14 Ibrahiem

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

الٓرٰ ۟ کِتٰبٌ اَنۡزَلۡنٰہُ اِلَیۡکَ لِتُخۡرِجَ النَّاسَ مِنَ الظُّلُمٰتِ اِلَی النُّوۡرِ ۬ۙ بِاِذۡنِ رَبِّہِمۡ اِلٰی صِرَاطِ الۡعَزِیۡزِ الۡحَمِیۡدِ ۙ﴿۱﴾

014.001 Alif-lam-ra kitabun anzalnahu ilayka litukhrija alnnasa mina alththulumati ila alnnoori bi-ithni rabbihim ila sirati alAAazeezi alhameedi

14:1 Alief, Laam, Ra. (Dit is) een Boek dat Wij aan jou neergezonden hebben, zodat jij de mensen, met de toestemming van hun Heer, uit de duisternissen (ongeloof, polythe´sme, onrecht) naar het licht (monothe´sme, rechtvaardigheid, vrede) kunt brengen, het pad van Al-Aziez (de Almachtige), Al-Hamied (de Bezitter van alle dank en eer. Degene die het meest geprezen wordt en waardig is om geprezen te worden). (Notitie, zie ook 5:16)

اللّٰہِ الَّذِیۡ لَہٗ مَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ مَا فِی الۡاَرۡضِ ؕ وَ وَیۡلٌ لِّلۡکٰفِرِیۡنَ مِنۡ عَذَابٍ شَدِیۡدِۣ ۙ﴿۲﴾

014.002 Allahi allathee lahu ma fee alssamawati wama fee al-ardi wawaylun lilkafireena min AAathabin shadeedin

14:2 Allah is Degene, aan Hem behoort alles wat in de hemelen en op de aarde is. En wee (verdriet) tot de ongelovigen, vanwege de ernstige straf!

الَّذِیۡنَ یَسۡتَحِبُّوۡنَ الۡحَیٰوۃَ الدُّنۡیَا عَلَی الۡاٰخِرَۃِ وَ یَصُدُّوۡنَ عَنۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ وَ یَبۡغُوۡنَہَا عِوَجًا ؕ اُولٰٓئِکَ فِیۡ ضَلٰلٍۭ بَعِیۡدٍ ﴿۳﴾

014.003 Allatheena yastahibboona alhayata alddunya AAala al-akhirati wayasuddoona AAan sabeeli Allahi wayabghoonaha AAiwajan ola-ika fee dalalin baAAeedin

14:3 Degenen die meer van het wereldse leven houden dan van het Hiernamaals, en die (mensen) op de weg van Allah verhinderen en die een manier zoeken om het krom te maken, deze zijn het die ver afgedwaald zijn.

وَ مَاۤ اَرۡسَلۡنَا مِنۡ رَّسُوۡلٍ اِلَّا بِلِسَانِ قَوۡمِہٖ لِیُبَیِّنَ لَہُمۡ ؕ فَیُضِلُّ اللّٰہُ مَنۡ یَّشَآءُ وَ یَہۡدِیۡ مَنۡ یَّشَآءُ ؕ وَ ہُوَ الۡعَزِیۡزُ الۡحَکِیۡمُ ﴿۴﴾

014.004 Wama arsalna min rasoolin illa bilisani qawmihi liyubayyina lahum fayudillu Allahu man yashao wayahdee man yashao wahuwa alAAazeezu alhakeemu

14:4 En Wij zonden een boodschapper slechts met de taal van het volk, zodat hij het hen duidelijk kon maken. Vervolgens laat Allah dwalen wie Hij wilt en leidt wie Hij wilt. En Hij is Al-Aziez (de Almachtige), Al-Hakiem (de Al-Wijze).

وَ لَقَدۡ اَرۡسَلۡنَا مُوۡسٰی بِاٰیٰتِنَاۤ اَنۡ اَخۡرِجۡ قَوۡمَکَ مِنَ الظُّلُمٰتِ اِلَی النُّوۡرِ ۬ۙ وَ ذَکِّرۡہُمۡ بِاَیّٰىمِ اللّٰہِ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیٰتٍ لِّکُلِّ صَبَّارٍ شَکُوۡرٍ ﴿۵﴾

014.005 Walaqad arsalna moosa bi-ayatina an akhrij qawmaka mina alththulumati ila alnnoori wathakkirhum bi-ayyami Allahi inna fee thalika laayatin likulli sabbarin shakoorin

14:5 En waarlijk, Wij zonden Moesa met Onze Tekenen, zeggende: "Leid jouw volk van de duisternissen naar het licht. En herinner hen aan de dagen van Allah (Sabbat). Voorzeker, daarin zijn zeker tekenen voor iedereen die geduldig en dankbaar is. (Notitie: Zie 2:65, 7:163 over de Sabbat)

وَ اِذۡ قَالَ مُوۡسٰی لِقَوۡمِہِ اذۡکُرُوۡا نِعۡمَۃَ اللّٰہِ عَلَیۡکُمۡ اِذۡ اَنۡجٰکُمۡ مِّنۡ اٰلِ فِرۡعَوۡنَ یَسُوۡمُوۡنَکُمۡ سُوۡٓءَ الۡعَذَابِ وَ یُذَبِّحُوۡنَ اَبۡنَآءَکُمۡ وَ یَسۡتَحۡیُوۡنَ نِسَآءَکُمۡ ؕ وَ فِیۡ ذٰلِکُمۡ بَلَآءٌ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ عَظِیۡمٌ ٪﴿۶﴾

014.006 Wa-ith qala moosa liqawmihi othkuroo niAAmata Allahi AAalaykum ith anjakum min ali firAAawna yasoomoonakum soo-a alAAathabi wayuthabbihoona abnaakum wayastahyoona nisaakum wafee thalikum balaon min rabbikum AAatheemun

14:6 (Gedenk) toen Moesa tegen zijn volk zei: "Gedenk de gunst van Allah op jullie, toen Hij jullie redde van Farao's mensen. Ze pijnigden jullie met zware martelingen en slachtten jullie zonen af en lieten de vrouwen leven. Daarin was een zeer grote beproeving van jullie Heer."

