30 Amma Yatasa

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

عَمَّ یَتَسَآءَلُوۡنَ ۚ﴿۱﴾

078.001 AAamma yatasaaloona

Waarover ondervragen zij elkaar?


عَنِ النَّبَاِ الۡعَظِیۡمِ ۙ﴿۲﴾

078.002 AAani alnnaba-i alAAatheemi

Over de geweldige mededeling


الَّذِیۡ ہُمۡ فِیۡہِ مُخۡتَلِفُوۡنَ ؕ﴿۳﴾

078.003 Allathee hum feehi mukhtalifoona

waarover zij het oneens zijn.


کَلَّا سَیَعۡلَمُوۡنَ ۙ﴿۴﴾

078.004 Kalla sayaAAlamoona

Nee toch, zij zullen het weten!


ثُمَّ کَلَّا سَیَعۡلَمُوۡنَ ﴿۵﴾

078.005 Thumma kalla sayaAAlamoona

Nog eens, nee toch, zij zullen het weten!


اَلَمۡ نَجۡعَلِ الۡاَرۡضَ مِہٰدًا ۙ﴿۶﴾

078.006 Alam najAAali al-arda mihadan

Hebben Wij niet de aarde tot een wiegebed gemaakt


وَّ الۡجِبَالَ اَوۡتَادًا ﴿۪ۙ۷﴾

078.007 Waaljibala awtadan

en de bergen tot tentpinnen?


وَّ خَلَقۡنٰکُمۡ اَزۡوَاجًا ۙ﴿۸﴾

078.008 Wakhalaqnakum azwajan

Wij hebben jullie in paren geschapen.


وَّ جَعَلۡنَا نَوۡمَکُمۡ سُبَاتًا ۙ﴿۹﴾

078.009 WajaAAalna nawmakum subatan

Wij hebben jullie slaap gemaakt om uit te rusten.


وَّ جَعَلۡنَا الَّیۡلَ لِبَاسًا ﴿ۙ۱۰﴾

078.010 WajaAAalna allayla libasan

Wij hebben de nacht gemaakt als een omhulling.


وَّ جَعَلۡنَا النَّہَارَ مَعَاشًا ﴿۪۱۱﴾

078.011 WajaAAalna alnnahara maAAashan

Wij hebben de dag gemaakt voor de levensbehoeften.


وَّ بَنَیۡنَا فَوۡقَکُمۡ سَبۡعًا شِدَادًا ﴿ۙ۱۲﴾

078.012 Wabanayna fawqakum sabAAan shidadan

Wij hebben boven jullie zeven hechte [hemelen] gebouwd.


وَّ جَعَلۡنَا سِرَاجًا وَّہَّاجًا ﴿۪ۙ۱۳﴾

078.013 WajaAAalna sirajan wahhajan

Wij hebben een schitterende lamp gemaakt.


وَّ اَنۡزَلۡنَا مِنَ الۡمُعۡصِرٰتِ مَآءً ثَجَّاجًا ﴿ۙ۱۴﴾

078.014 Waanzalna mina almuAAsirati maan thajjajan

En Wij hebben uit de regenwolken water in stromen laten neerdalen


لِّنُخۡرِجَ بِہٖ حَبًّا وَّ نَبَاتًا ﴿ۙ۱۵﴾

078.015 Linukhrija bihi habban wanabatan

om daarmee graan en planten voort te brengen


وَّ جَنّٰتٍ اَلۡفَافًا ﴿ؕ۱۶﴾

078.016 Wajannatin alfafan

en dichtbegroeide tuinen.


اِنَّ یَوۡمَ الۡفَصۡلِ کَانَ مِیۡقَاتًا ﴿ۙ۱۷﴾

078.017 Inna yawma alfasli kana meeqatan

De dag van de schifting is een afgesproken tijd,


یَّوۡمَ یُنۡفَخُ فِی الصُّوۡرِ فَتَاۡتُوۡنَ اَفۡوَاجًا ﴿ۙ۱۸﴾

078.018 Yawma yunfakhu fee alssoori fata/toona afwajan

de dag waarop op de bazuin geblazen wordt. Dan zullen jullie in groepen komen


وَّ فُتِحَتِ السَّمَآءُ فَکَانَتۡ اَبۡوَابًا ﴿ۙ۱۹﴾

078.019 Wafutihati alssamao fakanat abwaban

en wordt de hemel geopend en hij is een en al poorten.


وَّ سُیِّرَتِ الۡجِبَالُ فَکَانَتۡ سَرَابًا ﴿ؕ۲۰﴾

078.020 Wasuyyirati aljibalu fakanat saraban

En de bergen worden in beweging gezet en zijn als een luchtspiegeling.


اِنَّ جَہَنَّمَ کَانَتۡ مِرۡصَادًا ﴿۪ۙ۲۱﴾

078.021 Inna jahannama kanat mirsadan

En de hel is een hinderlaag,


لِّلطَّاغِیۡنَ مَاٰبًا ﴿ۙ۲۲﴾

078.022 Lilttagheena maaban

waar de onbeschaamden naar terugkeren,


لّٰبِثِیۡنَ فِیۡہَاۤ اَحۡقَابًا ﴿ۚ۲۳﴾

078.023 Labitheena feeha ahqaban

waar zij voortdurend zullen blijven.


لَا یَذُوۡقُوۡنَ فِیۡہَا بَرۡدًا وَّ لَا شَرَابًا ﴿ۙ۲۴﴾

078.024 La yathooqoona feeha bardan wala sharaban

Zij zullen daarin noch koelte noch iets om te drinken proeven,


اِلَّا حَمِیۡمًا وَّ غَسَّاقًا ﴿ۙ۲۵﴾

078.025 Illa hameeman waghassaqan

maar gloeiend water en etter,


جَزَآءً وِّفَاقًا ﴿ؕ۲۶﴾

078.026 Jazaan wifaqan

als een passende vergelding.


اِنَّہُمۡ کَانُوۡا لَا یَرۡجُوۡنَ حِسَابًا ﴿ۙ۲۷﴾

078.027 Innahum kanoo la yarjoona hisaban

Zij verwachtten geen afrekening


وَّ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا کِذَّابًا ﴿ؕ۲۸﴾

078.028 Wakaththaboo bi-ayatina kiththaban

en zij loochenden Onze tekenen herhaaldelijk.


وَ کُلَّ شَیۡءٍ اَحۡصَیۡنٰہُ کِتٰبًا ﴿ۙ۲۹﴾

078.029 Wakulla shay-in ahsaynahu kitaban

En alles hebben Wij opgesomd in een boek.


فَذُوۡقُوۡا فَلَنۡ نَّزِیۡدَکُمۡ اِلَّا عَذَابًا ﴿٪۳۰﴾

078.030 Fathooqoo falan nazeedakum illa AAathaban

Proeft dan; jullie bestraffing wordt alleen maar erger.


اِنَّ لِلۡمُتَّقِیۡنَ مَفَازًا ﴿ۙ۳۱﴾

078.031 Inna lilmuttaqeena mafazan

Maar voor de godvrezenden is er een triomf,


حَدَآئِقَ وَ اَعۡنَابًا ﴿ۙ۳۲﴾

078.032 Hada-iqa waaAAnaban

boomgaarden en wijnstokken,


وَّکَوَاعِبَ اَتۡرَابًا ﴿ۙ۳۳﴾

078.033 WakawaAAiba atraban

rondborstige gezellinnen die even oud zijn


وَّ کَاۡسًا دِہَاقًا ﴿ؕ۳۴﴾

078.034 Waka/san dihaqan

en een vol gevulde beker.


لَا یَسۡمَعُوۡنَ فِیۡہَا لَغۡوًا وَّ لَا کِذّٰبًا ﴿ۚ۳۵﴾

078.035 La yasmaAAoona feeha laghwan wala kiththaban

Zij horen daar geen geklets en geen loochening.


جَزَآءً مِّنۡ رَّبِّکَ عَطَآءً حِسَابًا ﴿ۙ۳۶﴾

078.036 Jazaan min rabbika AAataan hisaban

Als beloning van jouw Heer, als gift en als afrekening


رَّبِّ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ وَ مَا بَیۡنَہُمَا الرَّحۡمٰنِ لَا یَمۡلِکُوۡنَ مِنۡہُ خِطَابًا ﴿ۚ۳۷﴾

078.037 Rabbi alssamawati waal-ardi wama baynahuma alrrahmani la yamlikoona minhu khitaban

van de Heer van de hemelen en de aarde en wat er tussen beide is, de Erbarmer, die zij niet kunnen tegenspreken


یَوۡمَ یَقُوۡمُ الرُّوۡحُ وَ الۡمَلٰٓئِکَۃُ صَفًّا ؕ٭ۙ لَّا یَتَکَلَّمُوۡنَ اِلَّا مَنۡ اَذِنَ لَہُ الرَّحۡمٰنُ وَ قَالَ صَوَابًا ﴿۳۸﴾

078.038 Yawma yaqoomu alrroohu waalmala-ikatu saffan la yatakallamoona illa man athina lahu alrrahmanu waqala sawaban

op de dag dat de geest en de engelen in een rij staan. Spreken zullen slechts zij aan wie de Erbarmer het toestaat en die zeggen wat juist is.


ذٰلِکَ الۡیَوۡمُ الۡحَقُّ ۚ فَمَنۡ شَآءَ اتَّخَذَ اِلٰی رَبِّہٖ مَاٰبًا ﴿۳۹﴾

078.039 Thalika alyawmu alhaqqu faman shaa ittakhatha ila rabbihi maaban

Dat is de dag van de waarheid. Wie wil begeeft zich op de terugweg naar zijn Heer.


اِنَّاۤ اَنۡذَرۡنٰکُمۡ عَذَابًا قَرِیۡبًا ۬ۚۖ یَّوۡمَ یَنۡظُرُ الۡمَرۡءُ مَا قَدَّمَتۡ یَدٰہُ وَ یَقُوۡلُ الۡکٰفِرُ یٰلَیۡتَنِیۡ کُنۡتُ تُرٰبًا ﴿٪۴۰﴾

078.040 Inna antharnakum AAathaban qareeban yawma yanthuru almaro ma qaddamat yadahu wayaqoolu alkafiru ya laytanee kuntu turaban

Wij hebben jullie gewaarschuwd voor een nabije bestraffing op de dag dat de mens kijkt naar wat zijn handen vroeger gedaan hebben en waarop de ongelovige zegt: "O wee, was ik maar stof!"


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

وَ النّٰزِعٰتِ غَرۡقًا ۙ﴿۱﴾

079.001 WaalnnaziAAati gharqan

Bij de heftige losrukkers!


وَّ النّٰشِطٰتِ نَشۡطًا ۙ﴿۲﴾

079.002 Waalnnashitati nashtan

Bij de vlugge uittrekkers!


وَّ السّٰبِحٰتِ سَبۡحًا ۙ﴿۳﴾

079.003 Waalssabihati sabhan

Bij de zwevende zwevers!


فَالسّٰبِقٰتِ سَبۡقًا ۙ﴿۴﴾

079.004 Faalssabiqati sabqan

En bij de snelle voortspoeders!


فَالۡمُدَبِّرٰتِ اَمۡرًا ۘ﴿۵﴾

079.005 Faalmudabbirati amran

En bij hen die een bevel uitvoeren!


یَوۡمَ تَرۡجُفُ الرَّاجِفَۃُ ۙ﴿۶﴾

079.006 Yawma tarjufu alrrajifatu

Op de dag dat de bevende zal beven,


تَتۡبَعُہَا الرَّادِفَۃُ ؕ﴿۷﴾

079.007 TatbaAAuha alrradifatu

waar de volgende direct achteraan komt;


قُلُوۡبٌ یَّوۡمَئِذٍ وَّاجِفَۃٌ ۙ﴿۸﴾

079.008 Quloobun yawma-ithin wajifatun

harten zullen op die dag bonzen,


اَبۡصَارُہَا خَاشِعَۃٌ ۘ﴿۹﴾

079.009 Absaruha khashiAAatun

hun ogen zijn neergeslagen.


یَقُوۡلُوۡنَ ءَاِنَّا لَمَرۡدُوۡدُوۡنَ فِی الۡحَافِرَۃِ ﴿ؕ۱۰﴾

079.010 Yaqooloona a-inna lamardoodoona fee alhafirati

Zij zullen zeggen: "Worden wij echt in onze vroegere toestand teruggebracht?


ءَ اِذَا کُنَّا عِظَامًا نَّخِرَۃً ﴿ؕ۱۱﴾

079.011 A-itha kunna AAithaman nakhiratan

Ook als wij vermolmde beenderen zijn geworden?"


قَالُوۡا تِلۡکَ اِذًا کَرَّۃٌ خَاسِرَۃٌ ﴿ۘ۱۲﴾

079.012 Qaloo tilka ithan karratun khasiratun

Zij zeggen: "Dat is dan een terugkeer met verlies!"


فَاِنَّمَا ہِیَ زَجۡرَۃٌ وَّاحِدَۃٌ ﴿ۙ۱۳﴾

079.013 Fa-innama hiya zajratun wahidatun

Dan klinkt slechts één afschrikkende kreet


فَاِذَا ہُمۡ بِالسَّاہِرَۃِ ﴿ؕ۱۴﴾

079.014 Fa-itha hum bialssahirati

en dan staan zij al op het aardoppervlak.


ہَلۡ اَتٰىکَ حَدِیۡثُ مُوۡسٰی ﴿ۘ۱۵﴾

079.015 Hal ataka hadeethu moosa

Is het verhaal van Moesa tot jou gekomen?


اِذۡ نَادٰىہُ رَبُّہٗ بِالۡوَادِ الۡمُقَدَّسِ طُوًی ﴿ۚ۱۶﴾

079.016 Ith nadahu rabbuhu bialwadi almuqaddasi tuwan

Toen zijn Heer in de geheiligde vallei Toewa tot hem riep:


اِذۡہَبۡ اِلٰی فِرۡعَوۡنَ اِنَّہٗ طَغٰی ﴿۫ۖ۱۷﴾

079.017 Ithhab ila firAAawna innahu tagha

"Ga heen naar Fir'aun -- hij is onbeschaamd --


فَقُلۡ ہَلۡ لَّکَ اِلٰۤی اَنۡ تَزَکّٰی ﴿ۙ۱۸﴾

079.018 Faqul hal laka ila an tazakka

en zeg: 'Zou jij je niet willen louteren?


وَ اَہۡدِیَکَ اِلٰی رَبِّکَ فَتَخۡشٰی ﴿ۚ۱۹﴾

079.019 Waahdiyaka ila rabbika fatakhsha

Dan zal ik jou naar mijn Heer leiden zodat jij [Hem] zult vrezen.?"


فَاَرٰىہُ الۡاٰیَۃَ الۡکُبۡرٰی ﴿۫ۖ۲۰﴾

079.020 Faarahu al-ayata alkubra<

Toen liet hij hem het grootste teken zien.


فَکَذَّبَ وَ عَصٰی ﴿۫ۖ۲۱﴾

079.021 Fakaththaba waAAasa

Maar hij loochende het en was weerspannig.


ثُمَّ اَدۡبَرَ یَسۡعٰی ﴿۫ۖ۲۲﴾

079.022 Thumma adbara yasAAa

Toen keerde hij het snel de rug toe.


فَحَشَرَ فَنَادٰی ﴿۫ۖ۲۳﴾

079.023 Fahashara fanada

En hij riep een bijeenkomst samen en deed een afkondiging;


فَقَالَ اَنَا رَبُّکُمُ الۡاَعۡلٰی ﴿۫ۖ۲۴﴾

079.024 Faqala ana rabbukumu al-aAAla

hij zei: "Ik ben jullie hoogste heer."


فَاَخَذَہُ اللّٰہُ نَکَالَ الۡاٰخِرَۃِ وَ الۡاُوۡلٰی ﴿ؕ۲۵﴾

079.025 Faakhathahu Allahu nakala al-akhirati waal-oola

Toen greep Allah hem door aan hem de straf van het hiernamaals en die van het tegenwoordige bestaan te voltrekken.


اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَعِبۡرَۃً لِّمَنۡ یَّخۡشٰی ﴿ؕ٪۲۶﴾

079.026 Inna fee thalika laAAibratan liman yakhsha

Daarin is een les voor wie vreest.


ءَاَنۡتُمۡ اَشَدُّ خَلۡقًا اَمِ السَّمَآءُ ؕ بَنٰہَا ﴿ٝ۲۷﴾

079.027 Aantum ashaddu khalqan ami alssamao banaha

Zijn jullie moeilijker te scheppen of de hemel die Hij gebouwd heeft?


رَفَعَ سَمۡکَہَا فَسَوّٰىہَا ﴿ۙ۲۸﴾

079.028 RafaAAa samkaha fasawwaha

Hij heeft het dak ervan omhoog geheven en heeft hem gefatsoeneerd.


وَ اَغۡطَشَ لَیۡلَہَا وَ اَخۡرَجَ ضُحٰہَا ﴿۪۲۹﴾

079.029 Waaghtasha laylaha waakhraja duhaha

Hij heeft de nacht ervan donker gemaakt en het heldere daglicht ervan tevoorschijn gebracht.


وَ الۡاَرۡضَ بَعۡدَ ذٰلِکَ دَحٰىہَا ﴿ؕ۳۰﴾

079.030 Waal-arda baAAda thalika dahaha<

En de aarde spreidde Hij daarna uit.


