وَ مَاۤ اُنۡزِلَ عَلٰۤی اِبۡرٰہِیۡمَ وَ اِسۡمٰعِیۡلَ وَ اِسۡحٰقَ وَ یَعۡقُوۡبَ وَ الۡاَسۡبَاطِ وَ مَاۤ اُوۡتِیَ مُوۡسٰی وَ عِیۡسٰی وَ النَّبِیُّوۡنَ مِنۡ رَّبِّہِمۡ ۪ لَا نُفَرِّقُ بَیۡنَ اَحَدٍ مِّنۡہُمۡ ۫ وَ نَحۡنُ لَہٗ مُسۡلِمُوۡنَ ﴿۸۴﴾

003.084 Qul amanna biAllahi wama onzila AAalayna wama onzila AAala ibraheema wa-ismaAAeela wa-ishaqa wayaAAqooba waal-asbati wama ootiya moosa waAAeesa waalnnabiyyoona min rabbihim la nufarriqu bayna ahadin minhum wanahnu lahu muslimoona

3:84 Zeg: "Wij geloven in Allah, en in wat er aan ons, aan Abraham, Ismail, Izaak, Jakob en de Asbaat (de afstammelingen van Jakob's kinderen) geopenbaard is en in hetgeen wat aan Mozes, Isa en al de profeten van hun Heer gegeven was. Wij maken geen onderscheid in geen enkel van hen en Wij hebben ons onderworpen tot Hem (Allah).


وَ مَنۡ یَّبۡتَغِ غَیۡرَ الۡاِسۡلَامِ دِیۡنًا فَلَنۡ یُّقۡبَلَ مِنۡہُ ۚ وَ ہُوَ فِی الۡاٰخِرَۃِ مِنَ الۡخٰسِرِیۡنَ ﴿۸۵﴾

003.085 Waman yabtaghi ghayra al-islami deenan falan yuqbala minhu wahuwa fee al-akhirati mina alkhasireena

3:85 En wie dan ook een andere religie dan de Islam zoekt, nooit zal deze geaccepteerd worden van hem. En hij zal in het hiernamaals tot de verliezers behoren.


کَیۡفَ یَہۡدِی اللّٰہُ قَوۡمًا کَفَرُوۡا بَعۡدَ اِیۡمَانِہِمۡ وَ شَہِدُوۡۤا اَنَّ الرَّسُوۡلَ حَقٌّ وَّ جَآءَہُمُ الۡبَیِّنٰتُ ؕ وَ اللّٰہُ لَا یَہۡدِی الۡقَوۡمَ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۸۶﴾

003.086 Kayfa yahdee Allahu qawman kafaroo baAAda eemanihim washahidoo anna alrrasoola haqqun wajaahumu albayyinatu waAllahu la yahdee alqawma alththalimeena

3:86 Hoe zou Allah een volk leiden die het geloof verwerpt, nadat ze geloofden en getuigd hebben dat de Boodschapper waar is en nadat de duidelijke bewijzen tot hen waren gekomen? En Allah leidt het onrechtvaardige volk niet.


اُولٰٓئِکَ جَزَآؤُہُمۡ اَنَّ عَلَیۡہِمۡ لَعۡنَۃَ اللّٰہِ وَ الۡمَلٰٓئِکَۃِ وَ النَّاسِ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿ۙ۸۷﴾

003.087 Ola-ika jazaohum anna AAalayhim laAAnata Allahi waalmala-ikati waalnnasi ajmaAAeena

3:87 Zij! Hun vergoeding is dat op hen de vloek van Allah, de Engelen en de gehele mensheid rust.


خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا ۚ لَا یُخَفَّفُ عَنۡہُمُ الۡعَذَابُ وَ لَا ہُمۡ یُنۡظَرُوۡنَ ﴿ۙ۸۸﴾

003.088 Khalideena feeha la yukhaffafu AAanhumu alAAathabu wala hum yuntharoona

3:88 Zij zullen daar (de hel) eeuwig in vertoeven. De straf zal niet voor hen worden verlicht en noch zal voor hen uitstel verleend worden.


اِلَّا الَّذِیۡنَ تَابُوۡا مِنۡۢ بَعۡدِ ذٰلِکَ وَ اَصۡلَحُوۡا ۟ فَاِنَّ اللّٰہَ غَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۸۹﴾

003.089 Illa allatheena taboo min baAAdi thalika waaslahoo fa-inna Allaha ghafoorun raheemun

3:89 Behalve degenen die daarna berouw hebben en zichzelf beteren. Dan voorwaar, Allah is Vergevensgezind, Meest Barmhartig.


اِنَّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا بَعۡدَ اِیۡمَانِہِمۡ ثُمَّ ازۡدَادُوۡا کُفۡرًا لَّنۡ تُقۡبَلَ تَوۡبَتُہُمۡ ۚ وَ اُولٰٓئِکَ ہُمُ الضَّآلُّوۡنَ ﴿۹۰﴾

003.090 Inna allatheena kafaroo baAAda eemanihim thumma izdadoo kufran lan tuqbala tawbatuhum waola-ika humu alddalloona

3:90 Voorwaar, degenen die niet (meer) geloven en in ongeloof toenemen nadat ze hebben gelooft, nooit zal hun berouw geaccepteerd worden. En zij zijn degenen die op een dwaalspoor zijn.


اِنَّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا وَ مَاتُوۡا وَ ہُمۡ کُفَّارٌ فَلَنۡ یُّقۡبَلَ مِنۡ اَحَدِہِمۡ مِّلۡءُ الۡاَرۡضِ ذَہَبًا وَّلَوِ افۡتَدٰی بِہٖ ؕ اُولٰٓئِکَ لَہُمۡ عَذَابٌ اَلِیۡمٌ وَّ مَا لَہُمۡ مِّنۡ نّٰصِرِیۡنَ ﴿٪۹۱﴾

003.091 Inna allatheena kafaroo wamatoo wahum kuffarun falan yuqbala min ahadihim milo al-ardi thahaban walawi iftada bihi ola-ika lahum AAathabun aleemun wama lahum min nasireena

3:91 Voorwaar, degenen die niet geloven en overlijden terwijl ze ongelovig zijn, nooit zal er een wereld vol van goud van n van hun geaccepteerd worden. Zelfs als hij het aanbiedt als losgeld. Zij!, voor hen is er een pijnlijke straf en er zullen voor hen geen enkel helpers zijn.



www.kuran.nl