وَ اِذۡ تَاَذَّنَ رَبُّکُمۡ لَئِنۡ شَکَرۡتُمۡ لَاَزِیۡدَنَّکُمۡ وَ لَئِنۡ کَفَرۡتُمۡ اِنَّ عَذَابِیۡ لَشَدِیۡدٌ ﴿۷﴾

014.007 Wa-ith taaththana rabbukum la-in shakartum laazeedannakum wala-in kafartum inna AAathabee lashadeedun

14:7 (Gedenk) toen jullie Heer verkondigde: "Als jullie dankbaar zijn, dan zullen Wij jullie zeker meer geven. Echter, als jullie ondankbaar zijn, voorzeker, (Weet dan dat) mijn bestraffing zeker ernstig is."

وَ قَالَ مُوۡسٰۤی اِنۡ تَکۡفُرُوۡۤا اَنۡتُمۡ وَ مَنۡ فِی الۡاَرۡضِ جَمِیۡعًا ۙ فَاِنَّ اللّٰہَ لَغَنِیٌّ حَمِیۡدٌ ﴿۸﴾

014.008 Waqala moosa in takfuroo antum waman fee al-ardi jameeAAan fa-inna Allaha laghaniyyun hameedun

14:8 En Moesa zei: "Als jullie niet geloven, jullie en wie dan ook op aarde, weet dan dat Allah vrij is van enige behoefte, (want Hij is) de bezitter van alle dank en eer."

اَلَمۡ یَاۡتِکُمۡ نَبَؤُا الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِکُمۡ قَوۡمِ نُوۡحٍ وَّ عَادٍ وَّ ثَمُوۡدَ ۬ؕۛ وَ الَّذِیۡنَ مِنۡۢ بَعۡدِہِمۡ ؕۛ لَا یَعۡلَمُہُمۡ اِلَّا اللّٰہُ ؕ جَآءَتۡہُمۡ رُسُلُہُمۡ بِالۡبَیِّنٰتِ فَرَدُّوۡۤا اَیۡدِیَہُمۡ فِیۡۤ اَفۡوَاہِہِمۡ وَ قَالُوۡۤا اِنَّا کَفَرۡنَا بِمَاۤ اُرۡسِلۡتُمۡ بِہٖ وَ اِنَّا لَفِیۡ شَکٍّ مِّمَّا تَدۡعُوۡنَنَاۤ اِلَیۡہِ مُرِیۡبٍ ﴿۹﴾

014.009 Alam ya/tikum nabao allatheena min qablikum qawmi noohin waAAadin wathamooda waallatheena min baAAdihim la yaAAlamuhum illa Allahu jaat-hum rusuluhum bialbayyinati faraddoo aydiyahum fee afwahihim waqaloo inna kafarna bima orsiltum bihi wa-inna lafee shakkin mimma tadAAoonana ilayhi mureebun

14:9 Zijn jullie niet bekend met de gebeurtenissen van de generaties voor jullie, zoals het volk van Noeh (Noach), het volk Aad, het volk Thamud en de volken na hen? Niemand kent hen, behalve Allah. Hun boodschappers kwamen tot hen met duidelijke bewijzen. Echter, ze deden hun handen in hun monden (als bespotting). Ze zeiden: "Voorzeker, we geloven niet in hetgeen waarmee jullie gezonden zijn. Voorzeker, we hebben echt grote twijfels over datgene waartoe jullie ons uitnodigen (monothe´sme)."

قَالَتۡ رُسُلُہُمۡ اَفِی اللّٰہِ شَکٌّ فَاطِرِ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ یَدۡعُوۡکُمۡ لِیَغۡفِرَ لَکُمۡ مِّنۡ ذُنُوۡبِکُمۡ وَ یُؤَخِّرَکُمۡ اِلٰۤی اَجَلٍ مُّسَمًّی ؕ قَالُوۡۤا اِنۡ اَنۡتُمۡ اِلَّا بَشَرٌ مِّثۡلُنَا ؕ تُرِیۡدُوۡنَ اَنۡ تَصُدُّوۡنَا عَمَّا کَانَ یَعۡبُدُ اٰبَآؤُنَا فَاۡتُوۡنَا بِسُلۡطٰنٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۱۰﴾

014.010 Qalat rusuluhum afee Allahi shakkun fatiri alssamawati waal-ardi yadAAookum liyaghfira lakum min thunoobikum wayu-akhkhirakum ila ajalin musamman qaloo in antum illa basharun mithluna tureedoona an tasuddoona AAamma kana yaAAbudu abaona fa/toona bisultanin mubeenin

14:10 Hun Boodschappers zeiden: "Hoe kan er enige twijfel zijn over de Schepper van de hemelen en de aarde? Hij nodigt jullie uit, zodat Hij jullie zonden kan vergeven en uitstel (van de dood) kan verlenen tot een bepaalde tijd. Ze zeiden: "Jullie zijn slechts mensen net als ons. Jullie willen ons verhinderen van datgeen wat onze voorvaders aanbaden. Dus breng voor ons een duidelijk bewijs."