اَخۡرَجَ مِنۡہَا مَآءَہَا وَ مَرۡعٰہَا ﴿۪۳۱﴾

079.031 Akhraja minha maaha wamarAAaha

Hij bracht haar water en haar weiden tevoorschijn


وَ الۡجِبَالَ اَرۡسٰہَا ﴿ۙ۳۲﴾

079.032 Waaljibala arsaha

en de bergen heeft hij stevig aangebracht,


مَتَاعًا لَّکُمۡ وَ لِاَنۡعَامِکُمۡ ﴿ؕ۳۳﴾

079.033 MataAAan lakum wali-anAAamikum

als vruchtgebruik voor jullie en jullie vee.


فَاِذَا جَآءَتِ الطَّآمَّۃُ الۡکُبۡرٰی ﴿۫ۖ۳۴﴾

079.034 Fa-itha jaati alttammatu alkubra

En wanneer dan de overstelpende catastrofe komt,


یَوۡمَ یَتَذَکَّرُ الۡاِنۡسَانُ مَا سَعٰی ﴿ۙ۳۵﴾

079.035 Yawma yatathakkaru al-insanu ma saAAa

op de dag dat de mens zich herinnert wat hij heeft nagejaagd,


وَ بُرِّزَتِ الۡجَحِیۡمُ لِمَنۡ یَّرٰی ﴿۳۶﴾

079.036 Waburrizati aljaheemu liman yara

en het hellevuur onthuld wordt voor wie zien kan,


فَاَمَّا مَنۡ طَغٰی ﴿ۙ۳۷﴾

079.037 Faamma man tagha

dan zal voor wie onbeschaamd was


وَ اٰثَرَ الۡحَیٰوۃَ الدُّنۡیَا ﴿ۙ۳۸﴾

079.038 Waathara alhayata alddunya

en het tegenwoordige leven verkoos


فَاِنَّ الۡجَحِیۡمَ ہِیَ الۡمَاۡوٰی ﴿ؕ۳۹﴾

079.039 Fa-inna aljaheema hiya alma/wa

het hellevuur de verblijfplaats zijn.


وَ اَمَّا مَنۡ خَافَ مَقَامَ رَبِّہٖ وَ نَہَی النَّفۡسَ عَنِ الۡہَوٰی ﴿ۙ۴۰﴾

079.040 Waama man khafa maqama rabbihi wanaha alnnafsa AAani alhawa<

Maar dan zal voor wie vreesde om voor zijn Heer te staan en zich zijn persoonlijke neigingen ontzegde


فَاِنَّ الۡجَنَّۃَ ہِیَ الۡمَاۡوٰی ﴿ؕ۴۱﴾

079.041 Fa-inna aljannata hiya alma/wa

de tuin de verblijfplaats zijn.


یَسۡـَٔلُوۡنَکَ عَنِ السَّاعَۃِ اَیَّانَ مُرۡسٰہَا ﴿ؕ۴۲﴾

079.042 Yas-aloonaka AAani alssaAAati ayyana mursaha

Zij vragen jou naar het uur, voor wanneer het is vastgesteld.


فِیۡمَ اَنۡتَ مِنۡ ذِکۡرٰىہَا ﴿ؕ۴۳﴾

079.043 Feema anta min thikraha

Hoe kun jij dat nu noemen?


اِلٰی رَبِّکَ مُنۡتَہٰىہَا ﴿ؕ۴۴﴾

079.044 Ila rabbika muntahaha

De uiteindelijke kennis berust bij jouw Heer.


اِنَّمَاۤ اَنۡتَ مُنۡذِرُ مَنۡ یَّخۡشٰہَا ﴿ؕ۴۵﴾

079.045 Innama anta munthiru man yakhshaha

Jij bent slechts een waarschuwer voor wie er bang voor zijn.


کَاَنَّہُمۡ یَوۡمَ یَرَوۡنَہَا لَمۡ یَلۡبَثُوۡۤا اِلَّا عَشِیَّۃً اَوۡ ضُحٰہَا ﴿٪۴۶﴾

079.046 Kaannahum yawma yarawnaha lam yalbathoo illa AAashiyyatan aw duhaha

En op de dag dat zij het zien zal het zijn alsof het voor hen niet langer dan een avond of de morgen erna geduurd heeft.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

عَبَسَ وَ تَوَلّٰۤی ۙ﴿۱﴾

080.001 AAabasa watawalla

Hij fronste en keerde zich af


اَنۡ جَآءَہُ الۡاَعۡمٰی ؕ﴿۲﴾

080.002 An jaahu al-aAAma

toen de blinde man bij hem kwam.


وَ مَا یُدۡرِیۡکَ لَعَلَّہٗ یَزَّکّٰۤی ۙ﴿۳﴾

080.003 Wama yudreeka laAAallahu yazzakka

Maar hoe kun jij het weten, misschien dat hij zich loutert


اَوۡ یَذَّکَّرُ فَتَنۡفَعَہُ الذِّکۡرٰی ؕ﴿۴﴾

080.004 Aw yaththakkaru fatanfaAAahu alththikra

of zich Iaat vermanen, zodat de vermaning hem baat.


اَمَّا مَنِ اسۡتَغۡنٰی ۙ﴿۵﴾

080.005 Amma mani istaghna

Maar de zelfgenoegzame rijke


فَاَنۡتَ لَہٗ تَصَدّٰی ؕ﴿۶﴾

080.006 Faanta lahu tasadda

aan hem wijd je alle tijd.


وَ مَا عَلَیۡکَ اَلَّا یَزَّکّٰی ؕ﴿۷﴾

080.007 Wama AAalayka alla yazzakka

Toch deert het jou niet dat hij zich niet loutert.


وَ اَمَّا مَنۡ جَآءَکَ یَسۡعٰی ۙ﴿۸﴾

080.008 Waamma man jaaka yasAAa

Maar wie op jou toe komt snellen


وَ ہُوَ یَخۡشٰی ۙ﴿۹﴾

080.009 Wahuwa yakhsha

en daarbij vol vrees is,


فَاَنۡتَ عَنۡہُ تَلَہّٰی ﴿ۚ۱۰﴾

080.010 Faanta AAanhu talahha

aan hem schenk jij geen aandacht.


کَلَّاۤ اِنَّہَا تَذۡکِرَۃٌ ﴿ۚ۱۱﴾

080.011 Kalla innaha tathkiratun

Nee toch, zij zijn een vermaning!


فَمَنۡ شَآءَ ذَکَرَہٗ ﴿ۘ۱۲﴾

080.012 Faman shaa thakarahu

Dus, wie wil denkt eraan,


فِیۡ صُحُفٍ مُّکَرَّمَۃٍ ﴿ۙ۱۳﴾

080.013 Fee suhufin mukarramatin

[geschreven als zij zijn] op vereerde bladen,


مَّرۡفُوۡعَۃٍ مُّطَہَّرَۃٍۭ ﴿ۙ۱۴﴾

080.014 MarfooAAatin mutahharatin

die verheven zijn en reingemaakt,


بِاَیۡدِیۡ سَفَرَۃٍ ﴿ۙ۱۵﴾

080.015 Bi-aydee safaratin

met de hand van schrijvers,


کِرَامٍۭ بَرَرَۃٍ ﴿ؕ۱۶﴾

080.016 Kiramin bararatin

die edel zijnen vroom.


قُتِلَ الۡاِنۡسَانُ مَاۤ اَکۡفَرَہٗ ﴿ؕ۱۷﴾

080.017 Qutila al-insanu ma akfarahu

De mens kan doodvallen, ondankbaar als hij is.


مِنۡ اَیِّ شَیۡءٍ خَلَقَہٗ ﴿ؕ۱۸﴾

080.018 Min ayyi shay-in khalaqahu

Waaruit heeft Hij hem geschapen?


مِنۡ نُّطۡفَۃٍ ؕ خَلَقَہٗ فَقَدَّرَہٗ ﴿ۙ۱۹﴾

080.019 Min nutfatin khalaqahu faqaddarahu

Uit een druppel heeft Hij hem geschapen en toen heeft Hij zijn maat bepaald.


ثُمَّ السَّبِیۡلَ یَسَّرَہٗ ﴿ۙ۲۰﴾

080.020 Thumma alssabeela yassarahu

Dan heeft Hij de weg voor hem gebaand.


ثُمَّ اَمَاتَہٗ فَاَقۡبَرَہٗ ﴿ۙ۲۱﴾

080.021 Thumma amatahu faaqbarahu

Dan laat Hij hem sterven en begraaft hem.


ثُمَّ اِذَا شَآءَ اَنۡشَرَہٗ ﴿ؕ۲۲﴾

080.022 Thumma itha shaa ansharahu

Dan, wanneer Hij wil, wekt Hij hem op.


کَلَّا لَمَّا یَقۡضِ مَاۤ اَمَرَہٗ ﴿ؕ۲۳﴾

080.023 Kalla lamma yaqdi ma amarahu

Welnee, hij heeft nog niets uitgevoerd van wat Hij geboden heeft.


فَلۡیَنۡظُرِ الۡاِنۡسَانُ اِلٰی طَعَامِہٖۤ ﴿ۙ۲۴﴾

080.024 Falyanthuri al-insanu ila taAAamihi

De mens moet maar eens zijn voedsel bekijken.


اَنَّا صَبَبۡنَا الۡمَآءَ صَبًّا ﴿ۙ۲۵﴾

080.025 Anna sababna almaa sabban

Dat Wij het water in gutsen uitgieten,


ثُمَّ شَقَقۡنَا الۡاَرۡضَ شَقًّا ﴿ۙ۲۶﴾

080.026 Thumma shaqaqna al-arda shaqqan

dan de aarde in voren openbreken


فَاَنۡۢبَتۡنَا فِیۡہَا حَبًّا ﴿ۙ۲۷﴾

080.027 Faanbatna feeha habban

en dan erin laten ontspruiten: graan,


وَّ عِنَبًا وَّ قَضۡبًا ﴿ۙ۲۸﴾

080.028 WaAAinaban waqadban

wijnstokken en voedergewassen,


وَّ زَیۡتُوۡنًا وَّ نَخۡلًا ﴿ۙ۲۹﴾

080.029 Wazaytoonan wanakhlan

olijfbomen en palmen,


وَّ حَدَآئِقَ غُلۡبًا ﴿ۙ۳۰﴾

080.030 Wahada-iqa ghulban

in dichtbegroeide boomgaarden,


وَّ فَاکِہَۃً وَّ اَبًّا ﴿ۙ۳۱﴾

080.031 Wafakihatan waabban

vruchten en foerage,


مَّتَاعًا لَّکُمۡ وَ لِاَنۡعَامِکُمۡ ﴿ؕ۳۲﴾

080.032 MataAAan lakum wali-anAAamikum

als vruchtgebruik voor jullie en jullie vee.


فَاِذَا جَآءَتِ الصَّآخَّۃُ ﴿۫۳۳﴾

080.033 Fa-itha jaati alssakhkhatu

En wanneer dan de overdonderende komt


یَوۡمَ یَفِرُّ الۡمَرۡءُ مِنۡ اَخِیۡہِ ﴿ۙ۳۴﴾

080.034 Yawma yafirru almaro min akheehi

op de dag dat de man voor zijn broer vlucht


وَ اُمِّہٖ وَ اَبِیۡہِ ﴿ۙ۳۵﴾

080.035 Waommihi waabeehi

en voor zijn vader en zijn moeder


وَ صَاحِبَتِہٖ وَ بَنِیۡہِ ﴿ؕ۳۶﴾

080.036 Wasahibatihi wabaneehi

en voor zijn metgezellin en zijn zonen,


لِکُلِّ امۡرِیًٔ مِّنۡہُمۡ یَوۡمَئِذٍ شَاۡنٌ یُّغۡنِیۡہِ ﴿ؕ۳۷﴾

080.037 Likulli imri-in minhum yawma-ithin sha/nun yughneehi

op die dag heeft elk van hen een zaak die hem bezighoudt.


وُجُوۡہٌ یَّوۡمَئِذٍ مُّسۡفِرَۃٌ ﴿ۙ۳۸﴾

080.038 Wujoohun yawma-ithin musfiratun

Gezichten zullen er op die dag stralend zijn,


ضَاحِکَۃٌ مُّسۡتَبۡشِرَۃٌ ﴿ۚ۳۹﴾

080.039 Dahikatun mustabshiratun

lachend en verheugd.


وَ وُجُوۡہٌ یَّوۡمَئِذٍ عَلَیۡہَا غَبَرَۃٌ ﴿ۙ۴۰﴾

080.040 Wawujoohun yawma-ithin AAalayha ghabaratun

En gezichten zullen er op die dag zijn met stof erop


تَرۡہَقُہَا قَتَرَۃٌ ﴿ؕ۴۱﴾

080.041 Tarhaquha qataratun

en met grauwheid overdekt.


اُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡکَفَرَۃُ الۡفَجَرَۃُ ﴿٪۴۲﴾

080.042 Ola-ika humu alkafaratu alfajaratu

Dat zijn zij, de ongelovigen, de overtreders.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

اِذَا الشَّمۡسُ کُوِّرَتۡ ۪ۙ﴿۱﴾

081.001 Itha alshshamsu kuwwirat

Wanneer de zon wordt omwonden.


وَ اِذَا النُّجُوۡمُ انۡکَدَرَتۡ ۪ۙ﴿۲﴾

081.002 Wa-itha alnnujoomu inkadarat

En wanneer de sterren neerstorten.


وَ اِذَا الۡجِبَالُ سُیِّرَتۡ ۪ۙ﴿۳﴾

081.003 Wa-itha aljibalu suyyirat

En wanneer de bergen in beweging gezet worden.


وَ اِذَا الۡعِشَارُ عُطِّلَتۡ ۪ۙ﴿۴﴾

081.004 Wa-itha alAAisharu AAuttilat

En wanneer de tiendemaandse kamelen in de steek gelaten worden.


وَ اِذَا الۡوُحُوۡشُ حُشِرَتۡ ۪ۙ﴿۵﴾

081.005 Wa-itha alwuhooshu hushirat

En wanneer de wilde dieren verzameld worden.


وَ اِذَا الۡبِحَارُ سُجِّرَتۡ ۪ۙ﴿۶﴾

081.006 Wa-itha albiharu sujjirat

En wanneer de zee aan het kolken gemaakt wordt.


وَ اِذَا النُّفُوۡسُ زُوِّجَتۡ ۪ۙ﴿۷﴾

081.007 Wa-itha alnnufoosu zuwwijat

En wanneer de zielen verenigd worden.


وَ اِذَا الۡمَوۡءٗدَۃُ سُئِلَتۡ ۪ۙ﴿۸﴾

081.008 Wa-itha almawoodatu su-ilat

En wanneer aan het in de grond gestopte meisje gevraagd wordt


بِاَیِّ ذَنۡۢبٍ قُتِلَتۡ ۚ﴿۹﴾

081.009 Bi-ayyi thanbin qutilat

voor welke zonde zij gedood werd.


وَ اِذَا الصُّحُفُ نُشِرَتۡ ﴿۪ۙ۱۰﴾

081.010 Wa-itha alssuhufu nushirat

En wanneer de bladen opengeslagen worden.


وَ اِذَا السَّمَآءُ کُشِطَتۡ ﴿۪ۙ۱۱﴾

081.011 Wa-itha alssamao kushitat

En wanneer de hemel afgestroopt wordt.


وَ اِذَا الۡجَحِیۡمُ سُعِّرَتۡ ﴿۪ۙ۱۲﴾

081.012 Wa-itha aljaheemu suAAAAirat

En wanneer de hel opgestookt wordt.


وَ اِذَا الۡجَنَّۃُ اُزۡلِفَتۡ ﴿۪ۙ۱۳﴾

081.013 Wa-itha aljannatu ozlifat

En wanneer de tuin dichtbij gebracht wordt.


عَلِمَتۡ نَفۡسٌ مَّاۤ اَحۡضَرَتۡ ﴿ؕ۱۴﴾

081.014 AAalimat nafsun ma ahdarat

Dan weet een ziel wat zij heeft teweeggebracht.


فَلَاۤ اُقۡسِمُ بِالۡخُنَّسِ ﴿ۙ۱۵﴾

081.015 Fala oqsimu bialkhunnasi

Nee toch! Ik zweer bij de achteruitgaande planeten,


الۡجَوَارِ الۡکُنَّسِ ﴿ۙ۱۶﴾

081.016 Aljawari alkunnasi

die voortsnellen en zich verschuilen!


وَ الَّیۡلِ اِذَا عَسۡعَسَ ﴿ۙ۱۷﴾

081.017 Waallayli itha AAasAAasa

Bij de nacht wanneer hij opdoemt!


وَ الصُّبۡحِ اِذَا تَنَفَّسَ ﴿ۙ۱۸﴾

081.018 Waalssubhi itha tanaffasa

Bij de morgen wanneer hij gloort!


اِنَّہٗ لَقَوۡلُ رَسُوۡلٍ کَرِیۡمٍ ﴿ۙ۱۹﴾

081.019 Innahu laqawlu rasoolin kareemin

Dit is het woord van een voortreffelijk gezant,


ذِیۡ قُوَّۃٍ عِنۡدَ ذِی الۡعَرۡشِ مَکِیۡنٍ ﴿ۙ۲۰﴾

081.020 Thee quwwatin AAinda thee alAAarshi makeenin

machtig bij de Heer van de troon en standvastig,


مُّطَاعٍ ثَمَّ اَمِیۡنٍ ﴿ؕ۲۱﴾

081.021 MutaAAin thamma ameenin

gehoorzaamd en ook betrouwbaar.