قَالَتۡ لَہُمۡ رُسُلُہُمۡ اِنۡ نَّحۡنُ اِلَّا بَشَرٌ مِّثۡلُکُمۡ وَ لٰکِنَّ اللّٰہَ یَمُنُّ عَلٰی مَنۡ یَّشَآءُ مِنۡ عِبَادِہٖ ؕ وَ مَا کَانَ لَنَاۤ اَنۡ نَّاۡتِیَکُمۡ بِسُلۡطٰنٍ اِلَّا بِاِذۡنِ اللّٰہِ ؕ وَ عَلَی اللّٰہِ فَلۡیَتَوَکَّلِ الۡمُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۱۱﴾

014.011 Qalat lahum rusuluhum in nahnu illa basharun mithlukum walakinna Allaha yamunnu AAala man yashao min AAibadihi wama kana lana an na/tiyakum bisultanin illa bi-ithni Allahi waAAala Allahi falyatawakkali almu/minoona

14:11 Hun Boodschappers zeiden tot hen: "Wij zijn (inderdaad) slechts mensen net als jullie. Echter, Allah schenk Zijn gunsten (de profeetschap) op wie Hij wilt van Zijn dienaren. En het is niet voor ons bedoeld om een bewijs voor jullie te brengen, behalve als Allah er toestemming voor geeft. Dus laten de gelovigen hun vertrouwen stellen in Allah." (Notitie: zie ook 13:38, 17:59)

وَ مَا لَنَاۤ اَلَّا نَتَوَکَّلَ عَلَی اللّٰہِ وَ قَدۡ ہَدٰىنَا سُبُلَنَا ؕ وَ لَنَصۡبِرَنَّ عَلٰی مَاۤ اٰذَیۡتُمُوۡنَا ؕ وَ عَلَی اللّٰہِ فَلۡیَتَوَکَّلِ الۡمُتَوَکِّلُوۡنَ ﴿٪۱۲﴾

014.012 Wama lana alla natawakkala AAala Allahi waqad hadana subulana walanasbiranna AAala ma athaytumoona waAAala Allahi falyatawakkali almutawakkiloona

14:12 "En waarom zouden we ons vertrouwen niet in Allah stellen, terwijl Hij ons zeker geleid heeft naar onze wegen? Wij zullen zeker de pijn die jullie ons aandoen, geduldig verdragen. En laat de goed gelovigen hun vertrouwen in Allah stellen."

وَ قَالَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لِرُسُلِہِمۡ لَنُخۡرِجَنَّکُمۡ مِّنۡ اَرۡضِنَاۤ اَوۡ لَتَعُوۡدُنَّ فِیۡ مِلَّتِنَا ؕ فَاَوۡحٰۤی اِلَیۡہِمۡ رَبُّہُمۡ لَنُہۡلِکَنَّ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿ۙ۱۳﴾

014.013 Waqala allatheena kafaroo lirusulihim lanukhrijannakum min ardina aw lataAAoodunna fee millatina faawha ilayhim rabbuhum lanuhlikanna alththalimeena

14:13 De ongelovigen zeiden tot hun boodschappers: "Wij zullen jullie zeker uit onze land wegjagen, tenzij jullie weer tot onze geloof terug keren." Dus openbaarde hun Heer tot hen: "Wij zullen de misdadigers zeker vernietigen." (Notitie: zie ook 7:88-89)

وَ لَنُسۡکِنَنَّـکُمُ الۡاَرۡضَ مِنۡۢ بَعۡدِہِمۡ ؕ ذٰلِکَ لِمَنۡ خَافَ مَقَامِیۡ وَ خَافَ وَعِیۡدِ ﴿۱۴﴾

014.014 Walanuskinannakumu al-arda min baAAdihim thalika liman khafa maqamee wakhafa waAAeedi

14:14 En zeer zeker, Wij zullen jullie in het land laten vestigen, na (het heen gaan van) hen. Dat (het land) is voor degene die vreest om voor Mij te staan en die Mijn waarschuwing vreest." (Notitie: zie ook 7:128)

وَ اسۡتَفۡتَحُوۡا وَ خَابَ کُلُّ جَبَّارٍ عَنِیۡدٍ ﴿ۙ۱۵﴾

014.015 Waistaftahoo wakhaba kullu jabbarin AAaneedin

14:15 Ze (de ongelovigen) zochten naar de overwinning (tegen de gelovigen). Echter, elke koppige tiran werd teleurgesteld. (Notitie: zie ook 8:19)

مِّنۡ وَّرَآئِہٖ جَہَنَّمُ وَ یُسۡقٰی مِنۡ مَّآءٍ صَدِیۡدٍ ﴿ۙ۱۶﴾

014.016 Min wara-ihi jahannamu wayusqa min ma-in sadeedin

14:16 Zijn vooruitzicht is de hel. Hij zal gedwongen worden om pus-vocht te drinken.

یَّتَجَرَّعُہٗ وَ لَا یَکَادُ یُسِیۡغُہٗ وَ یَاۡتِیۡہِ الۡمَوۡتُ مِنۡ کُلِّ مَکَانٍ وَّ مَا ہُوَ بِمَیِّتٍ ؕ وَ مِنۡ وَّرَآئِہٖ عَذَابٌ غَلِیۡظٌ ﴿۱۷﴾

014.017 YatajarraAAuhu wala yakadu yuseeghuhu waya/teehi almawtu min kulli makanin wama huwa bimayyitin wamin wara-ihi AAathabun ghaleethun

14:17 Hij zal het met kleine teugjes drinken. Echter, hij kan het bijna niet doorslikken. En de (pijn van de) dood komt hem van elke zijde, maar hij zal niet dood gaan. En voor hem ligt er een zware straf.

مَثَلُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا بِرَبِّہِمۡ اَعۡمَالُہُمۡ کَرَمَادِۣ اشۡتَدَّتۡ بِہِ الرِّیۡحُ فِیۡ یَوۡمٍ عَاصِفٍ ؕ لَا یَقۡدِرُوۡنَ مِمَّا کَسَبُوۡا عَلٰی شَیۡءٍ ؕ ذٰلِکَ ہُوَ الضَّلٰلُ الۡبَعِیۡدُ ﴿۱۸﴾

014.018 Mathalu allatheena kafaroo birabbihim aAAmaluhum karamadin ishtaddat bihi alrreehu fee yawmin AAasifin la yaqdiroona mimma kasaboo AAala shay-in thalika huwa alddalalu albaAAeedu

14:18 De gelijkenis van de daden van degenen die niet in hun Heer geloven is als as waarop een harde wind tekeer gaat op een stormachtige dag. Ze hebben geen enkel controle over hetgeen ze verdiend hebben. Dat is hoe ver ze afgedwaald zijn.

اَلَمۡ تَرَ اَنَّ اللّٰہَ خَلَقَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ بِالۡحَقِّ ؕ اِنۡ یَّشَاۡ یُذۡہِبۡکُمۡ وَ یَاۡتِ بِخَلۡقٍ جَدِیۡدٍ ﴿ۙ۱۹﴾

014.019 Alam tara anna Allaha khalaqa alssamawati waal-arda bialhaqqi in yasha/ yuthhibkum waya/ti bikhalqin jadeedin

14:19 Zie je niet dat Allah de hemelen en de aarde in waarheid heeft geschapen? Als Hij het wilt, kan Hij jullie verwijderen en een nieuwe creatie voortbrengen.

وَّ مَا ذٰلِکَ عَلَی اللّٰہِ بِعَزِیۡزٍ ﴿۲۰﴾

014.020 Wama thalika AAala Allahi biAAazeezin

14:20 En dat is voor Allah niet moeilijk.

وَ بَرَزُوۡا لِلّٰہِ جَمِیۡعًا فَقَالَ الضُّعَفٰٓؤُا لِلَّذِیۡنَ اسۡتَکۡبَرُوۡۤا اِنَّا کُنَّا لَکُمۡ تَبَعًا فَہَلۡ اَنۡتُمۡ مُّغۡنُوۡنَ عَنَّا مِنۡ عَذَابِ اللّٰہِ مِنۡ شَیۡءٍ ؕ قَالُوۡا لَوۡ ہَدٰىنَا اللّٰہُ لَہَدَیۡنٰکُمۡ ؕ سَوَآءٌ عَلَیۡنَاۤ اَجَزِعۡنَاۤ اَمۡ صَبَرۡنَا مَا لَنَا مِنۡ مَّحِیۡصٍ ﴿٪۲۱﴾

014.021 Wabarazoo lillahi jameeAAan faqala aldduAAafao lillatheena istakbaroo inna kunna lakum tabaAAan fahal antum mughnoona AAanna min AAathabi Allahi min shay-in qaloo law hadana Allahu lahadaynakum sawaon AAalayna ajaziAAna am sabarna ma lana min maheesin

14:21 En ze zullen allen voor Allah komen. Vervolgens zullen de zwakken tegen degenen die hoogmoedig waren, zeggen: "Voorzeker, wij waren jullie volgelingen, kunnen jullie iets voor ons betekenen tegen de straf van Allah? Ze zullen zeggen: "Als Allah ons geleid had, dan hadden wij jullie zeker geleid. Wij zitten in dezelfde positie. Of we nu ongeduldigheid tonen of juist geduldig zijn, er is geen ontsnapping mogelijk."

وَ قَالَ الشَّیۡطٰنُ لَمَّا قُضِیَ الۡاَمۡرُ اِنَّ اللّٰہَ وَعَدَکُمۡ وَعۡدَ الۡحَقِّ وَ وَعَدۡتُّکُمۡ فَاَخۡلَفۡتُکُمۡ ؕ وَ مَا کَانَ لِیَ عَلَیۡکُمۡ مِّنۡ سُلۡطٰنٍ اِلَّاۤ اَنۡ دَعَوۡتُکُمۡ فَاسۡتَجَبۡتُمۡ لِیۡ ۚ فَلَا تَلُوۡمُوۡنِیۡ وَ لُوۡمُوۡۤا اَنۡفُسَکُمۡ ؕ مَاۤ اَنَا بِمُصۡرِخِکُمۡ وَ مَاۤ اَنۡتُمۡ بِمُصۡرِخِیَّ ؕ اِنِّیۡ کَفَرۡتُ بِمَاۤ اَشۡرَکۡتُمُوۡنِ مِنۡ قَبۡلُ ؕ اِنَّ الظّٰلِمِیۡنَ لَہُمۡ عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿۲۲﴾

014.022 Waqala alshshaytanu lamma qudiya al-amru inna Allaha waAAadakum waAAda alhaqqi wawaAAadtukum faakhlaftukum wama kana liya AAalaykum min sultanin illa an daAAawtukum faistajabtum lee fala taloomoonee waloomoo anfusakum ma ana bimusrikhikum wama antum bimusrikhiyya innee kafartu bima ashraktumooni min qablu inna alththalimeena lahum AAathabun aleemun

14:22 En nadat alle zaken besloten zijn (op de dag des oordeels), zal de satan zeggen: "Allah heeft jullie een belofte in waarheid gedaan. En ik heb jullie ook beloofd, echter ik heb jullie verraden. Maar ik had geen enkel macht over jullie, behalve dat ik jullie uitnodigde en jullie mij antwoordden. Dus geef mij niet de schuld, maar geef jezelf de schuld. Ik kan jullie helper niet zijn, noch kunnen jullie mij helper zijn. Voorzeker, Ik verwerp jullie associatie van mij die jullie voorheen deden (als partner van Allah). Voorzeker, voor de misdadigers is er een zware straf.