وَ مَا صَاحِبُکُمۡ بِمَجۡنُوۡنٍ ﴿ۚ۲۲﴾

081.022 Wama sahibukum bimajnoonin

Jullie medeburger is geen bezetene.


وَ لَقَدۡ رَاٰہُ بِالۡاُفُقِ الۡمُبِیۡنِ ﴿ۚ۲۳﴾

081.023 Walaqad raahu bialofuqi almubeeni

Hij heeft hem immers aan de duidelijke horizon gezien.


وَ مَا ہُوَ عَلَی الۡغَیۡبِ بِضَنِیۡنٍ ﴿ۚ۲۴﴾

081.024 Wama huwa AAala alghaybi bidaneenin

Hij is niet gierig met [mededelingen over] het verborgene


وَ مَا ہُوَ بِقَوۡلِ شَیۡطٰنٍ رَّجِیۡمٍ ﴿ۙ۲۵﴾

081.025 Wama huwa biqawli shaytanin rajeemin

en het is ook geen uitspraak van een vervloekte satan.


فَاَیۡنَ تَذۡہَبُوۡنَ ﴿ؕ۲۶﴾

081.026 Faayna tathhaboona

Waarheen zullen jullie dan gaan?


اِنۡ ہُوَ اِلَّا ذِکۡرٌ لِّلۡعٰلَمِیۡنَ ﴿ۙ۲۷﴾

081.027 In huwa illa thikrun lilAAalameena

Het is slechts een vermaning voor de wereldbewoners,


لِمَنۡ شَآءَ مِنۡکُمۡ اَنۡ یَّسۡتَقِیۡمَ ﴿ؕ۲۸﴾

081.028 Liman shaa minkum an yastaqeema

voor wie van jullie correct willen handelen.


وَ مَا تَشَآءُوۡنَ اِلَّاۤ اَنۡ یَّشَآءَ اللّٰہُ رَبُّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿٪۲۹﴾

081.029 Wama tashaoona illa an yashaa Allahu rabbu alAAalameena

Maar jullie zullen het slechts willen als Allah het wil, de Heer van de wereldbewoners.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

اِذَا السَّمَآءُ انۡفَطَرَتۡ ۙ﴿۱﴾

082.001 Itha alssamao infatarat

Wanneer de hemel splijt.


وَ اِذَا الۡکَوَاکِبُ انۡتَثَرَتۡ ۙ﴿۲﴾

082.002 Wa-itha alkawakibu intatharat

En wanneer de sterren verstrooid worden.


وَ اِذَا الۡبِحَارُ فُجِّرَتۡ ﴿ۙ۳﴾

082.003 Wa-itha albiharu fujjirat

En wanneer de zeeën opengebroken worden.


وَ اِذَا الۡقُبُوۡرُ بُعۡثِرَتۡ ۙ﴿۴﴾

082.004 Wa-itha alqubooru buAAthirat

En wanneer de graven omgewoeld worden.


عَلِمَتۡ نَفۡسٌ مَّا قَدَّمَتۡ وَ اَخَّرَتۡ ؕ﴿۵﴾

082.005 AAalimat nafsun ma qaddamat waakhkharat

Dan weet een ziel wat zij vroeger en later gedaan heeft.


یٰۤاَیُّہَا الۡاِنۡسَانُ مَا غَرَّکَ بِرَبِّکَ الۡکَرِیۡمِ ۙ﴿۶﴾

082.006 Ya ayyuha al-insanu ma gharraka birabbika alkareemi

O mens, wat heeft jou begoocheld aangaande jouw voortreffelijke Heer,


الَّذِیۡ خَلَقَکَ فَسَوّٰىکَ فَعَدَلَکَ ۙ﴿۷﴾

082.007 Allathee khalaqaka fasawwaka faAAadalaka

die jou geschapen heeft, dan gevormd en dan evenwichtig gemaakt?


فِیۡۤ اَیِّ صُوۡرَۃٍ مَّا شَآءَ رَکَّبَکَ ؕ﴿۸﴾

082.008 Fee ayyi sooratin ma shaa rakkabaka

In welke vorm Hij het wilde heeft Hij jou samengesteld.


کَلَّا بَلۡ تُکَذِّبُوۡنَ بِالدِّیۡنِ ۙ﴿۹﴾

082.009 Kalla bal tukaththiboona bialddeeni

Maar nee, jullie loochenen toch het oordeel.


وَ اِنَّ عَلَیۡکُمۡ لَحٰفِظِیۡنَ ﴿ۙ۱۰﴾

082.010 Wa-inna AAalaykum lahafitheena

Maar er zijn bewaarders voor jullie,


کِرَامًا کَاتِبِیۡنَ ﴿ۙ۱۱﴾

082.011 Kiraman katibeena

voortreffelijke, die opschrijven,


یَعۡلَمُوۡنَ مَا تَفۡعَلُوۡنَ ﴿۱۲﴾

082.012 YaAAlamoona ma tafAAaloona

die weten wat jullie doen.


اِنَّ الۡاَبۡرَارَ لَفِیۡ نَعِیۡمٍ ﴿ۚ۱۳﴾

082.013 Inna al-abrara lafee naAAeemin

De vromen verkeren in gelukzaligheid,


وَ اِنَّ الۡفُجَّارَ لَفِیۡ جَحِیۡمٍ ﴿ۚۖ۱۴﴾

082.014 Wa-inna alfujjara lafee jaheemin

maar de overtreders zijn in het hellevuur.


یَّصۡلَوۡنَہَا یَوۡمَ الدِّیۡنِ ﴿۱۵﴾

082.015 Yaslawnaha yawma alddeeni

Daarin braden zij op de oordeelsdag.


وَ مَا ہُمۡ عَنۡہَا بِغَآئِبِیۡنَ ﴿ؕ۱۶﴾

082.016 Wama hum AAanha bigha-ibeena

Zij kunnen het niet ontgaan.


وَ مَاۤ اَدۡرٰىکَ مَا یَوۡمُ الدِّیۡنِ ﴿ۙ۱۷﴾

082.017 Wama adraka ma yawmu alddeeni

En hoe kom jij te weten wat de oordeelsdag is?


ثُمَّ مَاۤ اَدۡرٰىکَ مَا یَوۡمُ الدِّیۡنِ ﴿ؕ۱۸﴾

082.018 Thumma ma adraka ma yawmu alddeeni

Nog eens, hoe kom jij te weten wat de oordeelsdag is?


یَوۡمَ لَا تَمۡلِکُ نَفۡسٌ لِّنَفۡسٍ شَیۡئًا ؕ وَ الۡاَمۡرُ یَوۡمَئِذٍ لِّلّٰہِ ﴿٪۱۹﴾

082.019 Yawma la tamliku nafsun linafsin shay-an waal-amru yawma-ithin lillahi

Op de dag waarop niemand iets voor een ander kan uitrichten. Op die dag heeft Allah het bevel.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

وَیۡلٌ لِّلۡمُطَفِّفِیۡنَ ۙ﴿۱﴾

083.001 Waylun lilmutaffifeena

Wee de knoeiers


الَّذِیۡنَ اِذَا اکۡتَالُوۡا عَلَی النَّاسِ یَسۡتَوۡفُوۡنَ ۫﴿ۖ۲﴾

083.002 Allatheena itha iktaloo AAala alnnasi yastawfoona

die, wanneer zij zich door de mensen iets laten afmeten, de volle maat verlangen,


وَ اِذَا کَالُوۡہُمۡ اَوۡ وَّزَنُوۡہُمۡ یُخۡسِرُوۡنَ ﴿ؕ۳﴾

083.003 Wa-itha kaloohum aw wazanoohum yukhsiroona

maar die zelf, wanneer zij afmeten of afwegen, te weinig geven.


اَلَا یَظُنُّ اُولٰٓئِکَ اَنَّہُمۡ مَّبۡعُوۡثُوۡنَ ۙ﴿۴﴾

083.004 Ala yathunnu ola-ika annahum mabAAoothoona

Denken die mensen dan niet dat zij opgewekt worden


لِیَوۡمٍ عَظِیۡمٍ ۙ﴿۵﴾

083.005 Liyawmin AAatheemin

op een geweldige dag,


یَّوۡمَ یَقُوۡمُ النَّاسُ لِرَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ؕ﴿۶﴾

083.006 Yawma yaqoomu alnnasu lirabbi alAAalameena

op de dag waarop de mensen voor de Heer der Werelden staan?


کَلَّاۤ اِنَّ کِتٰبَ الۡفُجَّارِ لَفِیۡ سِجِّیۡنٍ ؕ﴿۷﴾

083.007 Kalla inna kitaba alfujjari lafee sijjeenin

Welnee! Het boek van de overtreders is in Siddjien.


وَ مَاۤ اَدۡرٰىکَ مَا سِجِّیۡنٌ ؕ﴿۸﴾

083.008 Wama adraka ma sijjeenun

En hoe kom jij te weten wat dat is: Siddjien?


کِتٰبٌ مَّرۡقُوۡمٌ ؕ﴿۹﴾

083.009 Kitabun marqoomun

Een vol beschreven boek.


وَیۡلٌ یَّوۡمَئِذٍ لِّلۡمُکَذِّبِیۡنَ ﴿ۙ۱۰﴾

083.010 Waylun yawma-ithin lilmukaththibeena

Wee op die dag de loochenaars


الَّذِیۡنَ یُکَذِّبُوۡنَ بِیَوۡمِ الدِّیۡنِ ﴿ؕ۱۱﴾

083.011 Allatheena yukaththiboona biyawmi alddeeni

die de oordeelsdag loochenen.


وَ مَا یُکَذِّبُ بِہٖۤ اِلَّا کُلُّ مُعۡتَدٍ اَثِیۡمٍ ﴿ۙ۱۲﴾

083.012 Wama yukaththibu bihi illa kullu muAAtadin atheemin

Maar alleen elke zondige overtreder loochent hem.


اِذَا تُتۡلٰی عَلَیۡہِ اٰیٰتُنَا قَالَ اَسَاطِیۡرُ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿ؕ۱۳﴾

083.013 Itha tutla AAalayhi ayatuna qala asateeru al-awwaleena

Wanneer aan hem Onze tekenen voorgelezen worden zegt hij: "Fabels van hen die er eertijds waren."


کَلَّا بَلۡ ٜ رَانَ عَلٰی قُلُوۡبِہِمۡ مَّا کَانُوۡا یَکۡسِبُوۡنَ ﴿۱۴﴾

083.014 Kalla bal rana AAala quloobihim ma kanoo yaksiboona

Welnee! Maar wat zij begaan hebben is aan hun harten aangekoekt.


کَلَّاۤ اِنَّہُمۡ عَنۡ رَّبِّہِمۡ یَوۡمَئِذٍ لَّمَحۡجُوۡبُوۡنَ ﴿ؕ۱۵﴾

083.015 Kalla innahum AAan rabbihim yawma-ithin lamahjooboona

Welnee! Op die dag worden zij van hun Heer afgeschermd.


ثُمَّ اِنَّہُمۡ لَصَالُوا الۡجَحِیۡمِ ﴿ؕ۱۶﴾

083.016 Thumma innahum lasaloo aljaheemi

Dan zullen zij in het hellevuur braden.


ثُمَّ یُقَالُ ہٰذَا الَّذِیۡ کُنۡتُمۡ بِہٖ تُکَذِّبُوۡنَ ﴿ؕ۱۷﴾

083.017 Thumma yuqalu hatha allathee kuntum bihi tukaththiboona

En dan zal gezegd worden: "Dit is het wat jullie loochenden!"


کَلَّاۤ اِنَّ کِتٰبَ الۡاَبۡرَارِ لَفِیۡ عِلِّیِّیۡنَ ﴿ؕ۱۸﴾

083.018 Kalla inna kitaba al-abrari lafee AAilliyyeena

Welnee! Het boek van de vromen is in 'Illijjoen.


وَ مَاۤ اَدۡرٰىکَ مَا عِلِّیُّوۡنَ ﴿ؕ۱۹﴾

083.019 Wama adraka ma AAilliyyoona

En hoe kom jij te weten wat dat is: 'Illijjoen?


کِتٰبٌ مَّرۡقُوۡمٌ ﴿ۙ۲۰﴾

083.020 Kitabun marqoomun

Een vol beschreven boek,


یَّشۡہَدُہُ الۡمُقَرَّبُوۡنَ ﴿ؕ۲۱﴾

083.021 Yashhaduhu almuqarraboona

waarvan zij die in de nabijheid [van Allah] zijn gebracht getuige zijn.


اِنَّ الۡاَبۡرَارَ لَفِیۡ نَعِیۡمٍ ﴿ۙ۲۲﴾

083.022 Inna al-abrara lafee naAAeemin

De vromen verkeren in gelukzaligheid.


عَلَی الۡاَرَآئِکِ یَنۡظُرُوۡنَ ﴿ۙ۲۳﴾

083.023 AAala al-ara-iki yanthuroona

Op rustbanken kijken zij.


تَعۡرِفُ فِیۡ وُجُوۡہِہِمۡ نَضۡرَۃَ النَّعِیۡمِ ﴿ۚ۲۴﴾

083.024 TaAArifu fee wujoohihim nadrata alnnaAAeemi

Je herkent in hun gezichten het stralende van de gelukzaligheid.


یُسۡقَوۡنَ مِنۡ رَّحِیۡقٍ مَّخۡتُوۡمٍ ﴿ۙ۲۵﴾

083.025 Yusqawna min raheeqin makhtoomin

Hun wordt verzegelde edele wijn te drinken gegeven,


خِتٰمُہٗ مِسۡکٌ ؕ وَ فِیۡ ذٰلِکَ فَلۡیَتَنَافَسِ الۡمُتَنَافِسُوۡنَ ﴿ؕ۲۶﴾

083.026 Khitamuhu miskun wafee thalika falyatanafasi almutanafisoona

waarvan het zegel muskus is -- daarvoor zou men om het hardst willen lopen --


وَ مِزَاجُہٗ مِنۡ تَسۡنِیۡمٍ ﴿ۙ۲۷﴾

083.027 Wamizajuhu min tasneemin

en die is bijgemengd uit Tasniem,


عَیۡنًا یَّشۡرَبُ بِہَا الۡمُقَرَّبُوۡنَ ﴿ؕ۲۸﴾

083.028 AAaynan yashrabu biha almuqarraboona

een bron waaruit zij die in de nabijheid [van Allah] zijn gebracht drinken.


اِنَّ الَّذِیۡنَ اَجۡرَمُوۡا کَانُوۡا مِنَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا یَضۡحَکُوۡنَ ﴿۫ۖ۲۹﴾

083.029 Inna allatheena ajramoo kanoo mina allatheena amanoo yadhakoona

Zij die boosdoeners waren lachten om hen die geloofden.


وَ اِذَا مَرُّوۡا بِہِمۡ یَتَغَامَزُوۡنَ ﴿۫ۖ۳۰﴾

083.030 Wa-itha marroo bihim yataghamazoona

En wanneer zij hen voorbijkwamen knipoogden zij naar elkaar


وَ اِذَا انۡقَلَبُوۡۤا اِلٰۤی اَہۡلِہِمُ انۡقَلَبُوۡا فَکِہِیۡنَ ﴿۫ۖ۳۱﴾

083.031 Wa-itha inqalaboo ila ahlihimu inqalaboo fakiheena

en wanneer zij naar hun huisgenoten terugkeerden, kwamen zij spottend weerom.


وَ اِذَا رَاَوۡہُمۡ قَالُوۡۤا اِنَّ ہٰۤؤُلَآءِ لَضَآلُّوۡنَ ﴿ۙ۳۲﴾

083.032 Wa-itha raawhum qaloo inna haola-i ladalloona

En wanneer zij hen zagen zeiden zij: "Die daar verkeren in dwaling."


وَ مَاۤ اُرۡسِلُوۡا عَلَیۡہِمۡ حٰفِظِیۡنَ ﴿ؕ۳۳﴾

083.033 Wama orsiloo AAalayhim hafitheena

Toch waren zij niet als bewakers naar hen gezonden.


فَالۡیَوۡمَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا مِنَ الۡکُفَّارِ یَضۡحَکُوۡنَ ﴿ۙ۳۴﴾

083.034 Faalyawma allatheena amanoo mina alkuffari yadhakoona

Maar vandaag lachen zij die geloven om de ongelovigen.


عَلَی الۡاَرَآئِکِ ۙ یَنۡظُرُوۡنَ ﴿ؕ۳۵﴾

083.035 AAala al-ara-iki yanthuroona

Op rustbanken kijken zij.


ہَلۡ ثُوِّبَ الۡکُفَّارُ مَا کَانُوۡا یَفۡعَلُوۡنَ ﴿٪۳۶﴾

083.036 Hal thuwwiba alkuffaru ma kanoo yafAAaloona

Zijn de ongelovigen beloond voor wat zij gedaan hebben?


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

اِذَا السَّمَآءُ انۡشَقَّتۡ ۙ﴿۱﴾

084.001 Itha alssamao inshaqqat

Wanneer de hemel barst


وَ اَذِنَتۡ لِرَبِّہَا وَ حُقَّتۡ ۙ﴿۲﴾

084.002 Waathinat lirabbiha wahuqqat

en naar zijn Heer luistert en zijn plicht nakomt.