وَ اُدۡخِلَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ جَنّٰتٍ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا بِاِذۡنِ رَبِّہِمۡ ؕ تَحِیَّتُہُمۡ فِیۡہَا سَلٰمٌ ﴿۲۳﴾

014.023 Waodkhila allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati jannatin tajree min tahtiha al-anharu khalideena feeha bi-ithni rabbihim tahiyyatuhum feeha salamun

14:23 En degenen die geloofden en goede daden verrichtten zullen binnen gelaten worden tot de tuinen waaronder rivieren stromen. Voor altijd zullen ze erin blijven met het verlof van hun Heer. Hun begroeting erin is Selaam (vrede).

اَلَمۡ تَرَ کَیۡفَ ضَرَبَ اللّٰہُ مَثَلًا کَلِمَۃً طَیِّبَۃً کَشَجَرَۃٍ طَیِّبَۃٍ اَصۡلُہَا ثَابِتٌ وَّ فَرۡعُہَا فِی السَّمَآءِ ﴿ۙ۲۴﴾

014.024 Alam tara kayfa daraba Allahu mathalan kalimatan tayyibatan kashajaratin tayyibatin asluha thabitun wafarAAuha fee alssama/-i

14:24 Zie jij niet hoe Allah een gelijkenis maakt? Een goed woord (monothe´sme) is net als een gezonde boom. Zijn wortels zijn stevig (in de grond gevestigd) en zijn takken zijn hoog in de lucht.

تُؤۡتِیۡۤ اُکُلَہَا کُلَّ حِیۡنٍۭ بِاِذۡنِ رَبِّہَا ؕ وَ یَضۡرِبُ اللّٰہُ الۡاَمۡثَالَ لِلنَّاسِ لَعَلَّہُمۡ یَتَذَکَّرُوۡنَ ﴿۲۵﴾

014.025 Tu/tee okulaha kulla heenin bi-ithni rabbiha wayadribu Allahu al-amthala lilnnasi laAAallahum yatathakkaroona

14:25 Het geeft altijd vruchten door het verlof van zijn Heer. En Allah geeft voorbeelden voor de mens, zodat ze kunnen gedenken. (Notitie: Volgens de overleveringen, Sahih al-Bukhari Boek 65 Hadith 4698, wordt een Moslim vergeleken met een dadel palmboom. Dadelpalmen verdragen grote droogte en hitte. Een volwassen dadelpalm produceert per jaar 5 Ó 10 grote trossen. Alle delen van de dadel palmboom wordt gebruikt, vanaf de groei totdat het opdroogt. Zelfs de zaden worden aan dieren gegeven en de vezels voor het maken van touw. Bovendien veroorzaakt het geen overlast door vallende bladeren. Zo ook geeft een moslim algemeen voordeel voor zichzelf en voor anderen, zelfs na zijn dood.)

وَ مَثَلُ کَلِمَۃٍ خَبِیۡثَۃٍ کَشَجَرَۃٍ خَبِیۡثَۃِۣ اجۡتُثَّتۡ مِنۡ فَوۡقِ الۡاَرۡضِ مَا لَہَا مِنۡ قَرَارٍ ﴿۲۶﴾

014.026 Wamathalu kalimatin khabeethatin kashajaratin khabeethatin ijtuththat min fawqi al-ardi ma laha min qararin

14:26 En een de gelijkenis van een slecht woord, is als een zieke boom (polythe´sme), dat gekapt op de aarde ligt en daardoor geen enkel stabiliteit heeft.

یُثَبِّتُ اللّٰہُ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا بِالۡقَوۡلِ الثَّابِتِ فِی الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا وَ فِی الۡاٰخِرَۃِ ۚ وَ یُضِلُّ اللّٰہُ الظّٰلِمِیۡنَ ۟ۙ وَ یَفۡعَلُ اللّٰہُ مَا یَشَآءُ ﴿٪۲۷﴾

014.027 Yuthabbitu Allahu allatheena amanoo bialqawli alththabiti fee alhayati alddunya wafee al-akhirati wayudillu Allahu alththalimeena wayafAAalu Allahu ma yasha/o

14:27 Allah maakt de gelovigen sterk door stevige woorden gedurende het wereldse leven en in het hiernamaals. En Allah laat de misdadigers dwalen. Allah doet wat Hij wilt. (Notitie: Alle goede woorden stijgen naar Allah, zie 35:10. De slechte daden en woorden bereiken de hemel niet, zie 7:40.)

اَلَمۡ تَرَ اِلَی الَّذِیۡنَ بَدَّلُوۡا نِعۡمَتَ اللّٰہِ کُفۡرًا وَّ اَحَلُّوۡا قَوۡمَہُمۡ دَارَ الۡبَوَارِ ﴿ۙ۲۸﴾

014.028 Alam tara ila allatheena baddaloo niAAmata Allahi kufran waahalloo qawmahum dara albawari

14:28 Heb je degenen niet gezien die de gunsten van Allah verruild hebben met het ongeloof en dat ze hun mensen leiden naar het huis van vernietiging (de hel)?

جَہَنَّمَ ۚ یَصۡلَوۡنَہَا ؕ وَ بِئۡسَ الۡقَرَارُ ﴿۲۹﴾

014.029 Jahannama yaslawnaha wabi/sa alqararu

14:29 De hel! Daarin zullen ze branden. Een ellendige plaats om daar te vestigen.

وَ جَعَلُوۡا لِلّٰہِ اَنۡدَادًا لِّیُضِلُّوۡا عَنۡ سَبِیۡلِہٖ ؕ قُلۡ تَمَتَّعُوۡا فَاِنَّ مَصِیۡرَکُمۡ اِلَی النَّارِ ﴿۳۰﴾

014.030 WajaAAaloo lillahi andadan liyudilloo AAan sabeelihi qul tamattaAAoo fa-inna maseerakum ila alnnari

14:30 Ze hebben aan Allah gelijke toegekend, zodat ze (andere mensen) misleiden van Zijn weg. Zeg: "Geniet maar! Voorzeker jullie bestemming is het vuur."

قُلۡ لِّعِبَادِیَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا یُقِیۡمُوا الصَّلٰوۃَ وَ یُنۡفِقُوۡا مِمَّا رَزَقۡنٰہُمۡ سِرًّا وَّ عَلَانِیَۃً مِّنۡ قَبۡلِ اَنۡ یَّاۡتِیَ یَوۡمٌ لَّا بَیۡعٌ فِیۡہِ وَ لَا خِلٰلٌ ﴿۳۱﴾

014.031 Qul liAAibadiya allatheena amanoo yuqeemoo alssalata wayunfiqoo mimma razaqnahum sirran waAAalaniyatan min qabli an ya/tiya yawmun la bayAAun feehi wala khilalun

14:31 Zeg tot mijn dienaren die geloven: "Onderhoudt het gebed (de salaat) en geef, openlijk of in het geheim, uit van het geen waarmee Wij hen voorzien van hebben, voordat er een dag komt waarin geen handel, noch enige vriendschap zal zijn." (Notitie: zie ook 2:274)

اَللّٰہُ الَّذِیۡ خَلَقَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ وَ اَنۡزَلَ مِنَ السَّمَآءِ مَآءً فَاَخۡرَجَ بِہٖ مِنَ الثَّمَرٰتِ رِزۡقًا لَّکُمۡ ۚ وَ سَخَّرَ لَکُمُ الۡفُلۡکَ لِتَجۡرِیَ فِی الۡبَحۡرِ بِاَمۡرِہٖ ۚ وَ سَخَّرَ لَکُمُ الۡاَنۡہٰرَ ﴿ۚ۳۲﴾

014.032 Allahu allathee khalaqa alssamawati waal-arda waanzala mina alssama-i maan faakhraja bihi mina alththamarati rizqan lakum wasakhkhara lakumu alfulka litajriya fee albahri bi-amrihi wasakhkhara lakumu al-anhara

14:32 Allah is Degene Die de hemelen en de aarde heeft geschapen. En die water uit de hemel doet neerdalen waardoor er vruchten voortkomen als een voorziening voor jullie. En de schepen zijn voor jullie ten dienste gesteld, zodat het vaart op zee door Zijn bevel. En (ook) de rivieren zijn voor jullie ten dienste gesteld.

وَ سَخَّرَ لَکُمُ الشَّمۡسَ وَ الۡقَمَرَ دَآئِبَیۡنِ ۚ وَ سَخَّرَ لَکُمُ الَّیۡلَ وَ النَّہَارَ ﴿ۚ۳۳﴾

014.033 Wasakhkhara lakumu alshshamsa waalqamara da-ibayni wasakhkhara lakumu allayla waalnnahara

14:33 En Hij maakte de zon en de maan ten dienste voor jullie, die beide voortdurend hun baan afleggen. En (ook) zijn de nacht en de dag voor jullie ten dienste gesteld.

وَ اٰتٰىکُمۡ مِّنۡ کُلِّ مَا سَاَلۡتُمُوۡہُ ؕ وَ اِنۡ تَعُدُّوۡا نِعۡمَتَ اللّٰہِ لَا تُحۡصُوۡہَا ؕ اِنَّ الۡاِنۡسَانَ لَظَلُوۡمٌ کَفَّارٌ ﴿٪۳۴﴾

014.034 Waatakum min kulli ma saaltumoohu wa-in taAAuddoo niAAmata Allahi la tuhsooha inna al-insana lathaloomun kaffarun

14:34 En Hij gaf jullie alles wat jullie Hem vroegen. En als jullie de gunsten van Allah zouden willen tellen, dan zul je daar niet toe instaat zijn. Voorzeker, de mens is zeker onrechtvaardig en ondankbaar.

وَ اِذۡ قَالَ اِبۡرٰہِیۡمُ رَبِّ اجۡعَلۡ ہٰذَا الۡبَلَدَ اٰمِنًا وَّ اجۡنُبۡنِیۡ وَ بَنِیَّ اَنۡ نَّعۡبُدَ الۡاَصۡنَامَ ﴿ؕ۳۵﴾

014.035 Wa-ith qala ibraheemu rabbi ijAAal hatha albalada aminan waojnubnee wabaniyya an naAAbuda al-asnama

14:35 En (gedenk) toen Ibrahiem (Abraham) zei: "Mijn Heer! Maak deze stad veilig. En bescherm mij en mijn zonen tegen het aanbidden van de idolen."

رَبِّ اِنَّہُنَّ اَضۡلَلۡنَ کَثِیۡرًا مِّنَ النَّاسِ ۚ فَمَنۡ تَبِعَنِیۡ فَاِنَّہٗ مِنِّیۡ ۚ وَ مَنۡ عَصَانِیۡ فَاِنَّکَ غَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۳۶﴾

014.036 Rabbi innahunna adlalna katheeran mina alnnasi faman tabiAAanee fa-innahu minnee waman AAasanee fa-innaka ghafoorun raheemun

14:36 "Mijn Heer! Voorzeker, ze hebben vele mensen doen dwalen. Wie mij dus volgt, dan behoort hij tot mij. En wie mij niet gehoorzaamt dan voorzeker, U bent de Gafoer (de meest Vergevensgezinde), Ar-Rahiem (de Erbarmer)."