وَ اِذَا الۡاَرۡضُ مُدَّتۡ ۙ﴿۳﴾

084.003 Wa-itha al-ardu muddat

En wanneer de aarde uitgebreid wordt


وَ اَلۡقَتۡ مَا فِیۡہَا وَ تَخَلَّتۡ ۙ﴿۴﴾

084.004 Waalqat ma feeha watakhallat

en uitwerpt wat er in haar is en zich leegt


وَ اَذِنَتۡ لِرَبِّہَا وَ حُقَّتۡ ؕ﴿۵﴾

084.005 Waathinat lirabbiha wahuqqat

en naar haar Heer luistert en haar plicht nakomt.


یٰۤاَیُّہَا الۡاِنۡسَانُ اِنَّکَ کَادِحٌ اِلٰی رَبِّکَ کَدۡحًا فَمُلٰقِیۡہِ ۚ﴿۶﴾

084.006 Ya ayyuha al-insanu innaka kadihun ila rabbika kadhan famulaqeehi

O mens, jij streeft met inspanning naar jouw Heer en jij zult Hem ontmoeten.


فَاَمَّا مَنۡ اُوۡتِیَ کِتٰبَہٗ بِیَمِیۡنِہٖ ۙ﴿۷﴾

084.007 Faama man ootiya kitabahu biyameenihi

Wie dan zijn boek in zijn rechterhand krijgt,


فَسَوۡفَ یُحَاسَبُ حِسَابًا یَّسِیۡرًا ۙ﴿۸﴾

084.008 Fasawfa yuhasabu hisaban yaseeran

met hem zal schappelijk worden afgerekend.


وَّ یَنۡقَلِبُ اِلٰۤی اَہۡلِہٖ مَسۡرُوۡرًا ؕ﴿۹﴾

084.009 Wayanqalibu ila ahlihi masrooran

En hij zal blij naar zijn familie terugkeren.


وَ اَمَّا مَنۡ اُوۡتِیَ کِتٰبَہٗ وَرَآءَ ظَہۡرِہٖ ﴿ۙ۱۰﴾

084.010 Waamma man ootiya kitabahu waraa thahrihi

Maar wie zijn boek achter zijn rug krijgt aangereikt,


فَسَوۡفَ یَدۡعُوۡا ثُبُوۡرًا ﴿ۙ۱۱﴾

084.011 Fasawfa yadAAoo thubooran

zal ach en wee roepen


وَّ یَصۡلٰی سَعِیۡرًا ﴿ؕ۱۲﴾

084.012 Wayasla saAAeeran

en in de vuurgloed braden.


اِنَّہٗ کَانَ فِیۡۤ اَہۡلِہٖ مَسۡرُوۡرًا ﴿ؕ۱۳﴾

084.013 Innahu kana fee ahlihi masrooran

Hij was blij bij zijn familie.


اِنَّہٗ ظَنَّ اَنۡ لَّنۡ یَّحُوۡرَ ﴿ۚۛ۱۴﴾

084.014 Innahu thanna an lan yahoora

Hij dacht dat hij niet terug zou keren.


بَلٰۤی ۚۛ اِنَّ رَبَّہٗ کَانَ بِہٖ بَصِیۡرًا ﴿ؕ۱۵﴾

084.015 Bala inna rabbahu kana bihi baseeran

Maar nee, jouw Heer doorzag hem wel.


فَلَاۤ اُقۡسِمُ بِالشَّفَقِ ﴿ۙ۱۶﴾

084.016 Fala oqsimu bialshshafaqi

Nee toch! Ik zweer bij het avondrood,


وَ الَّیۡلِ وَ مَا وَسَقَ ﴿ۙ۱۷﴾

084.017 Waallayli wama wasaqa

bij de nacht en wat hij verhult


وَ الۡقَمَرِ اِذَا اتَّسَقَ ﴿ۙ۱۸﴾

084.018 Waalqamari itha ittasaqa

en bij de maan wanneer zij vol is.


لَتَرۡکَبُنَّ طَبَقًا عَنۡ طَبَقٍ ﴿ؕ۱۹﴾

084.019 Latarkabunna tabaqan AAan tabaqin

Jullie zullen fase na fase doorlopen.


فَمَا لَہُمۡ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿ۙ۲۰﴾

084.020 Fama lahum la yu/minoona

Wat hebben zij toch dat zij niet geloven


وَ اِذَا قُرِئَ عَلَیۡہِمُ الۡقُرۡاٰنُ لَا یَسۡجُدُوۡنَ ﴿ؕٛ۲۱﴾

084.021 Wa-itha quri-a AAalayhimu alqur-anu la yasjudoona

en wanneer de Koran aan hen wordt voorgelezen dat zij zich niet eerbiedig neerbuigen? --


بَلِ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا یُکَذِّبُوۡنَ ﴿۫ۖ۲۲﴾

084.022 Bali allatheena kafaroo yukaththiboona

Welnee, zij die ongelovig zijn loochenen [het].


وَ اللّٰہُ اَعۡلَمُ بِمَا یُوۡعُوۡنَ ﴿۫ۖ۲۳﴾

084.023 WaAllahu aAAlamu bima yooAAoona

Maar Allah weet het best wat zij in zich bergen.


فَبَشِّرۡہُمۡ بِعَذَابٍ اَلِیۡمٍ ﴿ۙ۲۴﴾

084.024 Fabashshirhum biAAathabin aleemin

Verkondig hun dan een pijnlijke bestraffing.


اِلَّا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ لَہُمۡ اَجۡرٌ غَیۡرُ مَمۡنُوۡنٍ ﴿٪۲۵﴾

084.025 Illa allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati lahum ajrun ghayru mamnoonin

Maar niet aan hen die geloven en de deugdelijke daden doen; voor hen is er een ononderbroken loon.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

وَ السَّمَآءِ ذَاتِ الۡبُرُوۡجِ ۙ﴿۱﴾

085.001 Waalssama-i thati alburooji

Bij de hemel vol sterrenbeelden!


وَ الۡیَوۡمِ الۡمَوۡعُوۡدِ ۙ﴿۲﴾

085.002 Waalyawmi almawAAoodi

Bij de aangezegde dag!


وَ شَاہِدٍ وَّ مَشۡہُوۡدٍ ؕ﴿۳﴾

085.003 Washahidin wamashhoodin

Bij een getuige en wat getuigd wordt!


قُتِلَ اَصۡحٰبُ الۡاُخۡدُوۡدِ ۙ﴿۴﴾

085.004 Qutila as-habu alukhdoodi

Doodvallen mogen de makers van de kuil,


النَّارِ ذَاتِ الۡوَقُوۡدِ ۙ﴿۵﴾

085.005 Alnnari thati alwaqoodi

van het vuur met veel brandstof.


اِذۡ ہُمۡ عَلَیۡہَا قُعُوۡدٌ ۙ﴿۶﴾

085.006 Ith hum AAalayha quAAoodun

Toen zij erbij zaten


وَّ ہُمۡ عَلٰی مَا یَفۡعَلُوۡنَ بِالۡمُؤۡمِنِیۡنَ شُہُوۡدٌ ؕ﴿۷﴾

085.007 Wahum AAala ma yafAAaloona bialmu/mineena shuhoodun

en getuige waren van wat zij de gelovigen aandeden!


وَ مَا نَقَمُوۡا مِنۡہُمۡ اِلَّاۤ اَنۡ یُّؤۡمِنُوۡا بِاللّٰہِ الۡعَزِیۡزِ الۡحَمِیۡدِ ۙ﴿۸﴾

085.008 Wama naqamoo minhum illa an yu/minoo biAllahi alAAazeezi alhameedi

Zij koesterden alleen maar wrok tegen hen omdat zij geloofden in Allah, de machtige, de lofwaardige,


الَّذِیۡ لَہٗ مُلۡکُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ وَ اللّٰہُ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ شَہِیۡدٌ ؕ﴿۹﴾

085.009 Allathee lahu mulku alssamawati waal-ardi waAllahu AAala kulli shay-in shaheedun

die de heerschappij over de hemelen en de aarde heeft. En Allah is van alles getuige.


اِنَّ الَّذِیۡنَ فَتَنُوا الۡمُؤۡمِنِیۡنَ وَ الۡمُؤۡمِنٰتِ ثُمَّ لَمۡ یَتُوۡبُوۡا فَلَہُمۡ عَذَابُ جَہَنَّمَ وَ لَہُمۡ عَذَابُ الۡحَرِیۡقِ ﴿ؕ۱۰﴾

085.010 Inna allatheena fatanoo almu/mineena waalmu/minati thumma lam yatooboo falahum AAathabu jahannama walahum AAathabu alhareeqi

Zij die gelovige mannen en vrouwen aan verzoeking blootstellen en dan geen berouw tonen, voor hen is de bestraffing van de hel, voor hen is de bestraffing met het vuur.


اِنَّ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ لَہُمۡ جَنّٰتٌ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ ۬ؕؑ ذٰلِکَ الۡفَوۡزُ الۡکَبِیۡرُ ﴿ؕ۱۱﴾

085.011 Inna allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati lahum jannatun tajree min tahtiha al-anharu thalika alfawzu alkabeeru

Zij die geloven en de deugdelijke daden doen, voor hen zijn er tuinen waar de rivieren onderdoor stromen. Dat is de grote triomf!


اِنَّ بَطۡشَ رَبِّکَ لَشَدِیۡدٌ ﴿ؕ۱۲﴾

085.012 Inna batsha rabbika lashadeedun

Het geweld van jouw Heer is hevig.


اِنَّہٗ ہُوَ یُبۡدِئُ وَ یُعِیۡدُ ﴿ۚ۱۳﴾

085.013 Innahu huwa yubdi-o wayuAAeedu

Hij is het die [de schepping] laat beginnen en die [haar] herhaalt.


وَ ہُوَ الۡغَفُوۡرُ الۡوَدُوۡدُ ﴿ۙ۱۴﴾

085.014 Wahuwa alghafooru alwadoodu

Hij is de vergevende, de liefdevolle,


ذُو الۡعَرۡشِ الۡمَجِیۡدُ ﴿ۙ۱۵﴾

085.015 Thoo alAAarshi almajeedi

de Heer van de grote troon


فَعَّالٌ لِّمَا یُرِیۡدُ ﴿ؕ۱۶﴾

085.016 FaAAAAalun lima yureedu

die doet wat Hij wenst.


ہَلۡ اَتٰىکَ حَدِیۡثُ الۡجُنُوۡدِ ﴿ۙ۱۷﴾

085.017 Hal ataka hadeethu aljunoodi

Is het verhaal van de troepenmachten tot jou gekomen?


فِرۡعَوۡنَ وَ ثَمُوۡدَ ﴿ؕ۱۸﴾

085.018 FirAAawna wathamooda

Van Fir'aun en de Thamoed?


بَلِ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا فِیۡ تَکۡذِیۡبٍ ﴿ۙ۱۹﴾

085.019 Bali allatheena kafaroo fee taktheebin

Welnee, zij die ongelovig zijn blijven steeds loochenen.


وَّ اللّٰہُ مِنۡ وَّرَآئِہِمۡ مُّحِیۡطٌ ﴿ۚ۲۰﴾

085.020 WaAllahu min wara-ihim muheetun

Maar Allah omvat hen van achteren.


بَلۡ ہُوَ قُرۡاٰنٌ مَّجِیۡدٌ ﴿ۙ۲۱﴾

085.021 Bal huwa qur-anun majeedun

Ja zeker, het is een glorierijke Koran,


فِیۡ لَوۡحٍ مَّحۡفُوۡظٍ ﴿٪۲۲﴾

085.022 Fee lawhin mahfoothin

op een goedbewaard paneel.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

وَ السَّمَآءِ وَ الطَّارِقِ ۙ﴿۱﴾

086.001 Waalssama-i waalttariqi

Bij de hemel en de nachtster!


وَ مَاۤ اَدۡرٰىکَ مَا الطَّارِقُ ۙ﴿۲﴾

086.002 Wama adraka ma alttariqu

En hoe kom jij te weten wat de nachtster is?


النَّجۡمُ الثَّاقِبُ ۙ﴿۳﴾

086.003 Alnnajmu alththaqibu

De doordringende ster.


اِنۡ کُلُّ نَفۡسٍ لَّمَّا عَلَیۡہَا حَافِظٌ ؕ﴿۴﴾

086.004 In kullu nafsin lamma AAalayha hafithun

Er is niemand voor wie er geen bewaker is.


فَلۡیَنۡظُرِ الۡاِنۡسَانُ مِمَّ خُلِقَ ؕ﴿۵﴾

086.005 Falyanthuri al-insanu mimma khuliqa

De mens moet maar eens kijken waaruit hij geschapen is.


خُلِقَ مِنۡ مَّآءٍ دَافِقٍ ۙ﴿۶﴾

086.006 Khuliqa min ma-in dafiqin

Geschapen is hij uit gutsend vocht,


یَّخۡرُجُ مِنۡۢ بَیۡنِ الصُّلۡبِ وَ التَّرَآئِبِ ؕ﴿۷﴾

086.007 Yakhruju min bayni alssulbi waalttara-ibi

dat tussen de lendenen en de ribben tevoorschijn komt.


اِنَّہٗ عَلٰی رَجۡعِہٖ لَقَادِرٌ ؕ﴿۸﴾

086.008 Innahu AAala rajAAihi laqadirun

Om hem terug te brengen, daartoe heeft Hij de macht,


یَوۡمَ تُبۡلَی السَّرَآئِرُ ۙ﴿۹﴾

086.009 Yawma tubla alssara-iru

op de dag dat de geheimen worden getoetst.


فَمَا لَہٗ مِنۡ قُوَّۃٍ وَّ لَا نَاصِرٍ ﴿ؕ۱۰﴾

086.010 Fama lahu min quwwatin wala nasirin

Dan heeft hij geen kracht en geen helper.


وَ السَّمَآءِ ذَاتِ الرَّجۡعِ ﴿ۙ۱۱﴾

086.011 Waalssama-i thati alrrajAAi

Bij de hemel met zijn kringloop!


وَ الۡاَرۡضِ ذَاتِ الصَّدۡعِ ﴿ۙ۱۲﴾

086.012 Waal-ardi thati alssadAAi

Bij de aarde die uitbot!


اِنَّہٗ لَقَوۡلٌ فَصۡلٌ ﴿ۙ۱۳﴾

086.013 Innahu laqawlun faslun

Het zijn beslissende woorden.


وَّ مَا ہُوَ بِالۡہَزۡلِ ﴿ؕ۱۴﴾

086.014 Wama huwa bialhazli

Het is geen scherts.


اِنَّہُمۡ یَکِیۡدُوۡنَ کَیۡدًا ﴿ۙ۱۵﴾

086.015 Innahum yakeedoona kaydan

Zij beramen een list.


وَّ اَکِیۡدُ کَیۡدًا ﴿ۚۖ۱۶﴾

086.016 Waakeedu kaydan

En Ik zal een list beramen.


فَمَہِّلِ الۡکٰفِرِیۡنَ اَمۡہِلۡہُمۡ رُوَیۡدًا ﴿٪۱۷﴾

086.017 Famahhili alkafireena amhilhum ruwaydan

Geef de ongelovigen dan maar uitstel, verleen hun enig uitstel.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

سَبِّحِ اسۡمَ رَبِّکَ الۡاَعۡلَی ۙ﴿۱﴾

087.001 Sabbihi isma rabbika al-aAAla

Prijs de naam van jouw Heer, de hoogste,


الَّذِیۡ خَلَقَ فَسَوّٰی ۪ۙ﴿۲﴾

087.002 Allathee khalaqa fasawwa

die geschapen heeft en gevormd


وَ الَّذِیۡ قَدَّرَ فَہَدٰی ۪ۙ﴿۳﴾

087.003 Waallathee qaddara fahada

en die geordend heeft en de goede richting gewezen


وَ الَّذِیۡۤ اَخۡرَجَ الۡمَرۡعٰی ۪ۙ﴿۴﴾

087.004 Waallathee akhraja almarAAa

en die het weidegras laat opkomen


فَجَعَلَہٗ غُثَآءً اَحۡوٰی ؕ﴿۵﴾

087.005 FajaAAalahu ghuthaan ahwa

en het daarna dor en grauw maakt.


سَنُقۡرِئُکَ فَلَا تَنۡسٰۤی ۙ﴿۶﴾

087.006 Sanuqri-oka fala tansa

Wij zullen jou laten voorlezen en jij zult het niet vergeten,


اِلَّا مَا شَآءَ اللّٰہُ ؕ اِنَّہٗ یَعۡلَمُ الۡجَہۡرَ وَ مَا یَخۡفٰی ؕ﴿۷﴾

087.007 Illa ma shaa Allahu innahu yaAAlamu aljahra wama yakhfa

behalve wat Allah wil -- Hij kent wat openbaar is en wat verborgen blijft.


وَ نُیَسِّرُکَ لِلۡیُسۡرٰی ۚ﴿ۖ۸﴾

087.008 Wanuyassiruka lilyusra

Wij leggen jou namelijk een gemakkelijke taak op.


فَذَکِّرۡ اِنۡ نَّفَعَتِ الذِّکۡرٰی ؕ﴿۹﴾

087.009 Fathakkir in nafaAAati alththikra

Vermaan dus, als de vermaning nut heeft.