رَبَّنَاۤ اِنِّیۡۤ اَسۡکَنۡتُ مِنۡ ذُرِّیَّتِیۡ بِوَادٍ غَیۡرِ ذِیۡ زَرۡعٍ عِنۡدَ بَیۡتِکَ الۡمُحَرَّمِ ۙ رَبَّنَا لِیُـقِیۡمُوا الصَّلٰوۃَ فَاجۡعَلۡ اَفۡئِدَۃً مِّنَ النَّاسِ تَہۡوِیۡۤ اِلَیۡہِمۡ وَارۡ زُقۡہُمۡ مِّنَ الثَّمَرٰتِ لَعَلَّہُمۡ یَشۡکُرُوۡنَ ﴿۳۷﴾

014.037 Rabbana innee askantu min thurriyyatee biwadin ghayri thee zarAAin AAinda baytika almuharrami rabbana liyuqeemoo alssalata faijAAal af-idatan mina alnnasi tahwee ilayhim waorzuqhum mina alththamarati laAAallahum yashkuroona

14:37 "Onze Heer! Voorzeker, ik heb enkele van mijn nakomelingen in een vallei gevestigd, waar geen cultivatie is, vlakbij Uw heilige Huis (de Kabaa). Onze Heer, zodat ze het gebed kunnen onderhouden. Laat de harten van de mensen naar hun toewenden, en voorzie hen met fruit zodat ze dankbaar kunnen zijn."

رَبَّنَاۤ اِنَّکَ تَعۡلَمُ مَا نُخۡفِیۡ وَ مَا نُعۡلِنُ ؕ وَ مَا یَخۡفٰی عَلَی اللّٰہِ مِنۡ شَیۡءٍ فِی الۡاَرۡضِ وَ لَا فِی السَّمَآءِ ﴿۳۸﴾

014.038 Rabbana innaka taAAlamu ma nukhfee wama nuAAlinu wama yakhfa AAala Allahi min shay-in fee al-ardi wala fee alssama/-i

14:38 "Onze Heer! Voorzeker, U weet wat wij verbergen en wat we verkondigen. Niets op aarde en in de hemelen is verborgen voor Allah."

اَلۡحَمۡدُ لِلّٰہِ الَّذِیۡ وَہَبَ لِیۡ عَلَی الۡکِبَرِ اِسۡمٰعِیۡلَ وَ اِسۡحٰقَ ؕ اِنَّ رَبِّیۡ لَسَمِیۡعُ الدُّعَآءِ ﴿۳۹﴾

014.039 Alhamdu lillahi allathee wahaba lee AAala alkibari ismaAAeela wa-ishaqa inna rabbee lasameeAAu aldduAAa/-i

14:39 "Alle lof en dank behoort aan Allah toe, Degene die mij, in mijn oude jaren, Ismaiel (IsmaŰl) en Izaak heeft geschonken. Voorzeker, mijn Heer is de verhoorder van het smeekgebed."

رَبِّ اجۡعَلۡنِیۡ مُقِیۡمَ الصَّلٰوۃِ وَ مِنۡ ذُرِّیَّتِیۡ ٭ۖ رَبَّنَا وَ تَقَبَّلۡ دُعَآءِ ﴿۴۰﴾

014.040 Rabbi ijAAalnee muqeema alssalati wamin thurriyyatee rabbana wtaqabbal duAAa/-i

14:40 Mijn Heer! Maak mij een onderhouder van het gebed en ook van mijn nageslacht. Onze Heer! Verhoor, onze smeekgebeden.

رَبَّنَا اغۡفِرۡ لِیۡ وَ لِوَالِدَیَّ وَ لِلۡمُؤۡمِنِیۡنَ یَوۡمَ یَقُوۡمُ الۡحِسَابُ ﴿٪۴۱﴾

014.041 Rabbana ighfir lee waliwalidayya walilmu/mineena yawma yaqoomu alhisabu

14:41 Mijn Heer! Vergeef mij, mijn ouders en de gelovigen op de dag waarop de afrekening plaats vindt."

وَ لَا تَحۡسَبَنَّ اللّٰہَ غَافِلًا عَمَّا یَعۡمَلُ الظّٰلِمُوۡنَ ۬ؕ اِنَّمَا یُؤَخِّرُہُمۡ لِیَوۡمٍ تَشۡخَصُ فِیۡہِ الۡاَبۡصَارُ ﴿ۙ۴۲﴾

014.042 Wala tahsabanna Allaha ghafilan AAamma yaAAmalu alththalimoona innama yu-akhkhiruhum liyawmin tashkhasu feehi al-absaru

14:42 En denk niet dat Allah niet bewust is van datgeen wat de misdadigers doen. Hij geeft ze slechts uitstel tot een dag (dag des oordeels) waarop de ogen zullen staren (van angst).

مُہۡطِعِیۡنَ مُقۡنِعِیۡ رُءُوۡسِہِمۡ لَا یَرۡتَدُّ اِلَیۡہِمۡ طَرۡفُہُمۡ ۚ وَ اَفۡـِٕدَتُہُمۡ ہَوَآءٌ ﴿ؕ۴۳﴾

014.043 MuhtiAAeena muqniAAee ruoosihim la yartaddu ilayhim tarfuhum waaf-idatuhum hawa/on

14:43 Ze zullen naar voren haasten met hun hoofden naar boven kijkend (naar de hemel), hun blikken zullen niet naar hen terugkeren (ze zullen niet in staat zijn hun ogen af te wenden van wat ze aanschouwen door de kettingen die ze om hun nek hebben) en hun harten zijn leeg (vanwege de extreme angst). (Notitie: zie 13:5 en 36:8 m.b.t. kettingen om hun nekken.)