سَیَذَّکَّرُ مَنۡ یَّخۡشٰی ﴿ۙ۱۰﴾

087.010 Sayaththakkaru man yakhsha<

Wie vreest zal zich laten vermanen.


وَ یَتَجَنَّبُہَا الۡاَشۡقَی ﴿ۙ۱۱﴾

087.011 Wayatajannabuha al-ashqa

Maar vermijden zal het de ellendeling


الَّذِیۡ یَصۡلَی النَّارَ الۡکُبۡرٰی ﴿ۚ۱۲﴾

087.012 Allathee yasla alnnara alkubra

die in het grote vuur zal braden.


ثُمَّ لَا یَمُوۡتُ فِیۡہَا وَ لَا یَحۡیٰی ﴿ؕ۱۳﴾

087.013 Thumma la yamootu feeha wala yahya

Hij zal daarin dan niet sterven en niet leven.


قَدۡ اَفۡلَحَ مَنۡ تَزَکّٰی ﴿ۙ۱۴﴾

087.014 Qad aflaha man tazakka

Maar welgaan zal het wie zich loutert,


وَ ذَکَرَ اسۡمَ رَبِّہٖ فَصَلّٰی ﴿ؕ۱۵﴾

087.015 Wathakara isma rabbihi fasalla

de naam van zijn Heer noemt en de salaat bidt.


بَلۡ تُؤۡثِرُوۡنَ الۡحَیٰوۃَ الدُّنۡیَا ﴿۫ۖ۱۶﴾

087.016 Bal tu/thiroona alhayata alddunya

Maar nee, jullie verkiezen het tegenwoordige leven.


وَ الۡاٰخِرَۃُ خَیۡرٌ وَّ اَبۡقٰی ﴿ؕ۱۷﴾

087.017 Waal-akhiratu khayrun waabqa

Maar het hiernamaals is beter en onvergankelijker.


اِنَّ ہٰذَا لَفِی الصُّحُفِ الۡاُوۡلٰی ﴿ۙ۱۸﴾

087.018 Inna hatha lafee alssuhufi al-oola

Dit staat al in de eerdere bladen,


صُحُفِ اِبۡرٰہِیۡمَ وَ مُوۡسٰی ﴿٪۱۹﴾

087.019 Suhufi ibraheema wamoosa

de bladen van Ibrahiem en Moesa.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

ہَلۡ اَتٰىکَ حَدِیۡثُ الۡغَاشِیَۃِ ؕ﴿۱﴾

088.001 Hal ataka hadeethu alghashiyati

Is het verhaal van de bedekking tot jou gekomen?


وُجُوۡہٌ یَّوۡمَئِذٍ خَاشِعَۃٌ ۙ﴿۲﴾

088.002 Wujoohun yawma-ithin khashiAAatun

Terneergeslagen gezichten zijn er op die dag,


عَامِلَۃٌ نَّاصِبَۃٌ ۙ﴿۳﴾

088.003 AAamilatun nasibatun

die zwoegen en zich afsloven,


تَصۡلٰی نَارًا حَامِیَۃً ۙ﴿۴﴾

088.004 Tasla naran hamiyatan

die in een heet vuur braden


تُسۡقٰی مِنۡ عَیۡنٍ اٰنِیَۃٍ ؕ﴿۵﴾

088.005 Tusqa min AAaynin aniyatin

en die te drinken krijgen uit een gloeiende bron.


لَیۡسَ لَہُمۡ طَعَامٌ اِلَّا مِنۡ ضَرِیۡعٍ ۙ﴿۶﴾

088.006 Laysa lahum taAAamun illa min dareeAAin

Hun voedsel bestaat slechts uit doornstruiken.


لَّا یُسۡمِنُ وَ لَا یُغۡنِیۡ مِنۡ جُوۡعٍ ؕ﴿۷﴾

088.007 La yusminu wala yughnee min jooAAin

Die maken niet vet en stillen de honger niet.


وُجُوۡہٌ یَّوۡمَئِذٍ نَّاعِمَۃٌ ۙ﴿۸﴾

088.008 Wujoohun yawma-ithin naAAimatun

Zalige gezichten zijn er op die dag,


لِّسَعۡیِہَا رَاضِیَۃٌ ۙ﴿۹﴾

088.009 LisaAAyiha radiyatun

die met hun streven tevreden zijn,


فِیۡ جَنَّۃٍ عَالِیَۃٍ ﴿ۙ۱۰﴾

088.010 Fee jannatin AAaliyatin

in een hooggelegen tuin,


لَّا تَسۡمَعُ فِیۡہَا لَاغِیَۃً ﴿ؕ۱۱﴾

088.011 La tasmaAAu feeha laghiyatan

waarin je geen onzin hoort.


فِیۡہَا عَیۡنٌ جَارِیَۃٌ ﴿ۘ۱۲﴾

088.012 Feeha AAaynun jariyatun

Daar is een stromende bron.


فِیۡہَا سُرُرٌ مَّرۡفُوۡعَۃٌ ﴿ۙ۱۳﴾

088.013 Feeha sururun marfooAAatun

Daar zijn verhoogde rustbedden,


وَّ اَکۡوَابٌ مَّوۡضُوۡعَۃٌ ﴿ۙ۱۴﴾

088.014 Waakwabun mawdooAAatun

klaargezette bekers,


وَّ نَمَارِقُ مَصۡفُوۡفَۃٌ ﴿ۙ۱۵﴾

088.015 Wanamariqu masfoofatun

rijen van kussens


وَّ زَرَابِیُّ مَبۡثُوۡثَۃٌ ﴿ؕ۱۶﴾

088.016 Wazarabiyyu mabthoothatun

en uitgespreide tapijten.


اَفَلَا یَنۡظُرُوۡنَ اِلَی الۡاِبِلِ کَیۡفَ خُلِقَتۡ ﴿ٝ۱۷﴾

088.017 Afala yanthuroona ila al-ibili kayfa khuliqat

Kijken zij dan niet naar de kamelen hoe zij zijn geschapen?


وَ اِلَی السَّمَآءِ کَیۡفَ رُفِعَتۡ ﴿ٝ۱۸﴾

088.018 Wa-ila alssama-i kayfa rufiAAat

En naar de hemel hoe hij is opgeheven?


وَ اِلَی الۡجِبَالِ کَیۡفَ نُصِبَتۡ ﴿ٝ۱۹﴾

088.019 Wa-ila aljibali kayfa nusibat

En naar de bergen hoe zij zijn opgericht?


وَ اِلَی الۡاَرۡضِ کَیۡفَ سُطِحَتۡ ﴿ٝ۲۰﴾

088.020 Wa-ila al-ardi kayfa sutihat<

En naar de aarde hoe zij is geëffend?


فَذَکِّرۡ ۟ؕ اِنَّمَاۤ اَنۡتَ مُذَکِّرٌ ﴿ؕ۲۱﴾

088.021 Fathakkir innama anta muthakkirun

Vermaan dan; jij bent slechts een vermaner.


لَسۡتَ عَلَیۡہِمۡ بِمُصَۜیۡطِرٍ ﴿ۙ۲۲﴾

088.022 Lasta AAalayhim bimusaytirin

En jij bent geen heerser over hen.


اِلَّا مَنۡ تَوَلّٰی وَ کَفَرَ ﴿ۙ۲۳﴾

088.023 Illa man tawalla wakafara

Maar wie zich afkeert en ongelovig is,


فَیُعَذِّبُہُ اللّٰہُ الۡعَذَابَ الۡاَکۡبَرَ ﴿ؕ۲۴﴾

088.024 FayuAAaththibuhu Allahu alAAathaba al-akbara

hem zal Allah straffen met de grootste bestraffing.


اِنَّ اِلَیۡنَاۤ اِیَابَہُمۡ ﴿ۙ۲۵﴾

088.025 Inna ilayna iyabahum

Tot Ons is hun terugkeer.


ثُمَّ اِنَّ عَلَیۡنَا حِسَابَہُمۡ ﴿٪۲۶﴾

088.026 Thumma inna AAalayna hisabahum

Dan is bij Ons hun afrekening.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

وَ الۡفَجۡرِ ۙ﴿۱﴾

089.001 Waalfajri

Bij de dageraad!


وَ لَیَالٍ عَشۡرٍ ۙ﴿۲﴾

089.002 Walayalin AAashrin

Bij tien nachten!


وَّ الشَّفۡعِ وَ الۡوَتۡرِ ۙ﴿۳﴾

089.003 WaalshshafAAi waalwatri

Bij even en oneven!


وَ الَّیۡلِ اِذَا یَسۡرِ ۚ﴿۴﴾

089.004 Waallayli itha yasri

Bij de nacht wanneer hij afloopt!


ہَلۡ فِیۡ ذٰلِکَ قَسَمٌ لِّذِیۡ حِجۡرٍ ؕ﴿۵﴾

089.005 Hal fee thalika qasamun lithee hijrin

Is dat zo geen eed voor wie verstand heeft?


اَلَمۡ تَرَ کَیۡفَ فَعَلَ رَبُّکَ بِعَادٍ ۪ۙ﴿۶﴾

089.006 Alam tara kayfa faAAala rabbuka biAAadin

Heb jij niet gezien hoe jouw Heer met de 'Aad gehandeld heeft?


اِرَمَ ذَاتِ الۡعِمَادِ ۪ۙ﴿۷﴾

089.007 Irama thati alAAimadi

Met Iram van de pilaren,


الَّتِیۡ لَمۡ یُخۡلَقۡ مِثۡلُہَا فِی الۡبِلَادِ ۪ۙ﴿۸﴾

089.008 Allatee lam yukhlaq mithluha fee albiladi

zoals er in het land nooit geschapen waren?


وَ ثَمُوۡدَ الَّذِیۡنَ جَابُوا الصَّخۡرَ بِالۡوَادِ ۪ۙ﴿۹﴾

089.009 Wathamooda allatheena jaboo alssakhra bialwadi

En de Thamoed die de rotsen in de vallei uithieuwen?


وَ فِرۡعَوۡنَ ذِی الۡاَوۡتَادِ ﴿۪ۙ۱۰﴾

089.010 WafirAAawna thee al-awtadi

En met Fir'aun van de tentpinnen?


الَّذِیۡنَ طَغَوۡا فِی الۡبِلَادِ ﴿۪ۙ۱۱﴾

089.011 Allatheena taghaw fee albiladi

Die allen onbeschaamd in het land optraden?


فَاَکۡثَرُوۡا فِیۡہَا الۡفَسَادَ ﴿۪ۙ۱۲﴾

089.012 Faaktharoo feeha alfasada

En die toen steeds meer verderf brachten?


فَصَبَّ عَلَیۡہِمۡ رَبُّکَ سَوۡطَ عَذَابٍ ﴿ۚۙ۱۳﴾

089.013 Fasabba AAalayhim rabbuka sawta AAathabin

Toen liet Allah de gesel van de bestraffing over hen heen gaan.


اِنَّ رَبَّکَ لَبِالۡمِرۡصَادِ ﴿ؕ۱۴﴾

089.014 Inna rabbaka labialmirsadi

Jouw Heer ligt in de hinderlaag.


فَاَمَّا الۡاِنۡسَانُ اِذَا مَا ابۡتَلٰىہُ رَبُّہٗ فَاَکۡرَمَہٗ وَ نَعَّمَہٗ ۬ۙ فَیَقُوۡلُ رَبِّیۡۤ اَکۡرَمَنِ ﴿ؕ۱۵﴾

089.015 Faamma al-insanu itha ma ibtalahu rabbuhu faakramahu wanaAAAAamahu fayaqoolu rabbee akramani

Maar de mens zegt, wanneer zijn Heer hem op de proef stelt en hem dan mild behandelt en een aangenaam leven geeft: "Mijn Heer heeft mij mild behandeld."


وَ اَمَّاۤ اِذَا مَا ابۡتَلٰىہُ فَقَدَرَ عَلَیۡہِ رِزۡقَہٗ ۬ۙ فَیَقُوۡلُ رَبِّیۡۤ اَہَانَنِ ﴿ۚ۱۶﴾

089.016 Waamma itha ma ibtalahu faqadara AAalayhi rizqahu fayaqoolu rabbee ahanani

Maar als Hij hem op de proef stelt en hem dan zijn levensonderhoud beperkt dan zegt hij: "Mijn Heer heeft mij vernederd."


کَلَّا بَلۡ لَّا تُکۡرِمُوۡنَ الۡیَتِیۡمَ ﴿ۙ۱۷﴾

089.017 Kalla bal la tukrimoona alyateema

Welnee, maar jullie behandelen de wees niet mild.


وَ لَا تَحٰٓضُّوۡنَ عَلٰی طَعَامِ الۡمِسۡکِیۡنِ ﴿ۙ۱۸﴾

089.018 Wala tahaddoona AAala taAAami almiskeeni

En jullie sporen elkaar niet aan de behoeftige voedsel te geven.


وَ تَاۡکُلُوۡنَ التُّرَاثَ اَکۡلًا لَّمًّا ﴿ۙ۱۹﴾

089.019 Wata/kuloona altturatha aklan lamman

Jullie verteren het erfdeel gretig.


وَّ تُحِبُّوۡنَ الۡمَالَ حُبًّا جَمًّا ﴿ؕ۲۰﴾

089.020 Watuhibboona almala hubban jamman

Jullie zijn volkomen verzot op bezit.


کَلَّاۤ اِذَا دُکَّتِ الۡاَرۡضُ دَکًّا دَکًّا ﴿ۙ۲۱﴾

089.021 Kalla itha dukkati al-ardu dakkan dakkan

Maar nee, wanneer de aarde tot gruis vergruisd wordt


وَّ جَآءَ رَبُّکَ وَ الۡمَلَکُ صَفًّا صَفًّا ﴿ۚ۲۲﴾

089.022 Wajaa rabbuka waalmalaku saffan saffan

en jouw Heer en de engelen komen, in rij na rij,


وَ جِایۡٓءَ یَوۡمَئِذٍۭ بِجَہَنَّمَ ۬ۙ یَوۡمَئِذٍ یَّتَذَکَّرُ الۡاِنۡسَانُ وَ اَنّٰی لَہُ الذِّکۡرٰی ﴿ؕ۲۳﴾

089.023 Wajee-a yawma-ithin bijahannama yawma-ithin yatathakkaru al-insanu waanna lahu alththikra

en op die dag de hel gebracht wordt, op die dag laat de mens zich vermanen. Maar wat moet hij dan met de vermaning?


یَقُوۡلُ یٰلَیۡتَنِیۡ قَدَّمۡتُ لِحَیَاتِیۡ ﴿ۚ۲۴﴾

089.024 Yaqoolu ya laytanee qaddamtu lihayatee

Hij zegt: "Ach, had ik voor mijn leven maar voorzorgsmaatregelen genomen."


فَیَوۡمَئِذٍ لَّا یُعَذِّبُ عَذَابَہٗۤ اَحَدٌ ﴿ۙ۲۵﴾

089.025 Fayawma-ithin la yuAAaththibu AAathabahu ahadun

Maar op die dag is er niet een die bestraft zoals Hij


وَّ لَا یُوۡثِقُ وَ ثَاقَہٗۤ اَحَدٌ ﴿ؕ۲۶﴾

089.026 Wala yoothiqu wathaqahu ahadun

en niet een die in de boeien slaat zoals Hij.


یٰۤاَیَّتُہَا النَّفۡسُ الۡمُطۡمَئِنَّۃُ ﴿٭ۖ۲۷﴾

089.027 Ya ayyatuha alnnafsu almutma-innatu

"O ziel die rust gevonden heeft,


ارۡجِعِیۡۤ اِلٰی رَبِّکِ رَاضِیَۃً مَّرۡضِیَّۃً ﴿ۚ۲۸﴾

089.028 IrjiAAee ila rabbiki radiyatan mardiyyatan

keer tevreden en met welgevallen aanvaard terug naar jouw Heer.


فَادۡخُلِیۡ فِیۡ عِبٰدِیۡ ﴿ۙ۲۹﴾

089.029 Faodkhulee fee AAibadee

En treed binnen te midden van Mijn dienaren


وَ ادۡخُلِیۡ جَنَّتِیۡ ﴿٪۳۰﴾

089.030 Waodkhulee jannatee

en treed binnen in Mijn tuin."


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

لَاۤ اُقۡسِمُ بِہٰذَا الۡبَلَدِ ۙ﴿۱﴾

090.001 La oqsimu bihatha albaladi

Nee toch! Ik zweer bij deze stad!


وَ اَنۡتَ حِلٌّۢ بِہٰذَا الۡبَلَدِ ۙ﴿۲﴾

090.002 Waanta hillun bihatha albaladi

Bij deze stad waarin jij woonachtig bent!


وَ وَالِدٍ وَّ مَا وَلَدَ ۙ﴿۳﴾

090.003 Wawalidin wama walada

Bij een vader en wat hij verwekt heeft!


لَقَدۡ خَلَقۡنَا الۡاِنۡسَانَ فِیۡ کَبَدٍ ؕ﴿۴﴾

090.004 Laqad khalaqna al-insana fee kabadin

Wij hebben de mens toch in benardheid geschapen.


اَیَحۡسَبُ اَنۡ لَّنۡ یَّقۡدِرَ عَلَیۡہِ اَحَدٌ ۘ﴿۵﴾

090.005 Ayahsabu an lan yaqdira AAalayhi ahadun

Denkt hij dan dat niet één iets tegen hem vermag?