وَ اَنۡذِرِ النَّاسَ یَوۡمَ یَاۡتِیۡہِمُ الۡعَذَابُ فَیَقُوۡلُ الَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡا رَبَّنَاۤ اَخِّرۡنَاۤ اِلٰۤی اَجَلٍ قَرِیۡبٍ ۙ نُّجِبۡ دَعۡوَتَکَ وَ نَتَّبِعِ الرُّسُلَ ؕ اَوَ لَمۡ تَکُوۡنُوۡۤا اَقۡسَمۡتُمۡ مِّنۡ قَبۡلُ مَا لَکُمۡ مِّنۡ زَوَالٍ ﴿ۙ۴۴﴾

014.044 Waanthiri alnnasa yawma ya/teehimu alAAathabu fayaqoolu allatheena thalamoo rabbana akhkhirna ila ajalin qareebin nujib daAAwataka wanattabiAAi alrrusula awa lam takoonoo aqsamtum min qablu ma lakum min zawalin

14:44 Waarschuw (daarom) de mens voor de dag dat de straf tot hen zal komen. De misdadigers zullen (op die dag) dan zeggen: "Onze Heer! Verleen ons een korte uitstel. We zullen U gehoor geven en we zullen de boodschappers volgen." (Er zal dan tegen hen gezegd worden:) "Hadden jullie voorheen niet gezworen dat er voor jullie geen enkel ondergang is?"

وَّ سَکَنۡتُمۡ فِیۡ مَسٰکِنِ الَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡۤا اَنۡفُسَہُمۡ وَ تَبَیَّنَ لَکُمۡ کَیۡفَ فَعَلۡنَا بِہِمۡ وَ ضَرَبۡنَا لَکُمُ الۡاَمۡثَالَ ﴿۴۵﴾

014.045 Wasakantum fee masakini allatheena thalamoo anfusahum watabayyana lakum kayfa faAAalna bihim wadarabna lakumu al-amthala

14:45 "En jullie verbleven op de plaatsen van degenen die zichzelf onrecht hadden aangedaan. En het was voor jullie duidelijk geworden hoe Wij hun behandelt hebben. En Wij hebben voor jullie de voorbeelden gegeven."

وَ قَدۡ مَکَرُوۡا مَکۡرَہُمۡ وَ عِنۡدَ اللّٰہِ مَکۡرُہُمۡ ؕ وَ اِنۡ کَانَ مَکۡرُہُمۡ لِتَزُوۡلَ مِنۡہُ الۡجِبَالُ ﴿۴۶﴾

014.046 Waqad makaroo makrahum waAAinda Allahi makruhum wa-in kana makruhum litazoola minhu aljibalu

14:46 En waarlijk, ze maakten hun plannen. Maar de uitwerking van hun plannen lag bij Allah. Zelfs als hun plan zo doordacht was dat zelfs de bergen erdoor zouden verplaatsen (, het zou het niet lukken).

فَلَا تَحۡسَبَنَّ اللّٰہَ مُخۡلِفَ وَعۡدِہٖ رُسُلَہٗ ؕ اِنَّ اللّٰہَ عَزِیۡزٌ ذُو انۡتِقَامٍ ﴿ؕ۴۷﴾

014.047 Fala tahsabanna Allaha mukhlifa waAAdihi rusulahu inna Allaha AAazeezun thoo intiqamin

14:47 Dus denk niet dat Allah zal falen in Zijn belofte aan Zijn boodschappers. Voorzeker, Allah is Al-Aziez (de Almachtige) en de bezitter van alle wraak.

یَوۡمَ تُبَدَّلُ الۡاَرۡضُ غَیۡرَ الۡاَرۡضِ وَ السَّمٰوٰتُ وَ بَرَزُوۡا لِلّٰہِ الۡوَاحِدِ الۡقَہَّارِ ﴿۴۸﴾

014.048 Yawma tubaddalu al-ardu ghayra al-ardi waalssamawatu wabarazoo lillahi alwahidi alqahhari

14:48 Op die dag zal de aarde vervangen worden door een andere aarde en ook de hemelen. En ze zullen voorkomen voor Allah, Al-Wahid (de Enige), Al-Kahaar (Degene die alles in zijn koninkrijk regelt).

وَ تَـرَی الۡمُجۡرِمِیۡنَ یَوۡمَئِذٍ مُّقَرَّنِیۡنَ فِی الۡاَصۡفَادِ ﴿ۚ۴۹﴾

014.049 Watara almujrimeena yawma-ithin muqarraneena fee al-asfadi

14:49 En op die dag zul je de misdadigers samengebonden met kettingen zien.

سَرَابِیۡلُہُمۡ مِّنۡ قَطِرَانٍ وَّ تَغۡشٰی وُجُوۡہَہُمُ النَّارُ ﴿ۙ۵۰﴾

014.050 Sarabeeluhum min qatranin wataghsha wujoohahumu alnnaru

14:50 Hun kleren zullen van teer zijn en het vuur zal hun gezichten bedekken.

لِیَجۡزِیَ اللّٰہُ کُلَّ نَفۡسٍ مَّا کَسَبَتۡ ؕ اِنَّ اللّٰہَ سَرِیۡعُ الۡحِسَابِ ﴿۵۱﴾

014.051 Liyajziya Allahu kulla nafsin ma kasabat inna Allaha sareeAAu alhisabi

14:51 Zodat Allah elke persoon zal belonen voor wat hij verdient heeft. Voorzeker, Allah is snel in de afrekening.

ہٰذَا بَلٰغٌ لِّلنَّاسِ وَ لِیُنۡذَرُوۡا بِہٖ وَ لِیَعۡلَمُوۡۤا اَنَّمَا ہُوَ اِلٰہٌ وَّاحِدٌ وَّ لِیَذَّکَّرَ اُولُوا الۡاَلۡبَابِ ﴿٪۵۲﴾

014.052 Hatha balaghun lilnnasi waliyuntharoo bihi waliyaAAlamoo annama huwa ilahun wahidun waliyaththakkara oloo al-albabiS

14:52 Dit is een boodschap voor de mens zodat hij gewaarschuwd is. En dat ze kunnen weten dat Hij alleen de enige de´teit is. En dat de mensen met begrip erover kunnen nadenken.


www.kuran.nl