یَقُوۡلُ اَہۡلَکۡتُ مَالًا لُّبَدًا ؕ﴿۶﴾

090.006 Yaqoolu ahlaktu malan lubadan

Hij zegt: "Ik heb een aanzienlijk vermogen verbruikt."


اَیَحۡسَبُ اَنۡ لَّمۡ یَرَہٗۤ اَحَدٌ ؕ﴿۷﴾

090.007 Ayahsabu an lam yarahu ahadun

Denkt hij dan dat niet één hem zag?


اَلَمۡ نَجۡعَلۡ لَّہٗ عَیۡنَیۡنِ ۙ﴿۸﴾

090.008 Alam najAAal lahu AAaynayni

Hebben Wij voor hem niet twee ogen gemaakt


وَ لِسَانًا وَّ شَفَتَیۡنِ ۙ﴿۹﴾

090.009 Walisanan washafatayni

en een tong en twee lippen?


وَ ہَدَیۡنٰہُ النَّجۡدَیۡنِ ﴿ۚ۱۰﴾

090.010 Wahadaynahu alnnajdayni

En hebben Wij hem niet de twee wegen gewezen?


فَلَا اقۡتَحَمَ الۡعَقَبَۃَ ﴿۫ۖ۱۱﴾

090.011 Fala iqtahama alAAaqabata

Toch is hij de steile weg niet ingeslagen.


وَ مَاۤ اَدۡرٰىکَ مَا الۡعَقَبَۃُ ﴿ؕ۱۲﴾

090.012 Wama adraka ma alAAaqabatu

En hoe kom jij te weten wat de steile weg is?


فَکُّ رَقَبَۃٍ ﴿ۙ۱۳﴾

090.013 Fakku raqabatin

Vrijlating van een slaaf


اَوۡ اِطۡعٰمٌ فِیۡ یَوۡمٍ ذِیۡ مَسۡغَبَۃٍ ﴿ۙ۱۴﴾

090.014 Aw itAAamun fee yawmin thee masghabatin

of voedsel geven op een dag van hongersnood


یَّتِیۡمًا ذَا مَقۡرَبَۃٍ ﴿ۙ۱۵﴾

090.015 Yateeman tha maqrabatin

aan een wees uit de verwantschap


اَوۡ مِسۡکِیۡنًا ذَا مَتۡرَبَۃٍ ﴿ؕ۱۶﴾

090.016 Aw miskeenan tha matrabatin

of aan een arme behoeftige.


ثُمَّ کَانَ مِنَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ تَوَاصَوۡا بِالصَّبۡرِ وَ تَوَاصَوۡا بِالۡمَرۡحَمَۃِ ﴿ؕ۱۷﴾

090.017 Thumma kana mina allatheena amanoo watawasaw bialssabri watawasaw bialmarhamati

En verder, dat hij behoort tot hen die geloven, die elkaar tot volharding aanmanen en die elkaar tot barmhartigheid aanmanen.


اُولٰٓئِکَ اَصۡحٰبُ الۡمَیۡمَنَۃِ ﴿ؕ۱۸﴾

090.018 Ola-ika as-habu almaymanati

Dat zijn zij die aan de rechterkant staan.


وَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا بِاٰیٰتِنَا ہُمۡ اَصۡحٰبُ الۡمَشۡـَٔمَۃِ ﴿ؕ۱۹﴾

090.019 Waallatheena kafaroo bi-ayatina hum as-habu almash-amati

Maar zij die aan Onze tekenen geen geloof hechten, zij zijn het die aan de linkerkant staan,


عَلَیۡہِمۡ نَارٌ مُّؤۡصَدَۃٌ ﴿۲۰﴾

090.020 AAalayhim narun mu/sadatun

zij worden door een vuur omsloten.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

وَ الشَّمۡسِ وَ ضُحٰہَا ۪ۙ﴿۱﴾

091.001 Waalshshamsi waduhaha

Bij de zon en haar morgenlicht!


وَ الۡقَمَرِ اِذَا تَلٰىہَا ۪ۙ﴿۲﴾

091.002 Waalqamari itha talaha

Bij de maan, wanneer zij haar volgt!


وَ النَّہَارِ اِذَا جَلّٰىہَا ۪ۙ﴿۳﴾

091.003 Waalnnahari itha jallaha

Bij de dag, wanneer zij hem beschijnt!


وَ الَّیۡلِ اِذَا یَغۡشٰىہَا ۪ۙ﴿۴﴾

091.004 Waallayli itha yaghshaha

Bij de nacht, wanneer hij haar bedekt!


وَ السَّمَآءِ وَ مَا بَنٰہَا ۪ۙ﴿۵﴾

091.005 Waalssama-i wama banaha

Bij de hemel en wie hem heeft gebouwd!


وَ الۡاَرۡضِ وَ مَا طَحٰہَا ۪ۙ﴿۶﴾

091.006 Waal-ardi wama tahaha

Bij de aarde en wie haar heeft uitgespreid!


وَ نَفۡسٍ وَّ مَا سَوّٰىہَا ۪ۙ﴿۷﴾

091.007 Wanafsin wama sawwaha

Bij een ziel en wie haar heeft gevormd!


فَاَلۡہَمَہَا فُجُوۡرَہَا وَ تَقۡوٰىہَا ۪ۙ﴿۸﴾

091.008 Faalhamaha fujooraha wataqwaha

En die haar toen haar zondigheid en haar godvrezendheid heeft ingegeven!


قَدۡ اَفۡلَحَ مَنۡ زَکّٰىہَا ۪ۙ﴿۹﴾

091.009 Qad aflaha man zakkaha

Wel gaat het wie haar loutert.


وَ قَدۡ خَابَ مَنۡ دَسّٰىہَا ﴿ؕ۱۰﴾

091.010 Waqad khaba man dassaha

Maar teleurgesteld wordt wie haar laat verkommeren.


کَذَّبَتۡ ثَمُوۡدُ بِطَغۡوٰىہَاۤ ﴿۪ۙ۱۱﴾

091.011 Kaththabat thamoodu bitaghwaha

De Thamoed hebben het in hun onbeschaamdheid geloochend,


اِذِ انۡۢبَعَثَ اَشۡقٰہَا ﴿۪ۙ۱۲﴾

091.012 Ithi inbaAAatha ashqaha

toen de ellendeling onder hen opstond.


فَقَالَ لَہُمۡ رَسُوۡلُ اللّٰہِ نَاقَۃَ اللّٰہِ وَ سُقۡیٰہَا ﴿ؕ۱۳﴾

091.013 Faqala lahum rasoolu Allahi naqata Allahi wasuqyaha

Toen zei Allah's gezant tot hen: "Pas op met Allah's kameelmerrie en haar tijd om te drinken."


فَکَذَّبُوۡہُ فَعَقَرُوۡہَا ۪۬ۙ فَدَمۡدَمَ عَلَیۡہِمۡ رَبُّہُمۡ بِذَنۡۢبِہِمۡ فَسَوّٰىہَا ﴿۪ۙ۱۴﴾

091.014 Fakaththaboohu faAAaqarooha fadamdama AAalayhim rabbuhum bithanbihim fasawwaha

Maar zij betichtten hem van leugens en sneden haar hielpezen door. Toen vernietigde hun Heer hen om hun zonden en maakte hen met de grond gelijk


وَ لَا یَخَافُ عُقۡبٰہَا ﴿٪۱۵﴾

091.015 Wala yakhafu AAuqbaha

en Hij vreesde de gevolgen niet.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

وَ الَّیۡلِ اِذَا یَغۡشٰی ۙ﴿۱﴾

092.001 Waallayli itha yaghsha

Bij de nacht wanneer hij toedekt!


وَ النَّہَارِ اِذَا تَجَلّٰی ۙ﴿۲﴾

092.002 Waalnnahari itha tajalla

Bij de dag wanneer hij verschijnt!


وَ مَا خَلَقَ الذَّکَرَ وَ الۡاُنۡثٰۤی ۙ﴿۳﴾

092.003 Wama khalaqa alththakara waal-ontha

Bij Hem die het mannelijke en het vrouwelijke heeft geschapen!


اِنَّ سَعۡیَکُمۡ لَشَتّٰی ؕ﴿۴﴾

092.004 Inna saAAyakum lashatta

Jullie streven is echt velerlei.


فَاَمَّا مَنۡ اَعۡطٰی وَ اتَّقٰی ۙ﴿۵﴾

092.005 Faamma man aAAta waittaqa

Hij dan die geeft en godvrezend is


وَ صَدَّقَ بِالۡحُسۡنٰی ۙ﴿۶﴾

092.006 Wasaddaqa bialhusna

en aan het allermooiste gelooft,


فَسَنُیَسِّرُہٗ لِلۡیُسۡرٰی ؕ﴿۷﴾

092.007 Fasanuyassiruhu lilyusra

hem leggen Wij een gemakkelijke taak op.


وَ اَمَّا مَنۡۢ بَخِلَ وَ اسۡتَغۡنٰی ۙ﴿۸﴾

092.008 Waamma man bakhila waistaghna

Hij dan die gierig en zelfgenoegzaam is


وَ کَذَّبَ بِالۡحُسۡنٰی ۙ﴿۹﴾

092.009 Wakaththaba bialhusna

en die het allermooiste loochent,


فَسَنُیَسِّرُہٗ لِلۡعُسۡرٰی ﴿ؕ۱۰﴾

092.010 Fasanuyassiruhu lilAAusra

hem leggen Wij een moeilijke taak op.


وَ مَا یُغۡنِیۡ عَنۡہُ مَا لُہٗۤ اِذَا تَرَدّٰی ﴿ؕ۱۱﴾

092.011 Wama yughnee AAanhu maluhu itha taradda

Zijn bezit baat hem niet als hij in de afgrond stort.


اِنَّ عَلَیۡنَا لَلۡہُدٰی ﴿۫ۖ۱۲﴾

092.012 Inna AAalayna lalhuda

Het is Onze taak de goede weg te wijzen.


وَ اِنَّ لَنَا لَلۡاٰخِرَۃَ وَ الۡاُوۡلٰی ﴿۱۳﴾

092.013 Wa-inna lana lal-akhirata waal-oola

En van Ons is het hiernamaals en het tegenwoordige bestaan.


فَاَنۡذَرۡتُکُمۡ نَارًا تَلَظّٰی ﴿ۚ۱۴﴾

092.014 Faanthartukum naran talaththa

Ik waarschuw jullie dus voor een vuur dat laait.


لَا یَصۡلٰىہَاۤ اِلَّا الۡاَشۡقَی ﴿ۙ۱۵﴾

092.015 La yaslaha illa al-ashqa

Daarin zal slechts de ellendeling braden


الَّذِیۡ کَذَّبَ وَ تَوَلّٰی ﴿ؕ۱۶﴾

092.016 Allathee kaththaba watawalla

die het geloochend en zich afgekeerd heeft.


وَ سَیُجَنَّبُہَا الۡاَتۡقَی ﴿ۙ۱۷﴾

092.017 Wasayujannabuha al-atqa

Maar de godvrezende zal daarvan ver gehouden worden


الَّذِیۡ یُؤۡتِیۡ مَالَہٗ یَتَزَکّٰی ﴿ۚ۱۸﴾

092.018 Allathee yu/tee malahu yatazakka

hij die zijn bezit gegeven heeft om zich te louteren


وَ مَا لِاَحَدٍ عِنۡدَہٗ مِنۡ نِّعۡمَۃٍ تُجۡزٰۤی ﴿ۙ۱۹﴾

092.019 Wama li-ahadin AAindahu min niAAmatin tujza

en niet om voor een weldaad door iemand beloond te worden,


اِلَّا ابۡتِغَآءَ وَجۡہِ رَبِّہِ الۡاَعۡلٰی ﴿ۚ۲۰﴾

092.020 Illa ibtighaa wajhi rabbihi al-aAAla

maar uit zijn verlangen naar het aangezicht van zijn hoogste Heer.


وَ لَسَوۡفَ یَرۡضٰی ﴿٪۲۱﴾

092.021 Walasawfa yarda

En Hij zal tevreden zijn.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

وَ الضُّحٰی ۙ﴿۱﴾

093.001 Waaldduha

Bij het morgenlicht!


وَ الَّیۡلِ اِذَا سَجٰی ۙ﴿۲﴾

093.002 Waallayli itha saja

Bij de nacht wanneer het stil is!


مَا وَدَّعَکَ رَبُّکَ وَ مَا قَلٰی ؕ﴿۳﴾

093.003 Ma waddaAAaka rabbuka wama qala

Jouw Heer heeft je niet verlaten, noch gehaat.


وَ لَلۡاٰخِرَۃُ خَیۡرٌ لَّکَ مِنَ الۡاُوۡلٰی ؕ﴿۴﴾

093.004 Walal-akhiratu khayrun laka mina al-oola

En het hiernamaals is echt beter voor jou dan het tegenwoordige bestaan.


وَ لَسَوۡفَ یُعۡطِیۡکَ رَبُّکَ فَتَرۡضٰی ؕ﴿۵﴾

093.005 Walasawfa yuAAteeka rabbuka fatarda

Jouw Heer zal jou zeker geven en dan ben jij voldaan.


اَلَمۡ یَجِدۡکَ یَتِیۡمًا فَاٰوٰی ۪﴿۶﴾

093.006 Alam yajidka yateeman faawa

Heeft Hij jou niet als wees gevonden en onderdak gegeven?


وَ وَجَدَکَ ضَآلًّا فَہَدٰی ۪﴿۷﴾

093.007 Wawajadaka dallan fahada

Jou dwalend gevonden en jou de weg gewezen?


وَ وَجَدَکَ عَآئِلًا فَاَغۡنٰی ؕ﴿۸﴾

093.008 Wawajadaka AAa-ilan faaghna

Jou behoeftig gevonden en rijk gemaakt?


فَاَمَّا الۡیَتِیۡمَ فَلَا تَقۡہَرۡ ؕ﴿۹﴾

093.009 Faamma alyateema fala taqhar

De wees dus, verdruk hem niet.


وَ اَمَّا السَّآئِلَ فَلَا تَنۡہَرۡ ﴿ؕ۱۰﴾

093.010 Waamma alssa-ila fala tanhar

De bedelaar, verjaag hem niet.


وَ اَمَّا بِنِعۡمَۃِ رَبِّکَ فَحَدِّثۡ ﴿۱۱﴾

093.011 Waamma biniAAmati rabbika fahaddith

En de genade van jouw Heer, vertel daarvan!


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

اَلَمۡ نَشۡرَحۡ لَکَ صَدۡرَکَ ۙ﴿۱﴾

094.001 Alam nashrah laka sadraka

Hebben Wij bij jou je hart niet opengesteld


وَ وَضَعۡنَا عَنۡکَ وِزۡرَکَ ۙ﴿۲﴾

094.002 WawadaAAna AAanka wizraka

en jou je last afgenomen,


الَّذِیۡۤ اَنۡقَضَ ظَہۡرَکَ ۙ﴿۳﴾

094.003 Allathee anqada thahraka

die zwaar op jouw rug drukte?


وَ رَفَعۡنَا لَکَ ذِکۡرَکَ ؕ﴿۴﴾

094.004 WarafaAAna laka thikraka

En Wij hebben jouw aanzien vergroot.


فَاِنَّ مَعَ الۡعُسۡرِ یُسۡرًا ۙ﴿۵﴾

094.005 Fa-inna maAAa alAAusri yusran

Want met het moeilijke hangt het gemakkelijke samen.


اِنَّ مَعَ الۡعُسۡرِ یُسۡرًا ؕ﴿۶﴾

094.006 Inna maAAa alAAusri yusran

Ja, met het moeilijke hangt het gemakkelijke samen!


فَاِذَا فَرَغۡتَ فَانۡصَبۡ ۙ﴿۷﴾

094.007 Fa-itha faraghta fainsab

En wanneer je klaar bent span je dan in


وَ اِلٰی رَبِّکَ فَارۡغَبۡ ﴿۸﴾

094.008 Wa-ila rabbika fairghab

en richt je verlangen tot jouw Heer.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

وَ التِّیۡنِ وَ الزَّیۡتُوۡنِ ۙ﴿۱﴾

095.001 Waaltteeni waalzzaytooni

Bij de vijgenboom en de olijfboom!


وَ طُوۡرِ سِیۡنِیۡنَ ۙ﴿۲﴾

095.002 Watoori seeneena

Bij de berg Sinien!


وَ ہٰذَا الۡبَلَدِ الۡاَمِیۡنِ ۙ﴿۳﴾

095.003 Wahatha albaladi al-ameeni

Bij deze veilige stad!


لَقَدۡ خَلَقۡنَا الۡاِنۡسَانَ فِیۡۤ اَحۡسَنِ تَقۡوِیۡمٍ ۫﴿۴﴾

095.004 Laqad khalaqna al-insana fee ahsani taqweemin

Wij hebben de mens in de mooiste gestalte geschapen.


ثُمَّ رَدَدۡنٰہُ اَسۡفَلَ سٰفِلِیۡنَ ۙ﴿۵﴾

095.005 Thumma radadnahu asfala safileena

Daarna laten Wij hem weer diep zakken,


اِلَّا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ فَلَہُمۡ اَجۡرٌ غَیۡرُ مَمۡنُوۡنٍ ؕ﴿۶﴾

095.006 Illa allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati falahum ajrun ghayru mamnoonin

behalve hen die geloven en de deugdelijke daden doen. Voor hen is er immers een ononderbroken loon.


فَمَا یُکَذِّبُکَ بَعۡدُ بِالدِّیۡنِ ؕ﴿۷﴾

095.007 Fama yukaththibuka baAAdu bialddeeni

Wat kan jou over het oordeel nog van leugens betichten?


اَلَیۡسَ اللّٰہُ بِاَحۡکَمِ الۡحٰکِمِیۡنَ ﴿۸﴾

095.008 Alaysa Allahu bi-ahkami alhakimeena

Is Allah niet de wijste van hen die oordelen?


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

اِقۡرَاۡ بِاسۡمِ رَبِّکَ الَّذِیۡ خَلَقَ ۚ﴿۱﴾

096.001 Iqra/ bi-ismi rabbika allathee khalaqa

Lees voor in de naam van jouw Heer die heeft geschapen.


خَلَقَ الۡاِنۡسَانَ مِنۡ عَلَقٍ ۚ﴿۲﴾

096.002 Khalaqa al-insana min AAalaqin

Geschapen heeft Hij de mens uit een bloedklonter.


اِقۡرَاۡ وَ رَبُّکَ الۡاَکۡرَمُ ۙ﴿۳﴾

096.003 Iqra/ warabbuka al-akramu

Lees voor! Jouw Heer is de edelmoedigste,


الَّذِیۡ عَلَّمَ بِالۡقَلَمِ ۙ﴿۴﴾

096.004 Allathee AAallama bialqalami

die onderwezen heeft met de pen.


عَلَّمَ الۡاِنۡسَانَ مَا لَمۡ یَعۡلَمۡ ؕ﴿۵﴾

096.005 AAallama al-insana ma lam yaAAlam

Hij heeft de mens onderwezen wat hij niet wist.


کَلَّاۤ اِنَّ الۡاِنۡسَانَ لَیَطۡغٰۤی ۙ﴿۶﴾

096.006 Kalla inna al-insana layatgha

Welnee, de mens is onbeschaamd,


اَنۡ رَّاٰہُ اسۡتَغۡنٰی ﴿ؕ۷﴾

096.007 An raahu istaghna

dat hij zich behoefteloos waant.


اِنَّ اِلٰی رَبِّکَ الرُّجۡعٰی ؕ﴿۸﴾

096.008 Inna ila rabbika alrrujAAa

Maar tot zijn Heer is de terugkeer.


اَرَءَیۡتَ الَّذِیۡ یَنۡہٰی ۙ﴿۹﴾

096.009 Araayta allathee yanha

Heb jij hem gezien die een verbod oplegt


عَبۡدًا اِذَا صَلّٰی ﴿ؕ۱۰﴾

096.010 AAabdan itha salla

aan een dienaar wanneer hij bidt?


اَرَءَیۡتَ اِنۡ کَانَ عَلَی الۡہُدٰۤی ﴿ۙ۱۱﴾

096.011 Araayta in kana AAala alhuda

Meen jij dat hij op de goede weg is


اَوۡ اَمَرَ بِالتَّقۡوٰی ﴿ؕ۱۲﴾

096.012 Aw amara bialttaqwa

of godvrezendheid gebiedt?


اَرَءَیۡتَ اِنۡ کَذَّبَ وَ تَوَلّٰی ﴿ؕ۱۳﴾

096.013 Araayta in kaththaba watawalla

Meen jij dat hij loochent en zich afkeert?


اَلَمۡ یَعۡلَمۡ بِاَنَّ اللّٰہَ یَرٰی ﴿ؕ۱۴﴾

096.014 Alam yaAAlam bi-anna Allaha yara

Weet hij niet dat Allah ziet?


کَلَّا لَئِنۡ لَّمۡ یَنۡتَہِ ۬ۙ لَنَسۡفَعًۢا بِالنَّاصِیَۃِ ﴿ۙ۱۵﴾

096.015 Kalla la-in lam yantahi lanasfaAAan bialnnasiyati

Welnee! Als hij niet ophoudt zullen Wij hem bij de kuif grijpen,


نَاصِیَۃٍ کَاذِبَۃٍ خَاطِئَۃٍ ﴿ۚ۱۶﴾

096.016 Nasiyatin kathibatin khati-atin

een zondige leugenachtige kuif.


فَلۡیَدۡعُ نَادِیَہٗ ﴿ۙ۱۷﴾

096.017 FalyadAAu nadiyahu

Laat hij dan zijn bende maar roepen.


سَنَدۡعُ الزَّبَانِیَۃَ ﴿ۙ۱۸﴾

096.018 SanadAAu alzzabaniyata

Wij zullen de hellewachters roepen.


کَلَّا ؕ لَا تُطِعۡہُ وَ اسۡجُدۡ وَ اقۡتَرِبۡ ﴿ٛ۱۹﴾

096.019 Kalla la tutiAAhu waosjud waiqtarib

Nee hoor, gehoorzaam hem niet, maar buig je eerbiedig neer en kom nader.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

اِنَّاۤ اَنۡزَلۡنٰہُ فِیۡ لَیۡلَۃِ الۡقَدۡرِ ۚ﴿ۖ۱﴾

097.001 Inna anzalnahu fee laylati alqadri

Wij hebben hem neergezonden in de nacht van de beslissing.


وَ مَاۤ اَدۡرٰىکَ مَا لَیۡلَۃُ الۡقَدۡرِ ؕ﴿۲﴾

097.002 Wama adraka ma laylatu alqadri

En hoe kom jij te weten wat de nacht van de beslissing is?


لَیۡلَۃُ الۡقَدۡرِ ۬ۙ خَیۡرٌ مِّنۡ اَلۡفِ شَہۡرٍ ؕ﴿ؔ۳﴾

097.003 Laylatu alqadri khayrun min alfi shahrin

De nacht van de beslissing is beter dan duizend maanden.


تَنَزَّلُ الۡمَلٰٓئِکَۃُ وَ الرُّوۡحُ فِیۡہَا بِاِذۡنِ رَبِّہِمۡ ۚ مِنۡ کُلِّ اَمۡرٍ ۙ﴿ۛ۴﴾

097.004 Tanazzalu almala-ikatu waalrroohu feeha bi-ithni rabbihim min kulli amrin

De engelen en de geest dalen erin neer met toestemming van hun Heer voor elke beschikking.


سَلٰمٌ ۟ۛ ہِیَ حَتّٰی مَطۡلَعِ الۡفَجۡرِ ﴿۵﴾

097.005 Salamun hiya hatta matlaAAi alfajri

Vol vrede is hij tot aan de opkomst van de dageraad.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

لَمۡ یَکُنِ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا مِنۡ اَہۡلِ الۡکِتٰبِ وَ الۡمُشۡرِکِیۡنَ مُنۡفَکِّیۡنَ حَتّٰی تَاۡتِیَہُمُ الۡبَیِّنَۃُ ۙ﴿۱﴾

098.001 Lam yakuni allatheena kafaroo min ahli alkitabi waalmushrikeena munfakkeena hatta ta/tiyahumu albayyinatu

Zij onder de mensen van het boek die ongelovig zijn en de veelgodendienaars zullen pas ophouden als het duidelijke bewijs tot hen komt:


رَسُوۡلٌ مِّنَ اللّٰہِ یَتۡلُوۡا صُحُفًا مُّطَہَّرَۃً ۙ﴿۲﴾

098.002 Rasoolun mina Allahi yatloo suhufan mutahharatan

Een gezant van Allah die reingemaakte bladen aan hen voorleest,


فِیۡہَا کُتُبٌ قَیِّمَۃٌ ؕ﴿۳﴾

098.003 Feeha kutubun qayyimatun

waarin juiste dingen geschreven staan.


وَ مَا تَفَرَّقَ الَّذِیۡنَ اُوۡتُوا الۡکِتٰبَ اِلَّا مِنۡۢ بَعۡدِ مَا جَآءَتۡہُمُ الۡبَیِّنَۃُ ؕ﴿۴﴾

098.004 Wama tafarraqa allatheena ootoo alkitaba illa min baAAdi ma jaat-humu albayyinatu

Zij aan wie het boek gegeven is hebben zich pas nadat het duidelijke bewijs tot hen gekomen was opgesplitst.


وَ مَاۤ اُمِرُوۡۤا اِلَّا لِیَعۡبُدُوا اللّٰہَ مُخۡلِصِیۡنَ لَہُ الدِّیۡنَ ۬ۙ حُنَفَآءَ وَ یُقِیۡمُوا الصَّلٰوۃَ وَ یُؤۡتُوا الزَّکٰوۃَ وَ ذٰلِکَ دِیۡنُ الۡقَیِّمَۃِ ؕ﴿۵﴾

098.005 Wama omiroo illa liyaAAbudoo Allaha mukhliseena lahu alddeena hunafaa wayuqeemoo alssalata wayu/too alzzakata wathalika deenu alqayyimati

Hun werd slechts bevolen Allah te dienen en daarbij als aanhangers van het zuivere geloof de godsdienst geheel aan Hem te wijden en de salaat te verrichten en de zakaat te geven. Dat is de juiste godsdienst.


اِنَّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا مِنۡ اَہۡلِ الۡکِتٰبِ وَ الۡمُشۡرِکِیۡنَ فِیۡ نَارِ جَہَنَّمَ خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا ؕ اُولٰٓئِکَ ہُمۡ شَرُّ الۡبَرِیَّۃِ ؕ﴿۶﴾

098.006 Inna allatheena kafaroo min ahli alkitabi waalmushrikeena fee nari jahannama khalideena feeha ola-ika hum sharru albariyyati

Zij onder de mensen van het boek die ongelovig zijn en de veelgodendienaars zullen in het vuur van de hel zijn, waarin zij altijd zullen blijven; zij zijn het slechtst af van de schepping.


اِنَّ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ ۙ اُولٰٓئِکَ ہُمۡ خَیۡرُ الۡبَرِیَّۃِ ؕ﴿۷﴾

098.007 Inna allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati ola-ika hum khayru albariyyati

Maar zij die geloven en de deugdelijke daden doen, zij zijn het best af van de schepping.


جَزَآؤُہُمۡ عِنۡدَ رَبِّہِمۡ جَنّٰتُ عَدۡنٍ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَاۤ اَبَدًا ؕ رَضِیَ اللّٰہُ عَنۡہُمۡ وَ رَضُوۡا عَنۡہُ ؕ ذٰلِکَ لِمَنۡ خَشِیَ رَبَّہٗ ﴿۸﴾

098.008 Jazaohum AAinda rabbihim jannatu AAadnin tajree min tahtiha al-anharu khalideena feeha abadan radiya Allahu AAanhum waradoo AAanhu thalika liman khashiya rabbahu

Als hun loon zijn er bij hun Heer de tuinen van 'Adn waar de rivieren onderdoor stromen; daarin zullen zij altijd blijven. Allah heeft een welgevallen aan hen en zij hebben een welgevallen aan Hem. Dat is voor wie zijn Heer vreest.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

اِذَا زُلۡزِلَتِ الۡاَرۡضُ زِلۡزَالَہَا ۙ﴿۱﴾

099.001 Itha zulzilati al-ardu zilzalaha

Wanneer de aarde bevend dooreen wordt geschud


وَ اَخۡرَجَتِ الۡاَرۡضُ اَثۡقَالَہَا ۙ﴿۲﴾

099.002 Waakhrajati al-ardu athqalaha

en haar lasten tevoorschijn brengt


وَ قَالَ الۡاِنۡسَانُ مَا لَہَا ۚ﴿۳﴾

099.003 Waqala al-insanu ma laha

en de mens zegt: "Wat heeft zij toch?"


یَوۡمَئِذٍ تُحَدِّثُ اَخۡبَارَہَا ۙ﴿۴﴾

099.004 Yawma-ithin tuhaddithu akhbaraha

Op die dag zal zij haar berichten meedelen


بِاَنَّ رَبَّکَ اَوۡحٰی لَہَا ؕ﴿۵﴾

099.005 Bi-anna rabbaka awha laha

die jouw Heer haar heeft geopenbaard.


یَوۡمَئِذٍ یَّصۡدُرُ النَّاسُ اَشۡتَاتًا ۬ۙ لِّیُرَوۡا اَعۡمَالَہُمۡ ؕ﴿۶﴾

099.006 Yawma-ithin yasduru alnnasu ashtatan liyuraw aAAmalahum

Op die dag zullen de mensen afzonderlijk voorkomen om hun daden getoond te krijgen.


فَمَنۡ یَّعۡمَلۡ مِثۡقَالَ ذَرَّۃٍ خَیۡرًا یَّرَہٗ ؕ﴿۷﴾

099.007 Faman yaAAmal mithqala tharratin khayran yarahu

En wie ook maar een greintje goeds heeft gedaan die zal het zien.


وَ مَنۡ یَّعۡمَلۡ مِثۡقَالَ ذَرَّۃٍ شَرًّا یَّرَہٗ ﴿۸﴾

099.008 Waman yaAAmal mithqala tharratin sharran yarahu

En wie ook maar een greintje kwaads heeft gedaan die zal het zien.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

وَ الۡعٰدِیٰتِ ضَبۡحًا ۙ﴿۱﴾

100.001 WaalAAadiyati dabhan

1. Bij de rossen die snel en snuivend ademen,


فَالۡمُوۡرِیٰتِ قَدۡحًا ۙ﴿۲﴾

100.002 Faalmooriyati qadhan

2. Die vonken uit de hoeven slaan,


فَالۡمُغِیۡرٰتِ صُبۡحًا ۙ﴿۳﴾

100.003 Faalmugheerati subhan

3. En bij de dageraad plotseling een aan val doen.


فَاَثَرۡنَ بِہٖ نَقۡعًا ۙ﴿۴﴾

100.004 Faatharna bihi naqAAan

4. Daarbij stof opwerpen


فَوَسَطۡنَ بِہٖ جَمۡعًا ۙ﴿۵﴾

100.005 Fawasatna bihi jamAAan

5. En zo door het midden van de vijandelijke menigte zich een weg banen.


اِنَّ الۡاِنۡسَانَ لِرَبِّہٖ لَکَنُوۡدٌ ۚ﴿۶﴾

100.006 Inna al-insana lirabbihi lakanoodun

6. Voorwaar, de mens is ondankbaar jegens zijn Heer;


وَ اِنَّہٗ عَلٰی ذٰلِکَ لَشَہِیۡدٌ ۚ﴿۷﴾

100.007 Wa-innahu AAala thalika lashaheedun

7. En waarlijk, hij is daar zelf getuige van.


وَ اِنَّہٗ لِحُبِّ الۡخَیۡرِ لَشَدِیۡدٌ ؕ﴿۸﴾

100.008 Wa-innahu lihubbi alkhayri lashadeedun

8. En voorzeker, hij heeft een hevige begeerte naar rijkdommen.


اَفَلَا یَعۡلَمُ اِذَا بُعۡثِرَ مَا فِی الۡقُبُوۡرِ ۙ﴿۹﴾

100.009 Afala yaAAlamu itha buAAthira ma fee alquboori

9. Weet zo iemand dan niet, dat hetgeen in de graven is weder zal worden opgewekt?


وَ حُصِّلَ مَا فِی الصُّدُوۡرِ ﴿ۙ۱۰﴾

100.010 Wahussila ma fee alssudoori

10. En dat het innerlijk zal worden bekend gemaakt?


اِنَّ رَبَّہُمۡ بِہِمۡ یَوۡمَئِذٍ لَّخَبِیۡرٌ ﴿۱۱﴾

100.011 Inna rabbahum bihim yawma-ithin lakhabeerun

11. Dat hun Heer hen op die Dag volkomen kent?


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

اَلۡقَارِعَۃُ ۙ﴿۱﴾

101.001 AlqariAAatu

1. De ramp.


مَا الۡقَارِعَۃُ ۚ﴿۲﴾

101.002 Ma alqariAAatu

2. Wat is de ramp?


وَ مَاۤ اَدۡرٰىکَ مَا الۡقَارِعَۃُ ؕ﴿۳﴾

101.003 Wama adraka ma alqariAAatu

3. En wat weet u (er van) wat de ramp is?


یَوۡمَ یَکُوۡنُ النَّاسُ کَالۡفَرَاشِ الۡمَبۡثُوۡثِ ۙ﴿۴﴾

101.004 Yawma yakoonu alnnasu kaalfarashi almabthoothi

4. Een Dag waarop de mensen als motten verstrooid zullen zijn.


وَ تَکُوۡنُ الۡجِبَالُ کَالۡعِہۡنِ الۡمَنۡفُوۡشِ ؕ﴿۵﴾

101.005 Watakoonu aljibalu kaalAAihni almanfooshi

5. En de bergen als gekaarde wol


فَاَمَّا مَنۡ ثَقُلَتۡ مَوَازِیۡنُہٗ ۙ﴿۶﴾

101.006 Faamma man thaqulat mawazeenuhu

6. Dan zal hij, wiens schalen zwaar zijn,


فَہُوَ فِیۡ عِیۡشَۃٍ رَّاضِیَۃٍ ؕ﴿۷﴾

101.007 Fahuwa fee AAeeshatin radiyatin

7. Een aangenaam leven genieten.


وَ اَمَّا مَنۡ خَفَّتۡ مَوَازِیۡنُہٗ ۙ﴿۸﴾

101.008 Waamma man khaffat mawazeenuhu

8. Maarhij, wiens schalen licht zijn,


فَاُمُّہٗ ہَاوِیَۃٌ ؕ﴿۹﴾

101.009 Faommuhu hawiyatun

9. Zijn toevlucht zal Hawi'jah zijn.


وَ مَاۤ اَدۡرٰىکَ مَا ہِیَہۡ ﴿ؕ۱۰﴾

101.010 Wama adraka ma hiyah

10. En u weet niet, wat dit is.


نَارٌ حَامِیَۃٌ ﴿۱۱﴾

101.011 Narun hamiyatun

11. Het is een laaiend Vuur.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

اَلۡہٰکُمُ التَّکَاثُرُ ۙ﴿۱﴾

102.001 Alhakumu alttakathuru

1. De competitie in het vermeerderen leidt jullie af,


حَتّٰی زُرۡتُمُ الۡمَقَابِرَ ؕ﴿۲﴾

102.002 Hatta zurtumu almaqabira

2. Totdat jullie de graven bezoeken.


کَلَّا سَوۡفَ تَعۡلَمُوۡنَ ۙ﴿۳﴾

102.003 Kalla sawfa taAAlamoona

3. Nee! Spoedig zullen jullie het te weten komen,


ثُمَّ کَلَّا سَوۡفَ تَعۡلَمُوۡنَ ؕ﴿۴﴾

102.004 Thumma kalla sawfa taAAlamoona

4. Nogmaals nee! Spoedig zullen jullien het te weten komen.


کَلَّا لَوۡ تَعۡلَمُوۡنَ عِلۡمَ الۡیَقِیۡنِ ؕ﴿۵﴾

102.005 Kalla law taAAlamoona AAilma alyaqeeni

5. Nee! Hadden jullie maar de kennis van het zekere.


لَتَرَوُنَّ الۡجَحِیۡمَ ۙ﴿۶﴾

102.006 Latarawunna aljaheema

6. Jullie zullen zeker de hel zien.


ثُمَّ لَتَرَوُنَّہَا عَیۡنَ الۡیَقِیۡنِ ۙ﴿۷﴾

102.007 Thumma latarawunnaha AAayna alyaqeeni

7. Dan zullen jullie het duidelijk zien!


ثُمَّ لَتُسۡـَٔلُنَّ یَوۡمَئِذٍ عَنِ النَّعِیۡمِ ﴿۸﴾

102.008 Thumma latus-alunna yawma-ithin AAani alnnaAAeemi

8. Op die Dag zullen jullie worden ondervraagd over het vermaak.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

وَ الۡعَصۡرِ ۙ﴿۱﴾

103.001 WaalAAasri

1. Bij de tijd.


اِنَّ الۡاِنۡسَانَ لَفِیۡ خُسۡرٍ ۙ﴿۲﴾

103.002 Inna al-insana lafee khusrin

2. Voorzeker, de mens is te midden van verlies.


اِلَّا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ وَ تَوَاصَوۡا بِالۡحَقِّ ۬ۙ وَ تَوَاصَوۡا بِالصَّبۡرِ ﴿۳﴾

103.003 Illa allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati watawasaw bialhaqqi watawasaw bialssabri

3. Behalve degenen die geloven en goede werken doen, en elkander tot waarheid, en geduld aansporen.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

وَیۡلٌ لِّکُلِّ ہُمَزَۃٍ لُّمَزَۃِۣ ۙ﴿۱﴾

104.001 Waylun likulli humazatin lumazatin

1. Wee iedere leugenaar en lasteraar!


الَّذِیۡ جَمَعَ مَالًا وَّ عَدَّدَہٗ ۙ﴿۲﴾

104.002 Allathee jamaAAa malan waAAaddadahu

2. Die rijkdommen verzamelt en deze telt,


یَحۡسَبُ اَنَّ مَالَہٗۤ اَخۡلَدَہٗ ۚ﴿۳﴾

104.003 Yahsabu anna malahu akhladahu

3. Denkende dat zijn schatten hem voor eeuwig zullen behouden.


کَلَّا لَیُنۡۢبَذَنَّ فِی الۡحُطَمَۃِ ۫﴿ۖ۴﴾

104.004 Kalla layunbathanna fee alhutamati

4. Nee, hij zal zeker in het Verterende Vuur worden geworpen.


وَ مَاۤ اَدۡرٰىکَ مَا الۡحُطَمَۃُ ؕ﴿۵﴾

104.005 Wama adraka ma alhutamatu

5. En wat weet u er van wat het verterende Vuur betekent?


نَارُ اللّٰہِ الۡمُوۡقَدَۃُ ۙ﴿۶﴾

104.006 Naru Allahi almooqadatu

6. Het is het Vuur dat Allah heeft aan gewakkerd.


الَّتِیۡ تَطَّلِعُ عَلَی الۡاَفۡـِٕدَۃِ ؕ﴿۷﴾

104.007 Allatee tattaliAAu AAala al-af-idati

7. Dat boven de harten zal opstijgen.


اِنَّہَا عَلَیۡہِمۡ مُّؤۡصَدَۃٌ ۙ﴿۸﴾

104.008 lnnaha AAalayhim mu/sadatun

8. Voorwaar het zal hen omsluiten


فِیۡ عَمَدٍ مُّمَدَّدَۃٍ ﴿۹﴾

104.009 Fee AAamadin mumaddadatin

9. In uitgestrekte rijen van zuilen.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

اَلَمۡ تَرَ کَیۡفَ فَعَلَ رَبُّکَ بِاَصۡحٰبِ الۡفِیۡلِ ؕ﴿۱﴾

105.001 Alam tara kayfa faAAala rabbuka bi-as-habi alfeeli

1. Heeft u niet vernomen, hoe uw Heer de bezitters van de olifanten behandelde?


اَلَمۡ یَجۡعَلۡ کَیۡدَہُمۡ فِیۡ تَضۡلِیۡلٍ ۙ﴿۲﴾

105.002 Alam yajAAal kaydahum fee tadleelin

2. Heeft Hij hun plannen niet teniet gedaan?


وَّ اَرۡسَلَ عَلَیۡہِمۡ طَیۡرًا اَبَابِیۡلَ ۙ﴿۳﴾

105.003 Waarsala AAalayhim tayran ababeela

3. Zond Hij geen zwermen vogels op hen neer?


تَرۡمِیۡہِمۡ بِحِجَارَۃٍ مِّنۡ سِجِّیۡلٍ ۪ۙ﴿۴﴾

105.004 Tarmeehim bihijaratin min sijjeelin

4. En wierpen deze geen klompen klei?


فَجَعَلَہُمۡ کَعَصۡفٍ مَّاۡکُوۡلٍ ﴿۵﴾

105.005 FajaAAalahum kaAAasfin ma/koolin

5. Dat hen maakte als fijn gekauwd (door het vee) stro?


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

لِاِیۡلٰفِ قُرَیۡشٍ ۙ﴿۱﴾

106.001 Li-eelafi qurayshin

1. Ter bescherming van de Qoraishieten,


اٖلٰفِہِمۡ رِحۡلَۃَ الشِّتَآءِ وَ الصَّیۡفِ ۚ﴿۲﴾

106.002 Eelafihim rihlata alshshita-i waalssayfi

2. Ter bescherming op hun zomer- en winterreis.


فَلۡیَعۡبُدُوۡا رَبَّ ہٰذَا الۡبَیۡتِ ۙ﴿۳﴾

106.003 FalyaAAbudoo rabba hatha albayti

3. Laten zij derhalve de Heer van dit Huis aanbidden.


الَّذِیۡۤ اَطۡعَمَہُمۡ مِّنۡ جُوۡعٍ ۬ۙ وَّ اٰمَنَہُمۡ مِّنۡ خَوۡفٍ ﴿۴﴾

106.004 Allathee atAAamahum min jooAAin waamanahum min khawfin

4. Die hen van voedsel tegen honger heeft voorzien en van vrees bevrijd.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

اَرَءَیۡتَ الَّذِیۡ یُکَذِّبُ بِالدِّیۡنِ ؕ﴿۱﴾

107.001 Araayta allathee yukaththibu bialddeeni

1. Heeft u hem gezien die deze godsdienst loochent?


فَذٰلِکَ الَّذِیۡ یَدُعُّ الۡیَتِیۡمَ ۙ﴿۲﴾

107.002 Fathalika allathee yaduAAAAu alyateema

2. Het is degene die de wees verstoot,


وَ لَا یَحُضُّ عَلٰی طَعَامِ الۡمِسۡکِیۡنِ ؕ﴿۳﴾

107.003 Wala yahuddu AAala taAAami almiskeeni

3. Hij wekt anderen niet op de armen te voeden.


فَوَیۡلٌ لِّلۡمُصَلِّیۡنَ ۙ﴿۴﴾

107.004 Fawaylun lilmusalleena

4. En wee degenen die bidden,


الَّذِیۡنَ ہُمۡ عَنۡ صَلَاتِہِمۡ سَاہُوۡنَ ۙ﴿۵﴾

107.005 Allatheena hum AAan salatihim sahoona

5. En de gebeden achteloos opzeggen.


الَّذِیۡنَ ہُمۡ یُرَآءُوۡنَ ۙ﴿۶﴾

107.006 Allatheena hum yuraoona

6. En zij, die er mee te koop lopen.


وَ یَمۡنَعُوۡنَ الۡمَاعُوۡنَ ﴿۷﴾

107.007 WayamnaAAoona almaAAoona

7. En zich er van weerhouden de behoeftige vriendelijkheid te betonen.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

اِنَّاۤ اَعۡطَیۡنٰکَ الۡکَوۡثَرَ ؕ﴿۱﴾

108.001 Inna aAAtaynaka alkawthara

108:1 Wij hebben u de Kausar gegeven*.


فَصَلِّ لِرَبِّکَ وَ انۡحَرۡ ؕ﴿۲﴾

108.002 Fasalli lirabbika wainhar

108:2 Verricht daarom het gebed tot uw Heer en offer!


اِنَّ شَانِئَکَ ہُوَ الۡاَبۡتَرُ ﴿۳﴾

108.003 Inna shani-aka huwa al-abtaru

108:3 Degenen die u haten, zij zijn afgesneden.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

قُلۡ یٰۤاَیُّہَا الۡکٰفِرُوۡنَ ۙ﴿۱﴾

109.001 Qul ya ayyuha alkafiroona

1. Zeg: "O ongelovigen,


لَاۤ اَعۡبُدُ مَا تَعۡبُدُوۡنَ ۙ﴿۲﴾

109.002 La aAAbudu ma taAAbudoona

2. Ik aanbid niet, wat u aanbidt,


وَ لَاۤ اَنۡتُمۡ عٰبِدُوۡنَ مَاۤ اَعۡبُدُ ۚ﴿۳﴾

109.003 Wala antum AAabidoona ma aAAbudu

3. En u aanbidt niet, wat ik aanbid.


وَ لَاۤ اَنَا عَابِدٌ مَّا عَبَدۡتُّمۡ ۙ﴿۴﴾

109.004 Wala ana AAabidun ma AAabadtum

4. Noch zal ik aanbidden, wat u aanbidt,


وَ لَاۤ اَنۡتُمۡ عٰبِدُوۡنَ مَاۤ اَعۡبُدُ ؕ﴿۵﴾

109.005 Wala antum AAabidoona ma aAAbudu

5. U zult niet aanbidden wat ik aanbid.


لَکُمۡ دِیۡنُکُمۡ وَلِیَ دِیۡنِ ﴿۶﴾

109.006 Lakum deenukum waliya deeni

6. Derhalve voor u uw levensbeschouwing en voor mij mijn levensbeschouwing."


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

اِذَا جَآءَ نَصۡرُ اللّٰہِ وَ الۡفَتۡحُ ۙ﴿۱﴾

110.001 Itha jaa nasru Allahi waalfathu

1. Wanneer de hulp van Allah en de overwinning komt,


وَ رَاَیۡتَ النَّاسَ یَدۡخُلُوۡنَ فِیۡ دِیۡنِ اللّٰہِ اَفۡوَاجًا ۙ﴿۲﴾

110.002 Waraayta alnnasa yadkhuloona fee deeni Allahi afwajan

2. En u de mensen in menigte, Allah's levensbeschouwing ziet omarmen,


فَسَبِّحۡ بِحَمۡدِ رَبِّکَ وَ اسۡتَغۡفِرۡہُ ؕؔ اِنَّہٗ کَانَ تَوَّابًا ﴿۳﴾

110.003 Fasabbih bihamdi rabbika waistaghfirhu innahu kana tawwaban

3. Verheerlijk dan uw Heer met de lof, die Hem toekomt en vraag vergiffenis aan Hem; voorzeker Hij is Berouwaanvaardend.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

تَبَّتۡ یَدَاۤ اَبِیۡ لَہَبٍ وَّ تَبَّ ؕ﴿۱﴾

111.001 Tabbat yada abee lahabin watabba

1. Verdoemd zijn de handen van Abu Lahab* en verdoemd is hij.


مَاۤ اَغۡنٰی عَنۡہُ مَالُہٗ وَ مَا کَسَبَ ؕ﴿۲﴾

111.002 Ma aghna AAanhu maluhu wama kasaba

2. Zijn rijkdommen en aanwinsten zullen hem niet redden.


سَیَصۡلٰی نَارًا ذَاتَ لَہَبٍ ۚ﴿ۖ۳﴾

111.003 Sayasla naran thata lahabin

3. Hij zal geworpen worden in een vuur met (grote) vlammen.


وَّ امۡرَاَتُہٗ ؕ حَمَّالَۃَ الۡحَطَبِ ۚ﴿۴﴾

111.004 Waimraatuhu hammalata alhatabi

4. En ook zijn vrouw, de draagster van het hout**,


فِیۡ جِیۡدِہَا حَبۡلٌ مِّنۡ مَّسَدٍ ﴿۵﴾

111.005 Fee jeediha hablun min masadin

5. Om haar hals zal een koord van palmvezels hangen***.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

قُلۡ ہُوَ اللّٰہُ اَحَدٌ ۚ﴿۱﴾

112.001 Qul huwa Allahu ahadun

112:1 Zeg Hij is Allah, Hij is Ahad * (Een).


اَللّٰہُ الصَّمَدُ ۚ﴿۲﴾

112.002 Allahu alssamadu

112:2 Hij is niet afhankelijk van iets en alles is van hem afhankelijk .


لَمۡ یَلِدۡ ۬ۙ وَ لَمۡ یُوۡلَدۡ ۙ﴿۳﴾

112.003 Lam yalid walam yooladu

112:3 Hij heeft niet verwekt en noch is Hij verwekt.


وَ لَمۡ یَکُنۡ لَّہٗ کُفُوًا اَحَدٌ ﴿۴﴾

112.004 Walam yakun lahu kufuwan ahadun

112:4 En er is en zal geen gelijke zijn aan hem tot in de eeuwigheid.


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

قُلۡ اَعُوۡذُ بِرَبِّ الۡفَلَقِ ۙ﴿۱﴾

113.001 Qul aAAoothu birabbi alfalaqi

1. Zeg: "Ik zoek mijn bescherming bij de Heer die zorgt voor het ontluiken van de dag.


مِنۡ شَرِّ مَا خَلَقَ ۙ﴿۲﴾

113.002 Min sharri ma khalaqa

2. Tegen het kwade dat Hij heeft geschapen.


وَ مِنۡ شَرِّ غَاسِقٍ اِذَا وَقَبَ ۙ﴿۳﴾

113.003 Wamin sharri ghasiqin itha waqaba

3. En tegen het kwade van de duistere nacht wanneer deze verpreid wordt.


وَ مِنۡ شَرِّ النَّفّٰثٰتِ فِی الۡعُقَدِ ۙ﴿۴﴾

113.004 Wamin sharri alnnaffathati fee alAAuqadi

4. En tegen het kwade van degenen die op knopen blazen.


وَ مِنۡ شَرِّ حَاسِدٍ اِذَا حَسَدَ ﴿۵﴾

113.005 Wamin sharri hasidin itha hasada

5. En tegen het kwade van de benijder wanneer deze benijdt."


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

قُلۡ اَعُوۡذُ بِرَبِّ النَّاسِ ۙ﴿۱﴾

114.001 Qul aAAoothu birabbi alnnasi

1. Zeg: "Ik zoek bescherming bij de Heer van de mensen,


مَلِکِ النَّاسِ ۙ﴿۲﴾

114.002 Maliki alnnasi

2. De Koning van de mensen,


اِلٰہِ النَّاسِ ۙ﴿۳﴾

114.003 Ilahi alnnasi

3. De God van de mensen.


مِنۡ شَرِّ الۡوَسۡوَاسِ ۬ۙ الۡخَنَّاسِ ۪ۙ﴿۴﴾

114.004 Min sharri alwaswasi alkhannasi

4. Tegen het kwade van de influistering van degene die komt en zich terugtrekt.


الَّذِیۡ یُوَسۡوِسُ فِیۡ صُدُوۡرِ النَّاسِ ۙ﴿۵﴾

114.005 Allathee yuwaswisu fee sudoori alnnasi

5. Degene die in het hart van de mens influistert.


مِنَ الۡجِنَّۃِ وَ النَّاسِ ﴿۶﴾

114.006 Mina aljinnati waalnnasi

6. Te midden van de djinns en de mensen."




www.kuran.nl